Bijlage bij inspraak dhr. Naber - nota van beantwoording programma windenergie amsterdam
Tekst van het document
37
Nota van Beantwoording
optimaal rekening wordt gehouden met bestaande (beschermde) natuurwaarden, en het welzijn van in het wild levende dieren, maar ook dat wordt ingezet op het waar mogelijk versterken van nieuwe en robuuste natuur.” Dit laatste om natuurherstel als gevolg van plaatsing windturbines te borgen en biodiversiteit te versterken. Natuur is overal aanwezig; in de stad, in de stadsranden tot ver daarbuiten in grote natuurgebieden. Vanaf het maaiveld (en daaronder) tot kilometers hoog in de lucht. In elke windrichting van Amsterdam is bijzondere natuur, en het plaatsen van windturbines (of andere energiebronnen) heeft overal effecten op natuur. Windturbines leveren nergens (enkel23) een positieve impact op natuur. Niet in de Amsterdamse stadsranden, maar ook niet in de polder of de Noordzee. Nadelige effecten op en verandering voor natuur is overal en onontkoombaar. Het college zet daarom in op een natuurinclusieve energietransitie, waar negatieve effecten op natuur beheersbaar en in balans blijven tot onze behoefte naar het winnen van energie. Wetenschappelijk onderzoek en innovaties om dierlijke slachtoffers te reduceren, zoals het radaronderzoek van de Universiteit van Amsterdam, zijn essentieel om een volgende stap te zetten in de natuurinclusieve energietransitie, waar windenergie onderdeel van is.
Voor delen van de aangewezen zoekgebieden geldt een natuurbeschermingsregime, zowel vanuit gebiedenbescherming als ook de soortenbescherming; vanuit landelijke, provinciale en Amsterdamse wet- en regelgeving plus beleid, bijvoorbeeld die van de Omgevingswet (voorheen Wet natuurbescherming), het Natuur Netwerk Nederland en de Amsterdamse hoofdgroenstructuur. Zie tekstkader ‘Bescherming van natuur in beleid en wetgeving‘ in het PWA (paragraaf 4.2). Elk natuurbeschermingsregime heeft zijn eigen ‘regels’ waar een windturbine altijd aan moet voldoen, zowel wat betreft plaatsing als ook in de gebruiksfase en de uiteindelijke ontmanteling, verwijdering en/of vervanging. Wát een initiatiefnemer precies moet doen om aan de geldende natuurbeschermingsregimes te voldoen kan niet op voorhand (dus niet in of voorafgaand aan het PWA), worden bepaald, omdat het zeer afhankelijk is van onder andere de lokale situatie, aanwezigheid beschermde soorten, exacte ruimtelijke ingreep (incl. werkruimte), afmetingen windturbine én mogelijkheden voor mitigatie en compensatie. In de projectfase zal naar verschillende natuuraspecten nauwkeurig onderzoek moeten worden gedaan, bijvoorbeeld naar de aanwezigheid van beschermde soorten en de functie van het gebied voor deze soorten. Dit staat ook beschreven in het PWA.
Zie tekstkader ‘Bescherming van natuur in beleid en wetgeving ‘ en de lopende tekst in paragraaf 4.2 van het PWA. Aan de hand van de uitkomsten van die onderzoeken en het geldende natuurbeschermingsregime wordt dan bepaald of de windturbines daadwerkelijk geplaatst kunnen worden, én zo ja, welke mitigatie (bijvoorbeeld stilstand- of detectievoorzieningen) en/of compensatie (op een andere plek natuur ‘maken’) maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen worden getroffen om directe fysieke slachtoffers van in gebruik zijnde windturbines te minimaliseren en voorkomen, én om natuurherstel als gevolg van plaatsing windturbines te borgen. Ten aanzien van faunaslachtoffers borgt de Omgevingsverordening Noord-Holland 2022 dat deze zoveel mogelijk voorkomen moeten worden door het nemen van mitigerende maatregelen, waarbij hiervoor een monitoringsprotocol wordt vastgesteld. In het PWA staat dat het college daarbij vraagt om monitoring door middel van een detectiesysteem aan de turbine. Daarnaast wordt gevraagd de resultaten van de monitoring te delen ten behoeve van wetenschappelijke kennis. De uitkomsten van
23 Voetnoot: bij plaatsing van windturbines kan de voet natuurinclusief worden ingericht, waardoor extra schuil- en/of verblijfplaatsen gerealiseerd kunnen worden voor lokale grond- en/of watergebonden fauna. Hierbij dient echter wel rekening te worden gehouden met het ongewenst aantrekken van soorten (insecten) onder een windturbine die onder specifieke omstandigheden omhoog de wieken in vliegen, met andere op hen jagende soorten (vogels en vleermuizen) in hun kielzog. In de nadere uitwerking van zoeklocaties zal een landschapsecologische analyse hier meer inzicht in moeten geven. Een uitkomst kan dan ook zijn dat specifieke compenserende maatregelen op enige afstand van de windturbine worden getroffen.
38
Nota van Beantwoording
monitoring in combinatie met nieuwe (inter)nationale wetenschappelijke inzichten en data, waaronder uitkomsten radaronderzoek UvA, zullen bijdragen aan een verdere optimalisatie van Amsterdamse en landelijke randvoorwaarden voor een natuurinclusieve windenergie. Het is aan het bevoegd gezag voor de natuuractiviteit om te bepalen of en zo ja in welke situatie een (realtime) stilstand voorziening noodzakelijk is. Ook kunnen er aanvullende afspraken over monitoring en/of mitigatiemaatregelen gemaakt worden met initiatiefnemers. Er zijn diverse mitigerende maatregelen denkbaar. Bijvoorbeeld het stilzetten van de windturbines op momenten van verhoogde activiteiten binnen de rotorzone door insecten, vogels en/of vleermuizen. Wetenschappelijk onderzoek en monitoring zijn de basis voor het goed kunnen inregelen van deze ‘stilstand’, vanuit het oogpunt van minimale risico’s voor dieren en een optimale energie-opbrengst. Windturbines hoeven bijvoorbeeld niet stilgezet te worden als de omstandigheden in theorie geschikt lijken voor vleermuizenmigratie, maar dat in de praktijk blijkt dat er geen activiteit is doordat vleermuizen nog onderweg zijn of al gepasseerd zijn. (Inter)nationale kennis- en beleidsontwikkelingen, technische mogelijkheden en vereisten aan mitigerende maatregelen zijn in ontwikkeling.
Het college neemt de nieuwste inzichten en mogelijkheden mee in zijn advies aan het bevoegd gezag. Het college is op de hoogte van het belang van de mogelijkheid van natuurcompensatie in het gebied Diemerscheg. Het maken van keuzen binnen dit gebeid gebeurt op projectniveau in afstemming en overleg met provincie en andere partijen, zoals RWS. (Externe) veiligheid Op het gebied van externe veiligheid van windturbines moet het bevoegd gezag voor de vergunning/ de wijziging van het omgevingsplan aansluiten bij de landelijke regelgeving. De verwachting is dat de nieuwe landelijke windturbinebepalingen op korte termijn vastgesteld worden. De hierin vervatte eisen zorgen voor een goede bescherming van (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties. Het thema externe veiligheid is dan ook een belangrijk onderwerp bij de daadwerkelijke toestemming voor de turbine, met aandacht en detailniveau passend bij de betreffende lokale situatie. Onderdeel van een vergunningenprocedure is ook het in een vroeg stadium in contact treden met beheerders/eigenaren van nabijgelegen relevante gronden/gebouwen. Keuze type turbine Het college beschermt de omgeving tegen ontoelaatbare geluidhinder door gebieden aan te wijzen uitgaande van een maximale geluidsnorm op geluidgevoelige objecten. Ook op projectniveau is dat het uitgangspunt.
