Bijlage 2 Bestemmingsplan Herziening De Maricken II Wilnis
Tekst van het document
Het plan geeft ten opzichte van de referentiesituatie geen toename van de stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Op basis van de berekeningen zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied ten gevolge van de ontwikkeling in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase uitgesloten.
59/160
Soortenbescherming In 2021 en 2023 heeft onderzoeksbureau Sweco Nederland B.V. onderzoek gedaan naar soortenbescherming binnen het plangebied van de herziening. De onderzoeksrapporten zijn bijgevoegd in de volgende bijlagen: 1. Bijlage 18 Verkennend natuuronderzoek De Maricken II 2. Bijlage 19 Verkennend natuuronderzoek rotonde 3. Bijlage 20 Verkennend natuuronderzoek zuidelijke ontsluiting Uit de onderzoeken blijkt dat de werkzaamheden mogelijk effect hebben op huismus, vleermuizen en rugstreeppad. Ook dienen maatregelen genomen te worden om effecten aan categorie 5 nest- broedvogels, algemene broedvogels, vrijgestelde beschermde zoogdieren (haas, huisspitmuis en veldmuis), vrijgestelde beschermde amfibieën (bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker), ringslang en niet-beschermde vissen te voorkomen en om invulling te geven aan de zorgplicht. Rugstreeppad Uit de onderzoeken blijkt dat de werkzaamheden mogelijk negatieve effecten kan hebben op de rugstreeppad. Na afstemming met de omgevingsdienst kan zonder aanvullend onderzoek aangenomen worden, dat deze soort in het plangebied aanwezig is. De reden hiervoor is dat het aangelegde compensatiegebied voor deze soort uitmondt in het plangebied.
Daarom is voor het uitvoeren van de werkzaamheden een ontheffing aangevraagd op de volgende onderdelen van de Wet natuurbescherming: de verbodsbepalingen in artikel 3.5, eerste lid, tweede lid en vierde lid, voor zover dit betreft het opzettelijk doden of vangen, opzettelijk verstoren en beschadigen en/of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de rugstreeppad. de verbodsbepaling in artikel 3.34, eerste lid, voor zover dit betreft het uitzetten van individuen, eieren, larven en juvenielen van de rugstreeppad. De ontheffing is op basis van het activiteitenplan in Bijlage 21 verleend. De verleende ontheffing is opgenomen in Bijlage 22. Vleermuizen Effecten op mogelijke naastgelegen verblijfsplaatsen van vleermuizen worden voorkomen door ervoor te zorgen dat de benodigde verlichting enkel naar de weg gericht is en niet naar omliggende huizen of bomen. Indien dit niet mogelijk blijkt wordt ecodynamische verlichting geïnstalleerd, waarbij de intensiteit, kleur, momenten van branden en richting van de verlichting afgestemd wordt op de behoefte. Huismus In de directe omgeving van het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen van huismus en leefgebied van huismus aanwezig. Aangezien de erven en huizen erop niet worden aangetast en heggetjes niet worden weggehaald, zullen de werkzaamheden geen effect hebben op de huismus.
Wanneer deze heggetjes wel worden weggehaald of de erven anderszins worden aangetast, dient onderzocht te worden of het gebied essentieel is voor de soort, door een aanvullend onderzoek uit te voeren.
60/160
Maatregelen Om te voorkomen dat de werkzaamheden effect hebben op categorie 5 nest-broedvogels, algemene broedvogels, algemeen voorkomende zoogdieren (haas, huisspitmuis en veldmuis), vrijgestelde beschermde amfibieën (bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker), ringslang en niet-beschermde vissen te voorkomen en om invulling te geven aan de zorgplicht, dienen de volgende maatregelen te worden genomen: Indien werkzaamheden binnen de periode maart tot en met half augustus plaatsvinden dient een ecologische check op het werkgebied uitgevoerd te worden maximaal drie dagen voorafgaand aan de werkzaamheden. 1. indien in gebruik zijnde nesten worden aangetroffen, dient een ecoloog te bepalen of en waar (op welke verstoringsafstand) werkzaamheden mogen worden uitgevoerd. Werkzaamheden worden rustig opgestart, er wordt in één richting gewerkt (bij dempen water in de richting van het doorgaande water). 1. bij het aantreffen van dieren wordt deze de gelegenheid gegeven om het plangebied te kunnen verlaten. Werken in/aan het water vindt plaats in de periode: begin maart tot half april of tussen begin augustus en eind oktober (in verband met de paaiperiode en winterrust van amfibieën en vissen). Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.13 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 - Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof
Toetsing van
Grenswaarde
stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³
jaargemiddelde concentratie
25 µg /m³
fijn stof (PM2,5)
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
61/160
Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Onderzoek Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling draagt de ontwikkeling 'niet in betekenende mate' bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Daarmee is de beoogde ontwikkeling vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. De indicatie is gedaan op basis van de cijfers van de Atlas Leefomgeving. De Atlas Leefomgeving is een tool van de Rijksoverheid en biedt informatie over de kwaliteit van de Nederlandse leefomgeving. Uit de kaart van Atlas Leefomgeving (Bron: atlasleefomgeving.nl/check-je-plek) blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor de planlocatie zijn het hoogst langs de N212 en bedroegen in 2021: 14 µg/m³voor NO2 en 9 µg/m³ voor PM2,5. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bevinden zich ruim onder de in tabel 4.1 weergegeven grenswaarden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
62/160
4.14 Milieueffectrapportage Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.
Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Onderzoek en conclusie Om te beoordelen of een m.e.r. nodig is voor deze herziening (conform artikel 7.16 van de Wet milieubeheer) is een aanmeldnotitie opgesteld door Sweco Nederland B.V. voor de gehele ontwikkeling van de woonwijk. Deze aanmeldnotitie is bijgevoegd in Bijlage 23. Geconcludeerd wordt dat gezien de beperkte omvang van de effecten in combinatie met de mogelijke mitigerende maatregelen, belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu uit te sluiten zijn.
63/160
64/160
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Algemeen
Dit bestemmingsplan bestaat uit een (digitale) verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van de herziening. Beide planonderdelen moeten in onderlinge samenhang worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld. Daarnaast zijn er algemene regels en overgangs- en slotregels opgenomen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van de herziening. De toelichting van deze herziening geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer, die aan het uitwerkingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het de herziening.
5.2
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In dit artikel is een aantal begrippen gedefinieerd die genoemd worden in de planregels. Dit artikel voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel is bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moeten worden. Evenals de begripsbepalingen voorkomen de bepalingen inzake de wijze van meten interpretatieverschillen bij de toepassing van de planregels.
