Bijlage bij inspraak dhr. Naber - nota van beantwoording programma windenergie amsterdam
Tekst van het document
21
Nota van Beantwoording
en Weesp hebben daardoor al veel overlast. Genoemd worden de provinciale weg langs Driemond (sommigen zijn daardoor gedwongen aan de achterkant van de woning te leven) en het steeds verder afknabbelen van een stukje leefbaarheid voor Weespers (eerdere afspraken worden geschonden; volgens sommigen wordt alles steeds slechter sinds Weesp bij Amsterdam is gekomen). In Driemond zijn al geen voorzieningen, de woonomgeving mag niet verder achteruitgaan. Meer geluidsoverlast (aan de achterkant van de woning) kan er echt niet bij. Geluidoverlast van de provinciale weg langs Driemond zou beperkt moeten worden met geluidsabsorberend asfalt/geluidscherm. Anderen zijn tegen de aanwijzing van twee groene gebieden in Driemond. Driemond wordt verder ingesloten tussen hoge masten. De bewoners lijken vergeten18. Ook de recreatie wordt verstoord door slagschaduw en geluid. Specifiek de volkstuinders komen voor hun rust en genieten daar van maart tot oktober van, zij vrezen ernstige hinder en slapeloosheid. De tuinvereniging is er al vanaf 1973. Indieners noemen de nabijheid van kwetsbare objecten en gasflessen (externe veiligheid). Een andere indiener vindt Diemerscheg niet geschikt vanwege instabiele grond en veiligheidsrisico’s door aanwezige hoogspanningsverbindingen en scheepvaart met vervoer van gevaarlijke stoffen.
Benodigde infrastructuur en graafwerkzaamheden (in aanlegfase en voor onderhoud) verenigen zich niet met waardevol gebied, Natura 2000 en NNN, natuurverbindingen, en ecologische structuren. Amsterdam moet van Diemerscheg afblijven. Diemen plaatst al eigen windmolens zonder inmenging Amsterdam. Turbines in Diemerscheg zullen vaak stilgezet moeten worden, zodat ze minder rendabel zijn, maar wel het hele gebied verpesten. Sommige indieners vinden juist alleen de Diemerscheg geschikt voor windturbines. Opstellingen in het bos vallen veel minder op dan in het open landschap. Een indiener vindt de volkstuinhuisjes van ondergeschikt belang omdat mensen daar tijdelijk verblijven. Een bewoner van Weesp kan zich vinden in de aanwijzing van Diemerscheg, mits er voldoende gemitigeerd wordt in het vervolgproces. Weer een andere indiener pleit voor een gezamenlijke inpassing met Diemen. Sommige indieners stellen voor het aangewezen gebied Diemerscheg te verkleinen tot een strook zo dicht mogelijk langs het spoor, tot het gebied op de gemeentegrens met de grootste afstand tot de noordelijke bebouwing van Driemond en toekomstige bebouwing, danwel te verduidelijken waar de turbines precies komen te staan, waarbij natuur en recreatie de minste hinder ondervinden.
Overwegingen college Voorstanders aangewezen gebieden in het ontwerp-PWA Er zijn ook vele positieve reacties ontvangen. Hierdoor ontstaat voor het college een vollediger beeld van hetgeen leeft in de stad. Voorstellen andere gebieden dan in het ontwerp-PWA Hoewel het plan-MER in principe bedoeld was om de mogelijkheid en milieueffecten van windturbines in de eerder vastgestelde zoekgebieden te onderzoeken heeft het adviesbureau ook een gemeentebrede ‘belemmeringenanalyse’ uitgevoerd (zie par. 2.3 van het plan-MER), om te onderzoeken of kansrijke alternatieve locaties buiten de eerder vastgestelde zoekgebieden waren gebleven. De belemmeringenanalyse laat zien dat er veel aspecten zijn die de plaatsing van windturbines verhinderen. Veel van de in de zienswijzen genoemde alternatieve locaties zijn om die reden niet mogelijk. Bijvoorbeeld om de volgende redenen: • Veel locaties zijn zodanig omringd door woningen dat windturbines hier niet passen. Denk bijvoorbeeld aan de grachtengordel, de McDonalds aan de Muntbergweg, het AMC en de achtertuin van de wethouder. 18 Verwezen naar https://geenmolensdiemerscheg.petities.nl/
22
Nota van Beantwoording
• De voorgestelde locaties bij Duivendrecht, achter de Maxis Muiden en knooppunt Diemen vallen buiten het grondgebied van de gemeente Amsterdam. • Het voorgestelde Hemwegcentrale-terrein en de in de toekomst overbodige kolenopslagterreinen liggen binnen zoekgebied 1A en zijn dus in het plan-MER onderzocht. • In een groot gedeelte van de gemeente geldt een bouwhoogtebeperking vanuit Schiphol die windturbines onmogelijk maakt. Het gaat dan bijvoorbeeld om de Zuidas, de centrale stadsparken, het Museumplein, het gebied achter de politiemanege, de Amstel richting Ouderkerk a/d Amstel, de rand van de A10 bij de RAI, de Lutkemeerpolder. • De Diemerzeedijk valt deels binnen zoekgebied 4E, waar weinig ruimte is vanwege de hoogspanningskabels Een groot deel van de Diemerzeedijk ligt ook buiten de gemeente Amsterdam. • De ruimte langs het Amsterdam-Rijnkanaal ligt, voor zover op Amsterdams grondgebied, binnen zoekgebied 5A. Uit de belemmeringenanalyse blijkt dus dat geen andere te onderzoeken gebieden voor de opwek van windenergie gemist zijn. Daarom beperkt het plan-MER zich tot het onderzoeken van milieueffecten van windturbines binnen de RES-zoekgebieden en zijn locaties daarbuiten geen onderdeel van de reikwijdte van het plan-MER (zoals al benoemd in de NRD van het plan-MER) en het PWA.
Wijze van selecteren gebieden Voordat de gebieden zijn aangewezen, is een uitgebreide voorbereiding geweest en is onder meer een milieuonderzoek (het plan-MER) opgesteld. Daarover is een advies van de Commissie mer gevraagd. Het college heeft vervolgens een afweging gemaakt en is daarbij van mening dat de milieugevolgen aanvaardbaar zijn. Bij die afweging heeft het college invulling gegeven aan het coalitieakkoord voor de bestuursperiode 2022-2026 voor wat betreft windenergie. In het akkoord staat als volgt: ‘Windenergie maakt een cruciaal deel uit van de energiemix. We willen het potentieel aan windenergie in Amsterdam benutten zonder dat hierdoor onaanvaardbare gezondheidsrisico’s ontstaan of de natuur teveel wordt belast.’ In het ontwerp-PWA zijn in eerste instantie op basis van twee hoofdoverwegingen gebieden geselecteerd; het gaat om de overwegingen gezondheid (buiten het havengebied geen gebieden aanwijzen waar volgens het plan-MER een geluidsbelasting van meer dan 45dB Lden op geluidgevoelige objecten optreedt), en natuur (geen Natura2000-gebied aanwijzen). Vervolgens is getoetst of geen andere onaanvaardbare effecten optreden gelet op de conclusies in het planMER, het rapport ‘Sociale aspecten zoekgebieden Programma Windenergie Amsterdam’, en rapport ‘Onderzoek en advies financiële participatie Amsterdamse wind & zon’.
Daarmee is niet gezegd dat er helemaal geen negatieve effecten zullen zijn. Het college weegt het milieubelang af tegen het algemene belang om aan de klimaatdoelstellingen te voldoen. Daarbij weegt ook mee dat voorwaarden voor het vervolgproces meegegeven worden (zie hoofdstuk 4 van het PWA) en dat op project-niveau maatregelen mogelijk zijn om negatieve milieugevolgen weg te nemen of te verminderen. . Op projectniveau zal door het college opnieuw een belangenafweging gemaakt moeten worden mede in relatie tot de verwachte opbrengst van een windturbine. De wijze van selecteren resulteerde in de in het ontwerp-PWA voorgestelde aanwijzing van de gebieden: Havengebied (ten Westen van de A10), Knooppunt Holendrecht, Oeverrand Gaasperplas, Weesperkarspel/Gein, en Diemerscheg. Aanwijzing Havengebied Voor de aanwijzing van het Havengebied ten westen van de A10 blijkt uit het plan-MER dat hier in theorie voldoende posities zijn waarbij de milieugevolgen relatief beperkt zijn. In de zienswijzen is brede steun uitgesproken voor dit gebied. Dit gebied heeft ook de bestuurlijke voorkeur. Om dit standpunt te ondersteunen is bij het ontwerp-PWA ook het voornemen bekend gemaakt om het gebied als versnellingsgebied voor windenergie in de zin van REDIII19 aan te wijzen.
