Bijlage 2 Toelichting bestemmingsplan Dorpskernen
Tekst van het document
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
69
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
5.1
INLEIDING
In dit hoofdstuk wordt een aantal milieu- en omgevingsaspecten toegelicht die bij een ruimtelijk plan, zoals een bestemmingsplan, in beschouwing moeten worden genomen. Na een algemene beschrijving, gebaseerd op beleid en regelgeving, wordt voor elk onderdeel ingegaan op de relatie met het plangebied. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het een beschrijving in hoofdlijnen betreft, te meer omdat in voorliggend bestemmingsplan in hoofdzaak uitgegaan wordt van de bestaande (planologische) situatie. 5.2
GELUID
5.2.1 Beleid en regelgeving De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, worden beschermd tegen geluidhinder ten gevolge van wegverkeer, spoorwegen en industrie. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wgh worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. In het kader van dit bestemmingsplan is zowel wegverkeerslawaai als railverkeerslawaai van toepassing. Er zijn geen gezoneerde bedrijventerreinen aanwezig. Geluidzones In de Wgh is bepaald dat elke weg van rechtswege een geluidszone heeft (art. 74 lid 1). Een uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen in een 30 km/uur-zone of in een woonerf. De breedte van de geluidszones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van een weg. Ook veel spoorwegen kennen een geluidszone. De breedte van de zone is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond, en zijn aangegeven op de geluidplafondkaart of op de zonekaart. Voorkeurswaarden en ontheffingswaarden Binnen een geluidszone geldt een voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen.
Voor wegverkeer bedraagt deze 48 dB, voor railverkeer 55 dB. Hierbij geldt een toetsing per weg en per geluidsbron. Als de voorkeurswaarde wordt overschreden moet onderzocht worden of geluid reducerende maatregelen getroffen kunnen worden (bron- en overdrachtsmaatregelen) om aan de voorkeurswaarde te kunnen voldoen. Pas als blijkt dat niet aan de voorkeurswaarde kan worden voldaan kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de voorkeurswaarde. Hierbij geldt wel een maximale ontheffingswaarde. Voor railverkeer is de maximale ontheffingswaarde 68 dB. Voor wegverkeer is de maximale ontheffingswaarde afhankelijk van een aantal eigenschappen van de locatie (in stedelijk gebied 63 dB, in buitenstedelijk gebied en voor autosnelwegen 53 dB). Geluidsniveaus bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die hoger zijn dan de wettelijke maximale ontheffingswaarden, zijn niet toegestaan.
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
70
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
Geluidsgevoelige objecten In de Wgh zijn geluidgevoelige objecten benoemd. Voor deze objecten gelden de geluidswaarden die de Wgh opgeeft. Geluidsgevoelige objecten zijn woningen, woonwagenstandplaatsen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, en speciaal benoemde gezondheidszorggebouwen. 5.2.2 Relatie met het plangebied Het bestemmingsplan legt de bestaande (geldende planologische) situatie opnieuw vast. Binnen het plangebied worden bij recht geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt, anders dan op grond van de geldende bestemmingsplannen binnen het plangebied al mogelijk is. Een toetsing aan de grenswaarden van de Wgh is daarom niet nodig. Een eventuele overschrijding van de voorkeursgrenswaarde in bestaande situaties heeft immers geen gevolgen. De realisatie van nieuwe geluidsgevoelige functies (zoals burgerwoningen) kan alleen via planwijziging. Hiervoor zijn enkele wijzigingsbevoegdheden en afwijkingsbevoegdheden in het voorliggende bestemmingsplan opgenomen, onder andere in de bestemming ‘Agrarisch’ (Vervolgfunctie bij bedrijfsbeëindiging) en het toevoegen van woningen binnen o.a. de centrum- en gemengde bestemming. Er dient dan per situatie te worden beoordeeld of deze functies qua geluidssituatie inpasbaar zijn.
De voorwaarde dat voldaan moet worden aan de eisen van de Wgh is ook in de wijzigings- en afwijkingsregels geborgd, als onderdeel van de voorwaarde dat de nieuwe functie vanuit milieuhygiënisch oogpunt inpasbaar dient te zijn. 5.2.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect geluid op grond van de Wgh voor het plan. 5.3
BODEMKWALITEIT
5.3.1 Beleid en regelgeving Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming (Wbb) is bepaald dat indien sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij geschikt is voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (vóór 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. 5.3.2 Relatie met het plangebied Voor een conserverend bestemmingsplan, waarvan hier sprake is, geldt dat er geen directe aanleiding is de bodemkwaliteit (vooraf) in beeld te brengen. In het bestemmingsplan worden namelijk geen functiewijzigingen bij recht mogelijk gemaakt. Bodemonderzoek is om deze reden in het kader van het bestemmingsplan niet noodzakelijk. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de wijzigingsbevoegdheden voor functiewijzigingen (bijvoorbeeld wonen als vervolgfunctie bij een agrarisch bedrijf), dient op dat moment bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
71
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
Wel vergt het onderdeel ‘snippergroen’ bezien vanuit het aspect bodemkwaliteit iets meer toelichting. In het voorliggende bestemmingsplan zijn namelijk diverse stukken gemeentegrond aan particuliere tuinen toegevoegd. Het betreft gronden die door de gemeente zijn verkocht of langdurig worden verhuurd aan particulieren, waarmee een langdurig privégebruik van gronden / tuinen is ontstaan. Hieraan is de bestemming ‘Wonen’ of ‘Tuin-Onbebouwd’ toegekend. In theorie is het mogelijk dat deze stukken grond niet geschikt zijn voor deze bestemming door aanwezigheid van bodemverontreiniging. De kwaliteit van de bodem op deze stukken snippergroen is niet bekend. Voor het snippergroen is met name het risico op hoge loodgehalten in de bodem door de ligging op toemaakdek 4 bepalend voor eventuele belemmering van het gebruik als tuin. De kans dat overige bronnen tot bodemverontreiniging van betekenis hebben geleid op deze stukken grond (ondergrondse tanks, vervuilende bedrijfsactiviteiten) wordt verwaarloosbaar geacht. Het toevoegen van een stukje snippergroen aan een tuin zal ook in geval van lood in bodem vrijwel nooit tot een onacceptabele toename van risico’s voor de volksgezondheid leiden. Niet alle tuinen liggen op het toemaakdek.
