CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 07, bijlage 3 contour rep u16 - lage resolutie

Commissie Algemeen Bestuurlijke Zaken Financiën 18 maart 2021, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Toetreding gemeente De Ronde Venen tot U10, raadsvoorstel 07/21 (21.00 uur)25.849 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

38

op knooppunten van water en wegen. De historische buitenplaatsen zoals de Stichtse Lustwarande zijn vaak gelegen op de gradiënt tussen hoog en laag. De samenhang tussen water, het beheer ervan en historische forten is door de stedelijke en infrastructurele expansie van de regio steeds moeilijker afleesbaar. In de komende decennia zal de druk van de stedelijke ontwikkeling verder toenemen, met name in en rondom de stad. Om in de toekomst deze belangrijke, grootschalige cultuurhistorische landschappen een duurzame verrijking te laten blijven, is een actieve, en niet slechts conserverende benadering noodzakelijk. Het nog nader uit te werken Ringparkconcept kan hiervoor mogelijk een goede ruimtelijke drager zijn, maar dat vraagt wel nader onderzoek of dit ook toepasbaar is voor de gehele regio.

Onderzoeksvragen Algemeen: het is voor groen en landschap van belang tot een verdere concretisering te komen van de opgave, hiertoe is de Bestuurstafel Groen en Landschap mede aan zet. Daarbij zijn de volgende onderzoeksvragen aan de orde: • Hoe willen we, zowel in stedelijke als in landschappelijke onderdelen van de regio, investeren in groen, natuur, water, klimaatadaptatie en recreatie? • In samenhang met de te maken keuzes op verstedelijking, mobiliteit en energie: wat doet dat met de vraag naar groen en landschap, natuur en recreatie? Hoe kan de schaalsprong van het landschap gelijk opgaan met en gekoppeld worden aan de schaalsprong van verstedelijking en mobiliteit? • Welke prioritering van de opgaven voor groen en landschap past hierbij? In welke mate kan de verstedelijkings- en energieopgave bijdragen aan een integrale opzet tot financiering/ verdienmodellen (incl.

organisatie en beheer) die deze landschappelijk schaalsprong mogelijk maken? En wat is de rol hierbij van de verschillende gebruikers, waaronder de landbouw? • Waar en hoe komen de groene scheggen en groenblauwe verbindingen tussen stad en landschap tot stand? • Hoe benutten we daarin de kansen die de ontwikkeling van het landschap biedt voor de verstedelijking en de (duurzame) mobiliteit en vice versa? • Hoe behouden we de ruimtelijke kwaliteit van het cultuurlandschap ‘Utrechts trots’ inclusief de cultuurhistorische kwaliteiten? Waar/hoe kunnen we deze versterken? Is het Ringparkconcept, wat nu alleen is uitgewerkt voor de stedelijke omgeving, een haalbaar concept/instrument hiervoor en is dit toepasbaar voor de hele regio? • Waar en hoe kunnen we de biodiversiteit verhogen? • Hoe geven we de transitie naar duurzame landbouw vorm? • Hoe geven we de transformatie van de veenweidegebieden vorm?

39

2.2 Stedelijke ontwikkeling

De Utrechtse regio staat voor een grote gecombineerde verstedelijkingsopgave. De regio is vanwege haar centrale ligging, de bloeiende economie en de mooie woonmilieus een populaire plek voor mensen om te gaan wonen. Deze populariteit vertaalt zich in een enorme vraag naar woningen en naar ruimte voor nieuwe bedrijvigheid; nieuwe inwoners ontwikkelen ook weer nieuwe economische activiteiten. In de contour worden de opgaven voor wonen en werken zo veel als mogelijk in gezamenlijkheid bekeken. Uitgangspunt is dat we de woningbehoefte in de regio accommoderen, waarbij we een inclusieve regio willen zijn waar wonen voor alle doelgroepen mogelijk moet zijn. Het aandeel nieuwbouw is ten opzichte van de bestaande stad relatief beperkt. Er is de komende decennia ook veel aandacht nodig voor de kwaliteit van de bestaande wijken. De focus van de REP ligt wel op de extra opgave.

2.2.1 Wonen In 2018 heeft SITE UD een locatieonderzoek uitgevoerd, waarin een kwantitatieve opgave van 104.000 woningen tot 2040 werd vastgesteld als uitgangspunt voor het REP. Voor 67.000 van deze woningen zijn plannen in voorbereiding (de planning is dat deze voor 2030 worden gerealiseerd). Over de kwalitatieve invulling van deze opgave, welke soorten woningen willen we op welke plekken bouwen, is door Companen aanvullend onderzoek gedaan. De opgave wonen bestaat naast de reeds aanwezige plancapaciteit van 67.000 woningen uit een regionale behoefte van tenminste 37.000 woningen tot 2040.

•

•

Bovendien heeft Companen onderzocht wanneer de nieuwe locaties kansrijk zijn om de doorstroming binnen de bestaande woningvoorraad te bevorderen en aanvullend zijn op het bestaande planaanbod als het gaat om woonmilieus. De belangrijkste conclusies zijn: •

•

•

•

Situering van 67.000 woningen tot 2030

Onderzoeken op basis van woonwensen, woningtypen en demografische gegevens levert op dat het aantal gezinnen buiten de stad de komende 20 jaar af zal nemen en in en rond Utrecht nog steeds zal groeien. Ook zien we in het stedelijk gebied een sterke groei van de kleinere huishoudens. De belangrijkste conclusies over woningvoorkeuren zijn: • In de periode tot 2030 is in de hele regio veel behoefte aan sociale en vrije sector huur, op termijn neemt de extra behoefte aan sociale huur vooral buiten de stad af en is er daar meer behoefte aan betaalbare vrije sector huur; • De woningvraag voor starters in de stad is voor 70% gericht op betaalbare appartementen, daarbuiten is er voor starters 40% vraag naar grondgebonden koopwoningen; • De behoefte voor gezinnen zowel binnen als buiten de stad is voor 70% nog steeds gericht op grondgebonden koopwoningen; 40

De behoefte van ouderen in de hele regio is voor 80% gericht op appartementen, buiten de stad ligt daarbij een sterker accent op het duurdere segment dan in de stad; Er is een grote behoefte aan grondgebonden koopwoningen in het lage prijssegment, zowel in het stedelijk gebied als daarbuiten.

In het stedelijke gebied is er veel planaanbod voor buiten-centrum wonen, terwijl de grootste woonmilieubehoefte zich richt op het centrumstedelijke segment met een hoog voorzieningenniveau; Bij deze centrum-stedelijke opgave moet vooral worden ingezet op meer functiemenging en een hoge kwaliteit van de openbare ruimte; In het stedelijk gebied vooral voor gezinnen, tot 2040, ook nog een extra behoefte (ca. 5000 woningen) is aan groen-stedelijk/dorps wonen; Terwijl het huidig planaanbod daar momenteel nog groen-stedelijk is gericht, moeten er buiten het stedelijke gebied meer appartementen in stedelijk buiten-centrum milieus worden gebouwd met een goede OV-bereikbaarheid ten opzichte van de stad.

Het onderzoek erkent hierbij ook de verschillen die er zijn tussen verschillende subregio’s en tussen kernen. Die verschillen leiden ertoe dat woningbouw in de ene kern in een andere behoefte kan voorzien dan in een andere kern. Op basis van deze constateringen zal de Bestuurstafel Gezonde woon- en leefomgeving komende maanden keuzes maken over de programmering van de opgave wonen. Deze zullen onderdeel zijn van het ruimtelijk perspectief en programma.

Onderzoeksvragen Nu we inzicht hebben verkregen op zowel kwantitatieve als kwalitatieve behoefte staan we voor de volgende onderzoeksvragen: • Hoe gaan we om met woningbouw ten behoeve van versterking vitaliteit kleine en middelgrote kernen en welke kwantitatieve en kwalitatieve invullingen horen daarbij gegeven de uitkomsten van het Companen-onderzoek? • Welke invulling van de mogelijkheden die de contour biedt geeft de grootste kans om de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woningen in te vullen, welke locaties zijn haalbaar en realiseerbaar? • Welke verstedelijkingsopties en locaties passen bij ‘Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen’ en geven de grootste kans om de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woningen in te vullen Welk robuust watersysteem is passend bij deze ontwikkelingen? En hoe kunnen deze ontwikkelingen klimaatadaptief gerealiseerd worden? • Zijn de bestaande woningbouwplannen in lijn met de inzichten uit het Companen onderzoek met betrekking tot de gewenste verhouding tussen wonen, werken en (maatschappelijke) voorzieningen?