De verwachting is, dat 19 Mogelijk wenst het rijk het hele Noordzeekanaalgebied aan te wijzen als versnellingsgebied voor duurzame energieopwek. Daarover is naar verwachting eind mei 2025 meer bekend als de landelijke inventarisatie door het rijk (‘mapping’) is afgerond. De gemeente Amsterdam loopt hier op vooruit voor wat betreft windenergie.
23
Nota van Beantwoording
met name doordat de aanwijzing als versnellingsgebied tot gevolg heeft dat de proceduretijd voor de vergunningverlening verkort wordt, het voor marktpartijen aantrekkelijker is om in het Havengebied windturbines te realiseren ten opzichte van de overige aangewezen gebieden. Voor zover de bezwaren die vanuit bewoners van nabij het Havengebied gelegen buurgemeenten of stadsdeel Nieuw-West worden aangevoerd, wijst het college ter onderbouwing van de aanwijzing van het Havengebied naar de conclusies van het plan-MER. Voor negen posities in het Havengebied is een project-mer in voorbereiding. Op projectniveau is uiteraard een zorgvuldige inpassing vereist, waarbij onder andere de belangen van bewoners van buurgemeenten meegewogen worden. De afstand vanaf de onderzochte windturbineposities tot niet-bedrijfswoningen is doorgaans dusdanig dat negatieve effecten (ook inclusief cumulatie met andere milieueffecten) beperkt zijn. In het plan-MER zijn in het Havengebied (1A) de milieugevolgen van vijfenveertig theoretische onderzoeksposities onderzocht. Daarvan zal in de praktijk het grootste deel niet haalbaar zijn. Om de gemeentelijke doelstelling te halen zijn op dit moment nog circa 4 grotere ofacht kleinere windturbines nodig, waardoor ook de milieueffecten geringer zullen zijn dan uit het plan-MER blijkt.
In een planMER worden altijd de milieugevolgen van de maximale mogelijkheden van een plan of programma onderzocht. Het college ziet geen aanleiding om de aanwijzing van dit gebied te wijzigen. Andere samenstelling/prioritering aangewezen gebieden dan in ontwerp-PWA en Aanwijzing Oeverrand Gaasperplas, Weesperkarspel/Gein en Knooppunt Holendrecht Tegen de voorgestelde aanwijzing van de Oeverrand Gaasperplas zijn de meeste negatieve zienswijzen ingediend. Het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuidoost verzoekt uitdrukkelijk in het finale advies om dit gebied niet aan te wijzen en ook de bestuurscommissie van stadsgebied Weesp vraagt dit gebied te heroverwegen (zie hiervoor ook par. 3.7 van deze NvB). Het college heeft daarom nogmaals overwogen dat dit gebied zeer hoog gewaardeerd wordt en druk bezocht wordt door diverse doelgroepen en omwonenden. Uit gegevens over bezoekersaantallen (uit het groot groen onderzoek 2018) blijkt dat de Gaasperplas onderdeel uitmaakt van het meest drukbezochte recreatiegebied van Zuidoost. In de zienswijzen is ook naar voren gebracht dat het gebied veel variatie in gebruikersgroepen heeft. Mede daarom is er bijzonder veel weerstand tegen met name dit zoekgebied. Het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuidoost wijst in zijn finale advies ook op deze belangrijke functie van de Gaasperplas voor gebruikers uit de nabije omgeving met een beperkt budget.
Gelet op: • de zienswijzen; • het uitdrukkelijke advies van het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuidoost en het verzoek van de bestuurscommissie van stadsgebied Weesp over dit gebied, • de relatief beperkte aanwezige fysieke ruimte voor optimalisatie van de positie van de turbine, en; • de aanvullende gegevens over hoge bezoekersaantallen, heeft het college -ondanks dat het plan-MER en Rapport sociale aspecten geen onderscheidende argumenten biedt - besloten om dit gebied te laten afvallen. Het (meertje/strandje in het) gebied de Hoge Dijk valt buiten alle in het ontwerp-PWA voorgestelde aangewezen gebieden. Het gebied Knooppunt Holendrecht bevindt zich aan de andere kant van de Abcouderstraatweg. In het plan-MER zijn milieugevolgen onderzocht, maar de in de zienswijzen genoemde gevolgen voor hotelgasten nabij Knooppunt Holendrecht maakt daar geen onderdeel van uit. Deze hebben betrekking op economische gevolgen en arbeidsomstandigheden van het personeel. Het abstractieniveau van het PWA is te hoog om daar nu uitspraken over te doen. Op voorhand zijn deze gevolgen niet dusdanig dat Knooppunt Holendrecht niet aangewezen zou kunnen worden. Hotelgasten en werknemers verblijven immers tijdelijk in het hotel. Een hotel is naar zijn aard daarom heel anders dan een woning. Mocht het hotel van mening zijn dat schade geleden wordt, dan is daar een afzonderlijke procedure voor.
24
Nota van Beantwoording
Omdat de periode van het PWA relatief kort is (tot 2030) gaat het college gelijktijdig voor Knooppunt Holendrecht, Weesperkarspel en Diemerscheg een nadere verkenning starten. Op die manier ontstaat een beter beeld over de daadwerkelijke inpasbaarheid in die gebieden, terwijl tegelijkertijd ontwikkelingen in het Havengebied en Noorder IJ-plas concreter worden. Het college neemt geen besluiten met onomkeerbare gevolgen voor de gebieden in Zuidoost en Diemerscheg tot meer duidelijkheid is over het redelijkerwijs te verwachten aantal MW opgesteld vermogen in het Havengebied en de Noorder IJ-plas, en daarmee dus over de restopgave voor de opwek van windenergie in Amsterdam. Stadsdeel Zuidoost verzoekt in zijn finale advies om snelle duidelijkheid, en ook de Commissie mer beveelt aan om een tijdsindicatie te geven. Het is op dit moment helaas nog niet duidelijk wanneer bekend is hoeveel MW in het Havengebied opgesteld kan worden en hoe de vergunningverlening voor windpark Noorder IJ-plas verder gaat verlopen. Strijd ander beleid Veel zienswijzen wijzen erop dat het aanwijzen van deze zoekgebieden in strijd zou zijn met ander bestaand gemeentelijk beleid. Het klopt dat in sommige van de genoemde beleidsdocumenten (o.a. de genoemde natuurbeschermingsregimes en de ontwikkelstrategie 2035) windenergie of windturbines niet expliciet benoemd worden.
Dit maakt echter niet meteen dat het aanwijzen van windzoekgebieden niet mogelijk zou zijn of strijd oplevert met ander beleid. Soms maken beleidsstukken actief uitzondering voor windturbines (bijvoorbeeld het vigerende (en nieuwe) hoofdgroenstructuurbeleid; zie over het hoofdgroenbeleid ook de beantwoording in par. 1.5 van deze Nota van Beantwoording ). De gemeente Amsterdam heeft vele, soms strijdige, ruimtelijke opgaven die in beperkte beschikbare ruimte moeten worden ingepast. Een zorgvuldige ruimtelijke afweging moet duidelijk maken welk van de opgaven op welke plek voorrang moet krijgen. In sommige gevallen zijn bepaalde functies inderdaad onverenigbaar met windturbines. In het plan-MER is ingegaan op bestaande harde belemmeringen en is een doorkijk gegeven naar enigszins geconcretiseerde toekomstige functies (zie onder ‘Stadsontwikkelingen’ in het plan-MER). Als deze toekomstige functies op voorhand niet verenigbaar zijn met windturbines, is dat gebied in het ontwerp-PWA niet aangewezen. Soms kunnen functies die op het oog tegenstrijdig zijn, wel worden gerealiseerd als er mitigatie of compensatiemaatregelen worden genomen. Dit is bijvoorbeeld het geval met natuurbeschermingsregimes. Het feit dat in een beleidsstuk een bepaald gebruik extra beschermd is, betekent dus niet dat ander gebruik nooit kan. Wel is op projectniveau altijd aanvullend onderzoek nodig.