Daarmee is het niet meer noodzakelijk of wenselijk om ook eisen te stellen aan het bronvermogen van de windturbines. De richtlijnen voor circulariteit van het materiaal van windturbines en hoe de omgeving achtergelaten moet worden na afloop van de levensduur van een turbine, zijn in par. 3.3 van het PWA uiteengezet. De gemeente wil graag optimaal bijdragen aan de energietransitie. Daarom zal het college geen maximale afmetingen van 100 meter opnemen. Het (ontwerp-)PWA en het bijbehorende plan-MER gaan uit van maximale toegelaten afmetingen gelet op de hoogtebeperkingen van Schiphol. Hoe groter de windturbines, des te meer energie leveren zijn op (en hoe minder windturbines er in totaal nodig zijn om de doelstelling te halen). Het college neemt geen randvoorwaarden op in het PWA op het gebied van het uiterlijk van de windturbines zelf. De meeste fabrikanten bieden dergelijke aanvullingen niet aan, of geven zelfs geen garantie af indien niet met de standaard verf gewerkt wordt. Daar komt bij dat er wettelijke eisen zijn waar het uiterlijk van windturbines aan moet voldoen in het kader van lichtschittering en is ook in de concept landelijke windturbinenormen voorgeschreven dat de rotorbladen, de gondel en het bovenste twee derde deel van de mast in wit worden uitgevoerd.
39
Nota van Beantwoording
Financiële participatie Het college van Amsterdam hecht veel waarde aan financiële participatie en lokaal eigendom bij windenergieprojecten. Dit is belangrijk om ervoor te zorgen dat de lokale omgeving kan meeprofiteren van de projecten. In diverse zienswijzen wordt ook aangegeven dat dit leidt tot een grotere acceptatie en betrokkenheid bij de energietransitie. Het college vindt het van belang dat de risico’s voor toekomstige coöperaties als beoogd eigenaar aanvaardbaar zijn. Daarom zet het college zo nodig eerst de benodigde stappen om te komen tot een juridisch-planologisch kader en komen de coöperaties op een nader te bepalen moment in beeld. Binnen de kaders van het ruimtelijke besluit gaat de energiecoöperatie samen met omwonenden kijken naar de beste vorm van lokale deelname. Daarnaast spant het college zich in om energiecoöperaties in raad en daad te ondersteunen in hun ontwikkeling. De gemeente heeft geen zeggenschap over de energieprijs, want dat is uitsluitend aan de netbeheerder opgedragen. Voor nadeelcompensatie voor de waardedaling van woningen is een afzonderlijke grondslag in weten regelgeving (verwezen wordt naar de beantwoording bij paragraaf 1.8 Diversen van dit document).
Hoewel het college lokaal eigendom heel belangrijk vindt, is het zich ervan bewust dat de mogelijkheden om daarop te sturen beperkt zijn, omdat de gemeente in veel gevallen geen grondeigenaar is. Waar het college wel invloed uit kan zal dat aan de hand zijn van de doelen voor financiële participatie zoals in het (ontwerp-)PWA opgenomen. De specifieke kenmerken van een windproject en de omgeving variëren sterk. Veel is afhankelijk van de uitwerking van het project, en het is daarom niet verstandig om heel concreet voor te schrijven hoe financiële participatie vormgegeven moet worden. In het programma zijn de richtlijnen voor financiële participatie op hoofdlijnen beschreven. Het college vindt het belangrijk dat er een plan van aanpak voor financiële participatie komt dat aansluit bij de doelen die in het programma zijn beschreven, en zal het daarop beoordelen. In het PWA wordt wel de volgende nadere toelichting hierover opgenomen: In de visie van het college op het ontwikkelen van windprojecten, spelen lokale energiecoöperaties, of energiegemeenschappen, een centrale rol. Het college onderzoekt daarom in gezamenlijk opdrachtgeverschap met de Amsterdamse Producerende EnergieCoöperaties (APEC) hoe er vormgegeven kan worden aan publiek-civiele samenwerking in de energietransitie, als volwaardig alternatief naast publiek-private samenwerking.
Om verder invulling te geven aan deze samenwerking wordt er gewerkt aan instrumenten om de energiegemeenschappen en initiatieven structureel te ondersteunen. Zo zijn de APEC en het college in september gestart met een scenario onderzoek naar de mogelijkheden van een Energie Diensten Organisatie (EDO). Een dergelijke organisatie kan bewonersinitiatieven die aan de slag willen met de energietransitie ondersteunen en professionaliseren. Te denken valt aan diensten zoals procesondersteuning, hulp bij subsidies aanvragen, technische onderzoeken uitvoeren en businesscases opstellen. Daarnaast is een EDO een loket voor het opbouwen, borgen en toegankelijk maken van kennis en best practices. Wat de ‘lokale’ omgeving van een windproject is, is afhankelijk van de uitwerking op projectniveau. Daarbij kan gedacht worden aan geografische ringen rond de projectlocatie. Afhankelijk van de kenmerken van het project en zijn omgeving, zijn deze gerelateerd aanbijvoorbeeld het principe van de ‘postcoderoos’’, afstanden in relatie tot verwachte (milieu)effecten, of een combinatie van beide. Vervolgprocedure Over waardedaling verwijzen wij naar de beantwoording paragraaf 1.8 Diversen. Het college heeft een voorkeur uitgesproken voor de het Havengebied. Het is, gezien de onzekerheden die daar nog spelen en de korte periode tot 2030, niet opportuun te wachten met het onderzoeken van
40
Nota van Beantwoording
de overige aangewezen gebieden. Mochten ontwikkelingen daartoe aanleiding geven kan het college altijd besluiten ontwikkelingen in bepaalde aangewezen gebieden tijdelijk te pauzeren of te stoppen. In het kader van de vergunning is in eerste instantie een project-mer-beoordeling verplicht (voor windparken tot 20 windturbines). Daaruit kan volgen dat het gelet op de milieugevolgen, vereist is om een project-MER op te stellen. Het is aan het bevoegd gezag voor de vergunning om over de merbeoordeling te besluiten. Om de onafhankelijkheid van de milieu-informatie ook in die fase te borgen, licht het college in het PWA toe om in zulke gevallen op vrijwillige basis een second opinion over de mer-beoordeling aan de Commissie mer te vragen en in voorkomende gevallen een vrijwillig advies over een project-MER. In het PWA zijn randvoorwaarden opgenomen over participatie in het verdere proces. Daarbij heeft zowel de initiatiefnemer als de gemeente een rol. Participatie wordt vormgegeven aan de hand van de Participatieverordening gemeente Amsterdam 2024 (als de gemeente een wijziging omgevingsplan of nieuw beleid maakt), de Participatiehandreiking 2022 (als een initiatiefnemer een aanvraag indient bij de gemeente) of het provinciale participatiebeleid (als de initiatiefnemer een aanvraag bij de provincie Noord-Holland indient).
Bij de participatie zal ook ingegaan worden hoe mensen en bedrijven mee kunnen profiteren. Handhaving Bij de oprichting van een windpark zal de initiatiefnemer met akoestisch onderzoek moeten aantonen dat het windpark voldoet aan de geluidsnorm. Het akoestisch onderzoek is een theoretische benadering van de werkelijkheid en dat betekent dat de werkelijke situatie daarvan kan afwijken. Het college vindt handhaving van de in de vergunning vastgelegde normen essentieel en daarom wil het college afspraken maken met de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Zo wordt het mogelijk op een eenvoudige manier hinder te melden. Voorts verwijzen wij naar het PWA. In het PWA is aandacht besteed aan de samenhang en de doorwerking van het PWA in uitvoering, handhaving, monitoring en bijstelling, zie ook. tekstkader ‘Monitoring, handhaving en het melden van overlast’ in het PWA. Grondposities/erfpacht In eerste instantie en kortheidshalve wordt verwezen naar het tekstkader ‘Hoe kan de gemeente invloed uitoefenen?’ in het PWA. In aanvulling daarop het volgende. Grondposities zijn in beginsel niet van invloed op het aanwijzen van gebieden die geschikt zijn voor het opwekken van windenergie. De aanwijzing van gebieden is gebeurd op basis van het onderzoek naar milieuaspecten, sociale aspecten en het resultaat van de participatie en adviezen.
Het ontbreken van een grondpositie is geen belemmering voor het vaststellen van het PWA. De zienswijzen leiden tot de volgende wijzigingen: • Nadere toelichting hoe de gemeente financiële participatie begeleidt; • Het vragen van een second opinion over de project-mer-beoordeling en in voorkomende gevallen een vrijwillig advies over het project-MER aan de Commissie mer bij toekomstige vergunningprocedures.