41

SAMENVATTING ONDERZOEK WONINGBEHOEFTE EN WOONMILIEUS U10 VAN COMPANEN

3. Trend woningvoorkeur

Onderzoeksvragen kwalitatieve behoefte woningen en woonmilieus: • Vraag 1: Waar ligt – op basis van woonwensen – de woningbehoefte in de regio, zowel naar woningkenmerken als woonmilieukenmerken? • Vraag 2: Wat zijn de mogelijkheden om door middel van aanbod van specifieke woonmilieus en woningen de doorstroming binnen de regio te versterken?

•

•

•

1. Gebiedsindeling in 4 regio’s en 2 kleuren (binnen en buiten stedelijk gebied)

•

•

Bij het doortrekken van de trends vanuit het verleden zien we dat in het stedelijk gebied veel vraag is naar sociale huurwoningen. Buiten het stedelijk gebied is vooral vraag naar grondgebonden koopwoningen: het liefst zo betaalbaar mogelijk. In de sociale huursector zien we een transformatieopgave van rijwoningen naar meer toegankelijke woningen; samenhangend met de vergrijzing en de focus van kleine huishoudens op de sociale huursector. Een grondgebonden (rij)woning is voor velen een aanlokkelijk alternatief. De rek van de financiële mogelijkheden voor de consument lijkt eruit. De prijzen van de bestaande voorraad zijn zo hoog dat hiermee maximaal wordt ingespeeld op de koopkrachtige vraag. Toevoegingen aan de onderkant van de koopmarkt zijn derhalve gewenst om op de woningbehoefte in te spelen. Doen we dat niet, dan zal een groep jongeren niet hun plek vinden in de regio. Zij blijven dan wonen in hun huurwoning, kiezen voor een middeldure huur (voor hoe lang, omdat velen uiteindelijk kiezen voor koop) of verlaten (uiteindelijk) de regio. In het stedelijk gebied is er vooral vraag naar betaalbare koopappartementen. Deze vraag komt veelal van starters. Buiten het stedelijk gebied ligt het accent meer op duurdere appartementen. Hier komt de vraag van senioren naar voren. Buiten de stad is er veel relatief duur koopwoningaanbod. Dit aanbod voorziet in een doorstroomvraag.

Vraag is of op termijn de behoefte aan deze woningen blijft bestaan, of dat door vergrijzing en uitstroom van ouderen hier een selectie plaatsvindt van weliswaar grote maar toch gedateerde woningen die moeilijk verkoopbaar zijn.

Doorstroming bevorderen: Als je doorstroming extra wil bevorderen zijn de volgende accenten ten opzichte van de trend te plaatsen: • In het stedelijk gebied zijn vooral meer grondgebonden koopwoningen gewenst. Jonge huishoudens kunnen dan makkelijker stappen in hun wooncarrière maken. • Buiten het stedelijk gebied zijn juist meer koopappartementen gewenst. Dit betreft vooral de vraag van senioren die een stap comfortabeler willen wonen.

Legenda stedelijk gebied buiten-stedelijk gebied

4. Mismatch vraag-aanbod Stedelijk Gebied

Legenda De rode en groene grafieken tonen de toekomstige vraag naar een woningtype in een gebied. Omdat er echter al scheefgroei is, geven gekleurde pijltjes naar rechts aan dat de vraag in een evenwichtige markt eigenlijk groter zou zijn dan geraamd en de pijltjes naar links waar er dan minder woningen nodig zijn (compensatie) als de kleur specifieke scheefgroei wordt opgelost.

2. Woonmilieuvoorkeuren

5. Mismatch vraag-aanbod Buiten-stedelijk gebied

Voor veel huurders is betaalbaarheid belangrijker dan typologie. Het aanbod grondgebonden woningen voorziet, mits betaalbaar, ook in de vraag. Bovendien blijven bij gebrek aan toegankelijke woningen mensen in hun grondgebonden woning wonen, waardoor fricties elkaar compenseren. Ook is het de vraag of mensen bewust kiezen voor een appartement, of enkel voor een betaalbare woning (waarbij appartement als beste kans wordt ingeschat).

Aankoop van goedkope koopwoningen door beleggers (om te verhuren), vergroot het tekort in de goedkope koop. Mensen zoeken dan noodgedwongen middenhuur.

Als mensen vanwege ontbrekend aanbod geen goedkope koopwoning kunnen vinden, ligt er een alternatief in de huur. Vergelijkbare woonlasten komen uit op een huur van €600 tot €650.

42

43

2.2.2 Werken De U10 werkt via het REP aan haar ruimtelijk economisch profiel. We werken aan Gezond Stedelijk Leven en stimuleren in stad en regio de bedrijvigheid die daaraan bijdraagt. 1. Werken aan een onderscheidend regionaal economisch profiel De regio streeft naar werkgelegenheid die meegroeit met de beroepsbevolking, waarbij de focus ligt op die bedrijven die goed aansluiten bij de ambitie van Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen. We streven naar toekomstbestendige werklocaties in lijn met kwalitatieve groei die aansluit op de lokale en regionale werkgelegenheidsbehoefte en de ontwikkelkracht voor bedrijfsinvesteringen. Aan de hand van de Regionaal Economische Agenda (REA) zetten we in op de bedrijvigheid die we willen stimuleren ter bevordering van een toekomstgerichte leefomgeving (energietransitie, circulariteit en duurzame mobiliteit), gezonde mensen (life sciences) en digitalisering (smart industries, digitale en media wijsheid). Ruimtelijke principes daartoe zijn onder meer functiemenging (mengen van wonen, werken en voorzieningen), verdichten van functies naar meer werkzame personen per m2, het beperken van vervoersbewegingen, behoud van groen en zo energiezuinig en duurzaam mogelijk. Alle werklocaties dragen bij aan deze uitgangspunten. 2. Arbeidsplaatsen De groei van het aantal arbeidsplaatsen loopt 1-op-1 op met de groei van de beroepsbevolking.

Het werklocatie onderzoek van Stec Groep voor de 16 gemeenten van de U10 wijst uit dat dit voor 2040 betekent zo’n 70.000 arbeidsplaatsen erbij voor stad Utrecht en circa 10.000 arbeidsplaatsen voor de regio. Dit onderzoek is gebaseerd op de Primos prognoses voor bevolkingsontwikkeling en houdt rekening met eventuele verschillen in groei tussen de 16 gemeenten onderling. De leeftijdscategorie voor de beroepsbevolking is bepaald tussen 18-70 jaar. 3. Van blauwdruk naar regionaal adaptief programmeren De opgaven voor bedrijventerreinen, kantoren, gemengde gebieden, wetenschap en detailhandel zijn zodanig omvangrijk dat lange termijn afspraken zonder flexibiliteit de economische groei beperken. Onderzoek naar de ruimteclaim wijst uit dat die flexibiliteit bij de kantorenmarkt zeer hard nodig is, zowel om te schuiven binnen bestaande programma’s als het toevoegen van programma op knooppuntlocaties. De regionale detailhandel staat voor de taak om zowel te krimpen in een aantal gebieden en beperkt te groeien in de gebieden waar veel woningen worden gerealiseerd. De intensiveringsopgave voor bedrijventerreinen en behoefte aan schuifruimte maken dat blauwdrukplanningen niet volstaan. Wij streven ernaar

44

om samen met de provincie Utrecht een gezamenlijke doelstelling, structurele monitoring en wijze van bijsturing vast te stellen. Deze governance gaat over meerdere typen werklocaties en vereist samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen. 4. Mengen, verdichten en intensiveren vraagt om gezamenlijke, regionale investeringen Er is een maximale vraag van 215 ha bedrijventerrein tot en met 2040 die, afhankelijk van de ambitie en mogelijkheden, te beperken is door intensivering van nieuwe bedrijventerreinen. Optimaliseren, verdichten en mengen van werkfuncties binnen bestaande contouren is lastig, want veelal zijn werklocaties in private handen en heeft de gemeente geen grondbezit. Het kost veel tijd, is kennisintensief en vraagt om flinke investeringen. Het vraagt een omslag in denken en handelen die bestand is tegen de druk om snel nieuwe ruimte te creëren voor onze bedrijven. Het vraagt om programmeren voor toekomstige banen (en zo intensief mogelijk benutten van de bestaande voorraad). Om deze ambitie waar te maken is investeringsruimte nodig en een regionaal instrumentarium. Denk aan investeringsfondsen en uitbreiden van de Ontwikkelings Maatschappij Utrecht (OMU). Maar ook uitgifteprotocollen en andere stimuleringsmaatregelen.