Recreatie/rust/natuur/landschap Het college is zich ervan bewust dat turbines nadelige milieugevolgen kunnen hebben en dat er veel en toenemende behoefte is aan recreatie en biodiversiteit. Het plan-MER laat zien in welke mate nadelige milieugevolgen optreden. Volgens het college zijn deze nadelen op het abstractieniveau van het programma niet dusdanig dat een inpassing in de voorgestelde gebieden op voorhand niet mogelijk zou zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor de gevolgen voor het UNESCO-werelderfgoed. Volgens het planMER zijn deze effecten voor sommige aangewezen gebieden licht negatief. Dat neemt niet weg dat op projectniveau meer gedetailleerd onderzoek nodig is en zorgvuldig moet worden gekeken voordat daadwerkelijke toestemming voor een turbine gegeven wordt. Op dat moment kan ook afgewogen worden in hoeverre nadelige effecten weggenomen of gecompenseerd kunnen worden, en hoe deze nadelen zich verhouden tot de verwachte energieopbrengst na mitigatie. Bestaande milieuoverlast In het plan-MER zijn onder meer de cumulatieve gevolgen van bestaand omgevingsgeluid uit verschillende bronnen met het geluid van windturbines onderzocht. Geluid van evenementen is daarbij niet beschouwd omdat deze incidenteel in verschillende omvang en op verscheidene locaties plaatsvinden.
Uit de cumulatieve berekeningen blijkt dat er cumulatief een beperkte toename is van het aantal ernstig gehinderden (zie tabel 8 in par. 3.3 van het plan-MER). Op projectniveau wordt dit meer in detail onderzocht en wordt beoordeeld welke mitigerende maatregelen nodig zijn.
25
Nota van Beantwoording
Te dicht bij de gemeentegrens In diverse zienswijzen wordt aangevoerd dat de turbine te dicht bij de gemeentegrens zou staan. Uit het plan-MER blijkt dat de onderzoekspositie in Weesperkarspel/Gein mogelijk een overdraai heeft over de gemeentegrens met De Ronde Venen. Mocht deze positie verder uitgewerkt worden, zal dit inderdaad een aandachtspunt zijn. Of daadwerkelijk een overdraai ontstaat zal onder andere afhangen van de diameter en stand van de rotorbladen. Indien daadwerkelijk sprake zal zijn van een overdraai zal de gemeente Ronde Venen daar toestemming voor moeten geven. In het plan-MER zijn de milieugevolgen onderzocht ongeacht of een gemeentegrens overschreden wordt. In het plan-MER wordt ook ingegaan op beleid buurgemeenten Het plan-MER brengt de effecten van windturbines in kaart in de omgeving van de zoekgebieden. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt of die effecten op grondgebied van Amsterdam of een buurgemeente vallen. Ook de verschillende stadsontwikkelingen van buurgemeenten in de nabijheid van zoekgebieden is in hoofdstuk 3.13 van het plan MER in kaart gebracht. De effecten op het landschap zijn volgens het planMER niet dusdanig dat op voorhand de realisatie van windturbines op voorhand onmogelijk zou zijn. De grens van het gebied Weesperkarspel/Gein is niet verschoven. Mogelijk doelt indiener op het aangrenzende gebied Oeverrand Gaasperplas.
Aanwijzing Diemerscheg Naar het oordeel van het college zijn die milieugevolgen op voorhand niet dusdanig, dat in het gebied geen turbines zouden kunnen worden ingepast. De gebieden die in het ontwerp-PWA zijn aangewezen, zijn allen op dezelfde manier onderzocht en gewogen. Ten aanzien van de gevolgen van geluid op gevels van woningen, is het college uitgegaan van maximaal 45 dB Lden (zie in dit verband ook par. 2.2 van het PWA). Een overschrijding van een geluidniveau van 45 dB Lden, op de gevel van bestaande en geplande woningen (ook buiten de gemeentegrens) wordt niet verwacht. Voor zover de geuite zorgen gaan over de nabijheid van infrastructuur zoals hoogspannings- en gasleidingen en waterverkeer, blijkt uit de belemmeringenanalyse en het externe veiligheidsonderzoek in het plan-MER dat vier turbines inpasbaar zouden zijn in dit gebied. Ook de externe veiligheid in relatie tot het volkstuinencomplex levert niet op voorhand knelpunten op. Uiteraard is vervolgonderzoek nodig. Een onderdeel van het vervolgonderzoek is om meer in detail de milieugevolgen in beeld te brengen en welke mitigerende maatregelen mogelijk zijn. Dit wordt in nauwe samenwerking met onder andere de provincie Noord-Holland en de gemeente Diemen onderzocht. Ecologische waarden en belangen -zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase- en een zorgvuldige landschappelijke inpassing komen hier aan de orde.
Ook de mogelijke gevolgen voor het gebruik als volkstuin zijn een onderdeel van de nadere afwegingen over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, voordat daadwerkelijk toestemming voor een turbine gegeven wordt. Het college ziet geen aanleiding de aanwijzing van dit gebied te wijzigen. De zienswijzen leiden wel tot wijzigingen De in het ontwerp-PWA voorgestelde aanwijzing van de Oeverrand Gaasperplas vervalt. Voor de andere gebieden Knooppunt Holendrecht, Diemerscheg en Weesperkarspel/Gein worden voorbereidende onderzoeken gestart naar de inpasbaarheid. In die gebieden worden geen besluiten met onomkeer bare gevolgen genomen, tot meer duidelijkheid is over het redelijkerwijs te verwachten aantal opgesteld vermogen MW in het Havengebied en de Noorder IJ-plas voor 2030.
1.3
Landelijke windturbinenormen
Zienswijzen Wettelijke normen moeten in acht worden genomen. Het doorzetten van de plannen zonder landelijke normen en met onvoldoende aandacht voor de expert adviezen, kan leiden tot juridische
26
Nota van Beantwoording
kwetsbaarheid en maatschappelijke onrust. Het suggereert een voorkeur voor de belangen van initiatiefnemers boven die van bewoners en het milieu. De windturbines zijn volgens indieners in strijd met de wettelijke afstand ten opzichte van woningen, i.v.m. geluid en slagschaduw. Volgens het Besluit milieuregels windturbines gelden de landelijke geluidsnormen 47dB/’s nachts 41dB en voor slagschaduw geldt maximaal 17 dagen per jaar, niet meer dan 20 minuten op een gevel met ramen.20 Volgens indiener is in het ontwerp-PWA op voorhand aan de landelijke normen getoetst. Eén van deze normen is een afstandsnorm: tenminste een afstand van 2x de tiphoogte tot windgevoelige objecten. In het ontwerp-PWA is geen rekening gehouden met deze norm. Het betreft een landelijke norm ter invulling van het criterium ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is gekozen voor een harde norm waarvan de gemeente alleen vanwege zwaarwegende belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen kan afwijken op basis van indringende inhoudelijke afweging en goede motivering.21 Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, kiest voor een afstandsregel, zie planMer, technische bijlage, blz.
122 “De Afdeling gaat er echter vanuit dat de gevolgen van het zicht op het windpark voor het woon- en leefklimaat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel te beperkt zijn om nog te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis”.
Overwegingen college Het PWA is bedoeld om te zorgen dat er genoeg extra windturbines kunnen worden bijgebouwd om aan de doelstelling te voldoen, mits deze windturbines geen onaanvaardbare effecten veroorzaken op gezondheid en natuur. Uiteraard moeten de windturbines ook voldoen aan provinciale en landelijke wetgeving en beleid. De normen voor geluid en slagschaduw uit het Activiteitenbesluit Milieubeheer/Besluit activiteiten leefomgeving waarin in de zienswijzen wordt gerefereerd, zijn als gevolg van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding, 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1395) alleen nog van toepassing op één of twee windturbines maar niet op windparken (dat zijn drie of meer windturbines). Dat is omdat volgens de Afdeling door de wetgever ten onrechte geen plan-MER was opgesteld voor de normen voor windparken. In het najaar van 2023 zijn de nieuwe landelijke milieunormen voor geluid, slagschaduw, externe veiligheid en lichtschittering van zowel solitaire windturbines als windparken in concept gepubliceerd. Deze normen zijn door de rijksoverheid met een plan-MER onderbouwd. Hoe de definitieve versie van deze landelijke ‘windturbinebepalingen’ eruit komt te zien is momenteel nog niet bekend.
