Bijlage 2 Bestemmingsplan Herziening De Maricken II Wilnis
Tekst van het document
Conclusie Op deze wijze wordt nadrukkelijk invulling gegeven aan de visie en missie van het Mobiliteits-en Verkeersveiligheidsplan.
33/160
34/160
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de omgevingsaspecten onderbouwd die relevant zijn voor het plangebied van de herziening. In 2021 zijn de meeste onderzoeken uitgevoerd voor de beoogde ontwikkeling van De Maricken II. Later is het plangebied in het noorden en het zuiden gedeeltelijk uitgebreid. In het noorden van het plangebied is de beoogde rotonde onderdeel van het plangebied geworden en in het zuiden de zuidelijke ontsluiting. Om deze reden zijn voor sommige aspecten meerdere onderzoeken uitgevoerd.
4.2
Archeologie
Toetsingskader De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen met als uitgangspunt: 'de verstoorder betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Gemeentelijk archeologiebeleid Gemeente De Ronde Venen heeft in de nota 'Herziening van de archeologische beleidskaart van de gemeente De Ronde Venen 2016' archeologiebeleid vastgesteld. Dit beleid is aan de hand van kaarten met archeologische waarden en verwachtingswaarden nader uitgewerkt en vastgelegd in de Verordening fysieke leefomgeving De Ronde Venen uit 2021.
In dit beleid wordt onderscheid gemaakt tussen landbodems en waterbodems, elk met een eigen categorisering. De archeologische beleidskaart - landbodems maakt daarbij onderscheid in 8 categorieën, en de archeologische beleidskaart - waterbodems in 4 categorieën. Elke categorie heeft een verschillende diepte- en oppervlakte ondergrens. De ondergrenzen geven aan vanaf welke omvang en diepte (altijd in combinatie) bij een ruimtelijk plan archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Deze categorieën vormen de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden in bestemmingsplannen. Onderzoek In 2021 en 2023 heeft onderzoeksbureau Sweco Nederland B.V. archeologisch bureauonderzoeken uitgevoerd. De onderzoeksrapporten zijn bijgevoegd in de volgende bijlagen: 1. Bijlage 1 Archeologisch onderzoek De Maricken II 2. Bijlage 2 Archeologisch onderzoek rotonde 3. Bijlage 3 Archeologisch onderzoek zuidelijke ontsluiting
35/160
In de navolgende figuren zijn de plangebieden van de drie onderzoeken toegevoegd.
Figuur 4.1 - Archeologisch onderzoek grondgebied Maricken II (bron: Archeologisch onderzoek 2021, Sweco)
Figuur 4.2 - Archeologisch onderzoek rotonde (bron: Archeologisch onderzoek 2023, Sweco)
36/160
Figuur 4.3 - Archeologisch onderzoek zuidelijke ontsluiting (bron: Archeologisch onderzoek 2023, Sweco) Hieronder wordt per deelgebied het voor de locatie van toepassing zijnde overheidsbeleid samengevat en de belangrijkste conclusies. Onderzoek De Maricken fase II Overheidsbeleid De gemeente De Ronde Venen heeft in 2017 een archeologische waarden- en verwachtingenkaart en een beleidskaart laten opstellen. Volgens de eerstgenoemde kaart is het plangebied in het krekengebied gelegen met een verwachting op archeologische resten in het Laagpakket van Wormer (vanaf het maaiveld). Beleidscategorie 5 is van toepassing. Bij ingrepen groter dan 2.000 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Conclusie Het plangebied ligt in het Hollandse veenweidegebied en heeft volgens de gemeentelijke beleidskaart een middelhoge verwachting op resten uit het Midden en Laat-Neolithicum. Binnen het onderzoeksgebied zijn geen bekende archeologische waarden uit de periode Laat-Paleolithicum – Nieuwe tijd bekend. Op basis van eerder uitgevoerde onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied wordt de kans op het aantreffen van archeologische waarden ook laag geschat. De kans dat de geplande ontwikkeling archeologische waarden uit het Midden- en Laat-Neolithicum verstoord is daarmee ook laag.
37/160
Advies Op basis van de bekende gegevens en de gespecificeerd archeologische verwachting wordt geadviseerd het gebied vrij te geven bij ingrepen tot 2,5 m -mv onder het huidige maaiveld, omdat de kans op het aantreffen van archeologische waarden uit het Midden- en Laat-Neolithicum laag is. Indien in de toekomst diepere ingrepen plaatsvinden die de top van het onderliggende dekzand verstoren wordt geadviseerd een verkennend booronderzoek te verrichten. Onderzoek rotonde Overheidsbeleid Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan Buitengebied-West van de gemeente De Ronde Venen. Conform de planregels is een groot deel van het plangebied gelegen binnen de dubbelbestemming WaardeArcheologisch waardevol gebied landbodem categorie 5. De maximale verstoringsgrens binnen deze dubbelbestemming bedraagt 2000 m2 en 30 cm – mv. De maximale verstoringsgrenzen worden door de geplande ingreep overschreden. Conform de planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Conclusie Het plangebied bevindt zich in de polder Groot-Mijdrecht. Het oorspronkelijk veenpakket – dat enkele meters dik moet zijn geweest - is in deze polder tot het Laagpakket van Wormer ontgonnen. Het oude zeekleilandschap met kreken en oeverwallen ligt aan het maaiveld.
Het plangebied heeft volgens de gemeentelijke beleidsadvieskaart een middelhoge verwachting op archeologische waarden uit het Midden en Laat-Neolithicum. Bewoning heeft zich in deze tijd geconcentreerd ter plaatse van de oeverwallen en kreekruggen. Uit eerdere onderzoeken in de omgeving is echter gebleken dat deze kreken en oeverwallen in de polder Groot-Mijdrecht van een kleine omvang zijn en in de ruggen heeft geen tot weinig bodemontwikkeling plaatsgevonden. Een inventariserend veldonderzoek (verkennend en karterend booronderzoek) en proefsleuvenonderzoek dat direct ten westen van het plangebied is uitgevoerd heeft aangewezen dat de archeologische verwachting van het Laagpakket van Wormer binnen de polder Groot-Mijdrecht laag is. Een tweede verkennend booronderzoek dat is uitgevoerd ten noordwesten van het plangebied heeft dezelfde resultaten opgeleverd. Hoewel onderzoeksresultaten niet direct één op één naar nabij gelegen percelen kunnen worden vertaald, wordt de polder als voldoende onderzocht beschouwd. Binnen de polder kan het dekzandlandschap, met een archeologische verwachting op resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum binnen 2,5 á 3 m -mv worden verwacht. In de top van dit dekzand heeft op basis van eerder onderzoek mogelijk bodemontwikkeling plaatsgevonden. Daarom dienen werkzaamheden boven dit niveau te worden uitgevoerd.
