BP 2 planToelichting BP VVP25
Tekst van het document
Landschaps- en stedenbouwkundig plan Vinkeveense Plassen
De landschappelijke uitstraling en cultuurhistorische waarde van de legakkers in de Vinkeveense Plassen zijn van groot belang. Behoud van de legakkers en de groenblauwe uitstraling van het gebied met de legakkers zijn belangrijke pijlers onder de uiteindelijke afweging voor het toestaan van bebouwing op de legakkers. Vanuit meerdere kanten ligt er druk op de Vinkeveense Plassen en de daarin gelegen legakkers en zandeilanden. Meer ruimte voor (recreatief) gebruik van de plassen, legakkers en zandeilanden is gewenst, niet in de laatste plaats om exploitatie rendabel en het beheer en onderhoud duurzaam betaalbaar te houden. De gewenste planologische ruimte voor ontwikkelingen staat echter op gespannen voet met landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarden in en om het plangebied. Hiermee is het opstellen van een bestemmingsplan voor het Vinkeveense Plassengebied niet alleen een planologische opgave maar ook een kwaliteitsvraagstuk. In dat kader is een landschapsen stedenbouwkundig plan opgesteld (zie Bijlage 1 van de regels). In het landschaps- en stedenbouwkundig plan wordt aangegeven welke kwaliteit wordt nagestreefd voor de huidige situatie en toekomstige ontwikkelingen en wat dat betekent voor de inrichting van de legakkers en de zandeilanden.
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
30
3.5
Natuurplan
Inleiding De Vinkeveense Plassen maken deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), waarvoor doelen en regelgeving zijn opgenomen in het provinciale beleid. Ontwikkelingen als het planologisch mogelijk maken van bebouwing vragen om een toetsing aan de gebiedsspecifieke NNN-doelen en, als uitvloeisel daarvan, in het treffen van maatregelen om de natuurwaarden in het betreffende gebied qua kwaliteit en omvang niet achteruit te laten gaan. Dit kan op meerdere manieren plaatsvinden; voor dit bestemmingsplan wordt de meerwaardebenadering gevolgd. Dit kan als sprake is van een combinatie van projecten of handelingen die tevens tot doel heeft de kwaliteit en/of kwantiteit van het NNN op gebiedsniveau (in dit geval: het plassengebied) te verbeteren. Deze benadering gaat dus uit van het borgen van de natuuropgave en versterken van de natuurwaarden binnen het plangebied. Door het versterken van het NNN, wordt het bestemmingsplan mogelijk gemaakt. Het plassengebied is al tientallen jaren in gebruik voor de waterrecreatie; er wordt gevaren, gevist, gezwommen en gedoken, en gerelateerd hieraan vindt verblijfsrecreatie plaats. Het toestaan van bebouwing op legakkers betekent altijd een verlies aan oppervlakte van NNNgebied. Immers, daar waar een bouwwerk staat of een veranda, afdak, overkapping of steiger ligt, is geen sprake van een natuurlijke inrichting met bijbehorende natuurwaarden.
Hoe meer bebouwing er wordt toegestaan, des te meer maatregelen moeten genomen worden om de natuurkwaliteit op gebiedsniveau te waarborgen. Hiermee zijn uiteraard de nodige kosten gemoeid voor alle betrokkenen. Anderzijds is de beschikbare ruimte voor het treffen van maatregelen voor natuur niet onbegrensd en daarmee een aandachtspunt. Om tot een goede belangenafweging te komen, wil de gemeente De Ronde Venen de natuurdoelstelling voor het gebied concreter maken en weten welke maatregelen nodig zijn om de doelstellingen te bereiken. In dat kader is door Bureau Waardenburg het natuurplan "Op naar natuurlijk waterplezier!" opgesteld (zie Bijlage 2). Dit natuurplan vormt de basis voor een concreet inrichtingsplan voor natuur in het plassengebied. Doel van het natuurplan Het natuurplan bevat de doelstellingen voor het Vinkeveense plassengebied voor het aspect natuur en in het bijzonder voor de rol van het plassengebied als ecologische verbinding tussen omliggende natuurgebieden. In dit plan worden de specifieke waarden en potenties voor natuur en landschap vastgelegd en worden de concrete gebiedsgerichte inrichtingsmaatregelen beschreven die bijdragen aan de instandhouding van deze waarden en aan het versterken van de ecologische verbindingen met de omringende natuurgebieden.
Tevens bevat het natuurplan concrete maatregelen die de negatieve effecten van bestaande en eventuele extra bebouwing kunnen mitigeren of compenseren. De in het natuurplan voorgestelde natuurmaatregelen vormen de basis voor afspraken met instanties en terreinbeheerders over natuurbehoud, mitigatie en compensatie bij nieuwe ontwikkelingen. Natuurcompensatie
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
31
Voor de ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan dient zowel kwantitatief als kwalitatief gecompenseerd te worden voor de aantasting van NNN. Deze natuurcompensatie vindt plaats in het Achterbos (ook wel ‘t Meertje genoemd), wat zich ten zuidwesten van de Vinkeveense Plassen bevindt en in de Vinkeveense Plassen zelf. In het gebied het Meertje heeft geen machinale vervening plaatsgevonden, omdat de veentrekmachine daar niet kon komen. Hier is alleen handmatig verveend. De legakkers zijn hierdoor breder en de trekgaten smaller en minder diep. Daar is ruimte voor circa 10 ha natuurcompensatie. Binnen verschillende percelen binnen dit gebied wordt ingezet op natuurontwikkeling waarbij de volgende natuurdoeltypen tot ontwikkeling kunnen komen: N04.01 Kranswierwater, N04.02 Zoete plas, N05.03 Veenmoeras N10.02 Vochtig hooiland en N14.02 Hoog- en laagveenbos (moerasbos). De meerwaarde ontstaat ook doordat het Meertje huidig NNN met agrarische bestemming is. De agrarische bestemming gaat eraf en de locatie krijgt een natuurbestemming.
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
32
Hoofdstuk 4
Beleid
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het relevante beleid op Rijks-, Provinciaal-, regionaalen gemeentelijke niveau. Voor het specifieke beleid geldend voor de onderzoeksaspecten archeologie, natuur, bodem, en water wordt verwezen naar de desbetreffende paragrafen in Hoofdstuk 5. Bij het lezen van dit hoofdstuk dient in ogenschouw te worden genomen dat op 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking is getreden. Het hoofdstuk valt, conform het overgangsrecht in de Invoeringswet Omgevingswet, nog onder het oude recht (Wet ruimtelijke ordening), omdat het ontwerp bestemmingsplan vóór 1 januari 2024 ter inzage is gelegd. Wetgeving die per 1 januari 2024 in werking is getreden, is daarom niet van toepassing en niet opgenomen en getoetst. 4.1
Europees beleid
4.2.1 Vogel- en habitatrichtlijn De Europese Unie heeft wetgeving vastgesteld gericht op het behoud en herstel van vogels en hun leefgebieden. De belangrijkste richtlijnen zijn de Vogelrichtlijn uit 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992. In 2024 is een nieuwe wet aangenomen: de EU natuurherstelverordening. Nederland heeft de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn omgezet in nationale wetgeving via de Omgevingswet. De Vogelrichtlijn is gericht op de instandhouding van alle natuurlijk in Europa in het wild levende vogelsoorten. De Vogelrichtlijn vereist dat EU lidstaten alle nodige maatregelen nemen om de populatie van alle vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen. Daarnaast moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om voor deze vogels een 'voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen'. De Habitatrichtlijn is gericht op het waarborgen van de biologische diversiteit in de Europese Unie door de natuurlijke habitats en wilde dier- en plantensoorten die van Europees belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn vereisen dat lidstaten speciale beschermingszones aanwijzen ten behoeve van het Europese Natura 2000-netwerk en vogelgebieden.