41
Nota van Beantwoording
1.7
Renewable Energy Directive III (REDIII)
Quotes uit zienswijzen “Versnel waar mogelijk” “Graag meer windmolens, en sneller”
Zienswijzen Een aantal indieners zijn het eens met het voornemen om het havengebied aan te wijzen als versnellingsgebied. Zij vinden versnellen belangrijk. Een indiener meent dat het van belang is dat de gemeente zich niet enkel richt op het havengebied, maar ook op andere kansrijke gebieden. Eén indiener is tegen versnellen. Rijkswaterstaat geeft aan dat ook bij versnelling rekening moet worden gehouden het belang van verkeersveiligheid en veiligheid van scheepvaartverkeer. Rijkswaterstaat verzoekt tijdig betrokken te worden.
Overwegingen college Het college onderschrijft het belang van versnelling in het Havengebied. Op deze manier wordt tegemoet gekomen aan de voorkeur van het college, de meeste zienswijzen en de adviezen van de stadsdelen en stadsgebied Weesp, voor realisatie van windturbines in dit gebied. Het college is zich ervan bewust dat ook bij een versnelde procedure rekening moet worden gehouden met het belang van verkeersveiligheid en veiligheid voor de scheepvaart. Een versnelde afhandeling betekent ook niet dat besluitvorming minder zorgvuldig gaat plaatsvinden, maar wel dat deze aanvragen voorrang krijgen bij de afhandeling door de OD NZKG. De zienswijzen leiden niet tot wijzigingen
1.8
Diversen
Quotes uit zienswijzen “Zo goed als alle Weespersluisers hebben spijt van de fusie en willen een Wexit” “De nabijheid van windmolens heeft een bewezen negatief effect op de waarde van onroerend goed. Dit is een onevenredige last voor de bewoners” “wie is we?” “Om de een of andere reden spreekt de gemeente mensen in ZO graag aan alsof we kinderen zijn. Voor alle duidelijkheid, we zijn ons net zo goed bewust van de effecten van klimaatverandering als iedereen”
Zienswijzen Waardedaling woningen/vastgoed De aanwijzing leidt volgens diverse indieners tot waardevermindering van hun woning (in Weesp, Gein3, 1107TG, langs Provinciale weg N236 en Driemond) en andere gebouwen. Gevreesd wordt voor waardevermindering in relatie tot afgekochte erfpacht. Indieners wijzen erop dat van waardedaling van gebouwen al sprake is voordat de plannen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Daarbij vrezen indieners
42
Nota van Beantwoording
voor inkomstenderving. Verwacht wordt dat bezoekersaantallen in een gebied dalen en dat betekent een daling van de lokale economie. De gemeente is hiervoor aansprakelijk en indieners kondigen een verzoek om planschade aan. Daarbij loopt de gemeente zelf inkomsten mis door daling van de WOZ-waarde. Uit jurisprudentie volgt dat woningeigenaren binnen een straal van 2,5km van een geplande windturbine met succes een verlaging van de WOZ waarde en daarmee onroerende zaakbelasting kunnen eisen. De gemeente Amsterdam moet dit betalen en zit al krap bij kas.24 Ontwerp-PWA Indieners hebben verschillende algemene opmerkingen gemaakt over het ontwerp-PWA. Zo vindt de één het te ingewikkeld, terwijl een ander complimenten geeft en weer een ander vindt dat de tekst meer inspirerend mag zijn. Dit geldt ook voor de bijbehorende rapporten en het Plan-MER. Indieners missen in het ontwerp-PWA een heldere samenvatting. De kaarten met de zoeklocaties kunnen verbeterd worden door op de kaarten de hoofdverkeersstructuur aan te geven. Ook zou het helpen om op kaartmateriaal afstandscirkels op te nemen en geen dB-contouren. Ook vragen indieners om een duidelijk samenvattend overzicht van reeds opgewekt vermogen, in behandeling zijnde voornemens voor realisatie van vermogen wind en het resterende vermogen wind.
Als duidelijk is van de resterende ambitie is dan moeten de belangen van de opwek van hernieuwbare energie versus overlast voor omwonenden en natuur gelijkwaardig worden afgewogen. Daarnaast vragen indieners zich af of bij de afweging is betrokken dat er reeds capaciteitsproblemen op het elektriciteitsnet zijn. Indieners verwachten dat het opwekken van elektriciteit het probleem van netcongestie zal verergeren. Compensatieregeling Indieners vragen om een compensatieregeling of schadeloosstelling voor mensen die moeten verhuizen omdat zij tot de 3-5% van de mensen behoren die gevoelig zijn voor (lage) geluidstrillingen of om andere reden gedwongen zijn te verhuizen.
Overwegingen college Waardedaling woningen/vastgoed Het college is op de hoogte van diverse onderzoeken waarin het effect van windturbines op de waarde van woningen is onderzocht. Zo volgt bijvoorbeeld uit het onderzoek ‘De verwachte impact van windturbines op huizenprijzen in Nederland’ van TNO25 (tno.nl) dat de verwachte waardedaling voor bestaande woningen in de nabijheid van windturbines in 2030 gemiddeld 3,8% zal zijn voor woningen binnen een straal van 2,5 km rond een windturbine. Buiten een afstand van 2 km tot windturbines wordt, ook voor hogere windturbines geen bewijs voor waardedaling gevonden. Het gaat in het TNOrapport overigens om een gemiddelde waardedaling van bestaande woningen in Nederland, voor de Amsterdamse situatie is wellicht een ander percentage aan de orde. In het PWA zijn geen concrete initiatieven voor windparken onderzocht, waardoor het ook niet mogelijk is de te verwachten planschade/nadeelcompensatie te bepalen. Bij latere uitwerking voor concrete windturbineopstellingen kan vergoeding van planschade/nadeelcompensatie aan de orde zijn. Daarvoor zijn wettelijke regels en procedures. Het feit dat planschade/nadeelcompensatie op voorhand niet kan worden uitgesloten is op zichzelf geen belemmering om het PWA vast te stellen.
Dit is in lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in het beroep tegen bestemmingsplan en omgevingsvergunning Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding.26
24 Indieners verwijzen naar: https://www.tno.nl/nl/duurzaam/systeemtransitie/sociale-innovatie/windturbines-impacthuizenprijzen/ 25 https://publications.tno.nl/publication/34639293/2ZNonx/TNO-2022-P10374.pdf 26 https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@136680/202003882-3-r3/
43
Nota van Beantwoording
Het college neemt voor kennisgeving aan dat er mogelijk minder WOZ-inkomsten in de kas komen, zoals indiener aangeeft. Ontwerp-PWA Naar aanleiding van de zienswijzen zijn de kaarten verduidelijkt door het aangeven van de wegenstructuur op de kaarten en het toepassen van een andere achtergrond. Het college verwacht hiermee tegemoet te komen aan de gewenste verduidelijking. Over de stand van zaken ten aanzien van de doelstelling van 127MW opgesteld vermogen in 2030 en de genoemde netcongestie verwijst het college naar hetgeen daarover in par. 1.1 van deze Nota van Beantwoording is opgenomen. Compensatieregeling Buiten de wettelijke mogelijkheid een verzoek om nadeelcompensatie in te dienen, is het college niet voornemens een regeling te treffen op grond waarvan een verhuiskostenvergoeding of ander soort vergoeding kan worden gevraagd. De zienswijzen leiden niet tot inhoudelijke wijzigingen De kaarten zijn verduidelijkt door het toepassen van een andere achtergrond van de kaart, waarop onder andere de wegenstructuur is toegevoegd.
1.9
Blanco zienswijzen
3654-7065, 0894-5240, 2656-8965, 5536-1840, 7623-6872, 5436-6712, 2156-0780, 5976-9518, 09204958, 4464-1150, 9946-9886, 4680-0642, 8737-0402, 3163-8197, 5204-9803, 6270-7363, 8337-9810, 1171-9124, 8188-3315, 6514-9581, 2571-9814, 5132-0573, 1745-6099, 5768-3439, 1124-7276, 79160073, 3696-0562, 2542-8500, 2726-8038, 0356-4034, 3995-4130, 4140-3565, 0040-4364, 9676-6684, 5652-4252, 1682-9893.
44
Nota van Beantwoording
2
Zienswijzen over het plan-MER
2.1
Milieugevolgen aangewezen gebieden
Quotes uit zienswijzen “Ik heb de webinar gekeken en ben geraakt door de zorgvuldigheid van het onderzoek en het rekening houden met natuur, ecologie en de mensen die in de nabijheid wonen van de te plaatsen windmolens.” “Uit het MER blijkt dat de windturbines slecht zijn voor de mens en voor de natuur, waarom dan toch doen?”