In het hoofdstuk ‘Leemten in kennis’ van het “Plan-MER Programma Windenergie Amsterdam 2030” is getoetst of de aangewezen gebieden ook uitvoerbaar zijn onder de concept-landelijke normen. Dat is het geval, zie hoofdstuk 5.1.1 ‘Landelijke milieunormen windenergie’ en tabel 21. Na het vaststellen van het PWA dienen de aangewezen gebieden door de initiatiefnemers verder te worden uitgewerkt met detailonderzoeken en daarbij dient in de vergunningsaanvraag te worden aangetoond dat eventuele turbines kunnen voldoen aan de gestelde wet-regelgeving en welke mitigerende maatregelen daarvoor nodig zijn. Als inderdaad een afstandsnorm van minimaal twee keer de tiphoogte wordt vastgesteld, betekent dit bijvoorbeeld dat mogelijk een lagere windturbine gerealiseerd kan worden dan in het plan-MER is onderzocht.
20 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/geluidsoverlast/vraag-en-antwoord/welke-regels-gelden-er-voor-hetplaatsen-van-windmolens-vlakbij-een-woonwijk#:~:text=Windmolens%20kunnen%20ook%20andere 21 Staatscourant 2023, nr. 27607
27
Nota van Beantwoording
Het citaat in de zienswijzen over de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat over tot welke afstand volgens de Afdeling nog gesproken kan worden over een belanghebbende. Als iemand geen belanghebbende is, gaat de Afdeling niet inhoudelijk in op de beroepsgrond. Dat is dus een heel ander toetsingskader dan aan welke norm een windturbine moet voldoen. De zienswijzen leiden niet tot wijzigingen
1.4
Sociale aspecten
Quotes uit de zienswijzen “Bij en in deze wijken Gein3 en Gein 4 is iedereen goed en lief voor elkaar en genieten we van onze omgeving. Daarom, zoals Eberhardt van der Laan al zei voor alle Amsterdammers: “wees lief voor elkaar” en in dit geval ook voor ons. Hier geen windturbines!” “Er is bewust gekozen voor het aanwijzen van gebieden waar de minste juridische weerstand te verwachten is” “Weesp is een kleine plaats waarbij de rust, landelijkheid, schoonheid, en vooral woonplezier al sterk onder druk staat door (geplande) hoogbouw, geluid door voornamelijk treinverkeer maar ook wegverkeer en asociale elementen in de samenleving.”
Zienswijzen Windturbines in of nabij natuurgebieden kunnen deze gebieden volgens indiener minder aantrekkelijk maken voor recreatie en natuurbeleving, wat weer negatieve economische gevolgen kan hebben voor het toerisme en de lokale gemeenschap. Reigersbos en Holendrecht West zijn recent tot ontwikkelgebied verklaard vanwege grote uitdagingen op sociaal- economisch gebied en op het gebied van gezondheid, huisvesting, onderwijs en werkgelegenheid. Deze kwetsbare groepen krijgen geen betere welstand door te investeren in bewonersenergiecoöperaties, zij hebben geen middelen om te investeren. Voor een sociaal zwak stadsdeel als stadsdeel Zuidoost is positieve aandacht nodig. Er is niet voor niets het Masterplan Zuidoost. Windturbines ondergraven de ambities daaruit door overlast en het opofferen van groen. Het PWA en bijbehorende plan-MER richten zich voornamelijk op milieutechnische en ruimtelijke aspecten van windturbine. Het belang van draagvlak en leefomgevingskwaliteit wordt erkend maar een diepgaande analyse van sociale effecten in het plan-MER ontbreekt en dat is een ernstige tekortkoming, gezien de potentiële impact op de leefbaarheid van de stad (zie ook onder par. 2.1 van deze NvB milieugevolgen). Gerelateerd aan de piramide van Maslow, scoren veel bewoners van Zuidoost laag. Buurten binnen Zuidoost scoren slecht op thema’s als eenzaamheid en gezondheid.
Er is sprake van een cumulatie van problemen, financieel, gezondheid, stress, lichamelijke klachten. Dat Gein 3 en 4 bovengemiddeld goed scoren op sociale aspecten is niet onderbouwd. Het lijkt daardoor of de uitkomst al van tevoren bepaald is. De suggestie dat ‘betere wijken’ Gein 3 en 4 (de naam ‘Weesperkarspel’ bestaat niet meer) beter kunnen omgaan met geluidsoverlast/extra overlast wel aankunnen is een vreemde redenering. Als het een rustige wijk is, is een windturbine juist extra storend. Bovendien is dit in strijd met artikel 1 van de Grondwet, nl. dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden. Een vergelijking met de postcodeaffaire gaat hier op. Het betrekken van sociale aspecten bij het PWA is volgens indiener niet juridisch houdbaar.
28
Nota van Beantwoording
Een andere indiener concludeert op basis van het rapport Sociale aspecten iets anders dan hetgeen hierover in het ontwerp-PWA staat ‘Het onderzoek naar sociale aspecten geeft een meer wisselend beeld. De wijken Gein 3 en 4 scoren bovengemiddeld op sociale aspecten, maar in Weesperkarspel bevindt zich wel een sociaaleconomisch kwetsbare buurt’. Er zijn kwetsbare groepen in Reigersbos en Holendrecht West, nabij Knooppunt Holendrecht. De wijk Kantershof is maar voor een deel meegenomen, terwijl er 600 woningen zijn met kwetsbare groepen en ouderenflats met mensen die maar met moeite rond kunnen komen en daardoor veel stress. Deze zijn voor recreatie afhankelijk van een dagje Gaasperplas.
Overwegingen college Het college beoogt met dit programma gebieden voor de mogelijke ontwikkeling van windenergie aan te wijzen die volgens hem op voorhand geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor gezondheid en natuur. Na de stap of geen onaanvaardbare gevolgen zijn voor natuur en gezondheid, heeft het college gekeken of naar verwachting geen andere onaanvaardbare milieugevolgen ontstaan of dat de sociale kwetsbaarheid van wijken in de directe nabijheid van het aan te wijzen gebied voor het college aanleiding is om het gebied te laten afvallen. Dat is niet het geval bij de voorgestelde aanwijzing van de gebieden in Zuidoost. De redenering dat er meer geluidsoverlast zou kunnen als een wijk niet sociaal kwetsbaar is, klopt niet. Sociale aspecten hebben mede een rol gespeeld in de keuze om een gebied al dan niet aan te wijzen, maar zijn niet het enige en doorslaggevende argument. Het betrekken van sociale aspecten is geen wettelijk verplicht onderdeel van een plan-MER. Mede naar aanleiding van het advies van de Commissie mer over de NRD heeft het college dit aspect wel meegenomen. Het wegen van sociale aspecten is evenmin in strijd met de Grondwet. Sociale aspecten zijn onderbouwd met het rapport Sociale aspecten zoekgebieden Programma Windenergie Amsterdam van 21 december 2023 van Anteagroup.
Dit rapport was nog op basis van alle RES-zoekgebieden, zodat onder andere het hele gebied Gaasperplas, beschouwd was. In het rapport Sociale aspecten zijn woonwijken onderzocht die binnen een kilometer van een zoekgebied liggen. Die contour beslaat is inderdaad niet de hele wijk Kantershof. In het ontwerp-PWA was echter het gebied Gaasperplas aanzienlijk beperkt tot alleen de zuidoostelijke oeverrand, zodat ook de meest kwetsbare wijken in Zuidoost grotendeels buiten de 1 km-contour rond de oeverrand Gaasperplas zouden vallen. Uit de bevindingen in het rapport over de meest dichtstbijzijnde wijken Gein3 en 4 volgt geen groot risico wat betreft sociale aspecten (zie in dit verband tabel 9 in het rapport Sociale aspecten zoekgebieden Programma Windenergie Amsterdam van 21 december 2023 van Anteagroup). De zinsnede ‘in Weesperkarspel bevindt zich wel een sociaal kwetsbare buurt’ in par. 2.3 van het ontwerp-PWA wordt gecorrigeerd in het PWA. Bedoeld is ‘bevindt zich binnen een contour van 1 km rond het aangewezen gebied Weesperkarspel/Gein ook een sociaal-economisch kwetsbare buurt’ Het college is zich ervan bewust dat Amsterdammers in sociaal-economisch kwetsbare wijken voor recreatie meer zijn aangewezen op recreatiegebieden in hun buurt/wijk.