5.3
Bestemmingsregels
Artikel 3 Groen Deze bestemming is opgenomen voor de groenvoorzieningen in het plangebied met daarbij behorende fiets- en wandelpaden, speel- en nutsvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. De geluidswerende voorziening komt in de noordoosthoek van het plangebied voor een gedeelte voor in deze bestemming. De geluidwerende voorziening heeft de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geluidwerende voorziening'. Binnen de bestemming aan de zuidzijde is de historische spoorlijn gelegen. De spoorlijn heeft de aanduiding 'Cultuurhistorische waarde' gekregen voor de bescherming en instandhouding van de restanten. Artikel 4 Tuin - Onbebouwd De bestemming ‘Tuin-Onbebouwd’ is opgenomen voor de gronden grenzend aan de watergang langs de groenstrook met de historische spoorbaan. Vanwege de landschappelijke en cultuurhistorische waarden aldaar is behoud van openheid en een groen karakter belangrijk en op deze wijze geborgd. Binnen de bestemming wordt uitsluitend een ontsluitingsweg mogelijk gemaakt en zijn bouwregels opgenomen voor (bescheiden) steigers.
65/160
Artikel 5 Verkeer De bestemming Verkeer is opgenomen in de noord- en zuidzijde van het plangebied de ontsluitingswegen van de woonwijk mogelijk te maken. Artikel 6 Water De bestemming Water is bedoeld voor de bestaande watergang aan de zuidzijde van het plangebied. In deze bestemming zijn algemene bouwregels opgenomen. Artikel 7 Woongebied De bestemming woongebied is flexibel omdat het definitieve plan nog in ontwikkeling is. Binnen de bestemming wonen worden maximaal 650 woningen gerealiseerd. Binnen de bestemmingsregels zijn aanduidingen opgenomen ten behoeve van de ontsluiting van de woonwijk, gestapelde bebouwing, ter waarborging van de aanwezige hoofdgroenstructuur en om zeer kwetsbare functies uit te sluiten binnen de 'veiligheidszone - lpg'. In de bouwregels zijn algemene bouwregels opgenomen en bouwregels voor grondgebonden woningen en voor gestapelde bebouwing. Gebouwen dienen binnen de bouwvlakken gebouwd te worden en mogen uit maximaal 3 bouwlagen bestaan. Voor bebouwing van meer dan 3 bouwlagen zijn aanduidingen opgenomen waarbinnen gestapelde bebouwing is toegestaan van 4 of 6 bouwlagen. Voor woongebouwen en grondgebonden woningen zijn bouwregels opgenomen voor hoofdgebouwen, bijgebouwen en overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde. De bouwregels voor grondgebonden woningen zijn aangevuld met bouwregels voor dakterrassen en balkons.
Ook zijn regels opgenomen waarin beschreven wordt dat onder voorwaarden voor bepaalde onderwerpen afgeweken kan worden van de bouwregels. Ten aanzien van duurzaamheid is voor grondgebonden woningen bepaald dat tenminste 50% moet voldoen aan tenminste BENG2=0 of gelijkwaardig waarbij in geval van strijd met de MPG-norm, de MPG-norm leidend is. Daarnaast is voor daken van woongebouwen bepaald dat deze, voor zover technisch uitvoerbaar, voorzien worden van zonnepanelen en/of een sedumdak. Er zijn twee voorwaardelijke verplichtingen opgenomen waaraan voldaan moet worden alvorens een omgevingsvergunning gericht op (bouw)werkzaamheden verleend kan worden voor doeleinden zoals bedoeld in dit artikel. Eén voorwaardelijke verplichting ziet toe op het realiseren van voldoende waterberging en de andere om aan te sluiten op de uitgangspunten van het Beeldkwaliteitsplan De Maricken II. In de specifieke gebruiksregels zijn regels gesteld over het woningbouwprogramma, een beroep of bedrijf aan huis, strijdig gebruik en over het wijzigen van parkeervoorzieningen. Tot slot is beschreven dat het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning af kan wijken van de specifieke gebruiksregels ten aanzien van een beroep of een bedrijf aan huis.
Gelet op de maatschappelijke ontwikkeling om langer thuis te kunnen wonen en zo nodig verzorgd te worden is in de regeling voor woongebouwen de mogelijkheid geboden om (beperkt) ruimtes ten behoeve van de zorgverlening aan huis te realiseren.
66/160
Artikel 8 Leiding Middels deze bestemming worden de leidingen in het plangebied aangeduid. In het zuiden van het plangebied bevindt zich een gasleiding en in het noorden een riool. De bestemming leiding krijgt vanuit het oogpunt van veiligheid voorrang op de andere samenvallende bestemmingen. In de regels wordt bouwen ten behoeve van de leiding toegestaan en is een afwijkingsbepaling opgenomen waarin bouwen onder voorwaarden kan worden toegestaan met een omgevingsvergunning. Tenslotte is een vergunningsplicht opgenomen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
5.4
Algemene regels
Artikel 9 Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 10 Algemene bouwregels In dit artikel staan algemene bouwregels, die in het gehele plangebied van toepassing zijn. Overschrijding bouwgrenzen Deze regel bepaalt dat bepaalde bouwdelen aanduidingen, aanduidingsgrenzen en regels mogen overschrijden tot een maximale maat. Ondergrondse ruimten Deze regel bepaalt het bouwen van ondergrondse ruimten onder gebouwen toegestaan is en stelt voorwaarden aan de toegangen van deze ruimten en voor licht- en luchttoetreding. Afstemming kabels en leidingen Deze regel borgt dat voorafgaand aan werkzaamheden onderzocht moet worden of de bouwactiviteiten geen belemmering oplevert voor het functioneren en het beheer van kabels en leidingen. Voorwaardelijke verplichting inrichting openbaar gebied Deze regel borgt dat het groen/blauwe raamwerk zoals beschreven in het beeldkwaliteitplan De Maricken II maximaal 2 jaar na ingebruikname van de laatste woning gerealiseerd moet zijn.
Artikel 11 Algemene gebruiksregels Bij de algemene gebruiksregels is enkel aangegeven welk gebruik in ieder geval als strijdig met dit bestemmingsplan moet worden aangemerkt.
67/160
Artikel 12 Algemene afwijkingsregels Hier zijn algemene afwijkingsregels (onder voorwaarden) opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Het betreft onder meer een afwijkingsmogelijkheid om maximaal 10% van de voorgeschreven maatvoering af kunnen te wijken, voor zover dit technisch noodzakelijk is, en het oprichten van bouwwerken voor openbare nutsvoorzieningen. Verder is er een afwijkingsregeling opgenomen om een grotere maximale goothoogte voor woningen toe te staan. Artikel 13 Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om de ligging van bestemmingsgrenzen te wijzigen. De voorwaarden, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. Ook is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het toevoegen of schrappen van soorten bedrijven uit de bij de regels horende ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’. Artikel 14 Algemene procedureregels In veel bestemmingen zijn ‘Nadere eisen’ opgenomen waarmee burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen stellen bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen. De procedure omtrent het stellen van nadere eisen is in dit artikel aangegeven. Artikel 15 Overige regels In dit artikel zijn regels opgenomen inzake wettelijke regelingen waar naar verwezen wordt in de regels.
Ook zijn in dit artikel parkeerbepalingen opgenomen, waarbij verwezen wordt naar het gemeentelijk ‘Mobiliteits- en verkeersveiligheidsplan'.
