CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 10, bijlage 1 verordening VFL DRV (inclusief bijlagen)

Gemeenteraad 6 april 2021, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving De Ronde Venen, raadsvoorstel 10/2132.022 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.

Artikel 5.1.2

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.

Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5.1.3

Voertuigwrakken 1.

Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een duidelijk verwaarloosde toestand is, op de weg te parkeren.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties die worden geregeld door de Wet milieubeheer.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 25 van 107

Artikel 5.1.4

Kampeermiddelen, aanhangwagens en andere voertuigen 1.

Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of andere nietverkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben; b. op een door burgemeester en wethouders aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar oordeel van burgemeester en wethouders negatief voor het uiterlijk van de gemeente is.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Provinciale Wegenverordening of de Provinciale Landschapsverordening.

Artikel 5.1.5

Reclamevoertuigen 1.

Het is verboden om een voertuig met reclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee reclame te maken.

2.

Artikel 5.1.6

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.

Grote voertuigen 1.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door burgemeester en wethouders aangewezen plaats, waar dit naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door burgemeester en wethouders aangewezen weg, waar dit naar hun oordeel buitensporig is met het oog op de beschikbare parkeerruimte.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

4.

Het tweede lid is verder niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

5.

Burgemeester en wethouders kunnen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 26 van 107

Artikel 5.1.7

Uitzichtbelemmerende voertuigen 1.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of bewoners of gebruikers andere hinder of overlast hebben.

2.

Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5.1.8

Parkeren van voertuigen met gevaarlijke stoffen 1.

Het is verboden om een voertuig dat wordt gebruikt voor het vervoer van meer dan 10 kilo gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 2 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen te parkeren als zich binnen een straal van 250 meter gebouwen bevinden waarbinnen zich personen plegen op te houden.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod ontheffing verlenen.

3.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Vuurwerkbesluit.

Artikel 5.1.9

Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.

Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te plaatsen of laten staan.

2.

Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; c.

voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 5.1.10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan 1.

Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door burgemeester en wethouders aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.

2.

Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 27 van 107

Artikel 5.1.11 Parkeren van fietsen of bromfietsen 1.

Het is verboden een fiets, bromfiets, gehandicaptenvoertuig of vergelijkbaar vervoermiddel, al of niet voor onmiddellijk gebruik geschikt, te parkeren als daardoor: a. op een voetpad of trottoir de doorgang wordt gehinderd of belemmerd; b. de veiligheid of de doorstroming van of het uitzicht voor het verkeer wordt gehinderd; c.

op of aan een openbare plaats hinder, overlast of schade ontstaat; of

d. voor een bewoner of gebruiker van het gebouw waartegen of waarvoor de fiets, bromfiets of vergelijkbaar vervoermiddel staat geparkeerd de doorgang of het uitzicht wordt belemmerd. 2.

Het is verboden: a. een fiets of bromfiets te parkeren in door burgemeester en wethouders daarvoor aangewezen gebieden, langer dan een door burgemeester en wethouders te bepalen periode; b. fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een duidelijk verwaarloosde toestand verkeren, op of aan de weg of in fietsenrekken te laten staan.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de veiligheid en ter voorkoming van hinder een gebied aanwijzen waarin fietsen of bromfietsen uitsluitend in een parkeervoorziening mogen worden geparkeerd.

4.

Het is verboden een fiets of een bromfiets in een gebied als bedoeld in het derde lid buiten een parkeervoorziening te plaatsen.

§ 5.2 Openbaar water en waterstaatswerken Artikel 5.2.1

Ligplaats vaartuigen 1.

Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben of beschikbaar te stellen op door burgemeester en wethouders aangewezen gedeelten van openbaar water.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met of voor een vaartuig op niet volgens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

3.

Het verbod is niet van toepassing op situaties die worden geregeld door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Verordening

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 28 van 107

Vinkeveense Plassen, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale Vaarwegenverordening of de Provinciale Landschapsverordening en de geldende bestemmingsplannen van de gemeente De Ronde Venen. 4.

