Bijlage 2 bestemmingsplan 1e herziening Buitengebied-West -Toelichting
Tekst van het document
[appellant sub 7] heeft de raad verzocht om het agrarische bouwvlak op zijn perceel te vergroten met het oog op een beoogde uitbreiding van de melkveehouderij. Daartoe heeft hij een ruimtelijke onderbouwing overgelegd. Dit is de notitie "Ruimtelijke onderbouwing [locatie 18] te Wilnis" van februari 2017. [appellant sub 7] betoogt dat de raad zijn verzoek om planologische medewerking ten onrechte niet heeft betrokken bij het vaststellen van het plan. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat het verzoek om uitbreiding van het bouwvlak voldoet aan de relevante wettelijke regels en het beleid, zodat de raad de gewenste uitbreiding mogelijk had moeten maken, aldus [appellant sub 7]. 41.1. De raad stelt dat [appellant sub 7] al in of omstreeks februari 2017 verzocht heeft om medewerking voor het uitbreiden van zijn veehouderij en dat hij bij dat verzoek de onderbouwing van 27 februari 2017 heeft overgelegd. Dit speelde dus voor de voorbereiding van het plan. Het verzoek is toentertijd namens de raad beoordeeld waarbij is geconcludeerd dat de ruimtelijke onderbouwing niet toereikend is om de aanvaardbaarheid van het initiatief aan te tonen. [appellant sub 7] is vervolgens verzocht de ruimtelijke onderbouwing aan te vullen.
Bij het voorbereiden van het plan heeft [appellant sub 7] opnieuw verzocht om planologische medewerking voor het uitbreiden van zijn veehouderij en hij heeft daartoe een ruimtelijke onderbouwing overgelegd. Deze onderbouwing is inhoudelijk identiek aan de ruimtelijke onderbouwing van 27 februari 2017. Om deze reden is het verzoek van [appellant sub 7] niet opnieuw inhoudelijk beoordeeld, aldus de raad. 41.2. Uit de door partijen overgelegde stukken kunnen de volgende feiten worden afgeleid. Uit de ruimtelijke onderbouwing van 27 februari 2017 volgt dat het verzoek van [appellant sub 7] betrekking had op het vergroten van het agrarisch bouwvlak op zijn perceel voor het bouwen van een berging voor landbouwvoertuigen en het realiseren van opslagplaatsen voor ruwvoer. Blijkens de ruimtelijke onderbouwing heeft [appellant sub 7] verzocht om toepassing van een wijzigingsbevoegdheid van het toentertijd geldende bestemmingsplan, omdat volgens hem de gewenste ontwikkeling op die manier kon worden gefaciliteerd. Het college van burgemeester en wethouders heeft het verzoek van [appellant sub 7] voor advies voorgelegd aan de Omgevingsdienst regio Utrecht. Uit het advies van de omgevingsdienst van 10 juli 2017 blijkt dat de ruimtelijke onderbouwing van 27 februari 2017 op een aantal
Uitspraak 201903497/1/R4
22
onderdelen onvoldoende is bevonden. Dit zijn de onderdelen "luchtkwaliteit", "bodem", "bedrijven en milieuzonering", "ecologie" en "milieueffectrapportage". In het advies wordt toegelicht welke onderdelen van de ruimtelijke onderbouwing moeten worden aangevuld om te kunnen beslissen op het verzoek om vergroting van het bouwvlak. Op basis van het advies van de omgevingsdienst is door de afdeling ruimtelijke ordening van de gemeente, kennelijk namens het college, het "Verslag ruimtelijke onderbouwing [locatie 18]" van 18 augustus 2017 opgesteld. In dit verslag wordt puntsgewijs toegelicht welke onderdelen van de ruimtelijke onderbouwing moeten worden aangevuld. Het advies van de omgevingsdienst en het verslag van 18 augustus 2017 zijn per e-mail verzonden aan [appellant sub 7], althans aan zijn gemachtigde, op 18 augustus 2017. 41.3. In het beroepschrift van [appellant sub 7] wordt gerefereerd aan een gewijzigde ruimtelijke onderbouwing van 28 februari 2018. De daarbij overgelegde ruimtelijke onderbouwing (bijlage (2) is evenwel de ruimtelijke onderbouwing van 27 februari 2017, dus de onderbouwing die ook ten grondslag heeft gelegen aan het hiervoor besproken verzoek van [appellant sub 7] uit 2017. De Afdeling volgt daarom het standpunt van de raad dat het gaat om dezelfde ruimtelijke onderbouwing.