5.5
Overgangs- en slotregels
Artikel 16 Overgangsrecht Het overgangsrecht is vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Artikel 17 Slotregel Deze regel bevat zowel de aanhalingstitel van de regels van het plan als de vaststellingsregel van het plan.
68/160
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
In het kader van een bestemmingsplan is het van belang om de uitvoerbaarheid na te gaan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
In het kader van het overleg als bedoeld ingevolge artikel 3.1.1 van het Bro zal het ontwerpbestemmingsplan voorgelegd worden aan de (wettelijke) overlegpartners. Dit zal gelijktijdig gebeuren met het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 23 december 2023 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Totaal zijn 3 zienswijzen ontvangen. Deze zienswijzen zijn beantwoord in de Nota van zienswijzen (Bijlage 24 Nota van zienswijzen & ambtshalve aanpassingen). Na de vaststelling wordt het plan wederom gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen tegen het vastgestelde bestemmingsplan.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierbij de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen. De gemeente heeft een anterieure overeenkomst gesloten met de betreffende partijen waarin het kostenverhaal is geregeld. Hierdoor is een exploitatieplan niet noodzakelijk. De kosten voor de uitvoering van het bouwplan liggen volledig bij de ontwikkelende partijen. Geconcludeerd wordt dat er voldoende middelen zijn om de ontwikkeling tot uitvoering te brengen. Het plan is daarmee economisch uitvoerbaar.
69/160
70/160
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Bijlage 1 Archeologisch onderzoek De Maricken II
Rapport Projectnummer: 377481 Referentienummer: NL21-648800269-2402 Datum: 30-07-02021
Archeologisch onderzoek Maricken fase II te Wilnis, gemeente De Ronde Venen Bureauonderzoek SWECO ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 2458
Sweco Rozenburglaan 11 9727 DL Groningen Postbus 7057 9701 JB Groningen Nederland
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Team Heritage Consultancy Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Dagmar Ewolds Adviseur Archeologie M +31 6 51 35 57 24
Verantwoording Titel Subtitel
Archeologisch onderzoek Maricken fase II te Wilnis, gemeente De Ronde Venen Bureauonderzoek Sweco Archeologische Rapporten 2458
ISSN-nummer
2468-4813
projectnummer
377481
Referentienummer
NL21-648800269-2402
Revisie
C1
Datum
30-07-2021
Auteur E-mailadres
Dagmar Ewolds KNA archeoloog actornummer 54425479 dagmar.ewolds@sweco.nl
Gecontroleerd door
Jan Jaap Hekman senior KNA archeoloog (actornummer 64229705)
Paraaf gecontroleerd Goedgekeurd door
Jeroen van Rooij MA
Paraaf goedgekeurd Sweco voert archeologisch onderzoek uit onder procescertificaat SIKB BRL 4000 ’Archeologie’ (versie 4.1) en de protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004. De archeologische werkzaamheden worden uitgevoerd in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm van de Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1).
2 (22)
Administratieve gegevens Uitvoerder Provincie Gemeente Plaats Toponiem Kadastrale gegevens Centrum-coördinaat Digitale kaart onderzoeksgebied Opdrachtgever Onderzoekskader Archis Zaakidentificatie Oppervlakte plangebied Archeoregio Bevoegde overheid
Projectmedewerkers Periode van uitvoering Beheer en plaats van documentatie
Sweco Nederland B.V. Utrecht Ronde Venen Wilnis Maricken fase II WNS00 3633 en 3737 x:121756 y: 468551 Zie bijlage 1 BPD Omgevingsvergunning en bestemmingsplanwijziging 5092919100 2 ha Hollands veen- en kleigebied M. Sybrandy, Gemeente Ronde Venen (Omgevingsdienst regio Utrecht contactpersoon archeologie: I. Briels, i.briels@odru.nl, 088-0225125) D. Ewolds (KNA -Archeoloog) en C. Paré (KNA-archeoloog) Juli 2021 Sweco Nederland BV, vestiging Groningen
3 (22)
Inhoudsopgave Samenvatting ......................................................................................................................... 5 1
Inleiding .................................................................................................................. 7
1.1
Aanleiding van het onderzoek ................................................................................. 7
1.2
Kader onderzoek ..................................................................................................... 7
1.3
Uitvoering onderzoek ............................................................................................... 7
1.4
Doelstelling en vraagstelling .................................................................................... 8
2
Bureauonderzoek .................................................................................................. 9
2.1
Afbakening plangebied, huidig gebruik en toekomstig gebruik ............................... 9
2.1.1
Afbakening plan- en onderzoeksgebied ................................................................................9
2.1.2
Huidig gebruik van het plangebied ........................................................................................9
2.1.3
Toekomstig gebruik van het plangebied ...............................................................................9
2.2
Aardwetenschappelijke situatie ............................................................................... 9
2.3
Archeologische waarden ....................................................................................... 11
2.3.1
Overheidsbeleid ..................................................................................................................11
2.3.2
Archeologische Monumenten..............................................................................................12
2.3.3
Archeologische vondstlocaties ............................................................................................12
2.3.4
Archeologische onderzoeksmeldingen ...............................................................................13
2.3.5
Samenvatting archeologische waarden ..............................................................................14
2.4
Historische situatie................................................................................................. 15
2.4.1
Oude kaarten ......................................................................................................................15
2.4.2
Cultuurhistorische Waarden ................................................................................................17
2.4.3
Militair-historische gegevens ...............................................................................................18
2.5
Ondergrondse bouwhistorische waarden en mogelijke verstoringen .................... 18
3
Gespecificeerde archeologische verwachting ................................................. 19
4
Conclusie en advies ............................................................................................ 20
4.1
Beantwoording onderzoeksvragen ........................................................................ 20
4.2
Conclusie ............................................................................................................... 20
4.3
Advies .................................................................................................................... 21
Literatuurlijst en gebruikte bronnen .................................................................................. 22 4.4
Literatuur ................................................................................................................ 22
4.5
Internet bronnen .................................................................................................... 22
Bijlage 1.
Locatie van het plangebied
Bijlage 2.
Bekende archeologische gegevens
Bijlage 3.
Geomorfologie
Bijlage 4.
Bodemkaart
4 (22)
Samenvatting In opdracht van BPD heeft Sweco Nederland B.V. een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksgebied betreft een aantal percelen ten noorden van Wilnis. Op deze percelen zal een woonwijk worden ontwikkeld. Voor de gewenste bestemmingsplanwijziging en omgevingsvergunning is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Dit rapport betreft een standaardrapport zoals genoemd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform SIKB BRL 4000 protocol 4002. De vraagstelling voor het onderzoek is: welke archeologische waarden zijn in het plangebied (mogelijk) aanwezig of kunnen worden verwacht? Op basis van de vraagstelling zijn onderzoeksvragen geformuleerd die kunnen bijdragen aan de beantwoording van de doel- en vraagstelling: • Welke archeologische waarden zijn in het plangebied aanwezig of kunnen aanwezig zijn? Op welke diepte t.o.v. maaiveld kunnen deze worden verwacht en op welke wijze lopen deze verwachte waarden een risico op verstoring/vernietiging door de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden? • Is het plangebied voldoende onderzocht. Zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek wordt geadviseerd? Het plangebied bevindt zich in de polder Groot-Mijdrecht. Het oorspronkelijk veenpakket – dat enkele meters dik moet zijn geweest - is in deze polder tot het Laagpakket van Womer ontgonnen.