Burgemeester en wethouders kunnen aan een rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk van de gemeente.

5.

De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door burgemeester en wethouders gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

§ 5.3 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5.3.1

Crossterreinen 1.

Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden, te laten houden, daaraan deel te nemen, en om een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

2.

Het verbod is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen terreinen.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van milieuwaarden; c.

de veiligheid van de deelnemers van de i wedstrijden en ritten of van het publiek.

4.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 5.3.2

Beperking verkeer in natuurgebieden 1.

Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

2.

Het verbod is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen terreinen. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen in het belang van:

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 29 van 107

a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. 3.

de veiligheid van het publiek.

Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c.

die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4.

Het verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.

5.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.

§ 5.4 Vuurverbod Artikel 5.4.1

Verbod afvalstoffen te verbranden buiten milieu-inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.

Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten milieuinrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

2.

Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op : a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c.

vuur voor koken, bakken en braden.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen van dit verbod ontheffing verlenen.

4.

Onverminderd het bepaalde in artikel 2.7 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 30 van 107

5.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.

Artikel 5.4.2

Verbod carbidschieten 1.

Het is verboden: a. acetyleengas (C2H2) afkomstig van een reactie tussen carbid (calciumcarbide, chemische formule CaC2) en water; of b. waterstof (H2) afkomstig van een reactie tussen natronloog (natriumhydroxide, chemische formule NaOH) en water; of c.

gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen; of

d. al dan niet vernevelde, vloeistoffen of stoffen met vergelijkbare eigenschappen; in een al dan niet afgesloten vat, bus, fles of dergelijk voorwerp op explosieve wijze te verbranden of te bewerken op zodanige wijze dat daardoor gevaar, schade of hinder voor de omgeving kan worden veroorzaakt. 2.

Het is verboden carbid op of aan de openbare weg of op een voor publiek toegankelijke plaats voorhanden te hebben.

3.

Het is verboden carbid af te leveren en ter aflevering voorhanden te hebben wetende of vermoedende dat daarmee een gebruik wordt gemaakt als omschreven in lid 1.

4.

Het bepaalde in de leden 2 en 3 geldt niet voor degene die aannemelijk maakt, dat het carbid niet gebruikt wordt of bestemd is voor handelingen die ingevolge lid 1 verboden zijn.

5.

Het is verboden carbid op of aan de openbare weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats achter te laten of voorhanden te hebben op een zodanige wijze dat derden onbedoeld met die stof in contact kunnen komen.

6.

Het verbod als bedoeld in lid 1 onder b, c en d is niet van toepassing op het normale gebruik van wettelijk toegestane verbrandingsmotoren.

7.

Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 31 van 107

Hoofstuk 6. Erfgoed § 6.1 Algemeen Artikel 6.1.1

Gemeentelijk erfgoedregister 1.

Burgemeester en wethouders houden een door iedereen te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed (gemeentelijk erfgoedregister).

2.

Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; b. gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet; c.

gegevens over beeldbepalende panden die zijn opgenomen in bestemmingsplannen en beheersverordeningen.

§ 6.2 Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel 6.2.1

Aanwijzing als gemeentelijk monument 1.

Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.

2.

Artikel 6.2.2

Dit artikel is niet van toepassing op Rijksmonumenten.

Voornemen tot aanwijzing 1.

Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 6.2.1 wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

2.

Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 32 van 107

Artikel 6.2.3

Voorbescherming 1.

De bescherming van paragraaf 6.3 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 6.2.2 is bekendgemaakt.

2.

De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.

Artikel 6.2.4

Advies Monumentencommissie 1.

Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 6.2.1 advies aan de Monumentencommissie waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Leden van het gemeentebestuur maken geen deel uit van de Monumentencommissie.

2.

De Monumentencommissie brengt binnen 5 weken na ontvangst van de adviesaanvraag een schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen de procedure zonder advies van de Monumentencommissie vervolgen, als binnen de in het tweede lid genoemde termijn geen advies is uitgebracht.

Artikel 6.2.5

Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1.

Op een aanvraag om aanwijzing moet worden besloten binnen 16 weken na ontvangst van de aanvraag.

