Bijlage 3 Milieueffectrapport, Antea Group, 17 april 2023
Tekst van het document
Watertoets in relatie tot MER Sinds november 2003 is de Watertoets een verplicht onderdeel van een ruimtelijke ordeningsprocedure zoals een bestemmingsplan. De Watertoets bestaat uit een aantal stappen en is breder dan het MER of bestemmingsplan alleen. Met de Watertoets worden waterbeheerders betrokken in de planvorming. De Watertoets start met de locatiekeuze, de inrichting van het gebied en eindigt bij het civieltechnisch ontwerp van het watersysteem. Daarbij worden alle wateraspecten (vuilwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater) betrokken. In bilateraal contact van gemeente met Waternet is het bestemmingsplan kenbaar gemaakt aan de waterbeheerders. Water kan zo in een vroegtijdig stadium worden ingepast in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan wordt ter inzage gelegd en aan de waterbeheerders voorgelegd. In dit MER en het bestemmingsplan komen de wateraspecten terug in de vorm van een effectbeoordeling en een waterparagraaf. Om invulling te geven aan het watertoets-proces is Waternet betrokken bij de voorbereidingen van het bestemmingsplan en bij het opstellen van dit MER. Waternet zal later ook betrokken worden bij opstellen van het bestemmingsplan en de toetsing van het VKA.
Blad 70 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
6.2
Huidige situatie en autonome ontwikkeling Bodemstructuur en geomorfologische waarden De belangrijkste ontwikkeling die ten grondslag ligt aan de huidige bodemstructuur van het gebied van de Vinkeveense Plassen is de omsluiting van het gebied na de laatste ijstijd en de verscheidene processen die daarop ingespeeld hebben en zo het gebied haar karakteristieke geomorfologie hebben gegeven. Het gebied ontstond doordat het aan de oostzijde gevoed werd door het zoete water van de rivieren de Vecht en de Oude Rijn en ten westen omsloten werd door een strandwal langs de kust. Deze omstandigheden zorgden ervoor dat het gebied zich langzaam van zout kweldergebied naar zoet moerasgebied ontwikkelde. Periodiek overspoelde de zee alsnog de westelijke strandwal, daarmee ontstonden er kreken en geulen in het gebied waar zand en klei werd afgezet. De meanderende riviertjes zelf creëerden door afzettingen van sediment ook oeverwallen.
Figuur 6-1 Fysisch geografische regio’s en -eenheden van het plangebied. Bron: Provincie Utrecht.
Het belangrijkste proces dat de basis vormde voor de typerende bodemstructuur én ten grondslag ligt aan de antropogene processen die het gebied huidige vorm hebben gegeven, was het ontstaan van een dik veenpakket gevormd door langdurige ophoping en afzetting van afgestorven plantenmateriaal in het zoete moerasgebied. De huidige vorm van het landschap is door het
Blad 71 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
ontstaan van dit veenpakket verder grotendeels bepaald en bewerkt door antropogene processen gedurende de laatste eeuwen. De concentrische ontginning van het veen uit deze veenmoskoepel en daarop aansluitende drooglegging van het land zorgen voor het karakteristieke landschap en geomorfologie. Enkel de door natuurlijke processen ontstane onverveende ‘bovenlanden’, die in een ring rond de droogmakerijen in het midden liggen, zijn enigszins behouden gebleven van antropogene bewerking. Deze niet-afgegraven bovenlanden bestaan uit koopveengronden (veengronden met een bovenlaag van gemengde klei en veen). In de droogmakerijen komen, afhankelijk van de ontginning, verschillende typen veengrond voor (zie figuur 6-2).
Figuur 6-2 Typen veengronden en toemaakdek (zwart) van het plangebied. Goed te zien is de zanderige kreekrug (wit) ten oosten van de plas. Bron: provincie Utrecht.
In het westen is de invloed van de zee merkbaar door de afzetting van oude zeeklei aan de oppervlakte, met daarin aanwezig zandige kreekruggen. Op een aantal plaatsen liggen deze kreekruggen of de resten daarvan duidelijk zichtbaar in het landschap. Daarnaast is op veel bovenlanden langs de Kromme Mijdrecht en in de polder Groot-WilnisVinkeveen een toemaakdek te vinden (zie ): een laag van slootbagger, gemengd met stalmest en
Blad 72 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
stadsafval die op de veengrond aangebracht is om de grond beter geschikt te maken voor landbouwdoeleinden. Een toemaakdek brengt risico’s als vervuilde grond met zich mee, daarom worden bodemkwaliteits-onderzoeken gedaan en worden er, wanneer nodig, ook maatregelen als grondsanering toegepast. Alhoewel de legakkers niet uit een toemaakdek bestaan blijkt uit recente gegevens dat er ook loodverontreinigingen zijn aangetroffen buiten de gebieden aangewezen als toemaakdek. Op het moment van schrijven wordt er onderzoek gedaan naar deze loodverontreinigingen en de effecten van blootstelling als ook gekeken naar de juiste maatregelen om met deze verontreinigingen om te gaan. Het gebied bestaat daarmee voornamelijk uit deze relatief hooggelegen bovenlanden van -1,0 tot -2,0 m NAP en de laaggelegen droogmakerijen van -4,5 tot -6,0 m NAP (figuur 3). Doordat men ook onder de grondwaterspiegel veen afgroef, ontstonden er plassen zoals de Vinkeveense Plassen. Tussen de afgegraven petgaten in de plas liggen legakkers, smalle stroken land waarop het veen te drogen werd gelegd zodat het als turf gebruikt kon worden. Door de werking van golfslag en vorst erodeerden echter de legakkers makkelijk en ontstonden grotere open plassen.
Machinale vervening in de Vinkeveense Plassen heeft de karakteristieke legakkers met steilere wanden en diepere petgaten gevormd, dit maakt deze legakkers echter nog fragieler en dus gevoeliger voor erosie. In het rapport Inventarisatie en waardering legakkers Provincie Utrecht: Vinkeveense Plassen (Beek&Kooiman, 10 juli 2012) is dit erosieproces geïllustreerd met topografische kaarten uit 1942, 1948, 1959 en 1981. In dat rapport is een analyse gemaakt van de huidige situatie van de legakkers (zie ). Aannemelijk is dat meer legakkers geërodeerd zouden zijn, als er geen (illegale) bouwactiviteiten waren geweest. Een eigenaar van een legakker met bebouwing zal deze van meer waarde achten dan een legakker zonder bebouwing, en dus middels beschoeiing de oevers eerder beschermen tegen erosie. Daarnaast wordt met intensief gebruik (bij bebouwing) naar verwachting ook voorkomen dat er bomen gaan groeien op de legakkers. Deze dragen op de lange duur ook bij aan erosie van de legakker, namelijk als door een storm de boom omwaait en de wortels een deel van de legakker meenemen.
Blad 73 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
Figuur 6-3 Situatie legakkerstructuren in de Vinkeveense Plassen (bron: Inventarisatie en waardering legakkers Provincie Utrecht: Vinkeveense Plassen (Beek&Kooiman, 10 juli 2012)).
De Vinkeveense Plassen zijn nooit drooggemalen. De plassen vervulden de toenemende behoefte aan recreatiewater voor de groeiende randstad. Zandwinning voor constructieve doeleinden vormde het diepe zandgat. De omliggende zandeilanden in de Noordplas zijn om dit zandgat heen aangelegd om verdere bodemverschuivingen naar het gat toe te voorkomen, maar ook om deze
Blad 74 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
plas enigszins te behoeden van grotere stromingen die gefaciliteerd zouden kunnen worden door de diepe wateren in het zandgat.
Figuur 6-4 Hoogtekaart van het plangebied, hoogte weergeven in meters +/- NAP. Goed te zien zijn de hogere veengebieden (licht) en droogmakerijen (donker). Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland, 2 5 meter maaiveldraster opgevuld (AHN2) ATOM.