Indien diepere graafwerkzaamheden worden uitgevoerd dan wordt archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van ten eerste een verkennend booronderzoek. Geconcludeerd wordt dat het plangebied voldoende is onderzocht. Indien er bodemingrepen plaatsvinden tot in de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Wierden) dan dient archeologisch vervolgonderzoek plaats te vinden. Advies Op basis van de bekende gegevens en de gespecificeerde archeologische verwachting adviseert Sweco het gebied vrij te geven bij ingrepen tot 2,5 m – mv. De kans op het aantreffen van archeologische waarden uit het Midden- en Laat-Neolithicum tot die diepte is laag. Indien diepere ingrepen plaatsvinden die de top van het dekzand zullen verstoren dan wordt geadviseerd een verkennend booronderzoek uit te voeren.
38/160
Onderzoek zuidelijke ontsluiting Overheidsbeleid Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan Dorpskernen. van de gemeente De Ronde Venen. Conform de planregels is een deel van het plangebied gelegen binnen de dubbelbestemming Waarde- Archeologisch waardevol gebied landbodem categorie 5. De maximale verstoringsgrens binnen deze dubbelbestemming bedraagt 2000 m2 en 30 cm – mv. De maximale verstoringsgrenzen worden door de geplande ingreep niet overschreden. Slechts ca. 392 m2 van het plangebied is gelegen binnen deze dubbelbestemming. Conclusie Het plangebied bevindt zich in de polder Groot-Mijdrecht. Het oorspronkelijk veenpakket – dat enkele meters dik moet zijn geweest - is in deze polder tot het Laagpakket van Wormer ontgonnen. Het oude zeekleilandschap met kreken en oeverwallen ligt aan het maaiveld. Het plangebied heeft volgens de gemeentelijke beleidsadvieskaart deels een middelhoge verwachting op archeologische waarden uit het Midden en Laat-Neolithicum. Bewoning heeft zich in deze tijd geconcentreerd ter plaatse van de oeverwallen en kreekruggen. Uit eerdere onderzoeken in de omgeving is echter gebleken dat deze kreken en oeverwallen in de polder Groot-Mijdrecht van een kleine omvang zijn en in de ruggen heeft geen tot weinig bodemontwikkeling plaatsgevonden.
Een inventariserend veldonderzoek (verkennend en karterend booronderzoek) en proefsleuvenonderzoek dat direct ten westen van het plangebied is uitgevoerd heeft aangewezen dat de archeologische verwachting van het Laagpakket van Wormer binnen de polder Groot-Mijdrecht laag is. Een tweede verkennend booronderzoek dat is uitgevoerd ten noordwesten van het plangebied heeft dezelfde resultaten opgeleverd. Hoewel onderzoeksresultaten niet direct één op één naar nabij gelegen percelen kunnen worden vertaald, wordt de polder als voldoende onderzocht beschouwd. Binnen de polder kan het dekzandlandschap, met een archeologische verwachting op resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum binnen 2,5 á 3 m -mv worden verwacht. In de top van dit dekzand heeft op basis van eerder onderzoek mogelijk bodemontwikkeling plaatsgevonden. Echter op basis van de beperkte verstoring binnen de zone met de dubbelbestemming is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat het plangebied voldoende onderzocht is. Advies Op basis van de bekende gegevens en de gespecificeerde archeologische verwachting adviseert Sweco het gebied vrij te geven voor de geplande werkzaamheden. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is ter plaatse van De Maricken II en de rotonde vrijgesteld van nader onderzoek voor ingrepen tot 2,5 m -mv onder het huidige maaiveld.
Indien in de toekomst diepere ingrepen plaatsvinden binnen dit grondgebied wordt geadviseerd een verkennend booronderzoek uit te voeren. Ter plaatse van de zuidelijke ontsluiting wordt het gebied volledig vrijgegeven voor de geplande werkzaamheden. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden toch onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de minister verplicht (vondstmelding via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
39/160
In de onderzoeken wordt er nog op gewezen dat de bevoegde overheid op basis van de rapporten een besluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit besluit afwijkt van het opgestelde advies.
4.3
Cultuurhistorie
Toetsingskader De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. Onderzoek In het zuidelijk deel van het plangebied ligt het tracé van de voormalige Haarlemmermeerspoorlijn tussen Uithoorn en Nieuwersluis. Dit tracé is in gebruik geweest van 1915 tot 1986. Inmiddels vormt het tracé een bepalend onderdeel in de ruimtelijke structuur, mede door de cultuurhistorische waarden. Daarnaast heeft het nu een recreatieve functie en wordt het vooral door wandelaars gebruikt. De functieaanduiding blijft in deze herziening gehandhaafd.
In het ontwerp van de zuidelijke ontsluiting wordt zorgvuldig aandacht besteed aan een goede cultuurhistorische inpassing van de zuidelijke ontsluitingsweg in relatie tot de spoorlijn. Daarnaast is ook woningbouw is niet voorzien ter plaatse van het spoor en de aangrenzende groenzone. De cultuurhistorische waarden blijven daarmee beschermd. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4
Explosieven
In 2021 en 2023 heeft onderzoeksbureau Sweco Nederland B.V. onderzoek gedaan naar ontplofbare oorlogsresten binnen het plangebied van de herziening. Op basis van het onderzoek dat voor Maricken fase II in 2021 is uitgevoerd, zijn voor de locaties van de rotonde en de zuidelijke ontsluiting notities opgesteld. In deze notities is aanvullend onderzoek gedaan naar deze locaties op basis van het eerder uitgevoerde onderzoek uit 2021. De onderzoeksrapporten zijn bijgevoegd in de volgende bijlagen: 1. Bijlage 4 Onderzoek ontplofbare oorlogsresten De Maricken II 2. Bijlage 5 Notitie ontplofbare oorlogsresten rotonde 3. Bijlage 6 Notitie ontplofbare oorlogsresten zuidelijke ontsluiting De onderzoeken zijn uitgevoerd om in kaart te brengen of er mogelijk nog ontplofbare oorlogsresten in het plangebied aanwezig zijn. Deze oorlogsresten houden in Nederland over het algemeen verband met de Tweede Wereldoorlog. Bij mogelijke aanwezigheid hiervan kunnen de werkzaamheden om de beoogde ontwikkeling te realiseren niet veilig uitgevoerd worden en dienen maatregelen genomen te worden.