Ook bepaalde handelingen die schadelijk zijn voor vogels en andere aangewezen dier- en plantensoorten moeten worden verboden. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het doden, jagen, houden, verstoren en vangen van vogels en het rapen en in bezit hebben van eieren. Toetsing en conclusie Ten noordwesten/westen van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Botshol. Dit gebied is een Habitatrichtlijngebied. Daarnaast zijn er in het gebied soorten aanwezig die vallen onder de bescherming van de Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn. In dat kader zijn diverse onderzoeken uitgevoerd naar soorten- en gebiedsbescherming, waaronder de Natuurtoets (bijlage 4), het NNN-rapport (bijlage 7) en de aanvullende memo soortenbescherming (bijlage 21). In paragraaf 5.4 wordt het aspect Natuur uitgebreid
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
33
behandeld. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er tal van mitigerende maatregelen kunnen worden getroffen waarbij wordt voorkomen dat er sprake is van schadelijke handelingen/overtreding van verbodsbepalingen en/of waarbij in ieder geval een effect op de staat van instandhouding van de soorten wordt voorkomen. Daarmee vormt het Europees beleid rondom vogel- en habitatrichtlijnen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. 4.2.2 Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) schrijft voor dat de waterkwaliteit van Europese wateren aan bepaalde eisen moet voldoen. Voor de Nederlandse oppervlaktewaterlichamen zijn de doelen voor een goede chemische toestand en een goede ecologische toestand dan wel een goed ecologisch potentieel wettelijk vastgelegd. Nederland heeft hiermee een resultaatsverplichting voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit en ecologie van grond- en oppervlaktewatersystemen. Voor grote wateren of watersystemen, de zogenaamde KRW-waterlichamen, zijn hiertoe doelen opgesteld. De (bindende) maatregelen om de doelen te bereiken zijn vastgelegd in de stroomgebiedsplannen. Voor de overige wateren geldt minimaal het stand-still principe. Waterbeheerders mogen hiervoor zelf aanvullende doelen opstellen. Toetsing en conclusie In het kader van dit bestemmingsplan is een KRW-toets (bijlage 12) uitgevoerd.
De Vinkeveense plassen zijn een KRW-waterlichaam in beheer bij het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Voor het vaststellen van het bestemmingsplan dient door het waterschap getoetst te worden of het nieuwe plan geen negatief effect heeft op de doelen die o.a. de KRW aan ontwikkelingen stelt. De twee hoofddoelen zijn geen achteruitgang van de bestaande toestand van het oppervlaktewater en het niet in gevaar brengen van het tijdig bereiken van een goede toestand. In het KRW onderzoek is ingegaan op de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt in relatie tot de waterkwaliteit in het plangebied. Uit de toetsing blijkt onder meer dat de aanleg van beschoeiing in het gebied niet tot achteruitgang van de ecologische waarden en de waterkwaliteit in de Vinkeveense Plassen hoeft te leiden. Zonder maatregelen zoals beschoeiing neemt op termijn het areaal oever af door afkalving. Met beschoeiing kan de oever beschermd worden tegen afkalving en kan luwte worden gecreëerd waar waterflora, macrofauna en vis zonder kunnen gedijen zonder invloeden van recreatievaart. Met de inzet van een vuilwatervoorziening wordt lozing van afvalwater op de Vinkeveense Plassen tegengegaan. In paragraaf 5.5. (Water) wordt uitgebreider ingegaan op de KRW toets. 4.2
Rijksbeleid
4.2.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de rijksvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving en opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Met de NOVI kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die er voor Nederland liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
34
invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt ook om zorgvuldige keuzes, want de ruimte, zowel boven- als ondergronds, is een schaars goed. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationaal belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan het inrichten van de fysieke leefomgeving. De Nationale Omgevingsvisie richt zich daarbij op vier prioriteiten: 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. 2. De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden. 3. Onze steden en regio's sterker en leefbaarder maken. 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. ad 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijk de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur.
In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windturbines en zonnepanelen. Wind op zee heeft de voorkeur, maar ook op land zijn windmolens nodig. Door deze zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering over het landschap vorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. De aanleg van zonneparken in het landschap moet zoveel mogelijk worden beperkt. De voorkeur gaat uit naar eerst zoveel mogelijk plaatsen van zonnepanelen op daken en gevels. Het Rijk zet zich daarnaast in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. ad 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan Nederland zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Dit vraagt goede verbindingen via weg, spoor, lucht, water en digitale netwerken en een nauwe samenwerking met internationale partners. Het Rijk zet in op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen. Belangrijk is wel dat de Nederlandse economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.
Het Rijk zet daarbij in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen, zodat Nederland niet langer afhankelijk is van eindige, fossiele bronnen. ad 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken.
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
35
Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk wil het Rijk de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen. Daarbij hoort een uitstekende bereikbaarheid en toegankelijkheid, ook voor mensen met een handicap. Daarnaast zorgt het Rijk dat de leefomgevingskwaliteit en veiligheid verder toeneemt. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. Niet alleen groei heeft de aandacht van het Rijk, ook in gebieden met bevolkingsdaling versterkt het Rijk de vitaliteit en leefbaarheid. Het Rijk richt de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevorderd en versterkt het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad. Daarbij worden steden en regio's klimaatbestendig ingericht. ad 4.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Nederland zet in op het verbeteren van de balans tussen landgebruik en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dit betekent dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen en dat ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten. Het landgebruik moet meer afgestemd worden op zoetwaterbeschikbaarheid en -gebruik. Middels een voorkeursvolgorde regionaal waterbeheer wordt ingezet op het voorkomen van wateroverlast en tekorten. Het Rijk maakt een duurzaam en vitaal landbouw- en voedselsysteem mogelijk, gebaseerd op kringlopen en natuurinclusiviteit. De biodiversiteit wordt beschermd en versterkt en het natuurlijk kapitaal wordt duurzaam benut. Het Rijk zet in op het versterken en beschermen van unieke landschappelijke kwaliteiten. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Hierbij wordt het omgevingsbeleid landschapsinclusief. Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Om de beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren van de verschillende belangen en opgaven: 1.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen.