2.

De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding, een actuele foto en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

Artikel 6.2.6

Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1.

De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

2.

Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 33 van 107

Artikel 6.2.7

Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1.

In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 6.2.4 wordt in dat geval aan de Monumentencommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.

2.

Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 16 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 6.2.1.

3.

Paragraaf 6.3 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 6.2.6 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

Artikel 6.2.8

Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1.

Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

2.

Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 6.3 van overeenkomstige toepassing

3.

Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister. Het vervallen van de aanwijzing wordt ogenblikkelijk bijgewerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.

4.

Als burgemeester en wethouders de aanwijzing intrekken, zijn artikel 6.2.4 en artikel 6.2.5 eerste lid van overeenkomstige toepassing.

5.

Het verzoek tot intrekking van de aanwijzing moet een bouwkundig rapport bevatten waarin naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is aangetoond wat de bouwkundige staat van het monument is.

6.

Burgemeester en wethouders trekken de aanwijzing niet in, voordat een rapport is overgelegd waarin de bouwhistorische en cultuurhistorische waarden van het gemeentelijke monument naar oordeel van het college voldoende zijn gedocumenteerd.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 34 van 107

§ 6.3 Bescherming gemeentelijk monument Artikel 6.3.1

Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan geen onderhoud te plegen dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 6.3.2

Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de wijze van uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning in het belang van monumentenzorg verzoeken om een bouwhistorisch onderzoek.

4.

Op een aanvraag om een Omgevingsvergunning zijn artikel 6.2.4, tweede lid en derde lid van toepassing.

5.

Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

6.

Het eerste lid is niet van toepassing wanneer sprake is van: a. regulier onderhoud, onderhoudswerkzaamheden die erop gericht zijn om te behouden wat er is, waarbij materiaalsoort, kleur, vormgeving, detaillering en profilering niet wijzigen. b. een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft, tenzij bij de werkzaamheden een monumentaal onderdeel wordt of dreigt te worden aangetast. c.

Onder de volgende voorwaarden: I. er is sprake van een technische noodzaak voor het vervangen of herstellen van materiaal op beperkte schaal; II. aangetaste delen mogen worden vervangen of hersteld; III. de werkzaamheden dienen zonder hak- en breekwerk in het historisch casco te worden uitgevoerd. Voor zover er geen sprake is van de onder a. en b. bedoelde werkzaamheden en/of er wordt niet voldaan aan de onder I t/m III gestelde voorwaarden dan is een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een monument vereist.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 35 van 107

Artikel 6.3.3

Weigeringsgronden 1.

De vergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

2.

Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument wordt niet verleend zonder toestemming van de eigenaar.

§ 6.4 Beeldbepalend pand Artikel 6.4.1

Advies omgevingsvergunning beeldbepalend pand Burgemeester en wethouders zenden zo snel mogelijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor het slopen of wijzigen van een beeldbepalend pand voor advies aan de Monumentencommissie, als bedoeld in artikel 6.2.4 eerste lid, voordat zij beslissen op de aanvraag. Artikel 6.2.4, tweede lid en derde lid en artikel 2.9 en 2.7 zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 6.5 Rijksmonumenten Artikel 6.5.1

Omgevingsvergunning rijksmonument 1.

Burgemeester en wethouders zenden zo snel mogelijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor advies aan de Monumentencommissie, bedoeld in artikel 6.2.4, eerste lid. Artikel 6.2.4, tweede lid en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning in het belang van monumentenzorg verzoeken om een bouwhistorisch onderzoek.

§ 6.6 Beschermde dorpsgezichten Artikel 6.6.1

Aanwijzing als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht 1.

De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht.

2.

Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 6.2.4, eerste lid. Artikel 6.2.4, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 36 van 107

3.

De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid.

4.

Een aangewezen gemeentelijk dorpsgezicht wordt zo snel mogelijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

5.

De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.

6.

Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld.

7.

Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vijfde of zesde lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen.

8.

Dit artikel is niet van toepassing op beschermde dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 6.6.2

Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht 1.

