CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 bestemmingsplan 1e herziening Buitengebied-West -Toelichting

Politieke commissie 15 februari 2023, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan 1e herziening Buitengebied-West24.532 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Uitspraak 201903497/1/R4

5

dient te worden vernietigd wegens strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. 13. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking, omdat deze zijn gericht tegen de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing die de raad ten grondslag heeft gelegd aan het bestemmen van de woning [locatie 2] als plattelandswoning. 14. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van deze uitspraak het verzoek om planologische medewerking voor het omzetten van de bedrijfswoning op het perceel [locatie 2] naar een plattelandswoning opnieuw te beoordelen en indien de raad tot de conclusie komt dat een plattelandswoning aanvaardbaar is, de woning als zodanig te bestemmen. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen. Het beroep van [appellant sub 2] 15. [appellant sub 2] woont op het perceel [locatie 3]. Hij komt in beroep op tegen de ligplaats voor een historisch schip in de nabijheid van zijn perceel, vanwege de gevolgen hiervan voor zijn woon- en leefklimaat. Daarnaast wenst hij ruimere planologische mogelijkheden voor zijn eigen gronden. Ligplaats [locatie 4] 16. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de aanduiding "specifieke vorm van water historisch schip" voor de gronden met de bestemming "Water" nabij [locatie 4].

Ter plaatse voorziet het plan in een ligplaats voor het historisch schip "De Verliefd". [appellant sub 2] betoogt dat de ligplaats leidt tot een aantasting van zijn uitzicht en hij vreest voor ontsiering van het omliggende landschap. Het is volgens [appellant sub 2] onjuist dat het schip vanuit historisch oogpunt waardevol is en dat het een relatie heeft met de woning op het perceel [locatie 4]. Het schip in kwestie is slechts een casco van een historisch vrachtschip. Niet is uitgesloten dat uiteindelijk een heel ander schip ter plaatse ligplaats neemt, aldus [appellant sub 2]. 16.1. Anders dan de raad heeft gesteld, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 2] geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb bij het bestreden plandeel voor de ligplaats. De ligplaats bevindt zich op een afstand van ongeveer 40 m ten noordoosten van de woning van [appellant sub 2], zodat zijn belang rechtstreeks is geraakt door dit besluitonderdeel. 16.2. De raad heeft toegelicht dat voorzien is in de bestreden ligplaats vanwege de cultuurhistorische waarde van het vrachtschip "De Verliefd". Dit schip is ingeschreven in het register van de "Federatie Varend Erfgoed Nederland" (hierna: FVEN).

Voor een inschrijving in het register worden volgens de raad strenge criteria gehanteerd, zodat ervan uit kan worden gegaan dat het schip vanuit historisch oogpunt waardevol is. De eigenaar van het schip heeft een restauratieplan dat is gebaseerd op de historische bouwtekeningen, en goedgekeurd door de FVEN. Er is volgens de raad geen sprake van een situatie waarin het de eigenaar vrijstaat om te doen wat hij wenst met het historisch casco van het schip. Als de eigenaar niet voor 2022 de restauratie afrondt of het schip verbouwt anders dan overeenkomstig het restauratieplan, kan [appellant sub 2] een verzoek om handhaving indienen, aldus de raad. 16.3. Aan de gronden met de bestemming "Water" ten westen van het perceel [locatie 4] is de aanduiding "specifieke vorm van water - historisch schip" toegekend.

Uitspraak 201903497/1/R4

6

Volgens de definitiebepalingen van de planregels (artikel 1, lid 1.54) wordt onder "historisch schip" verstaan: "een (gewezen) vaartuig dat als varend monument hetzij als historisch casco is ingeschreven in het Register Varend Erfgoed Nederland van de Federatie Varend Erfgoed Nederland". In artikel 24, onder 24.1, aanhef en onder e, van de planregels staat dat de gronden met de bestemming "Water", ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - historisch schip" zijn aangewezen voor een ligplaats voor een historisch schip. In lid 24.4 is vastgelegd dat permanente of recreatieve bewoning van het historisch schip als bedoeld in lid 24.1, onder e, niet is toegestaan. 16.4. De aanduiding "specifieke vorm van water - historisch schip" is vastgelegd op de verbeelding bij gewijzigde vaststelling van het plan naar aanleiding van de zienswijze van de eigenaar en bewoner van het perceel [locatie 4], ook de eigenaar van het schip. In reactie op dit verzoek vermeldt de Nota van Zienswijzen dat het vaartuig De Verliefd is ingeschreven als "varend erfgoed" in het register van de FVEN. Een vermelding op deze lijst betekent dat het schip een bijzondere cultuurhistorische waarde heeft en beeldbepalend was op de Nederlandse wateren. Het vaartuig De Verliefd behoort historisch thuis in het gebied.

Dergelijke schepen werden in de gemeente gebruikt om zuivel of andere producten te transporteren. Het schip heeft hierdoor een directe relatie met het agrarisch verleden en is geschiedkundig bezien passend in De Hoef en de gemeente, aldus de Nota van zienswijzen. 16.5. [appellant sub 2] heeft zijn stelling dat de ligplaats het vaarverkeer op de Kromme Mijdrecht ernstig zal belemmeren niet nader gemotiveerd. Alleen al hierom slaagt dit betoog niet. De Afdeling laat in het midden of dit betoog zou kunnen slagen gelet op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb. 16.6. Uit de hiervoor weergegeven planregels volgt dat de gronden van de ligplaats mogen worden gebruikt als ligplaats voor een historisch schip dat is ingeschreven in het register van de FVEN. Permanente en recreatieve bewoning van het schip zijn niet toegelaten, zodat de vrees van [appellant sub 2] dat het schip daarvoor zal worden gebruikt, ongegrond is. In wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat een historisch schip op de desbetreffende locatie ernstige gevolgen zal hebben voor zijn uitzicht en dat de ligplaats afbreuk doet aan de belevingswaarde van het omliggende landschap.

De Afdeling betrekt bij dit oordeel de afstand tot de woning van [appellant sub 2] van ongeveer 40 m in samenhang met de oppervlakte van de ligplaats van ongeveer 50 m² (15 m bij 3,5 m). [appellant sub 2] heeft de toelichting van de raad over de historische waarde van De Verliefd, die ook blijkt uit de inschrijving in het FVEN-register, niet gemotiveerd bestreden. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gaat om een vanuit historisch oogpunt waardevol schip. Wat Weiman heeft aangevoerd over het ontbreken van een relatie tussen het schip en de woning [locatie 4] behoeft geen bespreking, omdat dit niet een dragend onderdeel is van de motivering van de aanvaardbaarheid van het bestreden plandeel. Maar [appellant sub 2] stelt terecht dat in het plan niet is geborgd dat de ligplaats alleen is bedoeld voor De Verliefd of een daarmee vergelijkbaar historisch schip. Uit onder meer de Nota van zienswijzen volgt dat de raad heeft beoogd te voorzien in een ligplaats voor het specifieke schip "De Verliefd", althans een schip dat een directe relatie heeft met het agrarisch verleden van De Hoef of de gemeente De Ronde Venen.