Zienswijzen Wijze van onderzoeken Sommige indieners vinden het een prima onderzoek. Anderen voeren aan dat het lastig om het plan-MER te doorgronden. Het is volgens hen echt niet na te gaan of de modellen, rekenmethodes, aannames kloppen. Daarom is het rapport niet overtuigend. Andere indiener meent dat door toepassen van modellen etc. een vertekend beeld van de werkelijkheid ontstaat. Bovendien is uitgegaan van een bepaald type turbine, dat kan een heel andere worden in de werkelijkheid. Een andere indiener adviseert om een lees- en begrijpbare weergave van het plan-MER te laten maken. Dat kan het beste per zoekgebied gebeuren door een groep burgers en kenners van het zoekgebied actief te betrekken. Vraag de groepen om ook aanvullende feitelijke kennis over natuur en omwonenden. In Hoofdstuk 5 van het Plan-MER staat dat er nog veel leemten in kennis zijn. Hoe kan dit onderzoek aan de keuze van voorkeursgebieden ten grondslag worden gelegd, vraagt een indiener zich af. Andere indieners vinden dat een aantal onderwerpen ten onrechte ontbreken in het plan-MER, het gaat om: • Windmolens brengen een heleboel afval met zich mee als ze niet meer gebruikt kunnen worden.
Bladen van de wieken zijn niet recyclebaar, tussen 2025 en 2030 zal de jaarlijkse hoeveelheid afgeschreven windmolenwieken verdubbelen naar 50.000 ton, bron: https://www.change.inc/ energie/wieken-van-windturbines-lijken-toch-recyclebaar-39553 Het afbreken van windmolens kost energie en hierbij komt CO2 vrij. Afval, energieverbruik en CO2 zijn ten onrechte niet in beeld gebracht, en hoe lang het duurt voor de voetafdruk van een windmolen qua milieubelasting (zowel in Nederland als daarbuiten) gecompenseerd is. • De gevolgen van lichthinder door rode knipperende lichten op bewoners is ten onrechte niet onderzocht. • In het Plan-MER wordt onvoldoende rekening gehouden met de cumulatieve gevolgen met plannen van buurgemeenten, zoals Diemen en Zaanstad, om windturbines te bouwen. Westpoort en Bedrijventerrein Hoogtij produceren al meer dan de 55 dB die in 2015 overeengekomen is in Zaanstad Nauerna. • Zowel bewoners als bezoekers waarderen de natuurgebieden in Zuidoost erg. Dit is ten onrechte niet meegewogen in het plan-MER. In het rapport Natuur- en Recreatiegebieden Noord-Holland Deel B: Gebiedsanalyse, Eindrapportage, augustus 2022, staan gegevens over het aantal bezoekers van de Diemerscheg/Diemerbos en de Gaasperplas (onderzoek uit 2016). Vooral de Gaasperplas heeft een hoog bezoekersaantal van nu naar schatting ca. 2.000.000 per jaar.
De hinder op bezoekers is ten onrechte niet onderzocht in het MER.
45
Nota van Beantwoording
• Nergens in het MER staat wat de impact op bewoners, sportverenigingen, recreatie en natuur is van twee turbines dicht op elkaar (oeverrand Gaasperplas plus Weesperkarspel). Daardoor lijkt het of het MER toeschrijft naar een bepaalde uitkomst. • Niet of niet genoeg betrokken: aanwezig vliegverkeer in ZO, hoogspanningsverbindingen, veiligheidszone waternet bedrijf, veiligheidszones ondergrondse waterleidingen, veilgheidszone breuk/breken rotorbladen, veiligheidszone voor te houden festivals. • Het Plan MER (april 2024, Bosch en Van Rijn) richt zich uitsluitend op de geluidbelasting vanwege de windmolens. In hoofdstuk Leefomgeving en Gezondheid gaat alleen over geluid en een beetje slagschaduw. Andere zeer belangrijke gezondheidsaspecten zoals Bisfenol A (BPA) en Bisfenol A (DPA) en PFOS, en fijnstof (tevens in cumulatie met overige bronnen van fijnstof, zoals verkeer, trein, vliegtuigen) zijn ten onrechte niet betrokken • Een Plan-MER is niet het juiste gereedschap om te bepalen of een zoekgebied kansrijk is. In het plan-MER worden zoekgebieden geprioriteerd en daarna worden per zoekgebied de posities van windturbines geoptimaliseerd. Wat ontbreekt is het totaal van alle windturbines te concentreren in het havengebied.
• Het MER Addendum Wind op Land van de provincie Noord-Holland (19 augustus 2021) geeft aan dat er in de haven ruimte is voor alleenstaande en kleine turbinegroepen. Deze mogelijke opstellingen zijn niet onderzocht. • Een Heritage Impact Assessment (HIA) ontbreekt. • Belemmeringen zoals buisleidingen en hoogspanningsmasten, als ook opslag en verwerking gevaarlijke stoffen, zijn harde belemmeringen en niet genoemd in Plan-MER. De belemmeringenanalyse op pag. 26 is slechts kort. Zoekgebieden 4B, 6B en 7 staan ten onrechte niet in de tabel op pag. 49. Afstanden en afwegingen zijn daarom niet te volgen. Diemerpark viel ook vroegtijdig af terwijl alle informatie al voorhanden was, hoe serieus is was dat zoekgebied? • Het begrip ‘netinpassing’ is niet onderzocht of toegelicht en wordt in een tabel als ‘plus’ beoordeeld • In het Plan-MER ontbreken visualisaties, daardoor is het onmogelijk een goed gemotiveerd besluit te nemen over de effecten op landschap, bebouwing, etc. • In het Bestuurlijk Akkoord Weesp, 29 september 2019, zijn geen afspraken over windturbines vastgelegd. De voormalig gemeenteraad van Weesp heeft bij amendement A 20221/06, 27 mei 2021 besloten geen windturbines te dulden binnen een afstand van 1.000 meter van woningen. Dit amendement geldt ook voor Driemond. In Plan-MER moet rekening gehouden worden met dit amendement.
• Het aantal gevoelige objecten en overige objecten tellen vanaf 37dB Lden en vanaf 40dB Lden, de uitkomsten hiervan betrekken in de beoordeling. • Sociale effecten meenemen in Plan-MER conform de Handreiking ‘Sociale effecten in de milieueffectrapportage’ van de Commissie mer. • Een Technical Feasibility Assessment ontbreekt, met zaken zoals windprofielen voor de verschillende locaties, plaatsingsmogelijkheden om ‘wake’ te voorkomen, turbulentie en invloed van heuvels, vegetatie, objecten, gebouwen op de mogelijke totaalopbrengst. • Haalbaarheidsanalyse per zoekgebied voor realistische inschatting van windenergiepotentieel • Bij raadsinformatiebrief, 7 september 2021, is een afwegingskader toegezegd. Het afwegingskader is nog niet beschikbaar en zo is het onduidelijk welke afwegingen zijn gemaakt en hoe belangen zijn gewogen. Het rapport “Signalen uit de stad” wordt niet als afwegingskader gezien. Onderzochte gebieden Sommigen vinden de locaties belachelijk en niet goed onderzocht. Een andere indiener vraagt zich af hoe een keuze is gemaakt, nu geen van de zoekgebieden op alle milieuthema’s positief beoordeeld zijn. Specifiek over de onderzochte gebieden wordt in de zienswijzen het volgende naar voren gebracht.
46
Nota van Beantwoording
Havengebied Uit het MER blijkt dat er in de haven ruimte is voor 271 MW, waarom dan toch Zuidoost? Commerciële verkrijgbaarheid en economische haalbaarheid van windturbines met een tiphoogte van 130 meter, zijn verre van zeker. Volgens project specifiek onderzoek ter plaatse in relatie tot Luchthavenindelingsbesluit zou op verschillende posities een minimale tiphoogte van 146 meter haalbaar moeten zijn. Het aanpassen c.q. verhogen van de toegestane hoogten is van cruciaal belang voor het daadwerkelijk realiseren van nieuwe windturbines of vervangen van bestaande turbines (beschikbaarheid op de markt, rendabiliteit). Voorgesteld wordt om hoogtebeperking bij te stellen naar 180-200 meter. Op de Plan-MER kaart, figuur 2, zijn de posities van windturbines aangegeven: windturbine A2 t/m A6 belemmeren de posities T1 t/m T3 in verband met verwachte windafvang en overheersende windrichting. (Financiële) haalbaarheid van windturbines op positie T1 t/m T3 zijn in het geding. Windturbines op positie A5 en A6 zijn strijdig met bestaande bedrijfsmatige gebruik en bestaande bebouwing van TMA. Een flankerend beleid om belemmeringen voor het plaatsen van windturbines in het havengebied is noodzakelijk. Locaties in Amsterdams zoekgebied Haven en zoekgebied Zaanstad is een gezamenlijke opgave. Spelregels (voorwaarden) Zaanstad betrekken en rekening houden met gecumuleerde effecten.