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
36
Afbeelding 4.1: Afwegen met NOVI
Uitvoering De NOVI bevat ook een opmaat naar een Uitvoeringsagenda. Daarin wordt niet alleen inzichtelijk gemaakt welke inzet Rijk en regio nu al plegen, maar ook welke (gezamenlijke) acties de NOVI daaraan toevoegt. Bedoeling is dat de NOVI zich aan nieuwe ontwikkelingen kan aanpassen, in een permanent en cyclisch proces. De uitvoering van de NOVI vraagt om nieuwe manieren van samenwerken met blijvende brede, maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden. Hierbij hanteert het NOVI vier uitgangspunten: Werken als één overheid, samen met de samenleving. De opgave(n) centraal stellen. Gebiedsgericht werken. Permanent en adaptief werken aan de opgaven. Toetsing en conclusie Het bestemmingsplan voor de Vinkeveense Plassen gaat uit van het behoud en herstel van de aanwezige legakkerstructuur. Daarmee zorgt het plan in het kader van ‘Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ voor instandhouding en versterking van de cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische waarden in het gebied. Het gehele Vinkeveense Plassengebied ligt in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en is een natuurparel voor verschillende beschermde icoonsoorten zoals de krooneend, ringslang en kwalbaal. Door in te zetten op het behoud van het huidige landschap en bebouwing op de legakkers te reguleren, draagt plan het bij aan een robuust, klimaatbestendig natuurnetwerk van hoge kwaliteit.
In het kader van ‘sterke en gezonde steden en regio’s versterkt het aanbod en de kwaliteit van het groen rond de steden en dorpen. Met het behoud en de bescherming van het natuurlandschap in combinatie met recreatieve mogelijkheden draagt het plan bovendien bij aan een leefomgeving die de inwoners mogelijkheden biedt op het gebied van recreëren, ontmoeten en ontspannen. Er is nadrukkelijk gezocht naar een balans tussen natuur en recreatie in het gebied, waarbij de kenmerken en identiteit van de Vinkeveense Plassen voorop staan. In het belang van ‘toekomstbestendig ontwikkelen’ wordt de biodiversiteit in het gebied
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
37
beter beschermd, doordat diverse dier- en plantensoorten ruimte behouden in het gebied en er mogelijkheden worden geboden voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Het Rijk zet verder in op het versterken en beschermen van unieke landschappelijke kwaliteiten. Door de cultuurhistorische legakkerstructuur te behouden door middel van onder andere afdoende beschoeiing met inheemse beplanting, wordt hieraan invulling gegeven. Het bestemmingsplan draagt op verschillende punten bij aan het ruimtelijk beleid van het Rijk dat in de NOVI wordt beschreven. 4.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, worden geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 22 augustus 2011). Deze AMvB is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en provinciale inpassingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Met het Barro geeft het Rijk aan dat ingezet wordt op zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare gebieden en bescherming van het land tegen overstroming en wateroverlast. In het Barro staat aan welke regels (rijksbelangen) de gemeenten en provincies zich moeten houden, bijvoorbeeld bij het opstellen van een bestemmingsplan.
In het verlengde van het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) van kracht. Ten aanzien van de nationale belangen zijn de volgende titels uit het Barro voor dit bestemmingsplan relevant: Titel 2.10. Natuurnetwerk Nederland In de regel is vastgelegd dat bij provinciale verordening de gebieden worden aangewezen die het Natuurnetwerk Nederland vormen. Tevens worden bij provinciale verordening de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden aangewezen en worden in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van deze wezenlijke kenmerken en waarden regels gesteld omtrent de inhoud van onder andere bestemmingsplannen. Bij provinciale verordening worden regels gesteld die bewerkstelligen dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland geen activiteiten mogelijk maakt ten opzichte van het ten tijde van inwerkingtreding van de verordening geldende bestemmingsplan, die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden, tenzij: a. b. c.
er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd.
Toetsing en conclusie 2.10 In Bijlage 2 is het Natuurplan voor de Vinkeveense Plassen opgenomen (zie ook paragraaf
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
38
3.4). Dit plan vormt de natuurparagraaf van dit bestemmingsplan. In het natuurplan worden de gebiedswaarden onderbouwd en wordt aangegeven met welke natuurmaatregelen deze in stand gehouden, versterkt of gecompenseerd kunnen worden. Door de bebouwing inclusief de verharding op de legakkers, is er sprake van oppervlakte verlies van NNN in de Vinkeveense Plassen maximaal 6,8 ha. Om dit ruim te compenseren is door de gemeente 10ha grond aangeschaft in ’t Meertje, die ingevuld zal worden als natuur. De in het natuurplan voorgestelde natuurmaatregelen vormen de basis voor afspraken met instanties en terreinbeheerders over natuurbehoud, mitigatie en compensatie bij nieuwe ontwikkelingen. Nadat de exacte omvang van de compensatie bekend is, werken we samen met instanties en terreinbeheerder de afspraken en de financiering ervan nader uit in een uitvoeringsplan. Het uitvoeringsplan bevat tenminste de wettelijke compensatiemaatregelen inclusief gegarandeerde uitvoering(financiering) en eventueel extra maatregelen (met financiering). Titel 2.11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament Nederland wordt door primaire waterkeringen tegen overstromingen vanuit de Noordzee, de grote rivieren en het IJsselmeer en Markermeer beschermd. Deze primaire keringen zijn in de Waterwet aangeduid, met inbegrip van de veiligheidsnorm waaraan deze moeten voldoen.
De beheerders van deze primaire keringen moeten deze overeenkomstig de in de Waterwet gestelde veiligheidsnorm in stand houden. Om de stabiliteit van de primaire kering te kunnen waarborgen, is het niet toegestaan direct naast de primaire waterkering graafwerkzaamheden te verrichten. Naast het instandhouden van de primaire kering kan het noodzakelijk blijken de primaire kering te versterken, bijvoorbeeld als gevolg van door klimaatverandering veroorzaakte verzwaarde omstandigheden, of door het invoeren van een strengere veiligheidsnorm. Met het oog op deze omstandigheden is in de Waterwet het begrip beschermingszone opgenomen: een aan het waterstaatswerk, in dit geval de primaire kering, grenzende zone waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden. De beheerder van de primaire kering legt de precieze begrenzing van de primaire waterkering en de beschermingszone in de legger vast. Aangezien op het gebruik van de gronden waarop de primaire waterkering is gelegen en de beschermingszone beperkingen van toepassing zijn, is het gewenst dat dit ook in het bestemmingsplan tot uiting komt. Burgers en bedrijven die in deze zone initiatieven ontwikkelen, wordt langs deze weg tijdig gewezen op de aanwezigheid van deze beperkingen.