[appellant sub 7] heeft niet toegelicht wat er is gewijzigd aan de onderbouwing die hij heeft overgelegd in het kader van de voorbereiding van het plan. De raad heeft het verzoek van [appellant sub 7] afgewezen met een verwijzing naar het advies van de omgevingsdienst van 10 juli 2017 en het verslag van 18 augustus 2017. [appellant sub 7] heeft in beroep de inhoud van deze stukken niet bestreden. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid het verzoek van [appellant sub 7] heeft kunnen afwijzen, onder verwijzing naar de genoemde stukken uit 2017. Het betoog slaagt niet. Conclusie 42. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 7] ongegrond. Het beroep van [appellanten sub 8] 43. Het beroep van [appellanten sub 8] is initieel ingesteld door [partij C]. Zij was ten tijde van het instellen van het beroep eigenaar van het [woonschip]. Dit woonschip is afgemeerd op een locatie ten oosten van de plek waar de Ruige Kade overgaat in De Hoef Westzijde, in het noordwestelijke deel van het plangebied, nabij de Amstel. Lokaal wordt de ligplaatslocatie van de [woonschip] volgens [partij C] aangeduid als [locatie 19]. [partij C] heeft beroep ingesteld tegen het plan, omdat volgens haar voor de gronden waarop de [woonschip] is afgemeerd ten onrechte niet is voorzien in een bouwvlak. De gronden zijn alleen bestemd als ligplaats voor een woonschip.
Volgens [partij C] is de [woonschip] al in 1975 op de huidige ligplaats afgemeerd met geen andere intentie dan om erin te wonen. Vanaf 1975 is niet meer met [woonschip] gevaren, behoudens dat het schip incidenteel naar een helling is gebracht voor inspectie en onderhoud. Het woonschip is niet geschikt om ermee te varen en beschikt dan ook niet over een zogenoemd "certificaat van onderzoek". Om het woonschip als zodanig te bestemmen moet voor de ligplaats worden voorzien in een bouwvlak, aldus [partij C] in het initiële beroepschrift. 43.1. Hangende het beroep bij de Afdeling heeft [partij C] het woonschip verkocht en geleverd aan [appellanten sub 8]. Zij hebben onweerspoken gesteld dat zij de [woonschip] hebben vervangen door een ander - vergelijkbaar - woonschip. Ook dit woonschip wordt volgens hen uitsluitend gebruikt voor bewoning en niet (tevens) om ermee te varen. [appellanten sub 8] hebben gesteld dat hun woonschip, net als [woonschip], niet beschikt over een certificaat van onderzoek.
Uitspraak 201903497/1/R4
23
43.2. De Afdeling stelt voorop dat hoewel [appellanten sub 8] in de rechten zijn getreden van [partij C], het beroep moet worden beoordeeld op grondslag van de feiten ten tijde van de vaststelling van het plan. Dat is dus de situatie dat [woonschip] was afgemeerd op de desbetreffende ligplaats. Met de omstandigheden die nadien hebben plaatsgevonden, namelijk het vervangen van [woonschip] door een ander woonschip, kon de raad immers geen rekening houden bij het vaststellen van het plan. 43.3. Volgens de raad was de ligplaats van [woonschip] niet als zodanig bestemd in het voorheen geldende bestemmingsplan, zodat in zoverre sprake was van strijdig gebruik. De raad heeft beoogd de bestaande situatie als zodanig te bestemmen. Het woonschip is volgens de raad geen bouwwerk en daarom bestaat geen aanleiding voor het toekennen van een bouwvlak aan de gronden van de ligplaats. De raad heeft in dit verband gewezen op artikel 1, zevende lid, van de Woningwet, waarin is vastgelegd dat een schip dat wordt gebruikt voor verblijf en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart geen bouwwerk is. Volgens de raad is [woonschip] bestemd voor de vaart. De ligplaats is in het plan bestemd voor een woonschip waarin permanent mag worden gewoond. Het feitelijk bestaande gebruik ten tijde van de vaststelling van het plan is daarmee als zodanig bestemd, aldus de raad. 43.4.