Van de tuinen op toemaakdek is bij ongeveer 1 op de 20 tuinen het loodgehalte dermate hoog dat ingeval kinderen spelen op dat stuk tuin, saneringsmaatregelen nodig zijn. Het snippergroen maakt in het algemeen maar een klein deel van de totale tuin uit. De bijdrage aan de totale blootstelling aan lood in bodem op het snippergroen zal dus beperkt zijn. Alle bewoners op het toemaakdek zijn aangeschreven mee te doen aan het project “lood in bodem” dat de gemeente in samenwerking met de provincie Utrecht uitvoert. Iedereen is dus in de gelegenheid de tuin te laten onderzoeken en zo nodig te saneren op kosten van de gemeente. Het aspect bodem levert geen belemmeringen op voor het opnemen van ‘snippergroen’ in het bestemmingsplan Dorpskernen. 5.3.3 Conclusie Ten aanzien van bodem zijn er geen belemmeringen voor de uitvoering van het bestemmingsplan. 5.4
MILIEUBELASTING NIET-AGRARISCHE BEDRIJVEN (MILIEUZONERING)
5.4.1 Beleid en regelgeving Om tot een ruimtelijk relevante toetsing van niet-agrarische bedrijven op milieuhygiënische aspecten te komen wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. De milieuzonering zorgt voor voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen. Hiertoe zijn bedrijven voorzien van een zone waar mogelijke nadelige effecten zijn voor woningen of andere gevoelige bestemmingen. Maatgevend zijn de thema’s geur, geluid, stof en gevaar. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het voorkomen van voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten van belang. Daarnaast mogen bedrijven niet worden beperkt in hun mogelijkheden. Op landelijk niveau is de Wet milieubeheer van kracht. Op basis van deze wet kan het bevoegd gezag voorschriften (bijvoorbeeld grenswaarden) opleggen aan
4
Een ophooglaag tot ca. 50 cm dik, van stadsvuil, stalmest, zand en bagger. Deze materialen zijn de afgelopen eeuwen over grote oppervlakken van het veenweidegebied opgebracht om de vruchtbaarheid en de draagkracht van de veengronden te verbeteren
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
72
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
bedrijven. Als de activiteiten van een bedrijf niet in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan, mag een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor milieu worden geweigerd. Een grote groep van bedrijven valt onder het Activiteitenbesluit. Het Activiteitenbesluit is een AMvB op basis van de Wet milieubeheer die standaardvoorschriften bevat voor een grote groep van bedrijven met standaardprocessen. Als een bedrijf in het bezit is van een vergunning of voldoet aan het Activiteitenbesluit betekent dat niet dat deze bedrijven geen hinder kunnen veroorzaken. VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering Om mogelijke hinder van niet-agrarische bedrijven voor bewoners te voorkomen wordt de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) gebruikt. In deze uitgave is de potentiële milieubelasting voor een hele reeks van bedrijven bepaald aan de hand van een aantal milieuaspecten, zoals geur, stof, geluid en gevaar. De milieubelasting is voor die aspecten vertaald in richtlijnen voor aan te houden afstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Bovendien zijn deze afstanden alleen van toepassing op nieuwe situaties en niet op bestaande situaties. Het milieuaspect met de grootste afstand is maatgevend en bepaalt in welke milieucategorie een bedrijfstype wordt ingedeeld.
Hoe gevoelig een gebied is voor bedrijfsactiviteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De in de bedrijvenlijst geadviseerde afstanden zijn gericht op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of een vergelijkbaar omgevingstype, zoals een ‘rustig buitengebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Naast het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en rustig buitengebied wordt ook het omgevingstype ‘gemengd gebied’ onderscheiden. Bij een gemengd gebied kunnen kleinere afstanden tussen bedrijven en woningen worden aangehouden. Bij een gemengd gebied zijn dus kleinere milieuzones van toepassing. Bij een gemengd gebied kunnen de afstanden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd. Dit betekent dat de afstand van de eerstvolgende lagere categorie mag worden aangehouden. Een gemengd gebied is een gebied dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Dit betekent dat de eisen in gemengde gebieden minder streng zijn dan in rustige woonwijken.
In bijgaande tabel zijn de richtafstanden opgenomen tot een ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Richtafstand tot omgevingstype rustige Milieucategorie woonwijk en rustig buitengebied 1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
73
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6 1.500 m 1000 m Tabel 4 - Milieucategorieën en richtafstanden tot een rustige woonwijk en gemengd gebied (Bron: Bedrijven en milieuzonering, VNG)
Zijn de afstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies kleiner dan de voorgeschreven afstanden uit de VNG-publicatie, dan zal door middel van onderzoek aangetoond moeten worden of de realisatie van een bedrijf toch mogelijk is en welke maatregelen moeten worden genomen om te komen tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de hand hiervan kan dan gemotiveerd worden afgeweken van de standaard adviesafstanden. 5.4.2 Relatie met het plangebied De bestaande bedrijvigheid binnen het plangebied is bestemd middels de bestemming ‘Bedrijventerrein’ (geclusterde bedrijven bij het stationsgebied Abcoude) en ‘Bedrijf’ (in de regel de meer verspreid liggende bedrijven in de dorpskernen en gelegen nabij woningen, maar bijvoorbeeld ook de bedrijven aan de Wilgenlaan in Vinkeveen en aan de Amstelkade in Amstelhoek)5. Voor beide bestemmingen geldt het uitgangspunt dat de reeds bestaande gevestigde bedrijvigheid planologisch wordt vastgelegd. Daarbij wordt de milieuruimte van het bedrijf bepaald via de milieuvergunning of het Activiteitenbesluit. Binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ zijn bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorieën 2 toegestaan. Bedrijfsactiviteiten uit een zwaardere categorie zijn aangeduid. Daarbij is een koppeling gemaakt met een ‘Staat van Bedrijfsactiviteiten’ die als bijlage bij de regels is toegevoegd.
Eventueel afwijkende functies (zoals zelfstandige kantoren) zijn specifiek aangeduid. Binnen de bestemming ‘Bedrijf’ is maximaal bedrijvigheid tot en met categorie 2 toegestaan. In het algemeen geldt dat bedrijvigheid in deze categorieën goed inpasbaar is in de woonomgeving en dat hinder naar omringende woningen relatief eenvoudig is te voorkomen. Voor een aantal bedrijfspercelen, waar op grond van het geldende bestemmingsplan rechten aanwezig zijn die bedrijfsactiviteiten uit een hogere milieucategorie toelaten, is een aanduiding opgenomen (bijvoorbeeld 'bedrijf tot en met categorie 3.1') waarmee de bedrijfsactiviteiten uit een zwaardere categorie ook zijn toegestaan. De plansystematiek is daarbij zodanig opgesteld dat binnen de desbetreffende aanduiding ook andersoortige bedrijvigheid is toegestaan dan momenteel aanwezig is, maar dat geen bedrijvigheid met een (nog) hogere milieucategorie is toegestaan. Hierdoor is sprake van de nodige flexibiliteit, omdat een vrijkomende bedrijfskavel dan ook kan worden ingenomen door een ander type bedrijf, zonder dat een bestemmingsplanwijziging nodig is. Tegelijkertijd is de vestiging van bedrijven die zwaarder zijn dan de toegestane categorieën, niet mogelijk.