Onduidelijk is hoe geluid en slagschaduw van bestaande turbines in het gebied zijn betrokken bij de beoordeling van gecumuleerde effecten. Niet duidelijk welke locaties in het havengebied als kansrijk worden beoordeeld. Volgens het onderzoek is het voorkeursgebied 1B, Haven Zuid (Brettenzone) niet haalbaar en gebied 1B is uitgesloten. Het Hoogheemraadschap Rijnland wenst op deze locatie een windturbine te bouwen. De belemmeringen die voor de oostkant van het gebied gelden leiden tot de conclusie ‘niet haalbaar’. Voor de westkant van het gebied is geen sprake van deze belemmeringen. In overweging wordt gegeven het zoekgebied 1B te verkleinen/aan te passen zodat de westkant behouden blijft. De hoogte van de referentiemolen in dit gebied is om en nabij 100 meter tiphoogte IJburg Uit het MER komt voor zoekgebieden nabij IJburg minder goed naar voren dat niet alleen nadelige natuurgevolgen en geluidgevolgen groot zijn maar ook de nadelige gevolgen voor UNESCO werelderfgoed de Stelling van Amsterdam, de recreatiemogelijkheden op het IJmeer en de waardedaling van woningen. Gaasperplas Het is niet voor te stellen dat de gevolgen voor natuur Gaasperplas op de gekozen locatie minder zijn dan op andere locaties rond de Gaasperplas: geluid, schaduw en gevaar van wieken op elke locatie een probleem.
Gaasperplas is natuurgebied, windmolens in dit gebied zullen leiden tot ernstige verstoring Minder huishoudens hebben last, maar dat neemt niet weg dat de aanwezige huishoudens veel last ervaren. Bewoners mogen geen last hebben van geluidhinder of horizonvervuiling. Er zijn alternatieven waar geen impact op omwonenden is. Beter één grote op een locatie met weinig overlast dan een kleinere op een locatie waar deze veel bezwaar oproept. Diemerscheg Uitslag referendum hoofdgroenstructuur: geen windmolens langs Amsterdam-Rijnkanaal Gelet op het langdurig verblijf van vele tuinders en hun familieleden, moeten de tuinhuisjes worden
47
Nota van Beantwoording
aangemerkt als kwetsbaar object en niet als divers object (motie van PvdD en CU, Provinciale Staten, Noord-Holland). Bijna alle tuinparken hebben een verblijfsbestemming. Veiligheidsrisico’s zijn groter, meer geluidhinder omdat de huisjes slechter geïsoleerd zijn dan woningen en bovendien wordt veelal buiten gewerkt. Een betere bescherming en strengere eisen zijn hier nodig. De tuinders vallen in de categorie van mogelijk (ernstig) gehinderden. Tuinhuisjes zijn geluidgevoelige objecten, motie M122, 2021 van Provinciale Staten provincie Noord-Holland. De effecten op de nieuwbouwwijk Weespersluis zijn onvoldoende onderzocht. Bij de inpassing van de windturbines Diemerscheg zal in een volgende fase, ruimte moeten zijn voor een optimale opstelling voor Amsterdamse en Diemense windturbines gezamenlijk. Nader onderzoek kan uitwijzen of het mogelijk en wenselijk is om alle aangegeven windturbineposities te benutten. De gemeente Diemen hanteert, volgens de RES, een afstand van minimaal 400 meter tussen windturbine en geluidgevoelig object. In het Plan-MER wordt een afstand van minimaal 350 meter gehanteerd. De woningen aan het Diemense deel van de Stammerdijk wordt hetzelfde beschermingsniveau gevraagd als voor andere woningen in Diemen. Verzocht wordt hiervoor de Diemense afstandsnormen, normen voor geluid en slagschaduw te volgen.
Knooppunt Holendrecht Knooppunt Holendrecht en Weesperkarspel kan niet, dit is een noodroute voor Schiphol waar vliegtuigen laag over moeten kunnen vliegen. Indieners maken zich zorgen hoe ver de slagschaduw over de woonwijk reikt van een grote windmolen bij Knooppunt Holendrecht. Weesperkarspel/Gein Over Weesperkarspel vinden sommige indieners de landschapsvervuiling, gevolgen voor geluid, gezichtsveld en uitstraling onacceptabel In hoofdstuk 10, Ruimtelijke reserveringen, Omgevingsvisie Amsterdam 2050, zijn ruimtelijke reserveringen opgenomen voor cruciale infrastructuur. Reservering 34, is bestemd voor het verplaatsen van opstelterrein metro. Zoekgebied Weesperkarspel/Gein is hiermee in strijd en moet vervallen. De gemeente doet voorkomen alsof een windturbine van 212 m hoog in Weesperkarspel geen probleem is met betrekking tot het Luchthavenindelingsbesluit. In overeenstemming met het Luchthavenindelingsbesluit (zie bijlage 6 van dit besluit) is een akkoord nodig van de Rijksoverheid over de hoogte van een windturbine. Is dat akkoord er? In addendeum plan-MER WOL NH staat dat er hoogtebeperkingen zijn vanuit Schiphol. Zo nee, waarom staat dat niet in het PWA met de opmerking dat de hoogte nog niet vaststaat? Handreiking lokale normering windparken regio Rotterdam | Helpdesk Wind op Land Op de aangegeven locatie wordt gemeente en provinciegrens overschreden door de wieken.
Grondeigenaar moet expliciet toestemming verlenen voor draaien van de wieken boven zijn grond, ECLI:NL:GHAMS:2022:2052, aangegeven zoeklocatie is niet mogelijk In het plan-MER staat een fout bij de gemiddelde woonbezetting in Gein3, deze is namelijk niet 1,9 maar 2,5 mensen per woning. Dat betekent dat meer mensen overlast ervaren. Informatie over grondposities ontbreekt.
48
Nota van Beantwoording
Overwegingen college Wijze van onderzoeken Het milieueffectrapport is een technisch document, met inhoudelijke onderzoeken die de effecten van mogelijke windturbines beschrijven. Daarbij is het altijd een balans tussen juistheid en volledigheid enerzijds en begrijpelijkheid anderzijds. Het college begrijpt dat het veel tijd kost om het plan-MER te doorgronden, maar is ook van mening dat een degelijk milieu-onderzoek de besluitvorming verbetert. In het plan-MER is een publieksvriendelijke samenvatting opgenomen. Voor een verdieping kan het plan-MER hoofddocument geraadpleegd worden en voor een nog verdere verdieping de technische bijlage bij het plan-MER. Op die manier is een gelaagdheid in de informatie aangebracht. Daarnaast is een digitaal MER beschikbaar gesteld. De gemeente heeft een webinar en vier informatiebijeenkomsten georganiseerd waar vragen gesteld konden worden en breed gecommuniceerd over het ontwerp-PWA en het plan-MER (zie ook onder Participatie in deze NvB). Het plan-MER geeft milieugevolgen weer van de maximale mogelijkheden van het PWA. De zoekgebieden zijn onderling vergeleken aan de hand van dezelfde criteria. Een plan-MER brengt geen prioritering aan in de zoekgebieden. Elk zoekgebied wordt op milieueffecten beoordeeld. Eventuele keuzes vinden plaats in het PWA.