De grootste risico’s betreffende bodem en geomorfologie voor het plangebied van de Vinkeveense Plassen en het omliggende studiegebied hebben te maken met bodemdaling en daarmee gepaarde instabiliteit van lage droogmakerijen én hooggelegen veenlanden. Deze bodemdaling is het gevolg van verdroging van voornamelijk deze bovenlanden tijdens droogteperiodes en treedt op wanneer deze hogere gronden meer water verliezen door wegzijging en bemaling dan dat er infiltratie plaatsvindt door regenval. Door deze verdroging kan er oxidatie plaatsvinden in de bovenste veenlagen. Hierdoor kan de bodem irreversibel inklinken. Door de verschillen in type en diktes van de veenbodems ontstaan verschillen in daalsnelheden van de bodem. Hierdoor wordt de bodem instabieler en zettingsgevoeliger. De bodemdaling en daarmee gepaarde verminderde draagkracht in het veenweidegebied omringend aan het plassengebied brengt veranderingen teweeg wat betreft de waterhuishouding en peilbeheersing van het gehele gebied de Ronde Venen. Met het oog op intensievere buien en langere droogteperiodes door de klimaatverandering is het voor het behoud van de geomorfologie en bodemstructuur van het gebied de Ronde Venen van belang dat de toekomstige ontwikkelingen in het plassengebied het watersysteem niet ten nadele verstoren waardoor meer bodemdaling van het gebied kan optreden.
100-jaarsaandachtsgebieden, boringsvrije zones, grondwaterbeschermingsgebieden, waterwingebieden en waterwingebieden (bijz. regels) liggen op grote afstand (meer dan 6 km) van het plangebied en zijn dus voor dit MER niet relevant.
Blad 75 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
Oppervlaktewatersysteem Het oppervlaktewatersysteem van De Vinkeveense Plassen valt volledig in het plangebied van het plassengebied. Het grotere studiegebied van het plassengebied bestaat uit twee verschillende oppervlaktewatersystemen: de Vinkeveense Plassen en Botshol. Het waterlichaam Vinkeveense Plassen wordt gedefinieerd met het type M20 en betreft hier een matig groot en diep gebufferd meer. Het waterlichaam Botshol wordt gedefinieerd met het type M27 en betreft hier een matig grote en ondiepe laagveenplas, die vooral onder invloed staat van fosfaat23. De invloed van fosfaat is in dit watertype dominant over andere omgevingsfactoren. Er is verder geen hydrologische relatie tussen de Vinkeveense Plassen en Botshol, zodat het oppervlaktewatersysteem van Botshol hier niet nader wordt omschreven. De Vinkeveense Plassen liggen in de polder Groot-Wilnis Vinkeveen Noord en maken onderdeel uit van de Vinkeveenboezem die als tussenboezem functioneert in het gehele gebied De Ronde Venen. Het gebied is opgedeeld in acht afwateringseenheden, ook wel afvoergebieden genoemd (zie Figuur 6-5). Deze hebben de naam van het bijbehorende gemaal/gemalen. De Vinkeveense Plassen zijn daarnaast onderverdeeld in drie plassen, te weten de Noordplas, de Zuidplas en de Kleine Plas.
De Baambrugse zuwe scheidt de Noordplas van de Zuidplas en de provinciale weg N201 scheidt de Zuidplas van de Kleine Plas. De drie plassen vormen echter wel één oppervlaktewatersysteem en zijn goed verbonden via meerdere waterverbindingen binnen de netwerkstructuur van petgaten als ook aangelegde waterverbindingen aan zowel de west- en oostzijde van de Baambrugse zuwe en de N201. De Vinkeveense Plassen maken onderdeel uit van een hydrologisch complex watergebied dat gekenmerkt wordt door veel kwel (ook zoute kwel) en wegzijging van grondwater in de verschillende landschapstypen en een watersysteem dat vrijwel volledig wordt gestuurd door de mens. Om inzicht te krijgen in deze oppervlaktewatersystemen wordt nader beschreven hoe de grote waterstromen in het gebied lopen. De waterhuishouding van het gebied is sterk gerelateerd aan de verschillen in hoogteligging. Er zijn over het algemeen in dit geval drie peilniveaus te onderscheiden: het boezempeil op ca. 0,40 m – NAP, het tussenboezempeil op ca. 2,00 m –NAP en de droogmakerijen op ca. 6,00 m –NAP.
23 Zie onderzoek van W.J. Rip (2007) van de WUR: http://library.wur.nl/WebQuery/hydrotheek/1857915
Blad 76 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
Figuur 6-5 Watersysteem van de Ronde Venen met in het groen zichtbaar de polder Groot-Wilnis Vinkeveen Noord. Linksboven de Vinkeveense Plassen (1) is waterlichaam Botshol te vinden. Bron: Waternet, 2015: Startnotitie watergebiedsplan Groot Wilnis-Vinkeveen, Oukoop, Groot en Klein Oud-Aa en Wilnis Veldzijde (GWV e.o.).
De peilen die gehanteerd worden bepalen voor een belangrijk deel de grondwaterstroming binnen het gebied. De relatief hooggelegen boezem en de gebieden met min of meer het tussenboezempeil (de bovenlanden, veenweiden en petgaten/plassen) hebben een sterk infiltrerend karakter. De laaggelegen droogmakerijen zijn overwegend kwelgebieden. Door de lage weerstand van de bodem zijn de omvang van infiltratie en kwel hier aanzienlijk. Gemiddeld bedraagt de kwel 6 mm per etmaal in de droogmakerijen. Behalve water uit de direct omringende gebieden kwelt hier ook water op dat op de Utrechtse Heuvelrug is geïnfiltreerd. Naast de bodemkwel komt ook -in veel mindere mate- dijkkwel voor vanwege waterdoorlatend veen onder de veendijken. Een nauwkeurig en dynamisch peilbeheer is nodig om om te kunnen gaan met de constante maaivelddaling. In de Bovenlanden stroomt het oppervlaktewater deels vrij af via het zeer dichte net van sloten. Voor het overige wordt het overtollige water hier uitgemalen. De droogmakerijen en polders worden allemaal bemalen. Door klink, uitvening, ontgraving en mineralisatie is het maaiveld in het plangebied sterk gedaald en nog steeds dalende. De veenrivieren vormen nu de boezemwateren (Amstel, Waver, Kromme Mijdrecht).
Als gevolg van de infiltratie hebben de hoger gelegen gebieden vaak een watertekort, vooral in de zomerperiode, waardoor de toevoer van water noodzakelijk is. Het toegevoerde water is veelal afkomstig van het Amsterdam-Rijnkanaal (bv. In de polders Groot- en Klein Oud-Aa en Groot Wilnis-Vinkeveen) of van de boezem (bv. In de Bovenlanden en Botshol). In de droogmakerijen is slechts incidenteel sprake van watertekorten. Desondanks vindt in sommige gebieden waterinlaat plaats. De Vinkeveense Plassen hebben een vast peil van 2.15m -NAP waardoor het hoogteverschil met de naastliggende polder van ongeveer
Blad 77 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
4 meter voor veel wegzijging van water uit de plassen zorgt. Het weglekkende water uit de Vinkeveense Plassen en het veenweidegebied moet weer worden aangevuld. De lokale neerslag is bij lange na niet voldoende om het weglekken te compenseren. Daarom wordt hier een groot deel van het jaar water aangevoerd. Het grootste deel van het aanvoerwater wordt aangevoerd via de Vinkeveenboezem (zie onderstaande figuur). De grote Noordplas krijgt in de zomer 25 Mm3/dag water vanuit de Zuidplas en het uitslaande gemaal, het relatieve aandeel van beide bronnen is niet bekend. De diepe polder Wilnis-Veldzijde loost overtollig (kwel)water rechtstreeks op deze Vinkeveenboezem. Dit water vormt de helft van het water dat op de Vinkeveenboezem komt. Verder wordt de Vinkeveenboezem nog gevoed met water uit de boezem via de Oudhuizersluis. Dit boezemwater bestaat in droge zomers voor een belangrijk deel uit het brakke en voedselrijke water afkomstig uit Groot Mijdrecht. Met dit brakke boezemwater wordt Botshol van water voorzien. Door veranderingen in het klimaat vinden verschuivingen plaats in de balans tussen inlaat en regenval enerzijds en afvoer, wegzijging en kwel anderzijds. Dit is van invloed op zowel de waterkwaliteit als de vraagstukken rond verdroging en bodemdaling in de omgeving zoals eerder vermeld.