Aan de gronden waar [woonschip] was afgemeerd is de bestemming "Wonen", met de aanduiding "woonschepenligplaats" toegekend. Voor deze gronden is niet voorzien in de aanduiding "bouwvlak". In artikel 25, lid 25.1, aanhef en onder c, van de planregels is bepaald dat de voor "Wonen" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "woonschepenligplaats" zijn bestemd voor een ligplaats voor een woonschip. In artikel 1, lid 1.117, van de planregels staat dat onder "woonschip" wordt verstaan "een varend schip dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het wonen". Het begrip "varend schip" is gedefinieerd in artikel 1.105. Volgens deze bepaling is dit een schip "dat bestemd is voor de vaart". Volgens de definitiebepaling is daarbij onder meer van belang de bedoeling waarmee het schip oorspronkelijk is of wordt gemaakt alsook of het schip gebruikt mag worden om ermee te varen op grond van de Binnenvaartwet. 43.5. Niet in geschil is dat de raad bij het vaststellen van het plan het uitgangspunt heeft gehanteerd het feitelijk bestaande gebruik als zodanig te bestemmen. De raad heeft dus beoogd het gebruik van [woonschip] voor bewoning "te legaliseren". Uit de hiervoor weergegeven bepalingen van het plan volgt dat permanente bewoning van het woonschip is toegelaten.
De vraag die voorligt is, of [woonschip] een "bouwwerk" (en daarmee een gebouw) is in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Indien dit het geval is, dan is voor de rechtmatige aanwezigheid van het woonschip op de ligplaats tevens een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen vereist. De vastgestelde planregeling verzet zich echter tegen een gebouw op de ligplaats, omdat voor deze gronden niet is voorzien in een bouwvlak, althans in een planregeling op grond waarvan gebouwen zijn toegelaten. In artikel 25, lid 25.2, van de planregels is namelijk bepaald dat op gronden met de bestemming "Wonen" gebouwen alleen zijn toegelaten binnen het bouwvlak. 43.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1331, is het begrip "bouwwerk" in de Wabo niet gedefinieerd. Gelet op de geschiedenis van totstandkoming van deze wet (Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, blz. 91 en 92) sluit de Wabo voor de betekenis van het begrip "bouwwerk" aan bij de Woningwet. Voor de uitleg van het begrip bouwwerk dient daarom ook bij toepassing van de Wabo aansluiting te worden gezocht bij de Modelbouwverordening van de Vereniging van
Uitspraak 201903497/1/R4
24
Nederlandse Gemeenten waarin een omschrijving van dit begrip is opgenomen. De definitie van bouwwerk in de Modelbouwverordening luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren". 43.7. De wetgever heeft artikel 1, zevende lid, opgenomen in de Woningwet naar aanleiding van de voornoemde uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014. De bepaling is toegevoegd bij de "Wet verduidelijking voorschriften woonboten" (Wijziging van de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met de verduidelijking van voorschriften voor woonboten). In de toelichting (Kamerstukken II, 2015-2016, 34 434, nr. 3, p. 3-4) staat dat deze bepaling is opgenomen voor de categorie schepen waarvan niet bij voorbaat duidelijk is of deze altijd zouden worden aangemerkt als varend schip. De regering is van mening dat deze schepen niet gekwalificeerd moeten worden als bouwwerk en daarom bevat het wetsvoorstel een uitzondering voor deze schepen. Het betreft de categorie (historische) varende schepen waarop wordt verbleven (wonen, restaurant, museum en dergelijke). Deze schepen liggen veelal langere tijd stil, maar er wordt af en toe mee gevaren. […].