Voor het uitplaatsen van bedrijvigheid in gebieden die getransformeerd worden naar woon-werkgebieden zullen op korte- en middellange termijn afspraken over extra ruimte voor regionale bedrijvigheid nodig zijn. Cruciaal is dat bedrijven(terreinen) optimaal ontsloten zijn en zullen blijven via een slimme mobiliteitsmix voor personen en goederen. 5. Grote regionale bedrijventerreinen cruciaal voor de circulaire economie Het landelijke doel is een volledig circulaire economie in 2050. De grotere regionale bedrijventerreinen die goed scoren op de Next Economy Effect Rapportage (NEER) ranking worden, mede om deze circulaire ambities te halen, niet getransformeerd naar woonfuncties, omdat deze economische functies slecht mengen met de woonfunctie. De mate van intensivering per bedrijventerrein is afhankelijk van de bestaande Floor Space Index (FSI) en de bereidwilligheid van eigenaren tot intensivering. Gemeenten dienen in samenwerking met provincie afspraken te maken over investeringsfondsen, uitbreiding OMU, uitgifteprotocollen voor nieuwe terreinen en andere stimuleringsmaatregelen. Om optimaal te intensiveren op bestaande werklocaties is een stevige overheidsinterventie nodig, zoals actieve grondpolitiek. Daarnaast is nieuwe bedrijfsruimte nodig voor de resterende behoeftevraag. Tot op heden is er nog geen concrete plancapaciteit voor nieuwe bedrijventerreinen in beeld.

Ook met het maximaal benutten en intensiveren van bestaande bedrijventerreinen blijft uitbreidingsruimte nodig, bijvoorbeeld om de ambities

op het gebied van duurzaamheid en circulariteit, innovatie, Life Sciences en de maakindustrie te faciliteren. Bij de intensivering van bedrijventerreinen en de concentratie van kantoren op OV-knooppunten zal rekening gehouden moeten worden met schuifruimte in het aanbod op de goede plekken. We koersen op complementaire werklocaties in de regio. Complementariteit wil de U10 ook behalen door bedrijven met veel arbeidsplaatsen op weinig hectare dicht bij knooppunten te concentreren en waardevolle regionale bedrijvigheid met minder arbeidsplaatsen per hectare meer in het buitengebied. Naast XXL-logistiek, die de U10 niet op nieuwe terreinen wil faciliteren, is er een flinke vraag naar locaties voor bedrijven die nodig zijn voor een circulaire economie en de maakindustrie, waarvoor uitbreidingsruimte nodig blijft. Regionaal moet er ruimte gevonden worden voor waardevolle regiobedrijven die niet meer op hun bestaande locatie kunnen groeien en een nieuwe vestigingslocatie nodig hebben. Lokale groeibehoefte van MKB kunnen we niet altijd opvangen binnen bestaande contouren of in woon-werkmilieus. Vanwege de belangrijke sociaal-maatschappelijke rol van het lokale MKB en het behoud van vitaliteit voor kernen is ruimte voor groei en ontwikkeling van deze bedrijvigheid nodig.

Inzetten op mengen van de functies wonen en werken, bijvoorbeeld door het realiseren van kleinschalige kantoorlocaties, bevordert het ondernemersklimaat van het lokale en regionale MKB en draagt bij aan de arbeidsinclusieve stad en regio. 6. Tijdig inspelen op ruimte voor life sciences We spelen in op het dreigend tekort aan ruimte voor life sciences, health en duurzaamheid (wetenschap) en creatieve broedplaatsen (80.000 – 200.000 m2 tot 2040). Vanuit de regio geven we de voorkeur aan het toekennen van het zwaartepunt voor werken en een goed economisch vestigingsklimaat voor de omgeving van het Utrecht Science Park(USP). Voor het faciliteren van de groeiende vraag naar ruimte voor Life Sciences is een mix nodig van bedrijfsruimte en kantoor, liefst in gemengde woon-werk milieus. Naast USP en satellietlocatie USP Bilthoven (USPB) wordt onderzocht of locaties in Rijnsweerd, Zeist en Bunnik een rol kunnen spelen in de verdere ontwikkeling van het USP. Voor vestiging van creatieve broedplaatsen is goedkope ruimte in een stedelijke omgeving nodig, bij voorkeur nabij een goed bereikbaar OV-knooppunt.

bereikbaarheid in de stad Utrecht en beperkt rondom OV-knopen in de regio. Wij streven naar een regionale adaptieve aanpak, waarbij een gedeelte van het resterend kantoorprogramma binnen en buiten de stad verplaatst kan worden naar meer toekomstbestendige locaties. Kantoren op grotere afstand van OV-knopen kunnen worden getransformeerd. Deze meters zullen deels elders herontwikkeld worden op (nieuwe) OV-knopen. Dit betekent een geleidelijke transformatieopgave voor de komende 20 jaar, waarbij gewerkt wordt aan het realiseren van toekomstbestendige werklocaties in gemengde gebieden op goed bereikbare (OV)-locaties. Daarnaast moet er op langere termijn ruimte komen om additioneel kantooroppervlak toe te voegen op die toekomstbestendige locaties. In de te ontwikkelen adaptieve aanpak moet de ontwikkeling van nieuwe OV-knopen (volgens de gedachte van het ‘Wiel met Spaken’) meegenomen worden bij het programmeren van kantooroppervlak. 8. Detailhandel Vanuit de verwachting dat de groei van online bestedingen zal toenemen, neemt de behoefte aan detailhandel in de hele regio af met ca. 70.000 m2 tot 190.000 m2 winkelvloeroppervlak. In de stad Utrecht is vanwege de inwonersgroei (29% tot 2040) sprake van een beperkte uitbreidingsvraag op alle hoofdbranches. Om de verwachte ontwikkelingen goed te begeleiden – groei en krimp – is een regionale adaptieve aanpak nodig.

Voor het bestaand retailaanbod is naast diversifiëren ook het concentreren en compacter maken van belang om de bezoekersstromen in de winkelgebieden te behouden en vergroten. Wij staan voor de opgave om bestaande winkelvloeroppervlakte in een aantal delen van de stedelijke regio te laten krimpen en concentreren tot een beperkt aantal kwalitatieve toekomstbestendige locaties, rekening houdend met en inspelend op de vitaliteit van kernen. Wijk- en buurtretail zal het goed blijven doen is de verwachting, met name de rol van buurtsupers in het versterken van vitale kernen blijkt van groot belang.

7. Regionale behoefte aan kantoren vraagt om flexibele adaptieve transformatie opgave Het werklocatie onderzoek wijst uit dat er een groeiende behoefte is aan toekomstbestendige kantoren op de juiste plek. Deze zijn met name geconcentreerd rondom de grotere knooppuntlocaties met uitstekende OV-

45

Onderzoeksvragen Gemengde gebieden • 30% van de toename aan arbeidsplaatsen wordt verwacht in de gemengde woon- werkmilieus. Welke invloed heeft dit op de programmering van verstedelijkingslocaties in het REP? • Om voldoende banen te creëren en het ruimtebeslag voor bedrijfsmatige functies (bijvoorbeeld bouw- en onderhoudsbedrijven, kleinschalige productie reparatie, opslag, etc.) te beperken moeten deze functies veel meer gemengd worden in woongebieden. In hoeverre kunnen we deze functies mengen met wonen en tegelijkertijd een ‘Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen’ milieu creëren? • Verdichten, mengen en nieuwe woonwerkmilieus uitwerken vraagt om een moderne manier van samenwerken tussen publieke partijen onderling en tussen publieke en private partijen. Hoe kunnen we die samenwerking constructief vormgeven? Bedrijventerreinen • De uitbreidingsvraag bedrijventerreinen tot 2040 is 215 hectare.

In hoeverre kan dit teruggebracht wordt door intensivering van huidige bedrijventerreinen, keuzes in het faciliteren van bepaalde typen bedrijvigheid, intensivering van nieuwe bedrijventerreinen en menging van wonen en werken? • Welke nieuwe en bestaande bedrijventerreinen in de regio komen in aanmerking om de ruimtebehoefte te faciliteren? • Op welke wijze kan er een regionaal netwerk ontstaan van circulaire bedrijvigheid en locaties die daarbij passen? • Welke rol kunnen bedrijventerreinen spelen in de regionale energieopgave? • Hoe zorgen we er voor dat er naast de aanvullende behoefte voortdurend voldoende reserve aan uitgeefbaar bedrijventerrein is om binnenstedelijke transformaties van bedrijven naar wonen te faciliteren? Kantoren • Op welke wijze kunnen we de kantoorbehoefte op de grootschalige OV-knooppunten faciliteren en in mindere mate op de andere hoogwaardige OV-knooppunten in de regio? In hoeverre kunnen kantoorlocaties op niet toekomstbestendige locaties getransformeerd worden naar andere functies? Winkelgebieden • Op welke wijze kunnen we het bestaande winkelvloeroppervlakte in een aantal delen van de regio inkrimpen en concentreren tot een beperkt aantal kwalitatieve toekomstbestendige locaties, rekening houdend met en inspelend op de vitaliteit van kernen?

