Raadsvoorstel 07, bijlage 3 contour rep u16 - lage resolutie
Tekst van het document
CONTOUR INTEGRAAL RUIMTELIJK PERSPECTIEF (REP)
U16TRECHT
GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN 31 MAART 2020
Voorwoord De Metropoolregio Utrecht (MRU) is een van de snelstgroeiende regio’s van Nederland en één van de meest competitieve regio’s van Europa. Om de groei in goede banen te leiden is door de regio U10 in 2018 een Ruimtelijk-Economische Koers (REK) opgesteld. Daarin zijn principes geformuleerd die richting geven aan ontwikkeling van de regio tot ontmoetingsplek voor Gezond Stedelijk Leven. De Opgavetafel Ruimtelijk Economisch Programma (REP) heeft de opdracht om de REK tot uitvoering te brengen en stelt daartoe een Integraal Ruimtelijk Perspectief en Programma op. Als tussenstap naar een perspectief is een contour opgesteld. De contour is nadrukkelijk geen eindbeeld, maar een onderzoeksagenda om komen tot een Perspectief en bevat zoekrichtingen en onderzoeksvragen voor de regionale ruimtelijke ontwikkeling. De afgelopen periode is veel informatie verzameld. Door het opleveren van aanvullende bouwstenen voor wonen, werken, bereikbaarheid, landschap en energie, de inzichten uit de ruimtelijke modellering die REP en MIRT gezamenlijk hebben opgepakt, de gesprekken met regiogemeenten en partners. Wij zijn trots u dit te mogen aanreiken middels de vertaling in deze contour. De komende maanden gaan we in gesprek om zaken scherper in beeld te krijgen en keuzen te maken om de opgave te verdelen in de regio.
We zullen dit samen doen met de collega’s in de regio en met partners als provincie, rijk, waterschappen en andere partijen.
Herman Geerdes en Klaas Verschuure Bestuurlijk opdrachtgevers REP
2
3
Inhoudsopgave
4
4. DEELGEBIEDEN
84
4.1 De Kromme Rijn-vallei
88
4.2 Noordoostflank: Strategische waterlinie landschap en noordelijke heuvelrug
96
102
14
4.3 Corridor ontwikkeling Snelle Vecht tussen Utrecht en Amsterdam
1.5 Geactualiseerd beoordelingskader
15
4.4 Woerd, Waard en Vijfheerenlanden
110
1.6 Contour REP als onderzoeksagenda
17
4.5 De centrale as
116
1.7 Ontwikkelstrategie
18
Colofon en totstandkoming contour REP
126
Inleiding
6
1. KOERS EN KADERS
8
1.1 Ruimtelijk-economische koers
10
1.2 Gezond leven in een stedelijke regio
11
1.3 Uitgangspunten
12
1.4 Inzichten MIRT-onderzoek
2. RUIMTE
20
2.1 Landschap
24
Bijlagen
128
2.2 Stedelijke ontwikkeling en mobiliteit
40
Bijlage 1: Beoordeling contour
130
2.3 Mobiliteit en netwerk vitale knooppunten
54
2.4 Energie
60
2.5 De schaalsprongen in lagen
66
3. ONTWIKKELING
70
3.1 “De Kaart van Altijd”
74
3.2 “De Kaart van Alles”
76
3.3 Inventarisatie woningbouwaantallen
80
5
Inleiding
Voor u ligt de contour REP die u kunt lezen als tussenstap in het proces om te komen tot een Integraal Ruimtelijk Perspectief en Programma voor de U16. Hieronder wordt geschetst hoe we van REK naar contour in het REP komen. Ook worden de vervolgstappen richting het perspectief toegelicht.
te activeren. Ook worden ontwikkelmogelijkheden beschreven en mogelijke thema’s voor samenwerking aangereikt, die eventueel in deelgebieden verder uitgewerkt zouden kunnen worden. Hier kan ook rekening gehouden worden met grensoverschrijdende samenwerking. Het biedt een handvat voor samenwerking.
Doel en Resultaat van het REP Met de Ruimtelijk- Economische Koers (REK) kiest de regio U10 ervoor om de groei op een duurzame wijze op te vangen. De regio wil zich (door)ontwikkelen tot de ontmoetingsplek van gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen en in 2040 de internationaal erkende regio op dit terrein te zijn. Met het Ruimtelijk- Economisch Programma (REP) wordt daar concreet invulling en uitvoering aan gegeven. In het REP vertaalt de regio U10 de diverse ruimtelijke ambities en opgaven in een integraal ruimtelijk Perspectief en een Programma inclusief afspraken over uitvoering.
Van REK naar REP De 16 gemeenten van de U10 zullen op verschillende wijze kunnen bijdragen en hebben elkaar nodig. Alleen dan kunnen we dé ontmoetingsplaats zijn voor gezond leven in een stedelijk regio voor iedereen, kan deze regio zich krachtig positioneren richting andere overheden en kan de uitvoering gericht worden opgepakt.
Gezamenlijk maken we de regio De regionale opgaven op het gebied van wonen, werken, bereikbaarheid, energie en landschap zijn grotendeels in beeld en hebben op onderdelen nader onderzoek nodig. Ze zijn urgent, complex en omvangrijk, hangen nauw met elkaar samen en beïnvloeden elkaar. In dit programma komt het eropaan dat we als regio keuzes gaan maken, dat we deze keuzes maken in hun onderlinge samenhang en dat we deze keuzes uitwerken in regionale en gebiedsgerichte programma’s en projecten. De contour beschrijft de regionale opgaven en is een stap om de uitvoering daarvan
Vier fases om te komen tot het REP De realisatie van een integraal ruimtelijk Perspectief voor de regio vergt een intensief en zorgvuldig proces. Het Integraal ruimtelijk Programma van het REP komt, conform het vastgestelde plan van aanpak ‘naar een integraal ruimtelijk perspectief’, in vier fases tot stand: • Fase 1: Het zetten van een stip op de horizon tot 2040, als bestuurlijk vertrekpunt. Deze fase is afgerond; • Fase 2: Opstellen van een ruimtelijke contour. Dit product ligt nu voor; • Fase 3: Opstellen van een integraal ruimtelijk Perspectief en ontwikkelpad; • Fase 4: Opstellen van een integraal ruimtelijk Programma en uitvoeringskracht.
Proces: van REK U10 naar REP U16
Tussen stappe n REP
Wat is de Contour REP? Voor u ligt de contour REP. De contour REP is een tussenstap om te komen tot het Perspectief en Programma. Het is nadrukkelijk geen eindbeeld, maar bevat kansrijke zoekrichtingen en onderzoeksvragen voor de regionale ruimtelijke ontwikkeling. Het kan gezien worden als een onderzoeksagenda voor de volgende fase met een overmaat aan plancapaciteit die richting en ruimte biedt voor nadere keuze, afweging en concretisering.
Leeswijzer: opbouw van de contour In hoofdstuk 1 wordt de inhoud van de opgeleverde producten als bouwsteen voor de contour uiteengezet. Dit betreft de REK, de uitgangspunten uit de vastgestelde U10 bouwstenen, het (geactualiseerde) beoordelingskader en de inzichten uit ruimtelijke modellering van REP en MIRT als kansrijke ontwikkelrichtingen. Ook wordt concreet hoe we gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen vertalen in een ontwikkelstrategie. En wat programmering en fasering in de praktijk met zich meebrengt.
Samenwerking met andere trajecten. Het REP trekt nauw op met andere trajecten waarin ook gewerkt wordt aan perspectieven, kaders, afspraken en/of uitvoering voor (integrale) ruimtelijke ontwikkeling voor de regio, zoals de POVI, U Ned / MIRT Onderzoek, Regionale Energie Strategie U16, A12-zone en ontwikkelingen vanuit de Waterschappen. De verschillende onderzoeksvragen kunnen zelfstandig of in samenwerking met andere trajecten worden opgepakt en uitgewerkt. Het tussenproduct van de contour REP vormt input vanuit de U10 voor de provinciale omgevingsvisie (POVI) en uitgangspunt voor het U Ned/ MIRT Onderzoek.
In hoofdstuk 2 betreft de analyse van de onderzoeken over wonen, werken, bereikbaarheid, energie en landschap. Het geeft de ontwikkelkansen en onderzoeksvragen weer. In het ruimtelijk verhaal worden de schaalsprongen verbeeld en toegelicht.