Het college hecht belang aan een goed en objectief milieu-onderzoek voordat over het PWA besloten wordt. Overigens is een plan-MER ook verplicht bij het PWA. In het plan-MER is toegelicht dat leemten in kennis zijn benoemd met het oog op het vervolg, de besluitvorming over concrete initiatieven voor windenergie. Het feit dat op onderdelen (detail) gegevens of onderzoeken ontbreken in het plan-MER betekent niet dat een onvolledige beoordeling heeft plaatsgevonden. Alle zoekgebieden zijn beoordeeld en onderling vergeleken op basis van dezelfde beoordelingscriteria. De beoordeling in dit ruimtelijke plan-MER heeft plaatsgevonden op basis van beschikbare gegevens en bestaande onderzoeken. De beoordeling op hoofdlijnen past bij het abstractieniveau van het PWA. Met het plan-MER heeft het milieubelang bij de aanwijzing en prioritering van zoekgebieden al een rol kunnen spelen. Nader gedetailleerd onderzoek naar milieueffecten van concrete opstellingen met windturbines vindt plaats bij de uitvoering van het PWA, ten tijde van besluitvorming over initiatieven voor windparken. Dat detailonderzoek kan ook pas plaatsvinden op het moment dat concrete initiatieven bekend zijn. Lichthinder door knipperende rode lichten en visualisaties zijn onderzocht in het plan-MER bij het thema ‘Landschap en cultuurhistorie’. De visualisaties zijn te raadplegen in het digitale MER.
De netinpassing is ook beoordeeld in het plan-MER (zie par. 3.10 van het plan-MER). Dit aspect ziet globaal op de mogelijkheid van aansluiting van de turbines op het net. Wat betreft de zienswijzen over cumulatieve gevolgen merkt het college het volgende op. Het MER beschrijft een groot aantal ontwikkelingen die in en nabij de zoekgebieden plaats gaan vinden, zowel binnen de stad Amsterdam als daarbuiten. Zo zijn er bijvoorbeeld visualisaties gemaakt die de cumulatieve landschappelijke effecten van windturbines in het gebied Diemerscheg en beoogde windturbines in gemeente Diemen inzichtelijk maken. Een beschouwing van de cumulatieve geluidsbelasting met toekomstige ontwikkelingen valt echter buiten de reikwijdte van dit plan-MER. Dergelijke onderzoeken passen beter bij locatiespecifiek vervolgonderzoek, omdat dan pas zinvol berekend en onderzocht kan worden aan de hand van het concrete voornemen voor de ontwikkeling van één of meer windturbines en de daadwerkelijke ontwikkelingen daaromheen. Buisleidingen, hoogspanningsverbindingen en risicovolle installaties zijn onderdeel van de belemmeringenanalyse en als zodanig beschreven in het plan-MER en de technische bijlage. Deze hebben in het plan-MER een rol gespeeld bij het intekenen van de onderzoeksposities binnen de
49
Nota van Beantwoording
zoekgebieden. Toegestane bouwhoogtes als gevolg van vliegverkeer hebben een rol gespeeld bij de keuze voor de afmetingen van de onderzoeksposities. In de zienswijzen wordt gesteld dat een aantal gebieden ten onrechte niet in de tabel op pagina 26 van het plan-MER zijn opgenomen. Zoekgebieden waar uit de belemmeringenanalyse bleek dat er geen windturbines pasten zijn in de effectbeoordeling buiten beschouwing gebleven. Zoekgebied Diemerpark is niet vroegtijdig afgevallen. Wel is het zo dat er slechts 1 windturbine in dit zoekgebied past, met name vanwege de aanwezige hoogspanningsverbinding. Omdat aspecten rondom het thema externe veiligheid verder sterk locatieafhankelijk zijn valt een nadere beschouwing buiten het detailniveau van dit gemeentebrede plan-MER en komen dergelijke berekeningen in locatiespecifiek vervolgonderzoek aan bod. De waardering van een natuur- en/of recreatiegebied is geen milieugevolg en bovendien ontbreken daarvoor objectieve criteria. Het aantal bezoekers/recreanten is inderdaad niet meegenomen in de effectbeoordeling in het MER (voor het heroverwegen van de voorgestelde aanwijzing van het gebied Gaasperplas verwijst het college naar paragraaf 1.2 van deze NvB). Ook sociale aspecten zijn geen milieugevolgen maar daarover is een afzonderlijk rapport opgesteld. Grondposities zijn evenmin een milieugevolg en horen daarom niet in een MER.
Informatie daarover is te vinden in het kadaster. Naar een bepaalde uitkomst van het MER is niet toegeschreven. Om de kwaliteit en onafhankelijkheid van de milieu-informatie te borgen, is een advies van de Commissie mer gevraagd zowel over de NRD (onverplicht advies) als over het plan-MER (dit is een wettelijke verplichting; het college heeft daarbij onverplicht alle zienswijzen aan de Commissie mer overlegd). De Commissie mer spreekt in haar advies onder andere waardering uit over het digitale MER en over het rapport Sociale aspecten Programma Windenergie Amsterdam van Anteagroup (zie in dit verband ook hoofdstuk 4 van deze NvB). Het uitvoeren van een Heritage Impact Assessment in het vervolgtraject wordt niet uitgesloten. Dit is echter onderdeel van een eventueel vergunningentraject en niet van het proces om te komen tot dit PWA. Ook een onderzoek als een Technical Feasibility Assessment valt buiten het detailniveau van een gemeentebreed plan-MER. De beoordeling van effecten in het plan-MER heeft plaatsgevonden aan de hand van onderzoeksopstellingen. Om gebieden met elkaar te kunnen vergelijken zijn de onderzoeksopstellingen op basis van dezelfde uitgangspunten gemodelleerd. De opstellingen vormen een realistisch theoretisch maximum dat enkel de status van onderzoeksopstelling heeft.
Het is niet doelmatig om als bevoegd gezag verder onderzoek te doen naar de haalbaarheid van diverse opstellingen binnen een zoekgebied. Het is aan initiatiefnemers en grondeigenaren om onderzoek te doen en een voorkeursopstelling te modelleren. Voorzover in de zienswijzen gesteld wordt dat geluid vanaf 37 dB betrokken moet worden in de besluitvorming, merkt het college volgende op. Het college staat achter de beoordelingswijze voor geluid en gezondheid, waarbij woningen met een hoge belasting betrokken worden in het milieuthema geluid, terwijl alle woningen die windturbinegeluid van >37 dB Lden ondervinden zijn meegenomen in het thema gezondheid. Windturbines hebben milieugevolgen. Dat blijkt uit het plan-MER en was ook vooraf al bekend. Tegelijkertijd hebben windturbines een belangrijke rol in de energietransitie. Er moet mede op basis van het plan-MER een afweging gemaakt moeten worden, waarvan het PWA de uitkomst is. Hoe de keuze per gebied gemaakt is, is in het PWA in par. 2.3 toegelicht. Een ‘afwegingskader’ waarover in 2021 gesproken is, is niet vooraf te maken zonder objectieve (milieu-)informatie. Dat geldt eveneens voor de genoemde afstand van 1.000 meter (in de zienswijzen zijn afstanden tussen de 500 m en 5 km genoemd). Deze normen zijn niet onderbouwd met objectieve milieu-informatie. Het college is van
50
Nota van Beantwoording
mening dat milieugevolgen afgewogen moeten worden bij het maken van een keuze voor gebieden voor de grootschalige opwek van windenergie. Voor de beantwoording van de zienswijzen over geluid, Bisfenol A en fijnstof verwijst het college naar par. 2.4 Gezondheid in deze NvB. Overigens was ook in hoofdstuk 4 van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor dit plan-MER al toegelicht waarom Bisfenol A en fijnstof niet in het plan-MER worden onderzocht. Het energieverbruik en de CO2-uitstoot die gepaard gaat met (bouw en) afbraak van windturbines is inderdaad niet in beeld gebracht in het plan-MER. Enerzijds omdat deze verwaarloosbaar is ten opzichte van de energie die tijdens de levensduur van een windturbine wordt opgewekt en de CO2emmissie die daarmee voorkomen worden, anderzijds omdat dat hetzelfde is voor alle zoekgebieden en daarom geen rol speelt bij het maken van een keuze. De gemeente streeft er naar geluidshinder en horizonvervuiling te beperken, maar accepteert dat er altijd enige mate van (over)last kan optreden. Dat geldt niet alleen voor windturbines, maar ook voor andere ruimtelijke ontwikkelingen. Onderzochte gebieden IJburg In het plan-MER zijn de gevolgen voor het UNESCO-werelderfgoed en waterrecreatie als dubbel negatief beoordeeld. De waardedaling van woningen is inderdaad niet onderzocht in het kader van het plan-MER, omdat dit geen milieugevolg is.