46

SAMENVATTING WERKLOCATIES ONDERZOEK VAN STEC GROEP Uit het werklocatieonderzoek van adviesbureau Stec Groep kunnen we de volgende conclusies trekken betreft de toekomst van werken in de U16: Hoeveel extra banen zijn er nodig in 2040 in de regio U16 en stad Utrecht? De regio U10 groeit tot en met 2040 naar verwachting met bijna 135.000 inwoners (bron: Primos, 2019). De stad Utrecht groeit hard, met ruim 100.000 inwoners. Andere gemeenten groeien beperkt of krimpen licht. Om inzichtelijk te krijgen hoeveel extra banen nodig zijn om de economie te laten meegroeien met het toekomstig aantal inwoners, is een analyse gemaakt van de ontwikkeling van de potentiele beroepsbevolking in de stad en regio. Voor de regio U16 volgt hieruit dat tot en met 2040 iets minder dan 80.000 extra banen nodig zijn. De stad Utrecht heeft met circa 70.000 extra banen een fors aandeel binnen de ontwikkeling van de regionale werkgelegenheid. Deze aantallen zijn als uitgangspunt gehanteerd voor de behoefteramingen in het Stec onderzoek. Wat is de ruimteclaim van werklocaties en gemengde gebieden in 2040? • Maximaal 215 hectare netto te programmeren voor nieuwe bedrijventerreinen tot en met 2040 (beleidsneutraal scenario) in de regio U16.

Voldoende ruimte behouden op terreinen met een bovengemiddelde Next Economy potentie, die hoog scoren op mogelijkheden voor circulariteit; op deze locaties is het niet wenselijk om te mengen met wonen. Door actief in te zetten op verdichten kan de ruimteclaim fors afnemen naar circa 75 tot 144 hectare, exclusief bestaand uitgeefbaar aanbod van circa 87 hectare netto.

•

•

•

1 2

Totale vraag t/m 2040

Uitgeefbaar (hard) aanbod

302 hectare netto (scenario 1) 231 hectare netto (scenario 2) 162 hectare netto (scenario 3)

87 hectare netto

Behoefte t/m 2040 215 hectare netto 144 hectare netto 75 hectare netto

Vooral in de stad Utrecht is behoefte aan toevoeging van nieuwe kantoorruimte. De focus voor toevoeging van nieuwe meters ligt op multifunctionele knooppuntlocaties met uitstekende OV-bereikbaarheid. De stad heeft, inclusief vervanging van toekomstige incourante meters, behoefte aan toevoeging van maximaal 771.000 m2 vvo extra kantoorruimte tot en met 2040 (scenario ‘basis’). In de stedelijke regio zijn er kwantitatief voldoende kantoormeters. Inzet is hier vooral het onttrekken van het overaanbod. Totale vraag t/m 20401

Uitgeefbaar (hard) aanbod2

1.119.000 m2 vvo (scenario 1) 764.000 m2 vvo (scenario 2/3)

348.000 m2 vvo

Behoefte t/m 2040 771.000 m2 vvo 416.000 m2 vvo

Voor detailhandel neemt in scenario’s waarin de groei van online bestedingen doorzet, de behoefte aan vierkante meters in de regio met circa 70.000 tot maximaal bijna 190.000 m2 wvo af. Dit betekent schrappen van winkelmeters en het meer compact maken van winkelcentra. Duidelijk zichtbaar is het contrast tussen de stad Utrecht en overige gemeenten in de regio. In de stad is in alle hoofdbranches binnen de detailhandel (in alle drie de scenario’s) sprake van enige uitbreidingsvraag richting 2040. Ongeveer 30% van het totaal aantal banen bevindt zich in 2040 in gemengde gebieden, bijvoorbeeld informele bedrijfsruimte of werken vanuit de woning. Dit is een toename van enkele procenten. Dit vraagt om maximaal circa 68.000 m2 bvo aan ruimte voor (kleinschalige) bedrijfsruimte in de wijk of op solitaire locaties.

Inclusief beoogde vervanging van incourante kantoorruimte in de stad Utrecht Uitgaande van de nog te realiseren en geplande kantoormeters in de stad Utrecht

47

•

Wanneer de groei van banen in de life science, health en duurzaamheid groeit zoals de afgelopen periode, bedraagt de totale vraag circa 96.000 m2 tot en met 2030. De huidige marktverwachtingen zijn zodanig dat zowel op korte als (middel)lange termijn de groei van banen op USP hoger uitvallen. Dit betekent een kwantitatief én kwalitatief tekort aan uitbreidingsruimte. Het totale aanbod (kwantitatief) bedraagt nog circa 91.000 m2 (bron: BCI, 2019). Het merendeel daarvan is gevestigd op de voormalig RIVM locatie in Bilthoven. Het beschikbare aanbod op deze USP satellietlocatie is vanwege de aanwezige infrastructuur en milieuvergunning met name geschikt voor productie van vaccins en andere biologische geneesmiddelen. Om te kunnen voorzien in de snelle groei van R&D in de regio is meer ruimte op of rond het Utrecht Science Park (USP) nodig. Het verdichten van USP biedt hiervoor mogelijkheden. Daarnaast zoeken we naar uitbreidingslocaties in de directe nabijheid.

Hoeveel extra banen per werklocatie en in gemengde gebieden realiseren? Op basis van de prognoses voor de verschillende typen werklocaties volgt een totale groei van aantal banen (uitgaande van de bovenkant van de bandbreedte) van circa 82.000 banen in de U10 (zie figuur 1 hieronder). Hieruit concluderen we dat met de berekende ruimteclaim het aantal banen (meer dan) voldoende meegroeit met het toekomstig aantal inwoners. Daarmee haalt de regio de ambities van 70.000 extra banen in de stad Utrecht en circa 80.000 banen in de regio U10.

Figuur 2: scenario’s voor programmeren van ruimteclaim werklocaties en gemengde gebieden U16

Scenario 1 ‘doorgaan op huidige koers’

Scenario 2 ‘intensief ruimtegebruik uitbreidingslocaties’

Scenario 3 ‘intensief ruimtegebruik bestaand én nieuw’

771.000 m2

416.000 m2

416.000 m2

215 ha

144 ha

75 ha

Informele bedrijfsruimte

19.400 m2

68.000 m2

68.000 m2

Detailhandel U16 Detailhandel stad Utrecht

54.100 m2 152.400 m2

-71.100 m2 88.000 m2

-187.000 m2 27.400 m2

Kantoorruimte Bedrijventerreinen

Figuur 1: aantal banen naar type werklocatie in U16 (incl. stad Utrecht) in 2018 en de verwachting voor 2040 (in maximaal scenario) Bron: Stec Groep, 2020

Welke keuzes heeft u om de ruimteclaim te beperken en wat vraagt dit van de regio? • Programmeren voor toekomstige banen en zo intensief mogelijk benutten van de bestaande voorraad. • In onderstaande figuur zijn drie scenario’s weergegeven voor het programmeren van de toekomstige ruimteclaim vanuit werklocaties. Naast een nul-scenario waarbij wordt uitgegaan van hanteren van de beleidsneutrale vraagprognoses (‘doorgaan op huidige koers’), worden er twee scenario’s weergegeven met uiteenlopende beleidsambities voor intensief ruimtegebruik. • Op basis van een schouw van diverse grotere bedrijventerreinen en kantoorgebieden in de U10 verwachten we dat veel bedrijven, zowel in de bestaande situatie als bij verplaatsing, het kavel efficiënter kunnen inrichten en gebruiken. Om deze intensivering mogelijk te maken hebben we gedegen (financieel) instrumentarium nodig. Nu al ligt circa 25% van alle vestigingen op bedrijventerreinen in de regio U10 onder het regionaal gemiddelde qua ruimtegebruik, gemeten naar aantal banen per hectare. Hieruit concluderen we dat meer intensief ruimtegebruik op bedrijventerreinen financieel haalbaar is voor eigenaren en gebruikers. Scenario 2, waarbij wordt uitgegaan van intensief ruimtegebruik bij uitgifte van nieuwe, uitgeefbare bedrijventerreinen, is een realistisch uitgangspunt voor de regio U10.