Uit artikel 24, onder 24.1, aanhef en onder e, van de planregels, bezien in samenhang met artikel 1, lid 1.54, volgt dat ieder schip dat geregistreerd is in het FVENregister ligplaats mag nemen ter plaatse van de aanduiding, ongeacht of er een historische

Uitspraak 201903497/1/R4

7

relatie is met het gebied. Niet is gebleken dat de raad dit heeft beoogd. Gelet hierop is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt. Planregeling [locatie 3] 17. Aan het noordelijke deel van het perceel van [appellant sub 2], [locatie 3], is de bestemming "Tuin - Landschappelijk" toegekend en aan het zuidelijke deel de bestemming "Wonen", met de aanduiding "bouwvlak". De woning van [appellant sub 2] is gesitueerd op het zuidelijke deel van het perceel. Op het zuidelijke deel van het perceel van [appellant sub 2] en de aangrenzende percelen (lokaal bekend) [locatie 5] en [locatie 6], die eigendom zijn van derden, is op de verbeelding voorzien in één - integraal - bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen", met de aanduidingen "bouwvlak" en "maximum aantal wooneenheden = 3". Niet in geschil is dat daardoor de drie bestaande woningen op de percelen [locatie 5], [locatie 3] en [locatie 6] als zodanig zijn bestemd. 18. [appellant sub 2] betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met afdeling 3.4 van de Wro. Het noordelijke deel van zijn perceel was in het ontwerpplan bestemd voor "Wonen", met dien verstande dat voor deze gronden niet was voorzien in de aanduiding "bouwvlak".

Bij het vaststellen van het plan heeft de raad de bestemming van het noordelijke deel gewijzigd in "Tuin - Landschappelijk". Volgens [appellant sub 2] had de raad gelet op de aard en omvang van deze wijziging opnieuw een ontwerpplan ter inzage moeten leggen. 18.1. De raad kan bij het vaststellen van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Alleen als de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, moet de wettelijke procedure opnieuw worden doorlopen. De raad heeft in dit geval de planregeling voor het noordelijke deel van het perceel van [appellant sub 2] gewijzigd vastgesteld. De bestemming van deze gronden is gewijzigd van "Wonen" (zonder bouwvlak) naar "Tuin - Landschappelijk". Deze afwijking van het ontwerp is naar aard en omvang niet zo groot is dat een wezenlijk ander plan voorligt. Het betoog dat de raad gelet op deze wijziging opnieuw een ontwerpplan ter inzage had moeten leggen, slaagt niet. 19. [appellant sub 2] betoogt dat de bestemming "Tuin - Landschappelijk" voor het noordelijke deel van zijn perceel tot gevolg heeft dat de bestaande legale bebouwing op deze gronden onder de werking van het overgangsrecht is gebracht, terwijl is uitgesloten dat de aanwezige bouwwerken in de toekomst zullen worden verwijderd. 19.1.

Volgens de raad heeft de bestemming "Tuin - Landschappelijk" voor het noordelijke deel van het perceel van [appellant sub 2] niet tot gevolg dat bestaande rechtmatig aanwezige bouwwerken onder de werking van het overgangsrecht zijn gebracht. De blokhut die op deze gronden staat is geplaatst op het moment dat het vorige planologische regime in werking was. Op grond daarvan gold voor deze gronden een agrarische bestemming. De blokhut was al in strijd met de gebruiksregels van het vorige bestemmingsplan. Er is daarom sprake van het voortzetten van een planologisch strijdig gebruik, aldus de raad. 19.2. Niet in geschil is dat de gronden die nu zijn bestemd voor "Tuin - Landschappelijk" voorheen een agrarische bestemming hadden, zonder bouwvlak. Volgens de plantoelichting mocht op de in het vorige plan als agrarisch bestemde gronden alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd. Hiermee werd beoogd de openheid van het landschap te waarborgen. Bij het actualiseren van het bestemmingsplan is geconstateerd dat op een aantal locaties voormalige agrarische gronden in gebruik zijn genomen als tuin bij aangrenzende woningen.

Uitspraak 201903497/1/R4

8

Omdat het onrealistisch is dat het agrarisch gebruik hier nog terugkeert, is in dit bestemmingsplan de keuze gemaakt om de betreffende gronden als "Tuin - Landschappelijk" te bestemmen. Daarbij weegt mee dat het gebruik als tuin een zeer beperkte invloed heeft op de omgeving. Dat geldt echter niet voor situaties waarin bebouwing wordt gerealiseerd. Om deze reden is voor de desbetreffende stroken grond een specifieke tuinbestemming opgenomen, waarmee wel het gebruik als tuin wordt toegestaan maar waarmee bebouwing tegelijkertijd slechts zeer beperkt mogelijk wordt gemaakt. Gezien deze landschappelijke afweging is in de betreffende bestemming vastgelegd dat deze gronden niet als erf aangemerkt kunnen worden in het kader van vergunningvrij bouwen, aldus de plantoelichting. Dit algemene uitgangspunt dat de raad heeft gehanteerd bij het herbestemmen van voorheen agrarische gronden (zonder bouwvlak) overeenkomstig het bestaand gebruik als tuin met beperkte bouwmogelijkheden, is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. 19.3. [appellant sub 2] heeft niet nader toegelicht op welke concrete bouwwerken zijn betoog betrekking heeft. In zijn beroepschrift maakt hij alleen melding van een blokhut en daarnaast heeft hij een aantal foto’s overgelegd van de gronden die thans zijn bestemd als "Tuin Landschappelijk". Op deze foto’s is een blokhut te zien, zijnde een gebouw.

Daarnaast is sprake van bouwwerken die mogelijk gekwalificeerd kunnen worden als speeltoestellen. [appellant sub 2] heeft niet bestreden dat op het moment dat deze bouwwerken zijn gerealiseerd het vorige planologische regime van kracht was. Voor zover voorheen sprake was van vergunningvrije bouwwerken op agrarische gronden, bijvoorbeeld speeltoestellen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 11 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor), is dit gebruik eveneens vergunningvrij onder de bestemming "Tuin - Landschappelijk". Voor het overige geldt dat voor zover sprake is van strijdig gebruik van deze gronden voor woondoeleinden, een dergelijk gebruik eveneens in strijd was met de voorheen geldende agrarische bestemming. [appellant sub 2] heeft zijn stelling dat hij door een ambtenaar van de gemeente is geadviseerd een blokhut op zijn gronden te plaatsen niet nader onderbouwd, zodat alleen al hierom geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat in zoverre sprake is geweest van gewekt vertrouwen waarnaar [appellant sub 2] gerechtvaardigd heeft gehandeld. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de bestemming "Tuin - Landschappelijk" voor het noordelijke deel van het perceel van [appellant sub 2] tot gevolg heeft dat bestaand rechtmatig gebruik niet als zodanig is bestemd. Het betoog slaagt niet. 20.