5
Binnen de bestemming ‘Centrum’, ‘Gemengd’ en ‘Wonen’ komt overigens ook bedrijvigheid voor. Deze is specifiek aangeduid, veelal met de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’.
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
74
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
Indien reeds aanwezige bedrijven in een hogere categorie vallen dan nu is toegestaan, danwel bedrijvigheid aanwezig is die door zijn specifieke functie een bijzondere plaats inneemt, worden deze mogelijk gemaakt via een maatbestemming. Dit zijn veelal historische gegroeide situaties. Deze bedrijvigheid is specifiek aangeduid, bijvoorbeeld middels de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – aannemersbedrijf’. Dit betekent dat deze bestaande bedrijven hun activiteiten kunnen voortzetten. Bij bedrijfsbeëindiging of -verplaatsing kan zich dan alleen nog een gelijksoortig bedrijf vestigen, danwel een bedrijf uit een lagere milieucategorie. Op deze manier kan milieuhinder op de betreffende plekken niet toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Deze systematiek voorkomt namelijk dat zich op locaties met een bedrijfsbestemming andere (grote) bedrijven vestigen die meer milieuhinder veroorzaken voor de omgeving. Bedrijven die meer milieuhinder veroorzaken dan de huidige bedrijven zijn vanuit ruimtelijk oogpunt ook niet gewenst. De uitoefening van andere bedrijfsactiviteiten dan de bestaande is niet in alle gevallen onaanvaardbaar. Andere bedrijfstypen kunnen namelijk evenveel of minder milieuhinder voor de omgeving veroorzaken.
Daarom is een binnenplanse afwijking opgenomen om bij bedrijfsbeëindiging een ander bedrijfstype toe te staan, mits de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is. Dit zorgt ervoor dat de bedrijfslocatie niet onbruikbaar wordt als een bestaand bedrijf verplaatst of beëindigd wordt. Wel is gewaarborgd dat geen te zwaar bedrijf qua milieuhinder kan terugkomen. In het plangebied worden bij recht geen nieuwe woningen mogelijk gemaakt, anders dan op grond van de geldende bestemmingsplannen al mogelijk is. Het bestemmingsplan biedt in de bestemming ‘Agrarisch’ met een wijzigingsbevoegdheid mogelijkheden voor de realisatie van nieuwe woningen (vervolgfunctie bij bedrijfsbeëindiging). In de wijzigingsvoorwaarden hiervoor is vastgelegd dat omliggende functies (waaronder eventuele niet-agrarische bedrijven) niet onevenredig in hun gebruiksmogelijkheden mogen worden beperkt. Dat betekent dat op het moment van planwijziging voor de specifieke situatie bekeken zal moeten worden in hoeverre er milieuhinder optreedt voor milieugevoelige functies en de aanvaardbaarheid daarvan afgewogen zal moeten worden. Maatschappelijke voorzieningen Op verschillende locaties in het plangebied komen maatschappelijke voorzieningen voor.
Ook maatschappelijke functies en de bijbehorende activiteiten (zoals scholen) worden vanuit het perspectief van milieuzonering als een vorm van bedrijvigheid beschouwd. Binnen de gemeente De Ronde Venen geldt het uitgangspunt dat deze locaties niet specifiek voor de bestaande functies bestemd moeten worden, maar dat ook de mogelijkheid opengehouden moet worden voor andere maatschappelijke functies. Daarbij moet wel in ogenschouw genomen worden dat de mogelijke hinder van de voorzieningen ook per voorziening kan verschillen. Dit is vooral het geval bij grotere locaties. Enkele specifieke maatschappelijke functies zijn expliciet aangeduid en uitsluitend ter plaatse van die aanduiding toegestaan, zoals een brandweerkazerne en een begraafplaats.
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
75
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
Voor maatschappelijke voorzieningen geldt dus dat afstemming met de omgeving plaatsvindt door het bij de bestemming opnemen van een algemene of een specifieke omschrijving. Bij maatschappelijke voorzieningen vindt geen milieuzonering plaats met behulp van de ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’, aangezien deze lijst enkel van toepassing is op bedrijfsactiviteiten. 5.4.3 Conclusie Door de bestaande bedrijfstypen planologisch vast te leggen wordt de toename van milieuhinder in het plangebied door niet-agrarische bedrijven voorkomen. Ook worden bestaande bedrijven niet beperkt in hun bedrijfsuitvoering omdat er geen nieuwe gevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt, anders dan op grond van de geldende bestemmingsplannen al mogelijk was. Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect milieuzonering voor het plan. 5.5
GEURHINDER AGRARISCHE BEDRIJVIGHEID
5.5.1 Beleid en regelgeving Agrarische bedrijven kunnen milieuhinder veroorzaken voor milieugevoelige functies, zoals woningen en recreatiewoningen. Een belangrijk hinderaspect daarbij is geur. De regelgeving die hiervoor van toepassing is, is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit. Ook heeft de gemeente De Ronde Venen een ‘eigen geurverordening’. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste regels waaraan moet worden voldaan om milieuhinder van agrarische bedrijven te voorkomen. Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat een beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Uitgangspunt van de wet is dat aan de ene kant de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderijsector niet in gevaar komen, maar ook dat woningen en andere geurgevoelige objecten tegen geurhinder worden beschermd. In deze wet zijn voor bepaalde typen dieren geurnormen opgenomen. Deze normen zijn uitgedrukt in odeur units per kubieke meter (ouE/m3). In de wet wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen maximaal toegestane geurbelasting binnen en buiten de bebouwde kom en concentratie en niet-concentratiegebieden. Ten aanzien van dieren waarvoor geen geurnorm is vastgesteld, zoals koeien, schapen en paarden, gelden vaste afstanden.
Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige objecten in de bebouwde kom en daarbuiten. Gemeenten kunnen bij verordening afwijken van de geurnormen en vaste afstanden uit de wet. Hiervoor geldt een in de wet vastgelegde bandbreedte. De Wgv regelt ook hoe om te gaan met voormalige agrarische bedrijfswoningen. Als een agrarisch bedrijf wordt beëindigd en een nieuwe bestemming krijgt dan zal voor het voormalige agrarische bedrijf de regeling gelden van een agrarisch bedrijf. Zo kan een voormalig agrarisch bedrijf de overgebleven agrarische bedrijven in de omgeving niet beperken in de bedrijfsvoering.