Of scenario 3 haalbaar is voor de programmering van bedrijventerreinen in de U10, volgt uit de ervaring die wordt opgedaan met de zorgvuldige uitgifte van nieuw uitgeefbare bedrijventerreinen. Door selectief te zijn met nieuwvestiging, zullen eindgebruikers meer gestimuleerd worden om te investeren in herontwikkeling van bestaand vastgoed.

48

Bron: Stec Groep, 2020

Voor kantoorruimte is sturen op intensief ruimtegebruik (meer werkzame personen per m2) vooral een opgave van selectief zijn met nieuwbouw. Door minder meters te realiseren, zullen kantoorgebruikers gedwongen worden om zorgvuldig met kantoormeters om te gaan. Feitelijk is dat nu al zichtbaar in de stad Utrecht, waar de leegstand iets onder het gewenste frictieniveau ligt en het aantal banen sneller groeit dan de kantorenvoorraad. Het kantoorquotiënt (aantal m2 per werkzame persoon) daalt hierdoor.

BELEIDSADVIES: RANDVOORWAARDEN VOOR TOEKOMSTBESTENDIGE WERKLOCATIES IN DE U10 1. Altijd mengen van functies in stad en regio, behalve op plekken waar milieuhinder het écht niet toelaat; 2. Circulaire keten vereist complementariteit van werklocaties in de U10; 3. Verdichten en intensief ruimtegebruik noodzakelijk voor Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen in de U10; 4. Alleen nieuwe kantoormeters op multifunctionele knooppuntlocaties; 5. Zet in op maximaal intensief programmeren van bedrijventerreinen (scenario 2/3) met fasering van maximaal 10 jaar; 6. Anticipeer op dreigend tekort aan ruimte voor life sciences, health en duurzaamheid (wetenschap) en creatieve broedplaatsen.

49

2.2.3 Vitale kernen Het bevorderen van de vitaliteit van kernen is voor de U10 van het grootste belang om te komen tot een herkenbaar ruimtelijk perspectief. In een krachtig netwerk van dorpen, linten, kleine steden en groeikernen gedijt de regio het best. Bij vitaliteit denken we aan de aanwezigheid en bereikbaarheid van werkgelegenheid en voorzieningen. En aan voldoende inwoners die daar het draagvlak voor vormen. Het gaat om sociale cohesie en inclusieve dorpen, waar inwoners elkaar kennen en er prettig samenleven. Vitaliteit betreft altijd lokaal maatwerk, iedere kern heeft haar eigen identiteit. Het vraagstuk van vitaliteit beperkt zich niet tot kleine dorpen, ook kleinere en middelgrote steden in de regio hebben te maken met vraagstukken waar groei en krimp elkaar raken. Mogelijkheden voor verstedelijking liggen veelal in het transformeren, verdichten, inbreiden en afronden van de randen van een kern. Het toevoegen van wonen en/of werken kan in veel kernen de stedenbouwkundige kwaliteit verbeteren. Bijvoorbeeld doordat toevoegingen de visuele impact van grootschalige toevoegingen uit het verleden minimaliseren of zorgen voor (nieuwe) zachtere stadsranden. Ook kan verstedelijking een drager zijn voor andere ruimtelijke ontwikkelingen die nodig zijn in het gebied, zoals de versterking van recreatieve waarden, investeringen in landschap en voorzieningen en energieproductie.

Ontwikkelingen in de kernranden vergen zorgvuldige inpassing in de beeld-, ruimtelijke en programmatische kwaliteit van de bestaande kern. Daartoe moet bestaande regelgeving, bijvoorbeeld het rode contourenbeleid van de provincie, uitnodigen. Tegelijkertijd kan dezelfde regelgeving voorkomen dat kernen grootschalige uitbreiden op plekken waar dat niet past op basis van landschappelijke kwaliteit, bereikbaarheid en andere aspecten. Het vaststellen van criteria voor uitbreiding en het maken van een doelmatige en integrale afweging is van belang.

Voor de vitale kernen kunnen we de volgende opgaven benoemen: Landschap De Utrechtse regio ontleent haar waarde aan de prachtige gevarieerde en open landschappen. Groene buffers, scheggen en andere landschappelijke elementen kunnen bijdragen aan het versterken van de kernkwaliteiten van de landschappen. Bovendien zorgen ze ervoor kernen niet aan elkaar groeien en de openheid van de landschappen behouden blijft. Wonen Bouwen voor de eigen behoefte en huishoudens met een maatschappelijke binding: starters en jonge gezinnen zoeken een betaalbare woning en zijn de (toekomstig) gebruikers van basisscholen, sportclubs en andere voorzieningen. Daarnaast is het interessant om te bouwen voor ouderen die op zoek zijn naar kleinere levensloopbestendige woningen; zij bezetten in de kernen nu eengezinswoningen die dan zullen vrijkomen voor gezinnen die verder in de wooncarrière zitten. Kwantitatief gaat het jaarlijks om kleine aantallen. Ruimtelijke en programmatische kwaliteit is bij toevoegingen in de kernen het uitgangspunt. Werken Kernen willen bestaande lokale bedrijvigheid de mogelijkheid geven om hun activiteiten te continueren en waar nodig uit te breiden. Dat vergt op bestaande bedrijventerreinen verdichting of kleinschalige uitbreiding. Lokaal betekent hier uit de gemeente of omliggende gemeenten, mogelijk zijn de deelgebieden uit de contour daarvoor een aanknopingspunt.

Wellicht kan uitplaatsing van bedrijven door transformatie rond OV-knooppunten leiden tot verplaatsing van bedrijven naar de nabijgelegen kern, zodat de werkgelegenheid zo veel als mogelijk lokaal/ regionaal geborgd blijft. Bereikbaarheid Het versterken van OV-knooppunten staat centraal in de U10. Door verbindingen vanuit kernen naar knooppunten voor alle modaliteiten (OV, fiets, auto, P+R) te versterken, garanderen we de bereikbaarheid van de kernen. Sturen op reistijd en toegankelijkheid is de belangrijkste uitdaging daarbij.

50

Schetsmatige verbeelding van kernen en linten

VITALE KERNEN REKENVOORBEELD Aantal woningen is voor 20 vitale kernen: • 20 x 10 woningen per jaar> totaal ca 4.000 tot 2040 • 20 x 20 woningen per jaar> totaal ca 8.000 tot 2040 • 20 x 30 woningen per jaar> totaal ca 12.000 tot 2040

Onderzoeksvragen Vitaliteit kernen • Wat zijn de criteria om te toetsen wanneer, waar en met welke programma (kwantitatief en kwalitatief) verstedelijking omwille vitaliteit passend is? • Hoe gaan we om met de uitbreiding van werklocaties in de kernen? • Hoe kunnen we snelle en toegankelijke verbindingen vanuit kernen naar knooppunten voor alle modaliteiten (OV, fiets, auto) ontwikkelen zonder bestaande regionale knelpunten zwaarder te belasten?

51

Indicatieve verbeelding vitale kern: Montfoort

Indicatieve verbeelding vitale kern: Linschoten

52

53

2.3 Mobiliteit en netwerk vitale knooppunten ​Draaischijf NL​ De Utrechtse regio is het hart van het Nederlandse mobiliteitsnetwerk, met in alle windrichtingen hoofdinfrastructuur voor weg en spoor. Utrecht CS, het meest bereisde station van Nederland, is een essentieel onderdeel van het Nederlandse spoornetwerk. Deze betekenis gaat in de komende decennia steeds verder toenemen. Hogesnelheidslijn (HSL), toename intercity- en sprintervervoer en regionaal OV komen allemaal op deze plek samen.

houdt in dat op termijn gekeken wordt naar de kansen die gedragsbeïnvloeding door het stimuleren, beperken en beprijzen van specifieke mobiliteit of nieuwe infrastructuur als bypasses voor weg of OV rond de draaischijf NL kunnen bieden, voor het realiseren van een robuust landelijk en zelfs bovennationaal netwerk én voor de optimale ontwikkeling van de regio U10. Hierbij is een optimale en flexibele afstemming tussen invulling van het programma per knooppunt, ontwikkeling van de juiste modal split, en vooral het juiste regionale netwerk voor fiets, auto en OV uitgangspunt en randvoorwaarde.