Het oude zeekleilandschap met kreken en oeverwallen ligt aan het maaiveld. Het plangebied heeft volgens de gemeentelijke beleidsadvieskaart een middelhoge verwachting op archeologische waarden uit het Midden- en Laat-Neolithicum. Bewoning heeft zich in deze tijd geconcentreerd ter plaatse van de oeverwallen. Uit eerdere onderzoeken in de omgeving is echter gebleken dat deze kreken en oeverwallen in de polder Groot-Mijdrecht van een kleine omvang zijn en in de ruggen heeft geen tot weinig bodemontwikkeling plaatsgevonden. Een inventariserend veldonderzoek (verkennend en karterend booronderzoek) en proefsleuvenonderzoek dat direct ten westen van het plangebied is uitgevoerd heeft aangewezen dat de archeologische verwachting van het Laagpakket van Wormer binnen de polder Groot-Mijdrecht laag is. Een tweede verkennend booronderzoek dat is uitgevoerd ten noordwesten van het plangebied heeft dezelfde resultaten opgeleverd. Binnen de polder kan het dekzandlandschap, met een archeologische verwachting op resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum binnen 2,5 m -mv worden verwacht. In de top van dit dekzand heeft bodemontwikkeling plaatsgevonden. Aangezien het plangebied wordt opgehoogd ten behoeve van de geplande woningbouw wordt de kans op verstoring van dit dekzand klein geacht.
Op basis van de bekende gegevens en de gespecificeerd archeologische verwachting adviseert Sweco het gebied vrij te geven bij ingrepen tot 2,5 m -mv onder het huidige maaiveld, omdat de kans op het aantreffen van archeologische waarden uit het Midden- en Laat-Neolithicum laag is. Indien in de toekomst diepere ingrepen plaatsvinden die de top van het onderliggende dekzand verstoren wordt geadviseerd een verkennend booronderzoek te verrichten.
5 (22)
Tabel 1.1
Overzicht van archeologische perioden1
Periode Laat-Paleolithicum (Oude Steentijd) Mesolithicum (Midden Steentijd)
Tijd 9.000 v.Chr.
tot -
Neolithicum (Nieuwe Steentijd)
5.325 v.Chr.
-
Bronstijd
1.900 v.Chr.
-
v.Chr. 800 v.Chr.
IJzertijd
800 v.Chr.
-
12 v.Chr.
Romeinse Tijd
12 v.Chr.
-
450 n.Chr.
Vroege Middeleeuwen
450
-
Late Middeleeuwen
1.050
-
1.050 n.Chr. 1.500
Nieuwe Tijd
1.500
-
Tabel 1.2
n.Chr. heden
Indeling van het Kwartair
Chronostratigrafie Kwartair Holoceen
Pleistoceen
Subatlanticum Subboreaal Atlanticum Boreaal Preboreaal Laat
Midden
Vroeg
1
9.000 v.Chr. 4.900 v.Chr. 1.900
Weichselien (ijstijd) Eemien Saalien (ijstijd) Elsterien (ijstijd)
Jaren geleden 3.000 5.000 8.000 9.000 10.000 130.000 120.000 130.000 800.000 200.000 400.000 2.400.000 -
heden 3.000 5.000 8.000 9.000 10.000 10.000 120.000 130.000 130.000 315.000 800.000
Bron: Archeologisch Basis Register 1992.
6 (22)
1
Inleiding
1.1 Aanleiding van het onderzoek In opdracht van BPD heeft Sweco Nederland B.V. een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksgebied betreft een aantal percelen ten noorden van Wilnis (3737 en 3633). Zie bijlage 1. Op deze percelen zal een woonwijk worden ontwikkeld. Voor de gewenste bestemmingsplanwijziging en omgevingsvergunning is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Afbeelding 1-1 Plangebied ten noorden van Wilnis
1.2 Kader onderzoek Voor de ontwikkeling dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. De gemeente De Ronde Venen heeft in verschillende bestemmingsplannen het archeologisch beleid opgenomen. Het plangebied valt echter net buiten het bestemmingsplan Buitengebied-West deels in werking (vastgesteld 2019-02-21) waar dubbelbestemmingen voor het veenweidegebied zijn opgenomen (gebaseerd op de archeologische verwachtingen – en beleidskaart, zie paragraaf 2.3.1). In het vigerende bestemmingsplan voor het plangebied is geen archeologisch beleid opgenomen (Marickenland bestemmingsplan (geconsolideerde versie 2011-07-12). Verdere toepassing van het vigerende overheidsbeleid met betrekking tot archeologie staat beschreven in paragraaf 2.3.1. 1.3 Uitvoering onderzoek Dit rapport betreft een standaardrapport zoals genoemd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform SIKB BRL 4000 protocol 4002 en bestaat uit elf processtappen: 1. afbakenen plan- en onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik (LS01); 2. aanmelden onderzoek bij Archis; 3. vermelden (en toepassen) overheidsbeleid (LS01); 4. beschrijven huidig gebruik (LS02);
7 (22)
5. 6.
beschrijven historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond (LS02, LS03, LS04); 7. beschrijven bekende archeologische en aardwetenschappelijke kenmerken (LS04); 8. opstellen gespecificeerde verwachting en formuleren onderzoeksstrategie (LS05); 9. opstellen standaardrapport bureauonderzoek (LS06); 10. aanleveren standaardrapport - afmelden onderzoek in Archis; 11. aanleveren digitale gegevens bij e-depot (DS05). Processtappen 1 tot en met 7 leveren gegevens op basis waarvan de gespecificeerde verwachting (stap 8) wordt opgesteld. Deze stappen worden behandeld in paragraaf 1.1 en hoofdstuk 2. Processtap 9 resulteert in het voorliggende rapport. Processtappen 10 en 11 hebben betrekking op het openbaar maken van het bureauonderzoek voor derden bij onder meer Archis en het e-Depot. Bij de uitvoering van het onderzoek is niet afgeweken van de BRL. 1.4 Doelstelling en vraagstelling De bodemingrepen die gepaard gaan met de geplande werkzaamheden zullen eventueel aanwezige archeologische resten in de bodem verstoren en/of vernietigen.2 Doel van het onderzoek is een risicoanalyse van de gevolgen van de voorgenomen maatregelen en bodemingrepen op het behoud in situ van (mogelijk) aanwezige archeologische waarden.