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
76
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 vallen agrarische activiteiten onder de werking van het Activiteitenbesluit. Dit betekent dat de meeste agrarische bedrijven niet meer omgevingsvergunningplichtig zijn. Alleen bepaalde intensieve veehouderijen blijven vergunningsplichtig. Voor de veehouderijen is in het Activiteitenbesluit aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen maximaal toegestane geurbelastingen (diercategorieën waarvoor de geuremissie is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) gelden en in andere gevallen vaste afstandseisen (diercategorieën waarvoor de geuremissie niet is vastgesteld, waaronder melkrundvee) gelden. Een veehouderij met dieren waarvan geen geuremissie is vastgesteld moet daardoor in principe voldoen aan een afstand van 100 meter als het geurgevoelig object is gelegen binnen de bebouwde kom en 50 meter als het geurgevoelig object is gelegen buiten de bebouwde kom. Ook zijn in het Activiteitenbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de afstand tussen mestopslag en omliggende geurgevoelige objecten. Gemeentelijke geurverordening Voor een deel van het plangebied is een gemeentelijke geurverordening van kracht. Het betreft de ‘Verordening lokaal geurbeleid veehouderijen voor het grondgebied van de voormalige gemeente De Ronde Venen 2012’, waarmee op onderdelen afgeweken wordt van de afstandseisen uit de Wgv.
In de verordening wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwe en bestaande situaties. Voor bestaande situaties zijn in de verordening de afstanden zoals opgenomen in de Wgv verkleind. Voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom geldt een minimale afstand van 50 meter en voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom een minimale afstand van 25 meter. Voor nieuwe situaties dient in principe te worden voldaan aan de afstandseisen zoals vastgelegd in de Wgv. Een uitzondering wordt gemaakt voor geurgevoelige objecten die de bestemming recreatie, zorg of toerisme krijgen. Dergelijke functies mogen op een afstand van minimaal 25 meter van een dierenverblijf worden gerealiseerd. Ook voor nieuwe functies binnen een cultuurhistorisch waardevol gebouw wordt de minimaal aan te houden afstand verkleind tot 25 meter zijn. 5.5.2 Relatie met het plangebied Alleen binnen het plangebied van de dorpskern Vinkeveen zijn een paar agrarische bedrijven aanwezig. Het betreft vooral glastuinbouwbedrijven en een enkele melkrundveehouderij. Niet-grondgebonden veehouderijen (zoals pluimveehouderijen) zijn niet aanwezig. Het bestemmingsplan maakt de nieuwvestiging van agrarische bedrijven niet mogelijk. Ook de bestaande niet-veehouderijbedrijven binnen het plan (de glastuinbouwbedrijven) kunnen niet worden omgeschakeld naar veehouderijbedrijven.
In de regels van het bestemmingsplan is dit expliciet bepaald. Tevens worden in de omgeving van bestaande agrarische bedrijven bij recht geen nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt. Uitsluitend de bestaande agrarische bedrijven en functies zijn vastgelegd. Daarmee voldoet het plan aan de vigerende regelgeving voor agrarische bedrijvigheid. Bovendien wordt bij de vormverandering en uitbreiding van bouwvlakken als onderdeel van agrarische bedrijven (via een wijzigingsbevoegdheid) als voorwaarde
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
77
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
gesteld dat de ontwikkeling milieuhygiënisch inpasbaar moet zijn. Het aspect geur dient hierbij te worden afgewogen. Omgekeerd dient bij de realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten (eveneens via een wijzigingsbevoegdheid) rekening te worden gehouden met de belangen van omliggende agrarische bedrijven. Dit is geborgd in de wijzigingsvoorwaarden. 5.5.3 Conclusie Het aspect geur door agrarische bedrijvigheid staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. Nieuwe agrarische bedrijven worden niet mogelijk gemaakt en nabij agrarische bedrijven worden niet rechtstreeks (’bij recht’) nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. 5.6
LUCHTKWALITEIT
5.6.1 Beleid en regelgeving Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 2: Luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer (bekend onder de naam 'Wet luchtkwaliteit', Wlk). Dit wettelijke stelsel is van kracht sinds november 2007. De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in bijgaande tabel weergegeven en gelden voor de buitenlucht. Aspecten van de regelgeving op grond van de Wlk worden in afzonderlijke uitvoeringsregelingen uitgewerkt. De belangrijkste zijn: • Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), verder te noemen Besluit NIBM; • Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), verder te noemen Regeling NIBM; • Besluit gevoelige bestemmingen. Besluit NIBM Het Besluit NIBM legt vast wanneer een project met ruimtelijke gevolgen niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Hiervan is sprake als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%.
De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 of NO2. Deze grenswaarde is gesteld op 40 µg/m3. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. De 3 %-grens is van toepassing sinds 1 augustus 2009 toen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht in werking trad. Overigens geldt vanaf 1 januari 2015 dat het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook moet toetsen aan zwevende deeltjes in de atmosfeer, waarvan de omvang (aerodynamische diameter) kleiner is dan 2,5 micrometer. Deze worden aangeduid met PM2,5. PM2,5 is in dit kader een deeltje uit de fractie PM 10. De grenswaarde voor PM2,5 is gesteld op 25 µg/m3. Stof
Type norm
Van kracht vanaf
Concentratie (µg/m3)
Jaargemiddelde
2015
40
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
78
Max. overschr. per jaar
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Uurgemiddelde
2015
200
Jaargemiddelde
2011
40
24-uursgemiddelde
2011
50
Jaargemiddelde
2015
25
18 35
Tabel 5 - Grenswaarden stikstofdioxide en fijn stof
Regeling NIBM In de Regeling NIBM is de 3%-bijdrage vertaald naar getalsmatige grenzen van diverse functies, onder andere voor kantoren en woningen. Zo is aangegeven dat bij 1.500 woningen of 100.000 m2 kantooroppervlak de 3%- grens wordt overschreden en er luchtkwaliteitberekeningen dan wel - onderzoek nodig is. Besluit gevoelige bestemmingen In het verlengde van een goede ruimtelijke ordening, gebaseerd op de Wet milieubeheer, is het Besluit gevoelige bestemmingen van kracht. Dit besluit is gericht op functies voor gevoelige groepen voor langdurig verblijf. Hierbij kan worden gedacht aan zorginstellingen, kinderopvang, scholen en bejaardentehuizen. Deze functies mogen niet worden gerealiseerd in gebieden met overschrijdingen van de wettelijke grenswaarden ten gevolge van provinciale wegen en rijkswegen. Woningen zijn geen gevoelige bestemmingen als bedoelt in het Besluit. Goede ruimtelijke ordening Naast hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is ook het beginsel van een goede ruimtelijke ordening van toepassing. Een goede luchtkwaliteit is een van de belangen die daarbij afgewogen dient te worden; ofwel de luchtkwaliteit dient geschikt te zijn voor de beoogde functie. Daarom is het bij nieuw ruimtelijke ontwikkelingen wenselijk om inzicht te hebben in de luchtkwaliteitssituatie.
