CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 15 Aanvulling passende beoordeling, Antea Group, 9 december 2024

Gemeenteraad 12 mei 2025, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Bestemmingsplan Vinkeveense Plassen 202544.692 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

>>>

H1082

Gestreepte waterroofkever

>>>

Relevant?

Ja (planbijdrage max 0,01 mol/ha/jr) op deels overbelast oppervlak van het leefgebied van deze habitatrichtlijnsoort: Lg5 grote zeggenmoeras) Nee, in relatie tot stikstofdepositie is geen sprake van een knelpunt omdat de KDW niet wordt overschreden (H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden). Negatieve effecten zijn uitgesloten. Nee, de soort is gevoellig voor stikstofdepositie. De soort maakt gebruik van H3140 Kranswierwateren en H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden. Deze zijn in de huidige situatie en op termijn niet overbelast en die situatie verandert niet door plan. Negatieve effecten zijn uitgesloten.

blad 21 van 114

Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V. Soortcode

Soortnaam

Doel Populatie/ Omvang/ Kwaliteit

H1134

Bittervoorn

===

H1145

Grote modderkruiper

===

H1149

Kleine modderkruiper

===

H1163

Rivierdonderpad

===

H1318

Meervleermuis

===

H1340*

Noordse woelmuis

>>>

H1903

Groenknolorchis

===

H4056

Platte schijfhoren

===

Relevant?

Nee, in relatie tot stikstofdepositie is geen sprake van een knelpunt omdat de KDW niet wordt overschreden (H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden). Negatieve effecten zijn uitgesloten. Nee, in relatie tot stikstofdepositie is geen sprake van een knelpunt omdat de KDW niet wordt overschreden (H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden). Negatieve effecten zijn uitgesloten. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Negatieve effecten zijn uitgesloten. Ja, planbijdrage op overbelast oppervlak van het habitattype met (potentiële) groeiplaatsen: H7140A Trilvenen. Nee, in relatie tot stikstofdepositie is geen sprake van een knelpunt omdat de KDW niet wordt overschreden (H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden). Negatieve effecten zijn uitgesloten.

Legenda *: prioritaire habitatrichtlijnsoort =: behoudsdoelstelling >: uitbreidings-/verbeterdoelstelling groen = significant gevolg is met zekerheid bij voorbaat uit te sluiten oranje = habitatsoort dient nader beoordeeld te worden.

Op basis van de analyse in tabel 6.2 zijn significante gevolgen door de planbijdrage bij voorbaat met zekerheid uit te sluiten voor alle habitatrichtlijnsoorten waarvoor de Oostelijke Vechtplassen zijn aangewezen, met uitzondering van de zeggekorfslak en de groenknolorchis.

6.2.3

Broedvogels In tabel 6.3 is aangegeven voor welke broedvogelsoorten het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen aangewezen is, of het leefgebied van deze soort stikstofgevoelig is en/of de kritische depositiewaarden in de huidige situatie (dus zonder dat hierbij het planeffect is meegenomen) worden overschreden en/of er een planbijdrage is. Tabel 6.3: Afbakening Broedvogels Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen (Aanwijzingsbesluit, Gebiedsanalyse Oostelijke Vechtplassen, 2017, NDA, 2023). Soortcode A021

Soortnaam Roerdomp

Aantal broedparen 5

Doel Omvang/ Kwaliteit >>

A022

Woudaap

10

>>

A029

Purperreiger

50

==

A119

Porseleinhoen

8

==

A197

Zwarte stern

110

>>

A229 A292

IJsvogel

10

==

Snor

150

A295

==

Rietzanger

880

==

Relevant?

Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Negatieve effecten uitgesloten. Nee, wel gevoelig voor stikstofdepositie, in relatie tot stikstofdepositie is geen sprake van een knelpunt omdat de KDW niet wordt overschreden (H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden) of geen sprake is van een planbijdrage op leefgebied (Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het zand- en veengebied). Negatieve effecten zijn uitgesloten. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Negatieve effecten zijn uitgesloten.