De regio heeft de ambitie hieraan ruimte te bieden, met behoud van eigen kracht en groeipotentieel. Tegelijkertijd concluderen rijk en regio in het MIRT onderzoek van U Ned dat de regionale én nationale mobiliteitssystemen nu al onder hoge druk staan. Dit komt vooral door de sterke autonome groei van de mobiliteit. Deze groei is zodanig sterk dat nieuwe verstedelijking slechts een beperkte extra groei voor de mobiliteit met zich meebrengt. Dit

Utrecht Centraal Station

Verwachte toename OV mobiliteit

54

DRAAISCHIJF NL - OV corridors (NS) ALS BASIS

55

Vitale knooppunten Vitale knooppunten zijn in de komende decennia de beste basis voor een duurzame stedelijke ontwikkeling. In het midden van het land, als spin in het landelijke netwerk van OV- én weginfrastructuur, is knooppuntontwikkeling de meest voor de hand liggende, logische keuze. Knooppuntontwikkeling biedt een veelvoud aan kansen, ook simpelweg door de aanwezigheid van veel (sprinter)stations in de regio. Verstedelijking in de nabijheid van knooppunten is vanuit mobiliteit gezien positief, maar aandachtspunten daarbij zijn: 1. Nabij een knooppunt verstedelijken betekent niet automatisch dat een gewenste modal split tot stand komt. Daarvoor is een systeemsprong fiets en OV en aanvullend flankerend beleid noodzakelijk. 2. Om het OV-aandeel zo hoog mogelijk te krijgen, moet het OV-aanbod goed op orde zijn. Dat betekent: hoge frequenties (zonder op je horloge hoeven kijken), voldoende (zitplaats-) capaciteit, aantrekkelijke verbindingen naar de belangrijke bestemmingen en livereisinformatie. Wat is de opgave? De agglomeratiekracht van de Randstad zorgt voor een onverminderde aantrekkingskracht en woningvraag. Vanzelfsprekend kan de woningontwikkeling in de 16 gemeenten niet zonder ontwikkeling van de bereikbaarheid. Verdichting vindt ten eerste plaats daar waar er goede OV-verbindingen zijn.

We verstedelijken niet op plekken, die knelpunten in de hoofdinfrastructuur verergeren. Vooral rond OV-knooppunten is er nog ruimte in het mobiliteitssysteem om woon- en werklocaties toe te voegen. OV-knopen moeten op fietsafstand van de stad liggen, zodat de fiets een aantrekkelijk vervoersmiddel is om naar de stad of het station te gaan. Daarnaast zijn deze knopen vaak geschikt om inwoners uit de regio die met auto reizen over te laten stappen op trein of HOV als zij naar bestemmingen in het stedelijk gebied of naar andere knooppunten willen reizen. Door OVknooppunten integraal te ontwikkelen kunnen ze niet alleen wonen en werken bereikbaar maken, maar ook fungeren als poorten tot het landschap, essentieel voor de ontwikkeling van recreatiegebieden en het stimuleren van meer bewegen. Wij sluiten daarbij niet onze ogen voor een trend die in de regio van groot belang is bij het plannen van verstedelijking en mobiliteit: nieuwe verstedelijking in combinatie met autonome groei van mobiliteit zorgt op veel plekken voor een sterke groei van de automobiliteit. Ook wanneer wij sturen op stedelijke ontwikkeling rond knooppunten zullen we hier rekening mee moeten houden en in beeld brengen in hoeverre de beschikbare infrastructuur toereikend is om groeiende stromen te faciliteren.

Daarbij is het beïnvloeden van mobiliteitsgedrag (door stimuleren, beperken en beprijzen) een effectief middel 56

om de spitsdruk te verminderen en de ‘modal shift’ te veranderen: minder mensen die het overbelaste wegennet in de spits gebruiken, meer gebruik van de fiets en het OV. Daarvoor moet er wel voldoende fietsinfrastructuur en OV beschikbaar zijn. Dat vergt investeringen. De aandacht voor fiets en OV (maar ook lopen) levert niet alleen voor bereikbaarheid en leefbaarheid (reductie CO2-uitstoot) veel op, het bevordert ook de gezondheid. Wat zijn de uitgangspunten bij de opgave? Uit diverse onderzoeken, onder andere in het kader van U Ned, blijkt dat de hoofinfrastructuur in de regio (auto en OV) in 2030 met grote knelpunten te maken zal krijgen. Rijk en regio voeren een MIRT-verkenning uit om de grootste knelpunten aan te pakken. Daarnaast zullen rijk en regio in U Ned een realistisch investeringspakket voor fiets en OV 2030 voor de hele regio uit moeten werken om alternatieven zo goed als mogelijk op orde te hebben. De regionale fietsvisie van de U10 en het bijbehorende programma dient daarvoor als basis. Wiel met spaken als leidend concept Wij hanteren het wiel-met-spakenmodel als concept voor de mobiliteitsontwikkeling: verbindingen (fietsen, OV, auto) lopen als ‘spaken’ naar de knooppunten en ‘voeden’ het knooppunt op die manier; reizigers stappen bij het knooppunt over op trein of HOV. Dit vraagt om goede ketenintegratie (auto, langzaam verkeer en OV).

Het ‘wiel’ verbindt woonwijken met belangrijke knooppunten en woon- en werkkernen onderling. Enkele belangrijke elementen van het model: • Ontwikkel Lunetten Koningsweg als tweede knoop in combinatie met sterke HOV-tangent Utrecht Science Park – Lunetten Koningsweg - Westraven en het verhogen van de spoorcapaciteit richting station Driebergen-Zeist. • Versnelling en de modernisering van de sneltram Utrecht – Nieuwegein / IJsselstein (SUNIJ) en integratie met de eerder genoemde HOV-tangent. • Ontwikkel aanvullende OV-diensten (zoals MaaS en deelconcepten) voor bereikbaarheid van alle kernen (ook die niet direct bij OV-knooppunten gelegen zijn) • Nieuw te ontwikkelen ‘generiek’ mobiliteitsbeleid draait om investeren én om gedragsbeïnvloeding; het stimuleren, beperken en beprijzen van mobiliteit is potentieel effectief om mobiliteitsgedrag te sturen (ontspitsen, modal shift), daarvoor moet wel het alternatief (fiets en OV) beschikbaar zijn: dat vergt juist weer investeringen. Verkenning OV en Wonen De volgende plannen, zoeklocaties voor woningontwikkeling en verbindingen voor de bereikbaarheidsontwikkeling gaan rijk en regio verkennen voor de periode tot 2030. Het gaat daarbij om het uitwerken van realistisch investeringspakket

Wiel-met-spakenmodel

Vitale knooppunten 57

Waar staan we nu? Het benutten van bestaande OV-knooppunten in de regio is kansrijk omdat er ruimte is in het mobiliteitssysteem om rond OV-knopen verder te verstedelijken: • De fietsbereikbaarheid vanuit alle knopen naar het centrum van Utrecht en Utrecht Science Park is goed en verbetert komende jaren verder; • Er zijn groeimogelijkheden op het spoor. Hierbij hanteren wij de volgende ladder: • Ruimte in bestaande treinen beter benutten • Mogelijkheden om treinen te verlengen benutten • Mogelijkheden om extra treinen te laten rijden benutten • Mogelijkheden om aanleg van extra spoorcapaciteit benutten • Er zijn groeimogelijkheden in de regionale OVverbindingen (netwerkontwikkeling 2030 en Verkenning U Ned).