40/160
In de navolgende figuren zijn de plangebieden van de drie onderzoeken toegevoegd.
Figuur 4.4 - Plangebied onderzoek ontplofbare oorlogsresten Maricken fase II (bron: Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten Maricken fase II 2021, Sweco)
Figuur 4.5 - Plangebied notitie ontplofbare oorlogsresten rotonde (bron: Notitie ‘Ontplofbare Oorlogsresten Maricken fase II – Rotonde’ 2023, Sweco)
41/160
Figuur 4.6- Plangebied notitie ontplofbare oorlogsresten zuidelijke ontsluiting (bron: Notitie ‘Ontplofbare Oorlogsresten Maricken fase II – brug 2023, Sweco) In elk van de onderzoeken wordt dezelfde conclusie getrokken. In het vooronderzoek en de aanvullende onderzoeken, heeft de analyse van het feitenmateriaal uit de inventarisatie tot de conclusie geleid dat er geen ontplofbare oorlogsresten (meer) in het onderzoeksgebied te verwachten zijn. Het onderzoeksgebied is daarmee onverdacht verklaard op het aantreffen van OO en restanten van OO. De voorgenomen grondroerende werkzaamheden welke binnen het onderzoek zullen plaatsvinden, kunnen derhalve op reguliere wijze worden uitgevoerd. Sweco Nederland B.V. beveelt dringend aan om, alvorens met de voorgenomen werkzaamheden aan te vangen, de bevindingen van deze rapportage te overleggen aan gemeente De Ronde Venen. Daarnaast dient tijdens de uitvoering altijd aandacht te zijn voor onverwachte vondsten van OO. Het grondroerend personeel dient derhalve op de hoogte te zijn van het protocol voor toevalsvondsten. Indien tijdens het werk gestuit wordt op objecten die lijken op OO, dient het werk altijd terstond gestaakt te worden en dient een deskundige geraadpleegd te worden. Conclusie Het aspect explosieven vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
42/160
4.5
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Onderzoek In 2021 en 2023 heeft onderzoeksbureau Sweco Nederland B.V. verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd en één nader bodemonderzoek. De onderzoeksrapporten zijn bijgevoegd in de volgende bijlagen: 1. Bijlage 7 Bodemonderzoek De Maricken II 2. Bijlage 8 Bodemonderzoek rotonde 3. Bijlage 9 Bodemonderzoek zuidelijke ontsluiting 4. Bijlage 10 Nader bodemonderzoek koper-verontreiniging Omdat de conclusies en adviezen in elk bodemonderzoek verschillen worden hieronder de conclusies en adviezen per deelgebied weergegeven.
De Maricken II Conclusie Door middel van het uitgevoerde (water)bodemonderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Zowel de landbodem (boven- als ondergrond) en de waterbodem zijn in het algemeen maximaal licht verontreinigd. Op basis van deze lichte verontreinigingen vallen de bovengrond en de waterbodem gemiddeld in de bodemkwaliteitsklasse ’Industrie’, de ondergrond valt gemiddeld in bodemkwaliteitsklasse ’Wonen’. Voor hergebruik buiten de grenzen van het onderzoeksgebied is derhalve een partijkeuring benodigd. In de bovengrond ter plaatse van boring B112 is een sterk verhoogd gehalte (> Interventiewaarde) aan koper aangetoond. Dit verhoogde gehalte is vermoedelijk gerelateerd aan bodemvreemd materiaal (sporen baksteen) en betreft derhalve een plaatselijke verontreinigingskern. In het kader van de Wet bodembescherming moet aanvullend onderzoek uitgevoerd worden om een geval van ernstige bodemverontreiniging (> 25 m3) uit te sluiten. Het aanvullend onderzoek is eveneens uitgevoerd door Sweco en de rapportage is opgenomen in Bijlage 10. Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat er bij herbemonstering van B112 en op een afstand van 5 meter rondom boring B112 in de bovengrond gehalten aan koper boven de achtergrondwaarde zijn aangetoond.
De tijdens dit nader bodemonderzoek aangetroffen gehalten vallen allen ruim onder de interventiewaarde. Er is derhalve geen sprake van een bodemvolume van meer dan 25 m3 waarin de interventiewaarde voor koper wordt overschreden en daarmee geen sprake van een geval van ernstige verontreiniging van de bodem.
43/160
Het grondwater is in het algemeen maximaal licht verontreinigd. Plaatselijk is een sterk verhoogde concentratie aan barium aangetoond. Verhoogde concentraties met barium komen van nature voor en hebben derhalve geen aanwijsbare oorzaak direct gerelateerd aan een verontreinigingsbron. De waterbodem is in het algemeen maximaal licht verontreinigd. Echter is in de waterbodem (slib) van sloot 7 is een sterk verhoogd gehalte (> klasse ‘Wonen/Industrie’) aan PFAS (6:2 FTS) aangetoond. De waterbodem van sloot 7 valt derhalve in de hergebruiksklasse ’Niet toepasbaar’. Advies Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat ter plaatse van boring B112 geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (> 25 m3). Een BUS-melding bij het bevoegd gezag is niet nodig. Tevens wordt geadviseerd om hergebruik van de waterbodem (slib) ter plaatse van sloot 7 (zie met een sterk verhoogd gehalte aan PFAS (6:2 FTS) af te stemmen met het bevoegd gezag. Rotonde Conclusie Door middel van het uitgevoerde bodemonderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. 1. Deelgebied noord Gezien de resultaten van het onderzoek, wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese ‘onverdachte locatie’, strikt genomen niet juist is.