De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 6.6.1, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 6.6.1, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

2.

Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of b. beschermd dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

3.

Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat zo snel mogelijk bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 37 van 107

Artikel 6.6.3

Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning 1.

Het is in een beschermd dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een bouwwerk te slopen.

2.

De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

3.

De artikelen 2.7, 2.9 en 6.3.3 zijn van overeenkomstige toepassing.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet.

§ 6.7 Archeologie Artikel 6.7.1

Instandhouding archeologische terreinen 1.

Het is verboden in afwijking van een omgevingsvergunning werkzaamheden uit te voeren die verstoring van mogelijke archeologische resten onder het maaiveld of aan de waterbodem kunnen veroorzaken, waaronder: a. bouw- of sloopwerkzaamheden b. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, en ook het vergraven, uitbaggeren, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; c.

het verlagen of verhogen van het waterpeil;

d. het aanbrengen of rooien van diepwortelende beplantingen en bomen; e. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 2.

Het verbod, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, is niet van toepassing als één van de volgende gevallen zich voordoet: a. de werkzaamheden veroorzaken dieper dan 0,30 meter onder het maaiveld of de waterbodem geen verstoring; b. op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart is gelet op de aard van het archeologische (verwachtings)gebied en de omvang van het plangebied geen vergunning nodig; c.

de activiteiten worden getoetst aan de regels en voorschriften van een vanaf 1 januari 2012 vastgesteld en geldend bestemmingsplan of geldende beheersverordening waarin regels zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;

d. er is sprake van een vanaf 1 januari 2012 verleende omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.12,

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 38 van 107

eerste en tweede lid, van de Wabo en hierin zijn voorschriften opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; e. de bouwwerkzaamheden betreffen vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en uitsluitend gebruik gemaakt wordt van de bestaande fundering; f.

de werkzaamheden mogen op het tijdstip van in werking treden van deze verordening worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;

g. de werkzaamheden zijn reeds in uitvoering op het tijdstip van in werking treden van deze verordening; h. de werkzaamheden behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; i.

de werkzaamheden worden uitgevoerd ten dienste van archeologisch onderzoek;

j.

(voor waterbodems) de onderhoudsbaggerwerkzaamheden gaan aantoonbaar niet dieper dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes;

k.

aanvrager heeft een rapport overgelegd waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld en de betrokken archeologische waarden, mits gelet op het rapport behoudenswaardig geacht, worden door de in de aanvraag beschreven werkzaamheden naar oordeel van burgemeester en wethouders niet geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door het stellen van regels, gericht op: •

het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ);

•

het doen van opgravingen (behoud ex situ);

•

begeleiding van de beschreven activiteiten door een hiertoe bevoegde (archeologische) instantie.

De bepalingen uit de artikelen 6.3.1 (Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument) 6.3.2 (Omgevingsvergunning gemeentelijk monument) en 6.3.3 (Weigeringsgronden gemeentelijk monument), zijn van overeenkomstige toepassing. l.

Burgemeester en wethouders hebben een omgevingsvergunning verleend, waarbij in de regels of voorschriften is vastgelegd dat een archeologisch rapport overgelegd moet worden waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld en de betrokken archeologische waarden, mits gelet op het rapport behoudenswaardig geacht, worden door de in de aanvraag beschreven werkzaamheden naar oordeel van burgemeester en wethouders niet geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door het opstellen van regels, gericht op:

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 39 van 107

•

het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ);

•

het doen van opgravingen (behoud ex situ);

•

begeleiding van de beschreven activiteiten door een hiertoe bevoegde (archeologische) instantie.

De bepalingen uit de artikelen 6.3.1 (Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument) 6.3.2 (Omgevingsvergunning gemeentelijk monument) en 6.3.3 (Weigeringsgronden gemeentelijk monument), zijn van overeenkomstige toepassing. 3.

Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg afwijken van het bepaalde in lid 2.

Artikel 6.7.2

Opgravingen en begeleiding 1.