Dit was echter geen onderzoekscriterium in het rapport Sociale aspecten (zie voor de indicatoren tabel 2 van het rapport Sociale aspecten). Ten aanzien van het aspect recreatie bij de Gaasperplas wordt verwezen naar de overwegingen in paragraaf 1.2 van deze Nota van Beantwoording. Op basis van die heroverweging valt in het PWA het hele gebied Gaasperplas af voor de grootschalige opwek van windenergie. De inzet van het college is dat óók minder draagkrachtige inwoners van Amsterdam rondom de zoekgebieden kunnen deelnemen aan coöperatieve ontwikkeling van windturbines. De zienswijzen leiden tot een tekstuele verduidelijking in het PWA met betrekking tot Weesperkarspel/ Gein zoals hierboven omschreven. Voor het afvallen van de Oeverrand Gaasperplas zie par. 1.2 van deze NvB.
29
Nota van Beantwoording
1.5
Participatie/draagvlak
Quotes uit zienswijzen “Jullie hebben compleet lak aan reacties en stemmingen van inwoners” “Zo ging het ook bij de invoering van betaald parkeren, een overgrote meerderheid was tegen maar het kwam er toch” “Dit positieve bericht versturen wij om te voorkomen dat een minderheid die overal op tegen is, de boel gaat frustreren” “Er was geen participatie, er is geen draagvlak” “Agenda’s die gepland zijn gaan ALTIJD door, en U weet het drommels goed, net zoals ik.” “Maar al bij al, puik werk hoor.” “Mooi initiatief en de procedure ziet er zorgvuldig uit. Trots op m’n stad!” “Jullie krijgen natuurlijk superveel commentaar op windmolens. Ik wil gewoon even zeggen dat ik voor ben.”
Zienswijzen De reacties over het onderwerp participatie zijn grofweg te delen in positieve en negatieve reacties. In deze samenvatting worden eerst de positieve reacties kort samengevat weergegeven en daarna de negatieve reacties. Verder wordt in deze paragraaf het in de zienswijzen naar voren gebrachte (gebrek aan) draagvlak samengevat. Positieve reacties Diverse indieners spreken hun waardering uit voor de gedegen besluitvorming, het delen van informatie in de hele stad en de aandacht voor de zienwijzen. Daardoor wordt het draagvlak vergroot. Er is vertrouwen in een zorgvuldige belangenafweging. Indieners zijn van oordeel dat de gemeente goed heeft geluisterd naar de bezwaren en er zijn weinig gebieden overgebleven. Ook was een stedelijke adviesgroep SARA ingesteld waar ruimte was voor alle meningen. De bezwaren zijn verwerkt in het concept ontwerp-PWA voordat deze openbaar werd. Indieners merken op dat positieve zienswijzen belangrijk zijn omdat voorstanders meestal zwijgen. Een andere indiener vindt het onzin dat hij gevraagd is om zijn mening te geven, want hij woont op ongeveer 4 km van mogelijke windturbines vandaan. Negatieve reacties Volgens indieners is het onderwerp veel te groot en is er veel te veel informatie. Bewoners zijn lamgeslagen door quasi informatieavonden, nieuwsbrieven, inspraakrondes, bezwaar en zienswijzenprocedures en wat nog meer.
Indieners hebben geen vertrouwen in de klankbordgroepen. Kortom, velen haken af het is te veel en reageren heeft geen zin. In het participatietraject zijn burgers betrokken, er wordt echter niet naar de reacties geluisterd en er wordt niets mee gedaan. De keuze is al gemaakt, de politiek doet wat ze wil en drukt door. Het bestuur negeert ingediende petities, moties van buurgemeenten, (ongevraagde) adviezen van stadsdelen, uitkomst referendum over hoofdgroenstructuur en de zorgen van bewoners over gezondheid en leefomgeving, opmerkingen tijdens informatieavonden zijn gebagatelliseerd en ongewenste informatie is niet opgenomen in verslagen. Indieners zijn van mening dat de stukken alleen door hoogopgeleiden wordt begrepen. Een toegankelijke samenvatting ontbreekt. Bij de participatie is geen rekening gehouden met het feit
30
Nota van Beantwoording
dat in Zuidoost, 170 nationaliteiten wonen die niet allemaal Nederlands lezen en spreken. Volgens het coalitieakkoord 22-26, blz. 67 moeten burgers centraal worden gesteld en het vertrouwen in de gemeente vergroot, en dat is hier niet gebeurd. Voorts wordt opgemerkt dat een effectieve samenwerking en overleg met stakeholders zoals luchtvaartautoriteit, lokale gemeenschappen en vogel organisaties, ontbreken. Draagvlak Meerdere indieners geven aan dat er geen draagvlak is voor windturbines in bewoond gebied, terwijl draagvlak juist belangrijk is voor de energietransitie. Draagvlak voor de plaatsing van windturbine is een absolute basisvoorwaarde volgens afspraken Klimaatakkoord. Een deel van de indieners meent dat de gemeente/rijk niet serieus/in het geheel niet luistert naar zijn burgers en aangedragen alternatieven niet serieus neemt. Indieners verwijzen in dit verband naar eerdere volgens hen mislukte participatietrajecten sinds de RES in 2020 en het project Noorder IJ-plas. Deze zouden niet voldoen aan de vereisten van het Klimaatakkoord, namelijk: een initiatiefnemer stelt samen met de omgeving een participatieplan op legt afspraken vast in een participatieovereenkomst, stelt een omgevingsfonds op ter compensatie van hinder en de turbines zijn minimaal 50% eigendom van omwonenden.
Indieners merken op dat de wethouder in de raadscommissie heeft gezegd dat er voldoende draagvlak is omdat een politieke meerderheid voor de plannen stemde. Een politieke meerderheid voor een besluit zegt niets over het draagvlak in een buurt. Een onderzoek naar draagvlak onder bewoners in de buurten ontbreekt. Uit een draagvlakonderzoek nieuwe windmolens in Amsterdam, oktober 2020; blijkt dat geen draagvlak is voor Gaasperplas/Waternet en Diemerscheg. Ook is geen draagvlak in Weesp en Driemond, terwijl dat de belangrijkste voorwaarde is. Voor de fusie heeft de gemeente Weesp zich fel uitgesproken tegen windturbines.22
Overwegingen college Positieve reacties Het college is verheugd dat diverse indieners van zienswijzen waardering uitspreken voor de manier van besluitvorming, de informatievoorziening en de aandacht voor zienswijzen. Omgekeerd spreekt het college grote waardering uit voor de indieners van zienswijzen en adviezen, waaronder de Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam. Zij tonen een grote betrokkenheid bij de stad en dit lastige onderwerp. Het college begrijpt dat niet iedereen zich even direct betrokken voelt, bijvoorbeeld wanneer de afstand tot de aangewezen gebieden groter is. Toch acht het college het van belang om een breed spectrum aan zienswijzen te verzamelen, omdat het PWA mede betrekking heeft op RES-zoekgebieden die nu afgevallen zijn. Door het meewegen van alle zienswijzen en adviezen kan tot een weloverwogen besluit gekomen worden.