Vervolgstappen Fase 3: Integraal ruimtelijk Perspectief Vanuit de contour die nu voorligt, moeten in de komende fase ruimtelijke keuzes worden gemaakt, wat soms lastig zal zijn. Ook zal participatie met belanghebbenden een rol gaan spelen, wat weer nieuwe dynamiek en inzichten op zal leveren. Het Perspectief (met harde en zachte keuzes) met ontwikkelpad voor adaptief programmeren zal naar verwachting in het 1e kwartaal 2021 worden afgerond.
In hoofdstuk 3 wordt de ontwikkelstrategie van de regio concreet. Het wordt scherp welke mogelijkheden er zijn, waaruit we nog kunnen en moeten kiezen, en waarvoor fasering en programmering nodig zijn. Hoofdstuk 4 beschrijft ontwikkelmogelijkheden beschreven en mogelijke thema’s voor samenwerking aangereikt die eventueel in deelgebieden verder uitgewerkt zouden kunnen worden. Hier kan ook rekening gehouden worden met grensoverschrijdende samenwerking. Het biedt een handvat voor samenwerking.
Fase 4: Programmering: regionaal, in deelgebieden en lokaal. Na het afronden van het perspectief staat het programmeren centraal. Dan gaat het veel meer om de stap richting de uitvoering. Op het niveau van de hele regio, maar ook lokaal en in deelgebieden. Er zal in passende allianties worden gewerkt. Vraagstukken op regionale schaal vergen veelal samenwerking tussen gemeenten, maar ook met rijk en provincie. Dit zal op een aantal plekken en indien niet strijdig met het Perspectief voor de lange termijn al parallel lopen aan fase3.Bijvoorbeeld de regionale woningbouwprogrammering. Zo zal de POVI een programmering voor wonen en werken oppakken in 2020. Daarvan is het van belang dat het past in de voorgestane regionale ontwikkeling U16 en dat wordt gekeken hoe REP en POVI daarop samenwerken. Voor de deelgebieden is een aanzet gedaan voor het werken in de allianties.
Ruimtelijk-economische Koers 6
7
1 KOERS EN KADERS In dit hoofdstuk wordt de inhoud van de opgeleverde producten als bouwsteen voor de contour uiteengezet. Dit betreft de REK, de uitgangspunten uit de vastgestelde bouwstenen U10, het (geactualiseerde) beoordelingskader en de inzichten uit de ruimtelijke modellering van REP en MIRT als kansrijke ontwikkelrichtingen. Ook wordt concreet hoe we Gezond Stedelijk Leven vertalen in een ontwikkelstrategie. En wat programmering en fasering in de praktijk met zich mee brengt.
8
9
1.1 Ruimtelijk-Economische Koers (REK)
1.2 Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen
Toekomstbeelden REK U10: Gezond leven in een stedelijke regio De Ruimtelijk-Economische Koers is in 2018 opgesteld door de destijds participerende gemeenten in de U10. Het vormt daarmee het kompas van de U10. De keuzes worden in de REK niet vertaald naar concrete locaties voor verstedelijking of landschap. Ook worden er geen specifieke ingrepen in het mobiliteitssysteem voorgesteld. De keuzes die worden gemaakt zijn op het niveau van principes die nog vertaald moeten worden naar concrete ingrepen. Deze contour kan gezien worden als eerste poging om een fysiek ruimtelijke uitwerking te doen van het kompas.
Motto regionale ontwikkeling U16: ‘Gezond leven in een stedelijk regio voor iedereen’ is het overkoepelende en samenbindende thema van het REP. Gezondheid dient daarom integraal onderdeel te zijn van de vijf pijlers.
In de REK wordt gekozen voor een regio waar gezond stedelijk leven centraal staat. Met zes toekomstbeelden (thematisch ingestoken) wordt een beeld gegeven van de toekomst van de regio. Er worden principiële keuzes gemaakt met betrekking tot de manier waarop de regio groeit, hoe we met mobiliteit omgaan, et cetera. De zes toekomstbeelden zijn: 1. Utrecht is in 2040 de Internationaal erkende regio voor life sciences, gezondheid en duurzaamheid; 2. Gemeenten in de regio zijn economisch complementair; 3. We kiezen voor een ongedeelde regio met voldoende woningen voor alle doelgroepen; 4. We groeien, met voorrang, op binnenstedelijke locaties, dat leidt tot kwaliteit en interactie; 5. We geven voorrang aan duurzame mobiliteit; 6. Groen, landschap en cultuurhistorie leveren een onmisbare bijdrage aan de stedelijke regio.
Vertaling van ‘gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen’ naar ruimtelijke principes Om gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen op een goede manier te laten landen in het ruimtelijke perspectief voor de regio worden een aantal ruimtelijke principes meegegeven die zorgen dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan een goede gezondheid. 1. Realiseer voldoende, kwalitatief hoogwaardige, groenblauwe ruimte, die voor iedereen toegankelijk is; 2. Geef prioriteit aan lopen, fietsen en openbaar vervoer, stimuleer bewegen en beperk het vervuilende goederen- en personenvervoer; 3. Pas inrichting en gebruik van de ruimte aan op de eisen vanuit klimaatverandering en energietransitie en borg gezondheid en veiligheid daarbij. Verminder door de inrichting de milieubelasting op gevoelige bestemmingen; 4. Zet in op een landbouwtransitie met minder negatieve en meer positieve effecten op gezondheid; 5. Zorg voor een ruimtelijke inrichting waarin iedereen mee kan doen en ontwikkel nieuwe woonconcepten gericht op bevorderen van sociale cohesie; 6. Zet ook bij circulaire economie en in de bouw/ bouwconcepten gezondheid centraal.
De gemaakte keuzes in de REK zijn onder andere: ‘We accommoderen de groei van de regio in de regio, we groeien bij voorkeur op binnenstedelijke locaties en nabij knooppunten en we geven voorrang aan duurzame mobiliteit’. Eveneens wordt benoemd dat de balans tussen aantrekkelijke woon- en werkmilieus enerzijds en de kwaliteit en toegankelijkheid van het landschap anderzijds het wonen in de regio zo aantrekkelijk maakt.
Gezondheid In de U10 hanteren we een brede definitie van het begrip gezondheid. Daarvoor zijn de volgende waarden van belang: • Gericht op het algeheel welbevinden (geluk); • Uitgaan van positieve gezondheid, breder dan alleen de aan- of afwezigheid van ziekte, maar focus op preventie; • Gericht op iedereen, dus inclusief.
De vertaling van de ruimtelijke principes van gezond leven in een stedelijke regio is de basis voor de hoofdstukken in deze contour en voor de nadere uitwerking in vervolgfasen van het REP. De vraag hierbij is nog op welke wijze de ruimtelijke hoofdprincipes worden vertaald in het ruimtelijk perspectief en tot welke concrete onderzoeksvragen dit leidt.
Toekomstbeelden REK
10
11
1.3 Uitgangspunten
In de U10 zijn een aantal sectorale onderzoeken gedaan, om de opgaven van wonen, werken, mobiliteit, energie en groen en landschap scherp in beeld te krijgen. Deze onderzoeken zijn bouwstenen voor het REP en zijn behandeld in alle gemeenteraden als zodanig. Het zijn de uitgangspunten voor het REP en de basis voor het beoordelingskader, waarlangs de regio de ruimtelijke keuzes zal leggen om scherp te krijgen in hoeverre deze keuzes bijdragen aan het hoofddoel Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen. De uitgangspunten en het beoordelingskader zijn een gezamenlijke basis voor REP en U Ned / MIRT Onderzoek. Medio 2019 zijn beide documenten behandeld in de 16 gemeenteraden. De reacties die daarop zijn ontvangen, zijn verwerkt in aangescherpte uitgangspunten en een aangescherpt beoordelingskader. Die aanpassingen in de uitgangspunten zijn hieronder meegenomen. Daarnaast is op elk van de vijf pijlers verdiepend onderzoek gedaan, deels loopt dit nog op het moment van opleveren van deze contour. De uitkomsten van deze verdiepende onderzoeken zijn niet vertaald in deze aangepaste uitgangspunten, ze hebben immers nog geen status. Wel zijn de uitkomsten verwerkt in hoofdstuk 2, waarin de opgaven voor de regio zijn beschreven en onderzoeksvragen voor het vervolg zijn geformuleerd.
Het is nu eerst aan de bestuurstafels en het REP om richting te geven dit voor te leggen aan colleges en raden.