Daarom vraagt dit besluit van de gemeenten de primaire waterkering en de daaraan grenzende beschermingszone in het bestemmingsplan aan te geven. Voor het gehele aangewezen gebied geldt de bepaling dat een wijziging van een bestemmingsplan voor deze zones geen nieuwe bestemmingen of regels mag bevatten die kunnen leiden tot een belemmering voor het onderhoud, de instandhouding of de versterking van de primaire waterkering. De gemeente zal, in aansluiting op artikel 3.1.1. Bro, in overleg moeten treden met de waterbeheerder (waterschap Amstel, Gooi en Vecht) om aan deze eis te voldoen. Daarmee kan worden voorkomen dat nieuwe bestemmingen in strijd zijn met de keur of de vergunningvoorschriften van de waterbeheerder. Toetsing en conclusie 2.11
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
39
Op grond van het Bro is het uitvoeren van een watertoets juridisch verplicht bij bestemmingsplannen. In paragraaf 5.5. wordt het aspect Water beschreven, waarbij ook een watertoets is opgenomen. De watertoets is tevens toegevoegd als bijlage 13 bij dit bestemmingsplan en gaat onder andere in op de bodemopbouw, het watersysteem, waterkeringen en aanwezige riolering. Als onderdeel van de ruimtelijk procedure zijn geen structurele wijzigingen opgenomen ten aanzien van de waterkering. Er blijft een planologische bescherming (dubbelbestemming Waterstaat – Waterkering) van kracht. Om deze reden worden geen effecten verwacht op de waterveiligheid. Het resultaat van een watertoets is voorgelegd aan de waterbeheerder Waternet (uitvoeringsorganisatie van waterschap Amstel, Gooi en Vecht). Titel 2.13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde De Stelling van Amsterdam vormt samen met De Nieuwe Hollandse Waterlinie het UNESCO-werelderfgoed de Hollandse Waterlinies. In de onderbouwing van het Barro zijn de kernkwaliteiten van De Stelling van Amsterdam als volgt omschreven: "De Stelling van Amsterdam staat op de Werelderfgoedlijst van UNESCO als een buitengewoon voorbeeld van een uitgebreid samenhangend verdedigingssysteem uit de eind 19e, begin 20e eeuw. De verdedigingslinie is intact en goed bewaard gebleven.
De Stelling is opmerkelijk door de unieke manier waarop waterbouwkunde is gebruik voor de verdediging van een belangrijke stad van het land. De Stelling van Amsterdam is een 135 kilometer lange gesloten ring van een samenhangend militair stelsel van onderling verbonden dijken, dammen, inundatievelden, forten en andere kunstwerken. De Stelling diende tot de jaren ’20 van de 20e eeuw als laatste verdedigingsstelling voor het geval de vijand door eerdere linies (Grebbelinie, Nieuwe Hollandse Waterlinie) zou breken. Tussen Abcoude en Weesp overlapt de Stelling van Amsterdam deels met de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Afbeelding 4.2: Uitsnede Historische kaartviewer Stelling van Amsterdam.
De duidelijke relatie tussen de linie en het waterrijke omringende landschap van veenontginningen en droogmakerijen is nog steeds goed zichtbaar. Bij de aanleg van de verdedigingslinie bouwde het toenmalige Ministerie van Oorlog voort op dit bestaande
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
40
laaggelegen, open en waterrijke landschap. In de linie zijn steeds bestaande elementen geïncorporeerd (dijken, kaden, sluizen, polders als inundatiegebieden en dergelijke) en nieuwe toegevoegd, zonder dat deze elementen een uitgesproken militaire expressie hebben gekregen. Nu is de linie daardoor als verdedigingswerk weinig opvallend in het landschap aanwezig. Forten en andere verdedigingswerken liggen op plaatsten die niet of moeilijk te inunderen waren of op andere strategische plekken waar wegen, spoorwegen en waterwegen die de militaire stelling doorsneden. De forten markeren de plaats van de linie in het landschap, maar zijn vaak door camouflerende begroeiing aan het directe zicht onttrokken. De voormalige schootsvelden rondom de forten zijn nog vaak onbebouwd en kennen weinig opgaande begroeiing. In deze schootsvelden lagen de zogeheten verboden kringen met strenge bouwbeperkingen waar alleen snel verplaatsbare of afbreekbare houten gebouwen mochten worden opgetrokken. Ook de voormalige inundatievelden kennen nu nog weinig begroeiing en bebouwing." De Stelling van Amsterdam is aangewezen als uitzonderlijke universele waarde. Fort aan de Winkel gelegen ten noorden van het Vinkeveense Plassengebied is onderdeel van de Stelling van Amsterdam.
Het fort bestaat uit een schootsveld en inundatiegebied dat in 1895 is aangelegd als verdedigbaar aardwerk door het aanbrengen van een zandlichaam dat zorgde voor het inklinken van de bodem. Omdat het inundatiegebied voldoende verdedigbaar werd bevonden, werd er geen betonnen fort gebouwd. De aarden wallen zijn later geëgaliseerd om het terrein geschikt te maken voor het gebruik als camping. In de regel is vastgelegd dat bij provinciale verordening de kernkwaliteiten worden uitgewerkt en geobjectiveerd op regionale en lokale schaal. Tevens worden bij provinciale verordening in het belang van de instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten regels gesteld omtrent de inhoud van of de toelichting bij een bestemmingsplan.
Afbeelding 4.3: Uitsnede Cultuurhistorische Atlas Utrecht.
Toetsing en conclusie 2.13 In de regel is vastgelegd dat bij provinciale verordening de kernkwaliteiten worden uitgewerkt en geobjectiveerd op regionale en lokale schaal. Ook worden in het belang van de instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten regels gesteld omtrent de inhoud
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
41
van of de toelichting bij een bestemmingsplan. In het onderhavige bestemmingsplan zijn de betreffende gebieden (kernzone van de Stelling van Amsterdam en de schootsvelden en inundatiegebied van Fort aan de Winkel) opgenomen in het bestemmingsplan met de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Hollandse Waterlinies’ en ‘Waarde – Schootsveld’. De aangewezen gronden in het gebied met de dubbelbestemming ‘Waarde – Hollandse Waterlinies’ zijn primair bestemd voor de instandhouding en bescherming van de universele waarden van de Stelling van Amsterdam als onderdeel van het UNESCOwerelderfgoed de Hollandse Waterlinies. Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de dubbelbestemming. Met een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken mits de waarden zoals in de bestemmingsomschrijving niet worden geschaad. Voor het gebied met de dubbelbestemming ‘Waarde – Schootsveld’ geldt dat de gronden beschermd zijn voor het behoud en herstel van de schootcirkels borende tot de Stelling van Amsterdam, in dit bestemmingsplan specifiek rond Fort aan de Winkel. Op deze gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van de bestaande bebouwing waarbij de huidige oppervlakte, goot- en bouwhoogte niet mogen worden vergroot. Het uitvoeren van werkzaamheden ten behoeve van de bodem en het groen is verboden zonder omgevingsvergunning.