Gezien de toekomstige bestemming van de locatie, is er echter geen aanleiding tot het verrichten van vervolgonderzoek met een aangepaste hypothese. De grond die uit de noordelijke deellocatie vrijkomt varieert van klasse Altijd toepasbaar tot klasse Industrie. Plaatselijk is de grond als niet toepasbaar beoordeeld omdat PAK boven de Interventiewaarde voorkomt. Hierbij is een duidelijk link te leggen met de aanwezigheid van asfaltbrokken. 2. Deelgebied zuid Omdat in de grond en in het grondwater overschrijdingen van de tussenwaarde/ interventiewaarde zijn aangetoond, zijn de analyseresultaten in overeenstemming met de gestelde hypothese dat de locatie verdacht is. De grond die uit de zuidelijke deellocatie vrijkomt varieert van klasse Wonen tot klasse Industrie. Plaatselijk is de grond als niet toepasbaar beoordeeld omdat PAK boven de Interventiewaarde voorkomt. Hierbij is een duidelijk link te leggen met de aanwezigheid van puin. 3. Waterbodem Het slib dat uit de sloot van de zuidelijke deellocatie vrijkomt is vanwege het hoge zinkgehalte niet verspreidbaar op de aangrenzende kanten. Het slib dat uit de sloten van de noordelijke deellocatie vrijkomt is verspreidbaar op de aangrenzende kanten.
44/160
Advies Op basis van de uitkomsten van het onderzoek geldt dat vanwege het lokaal voorkomen van sterke verontreinigingen in de bodem (> Interventiewaarden), gekoppeld aan de aanwezigheid van puin- en/of asfaltresten, kan de vrijkomende grond plaatselijk niet worden hergebruikt. In dit verkennend onderzoek heeft geen afperking van deze verontreinigingen plaatsgevonden. De kwaliteit van de grond voldoet niet geheel aan de verwachte kwaliteit op grond van de ontgravingskaarten. Indien grond van de locatie vrijkomt en wordt toegepast, gelden de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Hierdoor is mogelijk een generiek of gebiedspecifiek beleidskader van kracht voor het toepassen van grond. Voor nadere informatie over de afzetmogelijkheden van grond adviseren wij u contact op te nemen met de gemeente. Voor hergebruik van deze grond buiten het projectgebied is een partijkeuring nodig. Bij aanvoer van grond van buiten het projectgebied gelden de regels van het Besluit bodemkwaliteit en de gemeentelijke Nota bodembeheer. Geadviseerd wordt om voor aanvang van de werkzaamheden voor de nu bekende lokale spots waar de Interventiewaarde voor PAK wordt overschreden een BUS-melding in te dienen bij de RUD Utrecht. Vanaf 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking en moeten de graafwerkzaamheden worden gemeld bij de ODRU.
De eventuele demping van watergangen moet worden afgestemd met Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Bij uitvoering van grondwerkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de veiligheidsmaatregelen conform CROW-publicatie 400 ‘Werken in of met verontreinigde grond’. De definitieve veiligheidsklasse dient te worden vastgesteld door een hogere of middelbare veiligheidskundige. Zuidelijke ontsluiting Conclusie Door middel van het uitgevoerde bodemonderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat in de grond en het grondwater ten hoogste licht verhoogde gehalten zijn aangetroffen. Er is geen asbest aangetroffen in de bodem. In het slib en de vaste waterbodem zijn verhoogde gehalten aangetroffen, maar deze zijn beide als baggerspecie verspreidbaar op aangrenzend perceel. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek behoeven ervan uit milieuhygiënisch oogpunt gezien geen beperkingen te worden gesteld aan het toekomstige gebruik van de locatie. Advies Indien grond van de locatie vrijkomt en wordt toegepast gelden de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Voor de vrijgekomen landbodem geldt dat het bodemtraject van 0,00 – 1,00 m-mv toepasbaar is als ‘Klasse wonen’. De diepere ondergrond is altijd vrij toepasbaar.
De baggerspecie is verspreidbaar op aangrenzend perceel. Voor nadere informatie over de afzetmogelijkheden van grond wordt geadviseerd contact op te nemen met de gemeente. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
45/160
4.6
Water
Waterbeheer en watertoets De watertoets is een proces waarmee in ruimtelijke plannen de mogelijke risico's (zoals waterveiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verdroging en verzilting van grond- en oppervlaktewater) en kansen van water vroegtijdig in beeld worden gebracht in overleg met de waterbeheerders. In het kader van het dit bestemmingsplan vindt afstemming plaats met de waterbeheerder, in dit geval het waterschap Amstel, Gooi en Vecht, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de relevante nota's. Europa Kaderrichtlijn water (KRW).
Nationaal Waterwet Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) Vierde Nota Waterhuishouding (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1998) Provinciaal Omgevingsvisie provincie Utrecht Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Bodem- en waterprogramma 2022-2027 Convenant Duurzame Woningbouw provincie Utrecht Regionaal / lokaal Keur Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2019 Beleidsregels voor de Keur van AGV 2019 Waterbeheerprogramma waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2022-2027 Legger waterschap Amstel, Gooi en Vecht Watergebiedsplan Groot Wilnis – Vinkeveen e.o. Water- en rioleringsplan gemeente De Ronde Venen (2023-2027) Hierbij wordt opgemerkt dat de regels die zijn vastgelegd in een verordening van de waterschappen ‘de Keur’ worden genoemd. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben.
46/160
Toetsing Voor alle ruimtelijke plannen is het verplicht een watertoets uit te voeren. Deze watertoets is opgesteld door onderzoeksbureau Sweco Nederland B.V en is bijgevoegd in Bijlage 11. De watertoets omvat het proces van informeren, afstemmen en adviseren om tot een inhoudelijke beoordeling van de waterhuishoudkundige aspecten te komen. Doel is het expliciet en evenwichtig beschouwen van de waterhuishoudkundige gevolgen van de stedenbouwkundige ontwikkeling op het plangebied. Consequenties huidige waterhuishouding Het plangebied ligt in de polder Groot Mijdrecht. De huidige maaiveldhoogte varieert tussen de NAP -6,00 en -6,40 m. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht hanteert een oppervlaktewaterpeil van NAP -6,70 m in het peilgebied waarin het plan ligt. In natte periodes reikt het grondwater tot aan maaiveld. Daarom wordt het plan in de toekomstige situatie opgehoogd. Een uitwerking van de hoogtes volgt in een latere fase; een voorlopige inschatting van de toekomstige maaiveldhoogte is NAP -4,70 m. Door het aanbrengen van een extra zandlaag, neemt de buffercapaciteit van het plangebied toe. De bestaande sloten die in noord-zuidrichting lopen, worden gedempt. Aan de randen van het plan blijven bestaande sloten behouden en, waar mogelijk, wordt oppervlaktewater toegevoegd. De hoeveelheid oppervlaktewater neemt af.