12
WONEN 1. Woningbouwopgave: de woningbouwopgave is 104.000 in de periode 2017-2040, het bestaande planaanbod (maart 2018) is 67.000. Er moet dus nog extra ruimte worden gevonden voor minimaal 37.000 woningen. De opgave van 104.000 is op basis van de verwachte huishoudensgroei en de verwachte vervangingsbehoefte (sloop), maar exclusief inlopen woningtekort, exclusief planuitval en exclusief plantoeval. Daarmee kan gesteld worden dat het gaat om een ondergrens. Het Locatieonderzoek U16 (januari 2019) vormt het uitgangspunt voor de opgave en de planvoorraad. Om planuitval op te kunnen vangen en adaptief te kunnen programmeren hanteren we voor de periode na 2025 een plancapaciteit van 130%. 2. Woonmilieus: onderzoek naar de kwalitatieve invulling (ook dichtheden) van de woningbouwopgave volgt nog en in modellen gaan we daarmee variëren o.b.v. expert judgement. De resultaten worden eind van de zomer verwacht en worden meegenomen bij de beoordeling van de modellen. 3. Focus op OV-knooppunten en binnenstedelijk: de verstedelijking zoveel mogelijk nabij (toekomstige) OVknooppunten van openbaar vervoer en binnenstedelijk realiseren; daarnaast in het overige binnenstedelijk gebied en eventuele nieuwe uitleg. Nieuwe uitleg wordt zoveel mogelijk gekoppeld aan (bestaande of nieuwe) OV-knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors. 4.
Vitaliteit kernen: Aanvullend op de grootschalige verstedelijking wordt er ook ruimte geboden voor kleinschalige uitbreiding van het stedelijk gebied en de kernen om de lokale vitaliteit en/of ruimtelijke kwaliteit te vergroten (lokaal maatwerk).
WERKEN 1. De groei van de beroepsbevolking gaat gelijk op met de groei van arbeidsplaatsen. De kwantitatieve opgave die hieruit volgt: tot 2040 zijn in de U16 circa 80.000 extra arbeidsplaatsen nodig om de groei van de beroepsbevolking op te vangen. 2. De berekende theoretische ruimteclaim van nieuwe werklocaties in 2040 is bepaald voor kantoren (770.000 m2 bvo), bedrijventerreinen (215 ha), detailhandel (krimp regio, stijging stad), gemengde gebieden en wetenschap. Kantoren en detailhandel bevinden zich binnen bestaande stedelijke contouren. Om de ruimteclaim van bedrijventerreinen zo beperkt mogelijk te houden studeren de U16 partners op de intensiveringspotentie van zowel bestaande als nieuwe bedrijventerreinen. 3. Kansrijke werkmilieus versterken door, toevoegen 416.000m2 kantoren op Multifunctionele kantoorlocaties vooral in de stad Utrecht, transformeren kantoren op slechte plekken, meer mengen van wonen met werken in de stad en regio, alleen uitzondering wanneer het echt niet past. 4. Compensatie eventueel verlies werklocaties: mogelijke transformatie van bedrijventerreinen zorgt voor verdringing van werken door wonen, waardoor de ruimtevraag groter wordt. Deze ruimtevraag moet in de regio gecompenseerd worden. 5.
Samenhang wonen en werken: en met aandacht voor de beleidsmatig gewenste groei van de doe-economie en/of maakindustrie en de gewenste groei (en dus ruimteclaim) van het Utrecht Science Park, bijvoorbeeld op omliggende satellieten. 6. Werklocaties in hoge dichtheden: daar waar het type werk dat toestaat, worden werklocaties verdicht ontwikkeld. 7. Vitaliteit kernen: aandacht voor de ruimtelijke groei van bedrijven in de eigen kern én voor bedrijvigheid die aan de stedelijke regio gebonden is. 8. Landbouweconomie: in de modellen wordt rekening gehouden met de werkgelegenheid in de agrarische sector. 9. In de programmering van onze gebieden en wijken houden we rekening met de toename van werk vanuit de eigen woning. 10. Circulaire economie en maakindustrie: Circulaire economie en maakindustrie: We zetten in op circulaire economie en kansrijke groeimarkten die passen bij het profiel van gemeente en regio Utrecht zoals de maakindustrie. We willen circulaire ketens sluiten waarbij werklocaties complementair van elkaar functioneren. Bedrijventerreinen met een hoge NEXT Economy potentie mengen we niet of nauwelijks. 11. We streven compacte, diverse detailhandelgebieden na in de juiste omvang. Er ligt een opgave om het volume aan detailhandel te laten krimpen en vrijkomende ruimte te benutten voor wonen, andere vormen van werk en andere stedelijke functies.
Daar waar veel woningen worden toegevoegd is beperkte groei van detailhandel wel wenselijk.
MOBILITEIT 1. Benut ruimte in het mobiliteitssysteem: het heeft de voorkeur te bouwen op plekken waar nog ruimte is in het mobiliteitssysteem en niet op plekken die de mobiliteitsknelpunten versterken. 2. Functioneren draaischijf: Utrecht als draaischijf van Nederland over weg en spoor moet blijven functioneren voor de bereikbaarheid van de Metropoolregio Utrecht en Nederland als geheel. 3. OV-knooppunten cruciaal: OV-knooppunten hebben een nadrukkelijke rol in de verstedelijking en ook in de mobiliteit om ketenverplaatsingen te faciliteren. Daarbij is er aandacht voor alle modaliteiten, met prioriteit bij fietsen, lopen en openbaar vervoer. 4. Belang OV en langzaam vervoer: in het stedelijk gebied zijn openbaar vervoer, fiets en lopen de belangrijkste vervoermiddelen 5. Ontlasting Utrecht Centraal/ verbetering bereikbaarheid USP: Station Utrecht Centraal kent veel inuit- en overstappers. De ruimtelijke modellen dragen bij aan het ontlasten van dit station, met name voor de reizigers van en naar Utrecht Science Park. 6. Samenhang verstedelijking en mobiliteit: de ontwikkeling van de mobiliteitsnetwerken moet gelijk op lopen met die van de verstedelijkingslocaties (ook rekening houdend met fasering, infra en OV op tijd gereed) 7.
Parkeerregimes als oplossing: parkeerregimes in brede zin worden meegenomen in de ruimtelijke modellen ten bate van ruimtelijke inrichting, bereikbaarheid en leefbaarheid. 8. Duurzame mobiliteit: Duurzame mobiliteit heeft een prominente rol in de ruimtelijke modellen. Voor de ruimtelijke modellen wordt een inschatting gemaakt van CO2effecten voor mobiliteit. 9. OV Toekomstbeeld: maatregelen uit OV Toekomstbeeld Midden Nederland OV zijn input voor de verschillende modellen.
LANDSCHAP 1. Voldoende ruimte voor recreatie / inlopen tekort: In gelijke tred met verstedelijking maken we ruimte voor recreatiemogelijkheden, bewegen (fietsen en wandelen), ontmoeten en ontspannen (rust). Bij voorkeur daar waar de luchtkwaliteit en geluidbelasting goed is. Er is een tekort van 550 ha recreatief groen in de regio Utrecht. Uitgangspunt is dat het tekort van 550 ha recreatief gebied (bij voorkeur groen) tot 2040 voor de regio een plek krijgt. 2. Creëer voldoende ruimte voor kwalitatief hoogwaardig groen, water en klimaatadaptatie: dit betekent het zoveel mogelijk behouden van de aanwezige natuur-en landschappelijke waarden. Daarnaast is het belangrijk dat groen in goede nabijheid is (binnen een straal van 2,5 km (grootschalig) groen aanwezig). En er zijn voldoende kwalitatief hoogwaardige gemengde en gezonde woon- en werkmilieu met groen en water, wat een bijdrage levert aan het omgaan met hittestress en waterretentie. 3. Ruimte voor toekomstbestendige en natuurinclusieve landbouw: een vitale agrarische sector is een belangrijke ruimtelijke en economische drager van het landschap. 4. Biodiversiteit en ecologie. De biodiversiteit in de regio wordt versterkt en het aantal soorten neemt op zijn minst toe. Er blijft ruimte voor de ontwikkeling van flora en fauna en regionale soorten worden beschermd en behouden.
ENERGIE 1. Rekening houden met energieopwekking en warmtebronnen: er wordt rekening gehouden met de ruimte die nodig is voor energieopwekking en met de locaties van bestaande warmtebronnen. Voor beiden wordt aangesloten bij de plannen die in het kader van de Regionale Energiestrategie (RES) worden opgesteld. Het MIRT Onderzoek brengt de kansen en bedreigingen van elk van de integraal ruimtelijke modellen op het gebied van energiestransitie in beeld. Als de Regionale Energietransitie gedurende het traject met nieuwe inzichten komt, worden de verstedelijkingsmodellen van het MIRT Onderzoek verrijkt met de inzichten uit de RES.