[appellant sub 2] betoogt dat de raad voor zijn gehele perceel had moeten voorzien in de bestemming "Wonen" of "Wonen - Bebouwingsconcentraties", met uitbreiding van het bouwvlak in het noordelijke deel, zodat hij een grotere woning kan bouwen, althans zijn woonbebouwing kan uitbreiden. Het perceel [locatie 3] en de omliggende percelen [locatie 5] en [locatie 6] maakten voorheen deel uit van één agrarisch perceel, met bouwvlak en bijbehorende bedrijfswoningen. Het perceel [locatie 3] is in het verleden echter kadastraal afgesplitst van de percelen [locatie 5] en [locatie 6]. Volgens [appellant sub 2] is in een aantal andere situaties voor percelen die voorheen deel uitmaakten van een agrarisch bedrijf, maar nu in gebruik zijn voor reguliere woondoeleinden, voorzien in de bestemming "Wonen Bebouwingsconcentraties". Hij wijst in dit verband op de percelen [locatie 7] en [locatie 8]. Anders dan de raad stelt, leidt een woonbestemming met bouwvlak voor het noordelijke deel van het perceel niet tot een aantasting van openheid van het landschap. Bovendien is in andere vergelijkbare situaties wel meegewerkt aan het toestaan van meer bebouwing, ondanks de gevolgen hiervan voor de openheid van het landschap en de doorzichten. [appellant sub 2] wijst in dit verband op de percelen [locatie 9] tot en met [locatie 10] en

Uitspraak 201903497/1/R4

9

[locatie 11] en de percelen [locatie 12], [locatie 8] en [locatie 13]. 20.1. Volgens de raad is bij het vaststellen van het plan het uitgangspunt gehanteerd dat de bestaande legale situatie als zodanig wordt bestemd. In 2008 is met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid de agrarische bestemming van de percelen [locatie 5], [locatie 3] en [locatie 6] omgezet in de bestemming "Woondoeleinden". In het plan zijn deze gronden bestemd voor "Wonen". Met het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het zuidelijke deel van het perceel van [appellant sub 2] is volgens de raad de bestaande situatie op deze gronden als zodanig bestemd. [appellant sub 2] heeft dit niet bestreden. Over het betoog van [appellant sub 2] dat aan zijn gehele perceel de bestemming "Wonen" dan wel "Wonen - Bebouwingsconcentraties" had moeten worden toegekend, al dan niet met een uitbreiding van het bouwvlak, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft toegelicht dat [appellant sub 2] heeft verzocht om een groter bouwvlak, zodat hij over de mogelijkheid beschikt in de toekomst een grotere woning op zijn perceel te realiseren. Aan dit verzoek lag echter geen concreet bouwplan ten grondslag voor een grotere woning en/of een uitbreiding van de woonbebouwing op het perceel. Het perceel van [appellant sub 2] ligt volgens de raad buiten de rode contour en maakt deel uit van het buitengebied.

Om de openheid en weidsheid van het buitengebied te borgen wordt op grond van provinciaal en gemeentelijk beleid restrictief omgegaan met het toestaan van nieuwe bebouwing voor niet agrarischeactiviteiten. Een woonbestemming, al dan niet met bouwvlak, voor het - thans nog onbebouwde - noordelijke deel van het perceel van [appellant sub 2] leidt volgens de raad tot een beperking van de doorzichten op het achtergelegen landschap, wat vanuit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt ongewenst. Dit standpunt van de raad is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. De Afdeling verwijst hierbij tevens naar hetgeen zij hiervoor in 19.2 heeft overwogen over het beleid van de raad over het herbestemmen van voorheen agrarische gronden die thans in gebruik zijn als tuin bij een woonbestemming. Over de door [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met de andere gevallen waarin sprake zou zijn van verdichting, heeft de raad gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie. Bij [locatie 9] tot en met [locatie 10] is het bouwvlak uit de oude beheersverordening één-op-één overgenomen. In het geval van [locatie 11] is met een "postzegelbestemmingsplan" maatwerk geleverd en zijn de bestaande bouwrechten gerespecteerd.

Bij [locatie 12], [locatie 8] en [locatie 13] vond de uitbreiding van het bouwvlak aan de achterzijde plaats en is de wijziging een rechtstreeks gevolg van het binnen het bouwvlak brengen van de vergunde situatie op [locatie 13]. Gelet op de door de raad gegeven toelichting is de Afdeling van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de situaties die [appellant sub 2] heeft genoemd niet dezelfde zijn als de situatie die nu aan de orde is. De niet nader gemotiveerde stelling dat aan een aantal percelen in het verleden de bestemming "Wonen - Bebouwingsconcentraties" is toegekend, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door aan het perceel van [appellant sub 2] nu niet de bestemming "Wonen - Bebouwingsconcentraties" toe te kennen. Het betoog slaagt niet. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de raad in redelijkheid niet hoeven te voorzien de bestemming "Wonen" voor het noordelijke deel van het perceel van Weiman of de bestemming "Wonen - Bebouwingconcentraties" voor zijn gehele perceel. Het betoog slaagt niet. Conclusie

Uitspraak 201903497/1/R4

10

21. Gelet op hetgeen hiervoor in 16.6 is overwogen, is het beroep van [appellant sub 2] gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb wat betreft de aanduiding "specifieke vorm van water - historisch schip" voor de gronden met de bestemming "Water" ten westen van het perceel [locatie 4]. 22. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de beoogde locatie van de ligplaats met inachtneming van wat is overwogen in deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. De Afdeling ziet aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb. Het beroep van [appellante sub 3] Inleiding 23. [appellante sub 3] exploiteert een bouwstoffen, zand- en grindhandelsbedrijf op het perceel [locatie 14]. Dit perceel ligt op het bedrijventerrein Amstelhoek. De bestaande loods op het perceel, althans een deel daarvan, wordt verhuurd aan een bedrijf dat (prefab) betonnen schroefpalen produceert. [appellante sub 3] heeft beroep ingesteld tegen het plan vanwege de gevolgen hiervan voor de gebruiksmogelijkheden van haar gronden. Aan het perceel van [appellante sub 3] zijn de bestemmingen "Bedrijf" en "Verkeer" toegekend.

De gebruiksmogelijkheden van de gronden worden nader gereguleerd door aanduidingen. Het beroep van [appellante sub 3] is gericht tegen zowel het plandeel met de bestemming "Bedrijf" als de bestemming "Verkeer". Het beroep is daarnaast gericht tegen de wijzigingsbevoegdheid van artikel 5, lid 5.6.1, van de planregels voor de gronden met de bestemming "Bedrijf". Hieronder volgt eerst een weergave van de thans en de voorheen geldende planregeling voor het perceel [locatie 14], voor zover van belang voor de boordeling van het beroep. De planregeling 24. Bij besluit van 28 september 2017 heeft de raad de "Beheersverordening buitengebied" vastgesteld. Niet in geschil is dat voor het perceel [locatie 14] onder de beheersverordening de planologische regeling is voortgezet van het bestemmingsplan "Buitengebied De Ronde Venen", vastgesteld door de raad bij besluit van 22 september 2005. In dat bestemmingsplan was aan het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" toegekend, met de aanduidingen "B13 - betonindustrie", "B14 - handels- en transportbedrijf" en "B39 loswal". De toenmalige eigenaar van het perceel, Cementbouw B.V., heeft beroep ingesteld bij de Afdeling tegen het bestemmingsplan uit 2005. Het beroep van Cementbouw is gegrond verklaard voor zover dat betrekking had op de gronden die waren aangeduid voor "B39 loswal". 24.1. Artikel 16, lid 1.a.

van de voorschriften van het bestemmingsplan uit 2005 luidde: "De gronden op detailplankaart aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden -B-" zijn overeenkomstig de aanduidingen op de kaart mede bestemd voor: B13: betonindustrie B14: handels- en transportbedrijf/fouragebedrijf B39: loswal." Artikel 20, eerste lid, luidde: "Het is verboden de in de artikelen 4 tot en met 17 bedoelde

Uitspraak 201903497/1/R4

11

gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangeduid in de doeleinden. […]. 24.2. Artikel 4 van de "Beheersverordening buitengebied" luidde: a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. […]; d. Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 24.3. Aan het perceel [locatie 14] is in het plan de bestemming "Bedrijf" toegekend, met twee te onderscheiden bouwvlakken (aanduiding "bouwvlak"). Aan het zuidelijke bouwvlak is de aanduiding "maatvoering: maximum bebouwd oppervlak (m²) = 1920" toegekend, en aan het noordelijke de aanduiding "maatvoering: maximum bebouwd oppervlak (m²) = 200". Op het plandeel met de bestemming "Bedrijf" rust tevens de aanduiding "wetgevingszonewijzigingsgebied [locatie 14]". Aan de gronden ten noorden van de bestemming "Bedrijf" is de bestemming "Verkeer" toegekend. Aan een klein deel van de gronden met de bestemming "Verkeer" is tevens de aanduiding "wetgevingzone - wijzigingsgebied loswal" toegekend. Dit is het deel van het perceel waaraan de aanduiding "B39 loswal" was toegekend in het plan uit 2005.

In artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels staat dat de voor "Bedrijf" aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven van categorie 1 en 2 zoals genoemd in de bij de planregels behorende bijlage "Staat van Bedrijfsactiviteiten". Bestemming Bedrijf 25. [appellante sub 3] betoogt dat de gebruiksmogelijkheden van haar gronden met de bestemming "Bedrijf" ten onrechte zijn beperkt en dat het bestaande gebruik niet als zodanig is bestemd. Op grond van het voorheen geldende planologische regime waren op deze gronden een betonmortelcentrale en ook een transport- en handelsbedrijf toegelaten. Dit waren bedrijven in onderscheidenlijk zwaartecategorie 4 en 3 als bedoeld in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de vereniging van Nederlandse gemeenten (hierna: VNGbrochure). De achtergrond van de voorheen geldende planregeling is dat de vorige eigenaar van het perceel ter plaatse een betonmortelcentrale met een capaciteit van 100 ton/jaar exploiteerde. Deze activiteit is weliswaar gestaakt op het moment dat [appellante sub 3] eigenaar werd van het perceel in 2014, maar de fysieke infrastructuur voor de centrale is nog aanwezig. Bij de voorbereiding van het plan heeft [appellante sub 3] de raad verzocht om planologische medewerking voor een handelsbedrijf in bouwstoffen en een bedrijf voor de productie van (prefab) holle schroefpalen, inclusief betoncentrale.

Daartoe heeft zij de ruimtelijke onderbouwing van september 2018 overgelegd. De raad is ten onrechte voorbijgegaan aan dit verzoek, althans hij heeft geweigerd de gewenste planregeling vast te stellen en aldus het bestaande gebruik van het perceel als zodanig te bestemmen, aldus [appellante sub 3]. 25.1. De raad heeft bij het voorbereiden en vaststellen van het plan het uitgangspunt gehanteerd dat de bestaande situatie, voor zover planologisch toegelaten, als zodanig wordt bestemd. In het voorheen geldende bestemmingsplan was voor het perceel [locatie 14] voorzien in de bestemming "Bedrijfsdoeleinden", met de aanduidingen "B13 - betonindustrie"

Uitspraak 201903497/1/R4

12

en "B14 - handels- en transportbedrijf/fouragebedrijf". Het perceel werd door de vorige eigenaar (Cementbouw) onder meer gebruikt voor een betonmortelcentrale. Deze activiteiten zijn volgens de raad echter gestaakt nadat [appellante sub 3] eigenaar werd van het perceel. Wat betreft het gebruik bestond er dus geen aanleiding de betonmortelcentrale en het handels- en transportbedrijf/fouragebedrijf als zodanig te bestemmen. De bestaande bebouwing op het perceel is volgens de raad wel als zodanig bestemd. Het feitelijke gebruik van de gronden ten tijde van de vaststelling van het plan voor de opslag van bouwmaterialen, zand en grind, was in strijd met het vorige bestemmingsplan. Voor het perceel is nu voorzien in generieke gebruiksmogelijkheden van zwaartecategorie 1 en 2 als bedoeld in de bij de planregels behorende "Staat van bedrijfsactiviteiten", die is gebaseerd op de bedrijvenlijst van de VNG-brochure. Een hogere bedrijfscategorie voor het perceel is volgens de raad niet aanvaardbaar vanwege de afstand tot nabijgelegen woningen. Een handelsbedrijf in bouwstoffen, zand- en grind, zoals dat van [appellante sub 3], valt volgens de VNG-brochure in zwaartecategorie 3.2. Het huidige gebruik van de gronden voor een handelsbedrijf in bouwstoffen en een bedrijf voor de productie van (prefab) holle schroefpalen is daarom niet toegelaten, aldus de raad.

Betonmortelcentrale en handels- en transportbedrijf 25.2. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft aannemelijk gemaakt dat het gebruik van het perceel [locatie 14] voor een betonmortelcentrale en voor een handels- en transportbedrijf/fouragebedrijf is gestaakt nadat [appellante sub 3] eigenaar is geworden van de gronden in of omstreeks 2014. Bij het vaststellen van het plan heeft de raad, voor zover het gaat om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van hinderveroorzakende bestemmingen, aansluiting gezocht bij de zoneringssystematiek van de VNG-brochure. De raad heeft onweerspoken gesteld dat woningen aanwezig zijn op een afstand van minder dan 30 m van de gronden van [appellante sub 3]. Gelet op de deze afstand is op basis van de systematiek van de VNG-brochure gekozen voor een generieke categorie 1 en 2 bestemming voor het perceel. Een betonmortelproductiebedrijf met een productie van 100 ton of meer wordt in de VNGbrochure aangemerkt als een categorie 4.2-bedrijf, waarvoor een richtafstand geldt van 300 m.

Een "handels- en vervoersbedrijf" komt niet voor in de VNG-brochure, maar "goederenwegvervoerbedrijven" vallen bijvoorbeeld in VNG-categorie 3.1- of 3.2 (richtafstand 50 m of 100 m). De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft mogen aansluiten bij de zoneringssystematiek van de VNG-brochure en niet gehouden was om de niet-benutte gebruiksmogelijkheden van het vorige plan te handhaven, aangezien deze gebruiksmogelijkheden zich niet verdragen met de aanwezigheid van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van het perceel van [appellante sub 3]. 25.3. Wel ligt nog de vraag voor of het bestemmen van het perceel voor bedrijfsactiviteiten van zwaartecategorie 1 en 2 als bedoeld in de bij de planregels behorende "Staat van bedrijfsactiviteiten, leidt tot beperkingen van het bestaande rechtmatige gebruik van de gronden. Dit betreft het beroep van [appellante sub 3] op de beschermende werking van het gebruiksovergangsrecht. Op het moment dat [appellante sub 3] eigenaar is geworden van het perceel [locatie 14] was het bestemmingsplan uit 2005 van kracht. Zoals hiervoor is uiteengezet, liet dat bestemmingsplan een betonmortelcentrale en een handels- en transportbedrijf/fouragebedrijf toe. [appellante sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij dit gebruik van de gronden heeft voortgezet.