Figuur 6-6 Waterbalans met waterstromen met symbolen naar verhouding van zomergemiddelde dagdebieten in m3/dag. Bron: Moria, 2016.
Aan de westzijde van het plangebied, langs polder Groot-Mijdrecht, ligt een secundaire kering (dijkvakken P1006-001, P1006-004, P1023-001) en een overige kering (ter hoogte van Botshol). Voor de overige kering ligt beschermende grond die o.a. dient als windvang. Deze keringen zijn getoetst. Voor een gedeelte blijkt dat de hoogte onvoldoende is. Dit zijn kaden met een weg erop. Bij deze kaden is bij de versterking in 2004 wel rekening gehouden met een toekomstige ophoging van de weg. Destijds is aanbevolen de kade op te hogen als de wegbeheerder opnieuw gaat asfalteren. Wel dient de overhoogte bij ophogen beperkt te blijven, omdat het verhogen van de
Blad 78 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
kruin van de veendijken zal leiden tot een forse zetting (bron: Deltares, 29 november 2010: Toetsing dijktraject PO3-1006c, Botsholsedijk-Zuid). Aan de noordzijde van het plangebied ligt een secundaire kering langs de Winkel (P021-001, P020004 en P022-002). En aan de zuidzijde van het plangebied ligt langs het traject waar de provinciale weg grenst aan de Zuidplas ook een secundaire kering (P033-001). Langs de noordzijde van de Noordplas, langs de oostzijde van de Noordplas en de Zuidplas en langs de zuidzijde van de Kleine Plas liggen diverse overige keringen, zie . Na het afschuiven van de dijk in Wilnis in 2003 heeft Waternet de veendijken aangepakt en een compartimenteringshandboek opgesteld. Direct grenzend aan het plangebied is aan de westzijde de Botsholsedijk in dit kader van belang. Voor deze kering is er geen afsluitmogelijkheid door middel van een kunstwerk. Bij een bres van beperkte omvang kan worden getracht het gat in de dijk te dichten en zo verdere inundatie, die overigens blijkens het Handboek Compartimentering voor Veendijken in De Ronde Venen en Uithoorn (Waternet, 16 mei 2011) beperkte hoogte zal hebben, in polder Groot Mijdrecht te stoppen. Indien dit niet mogelijk is, wordt aanbevolen de inundatie beperkt te houden tot het noordelijk deel van de polder Groot Mijdrecht.
Het noordelijk en zuidelijk deel van de polder kunnen van elkaar worden gescheiden door de Hoofdvaart ter hoogte van de brug in het Waverveensepad (bij het dorp Waverveen) af te sluiten.
Figuur 6-7 Waterkeringen rond Vinkeveense Plassen.
Oppervlaktewaterkwaliteit De Vinkeveense Plassen behoren tot één KRW-oppervlaktewaterlichaam. Daarmee zijn de Vinkeveense Plassen onderhevig aan monitoring en toetsing van hun oppervlaktewater. De ontwikkeling van hun oppervlaktewater wordt naar een bepaald streefbeeld gestuurd dat voor het
Blad 79 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
type KRW-waterlichaam is vastgesteld. De KRW is een Europese richtlijn die in Nederland is vertaald in de Waterwet. Waterbeheerders sturen hun waterbeheer met oog op het KRWstreefbeeld en rapporteren dit in planperiodes van zes jaar aan de EU, met 2021 als huidige eerstvolgende moment. Dit KRW-streefbeeld is vastgesteld met wat er in potentie aan ecologie kan ontstaan in samenhang met chemische doelen. De KRW streeft daarmee naar een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlaktewater en wordt als kapstok gebruikt voor ontwikkelingen in en aan het oppervlaktewaterlichaam van de Vinkeveense Plassen. De Vinkeveense Plassen kenmerken zich als diepe plassen waar stratificatie van de waterkolom optreedt. Deze stratificatie zorgt ervoor dat zwevende deeltjes en algen kunnen bezinken naar een koudere zuurstofarme zone (het hypolimnion) die onder de warmere fotische zone ligt waar zonlicht het water penetreert (epilimnion). De bezinking van deeltjes en verminderde menging van deze waterlagen zorgt ervoor dat nutriënten als fosfaat en stikstof uit het systeem gehaald worden en niet beschikbaar zijn voor algen in de fotische zone. Diepe plassen zoals de Vinkeveense Plassen zijn daarmee in potentie de helderste watersystemen die we in Nederland kennen.
Deze potentie van de Vinkeveense Plassen wordt daarom vertaald naar ecologische en chemische maatlatten die een dergelijk type heldere diepe plas typeren. In het geval van de Vinkeveense Plassen zijn dit de KRW-maatlatten die behoren bij het doeltype M27. Door constante wegzijging van water uit de plassen naar de polder Groot Mijdrecht is er altijd een grote waterbehoefte die voorzien wordt door inlaatwater vanuit de ringvaart. In het gebied wordt daardoor de samenstelling van het oppervlaktewater in de winterperiode voornamelijk bepaald door de neerslag. In de zomerperiode, bij toevoer van water van buiten het gebied, domineert in het algemeen het aangevoerde water. Vanuit waterkwantiteitsbeheer is het inlaten van ‘gebiedsvreemd’ water een oplossing, maar vanuit het kwaliteitsoogpunt is het nadelig: het ingelaten water is van mindere kwaliteit dan het gebiedseigen water. De kwaliteit wordt daarmee beïnvloed door inlaat van gebiedsvreemd water, lozingen op de plas, belasting vanuit omliggende (landbouw) gebieden en onttrekkingen en ontwatering. Wat betreft waterkwaliteit van het oppervlaktewater van de Vinkeveense Plassen is door Waternet bepaald dat nutriëntenbelasting de grootste draaiknop is van het systeem. Met name de fosfaatbelasting is kritisch voor de plassen.
In 2009 is een defosfateringsinstallatie gerealiseerd achter de Demmerik om de externe fosfaatbelasting via het inlaatwater van de plassen terug te dringen. Maatregelen in de landbouw hebben ook deze externe belasting van het inlaatwater verlaagd. Ook is in de afgelopen decennia veel bebouwing aangesloten op de riolering, waardoor de interne fosfaatbelasting vanuit lozingen op de plas is teruggebracht. Om het oppervlaktewater van de Vinkeveense Plassen verder van een troebel eutroof systeem om te kunnen laten slaan naar het doeltype watersysteem, een helder oligotroof watersysteem, is verder terugdringen van de fosfaatbelasting noodzakelijk. De totale fosfaatbelasting in het waterlichaam is daarnaast afhankelijk van de externe belasting vanuit het gebiedsvreemde bovenstroomse inlaatwater uit de ringvaart. De waterkwaliteitstoestand en prognoses zijn dus ook afhankelijk van ontwikkelingen en maatregelen bovenstrooms in het hoofdwatersysteem. De toestandsbeoordeling van alle Nederlandse KRW-oppervlaktewateren wordt bijgehouden en inzichtelijk gemaakt door middel van zogeheten ‘factsheets’ en zijn te vinden op het waterkwaliteitsportaal van het Informatiehuis Water.