13
1.4 Inzichten MIRT-onderzoek
1.5 Geactualiseerd beoordelingskader
De uitgangspunten die door U Ned en REP zijn geformuleerd zijn gebruikt om modelmatig te onderzoeken op welke manier de verschillende opgaven waar we als regio voor staan fysiek vertaald kunnen worden. Hieruit zijn lessen geleerd die zijn doorvertaald in zeven inzichten. De nadruk lag hierin op wonen, werken en mobiliteit in relatie tot leefbaarheid. De inzichten leiden tot aanvullende onderzoeksvragen die deels door U Ned binnen het MIRT Onderzoek en deels gezamenlijk door REP en U Ned worden onderzocht om te komen tot een perspectief.
Geactualiseerd beoordelingskader REP Op basis van zienswijzen, aanvullingen van raden en staten (moties en amendementen) en aanvullende informatie vanuit de U10 Bestuurstafels is een aangescherpt beoordelingskader samengesteld. In de onderstaande figuur zijn de hoofd- en subdoelstellingen uit het, nog definitief vast
te stellen, beoordelingskader REP opgenomen. De oranje gekleurde subdoelen en kernindicatoren zijn toevoegingen ten opzichte van het eerdere beoordelingskader. Voor een toelichting op de totstandkoming en aanscherping van het beoordelingskader verwijzen we naar het separate rapport ‘Aangepaste beoordelingskader REP’ (februari 2020).
Beoordelingskader REP, 27 maart 2020 Centraal motto U16: ‘Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen’
Zeven inzichten uit MIRT Onderzoek Metropoolregio Utrecht (MRU) De modellen hebben een aantal belangrijke inzichten opgeleverd, met name op het gebied van mobiliteit en verstedelijking. 1. De regionale én nationale mobiliteitssystemen staan zonder de veronderstelde verstedelijkingsopgave op de middellange termijn al onder hoge druk. De toename van autonome mobiliteit en verstedelijking met in totaal ca. 104.000 woningen zorgen in 2040 voor grote knelpunten op de (hoofd)infrastructuur. Ook in 2030 zorgen de geplande 67.000 woningen al voor extra druk. Zonder ingrepen in de (hoofd)infrastructuur is verdere verstedelijking zeer complex. 2. Generieke mobiliteitsmaatregelen hebben potentie Generieke maatregelen als gedragsbeïnvloeding (regionaal parkeerbeleid - zowel voor bezoekers als voor werknemers - en andere vormen van betalen naar gebruik), realisatie regionale P+R-voorzieningen (zowel op grote afstand van de stad als aan de randen), gecombineerd met fors investeren in non-stop fietsroutes en de doorstroming van het ov hebben potentie voor zowel de nationale als de regionale bereikbaarheid. Zonder gerichte maatregelen in het OV/ spoor leidt dit generieke beleid echter tot extra druk op Utrecht Centraal. 3.
Het doorontwikkelen van knopen is een kansrijke koers Het doorontwikkelen van bestaande (en zo nodig toevoegen van nieuwe) ov-knooppunten in combinatie met ruimtelijke ontwikkeling (zoals wonen, werken en recreatieve poorten) is een kansrijke koers. Maar op de langere termijn hebben de bestaande knopen onvoldoende capaciteit en ruimte om door te groeien. Bovendien geldt ook voor het knooppuntenbeleid dat het de druk op het stedelijk openbaar vervoer en op Utrecht Centraal nog verder vergroot.
4. Groei kernen voor vitaliteit De grote woningbouwopgave kan gerealiseerd worden in de stedelijke gebieden van de regio, de kernen kunnen doorgroeien voor de versterking van de vitaliteit mits dit past binnen het provinciaal beleid. De P+R-strategie en knooppuntenstrategie biedt kansen om de bereikbaarheid van de kernen en de modal shift te versterken.
Hoofddoel
Subdoelen
Bevorderen van een gezonde, duurzame en energieke regio
Fietsgebruik Voor iedereen zijn er – dichtbij en toegankelijkaantrekkelijke plekken Leefomgeving draagt bij aan gezond gewicht Bevorderen gezonde leefstijl
Wonen en druk verkeer zijn gescheiden Functies (Wonen, werken, voorzieningen) zijn goed gemengd, overlastgevende bedrijven staan op afstand
5. Kwaliteitsimpuls Nieuwe Hollandse Waterlinie goed voor vestigingsklimaat De regionale samenhang tussen verstedelijking, landschap én de economische profilering van de regio is gebaat bij een stapsgewijze gedoseerde kwaliteitsimpuls in en rondom de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Juist door de samenhang met het ook aan de oostzijde van de stad gelegen Life Science Cluster kan het vestigingsklimaat worden verbeterd.
Actief vervoer (lopen en fietsen) is in beleid, ontwerp en gebruik de standaard Tussen kernen zijn goede fiets- en OV-verbindingen. Geluid Emissies luchtverontreiniging Bevorderen gezonde leefomgeving (o.a. terugdringen hinder geluid en emissies)
Verkeersveiligheid Veiligheid in de brede zin Waterkwaliteit
6. Ontwikkeling van de A12-zone kan veel opleveren, maar is complex De ontwikkeling van de A12-zone kan potentieel een grote en robuuste bijdrage leveren aan het realiseren van voldoende woningen en arbeidsplaatsen, het verstevigen van de regionale agglomeratiekracht, aan een betere verbinding tussen Utrecht en Nieuwegein en aan de ruimtelijke kwaliteit. Vanuit leefbaarheid, bereikbaarheid en inpassing bestaan stevige opgaven om dit mogelijk te maken.
Kansen voor klimaatadaptatie; o.a. beperken wateroverlast, waterveiligheid en hittestress
Kansen voor klimaatadaptatie Robuust Watersysteem
Voldoende schoon en gezond water
Ruimte voor het hoofdwatersysteem Strategische grondwatervoorraden
Kansen en bijdragen aan realisatie energietransitie
Economie versterken: Aanjagen economische groei van de regio
7. Grootschalige infrastructurele maatregelen kunnen effectief zijn voor de opgave in de regio. Eerste oefeningen met infrastructurele maatregelen voor weg (A12, A2) en lightrail (regionaal spoor via A12-zone) laten zien dat deze maatregelen effectief kunnen zijn voor de doorstroming op het hoofdwegennet, op het spoor en op de regionale schaal. Een toevoeging van infrastructuur, parallel aan de A12, vergroot de bereikbaarheid en biedt een kans voor de transformatieopgave in dit gebied. Tegelijkertijd constateren we dat dit complexe maatregelen zijn met grote impact op leefomgeving en inpassing.