Voor de gebieden grenzend aan de gebieden met de voorgenoemde dubbelbestemmingen uit artikel 26 en 27 geldt dat ontwikkelingen die visuele integriteit van het werelderfgoed niet mogen aantasten. Het ijkmoment voor bestaande bebouwing in relatie tot het Werelderfgoed is het moment van indiening van het nominatiedossier Hollandse Waterlinies aan UNESCO (januari 2019). 4.3
Provinciaal beleid
4.3.1 Omgevingsvisie Utrecht Op 1 april 2021 is de interim omgevingsvisie provincie Utrecht in werking getreden. In de omgevingsvisie heeft de provincie 7 thema's uitgewerkt. Op hoofdlijnen wil de provincie per thema het volgende bereiken. 1. Stad en land gezond. De provincie zorgt ervoor dat de woon-, werk- en leefgebieden gezond zijn en uitnodigen tot bewegen (te voet of per fiets). Ook wil de provincie dat er in en rondom steden en dorpen voldoende groene gebieden zijn om te recreëren. 2. Klimaatbestendig en waterrobuust. De provincie beschermt onze provincie tegen overstromingen, een tekort aan zoetwater of de gevolgen van extreem weer (wateroverlast en hitte). Ook gaat de provincie de bodemdaling tegen, met name in de veenweidegebieden. 3. Duurzame energie. De provincie stimuleert energiebesparing, evenals het opwekken van duurzame energie uit wind, zon, bodem en water.
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
42
4. Vitale steden en dorpen. De provincie bouwt nieuwe woningen en bedrijven vooral op plekken binnen de bebouwde kom. En op plekken die goed met trein, bus, tram en fiets te bereiken zijn. 5. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar. De provincie legt nieuwe verbindingen voor openbaar vervoer en (snel)fietspaden aan tussen de woon-, werk- en leefgebieden. Ook willen we beter gebruik maken van de bestaande wegen. 6. Levend landschap, erfgoed en cultuur. De provincie zorgt goed voor de landschappen, waterlinies, forten, kastelen en buitenplaatsen, en wil dat veel mensen kunnen genieten van die fraaie plekken. Erfgoed, zoals de Stelling van Amsterdam, moet worden beschermd. Ook vindt de provincie het belangrijk dat het cultuuraanbod (zoals festivals en musea) met het aantal inwoners meegroeit. 7. Toekomstbestendige natuur en landbouw. De provincie beschermt de natuur en legt nieuwe natuurgebieden aan die de provincie onderling met elkaar verbindt. De provincie helpt boeren om een omslag te maken naar kringlooplandbouw. Dat betekent voedsel produceren met zo min mogelijk verlies aan grondstoffen en een zorgvuldig beheer van bodem, water en natuur. Al deze thema’s en keuzes staan niet op zichzelf, maar bekijkt de provincie in samenhang met elkaar.
Dat betekent dat niet overal alles kan, maar door slim combineren en concentreren wil de provincie de ruimte in de provincie zo optimaal mogelijk gebruiken.
Afbeelding 4.4: Visiekaart provincie Utrecht
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
43
Voor dit bestemmingsplan zijn de volgende twee thema's het meest relevant. Stad en land gezond In een gezonde en veilige samenleving bevordert de fysieke leefomgeving de gezondheid en veiligheid van de inwoners. Ook stimuleert de fysieke leefomgeving een plezierige samenleving waar iedereen volwaardig aan kan deelnemen. Met beleid voor milieu en gezondheid en voor recreatie en toerisme draagt de provincie hieraan bij. Voor de mogelijkheid tot ontmoeting, ontspanning en beweging door zowel de inwoner als bezoeker is de provincie Utrecht aantrekkelijk. De provincie Utrecht heeft een goede toeristisch-recreatieve structuur. Deze bestaat onder andere uit bovenlokale dagrecreatieterreinen, recreatiezones, verblijfsrecreatie, zwemwateren en een recreatief hoofd(route)netwerk met aantrekkelijke wandel- en fietspaden en vaarroutes. Het provinciaal beleid richt zich op de recreatiezones en -terreinen, het recreatief hoofd(route)netwerk, verblijfsrecreatie en toerisme en sport. De provincie streeft naar functiecombinaties met (het benutten van) natuur, cultuur, landbouw, erfgoed en klimaatadaptatie. De recreatiebehoefte neemt de komende jaren toe, evenals het toerisme. Om die reden vindt de provincie gebiedsontwikkeling ten behoeve van bovenlokale recreatie en bereikbaarheid – voor vooral langzaam verkeer – van belang en stimuleert de provincie ontwikkelingen die hieraan bijdragen.
Daarbij kijken we allereerst naar het areaal aan (bovenlokale) dagrecreatieterreinen en recreatiezones die de provincie wil behouden en stimuleert een optimale benutting en waar mogelijk vergroting van het areaal. Verder streeft de provincie naar voldoende vitale vakantieparken/recreatiewoningen voor verblijfsrecreatie. Dit is gericht op voldoende kwaliteit van het verblijfsrecreatief aanbod dat aansluit bij de vraag van de bezoeker. Hiermee wordt toegewerkt naar een vitale en duurzame vrijetijdssector. Verpaupering en oneigenlijk gebruik zoals permanente bewoning en ondermijnende criminaliteit is ongewenst. Om een effectieve aanpak van bestaande permanente bewoning landelijk, provinciaal en regionaal mogelijk te maken, kiezen wij voor een integrale gezamenlijke aanpak, samen met betrokken gemeenten en andere partners. Bij de integrale aanpak wegen we de economische, sociale, woon-, veiligheids- en natuuraspecten mee. De provincie wil, gelet op de autonome groei van bezoekers, zorgen voor spreiding van voorzieningen met een goede match tussen vraag en aanbod. Daarbij zet de provincie in op goed bereikbare en toegankelijke voorzieningen. Een aanbod dat, in kwaliteit en kwantiteit, goed aansluit op de behoeften van zowel inwoners als bezoekers. De provincie stimuleert duurzame ontwikkeling van de vrijetijdseconomie.
Het vrijetijdsbeleid richt zich op het verzilveren van de kansen met daarbij aandacht voor de balans tussen bezoeker en bewoner. Meer concreet betekent het dat de provincie keuzes maakt voor doelgroepen bezoekers die passen bij het profiel van de provincie Utrecht. Tevens zoekt de provincie mogelijkheden om het bezoek van toeristen en recreanten te spreiden in ruimte en tijd. Toekomstbestendige natuur en landbouw Uit de visiekaart blijkt dat voor het plangebied ingezet wordt op het realiseren en verbeteren van het Natuurnetwerk Nederland en het versterken van grote natuursystemen. Natuur levert een belangrijke bijdrage aan maatschappelijke functies zoals een aantrekkelijk en kwalitatief hoogwaardig landelijk en stedelijk gebied. Natuur is van grote
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
44
waarde voor onze inwoners en hun gezondheid, bijvoorbeeld doordat natuur mogelijkheden biedt voor recreatie en het beleven van rust en stilte, natuur zorgt voor verkoeling en sponswerking bij wateroverlast en droogte, en natuur zuivert (drink)water en lucht. Het is tevens een belangrijke vestigingsfactor. En natuur zorgt ervoor dat er niet alleen ruimte is voor mensen, maar ook voor planten en dieren. Daarnaast zet de provincie in op een goede balans tussen natuurbescherming en andere ontwikkelingen. De provincie stimuleert dat initiatiefnemers in een vroeg stadium rekening houden met de natuurwetgeving bij nieuwe ontwikkelingen. De provincie wil bij nieuwe ontwikkelingen tegelijkertijd de natuurwaarden en biodiversiteit vergroten, op de plaats van de ontwikkeling en in de omgeving; natuurinclusief ontwikkelen. Toetsing en conclusie Met dit bestemmingsplan wordt de instandhouding van de cultuurhistorische legakkerstructuur geborgd door legakkereigenaren een bepaalde mate van ruimte te bieden qua bebouwing en gebruik van legakkers, waarbij de legakkereigenaren de legakkers beheren en in stand houden. Zonder beheer en onderhoud door de legakkereigenaren zullen (alle) legakkers op termijn verdwijnen door afkalving met alle negatieve effecten, waaronder op de kwaliteit van de natuur, van dien.