Deze factsheets geven in het kort weer wat de huidige status is van deze oppervlaktewateren ten opzichte van de gestelde KRW-doelen, ook wordt er een prognose gemaakt of toekomstige KRW-doelstellingen gehaald gaan worden. In worden de biologische en fysische-chemische toestand van de Vinkeveense Plassen en Botshol weergegeven. De toestand wordt voor verschillende maatlatten op een schaal uiteengezet met een zogenaamde GEP-score. Deze GEP-score wordt door meerdere specifieke criteria vastgesteld,
Blad 80 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
te vinden in het STOWA-maatlattenhandboek. GEP staat voor ‘Goed Ecologisch Potentieel’ en is een lichte afwijking van MEP (Maximaal Ecologisch Potentieel) en wordt in sterk veranderende en kunstmatige wateren als doel gesteld. Gezien de Vinkeveense Plassen en Botshol beiden door ontgraving van veen ontstaan zijn is het GEP en niet MEP op deze plassen van toepassing. Sommige toestandsbeoordelingen betreffen een expertbeoordeling, deze zijn aangegeven met een ster (*). Soms is een maatlat niet van toepassing op een doeltype oppervlaktewater, hierbij staat dan ‘NVT’. Ecologische toestand De ecologische toestand van de Vinkeveense Plassen is over het geheel genomen goed. Er lijkt achteruitgang plaats te vinden in de overige waterflora (water- en oeverplanten), maar dit wordt veroorzaakt door verandering van maatlatten; de werkelijke toestand is echter niet verslechterd. Desondanks, volgens de huidige maatlat, scoorde overige waterflora matig bij de laatste inventarisatie in 2015. Inmiddels is deze situatie verbeterd, maar voldoen de plassen niet aan de KRW-doelstellingen. Overigens is deze doelstelling van de Vinkeveense Plassen verlaagd (van 60% naar 55%). Dit percentage wordt bepaald door de bedekking van boven- en onderwaterplanten, maar ook door de soortensamenstelling. De opgave en de verwachting van Waternet is dat de plassen in 2021 wel aan deze doelen voldoen.
Door meer natuurvriendelijke oevers aan te leggen kan zeker aan de KRW-doelstellingen voor (oever)vegetatie worden voldaan. Dit is opgenomen in de KRW-factsheet voor de Vinkeveense plassen, maar is niet concreet geborgd in uitvoeringsgerichte plannen van Waternet en/of andere overheden. De ecologische toestand in de Kleine plas en de Zuidplas is de afgelopen jaren verbeterd. Dit wordt vooral veroorzaakt door een verbetering in de soortensamenstelling van ondergedoken waterplanten in de Zuidplas en door de afname van fytoplanktonbloeien en chlorofyl-aconcentraties op de Kleine plas en de Zuidplas. De KRW-doelstelling op de maatlat Overige waterflora wordt nog niet gehaald. Een nog verdere optimalisatie van de defosfateringsinstallatie en een verdere verminde¬ring van de hoeveelheid doorvoerwater door het gemaal Pondskoekersluis is nodig om de doelstellingen te halen. Ook het water uit het afvoergebied “Polder Oukoop en Groot Wilnis Vinkeveen Oost”, dat via het gemaal Demmerik richting de tussenboezem wordt gemalen, belast de plassen. Omdat de actuele belasting op de plassen dicht bij de aanvaardbare belasting ligt, blijven de plassen gevoelig voor de fosforbelasting vanuit diffuse bronnen, al is het wel de vraag wat het relatieve aandeel van diffuse bronnen op de totale fosforvracht is.
De Zuidplas en de Kleine plas worden vooral in natte en koude perioden nog steeds iets te hoog belast met fosfor. De chlorofyl-a-concentraties zijn afgenomen, het lichtklimaat is verbeterd en de scores op de KRW-maatlatten zijn omhooggegaan sinds de bouw van het nieuwe gemaal Pondskoekersluis en de operationalisering van de defosfateringsinstallatie24.
24 Waternet, 2016. Evaluatie maatregelen tussenboezem Vinkeveen.
Blad 81 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
Tabel 6-2 Resultatentabel toestandsbeoordeling biologische, fysisch-chemische waterkwaliteit en specifieke verontreinigende stoffen (normoverschirjding) van KRW-oppervlaktewaterlichaam Vinkeveense Plassen. Bron: Factsheet NL11_3_4 Vinkeveense Plassen, aangemaakt: 10-11-2015 om 2:52 u (via: www.waterkwaliteitsportaal.nl).
Vis scoorde matig in 2009 maar goed in 2015, de prognose is dat deze lijn doorgetrokken kan worden naar 2021 en 2027. Het visbestand is nog steeds aan verandering onderhevig door de transitie naar een helder watersysteem. Visbestandsonderzoeken gedaan in 2006, 2013 en 2016 wijzen vooral op een toename in snoek en afname in brasem. Naast een verschuiving in de dominant aanwezige vissoorten is ook het totale visbestand afgenomen. Dit gaat gepaard met de transitie van een nutriëntrijk eutroof watersysteem naar het bedoelde helder nutriëntarm
Blad 82 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
oligotroof watersysteem. Het visbestand reageert daarmee met een vertraging op de waterkwaliteit van de plassen. Referentie vigerend bestemmingsplan Bij de referentie zou sprake geweest zijn van minder bebouwing op een aantal legakkers. In die situatie is het aannemelijk (zie eerder) dat meer opgaande begroeiing op de legakkers de ontwikkeling van oever- en ondergedoken vegetatie langs de legakkers zou hebben beperkt. Gezien de relatief grote gemiddelde diepte van de Vinkeveense plassen zijn juist de landwaterovergangen van belang qua structuurdiversiteit en mogelijkheden voor ontwikkeling van (oever)vegetaties. Verwacht wordt dat bomengroei een negatief effect zou hebben gehad op de gewenste macrofauna en visstand, gezien de afhankelijkheid van vegetatie van soorten als snoek, zeelt en ruisvoorn. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat mogelijkheden voor water- en oeverplanten langs de legakkers relatief beperkt zijn, vanwege de grote waterdiepte en beschoeide oevers. Anderzijds zouden bij autonome ontwikkeling mogelijk meer legakkers aan afkalving onderhevig zijn geweest. Dit zou hebben geleid tot meer onderwaterstructuur, met een positief effect op macrofauna en de visstand. Verwacht wordt dat hiermee meer structuur- en habitatdiversiteit zou ontstaan dan door ontwikkeling van vegetaties.
De autonome ontwikkeling zou daarmee tot een hogere score op de KRW-maatlatten voor vis en macrofauna geleid kunnen hebben. Zoutgehalte scoort matig, dit is ten gevolge van het brakke water uit polder Groot Mijdrecht dat invloed heeft op de naastgelegen Amstellandpolders en zo zijn weg vindt in de plassen. De prognose is dat maatregelen om dit water te weren de score zullen verbeteren voor 2021. De fosfaatbelasting (fosfor-totaal) gaat de goede kant op, maar de score is nog matig en extra belasting kan dit evenwicht eenvoudig verstoren. De prognose is dat de fosfaatbelasting verminderd kan worden voor 2021. Dit is echter deels afhankelijk van de ontwikkelingen omtrent bebouwing en recreatie binnen de plassen, al is de bijdrage van afvalwaterlozing aan de totale fosfaatbelasting op de plassen niet heel groot. De toetsingssystematiek zuurgraad wordt beïnvloed door een plaatselijke en tijdelijke algenbloei. Daardoor is deze score tijdelijk achteruitgegaan en scoort deze in 2015 matig. Het doorzicht gaat gepaard met de fosfaatbelasting en scoorde in 2015 matig, maar zal wanneer fosfaatbelasting bevordert in 2021 ook goed scoren. Bij de referentiesituatie is sprake van minder bebouwing op de legakkers dan nu het geval is. De verwachting is dat de fosfaatbelasting dan al verder gedaald zou zijn.