Derhalve dienen voorafgaand aan die werkzaamheden de archeologische waarden binnen het plangebied in kaart te worden gebracht. De vraagstelling voor het onderzoek is: welke archeologische waarden zijn in het plangebied (mogelijk) aanwezig of kunnen worden verwacht? Op basis van de vraagstelling zijn onderzoeksvragen geformuleerd die kunnen bijdragen aan de beantwoording van de doel- en vraagstelling: • Welke archeologische waarden zijn in het plangebied aanwezig of kunnen aanwezig zijn? Op welke diepte t.o.v. maaiveld kunnen deze worden verwacht en op welke wijze lopen deze verwachte waarden een risico op verstoring/vernietiging door de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden? • Is het plangebied voldoende onderzocht. Zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek wordt geadviseerd?
Een verstoring van archeologische waarden betekent dat deze waarden (deels) in situ aanwezig blijven, maar dat de conditie en conservering ervan verslechterd en daarmee de informatiewaarde. Vernietigen betekent dat de archeologische waarden verdwijnen. 2
8 (22)
2
Bureauonderzoek
2.1 Afbakening plangebied, huidig gebruik en toekomstig gebruik 2.1.1 Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied ligt binnen de gemeente Ronde Venen en wordt begrensd door de Mijdrechtse dwarsweg in het noorden, de Ingenieur Enschedeweg (N212) in het oosten, de Driehuizerdwarstocht in het zuiden en een recente woonwijk in het westen. De exacte locatie van het plangebied wordt weergegeven in bijlage 1 en afbeelding 1-1. Het onderzoeksgebied betreft een straal van 500 meter hieromheen. 2.1.2 Huidig gebruik van het plangebied Het plangebied bestaat uit enkele percelen die een agrarische functie hebben (veenweidegebied). 2.1.3 Toekomstig gebruik van het plangebied In het plangebied wordt een woonwijk gerealiseerd met ongeveer 623 woningen. Hiervan zijn nog geen nadere gegevens over aanleg en inrichting bekend. Waarschijnlijk zal het gebied worden opgehoogd voorafgaand aan de bouw met een zandpakket van ongeveer 2 meter dik. Het is vooralsnog onbekend welke funderingstechnieken worden toegepast (waarschijnlijk heipalen). 2.2 Aardwetenschappelijke situatie3 Om de landschapsgenese in beeld te brengen is gebruik gemaakt van bodemkaarten en geologische en geomorfologische kaarten. Met behulp hiervan worden de bodem en het landschap beschreven. Onderdeel van deze studie vormt een analyse van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Tabel 2.1
Aardwetenschappelijke informatie
Bron Geologie
Geomorfologie Bodemkunde AHN
Informatie Formatie van Naaldwijk, Hollandveen Laagpakket op Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer op Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. Ontgonnen veenvlakte (M81) Plaseerdgronden (Wo) en Vlierveengronden (Vr) 6,4 m -NAP
Hierbij is gebruik gemaakt van relevante informatie uit enkele recent uitgevoerde bureauonderzoeken in de nabije omgeving 3
9 (22)
Afbeelding 2-1 Geologische doorsnede onderzoeksgebied
Het plangebied is in een kom in het veenweidegebied gelegen, onderdeel van het westelijk veengebied.4 Afzettingen uit het Holoceen liggen hier aan het maaiveld. Afzettingen uit het Weichselien (dekzanden, Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden) bevinden zich vanwege de ontginning van het gebied binnen 2,5 à 3 m -mv. Dit dekzand is het maaiveld uit het Pleistoceen ontstaan na de laatste ijstijd (het Weichselien). Vanwege het veranderende klimaat aan het einde van het Pleistoceen en het begin van het Holoceen kon op dit dekzand een veenpakket vormen (Basisveen, Formatie van Nieuwkoop). Door de gestegen zeespiegel in het Atlanticum en Vroeg-Subboreaal verschoof de kustlijn landinwaarts en zijn op het veenpakket mariene sedimenten afgezet (Laagpakket van Wormer, Formatie van Naaldwijk). Het landschap bestond uit een wadden- en kweldergebied met getijdegeulen en kreken. Tijdens periodes van transgressie (relatief grotere zeespiegelstijging) verschoof de kustlijn landinwaarts. In periodes van regressie heerste een relatief stabiele situatie waardoor in de top van de getijdeafzettingen bodemontwikkeling kon plaatsvinden. Door het sluiten van de strandwallen langs de kustlijn vanaf het Midden-Subboreaal verslechterde de afwatering in het achterland. Vanuit de lager gelegen delen van het landschap werden grote delen van laag maar uiteindelijk ook hoog Nederland bedekt met veen.
Het veenpakket werd vanaf de Middeleeuwen ontgonnen voor de turfwinning en is daarmee grotendeels verdwenen.
4
Berendsen, 2008
10 (22)
Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied in een ontgonnen veenvlakte (code 2M81ykd). Ten westen van het plangebied liggen enkele kreekruggen (code B71). Bodems in het plangebied zijn gekarteerd als Plaseerdgronden en Vlierveengronden. Dit zijn moerige eerdgronden ontstaan door de turfwinning en ontginning. De bovengrond (20 à 40 cm) bestaat uit humusrijke tot venige klei of kleiige veen met eventueel een laag restveen. Hieronder bevindt zich katteklei en vervolgens ongerijpte klei. Op het AHN3 zijn ook in het plangebied enkele kreekruggen goed te onderscheiden (afbeelding 2-2). Dit zijn dichtgeslibde kreekgeulen die tijdens het door inversie en de turfwinning aan of dicht onder het maaiveld zijn komen te liggen.
Afbeelding 2-2 Hoogtekaart met plangebied op basis van het AHN3
2.3 Archeologische waarden Om de reeds bekende archeologische waarden in beeld te krijgen, zijn diverse bronnen geraadpleegd, zoals de Archeologische Monumentenkaart, Archis 3 en de archeologische verwachtingskaart van het betreffende gebied. 2.3.1 Overheidsbeleid De gemeente De Ronde Venen heeft in 2017 een archeologische waarden- en verwachtingenkaart en een beleidskaart laten opstellen door Vestigia.5 Volgens de eerstgenoemde kaart is het plangebied in het krekengebied gelegen met een verwachting op archeologische resten in het Laagpakket van Wormer (vanaf het maaiveld). Beleidscategorie 5 is van toepassing. Bij ingrepen groter dan 2.000 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakeljik.
5
van Heeringen et al. 2017.
11 (22)
Afbeelding 2-3: Plangebied geprojecteerd op het de archeologische beleidskaart (Bron: Van Heeringen et al. 2017).