5.6.2 Relatie met het plangebied Het bestemmingsplan legt de bestaande (planologische) situatie opnieuw vast. Daardoor worden bij recht geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Middels wijzigingsbevoegdheden en afwijkingen zijn zeer kleinschalige ontwikkelingen mogelijk, bijvoorbeeld een vervolgfunctie bij agrarische bedrijfsbeëindiging en het toevoegen van woningen binnen o.a. de centrum- en gemengde bestemming. De bijdrage van deze ontwikkelingen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit zal zeer beperkt zijn, met name ook omdat er voorwaarden bij de afwijkingen en wijzigingen zijn opgenomen ten aanzien van de milieuhygiënische inpasbaarheid en de luchtkwaliteit daar expliciet deel vanuit maakt. Het is dan ook aannemelijk dat de ruimte die het bestemmingsplan biedt niet leidt tot een overschrijding van grenswaarden, dan wel ‘niet in betekende mate’ zal bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit temeer omdat uit de Grootschalige Concentratiekaarten - en Depositiekaarten Nederland van het RIVM (peiljaar 2021) blijkt dat de achtergrondconcentraties voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) ter hoogte van het plangebied ver onder de grenswaarden liggen. Daarmee wordt ook voldaan aan het beginsel van een goede ruimtelijke ordening.
Voorts maakt het bestemmingsplan de realisatie van nieuwe gevoelige bestemmingen in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen niet mogelijk.
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
79
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
5.6.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. 5.7
EXTERNE VEILIGHEID
5.7.1 Beleid en regelgeving Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen binnen aanvaardbare grenzen te blijven. Binnen externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: • het plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. • het groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
De regelgeving voor het aspect Externe Veiligheid is opgenomen in het: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • Regeling Basisnet (Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water). Hierbij geldt dat bebouwing niet is toegestaan binnen de zogenaamde 10 -6- contour van het PR rond bedrijven waarin opslag en/of verwerking gevaarlijke stoffen plaatsvindt, danwel langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Verder geldt dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Er dient een verantwoording GR opgesteld te worden indien een bestemming gepland is binnen het invloedsgebied. 5.7.2 Relatie met het plangebied Met behulp van de risicokaart is een inventarisatie van de risicobronnen in en om het plangebied gemaakt. In figuur 12 is een uitsnede van de risicokaart opgenomen.
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
80
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
Spoorlijn
Rijksweg A2
Gasontvangststation BRZO LPG
Leiding W-529-01
Bevi N201
Leiding W-529-08
AmsterdamRijnkanaal
Leiding W-529-17
LPG
Figuur 12 – Uitsnede landelijke risicokaart in relatie tot het plangebied van dit bestemmingsplan (bron: www.atlasleefomgeving.nl)
Risicovolle inrichtingen Binnen het plangebied is één risicovolle inrichting aanwezig. Het betreft het Gasontvangststation Vinkeveen aan de Mijdrechtse dwarsweg 2. Deze inrichting valt echter niet onder het Bevi. Nabij het plangebied liggen nog vier andere risicovolle inrichtingen, ten noordoosten van de kern Wilnis en ten noorden en oosten van de kern Mijdrecht. Het gaat hierbij om: - een LPG-tankstation aan de Mijdrechtse dwarsweg 27; -
een LPG-tankstation aan de Mijdrechtse Zuwe 2;
-
een BRZO-bedrijf (S.C. Johnson Europlant B.V.) aan de Groot
-
Mijdrechtsstraat 81; een Bevi-inrichting (Multifill B.V.)aan de Constructieweg 25a;
De PR10‐6‐contouren van deze inrichtingen liggen echter buiten het plangebied. Het invloedsgebied van de twee LPG-tankstations bedraagt beiden 150 meter rondom het LPG-vulpunt. Daarmee vallen beiden invloedsgebieden afzonderlijk voor
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
81
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
een klein deel binnen het plangebied. Ter hoogte van het tankstation aan de Mijdrechtse dwarsweg 27 (kern Wilnis) ligt deze contour alleen over gronden met een groen- en waterbestemming, waarbinnen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn. Het invloedsgebied van het tankstation aan de Mijdrechtse Zuwe 2 in kern Mijdrecht ligt voor een (klein) deel over de bestaande bedrijfspercelen aan de Mijdrechtse Zuwe 1-3A en Hofland 203A. Het invloedsgebied van het bedrijf C. Johnson Europlant B.V aan de Groot Mijdrechtsstraat 81 ligt op 440 meter van de inrichting6. De opslagtank van een LPG-installatie op het terrein zorgt voor dit invloedsgebied. Dit invloedsgebied ligt echter buiten het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. Het invloedsgebied van het bedrijf Multifill B.V. aan de Constructieweg 25a ligt op iets meer dan 700 meter van de inrichting7 en reikt wel over het plangebied. Het insluitsysteem dat zorgt voor dit invloedsgebied is de PGS15-opslagvoorziening. Vanwege het consoliderende karakter van voorliggend bestemmingsplan worden er geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die kunnen leiden tot een relevante toename van de personendichtheden in het gebied. De neven- en vervolgfuncties kennen een dermate beperkte omvang dat deze geen gevolgen hebben voor de hoogte van het GR (0) voor de risicovolle inrichtingen.
Omdat het invloedsgebied van een aantal van de bovengenoemde bedrijven (inrichtingen) zich wel uitstrekt tot over het plangebied, moet in het kader van artikel 13 van het Bevi ingegaan worden op een verantwoording van het groepsrisico voor het plan. Omdat de personendichtheid met het consoliderende bestemmingsplan niet noemenswaardig toeneemt, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het GR waarin alleen ingegaan wordt op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp in de inrichting en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te indien zich een ramp voordoet. De verantwoording komt aan de orde onder het kopje ‘Verantwoording Groepsrisico’ aan het eind van deze paragraaf. Transport van gevaarlijke stoffen Wegen In het plangebied vindt tevens vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de provinciale weg N201. Volgens de risicokaart ligt de PR10 ‐6 -contour niet buiten de weg. Volgens diezelfde risicokaart vindt er over deze weg vervoer van de stoffen LF1 (brandbare vloeistof), LF2 (zeer brandbare vloeistof) en GF3 (zeer brandbaar gas) plaats. De stofcategorie GF3 heeft daarbij het grootste invloedsgebied, namelijk 355 meter (zie ook tabel 6). Een deel van het plangebied ligt binnen dit invloedsgebied. Verder grenst de kern Abcoude in het westen aan de Rijksweg A2. De A2 is opgenomen in het Basisnet Weg.