Er zou immers minder sprake zijn van verblijf op legakkers, met bijbehorende emissies van vooral menselijke uitwerpselen naar oppervlaktewater. In de werkelijke situatie is dit wel het geval. De aangelegde defosfatering van inlaatwater wordt als autonome ontwikkeling beschouwd. Bij autonome ontwikkeling kan verwacht worden dat de fosfaatbelasting en de score op de KRW-maatlat voor fosfaat iets hoger zouden uitvallen dan in de huidige situatie. Verwacht wordt overigens dat dit niet leidt tot een andere beoordeling van de KRW-beoordelingsklasse. Daarvoor is de belasting met fosfaat vanuit afvalwaterlozingen te beperkt ten opzichte van de belasting door met name inlaatwater en afbraak van veen.
Blad 83 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
Tabel 6-3 Resultatentabel toestandsbeoordeling ubiquitaire stoffen (normoverschrijding) en niet-ubiquitaire stoffen (normoverschrijding) van KRW-oppervlaktewaterlichaam Vinkeveense Plassen. Bron: Factsheet NL11_3_4 Vinkeveense Plassen, aangemaakt: 10-11-2015.
De locatie voor de toestandsmonitoring in dit waterlichaam ligt bovenstrooms van dit waterlichaam in Nieuwegein (Amsterdam-Rijnkanaal). Dit is de hoofdinlaat van water voor dit waterlichaam. De toestand en prognose 2021 zijn dus afhankelijk van ontwikkelingen en maatregelen bovenstrooms, in het hoofdwatersysteem. De doelen voor een aantal ‘ubiquitaire stoffen’ worden in 2027 niet overal bereikt. Dit zijn stoffen die vanwege hun historische aanwezigheid in sommige waterlichamen nog langere tijd als knelpunt in het water worden gemeten zonder dat hiervoor maatregelen mogelijk zijn. Voor de overige stoffen die deel uitmaken van de chemische toestand worden de doelen in 2027 wel bereikt. Referentie vigerend bestemmingsplan Bij de referentiesituatie, met minder bebouwing op een aantal legakkers, wordt verwacht dat de chemische waterkwaliteit niet zou afwijken van het hierboven opgenomen beeld. De locatie voor de toestandmonitoring ligt immers buiten het plassengebied zelf. De belangrijkste bronnen van de genoemde ubiquitaire stoffen zijn bovendien niet of nauwelijks gekoppeld aan de mate van gebruik van de Vinkeveense plassen, legakkers en zandeilanden. Tijdens het zwemseizoen, tussen 1 mei en 1 oktober, controleert de provincie iedere twee weken de algemene hygiëne en veiligheid op basis van de ‘Wet hygiëne en veiligheid’ alle zwemgelegenheden.
Denk daarbij aan eventuele obstakels en de hygiëne (vogelpoep, blauwalg, ongedierte). De plassen in de provincie Utrecht hebben weinig last van blauwalg. Dit zou bij autonome ontwikkeling ten opzichte van de referentiesituatie naar verwachting niet anders zijn. Om een hoge waterkwaliteit te bereiken overlegt de provincie regelmatig met de waterschappen, Rijkswaterstaat en de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (RUD). De monitoring vindt in het plangebied plaats op de locaties zandeilanden 1, 2, 3, 4, 5 en 8. De actuele gegevens voor zwemmen zijn beschikbaar via de website www.zwemwater.nl.
Blad 84 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
Bespreking gegevens De (niet-)ubiquitaire stoffen en specifieke verontreinigende stoffen zijn wel behandeld in deze paragraaf, maar deze zijn minder relevant voor de effectbeoordeling in dit MER. Dit omdat deze naar verwachting niet samenhangen met het gebruik op de plassen zelf. Het zijn stoffen die waarschijnlijk via aanvoer in de plassen terechtkomen. De toestandsmonitoring van deze stoffen vindt bovenstrooms van de Vinkeveense Plassen plaats in Nieuwegein (Amsterdam-Rijnkanaal). De toestand van deze stoffen op de Vinkeveense Plassen is afhankelijk van maatregelen bovenstrooms.
Beoordeling De varianten die we hebben beoordeeld bestaan uit een aantal aspecten (zie paragraaf ). In de beoordeling van effecten op bodem- en watercriteria geven we steeds aan welke aspecten van varianten relevant zijn. Met andere woorden, we geven de dosis-effectrelatie aan. Daarna volgt de beoordeling van de variant op het specifieke bodem- en watercriterium. De effectbeoordeling geeft dus - voor ieder deelgebied - per aspect van een variant - de effecten op een specifiek criterium - ten opzichte van de referentiesituatie.
Minimaal
Maximaal
Minimaal
Maximaal
Deelgebied D
Maximaal
Deelgebied C
Minimaal
Bodemstructuur en geomorfologische waarden Oppervlaktewatersysteem Oppervlaktewaterkwaliteit: ecologische toestand Oppervlaktewaterkwaliteit: chemische toestand
Deelgebied B
Maximaal
Tabel 6-4 Beoordeling varianten voor bodem en water. Deelgebied Criterium A
Minimaal
6.3
0
-
+
+
0
+
0
0
0 0
-
-
--
0 0
--
0 0
--
0
-
-
-
0
-
0
0
Bodemstructuur en geomorfologische waarden De veenontginningen in het plassengebied van de Ronde Venen hebben het plassengebied een unieke structuur van legakkers en petgaten gegeven. Daarmee hebben deze legakkers een hoge geomorfologische waarde voor het plassengebied. De recenter aangelegde zandeilanden zijn van waarde voor de bodemstructuur van het plassengebied. De zandeilanden bieden door hun ligging om het diepe zandgat heen bescherming tegen bodemverschuivingen onder water. Ze bieden ook bescherming van de waterbodem en oevers ten gevolge van verhoogde waterstromingen in de plas en ze bieden bescherming aan de legakkers tegen verdere afkalving. Ze hebben dus ook indirect een toegevoegde waarde voor de geomorfologische waarden van het gebied. Kijkend naar alle aspecten binnen de opgestelde minimale en maximale varianten voor de deelgebieden A, B en C (legakkers) heeft het aspect ‘% bebouwing per legakker’ als enige invloed op de bodemstructuur en op de geomorfologische waarde van het plassengebied. Bebouwen van de legakker is in principe negatief. Dat komt door het aanleggen van bebouwing en ondergrondse activiteiten, zoals het heien van heipalen en het aanleggen van kabels en leidingen in de grond. Een positief effect daarentegen is te verwachten vanuit de redenatie dat gecombineerd met het
Blad 85 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
mogen bebouwen van legakkers er een verhoogde zorg ontstaat voor het in stand houden van de legakkers (met name de ambitie voor het onderbrengen van onderhoud van oeverbeschoeiingen bij de bewoners). De instandhouding van de legakkers draagt bij aan behoud van de geomorfologische waarden van het plassengebied. Voor deelgebied D (zandeilanden) heeft geen van de aspecten van de minimale en maximale variant invloed op de bodemstructuur en geomorfologische waarden. Deelgebied D betreft namelijk opgespoten zandeilanden waardoor activiteiten hier geen invloed kunnen hebben op een bodemstructuur. Verder dragen deze opgespoten zandeilanden niet direct bij aan de geomorfologische waarden van het gebied maar beschermen ze de oevers, legakkers en het diepe zandgat van verdere erosie. Deze beschermende werking wordt niet aangetast door de voorgenomen aspecten. Deelgebied A Voor deelgebied A (legakkers met rioleringsvoorzieningen) heeft de minimale variant een neutraal effect (0) op de bodemstructuur en geomorfologische waarden. Dit omdat deze minimale variant bestaat uit hetgeen nu is vastgelegd in het huidige bestemmingsplan. De maximale variant voor deelgebied A laat meer verdichting en opschaling van bebouwing toe. Dit scoort licht negatief (-) op bodemstructuur en geomorfologische waarden.