CO2-emissies verkeer Kansen en bijdragen aan de energietransitie in termen van energieproductie en -besparing (in TWh en PJ) Bruto Regionaal Product (BRP) Aantal arbeidsplaatsen (economische opgave)
Agglomeratiekracht vergroten
Hoeveelheid ha toegevoegde gemengde functies wonen en werken Ruimte-intensivering werklocaties en voorzieningen
Versterken van het vestigingsklimaat
Versterking vestigingsklimaat
Bevorderen circulariteit in de economie
Behoud werklocaties (niet mengen met wonen) met een bovengemiddelde Next Economy Potentie (NEER)
Bevorderen innovatie in de economie
Kansen voor innovatieve economie
Stimuleren betekenisvolle werkgelegenheid met gezonde en veilige arbeidsomstandigheden
Aandeel gezonde en veilige arbeidsplaatsen op het totaal
Verstedelijkingsopgave faciliteren Zicht op voldoende plancapaciteit (kwantiteit)
14
Kernindicatoren
Complementariteit van werklocaties om circulaire ketens te kunnen sluiten
Gerealiseerde woningen binnen de regio Reserve-plancapaciteit
Zicht op voldoende diversiteit woonmilieus (kwaliteit)
Zicht op voldoende diversiteit woonmilieus
Bevorderen inclusiviteit van de woningmarkt
Voldoende geschikt en betaalbaar aanbod voor iedereen
Stimuleren levensloopbestendige wijken
Aandeel levensloopbestendige wijken op het totaal
15
Bruto Regionaal Product (BRP)
economische groei van de regio
Aantal arbeidsplaatsen (economische opgave) Agglomeratiekracht vergroten
Hoeveelheid ha toegevoegde gemengde functies wonen en werken Ruimte-intensivering werklocaties en voorzieningen
Versterken van het vestigingsklimaat
Versterking vestigingsklimaat Behoud werklocaties (niet mengen met wonen) met een bovengemiddelde Next Economy Potentie
Beoordelingskader REP, 27 maart 2020, nieuwe indicatoren ge-highlight (NEER) Bevorderen circulariteit in de economie
Complementariteit van werklocaties om circulaire ketens te kunnen sluiten
1.6 Contour REP als onderzoeksagenda
Centraal motto U16: ‘Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen’ Bevorderen innovatie in de economie Kansen voor innovatieve economie Hoofddoel
Stimuleren betekenisvolle werkgelegenheid met Subdoelen gezonde en veilige arbeidsomstandigheden
Aandeel gezonde en veilige arbeidsplaatsen op het Kernindicatoren totaal
Zicht op voldoende plancapaciteit (kwantiteit)
Fietsgebruik Gerealiseerde woningen binnen de regio Voor iedereen zijn er – dichtbij en toegankelijkaantrekkelijke plekken Reserve-plancapaciteit
Bevorderen van een gezonde, duurzame Verstedelijkingsopgave faciliteren en energieke regio
Zicht op voldoende diversiteit woonmilieus (kwaliteit) Bevorderen gezonde leefstijl Bevorderen inclusiviteit van de woningmarkt
Leefomgeving draagt bij aan gezond gewicht Zicht op voldoende diversiteit woonmilieus Wonen en druk verkeer zijn gescheiden Voldoende geschikt en betaalbaar aanbod voor iedereen Functies (Wonen, werken, voorzieningen) zijn goed
gemengd, overlastgevende bedrijven afstand Aandeel levensloopbestendige wijkenstaan op hetop totaal Actief vervoer (lopen en fietsen) is in beleid, ontwerp Toegang tot voorzieningen verbeteren vanuit Nabijheid centra (% woningen binnen 3km en gebruikstedelijke de standaard Centraal motto U16: ‘Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen’ woongebieden van centra) Tussen kernen zijn goede fiets- en OV-verbindingen. Toegang tot werk vergroten vanuit woongebieden Gemiddelde woon-werk reistijd per modaliteit Stimuleren levensloopbestendige wijken
Hoofddoel
Ruimtelijke kwaliteit verhogen
Subdoelen
Kernindicatoren Geluid
Verhogen van de ruimtelijke kwaliteit van het stedelijk gebied
Kansen ruimtelijke kwaliteit stedelijk gebied Emissiesverhoging luchtverontreiniging
Bevorderen gezonde leefomgeving (o.a. terugdringen hinder geluid en emissies)
Kansen verhoging ruimtelijke kwaliteit landelijk gebied Verkeersveiligheid Bijdrage (ofinafbreuk) Veiligheid de bredeaan zinde kernkwaliteiten van de Utrechtse Landschappen
Verhogen vanklimaatadaptatie; de ruimtelijke kwaliteit van het Kansen voor o.a. beperken landelijk gebiedwaterveiligheid en hittestress wateroverlast,
Voldoende schoon en gezond water
Behouden versterken van de intrinsieke Kansen en bijdragen aan realisatie natuurwaarden energietransitie
Economie versterken: Aanjagen economische groei van de regio
Vergroten van het areaal (land- en water) natuur Behouden en versterken van de cultuurhistorische Agglomeratiekracht vergroten waarden Leefbaarheid en vitaliteit kernen Versterken van het vestigingsklimaat Recreatieve voorzieningen
Slimme en Toekomstvaste mobiliteit faciliteren
Bevorderen circulariteit in de economie
Voldoende en Bevorderencapaciteit innovatieinfrastructuurnetwerken in de economie oplossing urgente (systeem) knelpunten (Fiets, Spoor, Stedelijk OV, Transfer, Weg) Stimuleren betekenisvolle werkgelegenheid met gezonde en veilige arbeidsomstandigheden Verstedelijkingsopgave faciliteren Zicht op voldoende plancapaciteit (kwantiteit) Zicht op voldoende diversiteit woonmilieus Versterken (kwaliteit) robuustheid infrastructuurnetwerken
Haalbaarheid
Biodiversiteit Kansen en bijdragen aan de energietransitie in termen van energieproductie en -besparing (in TWh en PJ) Ruimtebeslag/nieuwe natuur (exclusief reeds geplande NNN) Bruto Regionaalnatuurgebieden Product (BRP) (in ha) - aantasting en Verbondenheid nieuwe verbindingen Aantal arbeidsplaatsen (economische opgave)
Kansen voor landschap Hoeveelheid ha toegevoegde gemengde functies wonen en werken Inwonertal op peil Ruimte-intensivering werklocaties en voorzieningen Bereikbaarheid knopen Versterking vestigingsklimaat Ruimte, kwaliteit en bereikbaarheid recreatieve Behoud werklocaties (niet mengen met wonen) met voorzieningen een bovengemiddelde Next Economy Potentie Bereikbaarheid in reistijdsom totaal per modaliteit, (NEER) lokaal, regionaal en doorgaand verkeer Complementariteit van werklocaties om circulaire Aantal bestaande OV-knopen (met ketenswoningen te kunnennabij sluiten restcapaciteit) Kansen voor innovatieve economie Bereikbaarheid van arbeidsplaatsen per modaliteit (fiets/ov, Aandeel auto) gezonde en veilige arbeidsplaatsen op het totaal Impact op NMCA-knelpunten Ontlasten Utrecht Centraal Gerealiseerde woningen binnen de regio Bewerkstelligen slim, veilig en duurzaam Reserve-plancapaciteit goederenvervoer Zicht op voldoende diversiteit woonmilieus Versterken robuustheid infrastructuurnetwerken Vergroten reizigerscomfort, betrouwbaarheid Voldoendevan geschikt en betaalbaar aanbod voor en beleving iedereen
Vergroten van hetwijken verkeer- en Stimulerentoegankelijkheid levensloopbestendige vervoersysteem Toegang tot voorzieningen verbeteren vanuit woongebieden Zicht op uitvoering (technische complexiteit, draagvlak, fysieke inpassing,vanuit juridisch) Toegang tot werk vergroten woongebieden
Vergroten toegankelijkheid van het verkeerAandeel levensloopbestendige wijken op heten totaal vervoersysteem Nabijheid stedelijke centra (% woningen binnen 3km van centra) Uitvoerbaarheid Gemiddelde woon-werk reistijd per modaliteit
Mate van adaptiviteit en toekomstvastheid
Adaptiviteit/flexibiliteit
Beheer en exploitatiekosten, incl. opbrengsten Investeringskosten
De onderzoeksvragen worden in samenwerking met diverse trajecten behandeld: RES, U Ned / MIRT Onderzoek, A12-zone, bij de diverse bestuurstafels en gemeentelijke omgevingsvisies.
Kansen voor natuur CO2-emissies verkeer
Vergroten van reizigerscomfort, betrouwbaarheid Bevorderen en beleving inclusiviteit van de woningmarkt
Kosten en opbrengsten (financieel)
16
Waterkwaliteit Bijdrage (of afbreuk) aan cultuurhistorische waarden (landschapselementen/ bouwwerken/ artefacten) Kansen voor klimaatadaptatie Impact op landbouw (ruimtebeslag bestaand areaal, met onderscheid primaire en secondaire landbouw) Robuust Watersysteem Aandeel landbouw in regionale voedselvoorziening Ruimte voor het hoofdwatersysteem Kansen voor natuur/landschapinclusieve/circulaire landbouw Strategische grondwatervoorraden
Contour REP als onderzoeksagenda De contour is een tussenstap in het proces om te komen tot een Integraal Ruimtelijk Perspectief en Programma voor de U16. De contour is nadrukkelijk geen eindbeeld, maar het bevat zoekrichtingen en onderzoeksvragen voor de regionale ruimtelijke ontwikkeling de korte, middellange en lange termijn. Niet alle onderzoeksvragen kunnen binnen het opstellen van het perspectief worden beantwoord. Daarvoor wordt nadrukkelijk de samenwerking gezocht met de U10 Bestuurstafels, U Ned en andere partijen. De regio gaat daarna een ontwikkelpad opstellen en adaptief programmeren. Dit om ruimte te bieden aan: • Nieuwe trends en maatschappelijke ontwikkelingen; • Vraagstukken die de regio niet alleen kan oppakken en/ of langere doorlooptijd kennen, zoals grootschalige mobiliteitsoplossingen.