Voor de A2 geldt een PR10‐6 contour van 0 meter en een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter, gerekend vanaf de buitenste kantstreep van de weg. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risico (PR) contour. Een klein deel van het plangebied ligt ter hoogte van de kern Abcoude weliswaar enkele meters binnen het PAG, maar binnen deze strook zijn alleen de bestemmingen ‘Groen’ en ‘Water’ aanwezig. Daarmee worden sowieso geen (nieuwe) woningen en/of andere (bedrijfs)gebouwen mogelijk gemaakt en dus ook geen (beperkt) kwetsbare objecten toegelaten.
6 7
Antea Group, ‘Kwantitatieve Risicoanalyse SC Johnson Europlant B.V.’, 4 mei 2016 Antea Group, ‘QRA Multifill B.V.- Multifill B.V. Mijdrecht Constructieweg 25A’, 9 juli 2021
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
82
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
Aan de hand van de Regeling Basisnet wordt gesteld dat voor dit wegvak (‘U12’ / Knp. Holendrecht 2 - afrit 4 (Vinkeveen) de stof GF3 (brandbaar gas) met een 1% letaliteitsafstand van 355 meter bepalend is voor het groepsrisico. Zie ook tabel 6. Daarmee ligt het invloedsgebied ook over het plangebied, namelijk over een deel van de kern Abcoude. Spoorwegen De kern Abcoude grenst in het oosten aan de spoorlijn Amsterdam-Utrecht. Deze spoorlijn is opgenomen in het Basisnet Spoor. Voor deze spoorlijn geldt een PR10‐6 contour van 1 meter en een PAG van 30 meter gerekend vanaf de buitenste spoorstaven van de spoorbundel. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risico (PR) contour. En hoewel een klein deel van het plangebied ter hoogte van de kern Abcoude enkele meters binnen het PAG ligt, worden binnen deze strook geen (nieuwe) woningen en of (bedrijfs)gebouwen mogelijk gemaakt. Conform de Regeling Basisnet vindt er over dit spoortraject transport van brandbare stoffen (categorie A en C3) als (zeer) toxische stoffen (categorie B2, D3 en D4) plaats. Het invloedsgebied van de spoorlijn wordt bepaald door het vervoer van zeer toxische vloeistoffen (stofcategorie D4). Deze bedraagt meer dan 4 kilometer (zie ook tabel 6) en valt daarmee over een deel van het plangebied, namelijk de kernen Abcoude en Baambrugge.
Waterwegen Op ruim 1 km afstand ten oosten van de kern Baambrugge ligt het Amsterdam Rijnkanaal. Daarmee is voldoende afstand aanwezig tot deze risicovolle route. Stofcategorie Weg, water
Invloedsgebied 1%-letaliteitsafstand (m)
Spoor
Spoor
Weg
Water
LF2
C3
35
45
35
45
35
LT1
D3
375
730
600
D4
880
880
>4000
>4000
Nvt
Nvt
Nvt
GF1
40
Nvt
GF2
280
65
355
90
LF1
LT2 LT3 LT4
GF3
A
460
245
Nvt
GT3
B2
995
560
1070
GT4
B3
>4000
>4000
Nvt
GT5 B3 >4000 >4000 Tabel 6 - Invloedsgebied per stofcategorie en per modaliteit (Bron: Handleiding Risicoanalyse Transport / HART, 2017)
Nvt
GT2
Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een relevante toename van de personendichtheden in het invloedsgebied van de (spoor)wegen. De uitvoering van het bestemmingsplan zal dan ook geen noemenswaardige gevolgen hebben voor de hoogte van het GR en zal sowieso niet
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
83
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
meer dan 10% toenemen. Derhalve is op grond van artikel 8, 2 e lid van het Bevt een uitgebreide groepsrisicoverantwoording niet nodig. Wel is conform artikel 7 van het Bevt een zogenaamde beperkte verantwoording van het groepsrisico vereist. In deze verantwoording hoeft alleen ingegaan te worden op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de (spoor)weg en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp voordoet. Aan het eind van deze paragraaf wordt hierop nader ingegaan. Buisleidingen Binnen het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats door verschillende hogedruk aardgasleidingen. De gegevens van deze leidingen zijn in navolgende volgende tabel opgenomen. gasleiding
uitwendige Maximale PR10-6 diameter (inch) werkdruk (bar) contour
Invloedsgebied
Overschrijding GR
W-529-17
12,76
40
0
140
Nee
W-529-01
12,76
40
0
140
Nee
W-529-08
6,62
40
0
70
Nee
Tabel 7 - Transport van gevaarlijke stoffen door leidingen binnen het plangebied
Het Bevb voorziet voor gasleidingen met een druk tot 40 Bar in een zogenaamde belemmeringenstrook van tenminste 4 meter aan weerszijden van de buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Op deze belemmeringenstrook is dan, overeenkomstig het Bevb, een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden van toepassing. Binnen de belemmeringenstrook is ook geen bebouwing toegestaan. Dit bouwverbod is nodig voor het onderhoud van de buisleiding. Een afwijking van dit bouwverbod kan worden toegestaan, voor zover de veiligheid met betrekking tot de in de belemmeringenstrook gelegen buisleiding niet wordt geschaad en geen kwetsbaar object wordt toegepast. Onder kwetsbare objecten worden onder andere woningen verstaan, en gebouwen bestemd voor verblijf (zoals scholen). Het voorgaande heeft tot gevolg dat voor de gasleidingen in het plangebied de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ is opgenomen met een belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de leiding. Op de gronden met deze dubbelbestemming is een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden van toepassing en zijn uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de gasleiding toegestaan. Voor andere bouwwerken is onder voorwaarden, waaronder dat het geen kwetsbaar object betreft, een afwijking mogelijk.
Gezien het consoliderende karakter van het bestemmingsplan, zal de personendichtheid in de omgeving van de gasleidingen niet of nauwelijks toenemen. Hierdoor neemt ook de hoogte van het groepsrisico niet noemenswaardig toe. Daarmee kan ook voor de buisleidingen volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico (ingevolge artikel 12, lid 3, Bevb). Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen de zelfredzaamheid van personen en de bestrijdbaarheid van een ramp binnen het plangebied beschouwd te worden.
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
84
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
Verantwoording Groepsrisico Vanwege de ligging van het plangebied in het invloedsgebied voor het GR van enkele risicovolle inrichtingen, twee transportroutes voor gevaarlijke stoffen (N201 en spoorlijn Amsterdam-Utrecht) en enkele ondergrondse hogedruk aardgasleidingen, dient het groepsrisico te worden verantwoord. Zoals bovenstaand aan de orde gekomen is, kan deze verantwoording beperkt blijven tot de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp (beheersbaarheid) en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te indien zich een ramp voordoet (zelfredzaamheid). Hieronder zal op deze twee aspecten worden ingegaan. De maatgevende rampscenario’s zijn: bij een inrichting: ontsnapping van een toxische wolk (al dan niet als gevolg van brand) en/of een explosie; voor de weg en spoorlijn; een gasexplosie (BLEVE = Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) van de vervoerseenheid (tankwagen of ketelwagen); voor een buisleiding; een fakkelbrand. Beheersbaarheid Beheersbaarheid richt zich op de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten in hoeverre zij in staat zijn hun taken goed uit te kunnen voeren en om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard.