In de Woningwet wordt nu expliciet vastgelegd dat deze groep schepen niet onder de regelgeving voor bouwwerken valt. De omschrijving van de uitzondering, namelijk dat het schip moet zijn bestemd voor de vaart, sluit aan bij de terminologie van de Binnenvaartwet en het Binnenvaartbesluit. De bewoording dat een schip is "bestemd voor de vaart" geeft aan dat het schip is bedoeld om voor de vaart te gebruiken. Uiterlijk en inrichting van dit soort schepen verschilt sterk van elkaar. Bij de bepaling of een schip voor de vaart is bestemd, kan gekeken worden naar: - de vorm van het casco en het materiaalgebruik; - de bedoeling waarmee het schip oorspronkelijk is of wordt gemaakt; - de aanwezigheid van voortstuwing of aandrijving (al dan niet indirect); - de aanwezigheid van een stuurinrichting; - de zichtlijn vanuit de stuurinrichting, of - of het schip gebruikt mag worden om mee te varen op grond van de Binnenvaartwet. […]. De hier genoemde kenmerken moeten niet als cumulatief worden aangemerkt, maar zijn bedoeld als handvatten bij de beoordeling of een schip is bestemd voor de vaart en wordt gebruikt voor de vaart, aldus de toelichting. 43.8. De Afdeling is van oordeel dat artikel 1, zevende lid, van de Woningwet niet van toepassing is op [woonschip].
Uit de hiervoor weergegeven onderdelen van de Memorie van Toelichting van de Wet verduidelijking voorschriften woonboten volgt dat voldaan moet worden aan twee cumulatieve criteria om een schip als "varend" aan te merken. Het moet gaan om schepen die (1) bestemd zijn voor de vaart en (2) die - al dan niet incidenteel worden gebruikt voor de vaart. De vraag of een schip bestemd is voor de vaart moet worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria, onder meer de bedoeling waarmee het schip oorspronkelijk is gemaakt en - kortheidshalve - de constructieve en mechanische vaargeschiktheid van het schip, bijvoorbeeld de aanwezigheid van een functionerende voortstuwing en stuurinrichting. De Afdeling volgt het standpunt van de raad dat [woonschip] oorspronkelijk is gemaakt voor de (binnen)vaart. [appellanten sub 8] hebben evenwel onweersproken gesteld dat [woonschip] niet beschikt over een certificaat van onderzoek.
Uitspraak 201903497/1/R4
25
Gelet ook op het bouwjaar van het schip (voor 1975) en de omstandigheid dat niet in geschil is dat [woonschip] vanaf (omstreeks) 1975 is afgemeerd op de huidige locatie (als woonschip) en dat nadien niet met het schip is gevaren, is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk gemaakt dat [woonschip] niet wordt gebruikt voor de vaart. De enkele omstandigheid dat het schip incidenteel naar een helling is gebracht voor inspectie en onderhoud doet hier niet aan af. Gelet daarop is niet voldaan aan de hiervoor genoemde criteria. De Afdeling komt daarom tot de conclusie dat [woonschip] aan te merken is als een bouwwerk. Door voor de afmeerlocatie van [woonschip] niet te voorzien in een planregeling die ter plaatse een gebouw toelaat, heeft de raad gehandeld in strijd met het uitgangspunt dat de feitelijk bestaande situatie als zodanig wordt bestemd. Dit is in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. Conclusie 44. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellanten sub 8] gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor zover niet is voorzien in een planologische regeling voor de (voormalige) afmeerlocatie van [woonschip] die ter plaatse een gebouw toestaat. 45.
De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de beoogde locatie van de ligplaats met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak een nieuwe planregeling vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Ter voorlichting van de raad overweegt de Afdeling als volgt. Uit deze uitspraak volgt dat de raad een planregeling moet vaststellen voor de (voormalige) afmeerlocatie van [woonschip] die het mogelijk maakt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend voor [woonschip] of een daarmee in omvang gelijk woonschip. De uitspraak dwingt niet tot het als zodanig bestemmen van een groter woonschip dan [woonschip], maar dit laat onverlet dat de raad, gelet op de hem toekomende beleidsvrijheid, een ruimere planregeling mag vaststellen als hij een dergelijke planregeling ruimtelijk aanvaardbaar acht. Concreet houdt dit in dat als [woonschip] is vervangen door een woonschip dat omvangrijker is dan [woonschip], deze uitspraak de raad niet verplicht om dat (grotere) woonschip als zodanig te bestemmen. Het beroep van [appellanten sub 9] 46. [appellanten sub 9] zijn bewoners van de percelen [locatie 20] en [locatie 21] in Waverveen. De gronden ten westen van hun percelen hebben zij omstreeks 2015 gekocht van een derde en nadien ingericht en in gebruik genomen als tuin bij hun woningen.