Voor zover de opslag van bouwmaterialen en de productie van beton(producten) was toegelaten op het perceel onder het bestemmingsplan

Uitspraak 201903497/1/R4

13

uit 2005, dient dit te worden bezien in samenhang met het toegelaten gebruik voor een betonmortelcentrale. De opslag van bouwmaterialen, grond, zand en grind als onderdeel van de exploitatie van een handelsbedrijf in bouwstoffen kan niet gelijk worden gesteld met de opslag in het kader van de exploitatie van een betonmortelcentrale. Dit geldt ook voor de productie van (prefab) schroefpalen. Gelet daarop volgt de Afdeling het standpunt van de raad dat het gebruik van de gronden door [appellante sub 3] in strijd was met het bestemmingsplan uit 2005. Het gebruiksovergangsrecht van de beheersverordening strekt zich niet uit over het gebruik van gronden dat in strijd was met het daarvoor geldende bestemmingsplan. Het betoog slaagt niet. Verzoek om planologische medewerking voor handelsbedrijf in bouwstoffen en productie schroefpalen 25.4. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad moet bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met een particulier initiatief voor een ruimtelijke ontwikkeling als dat initiatief voldoende concreet is, tijdig aan hem kenbaar is gemaakt en hij op het moment van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan beoordelen. 25.5.

In haar zienswijze tegen het ontwerpplan van 17 mei 2018 heeft [appellante sub 3] bezwaren aangevoerd tegen - kortheidshalve - het beperken van de planologische gebruiksmogelijkheden van haar gronden en tegen het niet als zodanig bestemmen van haar bestaande bedrijfsvoering. Bij brief van 25 september 2018 heeft [appellante sub 3] haar zienswijze aangevuld en daarbij heeft zij de notitie "TTH/HPSchroefpaal [locatie 14], Amstelhoek, ruimtelijke onderbouwing" van "buRO" van september 2018 overgelegd. Deze notitie diende als (aangepaste) ruimtelijke onderbouwing voor het verzoek van [appellante sub 3A] om voor het perceel [locatie 14] een planregeling vast te stellen die de bestaande en beoogde bedrijfsvoering van [appellante sub 3] planologisch faciliteert. In deze notitie staat dat [appellante sub 3] een handelsbedrijf is in bouwstoffen (bouwmaterialen, grond, zand en grind). De te verhandelen bouwstoffen worden opgeslagen in de buitenlucht. In de notitie staat verder dat de loods op het terrein zal worden gebruikt door het bedrijf "HP Schroefpaal" voor de productie van prefab holle schroefpalen. HP Schroefpaal realiseert daarvoor een nieuwe betoncentrale die is opgesteld buiten de bedrijfshal. De nieuwe betoncentrale wordt gerealiseerd tussen de hal en het gebouw waarin vroeger de betoncentrale [van Cementbouw] was ondergebracht.

De nieuwe betoncentrale heeft een capaciteit van 30 m³/uur, aldus de notitie van buRO van september 2018. 25.6. Volgens de raad is de door [appellante sub 3] overgelegde ruimtelijke onderbouwing beoordeeld door zowel de gemeente zelf als de omgevingsdienst. De ruimtelijke onderbouwing is onvolledig bevonden, zodat niet was aangetoond dat de bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 3] - een handelsbedrijf in bouwstoffen en een bedrijf voor de productie van (prefab) holle schroefpalen - niet zullen leiden tot een ernstige aantasting van het woonen leefklimaat in de omgeving. Het verzoek is daarom afgewezen. Voor de onderbouwing van deze beslissing verwijst de raad naar een gemeentelijke notitie ("memo") van 17 december 2018. Bij deze notitie is als bijlage gevoegd een advies van de omgevingsdienst van 12 december 2018. 25.7. De Afdeling overweegt dat niet in geschil is dat de hiervoor genoemde gemeentelijke notitie en het advies van de omgevingsdienst pas bekend zijn gemaakt (of zijn toegezonden) aan [appellante sub 3] na de vaststelling van het plan. In het verweerschrift staat dat "de

Uitspraak 201903497/1/R4

14

reactie op de ruimtelijke onderbouwing van september 2018 ten tijde van het ingestelde beroep nog niet was toegezonden [aan [appellante sub 3]". In de Nota van zienswijzen wordt al wel ingegaan op het verzoek van [appellante sub 3]. Hierin valt echter alleen te lezen dat verkort weergegeven - geen medewerking wordt verleend aan het verzoek omdat "gebleken is dat de ruimtelijke onderbouwing nog niet geheel voldoet aan de kwaliteitseisen". In de Nota van zienswijzen wordt geconcludeerd dat niet is aangetoond dat het initiatief ruimtelijk aanvaardbaar is. De Afdeling is van oordeel dat de raad bij het vaststellen van het plan weliswaar (afwijzend) heeft besloten op het verzoek van [appellante sub 3], maar dat hij deze beslissing niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De motivering, die feitelijk wel beschikbaar was, heeft de raad niet bekendgemaakt. Gelet hierop is het besluit genomen in strijd met artikel 3:46 en 3:47, eerste lid, van de Awb. Deze bepaling vereist immers dat de motivering wordt vermeld bij de bekendmaking van het besluit. Het betoog slaagt. Wijzigingsbevoegdheid 26. [appellante sub 3] betoogt dat onduidelijk is of met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 5, lid 5.6.1, van de planregels op haar perceel kan worden voorzien in twee te onderscheden bedrijven van een hogere VNG-categorie dan 2. 26.1.

Volgens de raad geldt de wijzigingsbevoegdheid voor beide te onderscheiden bouwvlakken op het perceel. Per bouwvlak kunnen daarom afzonderlijke wijzigingsplannen worden vastgesteld. 26.2. In artikel 5, lid 5.6.1, van de planregels is vastgelegd dat het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van de aanduiding "wetgevingszone wijzigingsgebied [locatie 14]" kan wijzigen zodat een ander type bedrijvigheid is toegestaan hoger dan milieucategorie 1 en 2. Als voorwaarde geldt dat het bedrijfstype dient voor te komen in de bij de planregels behorende bijlage "Staat van Bedrijfsactiviteiten" en dat de bedrijfsactiviteiten milieuhygiënisch inpasbaar zijn. 26.3. Zoals hiervoor is weergegeven, is aan het perceel van [appellante sub 3] de bestemming "Bedrijf" toegekend. Daarbij is voorzien in twee bouwvlakken die weliswaar grenzen aan elkaar, maar die duidelijk van elkaar zijn te onderscheiden. Zo is voor het zuidelijke bouwvlak tevens voorzien in de aanduiding "maatvoering: maximum bebouwd oppervlak (m²) = 1920", terwijl op het noordelijke bouwvlak de aanduiding "maatvoering: maximum bebouwd oppervlak (m²) = 200", rust. De Afdeling volgt het standpunt van de raad dat de wijzigingsbevoegdheid afzonderlijk kan worden gebruikt voor het zuidelijke als het noordelijke deel van het perceel van [appellante sub 3]. Het betoog slaagt niet.

Bestemming Verkeer Laad- en loskade 27. [appellante sub 3] komt ook op tegen de planregeling voor het deel van haar gronden met de bestemming "Verkeer". Deze gronden worden onder meer gebruikt als laad- en loskade. Dit is bestaand legaal gebruik dat nu ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Aan de vorige eigenaar van het perceel is bij besluit van 17 juni 2003 met toepassing van artikel 19, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning) verleend voor het gebruik van deze gronden voor een portaalkraan. De rechten uit deze vergunning zijn ten onrechte niet planologisch vastgelegd, aldus [appellante sub 3].