In de vigerende bestemmingsplannen is geen archeologisch beleid opgenomen. 2.3.2 Archeologische Monumenten De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van belangrijke archeologische terreinen in Nederland. In het plangebied zijn geen AMK-terreinen geregistreerd. De ontginningslinten en historische kernen van Mijdrecht, Wilnis, Waverveen en Vinkeveen (zie paragraaf 2.4) zijn AMK-terreinen van hoge archeologische waarden. Deze liggen echter op meer dan 500 meter afstand op relatief hoger gelegen kreekruggen (zie bijlage 2). 2.3.3 Archeologische vondstlocaties In Archis 3 staan binnen het plangebied geen archeologische vondstlocaties geregistreerd. De meeste vondstlocaties in de omgeving zijn gerelateerd aan de veenontginningslintdorpen. Ten westen van het onderhavige plangebied liggen echter ook twee archeologische vondstlocaties (zie tabel 2-2). De vondsten zijn gedaan tijdens onderzoeken die in paragraaf 2.3.4 worden toegelicht. Tabel 2-2
Vondstlocaties in het onderzoeksgebied
Zaakidentificatie
Complex
Aard/verwerving
Datering
2407996100
Keramiek en bouwmateriaal
Booronderzoek (BAAC/2013)
Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd
2433761100
Bouwkeramiek en gebruiksaardewerk gerelateerd aan een stadsafval uit Amsterdam
Proefsleuvenonderzoek (BAAC/2014)
Late Middeleeuwen BNieuwe tijd
12 (22)
2.3.4 Archeologische onderzoeksmeldingen In Archis 3 staat het plangebied binnen een groter onderzoeksmelding geregistreerd (zie tabel 2-4). Binnen het onderzoeksgebied liggen nog vier archeologische onderzoeksmeldingen. Tabel 2-4
Onderzoeksmeldingen in het onderzoeksgebied
Zaakidentificatie
Type onderzoek
Locatie/toponiem
Resultaat/advies
2395992100
Verkennend booronderzoek/BAAC (2013)
Maricken/Wilnis
Karterend booronderzoek en proefsleuvenonderzoek
2407996100
Booronderzoek BAAC(2013)
Marickenzijde/Wilnis
Vrijgave kreekruggen, proefsleuvenonderzoek locatie boerderij
2433761100
Proefputten (BAAC/2014)
Marickenzijde/Wilnis
Vervolgonderzoek/ (vrijgave door ODMU)
4672691100
Bureauonderzoek (Sweco, 2019)
Wilnis
Verkennend booronderzoek kreekruggen
4680094100
Booronderzoek (Sweco, 2019)
Wilnis
Vrijgave, indien ingrepen tot (in) het dekzand plaatsvinden dient karterend booronderzoek plaats te vinden.
4929307100
Bureauonderzoek (Bureau voor archeologie, 2020)
Vinkeveen
Nog niet beschikbaar/afgemeld
In 2013 is een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennend) uitgevoerd door BAAC (ZAAK ID: 2395992100).6 Het onderhavige plangebied valt binnen het onderzoeksgebied van het bureauonderzoek. Op basis van het AHN bevonden zich in het plangebied niet-geëgalsieerde kreekruggen. Deze hebben een middelhoge verwachting op resten uit het Midden- en/of Laat-Neolithicum. Restveen heeft deze kreekruggen mogelijk goed afgedekt. Overige delen van het gebied, lager gelegen, waren vanaf het Mesolithicum te nat voor bewoning en hebben een lage archeologische verwachting. De top van het dekzand bevindt zich op 2,5 à 3 m -mv. beneden maaiveld. BAAC heeft geadviseerd een verwachting op te nemen in het bestemmingsplan voor dit pleistocene maaiveld. Het veengebied was tot in de Middeleeuwen onbewoonbaar. In het westelijke deel van het plangebied stond in de Nieuwe tijd, op een eiland van restveen, een boederij. De polder waarin het plangebied is gelegen is in de Nieuwe tijd (1879) drooggelegd. De boerderij is hierbij vermoedelijk gesloopt. De Wilnisse Zuwe was een verkavelingsas. Verwacht dat hier nog resten van boerderijen of huisplaatsen aanwezig waren uit de Middeleeuwen – Nieuwe tijd, mits de bodems niet te diep verstoord zijn tijdens de drooglegging. In totaal zijn 111 verkennende boringen uitgevoerd.
Deze zijn het westelijke van het onderzoeksgebied geplaatst en daarmee buiten het onderhavige plangebied. Tijdens het verkennend booronderzoek zijn kreken in kaart gebracht die een rietveenpakket doorsnijden. Deze hebben een middelhoge (afgetopt) tot hoge archeologische toegekend gekregen. Ter plekke van de de vermoedelijk boerderij zijn aan het maaiveld diverse fragmenten bouwmateriaal aangetroffen. Door BAAC is karterend aanbevolen ter plaatse van de kreekruggen en een proefsleuvenonderzoek ter hoogte van de vermoedelijke boerderijplaats.
6
Kalisvaart 2013.
13 (22)
Tijdens het karterend booronderzoek (ZAAK ID 2407996100) zijn er geen aanwijzingen aangetroffen voor neolithische bewoning op deze kreekruggen. Op de kavel waar boerderij gestaan heeft zijn tijdens het booronderzoek vondsten uit de periode 1700-1750 aangetroffen. Vanwege herverkaveling en drooglegging is waarschijnlijk veel van de boederij verloren gegaan. Maar aangezien resten niet uitgesloten konden worden is proefsleuvenonderzoek uitgevoerd ter plaatse van deze kavel (ZAAK ID: 2433761100). Hierbij is vastgesteld dat bij de turfwinning verstoringen tot in de getijdenafzettingen hebben plaatsgevonden. In een laag bolster en in de bouwvoor zijn bouwkeramiek en gebruikskeramiek aangetroffen. Dit is waarschijnlijk stadsafval uit de stad Amsterdam. Er zijn geen resten gerelateerd aan de turfschuur teruggevonden. Door BAAC is geadviseerd aanvullend proefsleuvenonderzoek uit te voeren. De Omgevingsdienst Utrecht heeft het plangebied vrij gegeven omdat uit de onderzoeken is gebleken dat het veenpakket niet meer intact is en hierin geen intacte archeologische waarden verwacht worden. Ten noordwesten van het plangebied is door Sweco een bureauonderzoek ( ZAAKD ID: 4672691100) en een booronderzoek (ZAAK ID: 4680094100) uitgevoerd. De kreekruggen in het plangebied hadden op basis van de archeologische beleidsadvieskaart een verwachting op resten uit het Midden- tot Laat-Neolithicum.
Geadviseerd is om haaks op de aanwezige kreekruggen boorraaien uit te voeren om de mate van verstoring en archeologische verwachting te toetsen. Tijdens het het booronderzoek is een klei-op-veen op dekzand bodem waargenomen. In de top van het dekzand is plaateslijk een A-horizont waargenomen. De kreekruggen bestaande uit matig tot uiterst siltige klei hebben zich na inklinking van het veen relatief hoger in het landschap afgetekend. De kalkloze klei, gelijkaardig aan de kreekruggen aangetroffen in het nabijgelegen onderzoek van BAAC was ontkalkt maar waarschijnlijk dusdanig slap dat permanente bewoning niet mogelijk was. Bovendien waren de kreken smal en in een uitgestrekt veengebied gelegen. Geadviseerd is het plangebied vrij te geven. 2.3.5 Samenvatting archeologische waarden In de directe omgeving van het plangebied zijn een aantal onderzoeken uitgevoerd die zich voornamelijk hebben gericht op de archeologische waarden ter plaatse van de kreekruggen (Laagpakket van Wormer, Formatie van Naaldwijk). Bewoning van kreekruggen vond plaats in het Midden en Laat Neolithicum in westelijk Nederland. Dit blijkt onder andere uit de vindplaats Mijdrecht-Den Hoeff (Zaak ID 287120110). Maar deze getijdengeul was waarschijnlijk uitgesprokener aanwezig en groter van omvang. 7 Het landschap in de omgeving van Wilnis bestond uit een rietveenmoeras doorsneden door vele kleinere kreken.