Daarmee draagt dit bestemmingsplan in de basis bij aan het verbeteren van het Natuurnetwerk Nederland en is gezocht naar een goede balans tussen natuurbescherming en andere ontwikkelingen, zoals recreatief gebruik. Door deze balans blijft het plassengebied ook in de toekomst zijn natuurwaarde behouden én een plek waar men kan blijven recreëren. Door kaveleigenaren te verplichten afdoende beschoeiing en inheemse beplanting toe te passen, wordt de natuurwaarde van het gebied versterkt Ongewenste, permanente bewoning in het gebied is via de planregels nadrukkelijk uitgesloten. Daarmee is het plan in lijn met het toekomstbeeld uit de Omgevingsvisie. Het voorliggend bestemmingsplan is in nauw overleg met de provincie tot stand gekomen. 4.3.2 Interim omgevingsverordening Utrecht De Interim omgevingsverordening is op 1 april 2021 in werking getreden. De omgevingsverordening bevat instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Daarnaast bevat de omgevingsverordening direct werkende regels. Dit zijn regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit. Natuurnetwerk Nederland Een bestemmingsplan zorgt voor de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van het natuurnetwerk Nederland (NNN). In een bestemmingsplan worden functies en bijbehorende regels toegekend aan objecten.
Binnen het object NNN moeten deze functies die aan de betreffende locaties worden toegekend, en de bijbehorende regels zorgen voor bovengenoemde doelstelling. Aan locaties binnen het NNN moet in ieder geval de functie natuur worden toegekend. In die gevallen waarbij er in het van kracht zijnde bestemmingsplan sprake is van een functie anders dan natuur, dan mag, ter bescherming van de bestaande activiteiten, ook deze andere functie worden toegekend.
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
45
Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop zijn mogelijk:
activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten in verband met groot openbaar belang. Daarbij mogen er geen reële alternatieven mogelijk zijn die het natuurnetwerk Nederland niet of minder aantasten. Met groot openbaar belang worden maatschappelijke belangen en geen individuele belangen bedoeld. situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van meerwaarde (meerwaardebenadering). Deze uitzondering is mogelijk als er op gebiedsniveau een meerwaarde voor het NNN kan worden gecreëerd. Het gaat hierbij om een verbetering van de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang waarbij aantasting ruim wordt gecompenseerd. situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande en nieuwe activiteiten. Het NNN mag worden aangetast door beperkte uitbreiding van bestaande activiteiten en een beperkte toevoeging van nieuwe activiteiten ten behoeve van de instandhouding van ingesloten functies, als deze aantasting op dezelfde locatie wordt gecompenseerd.
De verplichting tot compensatie gaat over de volledige ruimte die in het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt en niet alleen over de daadwerkelijk gebruikte ruimte. Toetsing en conclusie NNN Uitzondering NNN - Meerwaardebenadering Het plangebied van de Vinkeveense Plassen is voor het overgrote deel gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). Het is een kwetsbaar gebied. Een van de hoofduitgangspunten van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan is daarom juist de duurzame instandhouding van de voor dat gebied zo kenmerkende legakkerstructuur. Zonder borging van maatregelen en onderhoud zullen de legakkers door weersinvloeden afkalven en op termijn zelfs verzinken waardoor de legakkerstructuur van het gebied ernstig zal worden aangetast met alle negatieve effecten van dien, ook voor het NNN. Als uitgangspunt voor het bestemmingsplan is daarom de meerwaardebenadering van toepassing. Ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot aantasting worden gecompenseerd binnen een met die ruimtelijke ontwikkeling samenhangend gebied en met dusdanige activiteiten dat de uitvoering van die activiteiten gezamenlijk binnen 10 jaar resulteert in een duidelijk aantoonbare meerwaarde voor het Natuurnetwerk Nederland voor wat betreft kwaliteit, oppervlakte en samenhang.
In het plan is gezocht naar een balans tussen legalisatie (onder voorwaarden die toezien op de kwaliteit en instandhouding van de legakkers) en het ontwikkelen van natuur. Ten aanzien van de natuur (het NNN gebied) zijn verschillende mitigerende en compenserende maatregelen uitgewerkt., ter compensatie van verlies aan areaal door een natuurlijke inrichting van legakkers. Deze compensatie vindt plaats in deelgebied ’t Meertje, dat onderdeel van de Vinkeveense plassen en daarmee een samenhangend gebied vormt. In
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
46
paragraaf 5.4.2 wordt uitgebreider ingegaan op het NNN en de meerwaardebenadering. In bijlage 6 en 7 zijn de verschillende onderdelen verder uitgewerkt.
Afbeelding 4.5: Uitsnede kaart 12 Natuurkaart 1
Kernkwaliteiten van het Groene Hart Het plangebied ligt binnen het 'landschap Groene Hart'. Voor het landschap Groene Hart wil de provincie de volgende kernkwaliteiten behouden:
openheid; (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.); landschappelijke diversiteit; rust & stilte.
Toetsing en conclusie kernkwaliteiten Groene Hart De kernkwaliteiten zijn opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Hierbij wordt in de bestemmingsomschrijving nadrukkelijk de instandhouding en versterking van aanwezige en nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en de instandhouding van de openheid benoemd. Unesco Werelderfgoed: Hollandse Waterlinies Dit artikel gaat over het behouden, in stand houden en zo mogelijk versterken van de uitzonderlijke universele waarde van het (beoogde) UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies, dat bestaat uit de Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het plangebied maakt deel uit van het militaire inundatiewerk in de Stelling van Amsterdam
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
47
en van het agrarische cultuurlandschap. De beleving van de voormalige inundatiegebieden wordt versterkt door de openheid van de linie. Voor de Nieuwe Hollandse Waterlinies is het uitgangspunt van de provincie het behouden van de volgende kernkwaliteiten: a)
Het unieke, in samenhang met het landschap ontworpen negentiende en twintigsteeeuwse hydrologische en militairverdedigingssysteem, bestaande uit een samenhangend stelsel van onder andere forten, dijken, kanalen en inundatiekommen;
b)
groen en overwegend rustig karakter;
c)
de openheid.