Uitspraak 201903497/1/R4

15

27.1. De raad heeft toegelicht dat [appellante sub 3] in 2014 eigenaar is geworden van het perceel [locatie 14]. Op dat moment was het gebruik van de laad- en loskade als zodanig al gestaakt door de vorige eigenaar. In artikel 22 van de voorschriften van het vorige bestemmingsplan was volgens de raad bepaald dat als het gebruik van gronden gedurende een ononderbroken periode van ten minste drie jaar is gestaakt, geen beroep kan worden gedaan op het gebruiksovergangsrecht van dat plan. Tussen het moment van het beëindigen van het gebruik van de laad- en loswal door de vorige eigenaar en het moment waarop [appellante sub 3] eigenaar is geworden van de gronden, ligt een periode van meer dan drie jaar. Om deze reden kan [appellante sub 3] zich dus niet beroepen op de beschermende werking van het gebruiksovergangsrecht van het vorige bestemmingsplan, aldus de raad. 27.2. In artikel 23, lid 23.1, van de planregels is vastgelegd dat de gronden met de bestemming "Verkeer" onder meer zijn bestemd voor wegen en voet- en fietspaden. In lid 23.2 is vastgesteld dat gebouwen op deze gronden niet zijn toegelaten. Bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen maximaal 3 m hoog zijn, met uitzondering van bruggen waarvoor ruimere bouwmogelijkheden gelden.

Voor de gronden met de bestemming "Verkeer" waaraan tevens de aanduiding "wetgevingzone - wijzigingsgebied loswal" is toegekend, is lid 23.3.1 van belang. Daarin is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Verkeer" ter plaatse van deze aanduiding kan wijzigen naar de bestemming "Bedrijf" voor het gebruik als loswal, met inachtneming van de in die bepaling nader vastgelegde voorwaarden. Eén van deze voorwaarden is dat de loswal alleen mag worden gebruikt voor het bedrijf aan de [locatie 14]. 27.3. Voor het beoordelen van deze beroepsgrond is het volgende van belang. Het staat vast dat het college bij besluit van 17 juni 2003 onder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO bouwvergunning heeft verleend aan Cementbouw voor het bouwen van een portaalkraan op haar perceel. In deze vergunning uit 2003 staat dat ter plaatse [van het bouwplan] het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" (Mijdrecht) geldt. Het bedrijf heeft de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf" met de nadere aanduiding "Betonindustrie". Een portaalkraan ten behoeve van dit bedrijf past in beginsel binnen deze bestemming. Desalniettemin is het bouwplan in strijd met het geldende bestemmingsplan. De portaalkraan is grotendeels buiten het bouwblok gepland. Daarnaast is de portaalkraan boven de weg gesitueerd. Daar geldt de bestemming "Verkeersdoeleinden".

Het bouwplan is ook in strijd met deze bestemming. Het verlenen van medewerking is alleen mogelijk met toepassing van een procedure als bedoeld in artikel 19, lid 1, van de WRO (oud), aldus de vergunning van 17 juni 2003. 27.4. De hiervoor genoemde bouwvergunning is aan de orde geweest in de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB3850, over het beroep van Cementbouw tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 9 mei 2006 tot goedkeuring van het door de raad bij besluit van 22 september 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied De Ronde Venen". Cementbouw heeft in beroep aangevoerd dat op het deel van haar perceel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden B", met de aanduiding "B39 loswal" ten onrechte geen bebouwing is toegelaten. In dit verband heeft zij gewezen op de bouwvergunning uit 2003. De Afdeling heeft in 2.14.3.1 van haar uitspraak van 19 september 2007 geoordeeld dat het college van GS ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat ten tijde van het nemen van het goedkeuringsbesluit een rechtens onaantastbare bouwvergunning was verleend voor de oprichting van een portaalkraan op de loswal. De Afdeling heeft het goedkeuringsbesluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb vernietigd voor zover dat betrekking had op het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden - B", met de aanduiding "B39 (loswal)".

Uitspraak 201903497/1/R4

16

27.5. Gelet op artikel 30, eerste lid, van de WRO (oud) had de raad naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2007 een nieuw bestemmingsplan moeten vaststellen voor het deel van het perceel van Cementbouw met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden - B", met de aanduiding "B39 (loswal)", waarin hij de rechten uit de vergunning van 17 juni 2003 had moeten vastleggen. Dit is evenwel niet gebeurd. Evenmin is gebleken dat het college van burgemeester en wethouders de aan Cementbouw onder vrijstelling verleende bouwvergunning nadien heeft ingetrokken. De Afdeling wijst erop dat een rechtsgeldige omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een bestaand recht is waaraan bij de vaststelling van een bestemmingsplan in beginsel niet kan worden voorbijgegaan. Een dergelijke vergunning vormt een zwaarwegend belang dat de raad moet betrekken in zijn afweging en besluitvorming. Dit laat onverlet dat de raad hierbij ook andere relevante belangen moet betrekken. De raad heeft enkel gesteld dat [appellante sub 3] nu en in de toekomst geen gebruik zal of kan maken van de bouwvergunning uit 2003, maar hij heeft dit naar het oordeel van de Afdeling niet deugdelijk onderbouwd. Het betoog slaagt. Conclusie 28. Het beroep van [appellante sub 3] is gegrond.

Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 en 3:47, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd voor zover het betreft: - het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 14], en - het plandeel met de bestemming "Verkeer", met de aanduiding "wetgevingzone wijzigingsgebied loswal" voor het perceel [locatie 14]. Instandhouding rechtgevolgen 29. De Afdeling heeft hiervoor in 25.8 geoordeeld dat de raad wel gemotiveerd heeft beslist op het verzoek van [appellante sub 3], maar dat hij verzuimd heeft om de motivering tijdig, dat wil zeggen uiterlijk gelijktijdig met het vaststellen van het plan, aan [appellante sub 3] bekend te maken. De raad heeft onweersproken gesteld dat de motivering van de beslissing na het vaststellen van het plan alsnog per e-mail is verzonden aan [appellante sub 3] en daarnaast staat vast dat de motivering gelijktijdig met het verweerschrift van 19 november 2019, dus ruimschoots voor de zitting van 23 november 2020, aan de Afdeling is verzonden en vervolgens (door de Afdeling) is gedeeld met [appellante sub 3]. [appellante sub 3] is gelet daarop in de gelegenheid geweest deze toelichting van de raad te bestrijden in het kader van de beroepsprocedure. De Afdeling ziet hierin aanleiding om te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluitonderdeel in stand kunnen blijven. 29.1.

In het advies van de omgevingsdienst van 12 december 2018 is de ruimtelijke onderbouwing van [appellante sub 3] beoordeeld. De ruimtelijke onderbouwing is op een aantal "thema’s" of omgevingsaspecten niet voldoende bevonden. Dit zijn de aspecten "bodem", "ecologie", "bedrijven en milieuzonering", "geluid" en "milieueffectrapportage". In het advies van de omgevingsdienst is per thema nader gemotiveerd waarom de aangeleverde ruimtelijke onderbouwing niet volstaat en de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief niet is aangetoond. In de gemeentelijke notitie van 17 december 2018, die voortbouwt op het advies van de omgevingsdienst, is uiteengezet welke nadere gegevens en onderzoeken [appellante sub 3] dient aan te leveren voor een mogelijk positieve beslissing op haar verzoek. [appellante sub 3] heeft in de beroepsprocedure de onderbouwing van de afwijzing van haar verzoek niet inhoudelijk bestreden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat deze afwijzing materieel bezien stand houdt. De Afdeling ziet daarom aanleiding met toepassing

Uitspraak 201903497/1/R4

17

van artikel 8:72, derde, lid, onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 14] in stand blijven. Dit betekent dat dit plandeel blijft gelden. Opdracht 30. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van hetgeen in 27.5 is overwogen voor het vernietigde plandeel met de bestemming "Verkeer", met de aanduiding "wetgevingzone wijzigingsgebied loswal", voor het perceel [locatie 14], een nieuw besluit te nemen. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen. Het beroep van [appellant sub 4] 31. [appellant sub 4] woont op het perceel [locatie 15] in De Hoef. Dit perceel grenst aan het perceel [locatie 16], waarop slachterij Amstelland is gevestigd. [appellant sub 4] heeft beroep ingesteld, omdat volgens hem het plan onvoldoende rekening houdt met de natuurwaarden in het plangebied. Het gaat [appellant sub 4] in dit verband in het bijzonder om de bescherming van weidevogels. In zijn aanvulling op het beroep van 7 november 2020 heeft [appellant sub 4] gewezen op een weiland ten westen van het perceel [locatie 16]. Dit weiland wordt onder meer gebruikt voor het weiden van schapen, die worden geslacht door Amstelland.