Vondstlocaties of aanwijzingen voor bewoning in het Midden en Laat-Neolithicum ontbreken vooralsnog. Tot aan de Middeleeuwen was het plangebied niet geschikt voor permanente bewoning vanwege de vernatting en het uitgestrekt veenmoeras. Archeologische waarden gerelateerd aan de Middeleeuwse bewoning op het veenpakket en eventuele ontginningsassen zijn niet in het onderzoeksgebied aangetroffen. Bovendien is het veenpakket met de drooglegging en de grootschalige ontginningen in de Nieuwe tijd grotendeels verdwenen. Bij de turfwinning hebben verstoringen tot in het Laagpakket van Wormer plaatsgevonden.
7
Schrijvers/Van Heeringen 2016.
14 (22)
2.4 Historische situatie 2.4.1 Oude kaarten Voor het schetsen van de historische situatie en het landgebruik in het onderzoeksgebied is gebruik gemaakt van de kadastrale minuut 1811-1832, de Bonnebladen en topografisch kaartmateriaal van rond 2020. Uit de kadastrale minuut 1811-1832 blijkt dat het plangebied grotendeels uit langgerekte petgaten en legakkers bestaat. De ontginning van de Ronde Venen vond in eerste instantie plaats vanaf oeverwallen langs rivieren en waterlopen in de omgeving. Bewoning concerteerde zich op deze relatief hoger gelegen delen van in het landschap. In het ontgonnen gebied waren op enkele percelen opstallen gevestigd. Binnen het plangebied waren deze niet aanwezig (afbeelding 2-4). In 1850 is het plangebied onderdeel van de Zuidpolder (afbeelding 2-5).
Afbeelding 2-4 Plangebied geprojecteerd op de kadastrale minuut 1811-1832 (Bron: hisgis.nl)
15 (22)
Afbeelding 2-5 Plangebied geprojectered op de topografisch militaire kaart 1850
De perceelsstructuur is in 1875 verdwenen met het droogmalen van de Ronde Venen. In de droogmakerij Groot Mijdrecht komen de smalle percelen niet meer voor. Het land is verkaveld in groter rechthoekige percelen met haaks op elkaar staande wegen, vaarten en waterkeringen. Langs de rechte polderwegen liggen de huizen en de boerderijen op de kop van de kavels. Uit de Bonnenbladen (Afbeelding 2-6) blijkt dat er in deze periode geen bebouwing aanwezig is in of nabij het plangebied.
16 (22)
Afbeelding 2-6 Plangebied geprojecteerd op de Bonnebladen (1900)
Vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw breidt de bebouwing langs de Mijdrechtse Dwarsweg (ten noorden van het plangebied) zich uit. Deze bebouwing ligt buiten het plangebied. Aan het begin van de 21ste eeuw is begonnen met de realisatie van de woonwijk die ten westen aan het plangebied grenst. Volgens de molendatabase heeft in en nabij het plangebied geen molen gestaan. 8 2.4.2 Cultuurhistorische Waarden In de Cultuurhistorische Atlas van de gemeente Utrecht zijn verschillende kaarten met informatie over historische buitenplaatsen, cultuurhistorische waarden en archeologie opgenomen. 9 Het plangebied ligt in De Venen. Een gebied waar de landschapsinrichting zich kenmerkt door grootschalige 12de-eeuwse ontginningen, latere turfwinning en 19deeeuwse droogmakerijen. De ontginningspatronen met boerderijstroken weerspiegelen de rationaliteit van landinrichting door de eeuwen heen. In De Venen is in de 17de en 18de eeuw turf gewonnen. De turfwinning heeft geresulteerd in een gebied met verbreed slotenpatroon, legakkers en petgaten. In de 19de eeuw zijn in het noorden droogmakerijen gerealiseerd, waarbij de middeleeuwse lagen zijn afgegraven. Hierdoor kwamen kreekruggen en getijdengeulen aan de oppervlakte. Er bevinden zich in of nabij het plangebied geen archeologische of landschappelijke structuren van belang.
8
www.molendatabase.nl, geraadpleegd op 07-07-2021.
9
https://utrecht.maps.arcgis.com/apps/MapAndAppGallery/index.html?appid=c25fa592c03d43358b672471ac9f023d , geraadpleegd op 07-07-2021
17 (22)
2.4.3 Militair-historische gegevens De provincie Utrecht heeft een themakaart Militair Erfgoed opgenomen in de Cultuurhistorische Atlas. Hieruit blijkt dat het plangebied binnen een voormalig inundatieveld van de Oude Hollandse Waterlinie is gelegen. Tussen 1883 en 1914 werd de Stelling van Amsterdam aangelegd. De Stelling bestaat uit een cirkel van inundatiegebieden (stukken land die onder water konden worden gezet om een onbegaanbare barrière te creëren voor de vijand) en daarachter gelegen forten rondom Amsterdam. In de omgeving bevindt zich geen andere infrastructuur gerelateerd aan vestingen, bastions of de Limes. In het nabijgelegen Mijdrecht is een opslag en mobilisatiecomplex uit de Koude Oorlog aanwezig. Ook uit de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed 10 blijkt dat in en nabij het plangebied geen militaire infrastructuur is gelegen en ook zijn er geen veldslagen bekend. Bij Uithoorn bevond zich de stelling van Amsterdam (4,5 km ten westen van het plangebied) en op 5 km ten oosten van het plangebied bevond zich de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Hintere Wasserstellung, een stelling uit de Tweede Wereldoorlog. Voor informatie over mogelijke ontplofbare oorlogsresten binnen het plangebied wordt verwezen naar een separaat uitgevoerd en gerapporteerd onderzoek.
11 2.5 Ondergrondse bouwhistorische waarden en mogelijke verstoringen Verstoringen kunnen zijn opgetreden bij de turfwinning en drooglegging van het veenweidegebied. Het raadplegen van de Verstoringsbronnenkaart van de RCE heeft ook aangegeven dat de bodems hier meer dan 40 cm diep zijn verstoord.12
https://www.ikme.nl/ikmekaart.html Sanders 2021. 12 Geraadpleegd via https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=Verstoringsbronnenkaart 10 11
18 (22)
3
Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van de landschappelijke ontwikkeling van het gebied, en de bekende archeologische en historisch-geografische waarden is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Volgens de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart ligt het plangebied in een zone aangeduid met Waarde - Categorie 5. Dat betekent dat bij bodemingrepen groter dan 2.000 m2 en dieper dan 30 cm -mv archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voor het plangebied geldt een lage trefkans voor resten uit het Laat-Paleolithicum tot Midden-Neolithicum. Binnen het plangebied wordt het dekzand verwacht op een diepte van ca. 3 m -mv (met geplande ingrepen tot ca. 1-1,5 m -mv). Eventuele resten uit deze periode bestaan uit sporen van jachtkampjes van jagerverzamelaars met een spreiding van vuursteen. Onbekend is of het top van het dekzand intact of verspoeld is. Vanwege de turfwinning in het gebied is een systeem van kreekruggen aan het maaiveld of direct onder het maaiveld aanwezig (Laagpakket van Wormer, Formatie van Naaldwijk). Deze kreekruggen en hun directe omgeving hebben een middelhoge archeologische verwachting voor het Midden- tot Laat-Neolithicum tot aan de periode van de grote veenvorming in de Bronstijd.