GREX-saldo (mln Euro) OV-exploitatie (Euro of kwalitatief) Investeringen infrastructuur (Euro)
17
1.7 Ontwikkelstrategie GEZOND STEDELIJK LEVEN Hoe wordt de opgave integraal aangepakt? Om in de ruimtelijke ontwikkeling invulling te geven aan Gezond Stedelijk Leven, heeft de U10 in de Ruimtelijk-Economische Koers uitspraken gedaan. Een verstedelijkingsstrategie is vervolgens binnen de contour nader uitgewerkt. We geven voorrang aan binnenstedelijk bouwen om hiermee: • Het kostbare landschap in de regio te behouden; • De transitie naar duurzaamheid te versnellen; • De groei van wonen te faciliteren met inclusieve steden en dorpen; • De economische groei te versterken; • De mobiliteitsgroei op een duurzame wijze op te vangen. Ruimtelijke ontwikkelstrategie U16 Wanneer we dit ruimtelijk vertalen dan hanteren we de volgende ontwikkelprincipes: •
Lokaal maatwerk in de kernen is mogelijk om de vitaliteit en/of de ruimtelijke kwaliteit te vergroten.
•
Daarnaast hanteren we bij de keuze voor verstedelijkingslocaties (wonen, werken, voorzieningen) de volgende ladder: 1. Binnenstedelijk en binnenstedelijk nabij bestaande OV knooppunten; 2. Buitenstedelijk nabij bestaande OV knooppunten; 3. Ontwikkelkansen nabij nieuwe OV knooppunten en buiten stedelijk met hoogwaardig OV.
Voor het opstellen van principes voor verstedelijking is veel concrete informatie beschikbaar. Het raakt nauw aan andere thema’s. De ruimtelijke strategie kan worden aangevuld met ordeningsprincipes uit andere thema’s na concretere uitwerking aan bestuurstafels (sectoraal). Bij de uitwerking van het perspectief wil het REP deze ordeningsprincipes meenemen.
18
Programmering & Fasering In de contour zijn mogelijkheden voor integrale ruimtelijke ontwikkeling vertaald, voor de regio als geheel en voor deelgebieden. Deze vertalingen bevatten de ruimtelijke mogelijkheden voor de korte en de (middel)lange termijn. En geeft aan waarmee we bij planontwikkeling eerder in de tijd rekening moeten houden om zaken niet op slot te zetten (adaptief ontwikkelen). De kaartbeelden en de beschrijving die daarbij hoort maken helder wat er mogelijk is als de ladder ruimtelijke ontwikkelstrategie wordt toegepast. Deze ladder is een beleidsstrategie die niet absoluut kan worden toegepast, omdat deze mogelijk spanning oplevert met de programmering in de praktijk (fasering). Projecten kunnen eerder of later in de tijd worden opgepakt en gerealiseerd op basis van: • Urgenties: bijvoorbeeld op de woningmarkt of de mobiliteitsopgave; • Ruimtelijke kwaliteitsslag: bijvoorbeeld ontwikkeling van kernrandzones, kwalitatieve woningbehoefte; • Haalbaarheid en realiseerbaarheid: bijvoorbeeld energie, klimaatadaptatie, mobiliteitsoplossingen of woningbouwlocaties. Voor de fasering van groen, energie, economie is nog een concretiseringsslag nodig, zodat ordeningsprincipes voor het perspectief geformuleerd kunnen worden.
Bij het verzwaren van het programma voor stedelijke ontwikkeling en mobiliteit neemt gelijktijdig ook het programma voor natuur, groen en recreatie toe. Waarbij bereikbaar en kwalitatief hoogwaardig en beleefbaar groen, landschap, natuur en cultuurhistorie meer inzet vragen om de kernkwaliteiten van een groene verbonden regio in stand te houden en barrières te slechten. Zodat voor mens en natuur de verbinding met en in het landschap behouden blijft middels een fijnmazige groenblauwe dooradering vanaf de woonomgeving tot in het landschap, waarbij de verbeelding van de scheggen uit het de casestudy Ontwikkelbeeld Groen en landschap uitgangspunt is.
19
2 RUIMTE
De schaalsprongen: landschap, verstedelijking, mobiliteit en energie
20
21
De schaalsprongen: landschap, verstedelijking, mobiliteit en energie De uitdagingen die aan de Utrechtse regio worden gesteld zijn groot, net als de ambities. Dit vraagt om een integrale aanpak voor de komende decennia. Om de uitdagingen op het gebied van verstedelijking, bereikbaarheid, energietransitie en waardeontwikkeling van het Utrechtse landschap aan te gaan, is een schaalsprong noodzakelijk in denken en handelen. Ook is het belangrijk om een lange termijn perspectief te koppelen aan korte termijn handelen en tegelijkertijd ruimte te laten om in te spelen op nog onbekende ontwikkelingen. De uitdagingen zijn immers niet slechts op termijn relevant, maar woningtekort, overbelaste infrastructuur, verarming van natuur, bodemdaling, en de toekomst van het agrarische landschap en boerenbedrijf zijn vragen voor nu en veranderen met de tijd. De kern van dit hoofdstuk is een weergave van die opgaven, en het ruimtelijk verhaal dat kansen biedt om dit op te pakken (de schaalsprongen). Input is een verdieping op de bouwstenen U16 die in 2019 zijn behandeld in de raden. Daarbij zijn onderzoeksvragen benoemd, deels omdat de opgave concreter in beeld moeten komen, deels omdat gewenste, effectieve en/of haalbare oplossingen nu nog niet voorhanden zijn.
22
23
2.1 Landschap Inspiratie Voor het verhaal van het Landschap van de Utrechtse Regio, gebruiken we de analyse van de bouwsteen Landschap, verricht door BVR in opdracht van de Bestuurstafel Groen en Landschap. Ook het Ringpark-initiatief vanuit Paul Roncken, als adviseur Landschap provincie Utrecht, levert inzichten van waaruit onze verhaallijn is gebouwd. Ringpark en Ontwikkelbeeld Groen en Landschap kennen verschillende insteken maar ook veel overeenkomsten. Ingezet wordt om het gedachtegoed van het ontwikkelbeeld
Groen en Landschap waar mogelijk samen te brengen met het ringparkconcept zodat een aansprekend “Groenverhaal” ontstaat voor de 16 gemeenten van de U10. Hierbij nemen we het verhaal van het Utrechtse landschap als basis en vertellen we dit verhaal vanuit het besef dat hetzelfde landschap, met haar specifieke bodem, hoogteligging en wateraspecten, het canvas is waarop de samenleving haar toekomst schetst, en de mensen die er wonen en werken aan de contouren van hun toekomst.
SAMENVATTING PIJLERRAPPORT GROEN & LANDSCHAP Landschap en Groen: de opgave De grote diversiteit aan landschappen met de grote variatie aan natuur- en cultuurhistorische waarden maken de regio bijzonder. Daarom worden de landschappen van Utrecht aangeduid als de ‘Utrechtse Trots’. Deze ruimtelijke kwaliteit draagt in belangrijke mate bij aan het vestigingsklimaat van de regio. Het landschap en groen vormt een belangrijke onderlegger voor de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit van de regio. Zolang de kwaliteiten van de landschappen worden benut en alle ontwikkelingen ook bijdragen aan het verhogen van de kwaliteiten van deze landschappen blijft de regio leefbaar en dragen groen & landschap sterk bij aan de aantrekkelijkheid en de vestigingsvoorwaarden van de regio. Ook groen & landschap maken een schaalsprong Het gebied van de 16 gemeenten van de U10 wacht een schaalsprong door veranderingen in de samenleving onder andere de groei van het aantal inwoners, klimaatverandering en de energietransitie. De schaalsprong van de verstedelijking vereist ademruimte, groen en uitloopgebied voor inwoners waar nu al een tekort aan bestaat.
De druk komt niet alleen vanuit andere pijlers maar ook binnen de pijler groen & landschap is het zoeken naar een juiste balans tussen landschap, natuur, (ontwikkeling naar circulaire) landbouw, intensieve en extensieve recreatie, cultuurhistorie, kleine kernen en stadsranden, klimaatverandering, bodemdaling, de water(opgave van droogte en wateroverlast) etc. Kortom zowel de schaalsprong in de stedelijke ontwikkeling van de regio als de ontwikkelingen binnen groen en landschap vragen, vergelijkbaar met de andere opgaven van het REP, om een schaalsprong voor groen en landschap in onze regio. Water, ondergrond en kernkwaliteiten van het landschap: de basis voor de ‘Utrechtse Trots’ De basis van het Ontwikkelbeeld wordt gevormd door bestaande waarden van de ondergrond, de geomorfologie, (grond)water en landschapstypen met hun kernkwaliteiten. Immers de ondergrond vormt de onderlegger voor het veelzijdige landschap dat de regio rijk is. Nieuwe (groene en rode) ontwikkelingen kunnen deze fantastische kwaliteiten gebruiken. Op die manier wordt gebouwd aan de ‘Utrechtse Trots’. Dit zijn de Lek, het Kromme Rijngebied, Oude Rijnzone en Hollandse IJssel met tal van oude vestingsteden.