Zowel [appellant sub 9A] als [appellant sub 9B] hebben op hun gronden een tuinhuis gebouwd van ongeveer 3 m bij 5 m. Het gebruik van deze gronden als tuin was in strijd met de agrarische bestemming van het voorheen geldende planologische regime. De raad heeft nu het gebruik als tuin als zodanig bestemd, maar zonder de mogelijkheid om ter plaatse gebouwen op te richten. 47. [appellanten sub 9] betogen dat de raad ten onrechte niet heeft voorzien in de mogelijkheid gebouwen op te richten op de gronden ten westen van hun woningen die feitelijk zijn ingericht als tuin. Het argument van de raad dat bebouwing op de voor tuin bestemde gronden afbreuk doet aan de openheid van het buitengebied houdt geen stand. Ook zonder de gebouwen is er geen sprake van een open gebied. [appellanten sub 9] stellen dat zij, nadat zij eigenaar zijn geworden van de gronden, bij de
Uitspraak 201903497/1/R4
26
gemeente hebben geïnformeerd of gebouwen zijn toegelaten op deze gronden en dat hen is medegedeeld dat dit mogelijk is. 47.1. Volgens de raad is aan de - voorheen agrarische - gronden ten westen van de woningen van [appellanten sub 9] een bestemming toegekend die aansluit bij het feitelijke gebruik als tuin bij de woningen. De gronden mogen worden ingericht als tuin, maar in de planregels is vastgelegd dat deze gronden geen "erf" zijn in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Bor. De raad is dus gedeeltelijk tegemoetgekomen aan het verzoek van [appellanten sub 9]. Gebouwen op deze gronden zijn volgens de raad ongewenst, omdat dit leidt tot verstening van het buitengebied. De raad wijst erop dat op de gronden met de bestemming "Wonen" een omvangrijk bouwvlak rust, zodat voorzien is in ruime mogelijkheden voor het positioneren van bijgebouwen op de percelen van [appellanten sub 9]. Er zijn geen zwaarwegende redenen voor het toestaan van nog ruimere bouwmogelijkheden op deze percelen, aldus de raad. 47.2. De percelen [locatie 20] en [locatie 21] zijn bestemd voor "Wonen". Het grootste deel van het bestemmingsvlak is ook aangeduid als "bouwvlak". In artikel 25, onder 25.2.1, onder h, van de planregels staat dat op deze gronden bijgebouwen en overkappingen zijn toegestaan binnen het bouwvlak, voor zover ten minste 3 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw.
De gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bedraagt per woning maximaal 50 m². De gezamenlijke oppervlakte aan overkappingen bedraagt per woning ten hoogste 30 m². Aan de gronden direct ten westen van de gronden met de bestemming "Wonen" is de bestemming "Tuin - Landschappelijk" toegekend. Volgens artikel 22, lid 22.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Tuin - Landschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor tuinen. In lid 22.2 is bepaald dat op deze gronden alleen bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn toegelaten. Blijkens lid 22.3 worden deze gronden niet beschouwd als "erf" in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Bor. 47.3. De Afdeling overweegt dat de percelen van [appellanten sub 9] liggen in het buitengebied van de gemeente. De Afdeling volgt het standpunt van de raad dat de wijde omgeving van de percelen wordt gekenmerkt door de openheid van het landschap. Dat binnen het gebied ook sprake is van bebouwde clusters maakt niet dat geen sprake is van openheid. Het beleid van de raad om (verdere) verdichting en verstening van het buitengebied tegen te gaan is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk.