Deelgebied B Voor deelgebied B (legakkers zonder rioleringsvoorzieningen en niet direct over land bereikbaar) leidt de minimale variant tot een potentiële toename in bebouwing ten opzichte van het huidige bestemmingsplan. De minimale variant met een gesteld maximum van 15% bebouwing geeft een licht positief effect (+) op bodemstructuur en geomorfologische waarden. De instandhouding van deze legakkers wordt namelijk bevorderd door de te verwachten hogere zorg voor de oeverbeschoeiingen door de bewoners. Vergeleken met dit positieve behoudende effect is het negatieve effect door heiactiviteiten en andere bodemroerende werkzaamheden van ondergeschikt belang. De maximale variant scoort om dezelfde reden licht positief (+). Deelgebied C Voor deelgebied C (legakkers in kwetsbare zones nabij natuurgebieden) zorgt de minimale variant conform vigerende bestemmingsplan voor een neutraal effect (0). De maximale variant zal met het bebouwen van deze ‘natuurlijke’ legakkers eveneens een licht positief effect (+) hebben op bodemstructuur en geomorfologische waarden, geredeneerd vanuit de eerdergenoemde verhoogde zorg voor de staat van de legakkers. Vanuit dezelfde redenatie zijn ook hier de heiactiviteiten en bodemroerende werkzaamheden van ondergeschikt belang.
Deelgebied D Voor deelgebied D (zandeilanden) hebben, zoals eerder vermeld, beide varianten geen effect op de bodemstructuur en geomorfologische waarden. Oppervlaktewatersysteem Het oppervlaktewatersysteem van het plassengebied de Ronde Venen bestaat uit de gehele Vinkeveense Plassen, bestaande uit de Noordplas, Zuidplas en Kleine Plas die allen met elkaar verbonden zijn. Er is geen hydrologische relatie tussen Botshol en de Vinkeveense Plassen, zodat we Botshol buiten deze beoordeling kunnen laten. De hogere ligging van de Vinkeveense Plassen maakt dat door de wegzijging naar de omliggende polders er veel wateraanvoer nodig is om het vaste peil van de plassen te handhaven. Omdat er in toenemende mate sprake is van een watertekort in de Vinkeveenboezem, komt het aangevoerde water dan voor een groot gedeelte uit het Amsterdam-Rijnkanaal. Voor het behoud van een functionerend watersysteem in de toekomst is de aanvoer van dit buitenwater cruciaal. Langs alle zijden van de Vinkeveens Plassen
Blad 86 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
liggen secundaire en overige keringen en langs de overige keringen bij Botshol (in deelgebied C) liggen beschermde gronden (beschermingszone waterkering). Kijkend naar alle aspecten binnen de opgestelde minimale en maximale varianten voor de deelgebieden A, B en C (legakkers) heeft het aspect ‘% bebouwing per legakker’ als enige mogelijke invloed op het oppervlaktewatersysteem. Dit aspect heeft een negatieve invloed op het oppervlaktewatersysteem doordat toenemende bebouwing en bijbehorende hei/funderingsactiviteiten in de venige ondergrond de waterdoorlatendheid van de ondergrond kan aantasten. Dit kan leiden tot een toename in wegzijging en dus aantasting van het oppervlaktewatersysteem. Er is in het Plassengebied een ruim (overgedimensioneerd) oppervlak aan water voorhanden om overtollig water van verhardingen op te vangen.25 Het aspect ‘maximale oppervlakte terras / verharding’ heeft dan ook geen significante invloed op de kwantiteit van hemelwaterlozingen vanuit de legakkers op de plassen. Dit aspect van iedere variant geeft een neutraal effect. Voor deelgebied D (zandeilanden) heeft het aspect ‘toegestane functies’ geen invloed op het oppervlaktewatersysteem. Aangenomen wordt dat de recreatiemogelijkheden in hun waterverbruik geen directe relatie hebben met het oppervlaktewater van de plassen.
En dat ook funderingswerkzaamheden geen effect hebben op de waterdoorlatendheid van de ondergrond, het betreft namelijk opgespoten zandeilanden. Deelgebied A Voor deelgebied A heeft de minimale variant een neutraal effect (0) gezien het aspect ‘% bebouwing per legakker’ onveranderd is aan het huidige bestemmingsplan. De maximale variant scoort in deelgebied A licht negatief (-) doordat verdichting en opschaling van bebouwing meer heiactiviteiten met zich kan meebrengen. Deelgebied B Eenzelfde licht negatief effect (-) kan om dezelfde reden ook gesteld worden voor zowel de minimale en maximale variant van deelgebied B. Deelgebied C In deelgebied C heeft de minimale variant een neutraal effect (0) gezien het aspect ‘% bebouwing per legakker’ onveranderd is aan het huidige bestemmingsplan. De maximale variant scoort in deelgebied C licht negatief (-) doordat verdichting en opschaling van bebouwing meer heiactiviteiten met zich kan meebrengen. Deelgebied D Voor deelgebied D (zandeilanden) heeft de minimale en maximale variant een neutraal effect (0) op het oppervlaktewatersysteem. 25 Dit kan met een ruw rekenvoorbeeld van een worst case-situatie worden aangetoond:
Bij een T=100 bui (eens per 100 jaar) moet ordegrootte 80 mm (= 0,08 m) water geborgen kunnen worden. Stel dat er een verdubbeling van de bebouwing zou komen als nu (deels illegaal) al aanwezig, dan komt er 4 ha (= 40.000 m2) verharding bij. Gesteld wordt dat dit oppervlak direct op het water loost. Bij een T=100 bui is de extra te bergen hoeveelheid water in de plassen dan 3200 m3. De Vinkeveense Plassen hebben een oppervlakte van ongeveer 936 ha (= 9,36 mln m2). Door de extra bebouwing in deze worst case zal het waterpeil in de Vinkeveense Plassen bij een T=100 bui 0,34 mm extra stijgen.
Blad 87 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
Oppervlaktewaterkwaliteit: Ecologische toestand Het oppervlaktewater van Vinkeveense Plassen wordt via gestelde KRW-doelstellingen naar een doeltype oppervlaktewater met bijbehorende chemische en biologische eigenschappen gestuurd. In het geval van de Vinkeveense Plassen zijn dit de KRW-maatlatten die behoren bij het doeltype M20. Dit KRW-streefbeeld is vastgesteld met wat er in potentie aan ecologie kan ontstaan in samenhang met chemische doelen. De prognoses stellen dat voor de Vinkeveense Plassen deze KRW-doelstellingen in 2021 en 2027 gehaald zullen worden. Echter, de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater is dermate kritisch, dat er zorgen zijn over de huidige ontwikkeling van de recreatie en bebouwing in en aan de Vinkeveense Plassen en hun invloed op de ontwikkeling van de plassen naar een diep, helder, oligotroof watersysteem. Daarbij speelt ook dat, om de biologische doelstellingen te halen, meer oevervegetatie nodig is. De huidige houten oeverbeschoeiingen van de legakkers plaats moeten gaan maken voor natuurvriendelijke oevers, die meer structuur bieden en daarmee paai- schuil- en leefgebied voor macrofauna en vissen.