In het gebied met de dubbelbestemmingen ‘Waarde –Hollandse Waterlinies en ‘Waarde – Schootsvelden’ geldt de voorwaarde dat de kernkwaliteiten van het werelderfgoed niet mogen worden aangetast (artikel 7.2 van de IOV lid 1 onder a en b). Toetsing en conclusie Unesco Werelderfgoed Ter behoud en bescherming van de kernkwaliteiten van het werelderfgoed zijn in dit bestemmingsplan regels opgenomen in de artikelen ‘Waarde – Hollandse Waterlinies’ en ‘Waarde – Schootsvelden’. Hier geldt de voorwaarde dat de kernkwaliteiten van het werelderfgoed niet mogen worden aangetast. Voor de gebieden grenzend aan deze gebieden geldt dat ontwikkelingen de visuele integriteit van het werelderfgoed niet mogen aantasten. Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) In artikel 7.2 van de Interim-Omgevingsverordening zijn vijf cultuurhistorisch waardevolle gebieden aangewezen: Historische buitenplaatszone, Militair erfgoed, Agrarisch cultuurlandschap, Historische infrastructuur en Archeologisch waardevolle zone. Wanneer een bestemmingsplan betrekking heeft op locaties binnen de Cultuurhistorische hoofdstructuur dient rekening gehouden te worden met de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur en is het van belang om regels op te nemen die de bescherming en benutting van deze waarden borgen. De waarden zijn opgenomen in een bijlage bij de Omgevingsverordening, namelijk bijlage 14 Cultuurhistorie.
De belangrijkste te onderscheiden componenten van de uitzonderlijke universele waarde voor de Stelling van Amsterdam zijn als volgt:
het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, laatnegentiende-eeuwse en vroegtwintigste-eeuwse hydrologische en militair-landschappelijk geheel, bestaande uit: 1. een doorgaand stelsel van liniedijken in een grote ring om Amsterdam; 2. sluizen en voor- en achterkanalen; 3. de forten, liggend op regelmatige afstand, voornamelijk langs dijken; 4. inundatiegebieden; 5. voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied); en 6. de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten; de relatief grote openheid; en de groene en relatief stille ring rond Amsterdam.
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
48
Toetsing en conclusie Cultuurhistorische hoofdstructuur Het gaat hierbij om het gehele gebied dat binnen het Werelderfgoed valt, inclusief de gebieden van de Verboden Kringen (schootsvelden). Gezien de status van Werelderfgoed, is het belangrijk dat de Outstanding Universal Values (OUV's) in de planregels worden opgenomen. Daarom is voor de gronden die zijn gelegen binnen de Stelling van Amsterdam in de planregels een bestemming 'Waarde - Hollandse Waterlinies' opgenomen. Middels deze regeling wordt de instandhouding en bescherming van de universele waarden van het UNESCO-werelderfgoed Stelling van Amsterdam geborgd. In het bestemmingsplan is tevens een dubbelbestemming 'Waarde - schootsveld' opgenomen op de verbeelding waarmee het schootsveld rondom Fort aan de Winkel wordt aangeduid en voorzien van een beschermende regeling die toeziet op behoud en herstel van de aanwezige schootscirkels. Dit Fort is een verdedigingswerk gebouwd in de periode 18931895 en bevindt zich aan de noordzijde van het plangebied. Aardkundige waarden Aardkundige waarden zijn geologische, geomorfologische en bodemkundige verschijnselen, die representatief zijn voor de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van het landschap, zoals hoogteverschillen of variaties in de samenstelling van de bodem. In afbeelding 4.6 is een uitsnede opgenomen van de locatie in het plangebied waar deze waarden aan de orde zijn.
Bescherming van de aardkundige waarden is het uitgangspunt. Als een voorgestelde ingreep botst met de aardkundige waarden in een gebied, is een gedegen afweging tussen de ingreep en het behoud van de aardkundige waarde(n) nodig. Hierbij moet rekening gehouden worden met de bescherming van het natuurlijk reliëf, de bodemopbouw en eventuele actieve landschapsvormende processen. Toetsing en conclusie Aardkundige waarden In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen die de aantasting van aardkundige waarden voorkomen of beperken. Op de gronden die in de provinciale verordening zijn aangewezen, zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van het aardkundig waardevolle reliëf en de geologisch waardevolle opbouw van de bodem.
Afbeelding 4.6: Uitsnede kaart 16 Cultuurhistorie en landschap kaart 2
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
49
Wonen, werken en recreëren De regels ten aanzien van wonen, werken en recreëren zijn bedoeld om de kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied te behouden. Als het voor de versterking van de omgevingskwaliteit nodig is om een kostendrager te zoeken, dan is kleinschalige verstedelijking die zorgvuldig wordt ingepast in de omgeving mogelijk. In de Interim omgevingsverordening van de provincie Utrecht is het plangebied aangeduid als 'Bovenlokaal dagrecreatieterrein'. Voor bovenlokale dagrecreatieterreinen is continuïteit door ontwikkeling het uitgangspunt. Er is ruimte voor het toevoegen van voorzieningen gericht op het exploitabel houden en behouden van bovenlokale recreatieterreinen. Deze ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door artikel 9.20 uit de omgevingsverordening. Het kan hierbij ook gaan om stedelijke bestemming, maar de voorzieningen moeten recreatie gerelateerd zijn. Denk aan horeca, leisure, verblijfsrecreatie en andere recreatievoorzieningen. Artikel 9.20 Instructieregel bovenlokaal dagrecreatieterrein 1.
In afwijking van Artikel 9.2 Verstedelijkingsverbod landelijk gebied kan een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Bovenlokaal dagrecreatieterrein ten behoeve van de dagrecreatieve functie bestemmingen en regels bevatten die ontwikkeling van aan het recreatieve gebruik gerelateerde voorzieningen op bestaande bovenlokale dagrecreatieterreinen toestaan, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de recreatieve waarde van het gebied wordt versterkt; b. de voorzieningen zijn noodzakelijk voor de duurzame exploitatie van het bestaande bovenlokale dagrecreatieterrein; en c. de voorzieningen worden zo veel mogelijk op één plek geconcentreerd, op zodanige wijze dat nabij gelegen natuurgebieden worden ontzien. 2. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.
Afbeelding 4.7: Uitsnede kaart 19 Wonen, werken en recreëren kaart 2
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
50
Toetsing en conclusie Wonen, werken en recreëren Om de dagrecreatieve functie van het gebied te versterken wordt in het bestemmingsplan middels een afwijkingsbevoegdheid de mogelijkheid geboden om de bestaande horecavoorziening op zandeiland 1 uit te breiden en op zandeiland 4 een multifunctioneel gebouw te realiseren. De zandeilanden zijn kwalitatief minder waardevol en reeds sterk verstoord. Ontheffingsaanvraag Interim Provinciale Omgevingsverordening De gemeente De Ronde Venen is al geruime tijd in nauw overleg met de provincie bezig met de voorbereiding van voorliggend bestemmingsplan. Tijdens dat planproces is geconstateerd dat dit bestemmingsplan vanwege het feit dat het binnen bepaalde bebouwingscriteria bebouwing toestaat op de legakkers in de Vinkeveense Plassen strijdig is met het bepaalde in artikel 9.2 van de Interim Provinciale Omgevingsverordening. Dat artikel laat binnen het landelijk gebied geen verstedelijking toe. In artikel 1.5 (instructieregel ontheffing) is opgenomen dat: a. Gedeputeerde staten op basis van een integrale afweging van provinciale belangen ontheffing kunnen verlenen van een instructieregel, voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. b.