Ten aanzien van de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening hanteert de Veiligheidsregio Utrecht de richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid (Brandweer Nederland, november 2012)”. • Bereikbaarheid Uit de handleiding volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar dient te zijn door de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van werkzaamheden of calamiteiten een incident bereikbaar is. Het plangebied is in z’n algemeenheid over de weg vrijwel overal goed bereikbaar voor de hulpdiensten. • Bluswatervoorzieningen Bluswater primair: Binnen de verschillende dorpskernen is in voldoende mate voorzien in ondergrondse brandkranen, aangesloten op het drinkwaterleidingnet. Aandachtspunt voor de toekomst is wel dat deze brandkranen ook beschikbaar blijven; dit in relatie tot de ambitie/missie van de waterleidingbedrijven om uitsluitend nog maar drinkwater te leveren en het leveren van bluswater verder terug te dringen (m.a.w. saneren van brandkranen). Bluswater secundair: Binnen de verschillende dorpskernen is relatief veel open water (sloten en vijvers) aanwezig, welke een bijdrage kunnen leveren voor bluswater. • Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico's voor de aanwezige personen.
De opkomsttijd bestaat uit
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
85
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar het plaats incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. Naar verwachting kan de brandweer in de meeste gevallen binnen de zorgnorm in het plangebied aanwezig zijn. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het vermogen van burgers om zichzelf in veiligheid te brengen zonder tussenkomst van professionele hulpverleners bij de dreiging van, of het optreden van een gevaarlijke situatie. De mate van zelfredzaamheid hangt af van een drietal aspecten; 1. De fysieke mogelijkheden van de aanwezige populatie om te vluchten; 2. De voorzieningen in een gebied waarmee vluchten mogelijk wordt gemaakt (infrastructurele mogelijkheden); 3. De mate waarin men is voorbereid op een eventuele noodzaak om te vluchten of hiertoe tijdig instructies ontvangt (mentale mogelijkheden). Voor de aanwezigen personen binnen het plangebied zijn er in de regel voldoende vluchtwegen om bij een calamiteit het plangebied te verlaten. De personen die aanwezig zijn binnen het plangebied worden over het algemeen aangemerkt als zelfredzame personen. Bij een wolkbrandexplosie scenario is het advies om te vluchten van de risicobron af.
Bij het vrijkomen van een toxische stof is het van belang dat de aanwezigen in het effectgebied binnen blijven en dat ramen, deuren en ventilatieopeningen worden gesloten. Het is daarom ten aanzien van de zelfredzaamheid belangrijk dat de omgeving tijdig door sirenes wordt gealarmeerd (en de daarbij horende boodschap via radio, televisie of SMS-alert) en dat ze op de hoogte zijn van de te nemen maatregelen. De verschillende dorpskernen, en daarmee het plangebied, is volledig gedekt door het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS-systeem). Om de effectiviteit van de hierboven genoemde maatregelen te garanderen, dienen bewoners door risicocommunicatie te worden geïnformeerd. De risicocommunicatie dient onder andere in te gaan op de risico's die een inrichting/transportroute veroorzaakt en wat de personen in het effectgebied zelf kunnen doen om zich in veiligheid te brengen. De gemeente is wettelijk verantwoordelijk voor risicocommunicatie. Daarbij wordt opgemerkt dat de inrichtingen, welke werken met gevaarlijke stoffen en/of gevaarlijke stoffen opslaan, voldoen aan de stand der techniek voor wat betreft veiligheidsmaatregelen en brandbestrijdingssystemen. De voorwaarden en te nemen veiligheidsmaatregelen om verantwoord met gevaarlijke stoffen te kunnen werken, wordt de inrichtingen opgelegd door wet- en regelgeving en (omgevings)vergunningen.
Daarnaast hebben de zwaarste categorie risicovolle bedrijven verplicht een rampenplan (BRZO-bedrijven). Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio dient op grond van het Bevi, Bevt en Bevb in de gelegenheid te worden gesteld om in verband met het groepsrisico advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en over de zelfredzaamheid van personen. In het kader van het vooroverleg ex. art. 3.1.1 Bro is het bestemmingsplan
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
86
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
voorgelegd aan de Veiligheidsregio Utrecht (VRU). Naar aanleiding van de ingekomen reactie van de VRU is de plantoelichting (paragraaf 5.7.2) aangevuld, waarna de VRU opnieuw advies is gevraagd inzake de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid. 5.7.3 Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de uitvoering van het bestemmingsplan. 5.8
WATER
5.8.1 Waterbeheer en watertoets De watertoets is een proces waarmee in ruimtelijke plannen de mogelijke risico's (zoals waterveiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verdroging en verzilting van grond- en oppervlaktewater) en kansen van water vroegtijdig in beeld worden gebracht in overleg met de waterbeheerders. In het kader van het bestemmingsplan Buitengebied West vindt afstemming plaats met de waterbeheerder, in dit geval het waterschap Amstel, Gooi en Vecht, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. 5.8.2 Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de relevante nota's. Europa • Kaderrichtlijn water (KRW). Nationaal • Waterwet • Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) Provinciaal • Omgevingsvisie provincie Utrecht • Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Regionaal / lokaal • Keur Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2019 • Beleidsregels voor de Keur van AGV 2019 • Waterbeheerprogramma waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2022-2027 • Legger waterschap Amstel, Gooi en Vecht • Watergebiedsplan Groot Wilnis – Vinkeveen e.o.
• Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 Hierbij wordt opgemerkt dat de regels die zijn vastgelegd in een verordening van de waterschappen ‘de Keur’ worden genoemd. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben.
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
87
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
5.8.3 Relatie met het plangebied Huidige situatie Het plangebied voor de dorpskernen ligt in een gebied met plassen en droogmakerijen, waarbij het veenlandschap, stroomruggen en het rivierenlandschap een belangrijke rol spelen. De kernen Wilnis, Mijdrecht en het westelijk deel van Vinkenveen liggen in laag gelegen kleiige polders, terwijl het overige deel van Vinkenveen in een hoger gelegen veenweidegebied ligt (zie figuur 13). De kernen Abcoude, Baambrugge en Amstelhoek liggen vanwege de stroomruggen ook hoger. De maaiveldhoogte in het plangebied varieert dan ook sterk, de droogmakerijen liggen circa 4,5 tot 6,5 m onder NAP. Het veenweidegebied ligt circa 2 m onder NAP, en de stroomruggen rond NAP (zie figuur 14).