Onderzoeksvragen •

Mogelijkheden voor verstedelijking en mobiliteitsmaatregelen 2030 Bron: MIRT-verkenning U Ned, 2019.

voor fiets en OV voor 2030 om woningbouw mogelijk te maken zonder knelpunten in het mobiliteitssysteem te verergeren. Het plangebied omvat IJsselstein, Nieuwegein en in Utrecht de wijken Zuidwest (inclusief Merwedekanaalzone) en Centrum plus Papendorp en vanuit hier de OV-verbindingen naar omliggende gebieden (Vleuten/de Meern, Leidsche Rijn, Utrecht Zuid, West en Oost, Utrecht Science Park, Houten, Vianen/Gorinchem en Lopikerwaard). Wat is de opzet bij de contour REP? Tot 2030 zijn de vastgestelde uitgangspunten de basis. Dit is voor mobiliteit: • MIRT-verkenning U Ned, maatregelen bereikbaarheid • Benutten bestaande knooppunten • Bereikbaarheid voor vitale kernen De opties voor verstedelijking in combinatie met mobiliteit tot 2040 gaan we samen met andere overheden onderzoeken. Op die manier werken we aan een programma en afspraken binnen de regio en tussen het Rijk en de regio. Dit doen we in programma U Ned in het MIRT Onderzoek, de MIRT-verkenning en met de ontwikkeling van een breed pakket regionale mobiliteitsmaatregelen (tot nu toe no regrets genoemd). Voor wat betreft de verschillende 58

opties voor grootschalige infrastructurele ingrepen, zoals een spoor bypass in de A12 zone, én voor de ontwikkeling van generieke beleidsmaatregelen geldt dat het vervolgonderzoek in het MIRT Onderzoek plaats zal vinden. In dit programma proberen we wonen en werken zodanig te plannen dat het mobiliteitssysteem niet onevenredig zwaar belast wordt. Naast het in beeld brengen van de ruimte rond bestaande knooppunten wordt er ook nagedacht over r welke type woonmilieus we op die plekken kunnen bouwen en hoe die woonmilieus de ontwikkeling van mobiliteit (OV, fiets, auto) beïnvloedt. Hetzelfde geldt voor het type werkmilieus dat we toe kunnen voegen rond knooppunten: in welke dichtheden kan dat en hoeveel mobiliteit produceren die milieus.

•

•

•

•

•

Het ‘laadvermogen’ van de knooppunten in combinatie met het uitwerken, bijvoorbeeld in de Verkenning U Ned, van het concept van het Wiel met Spaken, waarbij we onderzoeken wat knooppuntontwikkeling betekent voor de druk op het regionale en landelijke OV-systeem, het netwerk van landelijke en provinciale autowegen en het regionale fietsnetwerk. Daarbij is de aansluiting van dit concept op alle windrichtingen en kernen van de regio een belangrijke afgeleide vraag. Uitwerking knooppuntenstrategie, inclusief uitvoeringsprogramma, waarbij investeringen in de bereikbaarheid van knooppunten (auto, OV, fiets en stallen/parkeren) afgezet worden tegen de mogelijkheden en de faseerbaarheid van verstedelijking. De bereikbaarheid van de kernen ten behoeve van hun vitaliteit, onder andere fiets- OV en autoverbindingen tussen de kernen en de dichtstbijzijnde knooppunten. Hoe toetsen we op het niveau van deelgebieden de groei van mobiliteit (autonome groei en groei door verstedelijking), zodat accumulerende verkeersstromen, bijvoorbeeld bij knooppunten of op- en afritten in beeld komen? Mogelijkheden en kosten voor mobiliteitspakketten in beeld brengen voor potentiële nieuwe uitleglocaties en deelgebieden in de regio. ‘Generiek’ mobiliteitsbeleid verder uitwerken in deelgebieden: hoe kunnen we geografisch

•

•

differentiëren en op welke plekken, bijvoorbeeld op grote verstedelijkingslocaties en rond OV-knooppunten, gaan we welk type gedragsbeïnvloeding (stimuleren, beperken en beprijzen, bijvoorbeeld door regionaal systeem voor parkeren en P+R, werkgeversaanpak) inzetten? Rijksbetrokkenheid is essentieel, daarmee kan de grootste winst worden behaald. Link leggen met energieopwekking en gezond leven in een stedelijke regio. Bijvoorbeeld elektrisch laden op P+R in de buurt van productie of stimuleren van lopen en fiets rond knooppuntontwikkeling. Mogelijke invulling van bypass spoor en/of weg in A12 zone hangen onder andere af van: 1. Voor wat betreft grootschalige infrastructuur: de mogelijkheden om een ruimtelijke reservering op te nemen voor benodigde infrastructuur om verstedelijking stapsgewijs mogelijk te maken. 2. Voor wat betreft regionaal spoor/tram: bijpassend programma, meer gericht op herkomstverkeer. 3. Voor wat betreft weginfrastructuur: mogelijke groei capaciteitsvraag Hoofdwegennet/Onderliggend wegennet, niet alleen op de A12, maar op de hele Ring Utrecht en toeleidende hoofdinfrastructuur. Vervolgonderzoek moet bepalen welke ruimtelijke reservering verstandig is voor invulling van de hoofdinfrastructuur die nodig is voor de ontwikkeling van de A12-zone.

59

2.4 Energie Opgave Om als regio een belangrijke bijdrage te kunnen leveren aan het tegengaan van klimaatverandering, zoals is afgesproken in het Klimaatakkoord, is het – naast een grote inspanning om het totale energieverbruik te beperken – de opgave om de benodigde energie duurzaam te gaan opwekken via warmte- en elektriciteitsbronnen. Kijkend naar de opwekking van grootschalige elektriciteit via wind en zon gaat het om 1 tot 3,6 TWh (onderzoeksambitie) tot 2030, voor 2040 tussen de 2 en 7,2 TWh (onderzoeksambitie) en voor 2050 tussen de 3 en bijna 11 TWh (onderzoeksambitie). Onderstaande figuur geeft een indruk met hoeveel windturbines of ha zonnepark met de huidige stand van techniek 1 TWh overeenkomt. Om een gevoel voor de ruimtelijke verhouding te geven: de oppervlakte van de hele regio U16 is 117.000 ha*.

Verbeelding 1 TWh (Terawattuur) Bron: Handreiking 1.1, Nationaal Programma Regionale Energiestrategie.

Regionale Energietransitie We willen ons in deze contour houden aan de afspraak dat de Regionale Energietransitie (RES) voorstellen zal ontwikkelen, in eerste instantie voor de strategie van de regio tot 2030, met een doorkijk naar 2040 en 2050. De ontwerp-RES is momenteel nog in ontwikkeling en besluiten daarover worden in het voorjaar van 2020 verwacht. Vandaar dat in deze contour een beeld ontbreekt waar deze grootschalige wind- en zonne-energie opgewekt kan worden.

auto sluit goed bij het zo min mogelijk doen toenemen van het totale energieverbruik. Uitgangspunt daarbij is energieneutraal of zelfs energieleverend te gaan bouwen. Het is daarbij van belang te beseffen dat er om dit mogelijk te maken, ruimteslag op en onder de grond nodig zal zijn, bijvoorbeeld voor warmtenetten, warmteen koudeopslag en voor de aanleg en versterking van elektriciteitsnetwerken. Om meer gevoel te krijgen bij de opgave voor winden zonne-energie zijn in het hierop volgende katern verschillende denkrichtingen opgenomen. Dit zijn theoretische denkoefeningen zonder enige beleidsafweging of keuze. Bijvoorbeeld hoeveel duurzame elektriciteit zouden we theoretisch kunnen opwekken als we zoveel mogelijk windenergie langs infrastructuur realiseren of in agrarische gebieden. Of hoeveel kunnen we opwekken als we zoveel mogelijk zonnevelden realiseren langs infrastructuur, op waterzuiveringen en vuilnisbelten of langs dorps en stadsranden. Binnen deze ruimtelijke contour vindt nog geen keuze plaats of welke onderdelen van denkrichtingen mogelijk interessant kunnen zijn. Hiervoor is eerst verder onderzoek en gesprek nodig, onder andere aan de hand van ruimtelijke verbeeldingen over ruimtelijke randvoorwaarden. Dit onderzoek en gesprek vindt binnen de RES tussen overheden en met belanghebbenden plaats.

De bouwsteen Groen en Landschap biedt daarnaast interessante aanknopingspunten voor potentiële nieuwe verdienmodellen voor de landbouw en kan een onderdeel zijn van de transitie en transformatie zoals genoemd bij het landschap.

Katern: Denkrichtingen energie In dit katern ziet u een reeks van denkrichtingen betreffende grootschalig wind en zonne-energie RES U10/U16. Deze denkrichtingen zijn theoretische denkoefeningen zonder enige beleidsafweging of keuze. In de varianten maximaal is onderzocht hoeveel wind of zon er maximaal in de betreffende denkrichting gerealiseerd kan worden met de huidige technieken. In de varianten minimaal is een eerste ordening aangebracht, bijvoorbeeld dat geen windturbine solitair staat of windturbines zijn op een rechte lijn geplaatst. Minimaal is geen beleidsuitspraak dat dit een minimum is. Uiteraard wordt binnen de RES ook grootschalig zon op dak onderzocht.

Denkrichtingen wind Minimaal

Maximaal

Rijkswegenwind

Onderzoeksvragen N-wegenwind •

Nadat de RES als pijler input heeft geleverd is het zaak om de energieopgave te koppelen aan de andere ruimtelijke opgaven en waarden, zoals cultuurhistorie en landschap. Hoe komen we samen met de RES tot een integrale visie waarbij ruimtelijke voor- en nadelen, alsmede financiële kosten en baten van de energieopgave op een goede manier worden verdeeld?