Binnen de opgestelde minimale en maximale varianten voor de deelgebieden A, B en C (legakkers) zijn de aspecten ‘% bebouwing per legakker’, ‘maximale maat aanlegsteiger’ en ‘toegestane functies’ relevant voor de beoordeling van de ecologische oppervlaktewaterkwaliteit. Hierbij wordt aangenomen dat bij bebouwing geen gebruik wordt gemaakt van loodhoudende of aantastende materialen en van chemicaliën op en rondom deze bebouwing, zoals op veranda en terras. Het aspect ‘% bebouwing per legakker’ is relevant, omdat de mate van bebouwing op de legakkers invloed heeft op de kwantiteit van lozingen in de plas. Dit geldt voor bebouwing van legakkers die niet op riolering aangesloten is en daarmee invloed heeft op de externe nutriëntenlading van de plas en op medicijn- en hormoonresten in het water. Daarnaast heeft dit aspect ook invloed op de hoeveelheid recreanten in het gebied en dus op de pleziervaart in het gebied. Deze op zijn beurt zorgt weer voor externe nutriëntenlading door uitstoot van stikstof, interne nutriëntenlading en doorzicht door opwelling van sediment en aantasting van oevers door boeggolven. De meeste oevers in het plassengebied zijn voorzien van houten beschoeiing. Met het oog op de toekomst anticiperen we op de ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers.
Een verhoogde deining en boeggolven zullen op natuurvriendelijke oevers grotere effecten hebben dan op houten beschoeiing. Het aspect ‘maximale maat aanlegsteiger’ zal grotere en meer pleziervaart faciliteren. Dit zorgt indirect voor verdere aantasting van oevers. Diepere diepgang van grotere pleziervaart zal voor meer opwelling van sediment zorgen en dus ook een verhoogde interne nutriëntenlading en doorzicht. Daarnaast zorgt een steiger voor minder zonlicht in de waterkolom. Dit remt waterplanten (submerse vegetatie) in ontwikkeling en heeft daarmee een negatief effect op biologische kwaliteit van het oppervlaktewater. Het aspect ‘toegestane functies’ heeft invloed op de duur en intensiteit van bewoning van de deelgebieden. Dit op zijn beurt heeft invloed op de nutriëntenlading op het oppervlaktewatersysteem en op de biologische kwaliteiten op de oevers, die kunnen worden aangetast door intensiever gebruik van legakkers. Voor deelgebied D (zandeilanden) zijn de aspecten ‘flexibiliteit creëren en ontwikkelingen mogelijk maken’ en ‘toegestane functies’ relevant. Het aspect ‘flexibiliteit creëren en ontwikkelingen mogelijk maken’ zal door bebouwing en toename in activiteiten op de zandeilanden invloed hebben op de externe nutriëntenlading op het oppervlaktewater.
Het aspect ‘toegestane functies’ eveneens doordat de mate van intensivering van de recreatiemogelijkheden op de zandeilanden invloed heeft op de externe nutriëntenlading.
Blad 88 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
In tegenstelling tot de legakkers in deelgebieden B en C, is op de zandeilanden in deelgebied D al riolering aanwezig. Lozingen vanuit recreatie op deze zandeilanden zal dan ook beperkt blijven. Aandachtspunt hierbij is wel de beperkte capaciteit van de bestaande riolering. Legakkers die verder verwijderd liggen van het vaste land daarentegen (zoals in de deelgebieden B en C) worden als moeilijk aankoppelbaar beschouwd. Qua lozingen op de plas zijn deze legakkers potentieel meer belastend voor de oppervlaktewaterkwaliteit van het plassengebied. Deelgebied A Voor deelgebied A (legakkers met rioolvoorzieningen) heeft de minimale variant een neutraal effect (0). Er is namelijk geen sprake van een uitbreiding op het huidig bestemmingsplan, geen significante toe- of afname van emissies en daarmee geen effect op KRW-doelen. De maximale variant scoort licht negatief (-). Meer bebouwing zal leiden tot toenemende recreatiedruk, met name pleziervaart. Dit heeft licht negatieve effecten op de oppervlaktewaterkwaliteit vanwege emissies vanuit verf, uitlaatgassen en menselijke uitwerpselen. Op de KRW-beoordelingsklasse heeft dit naar verwachting geen effect. Andere lozing naar oppervlaktewater treedt niet op, vanwege het feit dat de bebouwing op de legakkers in deelgebied A op de riolering aangesloten is.
Deelgebied B Voor deelgebied B (legakkers zonder rioleringsvoorzieningen) heeft de minimale variant wel een uitbreiding van de bebouwing voor verblijfsrecreatie voor ogen. Gezien het feit dat rioleringsvoorzieningen hier ontbreken, leidt zelfs een minimale bewoning van de legakkers zonder extra maatregelen betreffende afvoer van grijs en zwart water tot een licht negatief effect (-) op de oppervlaktewaterkwaliteit, vanwege lichte toename van belasting met onder meer fosfaat. Ondanks dat niet verwacht wordt dat dit leidt tot een verandering in KRW-beoordelingsklasse, wordt het bereiken van de KRW-doelen belemmerd. De maximale variant zorgt voor aanzienlijk meer bebouwing, uitbreiding van toegestane functies, en biedt daarnaast uitbreidingsmogelijkheden voor de steiger om het gehele perceel heen. De maximale variant scoort daarmee negatief voor de ecologische oppervlaktewaterkwaliteit (- -), omdat KRW-doelbereik hiermee sterker wordt belemmerd. Deelgebied C Voor deelgebied C worden dezelfde negatieve effecten voor maximale variant gescoord als bij deelgebied B. De minimale variant scoort neutraal (0) vanwege het onbebouwd houden van deze legakkers. De maximale variant scoort negatief (- -) vanwege het toestaan van bebouwing in dezelfde mate als in deelgebied B, met bijbehorende effecten op KRW-doelbereik.
Deelgebied D Voor deelgebied D (zandeilanden) scoort de minimale variant neutraal (0) vanwege minimaal en extensief gebruik conform het huidige bestemmingsplan. Dit gebruik zal de ecologische oppervlaktewaterkwaliteit niet extra aantasten. De maximale variant daarentegen scoort negatief (- -). Er treedt grootschalige intensivering op van de recreatie op nagenoeg alle zandeilanden. De bestaande rioleringsvoorzieningen op de zandeilanden hebben hiervoor een te beperkte capaciteit, waardoor, zonder aanvullende maatregelen, een toename van emissies van afvalwater naar het oppervlaktewater optreedt. KRW-doelbereik wordt hierdoor belemmerd. Daarnaast zal sprake zijn van toename van pleziervaart met bijbehorend effecten op emissies van fosfaat naar oppervlaktewaterkwaliteit en KRW-doelbereik (zie ook deelgebied A). Oppervlaktewaterkwaliteit: Chemische toestand De chemische toestand op de Vinkeveense Plassen is bekend, alsook de verwachte ontwikkeling. Maar er is ook duidelijk dat deze voor een groot deel beïnvloed wordt door aanvoer van water van buiten de plassen en maar beperkt door het gebruik van de plassen.
Blad 89 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
Binnen de opgestelde minimale en maximale varianten voor de deelgebieden A, B en C (legakkers) zijn de aspecten ‘% bebouwing per legakker’, ‘maximale maat aanlegsteiger’ en ‘toegestane functies’ relevant voor de beoordeling van de chemische oppervlaktewaterkwaliteit. Indien er bebouwing wordt toegestaan, dan kan door afspoeling van bijvoorbeeld zink (van daken, dakgoten, afvoerbuizen) sprake zijn van extra belasting van het oppervlaktewater met chemische stoffen. Bij het realiseren van een aanlegsteiger kan door uitspoeling van verduurzamingsmiddelen sprake zijn van extra chemische belasting van het oppervlaktewater door bijvoorbeeld uitloging. Bij een toename van toegestane functies kan sprake zijn van extra belasting van het oppervlaktewater met chemische middelen, zoals aangroeiwerende stoffen, schoonmaakmiddelen en onkruidbestrijdingsmiddelen. Deelgebieden A, B en C Bij de deelgebieden A en C geldt dat een minimale variant zeer beperkt tot niets toevoegt aan het gebruik van de plassen. Om die reden én omdat de aanvoer met name bepalend is voor de chemische toestand, zijn de minimale varianten in A en C neutraal beoordeeld (0). Bij de maximale varianten in de deelgebieden A, B en C en bij de minimale variant in deelgebied B geldt dat een toename mogelijk wordt van bebouwing en gebruik van de legakkers.