22 Verwezen wordt naar: –h ttps://www.itarch.nl/megaturbinesGein/DRV_NHZreactieRES.pdf –h ttps://www.rtvutrecht.nl/nieuws/3750440/amsterdam-wil-mogelijk-windmolens-plaatsen-naast-de-ronde-venen-endaar-zijn-inwoners-en-de-politiek-niet-blij-mee –h ttps://www.weespernieuws.nl/natuur-milieu/natuur-milieu/337827/kritiek-op-windturbineplannen-amsterdamgezondheid-en-natuur–h ttps://gemeente.derondevenen.nl/Bestuur_en_organisatie/Actueel/Nieuws/Gemeente_De_Ronde_Venen_is_tegen_ mogelijke_locaties_voor_windturbines_in_Amsterdam
31
Nota van Beantwoording
Negatieve reacties Het college begrijpt dat de inhoud van het PWA, en de bijlagen, en de grote hoeveelheid informatie als overweldigend kan worden ervaren. Het is belangrijk om te beseffen dat bij een ingewikkeld onderwerp voor de stad veel onderzoeken en beleidsdocumenten horen. Deze documenten zijn belangrijk om ervoor te zorgen dat beslissingen gebaseerd zijn op feiten, wetenschappelijke inzichten en zorgvuldige afwegingen. Deze onderzoeken zijn geschreven door experts op specifieke terreinen. Een plan-MER moet bovendien voldoen aan wettelijke inhoudsvereisten. Hierdoor bevatten onderzoeken vaak vakjargon en complexe informatie die voor niet-ingewijden soms moeilijk te begrijpen kan zijn. Het is echter ons streven om het proces en de informatie voor iedereen zo toegankelijk en begrijpelijk mogelijk te maken. Zo is van het PWA een publieksvriendelijke samen vatting gemaakt en is ook het plan-MER in drie lagen informatie opgebouwd en tevens digitaal beschikbaar gesteld (zie ook hetgeen daarover in par. 2.1 van deze NvB is opgemerkt onder Wijze van onderzoeken). Het college betreurt het dat er een gebrek aan vertrouwen in de klankbordgroepen wordt ervaren en dat het gevoel bestaat dat er onvoldoende naar bewoners is geluisterd. Het college beoogt in een transparant proces de besluitvorming vorm te geven.
In de onderzoeksopzet van het Plan-MER (de zogenaamde Notitie Reikwijdte en Detailniveau: NRD) is weergegeven hoe de ‘Signalen uit de Stad’5 daarin zijn meegenomen. De NRD heeft ter inzage gelegen. In de bijbehorende Nota van Beantwoording is weergegeven of en hoe de zienswijzen tot aanpassingen hebben geleid. Rond het Programma Windenergie Amsterdam bieden voorliggende Nota van Beantwoording en de reactie van het college op het advies van de SARA inzicht in de resultaten van de participatie. Het college neemt reacties uit de stad serieus en weegt deze mee in de besluitvorming. Overigens is serieus nemen niet hetzelfde als dat alle zienswijzen overgenomen worden. Dat kan ook niet, want de meningen verschillen en het college maakt een eigen belangenafweging. Met betrekking tot de diversiteit in Amsterdam Zuidoost, erkent het college het belang van meertalige communicatie en heeft het de ambitie om beter in te spelen op de uiteenlopende behoeften van bewoners. Het college onderzoekt hoe deze groepen beter te bereiken in het vervolg van het traject, bijvoorbeeld door het aanbieden van informatie in het Engels of Spaans. Daarnaast onderschrijft het college het belang van een effectieve samenwerking met diverse stakeholders. Over het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol is het college in gesprek met de bevoegde instanties.
Verschillende vogelorganisaties zijn in de Reflectiefase betrokken. Daarna werden zij vertegenwoordigd in de SARA. Waar nodig blijven wij in de projectfase partijen informeren en zo mogelijk consulteren om tot een evenwichtige afweging van belangen te komen. Over het referendum over de nieuwe Hoofdgroenstructuur merkt het college het volgende op. In de nieuwe Hoofdgroenstructuur was opgenomen dat installaties voor windenergie in verschillende vormen van beschermd groen niet op voorhand wordt uitgesloten, mits aan verschillende voorwaarden en regelgeving wordt voldaan. Op 6 juni 2024 stemde een meerderheid van de Amsterdammers in een referendum tegen de nieuwe Hoofdgroenstructuur en heeft de gemeenteraad tegen gestemd. Daarom geldt nu nog het huidige hoofdgroenbeleid. Het PWA voert de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 ten aanzien van windenergie uit. Draagvlak Het college erkent dat politieke steun of stadsbreed draagvlak voor een plan niet hetzelfde is als draagvlak in de buurt van de aangewezen gebieden. Echter op dit moment werkt het college het gemeenteraadsbeleid uit. Een politieke afweging en besluitvorming over de doelstellingen heeft plaatsgevonden door een democratisch gekozen orgaan. Bij een lokale inpassing vindt opnieuw een belangenafweging plaats. Een overzicht van voor- en tegenstanders per gebied is in het voorwoord van deze NvB opgenomen.
32
Nota van Beantwoording
De gemeente heeft zich ingespannen om bewoners te betrekken bij de participatieprocessen, rondom de Regionale Energiestrategie (RES), het project Noorder IJ-plas en de totstandkoming van het PWA. Toch is het college zich ervan bewust dat er bij een deel van de inwoners het gevoel leeft dat deze betrokkenheid niet altijd voldoende is geweest. Het college blijft in gesprek met bewoners en belanghebbenden om tot een evenwichtige afweging te komen tussen de noodzaak van de energietransitie en de lokale zorgen. In diverse buurgemeenten is ook de RES 1.0 vastgesteld. De gemeente De Ronde Venen en de voormalige gemeente Weesp hebben zich daarbij inderdaad uitgesproken tegen windenergie op hun grondgebied. Bij de fusie van de gemeente Weesp met Amsterdam is afgesproken dat het beleid van de voormalige gemeente Weesp gerespecteerd wordt. De Diemerscheg betreft een gebied dat voor de fusie geen onderdeel van het grondgebied van de gemeente Weesp uitmaakte en is een van de zoekgebieden uit de RES1.0. De gemeente Zaanstad heeft ook de RES1.0 vastgesteld en daarin voor het eigen grondgebied eveneens zoekgebieden voor windenergie opgenomen. Het college onderschrijft de doelstellingen van het Klimaatakkoord en RES1.0 met betrekking tot participatie en lokaal eigendom.
De concrete uitwerking daarvan (waaronder het sluiten van een omgevingsovereenkomst) is echter geen wettelijke verplichting, maar een richtlijn. Verdere richtlijnen voor participatie over de Amsterdamse windturbines zijn opgenomen in het PWA. Daarnaast is het Amsterdamse en/of provinciale participatiebeleid van kracht. De zienswijzen leiden niet tot wijzigingen
1.6
Randvoorwaarden vervolgproces
Quotes uit zienswijzen “Het is van cruciaal belang dat elke opoffering die door Amsterdammers wordt gemaakt, ten goede komt aan de Amsterdammers zelf” “Zorg dat alle maatregelen die worden genoemd om schade aan natuur en landschap weg te nemen of te verminderen, daadwerkelijk worden uitgevoerd” “Als windmolens geplaatst worden in groene gebieden mag dit niet leiden tot een beperking van de recreatiemogelijkheden en mag het geen gevaar of hinder vormen voor dieren en planten” “Let op trekvogels en geluid” “Ik kies ervoor dat suggesties en richtlijnen van het onderzoek door de universiteit worden opgevolgd. Dat is het minste dat we kunnen doen om de vogels te beschermen!” “Ik vind het een prima plan. Maar de gemeente Amsterdam vraagt aan initiatiefnemers niet dat ze de windturbines losmaakbaar, herbruikbaar, recyclebaar maakt. Zou het beter zijn als de gemeente dat wel eist?” “Er zijn onvoldoende duidelijke handhavingsmethoden uitgewerkt, wat kan leiden tot onduidelijkheid en inefficiënties bij het aanpakken van klachten en overtredingen.”
Zienswijzen Natuur en landschap Over het vervolgproces/besluitvorming zijn ten aanzien van natuur en landschap verschillende zienswijzen ingediend. Genoemd zijn het: • Daadwerkelijk meenemen van aanbevelingen voor natuur en landschap Diemerscheg uit het plan-MER.