De Afdeling verwijst in dit verband naar de hiervoor in 19.2 weergegeven motivering van de raad van de keuze om te voorzien in beperkte gebruiksmogelijkheden voor de gronden die voorheen een agrarische bestemming hadden en thans zijn bestemd als "Tuin - Landschappelijk". Gelet ook op de niet geringe mogelijkheden voor het oprichten van bijgebouwen en overkappingen op de gronden met de bestemming "Wonen", is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen volstaan met het als zodanig bestemmen van het gebruik van de voormalige agrarische gronden ten westen van de woonbestemming als tuin, zonder de mogelijkheid om op deze gronden bijgebouwen op te richten. Het betoog slaagt niet. 48. [appellanten sub 9] hebben gesteld dat zij bij een (balie)medewerker van de gemeente hebben geïnformeerd naar de bouwmogelijkheden op de voorheen voor agrarische doeleinden bestemde gronden en dat hen in reactie daarop is medegedeeld dat zij op deze gronden gebouwen mochten oprichten. Deze stelling hebben [appellanten sub 9] niet nader onderbouwd, zodat niet vast is komen te staan dat een dergelijke toezegging is gedaan. Alleen al daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt waaraan de raad gebonden zou zijn. Het betoog slaagt niet.
Uitspraak 201903497/1/R4
27
Conclusie 49. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellanten sub 9] ongegrond. Proceskosten 50. Ten aanzien van [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], en [appellanten sub 9] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De raad dient de proceskosten van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellante sub 3], Slachterij Amstelland, en [appellanten sub 8] te betalen op de wijze als hieronder is vermeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart gegrond de beroepen van: a. [appellant sub 1]; b. [appellant sub 2]; c. [appellante sub 3A] en Amstelkring Wilnis B.V.; d. Slachterij Amstelland B.V.; e. [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B]; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente De Ronde Venen van 21 februari 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied-West" wat betreft: a. de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" voor het perceel [locatie 2] ([appellant sub 1]); b. de aanduiding "specifieke vorm van water - historisch schip" voor de gronden met de bestemming "Water" ten westen van het perceel [locatie 4] ([appellant sub 2]); c. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 14] ([appellante sub 3]); d.
het plandeel met de bestemming "Verkeer", met de aanduiding "wetgevingzone wijzigingsgebied loswal" voor het perceel [locatie 14] ([appellante sub 3]); e. de aanduiding "maximum aantal wooneenheden = 2" voor de gronden met de bestemming "Bedrijf" aan De Hoef Westzijde 32B en 33 en Tweede Hoefweg 2/2A (Slachterij Amstelland); f. de planregeling voor de gronden met de bestemming "Wonen", met de aanduiding "woonschepenligplaats" voor de (voormalige) afmeerlocatie van [woonschip] aan/nabij de locatie waar de Ruige Kade overgaat in De Hoef Westzijde, zoals weergegeven op de bij deze uitspraak behorende bijlage "afbeelding I: ligplaats [woonschip]", voor zover ter plaatse van de feitelijke afmeerlocatie niet is voorzien in een bouwvlak ([appellanten sub 8]); III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het hiervoor onder II.c. vernietigde plandeel in stand blijven; IV. bepaalt dat de hiervoor onder II.e. vernietigde aanduiding wordt vervangen door de aanduiding "maximum aantal wooneenheden = 3"; V. bepaalt dat deze uitspraak voor zover het betreft de beslissing onder IV. in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
Uitspraak 201903497/1/R4
28
VI. draagt de raad van de gemeente De Ronde Venen op om: binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de onder II.a, b, d, en f. genoemde plandelen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; VII. treft de voorlopige voorziening dat het hiervoor onder II.b. vernietigde plandeel blijft gelden, totdat voor dat plandeel een nieuw besluit in werking is getreden; VIII. draagt de raad van de gemeente De Ronde Venen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III. wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl; IX. verklaart ongegrond de beroepen van: a. [appellant sub 4]; b. [appellant sub 5]; c. [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B]; d. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B]; X. veroordeelt de raad van de gemeente De Ronde Venen tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van: a. [appellant sub 1] tot een bedrag van € 1.098,81, waarvan € 1.068,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; b. [appellante sub 3A] en Amstelkring Wilnis B.V.