Als binnen het grondgebied van de gemeente De Ronde Venen onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988 met uitzondering van boringen, moeten, onverminderd de overige bepalingen van deze wet, burgemeester en wethouders een programma van eisen vaststellen, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek.

2.

Als binnen het grondgebied van de gemeente De Ronde Venen onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van boringen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, moet, onverminderd de overige bepalingen van deze wet, de verstoorder, voorafgaand aan het onderzoek, een plan van aanpak ter goedkeuring aan burgemeester en wethouders overleggen. De bepalingen uit de artikelen 6.3.1 (Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument) 6.3.2 (Omgevingsvergunning gemeentelijk monument), zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

In de nadere regels nemen burgemeester en wethouders bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek moeten aanwijzingen van burgemeester en wethouders in acht worden genomen.

Artikel 6.7.3

Aanpassing gemeentelijke archeologische beleidskaart 1.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de archeologisch (verwachtings)gebieden op de gemeentelijke archeologische beleidskaart te wijzigen of geheel of gedeeltelijk te verwijderen, als: a. naar het oordeel van burgemeester en wethouders uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. naar het oordeel van burgemeester en wethouders uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse gevonden

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 40 van 107

archeologische waarden aanleiding geven tot een andere waardering te komen; 2.

Voor een besluit te nemen als genoemd in het eerste lid, winnen burgemeester en wethouders advies in bij een archeologisch deskundige, zoals omschreven in de Wet op de Archeologische monumentenzorg.

Artikel 6.7.4

Advies archeologisch deskundige 1.

Voordat burgemeester en wethouders een besluit nemen over de vaststelling van een plan van aanpak of programma van eisen voor de uitvoering van archeologisch onderzoek, of over de vaststelling van een archeologische rapportage, winnen zij advies in bij een archeologisch deskundige, zoals omschreven in de Wet op de Archeologische monumentenzorg.

2.

De archeologisch deskundige brengt binnen 4 weken na ontvangst van de adviesaanvraag een schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van de archeologisch deskundige de adviestermijn genoemd in het tweede lid eenmalig met maximaal 4 weken verlengen, als dit noodzakelijk is vanuit het oogpunt van archeologische monumentenzorg.

4.

Burgemeester en wethouders kunnen de procedure zonder advies van de archeologisch deskundige vervolgen, als binnen de in het tweede en derde lid genoemde termijn geen advies is uitgebracht.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 41 van 107

Hoofdstuk 7 Afvalstoffen en inzameling oud papier § 7.1 Huishoudelijke afvalstoffen Artikel 7.1.1

Aanwijzing van de inzameldienst 1.

Burgemeester en wethouders wijzen de inzameldienst(en) aan die is (zijn) belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen.

2.

Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de voorbereiding van de aanwijzing en over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 7.1.2

Regulering van andere inzamelaars 1.

Het is anderen dan de inzameldienst(en) verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: a. daartoe is aangewezen door burgemeester en wethouders; b. bij nadere regels van burgemeester en wethouders van het verbod is vrijgesteld; of c.

verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer.

2.

Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 7.1.1, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.1.3

Aanwijzing van inzamelplaats Burgemeester en wethouders dragen zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten.

Artikel 7.1.4

Algemene verboden Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: a. ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 7.1.2, eerste lid;

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 42 van 107

b. over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 7.1.2, eerste lid; of c.

achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 7.1.3.

Artikel 7.1.5

Afvalscheiding 1.

Burgemeester en wethouders stellen regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel.

2.

In ieder geval de volgende bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld:

3.

-

groente-, fruit- en tuinafval;

-

oud papier en karton;

-

glas en vlakglas

-

textiel;

-

PMD (plastic verpakkingen, metaalverpakkingen en drankenkartons)

-

elektrische of elektronische apparatuur;

-

klein chemisch afval;

-

bouw- en sloopafval;

-

verduurzaamd hout;

-

grof tuinafval;

-

asbest en asbesthoudend afval;

-

grof huishoudelijk afval;

-

huishoudelijk restafval;

-

autobanden;

-

ijzer;

-

hout;

-

puin

-

metaal;

-

dakleer;

-

tapijt;

-

piepschuim

-

matrassen

-

hard plastic

-

kleine dode huisdieren.