33
Nota van Beantwoording
• Het verzoek is om Diemerscheg met Diemen uit te werken in een gezamenlijk plan, en aan te sluiten bij het knooppunt A1/A9. • Het concretiseren van toezeggingen over natuurherstel als de turbine er eenmaal staat en hoe toezicht gehouden wordt. • Het voorzien van de wieken met signaalstrepen om ongelukken met vogels zoveel mogelijk te voorkomen. • Het voorzien van windturbines in natuurgebieden met een stilstandvoorziening en/of rotormarkering ter beperking van aanvaringen met vogels. In dit verband wijst indiener op broedende zeearenden in de omgeving Diemerscheg (info vogelwerkgroep Amsterdam en vogelwerkgroep Het Gooi). • In de vervolgcommunicatie duidelijk te vermelden dat het noodzakelijk is om in balans met de natuur te leven, vermijd industrieproducten zoals elektrische tandenborstels en scheerapparaten, verpakkingen meenemen naar de supermarkt en op vakantie niet verder dan 500 km van huis. • In plaats van een statische stilstandvoorziening specifiek voor vleermuizen, een real-time akoestische stilstandvoorziening voor windturbines opnemen. Met een real-time akoestische stilstandvoorziening kan met (beschermde) vleermuizen onderscheiden op basis van gemeten activiteit en indien nodig de windturbine tijdelijk op stilstand te zetten. Dit zorgt naast ecologische voordelen ook voor een beter uitvoerbaar bedrijfseconomisch model.
• Geluidreducerende maatregelen ‘noise modus’, zijn voor windturbines met een tiphoogte van 130 meter moeilijk beschikbaar. Voorgesteld wordt hierover in paragraaf 5.2.3.1 een tekstuele nuancering op te nemen. Opgemerkt wordt dat in de praktijk een windturbine-opstelling vanuit ruimtelijk perspectief, niet per definitie geluid is aan een opstelling vanuit het perspectief van de exploitant. Er kunnen zelfstandig acterende exploitanten binnen één ruimtelijke opstelling zijn, waardoor maatwerk per turbinepostitie moeilijk te organiseren is. • Aangeraden wordt bij de verdere uitwerking van de zoeklocaties gebruik te maken met bevindingen uit universitair onderzoek over vogeltrek Noord-Holland. Uit het onderzoek komt naar voren hoe belangrijk de omgeving rond Amsterdam is voor niet alleen broedvogels en wintergasten maar ook voor vogels tijdens de trek.
In combinatie met deze studie kan gebruik worden gemaakt van het bouwstenendocument van Niewhol, een vooralsnog voorlopig akkoord tussen overheid, milieuorganisaties, TenneT en de windenergiesector gericht op een natuurinclusieve energietransitie voor wind en hoogspanning op land [Titel rapport] (natuurenmilieufederaties.nl) • Geadviseerd wordt bovenwettelijke en locatiespecifieke normen voor plaatsing en beheer van windturbines te ontwikkelen, gekoppeld aan innovatieve mitigatietechnieken; • De natuurverbindingen in het gebied Diemerscheg is verbeterd en er is nieuwe natuur gekomen. In dit gebied is natuurcompensatie voorzien voor de bouwprojecten van Rijkswaterstaat. Bij de ontwikkeling van windturbines in dit gebied is afstemming met Rijkswaterstaat nodig. (Externe) veiligheid Ten aanzien van (externe) veiligheid in het vervolgproces zijn door de Brandweer Amstelland, Rijkswaterstaat en de Gasunie zienswijzen ingediend. Het gaat om het volgende: • Brandweer Amstelland vindt de externe veiligheid in hfd 4 van het PWA nog te weinig uitgewerkt. De risico’s van een afbrekende wiek bij extreem weer nemen toe naarmate (beperkt)kwetsbare gebouwen en locaties, en de aanwezigheid van personen en infrastructuur. Daarnaast is de aanwezigheid van milieubelastende activiteiten van belang, dit speelt name in het havengebied.
Voor de gebieden Knooppunt Holendrecht, Weesperkarspel/Gein, Gaasperplas en Diemerscheg wijst de brandweer op de aanwezigheid van hogedruk gasleidingen en transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de weg of water. Met zorgvuldige inpassing en aandacht voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid kunnen onnodige risico’s worden vermeden. • Rijkswaterstaat geeft aan dat plaatsing van windturbines nabij rijkswegen niet mag leiden tot een onaanvaardbaar verhoogd risico voor de verkeersveiligheid. Mogelijk is nader onderzoek in de vorm van een wegbeeldanalyse nodig; • Het gebied Diemerscheg ligt nabij het hoofdwegennet rondom knooppunt Diemen. Rijkswaterstaat
34
Nota van Beantwoording
benadrukt het belang van verkeersveiligheid, ook met het oog op de beoogde windturbines van de gemeente Diemen; • Windturbines nabij vaarwegen mogen geen visuele hinder opleveren voor echt scheepvaartverkeer en bedienend personeel van kunstwerken. Het zicht op vaarwegmarkereingstekens mag niet door plaatsing van windturbines worden afgeschermd en er mag geen hinder voor was- en scheepsradar optreden; • Gasunie merkt op dat windturbines nabij gastransportleidingen, gasontvangstations en meet- en regelstations risico-verhogende objecten zijn. Vanwege het ontstaan van mogelijk onveilige situaties, is dit voor Gasunie onwenselijk. In of nabij de aangewezen gebieden liggen assets van Gasunie. Bij de uitwerking is nader overleg nodig om ongewenste situaties te voorkomen. Keuze type turbine Een aantal indieners verzoekt of bij de keuze van de turbine: • rekening met geluid gehouden kan worden, bv door het materiaal van een turbine en het isoleren schroefkop kan 3-4 dB minder geluid zijn en rekening te houden met de heersende windrichting, en dit te borgen in de besluitvorming. • de maximale tiphoogte voor turbines buiten havengebied te beperken tot 100 meter en uniformiteit in hoogte en vormgeving vast te leggen. • lokale kunstenaars te vragen om de molens te beschilderen, of groene windmolens te kiezen.
• Om effectieve maatregelen om vervuiling te voorkomen zou de initiatiefnemer bij vergunningaanvraag volledige informatie over de samenstelling van materialen van de windturbine moeten overleggen. • eisen aan afbreken/recyclebaarheid van het materiaal te borgen. Indiener pleit voor echt circulaire windturbines (gemaakt van secundaire materialen, na gebruik waardevast ontmanteld en hergebruikt). Financiële participatie In verschillende zienswijzen wordt het volgende aangevoerd: • Het is van belang dat omwonenden nu samen met energiecoöperaties gaan kijken naar de beste inpassing in de gebieden (exacte plek en type turbine), een eerlijke verdeling van lusten en lasten en een goede bestemming van de opbrengsten. Dat is elders ook gelukt dus waarom zou dat niet kunnen in Amsterdam. • De opbrengst van de turbine moet ten goede komen aan de mensen die hinder en waardedaling van de woning ondervinden, en niet aan grote bedrijven en elektrische auto’s. Een voorbeeld is het verlagen van de energiekosten van de omwonenden of het ontvangen van compensatie van de initiatiefnemer van de turbine. • Diverse indieners zien haken en ogen aan financiële participatie. Sommigen zijn verheugd dat de mogelijkheid er komt/vinden het veelbelovend klinken en denken dat het draagvlak daardoor groter wordt. Nog niet duidelijk is hoe deelgenomen kan worden.
Een zorgpunt is of iedereen een kans krijgt om mee te doen, bijvoorbeeld door een brief in de bus (zoals voor deze inspraakronde)? Moeten er aandelen gekocht worden of worden bewoners binnen een straal van 1-2 km van de turbines gecompenseerd? Welk bedrag is acceptabel en redelijk? • In de praktijk kan het ingewikkeld zijn om als inwoner te participeren als eigenaar in een energiebron. Het zal de bewoners in het algemeen ontbreken aan middelen en tijd. Uiteindelijk komt het dan te liggen bij een groepje pensionado’s, vaak mannen. De vraag is of dat beter is dan een projectontwikkelaar, het blijven kapitaal intensive projecten met grote ondernemersrisico’s. Bij boorplatforms of gascenstrales is ook geen 50-60% eigenaarschap. • De inspanningen van de gemeente om financiële deelname te realiseren, zijn te weinig uitgewerkt. Dit kan leiden tot weerstand in buurgemeenten. Ook moet Amsterdam transparant zijn over subsidies/leningen. • Participeren in de geldelijke opbrengst van de windenergie is geen compensatie voor de
35
Nota van Beantwoording
gezondheidsschade. Sommigen menen dat mensen ten onrechte gouden bergen worden beloofd (Flyer met de oproep van 1102 en ZO-hart voor de K-buurt, mede ondertekend door de gemeente Amsterdam en African Roots Movements om op 3 juli jl. Naar Energy Hub K-buurt te komen met als opschrift WINDMILL of MONEY TREE) of vinden het een perverse prikkel van de gemeente. • Financiële participatie lijkt te zijn ingestoken met het oog op de realisatie van een windturbine nabij de woningen. Het is gewenst dat lokale participatie ook kan worden ingevuld door bedrijven, of een coöperatie van bedrijven, die in havengebied zijn gevestigd en waarbij een windturbine op of nabij hun terrein wordt geplaatst. Deze invulling is passend bij het havengebied en zal naar verwachting leiden tot een hogere slagingskans en snellere realisatie. • Financiële participatie is een slecht idee want direct omwonenden willen meestal niet participeren maar alleen mensen die er verder vandaan wonen. Ook zou bij mede-eigendom in slechte tijden bijgestort moeten worden en dat is voor particulieren te risicovol. • Indiener stelt voor om ‘lokaal draagvlak’ te definiëren als ‘alle inwoners binnen een straal van 2 km die financieel participeren in het windturbineproject’. Als meer dan de helft van het totaal aantal inwoners binnen die straal participeert, is sprake van lokaal draagvlak.