tot een bedrag van € 1.496,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; c. [appellant sub 2] tot een bedrag van € 1.496,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; d. Slachterij Amstelland B.V. tot een bedrag van 748,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; e. [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] tot een bedrag van 748,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; XI. gelast dat de raad van de gemeente De Ronde Venen aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt: a. € 174,00 voor [appellant sub 1]; b. € 174,00 voor [appellant sub 2]; c. € 345,00 voor [appellante sub 3A] en Amstelkring Wilnis B.V., met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
Uitspraak 201903497/1/R4
29
d. 345,00 voor Slachterij Amstelland B.V.; e. € 174,00 voor [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier. w.g. Uylenburg voorzitter w.g. Milosavljević griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2021 739.
BIJLAGE Afbeelding I: ligplaats [woonschip]
Uitspraak 201903497/1/R4
30
Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:2 Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Artikel 3:46 Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Artikel 8:69a De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Woningwet Artikel 1, zevende lid Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde is een schip dat wordt gebruikt voor verblijf en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart geen bouwwerk. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1, eerste lid Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, […]. Besluit omgevingsrecht Artikel 2 Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op: 10. tuinmeubilair, mits niet hoger dan 2,5 m; 11. een sport- of speeltoestel voor uitsluitend particulier gebruik, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 2,5 m, en b.
uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; Bijlage II, artikel 1, eerste lid In deze bijlage wordt verstaan onder: achtererfgebied: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;
Uitspraak 201903497/1/R4
31
bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; Binnenvaartwet Artikel 7, eerste lid Het is verboden een schip te gebruiken zonder de vereiste geldige certificaten. Artikel 9, eerste lid Onze Minister of de bevoegde autoriteit verstrekt op aanvraag voor het binnenschip een certificaat van onderzoek, indien bij onderzoek is gebleken, dat is voldaan aan de regels, bedoeld in artikel 8. Binnenvaartbesluit Artikel 6 Voor de volgende categorieën van binnenschepen is een certificaat van onderzoek vereist: a. binnenschepen met een lengte van ten minste 20 meter; […].
Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) Artikel 30, eerste lid Indien door gedeputeerde staten of, in een geval als bedoeld in artikel 29, achtste lid, door Onze Minister goedkeuring aan een vastgesteld bestemmingsplan is onthouden, stelt de gemeenteraad binnen een jaar met ingang van de dag na die, waarop de beroepstermijn bedoeld in artikel 56a, onder b of c, afloopt of, indien binnen de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, dat verzoek is afgewezen, een nieuw plan vast, waarbij het besluit van gedeputeerde staten, dan wel van Onze Minister in acht wordt genomen. Bestemmingsplan Artikel 1 Begrippen 1.54 historisch schip een (gewezen) vaartuig dat als varend monument hetzij als historisch casco is ingeschreven in het Register Varend Erfgoed Nederland van de Federatie Varend Erfgoed Nederland. 1.86 plattelandswoning een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een agrarisch bedrijf, die niet meer wordt bewoond door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is en die voor de toepassing van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de daarop rustende bepalingen wordt
Uitspraak 201903497/1/R4
32
beschouwd als onderdeel van dat agrarisch bedrijf. 1.88 permanente bewoning indien een of meerdere personen de woning al dan niet tijdelijk gebruiken als hoofdverblijf in de zin van artikel 1:10 BW - zoals dat geldt ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan - dan wel anderszins gebruiken voor niet-recreatieve doeleinden; 1.105 varend schip een schip dat bestemd is voor de vaart, gelet op de volgende factoren: de vorm van het casco en het materiaalgebruik, de bedoeling waarmee het schip oorspronkelijk is of wordt gemaakt, de aanwezigheid van voortstuwing of aandrijving (al dan niet indirect), de aanwezigheid van een stuurinrichting, de zichtlijn vanuit de stuurinrichting of het gebruikt mag worden om mee te varen op grond van de Binnenvaartwet. 1.117 woonschip een varend schip dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het wonen. Artikel 5 Bedrijf 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven van categorie 1 en 2 zoals genoemd in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 3); b. alsmede: […]. Artikel 23 Verkeer 23.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstrook met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - onverhard' uitsluitend onverharde wegen zijn toegestaan; b. voet- en fietspaden; alsmede voor: c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals geluidswerende voorzieningen, groen, parkeervoorzieningen, faunapassages, nutsvoorzieningen, reclame-uitingen en water. 23.2 Bouwregels