A298 Grote karekiet 50 == Legenda =: behoudsdoelstelling >: uitbreiding-/verbeterdoelstelling groen = significant gevolg is met zekerheid bij voorbaat uit te sluiten.

blad 22 van 114

Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.

Op basis van de analyse in tabel 6.3 zijn significante gevolgen door de planbijdrage bij voorbaat met zekerheid uit te sluiten voor alle broedvogels waarvoor de Oostelijke Vechtplassen zijn aangewezen.

6.2.4

Niet-broedvogels In tabel 6.4 is aangegeven voor welke niet-broedvogelsoorten het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen aangewezen is, of het leefgebied van deze soort stikstofgevoelig is en/of de kritische depositiewaarden in de huidige situatie (dus zonder dat hierbij het planeffect is meegenomen) worden overschreden en/of er een planbijdrage is. Tabel 6.4: Afbakening Niet-broedvogels Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen (Gebiedsanalyse Oostelijke Vechtplassen, 2017, NDA, 2022). Soortcode A017

Soortnaam

Populatie

Aalscholver

behoud

A041

Kolgans

920

A043

Grauwe gans

1200

A050

Smient

2800

A051

Krakeend

40

Instandhoudingsdoelstelling Slaap- en rustplaats Slaap- en rustplaats en foerageergebied Slaap- en rustplaats en foerageergebied Slaap- en rustplaats en foerageergebied Foerageergebied

Doel Omvang/ Kwaliteit ==

A056

Slobeend

80

Foerageergebied

==

A059

Tafeleend

120

Foerageergebied

==

A068 Nonnetje 20 Foerageergebied Legenda =: behoudsdoelstelling groen = significant gevolg is met zekerheid bij voorbaat uit te sluiten.

==

Relevant?

== == ==

Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Negatieve effecten uitgesloten.

==

Op basis van de analyse in tabel 6.4 zijn significante gevolgen door de planbijdrage bij voorbaat met zekerheid uit te sluiten voor alle niet-broedvogels waarvoor de Oostelijke Vechtplassen zijn aangewezen.

6.3

Ecologische beoordeling

6.3.1

H4010B Vochtige heiden (laagveen) Ecologische beschrijving habitattype Vochtige heiden komen voor op voedselarme, zeer natte tot zeer vochtige, matig zure tot zure standplaatsen. Kenmerkend is de hoge bedekking van gewone dophei. Kwalitatief goede vochtige heiden kunnen goed samen voorkomen met rompgemeenschap met pijpenstrootje en veenmos. Deze grazige delen mogen echter niet overheersen en komen alleen in een mozaïekvorm voor. In laagveengebieden vormt het subtype H4010B het eindstadium in de verlanding. Vochtige heide ontwikkelt zich uit eerdere successiestadia (trilveen en veenmosrietland) doordat bij het dikker worden van de kragge geleidelijk een dikkere regenwaterlens ontstaat en de bereikbaarheid van de bovengrond voor basenrijker water onder de kragge afneemt. Ook op vast veen kan verzuringdoor regenwaterlenzen leiden tot ontwikkeling van moerasheide, bijvoorbeeld vanuit voorheen bevloeide rietlanden. De vegetatie wordt gedomineerd door ondiep wortelende zuurminnende soorten. De spaarzaam voorkomende basenminnende soorten, zoals riet en paddenrus, bevinden zich met hun wortelstelsel in diepere veenlagen die (nog) voldoende basenrijk zijn. Instandhoudingsdoelstelling: Behoud oppervlakte en kwaliteit Beschrijving van het voorkomen van habitattype in het Natura 2000-gebied Het habitattype komt met een kleine oppervlakte (1,14 ha) voor in het gebied.

De kwaliteit is matig (74%) tot goed (26%). De trend in oppervlak en kwaliteit is negatief (NDA).

blad 23 van 114

Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.