In dat verband verwijst het college naar hetgeen daarover in par. 1.8 Diversen van deze NvB is opgemerkt. Gaasperplas In dit verband wijst het college naar hetgeen overwogen is in par. 2.4 Gezondheid en par. 1.2 Keuze van gebieden van deze NvB. Knooppunt Holendrecht Het (ontwerp-)PWA en het bijbehorende plan-MER gaan uit van maximale toegelaten afmetingen gelet op de hoogtebeperkingen van Schiphol. Met de mogelijke verplaatsing van het helikopterplatform naar het AMC is in het plan-MER rekening gehouden onder de paragraaf ‘Stadsontwikkelingen’ (zie voor een overzicht van de stadsontwikkelingen paragraaf 2.6 van de Technische bijlage bij het plan-MER). In het plan-MER zijn in figuur 104, Bijlage D van de Technische Bijlage de slagschaduwcontouren van een turbine bij Knooppunt Holendrecht in beeld gebracht. In de beoordelingstabel in het plan-MER, die ook in figuur 4 van het PWA is opgenomen, staat dat dit zou leiden tot 2% stilstand voor een norm van 0-uren slagschaduw. Diemerscheg Voor de inpassing voor turbines in de Diemerscheg wordt inderdaad de samenwerking met onder meer de gemeente Diemen gezocht. Dit is tevens in lijn met het advies van de Commissie mer op dit punt (zie hoofdstuk 4 van deze NvB). Voor wat betreft de zienswijzen over het onderzoek naar de gevolgen voor Weespersluis, verwijst het college naar hetgeen hierover in par.
2.2 Referentiesituatie/Stadsontwikkelingen hierna is opgemerkt. Voorzover de zienswijzen de volkstuinen betreffen, verwijst het college naar hetgeen daarover in par. 2.3 Recreatie van deze NvB is opgenomen. Voor wat betreft de zienswijzen over het referendum over de hoofdgroenstructuur, verwijst het college naar hetgeen hierover is opgemerkt in paragraaf 1.5 Participatie/draagvlak van deze NvB. Weesperkarspel/Gein Het (ontwerp-)PWA en het bijbehorende plan-MER gaan uit van maximale toegelaten afmetingen gelet op de hoogtebeperkingen van Schiphol. In het PWA, bijvoorbeeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.4, is uiteengezet dat voor het havengebied gesprekken met het ministerie over de hoogtebeperkingen gevoerd worden.
51
Nota van Beantwoording
In de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is het gebied Weesperkarspel/Gein aangewezen als zoek gebied voor de grootschalige opwek van windenergie. In het plan-MER voor het PWA zijn ontwikke lingen rond infrastructuur waar nog geen besluitvorming over heeft plaatsgevonden maar wel al enige concretisering bekend is, meegenomen als ‘stadsontwikkelingen’. Dat geldt niet voor de opstelplaats voor de metro in dit gebied (zie voor een overzicht van de stadsontwikkelingen paragraaf 2.6 van de Technische bijlage bij het plan-MER). Uit het plan-MER blijkt dat de onderzoekspositie in Weesperkarspel/Gein mogelijk een overdraai heeft over de gemeentegrens met Ronde Venen. Mocht deze positie verder uitgewerkt worden, zal dit inderdaad een aandachtspunt zijn. Of daadwerkelijk een overdraai ontstaat zal onder andere afhangen van de diameter en stand van de rotorbladen. Indien daadwerkelijk sprake zal zijn van een overdraai zal de gemeente Ronde Venen daar toestemming voor moeten geven. In het gemeentebrede plan-MER is gekozen om met gemiddelde woonbezetting te rekenen. In locatiespecifiek vervolgonderzoek kan een verfijning worden aangebracht die recht doet aan de lokale omstandigheden. Grondposities zijn geen milieugevolg en horen daarom niet in een MER. Informatie daarover is te vinden in het kadaster. De zienswijzen leiden niet tot wijzigingen
2.2
Referentiesituatie/stadsontwikkelingen
Quotes uit zienswijzen “Provincie heeft ‘nee’ gezegd tegen NIJP en jullie gaan toch door”
Zienswijzen Referentiesituatie Recent gebouwde nieuwbouwwoningen in Weespersluis (ten oosten van het kanaal gelijk naast het zoekgebied Diemerscheg) staan ten onrechte niet op de kaart en zijn ook niet in visualisaties meegenomen. Ook de reeds ingeplande te bouwen woningen staan niet op die kaart. In deelgebied 6 Weespersluis zijn een KDV en scholen voorzien, is hier wel rekening mee gehouden? Scholen mogen alleen gebouwd worden als geluidbelasting lager is dan 45dB, Diemen bouwt ter plaatse 4 windturbines + 4 windturbines Amsterdam. Bij een gecumuleerde geluidbelasting 46dB, meer dan 45dB, kunnen scholen niet gebouwd worden Het is onduidelijk wat de referentiesituatie is en dus ook wanneer de ambitie van 127 MW behaald is. Indiener verzoekt om: a. Een feitelijk overzicht van de aanwezige windmolens (locatie, vermogen, vervangingsjaar wanneer krachtiger windturbines ter vervanging kunnen worden geplaatst). b. Een feitelijk overzicht van windmolens die binnenkort worden geplaatst (vergunning gegeven of in de pijplijn - locatie, vermogen, vervangingsjaar). c. Een feitelijk overzicht van het vermogen dat in het havengebied extra kan worden geplaatst (is immers een toezegging). d. Een totaal vermogensoverzicht van a., b. en c. zodat duidelijk wordt in hoeverre de ambitie van 127 MW in 2030 wordt behaald.
52
Nota van Beantwoording
Er staan in het havengebied al 32 of 33 windmolens en niet 28, bij de Ouderkerkerplas staat er al één en er komen er vier bij (Westhavenweg) en de drie van de Noordelijke IJplas. Alles is hiermee afgerond. Bron: https://maps.amsterdam.nl/windzoekgebieden/en kaart 1 van de vrm23_357_rapport_ programma_windenergie_amsterdam_publiekssamenvatting_1_.pdf Onduidelijk is of windpark NIJP geplaatst gaat worden, gelet op de gang van zaken bij de provincie Noord-Holland. Is het de bedoeling dat als het niet doorgaat, deze in Zuidoost komen? Het is onduidelijk waarom niet de hele restopgave in de haven past. Door bewoners Oostzaan wordt onvrede over het participatieproces NIJP geuit en twijfels over de onafhankelijkheid van het onderzoek. Ook spreken enkele indieners hun ongenoegen uit over de aanvraag voor één windturbine bij stadsdeel Noord. Opname van windturbines NIJP zou volgens een andere indiener niet tot significant andere resultaten leiden voor wat betreft de milieueffecten in het gebied of voor wat betreft de inpasbaarheid. Het op dezelfde manier onderzoeken van de milieueffecten en het beschouwen van het zoekgebied NIJP in samenhang met de andere zoekgebieden zou wel leiden tot nieuwe en betere inzichten over de inpasbaarheid van windturbines in dit gebied. Het aantal in de MER genoemde gehinderden omgeving Knooppunt Holendrecht is volkomen uit de lucht gegrepen.
Er wonen en verblijven vele honderden mensen in de directe omgeving binnen de 500, 750 en 1000 meter afstandscirkels in bijvoorbeeld appartementsgebouwen ( De Nieuwe Tafelberg, Domus) gezinsvervangende tehuizen als die van het COA (100 vaak zeer getraumatiseerde jongeren) het begeleide zorgdeel van De Tafelberg, het Altra Bleichrodt College en het Kinderdagverblijf. Het aangewezen gebied op het Waternet bedrijfsterrein loopt bijna volledig over bestaande gebouwen, bovendien is vanwege groei Amsterdam, uitbreiding van installaties voor de watervoorziening voorzien. Stadsontwikkelingen De komst van windmolens betekent volgens indiener dat andere ontwikkelingen niet meer mogelijk zijn. Er is onvoldoende rekening gehouden met toekomstige andere bestemmingen, zoals nieuwbouw Weespersluis, gebiedsontwikkeling Valburgdreef (ca. 500-600 woningen), project Geins bij het Wisseloordplein (ca. 200 woningen), transformatiegebied Achtersluispolder, Zuiderhout en Hembrugterrein, recreatieparken Nauerna en Hoog Tij, Havenstad en de invulling van Zaanse zoekgebieden voor windenergie. De Zaanse belangen moeten nadrukkelijk betrokken worden, bij voorkeur door gezamenlijke spelregels voor invulling in het Havengebied op te stellen.