Afvalwaterverwerking De wijk Maricken II wordt een apart bemalingsgebied. Hiervoor is afstemming geweest met de rioolbeheerder van gemeente De Ronde Venen. Afvalwater voert onder vrijverval af naar een gemaal. De verwachte afvalwaterproductie bedraagt in totaal 23,4 m³/uur. Hemelwaterverwerking Hemelwater stroomt oppervlakkig af naar wadi’s en verlaagd groen. Onder parkeerkoffers is een waterbergende fundering voorzien. De toename van het verhard oppervlak bedraagt 118.676 m². Hiervoor is 11.868 m² open water of 8.307 m³ alternatieve waterberging nodig. Het watersysteem realiseert fors meer berging dan nodig. Door naast de wadi’s het overige groen ook verlaagd aan te leggen, is in totaal tussen de 140 – 160 mm waterberging in het plan aanwezig. Afvoer vindt zoveel mogelijk bovengronds plaats (natuurlijke afwatering). Dit in combinatie met de ruime hoeveelheid berging zorgt ervoor dat geen schade optreedt bij buien van 70 mm en 90 mm in een uur. Bij de detailuitwerking wordt het systeem hierop getoetst. Door de systeemkeuze infiltreert meer dan 50% van de jaarlijkse neerslagsom. Hiermee voldoet het plan aan de richtlijnen van het convenant Duurzame woningbouw op het gebied van droogte en wateroverlast. De hoeveelheid oppervlaktewater neemt in de toekomstige situatie af als gevolg van de ontwikkeling. De totale afname bedraagt 7.800 m².
Dit oppervlak dient één op één teruggebracht te worden in hetzelfde peilvak. Echter, in de aangrenzende wijk Maricken I is meer berging gerealiseerd dan nodig. Gemeente De Ronde Venen en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht hebben overeenstemming bereikt over het benutten van deze overcapaciteit voor de compensatie van de gedempte sloten in Maricken II. Deze afspraak is vastgelegd in een vergunning (‘Wijziging watervergunning’, kenmerk DMS2023-0003059 d.d. 23 maart 2023).
47/160
Overstromingsrisico De overstromingsdiepte bij een kleine kans weergegeven (eens in de 1.000 jaar) varieert tussen 1,0 – 1,5 m. In de toekomstige situatie wordt het plangebied opgehoogd en neemt de waterdiepte af. Door het opbrengen van een extra zandlaag, is zeer waarschijnlijk geen sprake meer van overstroming van het plangebied. Hiermee voldoet het plan aan de richtlijnen uit het convenant Duurzame woningbouw voor het thema gevolgbeperking overstromingen. Waterkwaliteit Door de functieverandering van landbouw naar woningbouw neemt de hoeveelheid nutriënten die in het oppervlaktewater komt af, doordat niet langer (intensieve) bemesting plaatsvindt. Daarnaast wordt hemelwater zoveel mogelijk bovengronds afgevoerd naar verlaagde groenvoorzieningen, waar filtratie en zuivering plaatsvindt. Verder is het nemen van bronmaatregelen (‘schoonhouden’) een belangrijk onderdeel. Hierbij valt te denken aan zorgvuldige materiaalkeuze, geen blootstelling van uitloogbare bouwmaterialen (onder andere koper, lood en zink) aan hemelwater en verantwoord beheer van de buitenruimte (weg- en groenbeheer). Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling en is ten aanzien van waterberging ook geborgd in de regels.
4.7
Geluid
4.7.1
Akoestisch onderzoek - Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening heeft Sweco Nederland B.V. onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting van het wegverkeerslawaai op de beoogde gevels van de geplande en bestaande woningen. Hierbij is de geluidbelasting inzichtelijk gemaakt en getoetst aan de wettelijke normering. Het rapport is opgenomen in Bijlage 12. De geluidsbelasting van zowel bestaande als nieuwe wegen is onderzocht.
Uitgangspunt daarbij is dat het nieuwe woongebied aangesloten wordt in noordelijke richting op de Mijdrechtse Dwarsweg, in westelijke richting op het bestaande woongebied De Maricken I en in zuidelijke richting op de Wethouder van Damlaan.
48/160
Opzet van het onderzoek De herziening gaat uit van een globale/flexibele regeling binnen de bestemming woongebied. Dit betekent dat de definitieve verkaveling nog niet vast staat. Om toch te kunnen voldoen aan de eisen vanuit de Wet geluidhinder en te voorzien in een goed leefklimaat voor de nieuwe bewoners is daarom voor het geluidonderzoek een aanname gedaan van zowel de vorm en plek van een geluidwerende voorziening langs de provinciale weg als van de nieuwe woonbebouwing aldaar. In het bestemmingsplan is op de verbeelding en in de regels een zone vastgelegd waarbinnen de geluidwerende voorziening moet worden gerealiseerd (zie artikel 7.2.1 onder d en e). De vorm van die voorziening kan uitgaande daarvan een wal, een scherm en eventueel bebouwing zijn én een combinatie daarvan. Zo kan een geluidwering worden gemaakt die een effectiviteit heeft die vergelijkbaar of mogelijk ook beter is dan de in het onderzoek gemodelleerde wal. Doordat aan de hand van het uitgevoerde onderzoek de benodigde hogere waarden voor de woningen worden bepaald en vastgelegd in het Besluit hogere grenswaarden, wordt ook geborgd dat er een (vergelijkbare) afscherming moet worden gerealiseerd en tevens een akoestisch verantwoorde verkaveling wordt gemaakt.