In het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer kunnen burgemeester en wethouders de aanwijzing van afzonderlijk in te zamelen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het tweede lid, of fracties daarvan, achterwege laten.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 43 van 107

Artikel 7.1.6

Gescheiden aanbieding 1.

Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 7.1.5, anders dan afzonderlijk: a. ter inzameling aan te bieden; b. achter te laten op een inzamelplaats, bedoeld in artikel 7.1.3.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 7.1.7

Tijdstip van aanbieding Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door burgemeester en wethouders daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld.

Artikel 7.1.8

Wijze en plaats van aanbieding 1.

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door burgemeester en wethouders te stellen regels over het gebruik van: a. inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel; b. inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel.

2.

Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de tijden, bedoeld in artikel 7.1.7, buiten een perceel te laten staan.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden.

§ 7.2 Bedrijfsafvalstoffen Artikel 7.2.1

Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst Burgemeester en wethouders kunnen bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen krachtens artikel 7.1.1, in gevallen waarin de voor deze inzameling krachtens Verordening op de heffing en invordering van de afvalstoffenheffing 2016 verschuldigde heffing is voldaan.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 44 van 107

Artikel 7.2.2

Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 7.1.2 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden, aan de inzameldienst over te dragen of bij de inzamelplaats, bedoeld in artikel 7.1.3, achter te laten.

Artikel 7.2.3

Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen 1.

Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door burgemeester en wethouders te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 7.2.1 aangewezen bedrijfsafvalstoffen.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het aanbieden of overdragen van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen ook worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, inhouden.

§ 7.3 Zwerfafval en overige Artikel 7.3.1

Dumpingsverbod 1.

Het is verboden zonder ontheffing van burgemeester en wethouders, buiten een milieu-inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; c.

het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;

d. handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit. 3.

Als de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 45 van 107

Artikel 7.3.2

Zwerfafval in de openbare ruimte 1.

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen.

2.

Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt ogenblikkelijk opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde.

3.

Het is verboden ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of deze anderszins te behandelen.

Artikel 7.3.3

Zwerfafval rondom milieu-inrichtingen 1.

Degene die een milieu-inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de milieu-inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval.

2.

Degene die de milieu-inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de milieu-inrichting afkomstig zijn of voor de milieu-inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de milieu-inrichting.

3.

De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 7.3.4

Afval en verontreiniging op de weg 1.

Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of andere voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten.

2.

Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever zorgt ogenblikkelijk na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 46 van 107

Artikel 7.3.5

Geen opslag van afval in de open lucht Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een milieu-inrichting op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 7.1 van deze verordening aanbieden of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 7.3.6

Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een milieu-inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken.

§ 7.4 Inzameling oud papier Artikel 7.4.1

Registratie 1.

De inzamelaar oud papier verplicht zich ten behoeve van de registratie van het oud papier het door de AVU beschikbaar gestelde inzamelgegevensformulier tijdig in te vullen en aan de AVU beschikbaar te stellen. Tevens zorgt de inzamelaar oud papier er voor, dat bij wijziging van de gegevens van het inzamel-gegevens-formulier, dit direct wordt gemeld aan de AVU.

2.

De afnemer moet ten gunste van de inzamelaar oud papier registratie doen van het aangeleverde oud papier, waarbij vermeld moet zijn: -

de hoeveelheid afgeleverd oud papier in kilogrammen;

-

de datum, waarop het oud papier door de inzamelaar oud papier aan de afnemer is afgeleverd;

3.

de woonkern, waarbinnen de inzameling heeft plaatsgevonden.

De afnemer dient maandelijks, in de maand na de inzameling van het oud papier, de inzamelaar oud papier een overzicht te verschaffen van het door de inzamelaar oud papier aangeboden oud papier.

Artikel 7.4.2

Garantievergoeding 1.

Burgemeester en wethouders garanderen aan de inzamelaar oud papier, dat de prijs van het aan de afnemer afgeleverde oud papier gelijk zal zijn aan de door de gemeenteraad vastgestelde garantievergoeding.