Periodiek worden de dieren volgens [appellant sub 4] verplaatst van en naar het weiland door middel van motorvoertuigen. Dit gebruik van het weiland leidt volgens [appellant sub 4] tot verstoring van weidevogels. 32. [appellant sub 4] heeft voor het eerst in zijn aanvullende beroepschrift van 7 november 2020 gesteld dat het plan voorziet in de uitbreiding van slachterij Amstelland en dat mede gelet hierop voor het plan een milieueffectrapport (hierna: m.e.r.) had moeten worden opgesteld. Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, nieuwe gronden worden ingediend. Dit geldt ook voor nieuwe argumenten en stukken, ter motivering van een eerdere beroepsgrond. De mogelijkheid hiertoe wordt evenwel begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich verzet tegen het indienen van nieuwe gronden of argumenten en stukken ter motivering van een eerdere beroepsgrond, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

De Afdeling overweegt dat niet valt in te zien waarom [appellant sub 4] pas in het aanvullende beroepschrift van 20 november 2020 heeft geklaagd over de gestelde uitbreiding van de slachterij en over het niet opstellen van een m.e.r. [appellant sub 4] is ook niet verschenen op zitting om toe te lichten waarom hij nu pas met deze aanvullende gronden komt. De Afdeling ziet daarom aanleiding deze betogen wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Overigens ligt aan het plan een m.e.r. ten grondslag, die [appellant sub 4] niet inhoudelijk heeft bestreden. 33. De Afdeling overweegt dat de raad op zitting onweerspoken heeft toegelicht dat het weiland ten westen van het perceel [locatie 16] ook vóór de vaststelling van het plan in gebruik was voor onder meer het weiden van schapen. De planregeling voor deze agrarische gronden is volgens de raad niet gewijzigd. In wat [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan leidt tot een verstoring van de weidevogels op de gronden ten westen van het perceel [locatie 16]. Het betoog slaagt niet.

Uitspraak 201903497/1/R4

18

Conclusie 34. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 4] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 5] 35. [appellant sub 5] is eigenaar van het perceel [locatie 17] in Waverveen. Op dit perceel exploiteert hij een auto(reparatie)bedrijf. Het beroep van [appellant sub 5] is gericht tegen de planregeling voor zijn eigen perceel. 36. [appellant sub 5] betoogt dat de raad ten onrechte zijn bestaande bedrijfsvoering niet als zodanig heeft bestemd. Zijn gronden zijn bestemd voor bedrijven van categorie 1 en 2 zoals genoemd in de bij de planregels behorende "Staat van Bedrijfsactiviteiten". Een autoreparatiebedrijf komt daarin ten onrechte niet voor, aldus [appellant sub 5]. 36.1. Volgens de raad is het bedrijf van [appellant sub 5] als zodanig bestemd. In de bij de planregels behorende bijlage "Staat van Bedrijfsactiviteiten" wordt genoemd de activiteit "groothandel in auto’s en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijf". Het bedrijf van [appellant sub 5] valt binnen deze categorie, aldus de raad. 36.2. Aan het perceel van [appellant sub 5] is de bestemming "Bedrijf" toegekend, met de aanduiding "bouwvlak". In artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels is vastgelegd dat de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd zijn voor bedrijven van categorie 1 en 2 zoals genoemd in de bij deze regels behorende "Staat van Bedrijfsactiviteiten" (bijlage 3). 36.3.

De Afdeling overweegt dat de activiteit "groothandel in auto’s en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijf" is opgenomen in de bij de planregels behorende bijlage "Staat van Bedrijfsactiviteiten". Daarin wordt deze activiteit aangemerkt als categorie 2-bedrijvigheid. [appellant sub 5] heeft niet toegelicht waarom zijn bedrijfsvoering niet binnen deze omschrijving valt. Aangezien het perceel van [appellant sub 5] is bestemd voor bedrijven van categorie 1 en 2 zoals genoemd in de bijlage, volgt de Afdeling het standpunt van de raad dat het bedrijf van [appellant sub 5] als zodanig is bestemd in het plan. Het betoog slaagt niet. 37. [appellant sub 5] betoogt dat de raad ten onrechte zijn verzoek om vergroting van zijn bedrijfsgebouw heeft afgewezen. Het bestaande bedrijfsgebouw, waarvoor (bouw)vergunning is verleend, heeft een oppervlakte van 152 m². Dit bedrijfsgebouw is als zodanig bestemd in het plan, maar het bouwvlak is groter. [appellant sub 5] heeft het bedrijfsgebouw vergroot tot een oppervlakte van 232,5 m². Hij heeft de raad verzocht deze uitbreiding als zodanig te bestemmen en daartoe een ruimtelijke onderbouwing overgelegd. De raad heeft aan het afwijzen van het verzoek ten grondslag gelegd dat [appellant sub 5], als hij zijn bedrijf wenst uit te breiden, dient te verhuizen naar een bedrijventerrein.

Volgens [appellant sub 5] heeft de raad bij het vaststellen van het plan weliswaar als uitgangspunt gehanteerd dat de bestaande legale situatie als zodanig wordt bestemd, maar daarnaast is onderkend dat een uitbreiding van de bebouwing met 20 procent in beginsel toelaatbaar is. 37.1. Het beleid van zowel de gemeente als de provincie is volgens de raad om restrictief om te gaan met het toestaan van nieuwe niet-agrarische bebouwing in het buitengebied. Met dit beleid wordt beoogd de aantasting van de openheid en de weidsheid van het buitengebied tegen te gaan. Een kleinschalige uitbreiding van de niet-agrarische bebouwing binnen het bestaande bouwvak is mogelijk indien dat noodzakelijk is voor de continuering van de bedrijfsvoering. Daartoe is in artikel 5, lid 5.3.1, van de planregels voorzien in een afwijkingsbevoegdheid. Indien [appellant sub 5] gebruik wenst te maken van deze mogelijkheid dient hij aan te tonen

Uitspraak 201903497/1/R4

19

dat wordt voldaan aan de gestelde afwijkingsvoorwaarden, aldus de raad. 37.2. Artikel 5, lid 5.3.1, van de planregels luidt: "Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2, onder c, om de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen en -overkappingen te vergroten, met inachtneming van het volgende: a. de uitbreiding bedraagt ten hoogste 20 procent van de oppervlakte die op grond van lid 5.2 reeds is toegestaan; b. de uitbreiding wordt gerealiseerd binnen het bouwvlak; c. de uitbreiding is noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf; d. het bedrijf dient ook na uitbreiding milieuhygiënisch inpasbaar te zijn." 37.3. [appellant sub 5] heeft in zijn zienswijze een verzoek gedaan om planologische medewerking voor het uitbreiden van de bedrijfsbebouwing op zijn perceel. Hij heeft daartoe gewezen op een ruimtelijke onderbouwing die hij reeds eerder aan de gemeente heeft verstrekt. Dit is de notitie "Ruimtelijke inpassing Garagebedrijf [appellant sub 5] [locatie 17], Waverveen". Uit deze notitie volgt dat het initiatief uitgaat van een (nieuwe) bedrijfsloods op het westelijke deel van het perceel [locatie 17]. De oppervlakte van deze loods bedraagt 300 m² (20 m x 15 m). Ten opzichte van de bestaande planologisch toegelaten situatie (het vergunde bedrijfsgebouw) betekent dit een verdubbeling van de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing.