Gedeputeerde staten aan de ontheffing voorschriften kunnen verbinden als dit noodzakelijk is vanwege de betrokken provinciale belangen. Gelet hierop heeft de gemeente op 17 oktober 2022 verzocht om met toepassing van artikel 1.5 van deze verordening ontheffing van artikel 9.2 van genoemde verordening te verlenen. De ontheffing is verleend op 19 december 2023. Deze brief is opgenomen als Bijlage 17 bij deze toelichting. Voor het verkrijgen van een ontheffing dienen bijzondere omstandigheden aanwezig te zijn. De gemeente is van oordeel dat zich hier bijzondere omstandigheden voordoen. Indien het verstedelijkingsverbod wordt gehandhaafd, de bestaande illegale bebouwing zou moeten verdwijnen en de incentive om de legakkers te onderhouden wegvalt of afneemt, dan heeft dat tot gevolg dat cultuurhistorisch waardevolle legakkerstructuur op den duur vanwege weers- en windinvloeden zal verdwijnen. Het Vinkeveense Plassengebied is in zijn geheel als NNN-gebied aangewezen. Het is een kwetsbaar gebied. Een van de hoofduitgangspunten van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan is daarom juist de duurzame instandhouding van de voor dat gebied zo kenmerkende legakkerstructuur.
Om deze doelstelling mogelijk te maken en eigenaren van legakkers tot instandhouding en beschoeiing daarvan te stimuleren en daarvoor investeringen te doen, heeft de gemeente ervoor gekozen om binnen bepaalde bebouwingscriteria beperkt bebouwing op deze legakkers toe te staan. Worden die bebouwingsmogelijkheden binnen aanvaardbare grenzen en criteria niet geboden en zou er voor handhavend optreden tegen alle bestaande illegale bebouwing worden gekozen dan is de redenering van de gemeente dat de legakkereigenaren dan ook niet meer bereid zullen zijn om te investeren in hun (onderhoud van) legakkers. De legakkers zullen dan door weersinvloeden afkalven en op termijn zelfs verzinken waardoor de legakkerstructuur
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
51
van het gebied ernstig zal worden aangetast met alle negatieve effecten van dien, ook voor het NNN. Om dat te voorkomen heeft de gemeenteraad in februari 2018 via de Notitie Richtinggevende Keuzes bebouwingscriteria vastgesteld. Het Plassengebied is daarbij in de zones onderverdeeld. Naarmate de natuur- en landschapswaarden van een zone groter zijn, gelden er strengere bebouwingscriteria en is er dus minder bebouwing toegestaan. In de loop der tijd zijn deze bebouwingscriteria in nauw overleg met de provincie Utrecht en in afstemming met de gemeenteraad bepaald. Samen met de op de legakkers toegestane verhardingen bedraagt de totale aantasting van het NNN-gebied ca. 6,8 ha. Tegenover deze aantasting staat een natuuropgave en zal er dus natuurcompensatie zal moeten plaatsvinden. Daarover heeft nauw overleg met de provinciale organisatie plaatsgevonden. Met inachtneming van de in de interim Provinciale Omgevingsverordening in de artikelen 6.3 e.v. opgenomen 'meerwaardebenadering' heeft de gemeente de kwantitatieve en kwalitatieve natuurcompensatie onderzocht, waar deze compensatie moet plaatsvinden en hoe deze geborgd kan worden. De kwantitatieve natuurcompensatie kan volledig in het aangrenzende gebied 't Meertje plaatsvinden en de kwalitatieve natuurcompensatie voor een belangrijk gedeelte. In Bijlage 7 is de invulling van de compensatie van het NNN nader toegelicht.
De gemeente heeft voorts een natuurplan op laten stellen waarin de natuurmaatregelen beschreven worden die in het Plassengebied getroffen worden. De legakkereigenaren zullen in ruil voor beperkte bebouwingsmogelijkheden op hun legakkers aan die natuurcompensatie ook hun bijdrage in kwalitatieve zin moeten leveren. Daarom is bovenbedoelde bebouwing ook niet direct bij recht toegestaan en zal daarvoor een omgevingsvergunning met toepassing van een binnenplanse afwijking van het bestemmingsplan moeten worden aangevraagd. Bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn een aantal voorwaarden van toepassing, waarvoor wordt verwezen naar de regels van het plan. Er geldt onder meer een maximum bebouwingspercentage, maximum aandeel verharding en een maximum bouwhoogte voor gebouwen en overkappingen en voor bouwwerken. Ook moet worden voldaan aan de uitgangspunten zoals beschreven in het landschaps- en stedenbouwkundig plan. Verder gelden een tweetal voorwaardelijke verplichtingen. Zo dienen legakkereigenaren bij de aanvraag omgevingsvergunning ter goedkeuring een inrichtingsplan te overleggen, waaruit blijkt dat maatregelen worden getroffen om afkalving van de legakkers tegen te gaan door de aanleg en instandhouding van beschoeiing en/of natuurvriendelijke oevers.
Een inrichtingsplan is een plan bestaande uit een of meer kaartbeelden, indien nodig vergezeld van een toelichtende tekst, waarin de toepassing van deze maatregelen zijn vastgelegd. Om de gronden te mogen gebruiken voor verblijfsrecreatie dient ten minste 25% van de kavel te worden ingericht met gebiedseigen (inheemse) beplanting, moet voldoende beschoeiing worden aangebracht en dient op de kavel een vuilwatervoorziening zijn gerealiseerd. Voor de volledige regeling wordt verwezen naar de regels van het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling
52
Voor wat betreft inheemse beplantingssoorten kan worden gedacht aan de berk, iep, populier, esdoorn, es, els, eik, wilgen en/of gagel. Andere planten die in het gebied thuishoren zijn riet, kleine Lisdodde, harig wilgenroosje, watermunt, Koninginnekruid, Moerasspirea en Kattenstaart. Als ‘gazon’ kan gedacht worden aan kruidenrijke grasmengsels (soorten die passen in het gebied en op de grondsoort). Conclusie Omgevingsverordening Met bovenstaande belangen uit de Provinciale Interim Omgevingsverordening is rekening gehouden in de ruimte die het bestemmingsplan biedt voor bouw- en gebruiksmogelijkheden. Daarmee zijn de omschreven provinciale belangen gewaarborgd. Daarnaast is op 19 december 2023 een ontheffing ex artikel 1.5 van de interim Provinciale Omgevingsverordening verleend door Gedeputeerde Staten. 4.3.3 Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027 Het provinciaal bodem- en waterbeleid is gebundeld in het "Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022- 2027". Er wordt invulling gegeven aan het wettelijk verplichte Regionaal Waterprogramma en de ambities en het beleid uit de Omgevingsvisie worden verder uitgewerkt. Eén van de beleidsthema's in de Omgevingsvisie is een klimaatbestendig en water robuust watersysteem dat duurzaam wordt ingezet, en dat veerkrachtig kan omgaan met neerslag en droogte.