Het bestemmingsplan maakt immers uitsluitend woningen binnen geluidzones van gezoneerde wegen mogelijk als kan worden voldaan aan deze hogere waarden en de daarbij behorende regels uit het gemeentelijk geluidbeleid. Dit is vastgelegd in artikel 7.2.1 onder h en zal worden getoetst bij vergunningverlening. Voorafgaand aan de vaststelling van deze herziening is een uitwerkingsplan in procedure gebracht waarin de betreffende woningen waarvoor een hogere waarde noodzakelijk is al zijn opgenomen. Daarom is zijn de noodzakelijke hogere waarden al in het kader van het uitwerkingsplan vastgesteld. Daarom is bij deze herziening geen nieuw hogere waarden besluit aan de orde Pastoor Kannelaan De geluidsbelasting, veroorzaakt door de Pastoor Kannelaan is lager dan de ten hoogste toelaatbare waarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Aanvullende maatregelen voor de Pastoor Kannelaan zijn niet nodig. Wethouder van Damlaan De geluidbelasting, veroorzaakt door de Wethouder van Damlaan op de nieuwe woningen is lager dan de ten hoogste toelaatbare waarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Aanvullende maatregelen zijn niet nodig. Het plan leidt tot een verkeerstoename op de Wethouder van Damlaan, waar bestaande woningen langs staan. Daarom is de toename in geluidbelasting veroorzaakt door de Wethouder van Damlaan op de bestaande woningen ook onderzocht.
De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 50 dB. Omdat de Wethouder van Damlaan een 30 km/uur weg is, betreft dit geen wettelijke toets. Daardoor zijn aanvullende maatregelen voor de Wethouder van Damlaan ook niet verplicht. In overleg met de bewoners wordt een herinrichtingsplan voor dit wegvak ontworpen. In dat kader wordt ook bezien welk type wegdekverharding zal worden toegepast. Daarbij worden ook de mogelijkheden voor geluidreducerende verhardingstypen (asfalt of stille klinkers) meegenomen. Nieuwe ontsluitingsweg De geluidbelasting, veroorzaakt door de nieuwe ontsluitingsweg op zowel de nieuwe als de bestaande woningen, bedraagt ten hoogste 48 dB. Aanvullende maatregelen voor de nieuwe ontsluitingsweg zijn niet nodig.
49/160
Mijdrechtse Dwarsweg Voor de Mijdrechtse Dwarsweg wordt uitgegaan van toepassing van geluidreducerend asfalt (dat wordt in het kader van groot onderhoud aangebracht) en verlaging van de snelheid van 60 naar 50 km/h. Door deze maatregelen neemt (ook)de geluidbelasting op bestaande woningen langs deze weg af. Deze afname bedraagt 1 of 2 dB (zie paragraaf 4.1.4 van het geluidonderzoek). Wel zijn voor nieuwe woningen in de noordoosthoek van het nieuwe woongebied hogere waarden nodig. Deze hogere waarden zijn in het kader van het uitwerkingsplan vastgesteld. N212 De geluidbelasting veroorzaakt door de N212 bedraagt ten hoogste 60 dB. De optredende geluidbelasting is hoger dan de ten hoogste toelaatbare waarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder, maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Het toepassen van een bronmaatregel in de vorm van een geluidreducerend wegdek type SMA-NL8 G+ is mogelijk op de N212. Deze maatregel levert circa 3 dB reductie op. Dit is onvoldoende om de geluidbelasting op alle woningen te reduceren tot maximaal 48 dB. Voor meerdere woningen dienen hogere waarden te worden vastgesteld. Deze hogere waarden zijn in het kader van het uitwerkingsplan vastgesteld. Cumulatie De cumulatieve geluidbelasting van alle wegen tezamen bedraagt hoogstens 60 dB, exclusief correctie (58 dB inclusief correctie).
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de realisatie van de woningen dient aangetoond te worden dat de buitengevels voldoende geluid dienen te weren om te zorgen dat het geluidniveau binnen in de nieuwe woningen maximaal 33 dB bedraagt. Ter indicatie: voor een geluidbelasting van 60 dB is een geluidwering nodig van (60 – 33 =) 27 dB in de gevels.
4.7.2 Akoestisch onderzoek - Reconstructie Mijdrechtse Dwarsweg Aan de noordzijde van het plangebied wordt de woonwijk ontsloten op een - nog te realiseren - rotonde. De ontsluitingsweg en een gedeelte van de toekomstige rotonde zijn onderdeel van dit uitwerkingsplan. De zuidzijde van de rotonde is gelegen binnen het plangebied van de herziening. Om de noordzijde van de rotonde mogelijk te maken wordt een aparte procedure doorlopen. Omdat geluidgevoelige bestemmingen aanwezig zijn binnen de wettelijke geluidzone van de rotonde is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit reconstructie onderzoek geeft inzicht in de effecten van de wijziging van een weg naar een rotonde. Het onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 13. Geconcludeerd wordt dat op de gevels van woningen aan de Mijdrechtse Dwarsweg 21, 21A, 22 en 29 de geluidbelasting niet toeneemt door de wijziging. Op de woning aan de Mijdrechtse Dwarsweg 25 wordt de hoogst toegestane toename van 1 dB overschreden. Het toepassen van bron- en overdrachtsmaatregelen stuit op overwegende bezwaren van technische, verkeerskundige en/of stedenbouwkundige aard en zijn daarom niet nader uitgewerkt/ onderzocht. Voor de toename van de geluidbelasting op woning Mijdrechtse Dwarsweg 25 dient een hogere waarde te worden vastgesteld op één woongevel.
Aangezien deze woning ondertussen is gesloopt in het kader van de herinrichting van de Shell-locatie is dit niet meer aan de orde.
50/160
4.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de beoogde woningbouw binnen het plangebied ruimtelijk inpasbaar is. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van de woningbouw en de aanleg van de rotonde. Wel dienen bronmaatregelen op de N212 en de Mijdrechtse Dwarsweg te worden toegepast om de geluidbelasting te reduceren. Door diverse bronmaatregelen vermindert de geluidbelasting op bestaande woningen langs de Mijdrechtse Dwarsweg. In het kader van de herinrichting van de Wethouder van Damlaan wordt nog bezien of daar ook bronmaatregelen worden genomen.