Mogelijke archeologische resten houden verband houden met menselijke bewoning en activiteit, en kunnen bestaan uit vondsten van aardewerk of vuursteen, en sporen zoals paalkuilen en afvalkuilen. Een eventueel bewoningsniveau in de top van de kreekruggen is te herkennen aan een archeologische laag en vegetatiehorizont. Deze sporen kunnen direct vanaf het maaiveld worden aangetroffen, met name op de hoger gelegen delen binnen het plangebied, de kreekruggen. Voor de periode vanaf de Bronstijd t/m de Nieuwe Tijd geldt een lage archeologische verwachting.
19 (22)
4
Conclusie en advies
4.1 Beantwoording onderzoeksvragen Met de bevindingen en resultaten uit het bureauonderzoek kunnen de onderzoeksvragen worden beantwoord. • Welke archeologische waarden zijn in het plangebied aanwezig of kunnen aanwezig zijn? Op welke diepte t.o.v. maaiveld kunnen deze worden verwacht en op welke wijze lopen deze verwachte waarden een risico op verstoring/vernietiging door de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden? Het plangebied bevindt zich in de polder Groot-Mijdrecht. Het oorspronkelijk veenpakket – dat enkele meters dik moet zijn geweest - is in deze polder tot het Laagpakket van Womer ontgonnen. Het oude zeekleilandschap met kreken en oeverwallen ligt aan het maaiveld. Het plangebied heeft volgens de gemeentelijke beleidsadvieskaart een middelhoge verwachting op archeologische waarden uit het Midden en Laat-Neolithicum. Bewoning heeft zich in deze tijd geconcentreerd ter plaatse van de oeverwallen. Uit eerdere onderzoeken in de omgeving is echter gebleken dat deze kreken en oeverwallen in de polder Groot-Mijdrecht van een kleine omvang zijn en in de ruggen heeft geen tot weinig bodemontwikkeling plaatsgevonden.
Een inventariserend veldonderzoek (verkennend en karterend booronderzoek) en proefsleuvenonderzoek dat direct ten westen van het plangebied is uitgevoerd heeft aangewezen dat de archeologische verwachting van het Laagpakket van Wormer binnen de polder Groot-Mijdrecht laag is. Een tweede verkennend booronderzoek dat is uitgevoerd ten noordwesten van het plangebied heeft dezelfde resultaten opgeleverd. Hoewel onderzoeksresultaten niet direct één op één naar nabij gelegen percelen kunnen worden vertaald, wordt de polder als voldoende onderzocht beschouwd. Binnen de polder kan het dekzandlandschap, met een archeologische verwachting op resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum binnen 2,5 m -mv worden verwacht. In de top van dit dekzand heeft bodemontwikkeling plaatsgevonden. Aangezien het plangebied wordt opgehoogd ten behoeve van de geplande woningbouw wordt de kans op verstoring van dit dekzand klein geacht.
• Is het plangebied voldoende onderzocht. Zo nee, welke vorm van nader archeologisch
onderzoek wordt geadviseerd? Het plangebied is voldoende onderzocht. Indien er bodemingrepen plaatsvinden tot in de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Wierden) dan dient archeologisch vervolgonderzoek plaats te vinden. 4.2 Conclusie In opdracht van BPD heeft Sweco een archeologisch bureauonderzoek verricht naar aanleiding van de geplande ontwikkeling van een nieuwe woonwijk in de polder GrootMijdrecht ten noorden van Wilnis. Het plangebied ligt in het Hollandse veenweidegebied en heeft volgens de gemeentelijke beleidskaart een middelhoge verwachting op resten uit het Midden en Laat-Neolithicum. Binnen het onderzoeksgebied zijn geen bekende archeologische waarden uit de periode Laat-Paleolithicum – Nieuwe tijd bekend. Op basis van eerder uitgevoerde onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied wordt de kans op het aantreffen van archeologische waarden ook laag geschat. De kans dat de geplande ontwikkeling archeologische waarden uit het Midden- en Laat-Neolithicum verstoord is daarmee ook laag.
20 (22)
4.3 Advies Op basis van de bekende gegevens en de gespecificeerd archeologische verwachting adviseert Sweco het gebied vrij te geven bij ingrepen tot 2,5 m -mv onder het huidige maaiveld, omdat de kans op het aantreffen van archeologische waarden uit het Midden- en Laat-Neolithicum laag is. Indien in de toekomst diepere ingrepen plaatsvinden die de top van het onderliggende dekzand verstoren wordt geadviseerd een verkennend booronderzoek te verrichten. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden toch onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de minister verplicht (vondstmelding via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).13 De bevoegde overheid neemt op basis van dit rapport een (selectie)besluit. De mogelijkheid bestaat dat dit besluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.
13
https://formulier.cultureelerfgoed.nl/archis/vondstmeldingsformulier
21 (22)
Literatuurlijst en gebruikte bronnen 4.4
Literatuur
Berendsen, H.J.A., 2008. Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio’s. Assen. Heeringen, R.M. van, R. Schrijvers, C.A. Visser, W.J. Weerheijm, 2017. Herziening van de archeologische beleidskaart van de gemeente De Ronde Venen 2016. Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie, rapportnummer V1385, Amersfoort. Kalisvaart, C.C., 2013. Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). BAAC Rapport V-13.002. Mulder, E.F., 2004. De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff. Sanders, E., 2021. Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten Maricken fase II. Sweco referentienummer NL21-648800269-854. Schrijvers, R./R.M. van Heeringen, 2016. Geo-archeologische boringen naar de ligging van getijdekreken behorende tot het Laagpakket van Wormer in vijf polders rond Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen. Geologische boringen in het kader van de herijking van de archeologische beleidskaart van de gemeente De Ronde Venen. Amersfoort. Vestigia rapport V1402. 4.5
Internet bronnen
www.ahn.nl archis.cultureelerfgoed.nl www.bodemloket.nl www.dinoloket.nl www.ikme.nl www.molendatabase.nl www.pdok.nl rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=Verstoringsbronnenkaart www.topotijdreis.nl https://utrecht.maps.arcgis.com/apps/MapAndAppGallery/index.html?appid=c25fa592c03d4 3358b672471ac9f023d