De perspectieven voor toename van het oppervlak vochtige laagveenheiden zijn potentieel gezien redelijk gunstig, omdat er een redelijk areaal veenmosrietland aanwezig is, het voorstadium van dit habitattype. In de NDA zijn als habitatspecifieke knelpunten benoemd: het ontbreken van nieuwe verlandingsreeksen, te lage grondwaterstanden, waterkwaliteit (stikstof, fosfaat en sulfaat), ontbreken van voldoende basenrijke kwel, ophoping van onverteerde plantenresten, vraat en versnippering. Verdroging is ook een knelpunt. Een knelpunt is ook de trage dispersie van heidesoorten in de veenmosterreinen en de hoge stikstofdepositie in het gebied. De kwaliteit van de veenmosrietlanden staat daardoor onder druk, met name vanwege een versnelde boomopslag en verzurende depositie. Als vestiging eenmaal heeft plaatsgevonden, dan kan heide zich ondanks een hoge depositie wel uitbreiden. Waarnemingen uit Noord-Holland geven aan dat als zowel de heidevegetatie als de omgeving van de heide cyclisch wordt gemaaid (herfst, nazomer), en de houtige opslag van o.a. berk en braam jaarlijks wordt verwijderd, de hei zich snel kan uitbreiden. Om de effecten van de verhoogde N-depositie voldoende te kunnen verlichten is het belangrijk dat er binnen het watersysteem ook maatregelen worden uitgevoerd die leiden tot minder vermesting.

Hierbij gaat het vooral om een minder belastende invloed van stikstof, fosfaat en sulfaat via het oppervlaktewater. Zonder blijvend beheer zal dit habitattype door successie naar moerasbos snel verdwijnen. Zonder toegepast beheer kan het type in kwaliteit afnemen (maaien in najaar, maar niet in de winter; gefaseerd maaien) of is er weinig uitbreiding te verwachten. Beheermaatregelen bestaan uit het jaarlijks maaien en periodiek verwijderen van opslag, zowel in bestaande laagveenheiden, als in veenmosrietlanden in de omgeving van deze laagveenheiden (zodat omstandigheden voor natuurlijke successie naar laagveenheide worden bevorderd). Omschrijving planeffect en beoordeling effect stikstofdepositie Er vindt in dit habitattype als gevolg de voorgenomen planontwikkeling een toename plaats van maximaal 0,01 mol/ha op een beperkt gedeelte van het oppervlak. In bijlage 2 is een kaartbeeld opgenomen van de verspreiding en hoogte van de berekende depositietoenames in dit habitattype. Het betreft 2696 m2 ten opzichte van de totale oppervlakte van 1,4 ha (op basis van de habitattypenkaart in AERIUS-versie 2024). Dat betekent dat ruim 80% van de oppervlakte geen planbijdrage ondervindt in een overbelaste situatie. Ondanks de huidige forse overschrijding van de KDW op het habitattype kunnen de veenheiden door middel van regulier beheer in stand worden gehouden.

De toename van de depositie van 0,01 mol/ha is dermate klein ten opzichte van de achtergrondwaarde, dat dit geen invloed heeft op de effecten van de reguliere beheermaatregelen die nu worden uitgevoerd, mede gezien de redelijke kwaliteit van het habitattype. Een verzurend effect van een dergelijk lage dosis stikstof zal ook niet meetbaar zijn. De planbijdrage leidt niet tot een significante verslechtering van de kwaliteit van het habitattype. Het plan staat het behalen van de instandhoudingsdoelen, behoud oppervlakte en kwaliteit, niet in de weg.