4.8
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en binnen het gebied voldoende parkeergelegenheid moet worden gerealiseerd. Voor de beoogde woningen wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 en de gemeente heeft parkeernormen vastgelegd in het Mobiliteits- en verkeersveiligheidsplan 2023-2030 dat vastgesteld is door de gemeenteraad. Gemeentelijk beleid Met de planontwikkeling voor De Maricken II wordt aangesloten bij de gemeentelijk mobiliteits- en verkeersveiligheidsbeleid. Belangrijk daarbij zijn de navolgende punten: Bijzondere aandacht voor (doorgaande) fietsverbindingen en veilige fietsroutes binnen, door en langs de nieuwe wijk. Haltering van (diverse) openbaar vervoerslijnen direct ten noorden van de wijk, met daarbij een goede voorziening om fietsen te stallen. Maatregelen in het kader van verkeersveiligheid zoals de aanleg van een rotonde in de Mijdrechtse Dwarsweg en het verlagen van de snelheid van 60 naar 50 km/h.
Alle woonstraten worden onderdeel van en ingericht als 30 km gebied. Spreiding van gemotoriseerd verkeer door realisering van ontsluitingen na (plan)herziening in 3 richtingen (noord, west en zuid), waarbij de zuidelijk vormgegeven als fietsstraat (met auto te gast). Het inzetten op andere vervoermiddelen, door het toepassen van de parkeernorm "schil-centrum" waardoor de ruimte efficiënter kan worden ingericht. Toetsing Ontsluitingsstructuur Voor de verschillende varianten van de ontsluiting van Maricken II zijn modelruns uitgevoerd. In de notitie in Bijlage 14 worden de uitkomsten van deze modelruns ten behoeve van verkeersafwikkeling behandeld. Hiertoe wordt het basisjaar vergeleken met de referentievariant 2033. Vervolgens worden de verschillen tussen de referentievariant 2033 en de oplossingsvariant 2033 behandeld. Daarbij wordt inzichtelijk gemaakt welke wegvakken een toename of afname van verkeer zullen krijgen ten gevolge van routekeuzes vanuit het plangebied.
51/160
De oplossingsvariant voor de ontsluiting van Maricken II betreft een ontsluiting aan de noordzijde (Mijdrechtse Dwarsweg), een volwaardige ontsluiting richting Maricken I (Westzijde) en een ontsluiting aan de zuidzijde (Wethouder van Damlaan). Verkeersgeneratie Het adviesbureau Goudappel B.V. heeft in oktober 2022 een verkeersmodel aangeleverd om onder andere oplossingsvariant 3 mee door te rekenen. In hoofdstuk 2 van de verkeersnotitie is de analyse van de uitkomsten van de modelrun van de oplossingsvariant beschreven. Uit het onderzoek volgt dat tussen 2018 en 2033 de verkeersintensiteiten op het verkeersnetwerk rondom het plangebied stijgen zonder infrastructurele aanpassingen of woningbouw. Daarbij is de Pastoor Kannelaan (specifiek wegvak C) een relatieve uitschieter. Dit is echter te relateren aan de oplevering van Maricken I na 2018, het basisjaar voor het verkeersmodel. Alle wegvakken blijven binnen de theoretische maximale capaciteiten. Bij het ontwikkelen van Maricken II en met de toevoeging van noordelijke, zuidelijke en westelijke verkeersontsluitingen, draagt Maricken II niet bij aan een grote stijging van verkeersintensiteiten in het netwerk. Ook met de komst van de 650 woningen en de bijbehorende ontsluitingswegen, vallen de nabije verkeersintensiteiten binnen de theoretische capaciteitswaarden en is het onwaarschijnlijk dat dit gaat leiden tot verkeersoverlast.
De ochtend- en avondspitsuren zijn niet symmetrisch. Omdat de avondspits relatief gezien veel uitgaande bewegingen kent op alle ontsluitingsroutes, is het goed aanneembaar dat verkeer aan het einde van de werkdag de wijk verlaat met (recreatieve) voorzieningen als bestemming. Parkeren Voor de beoogde ontwikkeling is in de stedenbouwkundige schets een proefverkaveling opgenomen. In deze proefverkaveling zijn ook parkeerplaatsen opgenomen waarbij uitgaande van de toepasselijke normen sprake is van een gesloten parkeerbalans. Omdat het definitieve ontwerp van het plangebied nog niet vaststaat, is in de planregels een regel opgenomen waarin geborgd wordt dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. In het ruimtelijk kader is besloten dat het uigangspunt voor het parkeren "centrum schil" is. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen of voor een gebruikswijziging, moet aangetoond worden dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid. In de planregel wordt verwezen naar het geldende parkeerbeleid van de gemeente en eventuele wijzigingen of herzieningen daarvan. Daarnaast wordt ook een koppeling gemaakt met de afmetingen voor parkeerplaatsen zoals opgenomen in de ASVV2012 van het CROW. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
52/160
4.9
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van aanwezige bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Toetsing Het woningbouw plan is gelegen nabij diverse bedrijven, daarom heeft Sweco Nederland B.V. in 2023 onderzoek uitgevoerd naar het aspect milieuzonering. Het onderzoeksrapport is bijgevoegd in Bijlage 15. De omgeving van het plangebied is te kenmerken als gebied met verschillende functies, waaronder woningen, (agrarische) bedrijven en drukke wegen. De beschouwde situatie voor de beoogde nieuwbouw wordt daarom beschouwd als 'gemengd gebied'. In de omgeving van het plangebied zijn twee bedrijven aanwezig waarmee bij de uitwerking van het plan rekening gehouden dient te worden. Aan de noordoost zijde van het plangebied zit een hoveniersbedrijf en in de noordwest zijde van het plangebied een tankstation. Ter plaatse van deze bedrijven, zijn planologisch ten hoogste bedrijven uit de categorie 3.1 toegestaan.
Uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' volgen onderstaande richtafstanden (in meters) tussen de inrichtingsgrenzen en de gevels van de te ontwikkelen woningen in gebiedstype 'gemengd gebied: Lpg-verkooppunt1: geur (10), stof (0), geluid (10), gevaar (30); Hovenier: geur (10), stof (0), geluid (30), gevaar (0). Voor beide bedrijven geldt een maximale richtafstand van 30 meter. Als blijkt dat binnen de richtafstand van 30 meter woningen voorzien zijn, dan worden de bedrijven mogelijk beperkt in hun bedrijfsvoering en kan ter plaatse van de woningen niet zonder meer een goed woon-en leefklimaat gegarandeerd worden. De beoogde woningen liggen buiten de 30 meter afstandscontouren van beide bedrijven en tevens buiten de geurzone van de hovenier. Met betrekking tot de overige milieuaspecten kan worden gesteld dat de bedrijven niet zullen worden beperkt in hun bedrijfsvoering, en is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. Aanvullend onderzoek is niet nodig. Een klein deel van de beoogde woningen ligt binnen de veiligheidszone van het lpg-verkooppunt. Daarom is door Sweco voor deze woningen een separaat onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Dit onderzoek wordt nader toegelicht in paragraaf 4.10. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
53/160
4.10 Externe veiligheid Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.
Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.
Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
54/160
Onderzoek In 2019 is door Sweco Nederland B.V. een risico-inventarisatie uitgevoerd voor Maricken fase II. Uit deze risico-inventarisatie bleek dat er twee risicobronnen zijn die nader beschouwd dienen te worden. Dit zijn het LPG-tankstation Shell Wilnis en de hogedruk aardgastransportleiding aan de zuidkant van het plangebied. Naar aanleiding van deze risico-inventarisatie is een rapport externe veiligheid opgesteld. Het rapport is bijgevoegd in Bijlage 16. In het rapport is ingegaan op de groepsrisicoberekening voor het LPG-tankstation, de kwantitatieve externe veiligheidsrisico's van de hogedruk aardgasleidingen (buisleidingen) en bevat de aanzet tot de verantwoording van het groepsrisico. Tankstation In het bestemmingsplan is rekening gehouden met het tankstation door een veiligheidszone op te nemen rondom het tankstation. Binnen deze zone geldt dat geen zeer kwetsbare functies opgericht mogen worden en is vastgelegd in de regels en verbeelding behorend bij voorliggend uitwerkingsplan. In het uitwerkingsplan zijn geen kwetsbare of zeer kwetsbare functies voorzien binnen de veiligheidszone.
Figuur 4.7 - Indeling tankstation met PR-contouren (Bron Atlasleefomgeving.nl)
55/160
Figuur 4.8 - Indeling tankstation met brand- en explosieaandachtsgebieden (Bron: Atlasleefomgeving.nl) Aardgasleiding Plaatsgebonden risico In het zuiden van het plangebied is een aardgastransportleiding (W-529-01) gelegen. Het plaatsgebonden risico per jaar (PR 10-6/ jaar) is al reeds door Gasunie berekend en op de risicokaart aangegeven. De aardgasleiding heeft geen plaatsgebonden risicocontour 10-6/jaar. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het realiseren van het plangebied. Groepsrisico Voor zowel de huidige als de toekomstige situatie is er een groepsrisico berekend, maar beide overschrijden niet de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico ligt voor de hogedrukaardgasleiding beneden de 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat als gevolg van een ongeval met de hogedruk aardgasleiding het aantal slachtoffers niet significant is. Op basis hiervan dient het groepsrisico conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen beperkt verantwoord te worden.
56/160
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. In het plangebied wordt een nieuwe ontsluitingsroute gerealiseerd die op twee plaatsen ontsloten wordt. In het noorden nabij de Shell wordt een ontsluiting gerealiseerd op de Mijdrechtse Dwarsweg en in het westen via de nieuwbouwwijk Maricken I. Deze manier van ontsluiten biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Het exacte wegenverloop in het nieuwe woongebied moet nog verder worden ontworpen. Met de interne ringweg en de drie ontsluitingen in drie richtingen is op zich een goede basis beschikbaar.
Zoals ook verzocht door de VRU zal over zaken als bereikbaarheid, bluswater en vluchtroutes nog nader overleg plaatsvinden met betrokken instanties/diensten. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie wordt een nieuwe woonwijk gerealiseerd. De aanwezigen (bewoners/bezoekers) worden als zelfredzame personen beschouwd. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Het maatgevende scenario voor de buisleidingen betreft een fakkelbrandscenario. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Om schuilen en vluchten te bevorderen wordt geadviseerd om handmatig uitschakelbare ventilatie te installeren in de woningen om te voorkomen dat (rook)gassen naar binnen worden gezogen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de bewoners door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd.
Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Gemeente zal er ook voor zorgdragen dat toekomstige bewoners afdoende worden geïnformeerd over de (veiligheids-)situatie. Deze is natuurlijk ook in het bestemmingsplan beschreven. Maar een afzonderlijk kennisgeving hierover zal aan toekomstige bewoners worden verstrekt. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het uitwerkingsplan.
57/160
4.11 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensie brandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Onderzoek Aan de zuidzijde van het plangebied is een gasleiding gelegen. Deze gasleiding is behandeld in paragraaf 4.10. Naast deze gasleiding is er nog een andere gasleiding aanwezig in het gebied. Deze gasleiding wordt verplaatst naar de oostzijde van het plangebied, parallel aan de N212, en komt daar tussen de watergang en de geluidwerende voorzieningen te liggen. Omdat deze gasleiding geen (planologisch relevante)risicocontour heeft, is geen nader onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd. De leiding vormt ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Verder zijn er geen relevante kabels in of in de nabijheid van het plangebied. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.12 Ecologie Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
58/160
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Onderzoek Gebiedsbescherming Met het rekenmodel Aerius (versie 2023.0.1, 6 november 2023) is een berekening uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden in beeld te brengen. In Bijlage 17 is de stikstofberekening bijgevoegd waarin het toetsingskader, de berekeningsuitgangspunten, de berekening en resultaten en conclusies zijn opgenomen. De stikstofberekening is uitgevoerd voor de gehele ontwikkeling waarbij in de berekening uitgegaan is van 654 woningen. In deze herziening worden in totaal maximaal 650 woningen mogelijk gemaakt. Voor de gehele ontwikkeling van de Maricken II zijn de effecten van stikstofdepositie beoordeeld ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie (referentiesituatie).