Figuur 13 – Globale bodemopbouw (bron: www.bodemdata.nl)
Het plangebied ligt in een hydrologisch complex en afwisselend gebied en door een vrijwel volledig door mensenhand gestuurd waterregime. De waterhuishouding van het gebied is sterk gerelateerd aan de verschillen in hoogteligging. De blauwe gebieden in figuur 14 zijn de diepe drooggemalen polders. Deze liggen meer dan vijf meter beneden zeeniveau. Het oranje gebied is het veenweidegebied met daarin de Vinkeveense Plassen. Deze gebieden liggen ruim vier meter hoger dan de diepe polders. Er zijn globaal drie peilniveaus te onderscheiden: het boezempeil (ca. 0,40 m – NAP), het tussenboezempeil (ca. 2,00 m –NAP) en de droogmakerijen (ca. 6,00 m
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
88
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
–NAP). De peilen die gehanteerd worden bepalen voor een belangrijk deel de grondwaterstroming binnen het gebied. De relatief hooggelegen boezem en de gebieden met min of meer het tussenboezempeil (de bovenlanden, veenweiden en petgaten/plassen) hebben een sterk infiltrerend karakter. De laaggelegen droogmakerijen zijn overwegend kwelgebieden. Door de lage weerstand van de bodem zijn de omvang van infiltratie en kwel hier aanzienlijk. Behalve water uit de direct omringende gebieden kwelt hier ook water op dat op de Utrechtse Heuvelrug is geïnfiltreerd. Naast de bodemkwel komt ook -in veel mindere mate- dijkkwel voor: zoet water stroomt onder de ringdijken door, omdat de dijken vaak op waterdoorlatend veen zijn aangelegd.
Figuur 14 – Hoogtekaart ten opzichte van NAP (AHN-meting 1998) Herkenbaar zijn de diepe drooggemalen polders in blauw, de onverveende gebieden in oranje en de hooggelegen boezem in rood. De plassen bij Vinkeveen zijn wit weergegeven, maar liggen op het oranje niveau. (bron: provincie Utrecht, voorverkenning wateropgave De Ronde Venen, 2005)
Waterbeheer Omdat er van nature een hoog grondwaterpeil voorkomt binnen de gemeente De Ronde Venen, is ontwatering en afwatering noodzakelijk voor de gebruiksfuncties. Waterschappen handhaven daarom al eeuwenlang een kunstmatig peil. De nog steeds voortschrijdende maaivelddaling noodzaakt tot een nauwkeurig, gedifferentieerd en dynamisch 'peilbeheer'. Grondwaterwinning Grondwaterwinning vindt plaats in Kamerik (ten zuiden van de gemeente). In Mijdrecht wordt grondwater gewonnen voor industrieel gebruik. Deze winningen lijken niet tot grondwaterstanddalingen in de gemeente te leiden.
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
89
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
Het plangebied voor de dorpskernen ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Toekomstige situatie Waterkwantiteit Vanwege het conserverende karakter van dit bestemmingsplan, waarbij de bestaande (planologische) situatie opnieuw wordt vastgelegd, is er geen sprake van grootschalige functieveranderingen en/of herinrichtingen. Desalniettemin worden soms toch kleine uitbreidingsmogelijkheden geboden. Als van deze mogelijkheden gebruik wordt gemaakt, kan dit leiden tot een toename van het verhard oppervlak. Deze ontwikkelingsmogelijkheden leiden hierdoor mogelijk tot negatieve effecten op de waterhuishouding. Het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) schrijft in de Keur dat het verboden is zonder vergunning in stedelijk en glastuinbouwgebied meer dan 1.000 m 2 aan verhard oppervlak aan te brengen en in overige gebied meer dan 5000 m 2. Daarnaast geldt dat de toename in verharding en/of demping gecompenseerd dient te worden. Door de regels van het waterschap AGV wordt voorkomen dat de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse verslechterd. Overigens geldt dat wanneer de toename van verhard oppervlak minder is dan 1.000 m2, er nog altijd een zorgplicht geldt. De initiatiefnemer moet voorkomen dat de waterhuishouding er niet op achteruit door het wijzigen van de huidige situatie.
Hemelwaterafvoer Om wateroverlast nu en in de toekomst zoveel als mogelijk te voorkomen wordt er naar gestreefd om hemelwater niet af te voeren naar het rioolstelsel, maar volgens de trits vasthouden, bergen, afvoeren te behandelen. Hierdoor wordt het rioolstelsel en de RWZI minder belast bij regenval en krijgt het water de kans om in het gebied waar het is neergekomen in de bodem te infiltreren en/of kan dit worden afgevoerd naar het ter plekke aanwezige oppervlaktewater. Verdroging kan zo worden tegengegaan en er hoeft ook minder gebiedsvreemd water te worden ingelaten. Belangrijk hierbij is wel dat niet al het hemelwater direct of te snel naar het oppervlaktewater wordt afgevoerd, omdat anders toch wateroverlast en verdroging kan ontstaan. Om het gebiedseigen water vast te houden wordt bij nieuwe bebouwing en verharding waar mogelijk verhard oppervlak niet aangekoppeld aan de riolering. De neerslag wordt dan niet afgevoerd naar de RWZI maar kan infiltreren naar het grondwater of worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Te snelle afstroming van water naar andere gebieden moet immers worden voorkomen. Bij infiltratie wordt het hemelwater vertraagd afgevoerd en wordt invulling gegeven aan het beleid van duurzaam waterbeheer als onderdeel van de drietrapsstrategie ‘vasthouden, bergen en afvoeren’ en vervolgens ‘schoonhouden, scheiden en zuiveren’.
Infiltratie zal echter niet overal in het plangebied mogelijk zijn, gezien de bodemsamenstelling (veenlagen) en de relatief hoge grondwaterstand. Waterkwaliteit Het is van belang om bij toekomstige initiatieven diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de
Gemeente De Ronde Venen Bestemmingsplan Dorpskernen mRO b.v. / TOE / 92.04 – v3 / 22 dec. 2022
90
NL.IMRO.0736.BP022dorpskernen-ow01 Ontwerp
gebruiksfase. Eventueel benodigde maatregelen worden in overleg met de waterbeheerder vastgesteld. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de ‘Keur’. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de ‘Keur’. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Vertaling in het bestemmingsplan In het bestemmingsplan is het oppervlaktewater in het plangebied bestemd als 'Water'. En binnen de bestemming ‘Natuur’ (kern Wilnis) is de realisatie van waterberging bij recht toegestaan. In de overige bestemmingen is overigens ook water en waterhuishoudkundige voorzieningen zonder meer toegestaan.