6.3.2

H6410 Blauwgraslanden Algemene omschrijving habitattype Het habitattype betreft in ons land de zogenoemde blauwgraslanden. Het zijn soortenrijke hooilanden op voedselarme, basenhoudende bodems die ’s winters plasdras staan en ’s zomers oppervlakkig uitdrogen. De naam blauwgrasland is afgeleid van de zwak blauwgroene kleur van de soorten die het aanzien bepalen. Dat zijn bijvoorbeeld Spaanse ruiter, blauwe zegge en tandjesgras. De blauwgraslanden worden plantensociologisch gerekend tot het verbond Junco-Molinion. De begroeiingen kennen een grote variatie in soortensamenstelling, afhankelijk van bodem, hydrologie en geografische ligging (Profieldocument, 2008). Zo kunnen in het laagveengebied plaatselijk riet en melkeppe talrijk zijn, terwijl op de hogere zandgronden soorten uit de heischrale graslanden opvallend aanwezig zijn. In sommige geografische regio’s zijn bepaalde soorten kenmerkend, zoals grote pimpernel in noordelijk Noord-Brabant, veldrus in beekdalen, en karwijselie in Willinks Weust. Schrale hooilanden met veel veldrus worden eveneens tot het habitattype H6410 gerekend, wanneer ze veel soorten van het verbond Junco-Molinion bevatten (tenminste drie typische soorten aanwezig). Op relatief basenrijke natte plekken kunnen bepaalde basenminnende soorten naar voren treden zoals parnassia.

Basenrijke kwelmoerassen, waarin de typische blauwgraslandsoorten ontbreken en kleine zeggen domineren, worden echter gerekend tot het habitattype ‘alkalisch laagveen’ (habitattype H7230) (Profieldocument, 2008).

blad 24 van 114

Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.

Het habitattype komt optimaal voor op voedselarme, matig zure tot neutrale bodems. Buffering vindt plaats door aanvoer van basen met grond- en/of oppervlaktewater. In de winter staat het grondwater aan of op maaiveld, in de zomer zakt de grondwaterstand enkele decimeters of meer weg. Hoe diep de grondwaterstand mag wegzakken is sterk afhankelijk van het bodemtype en de aard van het zuurbufferend proces. Op veenbodems mag de grondwaterstand niet meer dan enkele decimeters wegzakken omdat bij diepere standen eutrofiëring of verzuring kan optreden. Op minerale bodems is de variatie in laagste grondwaterstanden groter en afhankelijk van het type grondwatersysteem. Sommige blauwgraslanden op zand blijken te verzuren als de laagste grondwaterstanden dieper dan ca. 0,7 m onder maaiveld zakken, doordat dan geen capillaire nalevering van basenrijk water meer optreedt. Ook in blauwgrasland dat gevoed wordt door kwel uit regionale kwelsystemen zakt de grondwaterstand meestal niet veel dieper weg. In sommige blauwgraslanden waar periodiek basenrijk water uit lokale systemen tot in maaiveld opkwelt, komt blauwgrasland ook voor bij dieper (tot ca. 1 m onder maaiveld) wegzakkende zomerwaterstanden (Profieldocument, 2008). Instandhoudingsdoelstelling: behoud oppervlakte en verbetering van de kwaliteit.

Beschrijving van het voorkomen van habitattype in het Natura 2000-gebied Blauwgrasland komt in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen nog maar zeer beperkt voor. In de huidige situatie komt ongeveer 2,3 hectare aan blauwgrasland voor in het gebied (habitattypenkaart AERIUS Calculator versie 2024). De kwaliteit is overwegend matig, op ca 85% van de oppervlakte. Lokaal (15% van de oppervlakte) heeft een goede kwaliteit NDA). Veel blauwgrasland is in het verleden opgebaggerd en als intensiever grasland in gebruik genomen. Dit kon eenvoudig gebeuren omdat het Blauwgrasland vooral op onvergraven veengrond voorkwam. Blauwgraslandrestanten zijn nu voornamelijk op de ribben in petgatengebieden aanwezig. Er komt nog maar een zeer klein oppervlak aan relatief goed ontwikkeld blauwgrasland voor (20%); het grootste deel van het oppervlak is matig ontwikkeld en bestaat uit verzuurde blauwgraslanden. Op veel locaties zijn rompgemeenschappen aanwezig. Doordat het habitattype slechts in kleine, sterk versnipperde oppervlakten voorkomt, zijn de bestaande oppervlakten gevoelig voor randinvloeden, met name voor verdroging tijdens droge zomers. Ook uitwisseling van zaden wordt hierdoor bemoeilijkt. Veel bestaande locaties bezitten een uitgeputte zaadbank, kans op toename van typische soorten en kensoorten die momenteel ontbreken, is daardoor klein.