Verder de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam, Nationaal park Utrechtse Heuvelrug, de landgoederen en buitenplaatszone langs de flanken van de Heuvelrug en de Vecht, en natuurlijk het veenweidelandschap. Landbouwkerngebieden Ook de agrarische kerngebieden maken onderdeel uit van de ‘Utrechtse Trots’. Het zijn grote aaneengesloten gebieden waar de primaire functie landbouw is en blijft. De landbouwkerngebieden zullen veranderen richting 2040. De bedrijven gaan zich richten op vormen van duurzame circulaire landbouw. Biodiversiteit, bodemdaling, energietransitie en watervraagstukken bieden kansen en vereisen op termijn een aangepaste bedrijfsvoering om beter in balans met het landschap te komen.
24
Schematische weergave van verschillende landschappelijke ontwikkelconcepten
De verrijking: Het groen & landschap in de regio wordt verrijkt met ‘het Landschap van de toekomst’ en ‘het U16 natuurnetwerk, parken en routes’ Landschap van de toekomst In de hele regio is ruimte voor een nieuw aantrekkelijk mixlandschap met innovatieve combinaties en waardeketens van landbouw, natuur, bos, recreatie, water en energie. Dit zijn gebieden die niet direct tot de landbouwkerngebieden behoren maar waar nieuwe kostendragers voor agrariërs mogelijk zijn (New Deal van Panorama Nederland) in ruil voor noodzakelijke extensivering. Dit Landschap van de Toekomst betekent ten westen van Utrecht een impuls voor het veenweidegebied door de combinatie van schaalvergroting/extensivering én schaalverkleining (‘terug naar de kwalitatieve oorsprong van het Groene Hart’). Het Landschap van de Toekomst betekent ten oosten van Utrecht een innovatief landschap waarin bijvoorbeeld landbouw en waterberging de dragers zijn.
Bron: Ontwikkelbeeld vijfde pijler groen & landschap, 31 juli 2019, BVR adviseurs ruimtelijke ontwikkeling i.o.v. U16
25
U16 natuurnetwerk, parken en routes Dit bestaat uit drie onderdelen: 1. Recreatieve zones/routes Dit netwerk bestaat uit een aantal groene recreatieve zones die het gebied dooraderen. Deze zones volgen de waterrijke en cultuurhistorische hoofdstructuren van het landschap. Dit zijn de Limeszone met de Kromme Rijn en Oude Rijn; De buitenplaatsenzone van Langbroekerwetering/Stichtse Lustwarande en Vechtstreek; de rivier, dijken en uiterwaarden van de Hollandse IJssel en de Lek. De zones worden actief ingericht met robuuste groenstructuren, ecologische zones, royale langzaamverkeerroutes en rustpunten. Het zijn verbindende elementen in de U16 en verbinden steden en landschappen. 2. Groene scheggen Bij het stedelijke gebied ontwikkelen de recreatieve zones zich tot ‘groene scheggen’, de landschapsparken rond en tussen de kernen. In de scheggen bevindt zich een fijnmazig groenblauw netwerk van ecologische en recreatieve verbindingen, recreatieplekken, horeca, sport en leisure functies.
Groene scheggen
3. Robuuste ecologische verbindingen Het hele ‘U16 natuurnetwerk, parken en routes’ geeft vorm aan een krachtig biodiversiteitsprogramma van robuuste ecologische verbindingen en natuurkernen. Drie robuuste ecologische verbindingen bestaan uit de benodigde ruimte voor weidevogels en veenweide-natuur in het westen, aaneengesloten bossen en bosranden voor vogels en zoogdieren van Heuvelrug tot Gooi, en aaneengesloten uiterwaardennatuur voor planten, trekvissen, vogels en zoogdieren langs de Lek. Optimaliseringsprincipes voor groen & landschap Om het ontwikkelbeeld te realiseren gelden de volgende optimaliseringsprincipes: 1. Benut en versterk het palet van aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische rijkdom 2. Maak voldoende en hoogwaardige ruimte voor recreatie, water, natuur en landbouw 3. Verbind stad en land beter 4. Draag vanuit elke ruimtefunctie bij aan een betekenisvol Utrecht landschap Casestudy In een ontwerpend onderzoek zijn drie concepten uit het ontwikkelbeeld Groen en Landschap - Landschap van de toekomst, Groene routes en scheggen en Landbouwkerngebieden - verder uitgediept om de concepten meer ‘handen en voeten’ te geven voor uitwerking van deze concepten in het REP en andere plannen in de regio. Zo werd bijvoorbeeld de maatvoering van groene routes en scheggen uitgewerkt.
Groene routes
Groene scheggen doorsneden met grote infrastructuren
Bron: U16 Vijfde Pijler Groen & Landschap: Casestudy ontwikkelbeeld groen & landschap, 2019, BVR adviseurs ruimtelijke ontwikkeling
26
Bron: U16 Vijfde Pijler Groen & Landschap: Casestudy ontwikkelbeeld groen & landschap, 2019, BVR adviseurs ruimtelijke ontwikkeling
27
Toelichting Ringparkconcept: De opgave is om de verstedelijking en de groeiende mobiliteit niet ten koste te laten gaan van het landschap en een gezonde leefomgeving. Het Ringpark is een concept waarin de verschillende opgaven zoals wonen, bereikbaarheid, energie en transities in het landschap, voedselproductie en ecologische kwaliteit samenkomen. Het biedt een perspectief voor de relatie tussen stad en land en om de groei van de stedelijke regio te verbinden met de groene omgeving. (Zie ook Ringpark magazine, september 2019). Bron: Provincie Utrecht; De Utrechtse ringparken, onafhankelijke advisuer Ruimtelijke Kwaliteit Paul Roncken, 2018.
28
29
Het Utrechtse landschap In het Utrechtse Landschap spelen hoogteligging en water een belangrijke rol. De stadsregio ligt op de overgang van het hoge, droge oosten naar het lage natte westen. Na het passeren van de Utrechtse Heuvelrug stromen de rivieren in het lage deel van de Nederlandse Delta. Dat geldt voor de “grote” rivieren, in het zuiden stromend richting Zeeland en de Maasmond. Via een reeks kanalen, met het Amsterdam-Rijnkanaal als ultieme inspanning, is de waterverbinding naar het noorden versterkt.Zo drukken de grote waterwegen hun stempel op de regio. Zeker zo betekenisvol zijn de “kleine” rivieren als de Kromme en de Oude Rijn, De Hollandse IJssel, en richting het noorden de Vecht, de Amstel en de Angstel. Zij hebben vormgegeven aan de stad Utrecht en de omliggende
Grote rivieren en kanalen en kleine rivieren met grote geschiedenis. Kromme Rijn, IJssel, Oude Rijn, Vecht, Angstel, Amstel
30
regio. Vanaf Wijk bij Duurstede waaieren ze uit, langs de Heuvelrug, de laatste hoge glaciale zandopduiking voor de westelijke duinenrij, verder naar het westen, door het steeds lagere en nattere veenweidegebied ten westen van Utrecht. Vanaf de oevers van de rivierlinten werden de veenmoerassen ingepolderd. De daarin gelegen plassen zijn het zichtbare gevolg van het afgraven van de veenmoerassen voor het winnen van turf. De rivierlinten, waaronder de Vecht met haar buitenplaatsen, voeden het waterrijke landschap van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, het fortenlandschap van de Stelling van Amsterdam en vormen daarmee tevens een groene long tussen de steden Utrecht en Amsterdam, of maken deel uit van het Groene Hart.
Hoogte en regionaal watersysteem Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Bron: Waterpraatplaat, 2019, BVR adviseurs ruimtelijke ontwikkeling
Wateragenda kaart Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Bron: Waterpraatplaat, 2019, BVR adviseurs ruimtelijke ontwikkeling
Heuvelrug Het droge Oosten en het natte Westen
31
32
De “kleine rivieren met grote betekenis” De rivieren waren lang de vestigingsbasis in het Utrechtse landschap, zeker in het lage westen. Vanaf de oevers van de rivierlinten werden de veenmoerassen ingepolderd, op de oevers ontstonden vestingstadjes als Woerden, IJsselstein, Wijk bij Duurstede, Montfoort, Oudewater en Vianen.