Uitspraak 201903497/1/R4
33
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. gebouwen zijn niet toegestaan; b. bruggen zijn toegestaan met dien verstande dat: 1. de bouwhoogte ten hoogste 5 m bedraagt; 2. de doorvaarhoogte ten hoogste 3 m bedraagt; 3. de breedte ten hoogste 10 m bedraagt; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw en geen brug zijnde, anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, de wegaanduiding of de verlichting, bedraagt ten hoogste 3 m. 23.3 Wijzigingsbevoegdheden 23.3.1 Wijziging naar bestemming Bedrijf t.b.v. loswal Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Verkeer' ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied loswal' wijzigen naar 'Bedrijf' ten behoeve van het gebruik als loswal, met inachtneming van het volgende: a. de loswal dient enkel te worden gebruikt ten behoeve van het bedrijf aan de [locatie 14]; b. in de regels of op de verbeelding moet worden verduidelijkt dat de bestemmingsvlakken van de loswal en het naastgelegen bedrijf aan de [locatie 14] zijn gekoppeld; c. bebouwing is uitsluitend toegestaan ten behoeve van het gebruik als loswal; d. er wordt geen bouwvlak opgenomen; e. er moet worden aangetoond dat de wijziging niet leidt tot onevenredige belemmeringen voor het verkeer en de verkeersveiligheid; f. er moet worden aangetoond dat het gebruik als loswal milieuhygiënisch inpasbaar is.
Artikel 22 Tuin - Landschappelijk 22.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin - Landschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen; b. groen en water; c. behoud, versterking en ontwikkeling van landschapswaarden in de vorm van: 1. openheid; 2. verkavelingspatronen. 22.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van erfafscheidingen, met een bouwhoogte van ten hoogste 1 m.
Uitspraak 201903497/1/R4
34
22.3 Specifieke gebruiksregels Deze gronden dienen niet te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van inwerkingtreding van dit plan. 22.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 22.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Tuin - Landschappelijk’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen, veranderen of dempen van wateren en waterlopen, alsmede het verwijderen van oevervegetaties; b. de aanleg van harde oeverbeschoeiingen, dammen of, stuwen; c. het verwijderen, kappen, rooien of beschadigen van bomen of andere houtgewassen die ten tijde van het in werking treden van het plan aanwezig zijn; d. het planten van bomen of andere houtige gewassen, ter plaatse waar gronden hiermee niet beplant waren ten tijde van het in werking treden van het plan; c. het aanleggen van bestratingen of andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte groter dan 50 m², paden uitgezonderd.
22.4.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 22.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de landschapswaarden zoals bedoeld in lid 22.1 niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. Artikel 25 Wonen 25.1 Bestemmingsomschrijving De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen in een woning, niet zijnde een drijvende woning, woonschip of een stacaravan/chalet; in afwijking van het bepaalde onder a: b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - drijvende woning': het wonen, uitsluitend in een drijvende woning; c. ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats': een ligplaats voor een woonschip; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - historisch schip': een ligplaats voor een historisch schip; […]. 25.2 Bouwregels
Uitspraak 201903497/1/R4
35
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 25.2.1 Woningen Ten aanzien van woningen als bedoeld in lid 25.1 onder a, gelden de volgende regels: Algemeen a. per bouwvlak is ten hoogste 1 woning toegestaan, tenzij: […]; Hoofdgebouwen a. hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouw' geen hoofdgebouwen zijn toegestaan; […].
Uitspraak 201903497/1/R4
36
Bijlage 3 RO A.C. Verhoefweg 2a
• •
•
•
• • •
• •
•