Dit kan leiden tot extra belasting van het oppervlaktewater met chemische stoffen. Daarbij moet gezegd worden dat het gebruik van middelen door particulieren, die niet beroepsmatig en soms minder verantwoord hiermee omgaan, tot een groter risico leidt dan bij toepassing door publieke of beroepsmatige instanties. Mede in het licht van de beperkte belasting vanuit het plangebied zelf (zie boven), is het effect van de maximale varianten in deelgebieden A, B en C en de minimale variant B licht negatief beoordeeld (-). Deelgebied D In deelgebied D zijn bij de minimale variant eveneens zeer beperkte extra mogelijkheden voorzien, ook hier leidend tot een neutraal effect (0) op de chemische toestand van het oppervlaktewater. Bij een toename van activiteiten geldt dat dit geheel plaatsvindt binnen de wettelijke normeringen en de bedrijven die de activiteiten ontplooien zullen ook via voorzieningen, vergunningen en handhaving een beperkt risico op chemische verontreinigingen met zich brengen. Mede in het licht van de beperkte belasting vanuit het plangebied zelf (zie boven), is het effect van de maximale variant in deelgebied D neutraal beoordeeld (0).
6.4
Mitigatie en compensatie Ten aanzien van bodemstructuur en geomorfologie zijn er neutrale of zelfs positieve effecten. Er is één risico van formaat, en dat is het doorbreken van de waterdichte laag door heiwerkzaamheden. Dit kan worden voorkomen door te eisen dat er geen heiwerkzaamheden mogen plaatsvinden, maar alleen oppervlakkige bouwmethoden toe te laten. De ontwikkeling van submerse vegetatie wordt beperkt door groen en bomen op legakkeroevers. Submerse vegetatie omvat plantendelen die zich onder het wateroppervlak bevinden. Groen en bomen belemmeren de lichtinval, waardoor submerse vegetatie zich niet of moeilijk ontwikkelt. Een mitigerende maatregel zoals het weghalen van lichtbelemmerend groen en bomen draagt dus bij aan ontwikkeling van submerse vegetatie (bron: Stowa, mei 2014: Handboek Hydrobiologie). Op legakkers die in publiek bezit zijn kan dit in het algemeen beheer verankerd worden. Bij private legakkers zou dit georganiseerd kunnen worden via een vast te stellen beheersregime via bijvoorbeeld het beeldkwaliteitsplan. Daarnaast kan in dit verband gedacht worden aan maatregelen rond de vormgeving en locatie van steigers om belemmering van lichtinval te voorkomen.
Blad 90 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
Aanvullend zal de aanleg van natuurvriendelijker ingerichte oeverzones bijdragen aan meer mogelijkheden voor (oever)vegetaties en daarmee structuur voor macrofauna en vissen. Hiermee kunnen negatieve effecten van het ‘hard’ beschoeien van legakkers en zandeilanden worden gemitigeerd. Bijkomend voordeel hiervan is dat de afkalving van oevers wordt beperkt, doordat golfslag wordt gedempt. Om belasting van het oppervlaktewater met nutriënten te voorkomen of te verminderen ten behoeve van KRW-doelbereik voor de ecologische waterkwaliteit, kan vereist worden om bebouwing aan te sluiten op riolering, dan wel op een andere manier het afvalwater te verwerken (IBA, septic tank o.i.d.). Bij het toestaan van nieuwe bebouwing, steigers en toename van gebruik van de plassen, bestaat er extra risico op toename van chemische belasting van het oppervlaktewater. Aan te raden is om middels bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan eisen te stellen aan toe te passen materialen. Zo kan voor dakbedekking vereist worden dat dit met niet uitlogende materialen plaatsvindt, dus geen zink maar pvc, epdm, steen, hout e.d. Ook voor de steigers kan dit overwogen worden. Wat betreft het algemene gebruik van chemische middelen, kan het risico op puntlozingen of diffuse lozingen verkleind worden door voorlichting, beschikbaar stellen van biologisch afbreekbare middelen en gecoördineerde inzameling.
6.5
Leemten in kennis De informatie over bodem en water is in ruime mate voorhanden voor het plangebied. Hierbij dient echter wel de kanttekening te worden geplaatst dat met name de informatie over waterkwaliteit voortkomt uit trendmatige ontwikkeling a.h.v. monitoring in het kader van de KRW. Het geeft de actuele situatie weer, dus impliciet de illegale bebouwing van de legakkers. Met andere woorden, de input is ‘vervuild’ met een beperkte toevoeging van activiteiten op de referentie. Bij de effectbeoordeling is de ‘gedachtensprong’ genomen vanaf een punt waarin de situatie, vanwege bijvoorbeeld het minder ongezuiverd lozen, nog net iets beter was voor de waterkwaliteit. Specifiek voor de chemische waterkwaliteit geldt dat deze gemeten wordt op een andere locatie dan het plangebied, namelijk Nieuwegein (Amsterdam-Rijnkanaal). Dit is omdat de chemische toestand alleen in Rijkswateren wordt gemeten. Middels de KRW-systematiek en vanuit juridisch oogpunt is de doorvertaling van deze metingen naar het waterlichaam Vinkeveense Plassen geaccepteerd (ook voor de Europese Commissie). Vanuit het watersysteem blijkt dat de inlaat vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal naar verwachting maar een beperkte invloed heeft op de chemische toestand in de Vinkeveense Plassen, omdat deze inlaat een ondergeschikte rol speelt in de waterbalans (zie ook ).
Vanuit de KRW-factsheet is bovendien niet de informatie beschikbaar over de exacte metingen over een range van stoffen, die niet de norm overschrijden. Deze stoffen zijn echter wel relevant, in de zin dat zij ook onder de gestelde normen wel invloed uit kunnen oefenen op de chemische toestand en mogelijk door toename van aanvoer van deze stoffen alsnog boven de norm uitkomen. Om die reden is voor de effectbeoordeling ten aanzien van chemische toestand ‘breed’ gekeken naar alle relevante KRW-stoffen. Ondanks bovenstaande manco’s, kan gesteld worden dat er voldoende betrouwbare informatie beschikbaar is op het vlak van bodem en water en de effecten van de varianten op de bodem- en watercriteria.
Blad 91 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
De geconstateerde leemten in kennis, dan wel mogelijke afwijkingen of fouten in de informatie ten aanzien van de referentiesituatie, staan niet aan het vaststellen van het bestemmingsplan in de weg.
Blad 92 van 224
Milieueffectrapport BP Vinkeveense Plassengebied Gemeente De Ronde Venen projectnummer 0478281.100 17 april 2023 revisie 3.0 Gemeente De Ronde Venen
7
Natuur Dit hoofdstuk is geactualiseerd in hoofdstuk 16.
7.1
Werkwijze beoordeling voor de criteria Voor dit thema worden de volgende criteria gehanteerd: Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000. Wezenlijke kenmerken Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soorten die zijn beschermd door de Wet natuurbescherming. Tabel 7-1 Beoordelingscriteria voor het aspect natuur. Natuur Wijze beoordelen Instandhoudingsdoelstellingen De effecten van de verschillende varianten op de instandNatura 2000 houdingsdoel-stellingen van Natura 2000 worden beschreven. Daarnaast wordt (separaat van het MER) een Passende beoordeling conform de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Wezenlijke kenmerken NNN Aan de hand van bij de provinciale en overige beschikbare inventarisatiegegevens (aantallen, oppervlakten) bekijken we in hoeverre varianten hiermee overlappen. Hierop wordt een gegrond oordeel gegeven over de effecten. Soorten die zijn beschermd d.m.v. De effecten van de varianten op de soorten die zijn beschermd in Wet natuurbescherming het kader van de Wet natuurbescherming worden onder dit criterium in beeld gebracht.