Nu is er verwarring bij de burger over de afbakening tussen de begrippen financiële participatie, eigenschap en lokaal draagvlak. In een andere zienswijzen verzoekt dezelfde indiener om uit te gaan van ‘lokaal draagvlak’ als tenminste 70% van de omwonenden binnen een straal van 2 km geen bezwaar heeft tegen een windturbine, plus als er binnen een straal van 2 km van de windturbine geen drukbezochte wandel-, sport- en hondenuitlaat- en recreatiegebieden zijn. Op die manier kan het bevoegd gezag beoordelen of een initiatiefnemer in redelijkheid heeft voldaan aan de participatieplicht. Vervolgprocedures • Kan het college bevestigen dat bestuurlijke besluitvorming over de zoekgebieden in stadsdeel Zuidoost volgt na besluitvorming over extra windturbines in de haven? • Geen windturbines toestaan voordat er een kader voor handhaving is vastgesteld. In het bijzonder is van belang dat normering voor geluid wordt vastgelegd. Voorgesteld wordt het maximale geluidniveau op de rand van een woonwijk te bepalen en dat de windturbine bij een overschrijding automatisch in de noise-mode wordt gezet (lagere rotatiesnelheid van de bladen). • Bij de ontmanteling van de windturbine moet de initiatiefnemer vooraf tekenen voor het betalen van het reinigen van grond die vervuild is door de windturbine.
• Zodra een Plan-MER is vastgesteld, zal dat het uitgangspunt volgen voor een project-MER (verplicht vanaf 20 windturbines). Hoe wordt bepaald of een project-MER nodig is bij kleinere parken (4-8turbines)? Data uit Plan-MER worden gebruikt en daar is niets meer aan te doen. • Volgens de Omgevingswet ligt meer wijsheid en gebiedskennis bij het maatschappelijk domein (bewoners) dan bij alleen de overheid. Er kan alleen sprake zijn van een integrale besluitvorming als bewoners nadrukkelijk en op een gelijkwaardige manier zijn betrokken. Als aan de zienswijzen wordt voorbijgegaan zou dat erg teleurstellend zijn. • Het is belangrijk dat er goed overleg is tussen omwonenden, gemeente en de vergunninghouder. Wensen en bezwaren van omwonenden moeten meegenomen worden, zodat hinder beperkt wordt. Als omwonenden zowel organisatorisch en financieel deel kunnen nemen, wordt het draagvlak vergroot. • Hoe wordt gegarandeerd dat de gezondheid van de bewoners van Zuidoost fysiek en psychisch niet slechter wordt door negatieve effecten van windturbines? O.a. geluidsoverlast, laagfrequent geluid, slagschaduw, rode knipper-waarschuwingslichten (vliegtuigen), giftige stoffen/BPA, infrasone trillingen in de grond waar een windturbine staat etc. Uit eerder onderzoek is al gebleken dat bewoners in Zuidoost gemiddeld 6 jaar eerder overlijden dan bewoners in Amsterdam-Zuid.
• Komt er nog een referendum? • Het valt op hoe grondig en zorgvuldig de procedures zijn: technisch en qua sociale communicatie en participatie. Alle vertrouwen dat projecten grondig genoeg worden onderzocht.
36
Nota van Beantwoording
• Voldoende draagvlak en participatie zou een randvoorwaarde moeten zijn, zie ook coalitieakkoord Provincie Noord-Holland. Hiervoor is een opnieuw participatie nodig. Recent onderzoek wijst op een afnemend draagvlak voor windturbines in stedelijke gebieden, nieuwe meting is noodzakelijk. Gelet op de ervaringen rond mislukte participatieprocessen rond de RES en de Noorder IJ-plas, moet volgens een andere indiener erkend worden dat volgens het Klimaatakkoord (zie in dit verband ook hiervoor onder Participatie) de hoogste vorm van participatie te weten co-creatie nodig is in het vervolgproces. • Gegeven het oorzakelijke verband tussen plaatsing van een windturbine en de gevolgen voor omwonenden en natuur, dient er een compensatieregeling te worden afgesproken voor de waardedaling van woningen. Zie ook TNO-rapport P10374 • Voorgesteld wordt een ambitieus natuurcompensatieprogramma gericht op netto biodiversiteitswinst, inclusief een robuust, adaptief monitoringssysteem op te stellen • Een schadeclaim wordt overwogen als de plannen worden doorgezet, besluitvorming is onzorgvuldig en laakbaar. Alhoewel niet in geld uit te drukken hoe groot het verlies is van natuur en leefomgeving, zal mogelijk toch een beroep op schadevergoeding gedaan worden.
• Wie legt rekenschap af als ondanks uitgevoerde onderzoeken toch slachtoffers vallen of mensen ziek worden? Wat bij (im)materiële schade leiden? • Voor aanvang van een project moeten alle woningen tot een afstand van 200 meter vanaf de bouwlocatie geïnspecteerd worden (bouwkundige voor-opname, mogelijk schade door het bouwen van de windturbines moeten vergoed en verholpen worden. • De eigenaar/beheerder van een windturbine moet de turbine op last van de gemeente stopzetten zonder dat daarvoor kosten in rekening worden gebracht. • Rijkswaterstaat wijst erop dat een omgevingsvergunning nodig kan zijn voor het bouwen van windturbines nabij waterstaatsweren. Rijkswaterstaat verzoekt hierover tijdig in gesprek te gaan Handhaving • Geluidsnormen zijn niet handhaafbaar (Zembla). • Handhaving van een gemiddelde geluidnorm is een fictie, want er kan pas na afloop van een jaar een overschrijding geconstateerd worden en ook dan kan niet meteen opgetreden worden. Daarbij komt dat exploitanten meer ’s nachts zullen gaan opwekken omdat overdag al genoeg/te veel zonneenergie is. • Handhaving en monitoring is onvoldoende uitgewerkt in het PWA. Grondposities/erfpacht • Inzicht in de grondposities ontbreekt in het PWA.
Kunnen deze de conclusies in het PWA of plan-MER beïnvloeden? • In de bijlage staat beschreven dat een tijdelijk erfpachtcontract afgesloten kan worden met een windturbinecoöperatie. Op de website van de gemeente staat dat een tijdelijke erfpacht niet bestaat in Amsterdam. Ook staat in de bijlage dat de gemeente eenvoudig de bestemming kan wijzigen indien in erfpacht uitgegeven. Dit is niet juist, ook de gemeente moet een juridisch planologische procedure volgen.
Overwegingen college Natuur en landschap Het college hecht veel belang aan duurzaamheid en het vergroten van het aandeel duurzame energie. Hij heeft daarbij echter ook als randvoorwaarde dat dit geen onaanvaardbare schade aan gezondheid of natuur mag opleveren. In het (ontwerp-)PWA is dan ook opgenomen dat “het bevorderen van de biodiversiteit is een belangrijke opgave voor een duurzame stad. De gemeente Amsterdam zet daarom in op een natuurinclusieve energietransitie. Dit betekent dat bij de planvorming voor windturbines