Het is echter duidelijk dat het gaan opwekken van duurzame energie onze stedelijke en landelijke gebieden in de toekomst zal doen veranderen De in het voorgaande hoofdstuk beschreven ladder gericht op de ontwikkeling bij knopen en de inzet op gebruik van OV en fiets boven

* Bron: Energietransitie regio U16 een verkenning van energieverbruik en -potenties. Definitief rapport 21 december 2018. 60

61

Minimaal

62

Maximaal

Minimaal

Waterwind

Boerenwind

Boswind

Industriewind

Weidewind

Inwonerswind

Maximaal

63

Denkrichtingen zon Minimaal

Maximaal

Knopenwind

Noorderwind

64

65

2.5 De schaalsprongen in lagen Schetsmatige visualisering van de verschillende ruimtelijke opgaven in hun onderlinge samenhang. De afbeelding is van onder naar boven te lezen: van landschap opbouwend naar verstedelijking.

Landschap

Landschap : robuuste ecologische verbindingen, groen-blauwe verbindingen.

Cultuurhistorie

Ringpark/scheggen/groene verbinding stand en land

Vitaal netwerk kleine kernen

Draaischijf NL

Vitaal netwerk knooppunten

Verstedelijking en mobiliteit

Energie

p.m.

Dit is onderdeel van katern gedachtenexperimenten wind.

Windenergie 66

p.m.

Zonne-energie

p.m.

Divers (bijv. geothermie) 67

Energie en wind

Vitaal netwerk knooppunten

Draaischijf NL

Netwerk vitale kernen

Ringpark/scheggen/groene verbinding stand en land

Cultuurhistorie

Schetmatige samenhang van de opgaven.

Landschap

68

69

3 ONTWIKKELING In dit hoofdstuk wordt de ontwikkelstrategie voor de regio beschreven aan de hand van mogelijkheden, nog te maken keuzes, fasering en programmering.

70

71

Ontwikkelstrategie

In dit hoofdstuk wordt de ontwikkelstrategie van de regio ruimtelijk verbeeld. En wordt scherp welke mogelijkheden er zijn, waaruit we nog kunnen en moeten kiezen, en waarvoor fasering en programmering nodig zijn. Er zijn twee overzichtskaarten waarop alle opgaven samenkomen. In hoofdstuk 2 is helder geworden dat het abstractieniveau van de beschikbare informatie verschilt per opgave. Waar de bouwsteen een ruimtelijke vertaling in beeld heeft gebracht, is dit opgenomen op de kaartbeelden. De kaarten laten zien wat de opties zijn, als de ladder van ruimtelijke ontwikkelstrategie, zoals beschreven in hoofdstuk 1.7 wordt toegepast. Deze ladder is een beleidsstrategie die niet absoluut kan worden toegepast, omdat deze mogelijk spanning oplevert met de fasering en programmering in de praktijk. De ‘Kaart van Altijd’ is gebaseerd op de uitgangspunten waarover al besluitvorming heeft plaatsgevonden: bijvoorbeeld bestaande plannen voor 67.000 woningen en de MIRT-verkenning. Dit zijn bestaande plannen die naar verwachting voor 2030 uitgevoerd worden. En die moeten passen in de ontwikkelingen voor de lange termijn (de no regrets). De ‘Kaart van Alles’ bevat een caleidoscoop van ruimtelijke opties voor de periode na 2030. Dit betreft opties en overmaat aan plancapaciteit en biedt ruimte voor nadere keuze, afweging en concretisering. De kaarten verbeelden ook de onderzoeksvragen.

De ruimtelijke strategie is vervolgens concreet uitgewerkt voor het thema wonen, omdat daarvoor de meest concrete informatie beschikbaar is: aantallen en locaties. Een tabel met bandbreedtes is opgenomen. Voor groen/landschap, energie, economie is nog een concretiseringsslag nodig om dit op eenzelfde wijze te doen.

72

73

3.1 ‘De Kaart van Altijd’

De ‘kaart van altijd’ is gebaseerd op de regionale uitgangspunten waarover al besluitvorming heeft plaatsgevonden in raden zoals bestaande plannen voor 67.000 woningen en OV uitwerking in de MIRT-verkenning (ziep. 60). Deze plannen worden naar verwachting voor 2030 uitgevoerd en passen in de ontwikkelingen voor de lange termijn (de no regrets). Deze bestaande plannen sluiten dan ook goed aan bij de verstedelijkingstrategie. Het gros is ondersteunend aan de vitaliteit van kernen en wordt binnenstedelijk en in de nabijheid van OV-knooppunten gerealiseerd. Binnenstedelijk en binnenstedelijk nabij bestaande OV-knooppunten Lokaal maatwerk voor vitale kernen

LEGENDA

74

75

3.2 ‘De Kaart van Alles’

De kaart van alles bevat een caleidoscoop van alle ruimtelijke opties voor de periode na 2030. Dit betreft een overmaat aan plancapaciteit en biedt ruimte voor nadere keuze, afweging en concretisering. De kaarten verbeelden ook de onderzoeksvragen. In de uitwerking naar het perspectief REP wordt concreet wat kansrijke opties zijn voor de regio tot 2040. Er zullen opties afvallen of concreter in beeld komen. Ook kunnen ontwikkelingen die nu op de kaart van alles staan naar de kaart van altijd verschuiven en voor 2030 tot uitvoering komen. Verstedelijkingsstrategie: buitenstedelijk nabij bestaande OV-knooppunten & ontwikkelkansen nabij nieuwe OV-knooppunten en buitenstedelijk met hoogwaardig OV

LEGENDA

76

77

‘De Kaart van Altijd’

‘De Kaart van Alles’

Binnenstedelijk en binnenstedelijk nabij bestaande OV knooppunten Richting 2030 is in grote lijnen de ruimtelijke ontwikkeling van de regio bekend. Binnenstedelijk, vooral nabij bestaande OVknooppunten, worden nog ca. 67.000 woningen gerealiseerd en werkmilieus toegevoegd. Hier vindt veelal verdichting en transformatie plaats binnen het bestaande bebouwde gebied.

Buiten stedelijk nabij bestaande OV knooppunten Vanuit kwalitatieve kansen, urgenties, ambities en om tegemoet te komen aan de doelstellingen die we als regio willen waarmaken zien we na 2030 meer mogelijkheden. Een volgende stap in de ruimtelijke ontwikkeling van de regio is het invullen van kansen om buitenstedelijk bij bestaande knooppunten woon- en werkmilieus toe te voegen. Bijvoorbeeld bij Breukelen en Bunnik is knoopwaarde aanwezig die benut kan worden door in de nabijheid te bouwen. Daarnaast zijn er door de realisatie van het wiel nieuwe knopen ontstaan voor het toevoegen van stedelijke woonmilieus aan de randen van de stad. De A12-zone is hier een voorbeeld van, evenals een stedelijke ontwikkeling bij Lunetten-Koningsweg. We reserveren ruimte om een infrastructurele bypass in de A12-zone mogelijk te houden.

Deze ontwikkeling is al zichtbaar in de ontwikkelingen in bijvoorbeeld Woerden, Maarssenbroek en Nieuwegein. Omdat het lastig lijkt om alle plancapaciteit tijdig te benutten, denken we ook voor deze periode al na over nieuw planaanbod. We verkennen maatregelen om een eerste invulling van het wiel met spaken te realiseren aan de zuidkant van de stad Utrecht die de grote druk op het Utrechtse mobiliteitsnetwerk moeten opvangen en mogelijkheden bieden om op door te ontwikkelen. We voegen extra woningen toe bij kernen om de vitaliteit en kwaliteit van deze kernen te borgen. Ook gaan we meer verstedelijken rond bestaande knopen als Houten, Breukelen en Zuilen/Leidsche Rijn Centrum. Onderdeel van de ontwikkeling is de inzet op goede verbindingen voor fiets, OV en auto tussen knopen en kernen. Voor wat betreft fiets leggen we die bij voorkeur aan in aantrekkelijke groene scheggen die in groenblauwe linten doorlopen in de steden en dorpen. We werken aan barrières van (snel)wegen, kanalen en spoorlijnen in deze verbindingen te slechten. Er zijn goed bereikbare natuur- en recreatiegebieden in en om de steden gerealiseerd. Het ‘Ontwikkelbeeld Groen en Landschap U16’ is hierbij als uitgangspunt genomen. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van ideeën uit het Ringpark-concept.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9894263/2