2.

Burgemeester en wethouders betalen de kosten voor de huis-aanhuisinzameling, het gebruik van een verzamelcontainer, evenals de aan de inzameling verbonden administratiekosten van de afnemer.

3.

De afnemer dient maandelijks, in de maand na de inzameling van het oud papier, zorg te dragen voor uitbetaling van de garantievergoeding.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 47 van 107

4.

Artikel 7.4.3

De garantievergoeding bedraagt € 50,- per 1.000 kilogram.

Aanwijsbesluit Een inzamelaar oud papier dient te worden aangewezen door burgemeester en wethouders, zoals bepaald in artikel 7.1.2 eerste lid.

Artikel 7.4.4

locatie verzamelcontainer oud papier 1.

Bij gebruik van een verzamelcontainer voor oud papier moet de inzamelaar oud papier de directe omgeving van de container schoon houden en er voor te zorgen dat er geen zwerfvuil ontstaat.

2.

Bij gebruik van een verzamelcontainer van oud papier moet de inzamelaar oud papier zorgen voor een veilige doorgang van het verkeer.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere voorwaarden stellen aan de plaats waar de container wordt geplaatst en de manier waarop dit gebeurt.

4.

De inzamelaar oud papier moet zodanige maatregelen treffen, dat wordt voorkomen dat de gemeente en/of derden schade lijden.

5.

Er mag geen reclame op de container zijn, tenzij het opschriften betreft die betrekking hebben op de in uitvoering zijnde werkzaamheden. Burgemeester en wethouders behouden zich de bevoegdheid voor om, als zij daartoe aanleiding vinden, verwijdering van deze reclame te gelasten, of deze voor rekening van de inzamelaar oud papier te laten verwijderen.

6.

De ongehinderde doorgang van hulpdiensten moet te allen tijde gewaarborgd blijven.

7.

Nooduitgangen en vluchtwegen dienen te allen tijde vrij te worden gehouden.

8.

Een ongestoorde ligging van de kabels en leidingen dient te zijn gewaarborgd.

9.

De inzamelaar oud papier stelt de gemeente en nutsbedrijven te allen tijde in staat alle door hen gewenste werkzaamheden aan de openbare ruimte en kabels en leidingen onbelemmerd uit te voeren.

Artikel 7.4.5

Besteding opbrengst De inzamelaar oud papier mag de in artikel 7.4.2, lid 4 bedoelde garantievergoeding uitsluitend aanwenden voor het verenigingsleven. Op eerste aanvraag dient zij burgemeester en wethouders aan te geven aan welke activiteiten de opbrengst is besteed.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 48 van 107

Hoofdstuk 8 voormalige Bouwverordening § 8.1 Omgevingsvergunning bouwen en bodemverontreiniging Artikel 8.1.1

Bodemonderzoek 1.

Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieu hygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. Als op basis van het onderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder ook begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek ook plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707:2015 nl.

2.

De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in de artikelen 2 of 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.

3.

Burgemeester en wethouders staan een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toe als voor toepassing van artikel 8.1.2 bij burgemeester en wethouders reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.

4.

Burgemeester en wethouders kunnen een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn als bedoeld in artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht als uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is of dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl niet rechtvaardigen.

5.

Als het bouwen pas kan starten nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 49 van 107

Artikel 8.1.2

Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en c.

dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.

Artikel 8.1.3

Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.2 van deze verordening, en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.

§ 8.2 Welstand Artikel 8.2.1

De advisering door de welstandscommissie 1.

De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan MooiSticht. hierna te noemen: de welstandscommissie.

2.

De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.

3.

De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria.

4.

In de bijlage 2 bij de voorliggende verordening is het reglement van orde van de welstandscommissie beschreven.

Artikel 8.2.2

Samenstelling van de welstandscommissie 1.

De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en drie stemgerechtigde leden, waaronder de secretaris, waarvan ten minste drie

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 50 van 107

leden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. 2.