De “Kromme Rijn-Vallei” De Kromme Rijn neemt een bijzondere plaats in tussen de “kleine rivieren”. Het is de “bronrivier” van Utrecht, de enige die stroomopwaarts van Utrecht, bij Wijk bij Duurstede, de voormalige handelsstad Dorestad, noordwaarts aftakt van de Lek.
Ook nu nog zijn de rivierlinten, aangevuld met erachter liggende polderlinten en –dorpen, de basis voor een netwerk van linten en kernen in het gebied. Vanuit dit besef verdienen de westelijke rivierlinten een kwalitatieve impuls.
Het is de enige kleine rivier die door het hogere, oostelijke deel van de regio stroomt, aan de voet van de Heuvelrug, en zo een daadwerkelijke ‘vallei’ heeft gevormd die nu nog als zodanig ervaren kan worden. De Kromme Rijn voedt het waterrijke landschap van de Hollandse Waterlinie, het fortenlandschap rond de Lunetten en de Waterlinieweg. Deze belangrijke historische “landschapspoort” naar de stad Utrecht, die door stedelijke ontwikkeling en infrastructuur ondergesneeuwd is, verdient weer meer waarde en aandacht. Historisch, landschappelijk en recreatief is daar alle aanleiding voor.
Kleine rivieren
Kromme Rijn Vallei
33
Een robuuste Heuvelrug De Utrechtse Heuvelrug is de laatste glaciale stuwwal voordat het westelijk laagland van de delta begint. Het kent sinds 2003 de status van Nationaal Park.
Ditzelfde geldt voor de noordoostelijke flank richting de Gelderse vallei, terwijl hier de ontwikkeling van een landschappelijke stapsteen-verbinding richting Veluwe onderzocht zou moeten worden.
POORTEN NAAR HET LANDSCHAP
RECREATIEVE INVLOEDSSFEER UTRECHT
RECREATIEVE INVLOEDSFEREN AMSTERDAM, HILVERSUM, AMERSFOORT, UTRECHT
De Heuvelrug is bepalend voor de vormgeving van het landschap van de regio en van grote betekenis voor de leefkwaliteit van het gebied, in historisch, natuurlijk en recreatief opzicht. Voor verdere versterking van de landschappelijke kwaliteit van de regio is een robuuste Heuvelrug een hoofddoelstelling. Dit betekent opheffen en tegengaan van versnippering van het kerngebied en uitbreiding van de perifere invloedssfeer van het gebied. Hierbij is de ecologisch waardevolle gradiënt naar de lagere omliggende gebieden van belang. Versterking van het historische coulisselandschap van de flanken, overgaand in het Kromme Rijn-landschap en het veenweide- en plassengebied in het noorden, is hier het uitgangspunt.
Bestaande Heuvelrug
34
Recreatieve invloedsferen Amsterdam, Hilversum, Amersfoort, Utrecht. Het landelijk, agrarisch gebied; transformatie en verduurzaming
Een robuuste Heuvelrug
35
Het landelijk, agrarisch gebied; verduurzaming, transitie en transformatie vragen om innovatie
36
Verduurzaming Niet alleen in het stedelijke gebied staat deze regio voor grote uitdagingen. Ook het landelijke gebied wordt toneel van grote veranderingen. Hierbij spelen verduurzaming van de landbouw, en het laten afnemen van de ermee gepaard gaande milieubelasting de hoofdrol. De rijksadviseurs noemen dat in Panorama Nederland de ‘New Deal’: ‘We willen landbouw die duurzaam en circulair is. Nederland is toe aan een New Deal tussen boer en maatschappij om de voedselproductie weer in evenwicht te brengen met andere maatschappelijke belangen en met de natuur. De opbrengsten van de New Deal zijn aanzienlijk: een eerlijk inkomen voor de boeren, schoon water en een schone lucht, een gezonde bodem, meer biodiversiteit en een aantrekkelijk landschap, gezond voedsel en uiteindelijk ook een gezonde mens. Bij biodiversiteit gaat het niet alleen om randen langs de akkers en de weilanden, maar ook om biodiversiteit op het boerenland zelf.’ (Panorama Nederland 2018).
De rijkdom van de cultuurlandschappen - de ‘Utrechtse Trots’ - is bij transitie uitgangspunt. In het oosten gaat het om de fruitteeltgebieden in het rivierengebied van de Kromme Rijn en het eiland van Schalkwijk. En ook om het landbouw ontwikkelgebied van Maarsbergen in de Gelderse Vallei. In het westen gaat het om de grootschalige melkveehouderij gebieden in het veenweidelandschap van het Groen Hart. De bodemdaling als gevolg van veenoxidatie en verzilting ten gevolge van zoute kwel vormen hier een grote uitdaging. Hierbij gaan nieuwe water-gebaseerde en ook zout-resistente teelten een belangrijke rol spelen.
Voor de regio wordt dit uitgesplitst in transitie en transformatie waarbij we de ingrediënten Landbouwkerngebieden en Landschappen van de Toekomst - uit het pijlerrapport Groen en Landschap gebruiken.
Ten oosten van Utrecht geldt dit bijvoorbeeld voor delen van Langbroekerweteringgebied waar met respect voor de cultuurhistorische rijkdom ruimte is voor nieuwe landschappelijke dragers als korte keten landbouw en waterberging in combinatie met nieuwe natuurwaarden en recreatieve mogelijkheden.
Transformatie Een meer ingrijpende benadering, samen te vatten als transformatie, wordt ingezet in de ‘landschappen van de toekomst’, een nieuw aantrekkelijk mixlandschap met innovatieve combinaties en waardeketens van landbouw, natuur, bos, recreatie, water en energie.
Transitie - landbouwkerngebieden Transitie is van toepassing op de landbouwkerngebieden, grote aaneengesloten gebieden waar de primaire functie landbouw is en blijft. Hier wordt een proces van transitie naar circulaire landbouw ingezet zonder deze primaire functie te verliezen. Gelijktijdig is er meer aandacht voor biodiversiteit, bodemkwaliteit en recreatief medegebruik. Voor deze gebieden is het dus de uitdaging om de agrarische hoofdfunctie in overeenstemming te brengen met economische én ecologische duurzame toekomst.
Voor de in het westen gelegen, natte cultuurhistorische veenweidelandschap geldt dat extreme bodemdaling zorgt voor een toenemende moeizame bedrijfsvoering, en druk op de aanwezige natuurwaarden. Dit vraagt een bezinning over de transformatie naar nieuwe verdienmodellen in deze landschappen in combinatie met behoud van cultuurhistorische waarden en nieuwe recreatieve mogelijkheden. Waterbeheer- en buffering maar ook energieproductie kunnen daar invulling aan geven.
Transformatie veenweide kerngebieden
Vernatten veenweide kerngebieden
Impressie landbouwkerngebied 2030 Bron: U16 Vijfde Pijler Groen & Landschap: Casestudy ontwikkelbeeld groen & landschap, 2019, BVR adviseurs ruimtelijke ontwikkeling
Impressie van het landschap van de toekomst in 2030 Bron: U16 Vijfde Pijler Groen & Landschap: Casestudy ontwikkelbeeld groen & landschap, 2019, BVR adviseurs ruimtelijke ontwikkeling 37
Landschap met geschiedenis: Utrechts trots Het Utrechtse landschap heeft grote cultuurhistorische waarde. Ook hier is het samenspel tussen water en (hoogte) ligging de bepalende factor. Dit heeft een grote diversiteit aan historische landschappen opgeleverd: van de bossen op de Heuvelrug tot aan de veenweidegebieden. Dit geldt ook voor structuren als de Oude en Nieuwe Hollandse Waterlinie, de Grebbelinie, de Stelling van Amsterdam in het Noorden – waar forten en inundatiegebieden de vijand uit het zuiden en oosten moesten keren – en voor de Romeinse Limes, die de belangrijke doorvoerroute van de Rijn moest beschermen. De Limes en de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn – naar verwachting - evenals de Stelling van Amsterdam, toekomstig werelderfgoed. Dit betekent dat deze erfgoederen beschermd zijn en daarmee structurerend zijn voor de ruimtelijke opgaven waar de regio voor staat. De stad Utrecht is gesticht op een doorwaadbare plaats in Rijn. Belangrijke stedelijke structuren bevinden zich