Ook de verplaatsing van de traumahelikopter van de VU naar het AMC, de realisatie van een 380/150kVstation van Tennet aan de zuidoostzijde en een in het havengebied van Amsterdam zijn knelpunten. Naar verwachting volgt later dit jaar voor beide hoogspanningsstations de Kennisgeving Voornemen Voorstel en Participatie Abcoude krijgt aan drie kanten windturbines, aan de zuidkant (provincie Utrecht, zoekgebied 38), aan de noordkant, Amsterdam zoekgebied 6A en aan de noord-oostkant, Amsterdam zoekgebied 5C eb 5B. Dit is teveel. De ontwikkeling van windturbines langs gemeentegrenzen mag de ontwikkeling van woningbouwlocaties bij buurgemeenten niet belemmeren, zie ook Hoofdlijnenakkoord 2024-2028 van het kabinet, waarin is opgenomen dat windturbines zoveel mogelijk op zee zullen worden geplaatst en dat in nieuw te bestemmen gebieden woningbouw voorrang heeft op winturbines. https://www.parool.nl/amsterdam/kritisch-advies-aan-amsterdam-kijk-ook-naar-overlast-vanwindmolens-in-toekomstige-wijken~b2f9e446/
53
Nota van Beantwoording
Overwegingen college Referentiesituatie Zowel de nieuw gebouwde, als de reeds bestemde maar nog niet gebouwde, woningen in Weespersluis zijn meegenomen in het plan-MER. Wat betreft visualisaties geldt dat in een gemeentebreed planMER keuzes gemaakt moeten worden om het totale aantal zichtpunten enigszins te beperken. In locatiespecifiek vervolgonderzoek kunnen meer zichtpunten worden gebruikt, die gezamenlijk een beter beeld geven van de visuele impact in de aangewezen gebieden. Het is de gemeente niet duidelijk waar indiener het hogere aantal windturbines in het havengebied vandaan haalt. Binnen de grenzen van Amsterdam zijn op dit moment de volgende windturbines gerealiseerd (bron: WindStats.nl): • Westpoort Afrikahaven: 9 windturbines • Westpoort BP: 3 windturbines • Westpoort Havenwind: 4 windturbines • Australiëhaven/Siciliëweg: 5 windturbines • Westpoort Nieuwe Hemweg: 6 windturbines • Windturbine Cornelis Douwesterrein: 1 windturbine Dat is bij elkaar ca. 75 MW. De RWZI en Noorder IJ-plas zijn meegerekend in de referentiesituatie, gezamenlijk is dit ca. 25 MW. De restopgave voor het aantal MW opgesteld vermogen is daarom ca. 27 MW (in het PWA is dit ook toegelicht paragraaf 1.1, in het tekstkader ‘Wat is de opgave’). Dat zijn ca. 4 grotere of 8 kleinere windturbines. De locatie Noorder IJ-plas valt buiten het plan-MER en het PWA.
Daar loopt een afzonderlijke procedure voor die al eerder gestart was (inclusief een project-MER; nog eerder was daarvoor een plan/projectMER voor het bestemmingsplan 1e partiële Herziening Cornelis Douwesterrein II opgesteld). In het PWA, paragraaf 3.4, is opgenomen dat de voortgang in de gebieden in de gaten wordt gehouden om een reëel beeld te geven van hoeveel turbines er nog nodig zijn. Het college bepaalt op basis van de onderzoeksuitkomsten en de voortgang de voorgenomen inzet in de aangewezen gebieden. In de gebieden in Zuidoost neemt het college geen besluiten met onomkeerbare gevolgen totdat meer duidelijkheid bestaat over de verwachte hoeveelheid opgesteld vermogen in het Havengebied en Noorder IJ-plas. In het aangewezen gebied Weesperkarspel/Gein zijn inderdaad diverse bestaande belemmeringen, zoals aanwezige bebouwing en buisleidingen. Deze zijn in het plan-MER in beeld gebracht. Onder andere als gevolg daarvan is in dit gebied één onderzoeksopstelling voor een turbine in het plan-MER onderzocht. De gebieden zijn echter globaal aangewezen en moeten op projectniveau in meer detail onderzocht worden. Stadsontwikkelingen Diverse in de zienswijzen genoemde ontwikkelingen betreffen geen autonome ontwikkelingen, omdat er nog geen concrete besluitvorming (zoals een wijziging omgevingsplan of een omgevingsvergunning) over is geweest.
Deze maken daarom geen deel uit van de referentiesituatie. Het plan-MER heeft alle bekende toekomstige ontwikkelingen wel meegenomen als stadsontwikkelingen bij het bespreken van de mogelijke onverenigbaarheid met windturbines. Met de mogelijke verplaatsing van het helikopterplatform naar het AMC, een mogelijk onderstation van Tennet bij AMC West en de woningbouwplannen van de gemeente Zaanstad (Achtersluispolder, Hembrugterrein) en Amsterdam (Haven-Stad, woningbouw in Zuidoost), is in het plan-MER rekening gehouden onder de paragraaf ‘Stadsontwikkelingen’ (zie voor een overzicht van de stadsontwikkelingen paragraaf 2.6 van de Technische bijlage bij het plan-MER). Inderdaad zijn mogelijke woningbouwplannen voor Zuiderhout daar niet specifiek genoemd, maar deze zijn ook niet
54
Nota van Beantwoording
op de website van de gemeente Zaanstad vermeld. De ontwikkeling voor recreatieparken Nauerna en Hoogtij speelt een prominente rol rond het zoeken naar locaties voor windturbines door de gemeente Zaanstad. In het Havengebied in Amsterdam spelen inderdaad vele knelpunten bij de inpassing van meer windturbines. Voor het Havengebied is een project-MER in voorbereiding voor negen posities. Als ten tijde van concreet locatiespecifiek vervolgonderzoek meer bekend is over windenergieontwikkelingen in buurgemeenten (bv. Diemen, De, Ronde Venen, Zaanstad) zal ook in meer detail gekeken moeten worden naar gezamenlijke effecten aan de hand van de dan bestaande concrete ontwikkelingen. Gezien de ligging van de 45 dB Lden-contour van de onderzoeksopstelling in de Diemerscheg in het plan-MER is het overigens niet waarschijnlijk dat de cumulatieve geluidsbelasting van Amsterdamse en Diemense windturbines gezamenlijk tot een overschrijding van de 45 dB Lden-contour bij geluidsgevoelige objecten leiden. De zienswijzen leiden niet tot wijzigingen, met uitzondering van een toelichting over de voortgang en samenhang tussen gebieden in par. 3.4 van het PWA.
2.3
Recreatie
Quotes uit zienswijzen “Een windpark is niet om in te wandelen” “Van stadspark naar industrieterrein” “Deze windmolens zijn van heinde en verre te zien, dus waar ik ook ga wandelen - de reuzen wandelen mee”
Zienswijzen Recreatie algemeen Kleine stukjes groen in dichtbebouwde stad zijn nodig om tot rust te komen. Met een windturbine in de buurt, is een gebied niet meer geschikt voor recreatie. De gevolgen voor bezoekers moeten ook worden onderzocht. De waardering voor parken en natuurgebieden is al een keer onderzocht, er zijn waarderingsonderzoeken van Zuidoost zijn beschikbaar. Windturbines hebben een verdringingseffect op economische activiteiten voor recreatiebedrijven (en andere economische activiteiten) Indiener hoopt dat windmolens combineren met recreatieve functie van een gebied https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/imago-zuidoost-2020 Golfterrein Door windzuiging van de windturbine doet een golfbal iets anders dan je wil, en daarom is het niet aantrekkelijk in de nabijheid van een windturbine te golfen. Golfers zullen voor andere banen kiezen. Volkstuinen Indieners stellen dat negen volkstuinparken direct bij de zoekgebieden liggen en dat het gaat om 1.900 volkstuinen, 4.800 tuinders en familieleden/medetuinders. Bij de extra zoekgebieden nog eens ruim 2.100 volkstuinen met 5.300 tuinders. In totaal 4.000 tuinen en ruim 10.000 mensen die daar grote delen van het jaar dag en nacht verblijven. Tuinen zijn ook van groot belang voor bezoekers en passanten.