Voor leden worden plaatsvervangers aangewezen.

3.

De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen als ten minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.

4.

De leden van de commissie zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur.

Artikel 8.2.3

Jaarlijkse verantwoording De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: -

op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota;

-

de werkwijze van de welstandscommissie;

-

op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;

-

de aard van de beoordeelde plannen;

-

de bijzondere projecten.

De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.

Artikel 8.2.4

Termijn van advisering 1.

De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen twee weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.

2.

De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, als deze vergunning betrekking heeft op een deel van project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven als de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 51 van 107

Artikel 8.2.5

Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 1.

De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Als burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders aan hun besluit tot tegemoet komen daaraan, klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.

2.

Als de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.

3.

In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.

Artikel 8.2.6

Afdoening onder verantwoordelijkheid 1.

De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies, in afwijking van artikel 8.2.2, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.

2.

In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie.

Artikel 8.2.7

Vorm waarin het advies wordt uitgebracht 1.

De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.

2.

Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 52 van 107

Artikel 8.2.8

Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening of in de bij deze verordening behorende bijlagen wordt verwezen, als de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.

§ 8.3 Algemene bepaling Artikel 8.3.1

Algemene bepaling, Bouwverordening De artikelen 8.1.1. tot en met 8.2.8 gelden als Bouwverordening in de zin van artikel 8 van de Woningwet.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 53 van 107

Hoofdstuk 9 Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 9.1

Sanctiebepaling 1.

Overtreding van het bij of krachtens de regels in hoofdstuk 3, 4 en 5 van deze verordening bepaalde en de op grond van de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

2.

In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3.1.1, vijfde lid, 3.1.2, tweede lid, 4.3.1, eerste lid en 4.3.2, eerste lid.

3.

In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kunnen burgemeester en wethouders een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

4.

Degene, die handelt in strijd met het tweede lid van artikel 6.3.1 of artikel 6.3.2, tweede lid of artikel 6.7.1, eerste lid van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.

5.

Overtreding van -

artikel 7.1.2,

-

artikel 7.1.4,

-

artikel 7.1.6 tot en met artikel 7.1.8,

-

artikel 7.2.2 tot en met artikel 7.3.6,

is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onderdeel 3, van de Wet op de economische delicten.

Artikel 9.2

Toezichthouders 1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de opsporingsambtenaren zoals bedoeld in artikel 141 sub b Wetboek van Strafvordering.

2.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn eveneens belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aan te wijzen personen. Deze aanwijzing kan (tevens) krachtens artikel 5.10, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 54 van 107

Artikel 9.3

Intrekking oude verordeningen Ingetrokken worden a. de Erfgoedverordening De Ronde Venen 2017 b. De Afvalstoffenverordening De Ronde Venen 2016 c.

De Verordening Inzameling oud papier 2017

d. De Bouwverordening De Ronde Venen 2018

Artikel 9.4

Overgangsbepalingen 1.

Besluiten inzake onderwerpen of bepalingen waarin deze Verordening Fysieke Leefomgeving DRV voorziet, genomen krachtens a. De ingetrokken delen van de Algemene Plaatselijke Verordening DRV 2020 b. de Erfgoedverordening De Ronde Venen 2017 c.

De Afvalstoffenverordening De Ronde Venen 2016

d. De Verordening Inzameling oud papier 2017 e. De Bouwverordening De Ronde Venen 2018 of voorgangers van deze verordeningen, welke besluiten gelden op het moment van de inwerkingtreding van de voorliggende Verordening Fysieke Leefomgeving, en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2.

Aanvragen en meldingen ingediend voordat de voorliggende verordening van kracht is geworden, worden afgehandeld volgens het oude recht.

3.

Voor ambtshalve besluiten (niet op aanvraag) geldt de dag van besluiten (primair of op bezwaar). Als het gaat om een ambtshalve besluit dat wordt voorbereid met de procedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht, geldt het oude recht als de eerste dag van de ter inzage legging van het ontwerp voor de dag van inwerkingtreding van deze verordening is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9929110/1