Het beleid van de raad om terughoudend om te gaan met uitbreidingen van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. De raad heeft in redelijkheid het verzoek van [appellant sub 5] mogen afwijzen, omdat het initiatief uitgaat van een verdubbeling van de oppervlakte van de bestaande - en als zodanig bestemde - bedrijfsvoering. Het betoog slaagt niet. 37.4. In beroep heeft [appellant sub 5] de "Memo uitbreiding [appellant sub 5] auto’s" van 4 november 2020 overgelegd. Hierin wordt nader toegelicht dat een uitbreiding van het bedrijfsgebouw met 75 m² ruimtelijk aanvaardbaar is en ook noodzakelijk voor de continuering van de bedrijfsvoering van [appellant sub 5]. Het verzoek om uitbreiding van de bedrijfsbebouwing met 75 m² komt in wezen neer op een verzoek om "legalisatie" van het feitelijk bestaande bedrijfsgebouw van 232,5 m² (152 m² plus 75 m²). Daargelaten dat dit verzoek afwijkt van het verzoek dat [appellant sub 5] heef gedaan in het kader van zijn zienswijze over het ontwerpplan, gaat ook dit nadere verzoek uit van een uitbreiding die groter is dan de door de raad in beginsel aanvaardbaar geachte uitbreiding van 20 procent. Het hiervoor gegeven oordeel van de Afdeling geldt daarom ook voor dit gewijzigde initiatief van [appellant sub 5]. 37.5.

Zoals hiervoor is weergegeven, biedt het plan de mogelijkheid de bestaande oppervlakte met 20 procent te vergroten na het toepassen van de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid. Gedeeltelijke legalisatie van de in strijd met het voorheen geldende planologische regime gerealiseerde bebouwing is volgens de raad in beginsel mogelijk. Het gaat daarbij om een uitbreiding met ongeveer 30 m². De Afdeling kan niet tegemoetkomen aan het verzoek van [appellant sub 5] om zelf in de zaak te voorzien door een deel van de planologisch niet toegelaten bebouwing alsnog als zodanig te bestemmen. Materieel zou dit neerkomen op de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid van het plan door de Afdeling. Het primaat hiervoor ligt bij het college.

Uitspraak 201903497/1/R4

20

[appellant sub 5] kan het college verzoeken om toepassing van de afwijkingsbevoegdheid zodat - bij een eventueel positief besluit - in ieder geval een deel van de gerealiseerde uitbreiding alsnog wordt vergund. Conclusie 38. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 5] ongegrond. Het beroep van Slachterij Amstelland 39. Slachterij Amstelland is eigenaar van de percelen De Hoef Westzijde 32B en 33, en Tweede Hoefweg 2/2A. Zij kan zich niet verenigen met de planregeling voor haar percelen, omdat volgens haar niet alle bestaande woningen op die percelen als zodanig zijn bestemd. Blijkens de planregels, gelezen in samenhang met de verbeelding zijn op haar percelen twee woningen toegelaten. Feitelijk is echter sprake van vier woningen, waarvan drie ook als zodanig waren bestemd in het voorheen geldende bestemmingsplan, aldus Slachterij Amstelland. 39.1. Aan de percelen De Hoef Westzijde 32B en 33 en Tweede Hoefweg 2/2A, is de bestemming "Bedrijf", met de aanduidingen "bouwvlak" en "maximum aantal wooneenheden = 2" toegekend. 39.2. Volgens de raad is aan de gronden van Slachterij Amstelland met de bestemming "Bedrijf", per abuis de aanduiding "maximum aantal wooneenheden = 2" toegekend.

Hierdoor zijn twee woningen toegelaten op de percelen, terwijl feitelijk sprake is van drie bestaande woningen die ook waren toegelaten op grond van het voorheen geldende planologische regime. De aanduiding voor de gronden met de bestemming "Bedrijf" dient te worden vervangen door de aanduiding "maximum aantal wooneenheden = 3", aldus de raad. 39.3. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt heeft gesteld dan in het bestreden besluit, zonder dat gewijzigde feiten of omstandigheden daar aanleiding toe hebben gegeven, is het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Dit is in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. 39.4. Voor zover Slachterij Amstelland betoogt dat op het perceel Tweede Hoefweg 2 feitelijk sprake is van twee zelfstandige woningen (2 en 2A), die beide als zodanig bestemd hadden moeten worden (waarmee het totaal aantal woningen voor beide percelen tezamen op vier zou uitkomen), overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft toegelicht dat op dit perceel sprake is van één woning die als zodanig was bestemd in het voorheen geldende bestemmingsplan. Het feitelijke gebruik van het perceel voor twee zelfstandige woningen was in strijd met de voorheen geldende bestemmingsplannen. De omstandigheid dat de woning 2A in 2011 is opgenomen in de Basisadministratie Adressen en Gebouwen maakt dit niet anders.

Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is om restrictief om te gaan met het mogelijk maken van nieuwe woningen in het buitengebied. Gelet hierop bestond volgens de raad geen aanleiding om twee zelfstandige woningen toe te laten op het perceel Tweede Hoefweg 2. Slachterij Amstelland heeft het standpunt van de raad dat het gebruik van het perceel Tweede Hoefweg 2 voor twee zelfstandige woningen in strijd was met de voorheen geldende bestemmingsplannen niet bestreden. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen voorzien in het als zodanig bestemmen van één woning op het perceel Hoefweg 2. Het betoog slaagt niet. Conclusie 40. Gelet op het voorgaande is het beroep van Slachterij Amstelland gegrond. Het bestreden

Uitspraak 201903497/1/R4

21

besluit dient te worden vernietigd wat betreft de aanduiding "maximum aantal wooneenheden = 2" voor de percelen De Hoef Westzijde 32B en 33 en Tweede Hoefweg 2/2A. Omdat niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden hierdoor in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling uit een oogpunt van finale geschilbeslechting aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De Afdeling zal bepalen dat de vernietigde aanduiding wordt vervangen door de aanduiding "maximum aantal wooneenheden = 3" en dat deze uitspraak ten aanzien van dit planonderdeel in de plaats treedt van het bestreden besluit. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. Het beroep van [appellant sub 7] 41. [appellant sub 7] is eigenaar van het perceel [locatie 18] in Wilnis. Ter plaatse exploiteert hij een melkveehouderij, zijnde een grondgebonden agrarisch bedrijf.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12333080/1