De trend voor het oppervlak is stabiel en voor kwaliteit negatief (NDA). Stagnatie en achteruitgang van kwaliteit valt te verwachten als de aanvoer van basenrijke kwel in de toekomst vermindert, als er een toenemende invloed van gebiedsvreemd water ontstaat (toename fosfaat en sulfaat) en/of als er verdroging optreedt. Deze effecten worden versterkt bij een verhoogde N-depositie. Langs de oostkant van het gebied, in gebiedsdelen die door basenrijk kwelwater worden beïnvloed, bestaan kansen door verbeterde inrichting en verschralingsbeheer. De herstelmogelijkheden van verzuurde locaties op vast veen zijn onduidelijk als er geen voldoende basenrijk kwelwater meer aanwezig is. Langs sloten kunnen de kenmerkende soorten van dit habitattype nog wel voorkomen, in een smalle gradiënt van de basenrijke slootkant naar het zuurdere veenlichaam. In de huidige situatie is een hoge waterstand als belangrijke randvoorwaarde voor blauwgrasland, moeilijk te combineren met de aanvoer van basenrijk kwelwater. Het maaiveld zou dan lager moeten liggen dan de omgeving. Nu drukt een hoger peil de kwel weg, waardoor de basenvoorziening en buffering van het blauwgrasland onvoldoende is. In gebieden met een verhoogde stikstofdepositie ontstaan hierdoor problemen.

In de NDA zijn als habitatspecifieke knelpunten benoemd: de waterhuishouding (oppervlaktewaterkwaliteit, waterpeil, wegvallen kwel en inlaat gebiedsvreemd hard en/of voedselrijk water) en nabijgelegen agrarische bemesting. Op locaties met gebufferd grondwater en een geringe bemestingsinvloed is lokaal echter wel uitbreiding van blauwgrasland mogelijk, door graslanden te verschralen. Op locaties waar de toplaag is verrijkt met fosfaat (historische bemesting), is vaak afplaggen de enige optie. De waterkwaliteit moet dan echter voldoende zijn om het gewenste verschralingseffect te verkrijgen voor het ontstaan van blauwgrasland (voldoende aanvoer van mesotroof en gebufferd water). De doelstelling toename van de kwaliteit kan (deels) opgelost worden door op geschikte locaties bestaand grasland te plaggen of via maaien om te vormen tot blauwgrasland. Deze plekken dienen onder invloed te staan van basenrijk grondwater en niet verzadigd te zijn met fosfaat. Eventueel is opzetten van het waterpeil mogelijk, blad 25 van 114

Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.

echter zonder dat de kwelstroom hierdoor nadelig wordt beïnvloed. Ook mag het opzetten van het waterpeil niet leiden tot een toenemende kans op interne eutrofiëring en/of extra aanvoer van fosfaat. In relatie met verzuring door ammoniakdepositie is de geringe invloed van gebufferd grondwater een belangrijk knelpunt t.a.v. de instandhoudingsdoelstelling gericht op behoud van oppervlak en uitbreiding van de kwaliteit. Dit knelpunt kan het best worden opgelost door het toepassen van systeemgerichte maatregelen die de invloed van basenrijk kwelwater en het weren van gebiedsvreemd water bevorderen. Koppeling met vergelijkbare maatregelen t.a.v. andere habitattypen, met name H7210 Galigaanmoerassen en H7140A Trilvenen is hierbij gewenst. Omschrijving planeffect en beoordeling effect stikstofdepositie Er vindt in dit habitattype een toename plaats van maximaal 0,01 mol/ha/jr op de overbelaste delen (0,2 ha). In bijlage 2 is een kaartbeeld opgenomen van de verspreiding en hoogte van de berekende depositietoenames in dit habitattype. 0p 2,1 ha (= ruim 90% van het oppervlak) is geen sprake van een planbijdrage en zijn negatieve effecten uit te sluiten. Het habitattype in de Oostelijke Vechtplassen staat momenteel onder druk van versnippering en verzuring.

Gezien de sturende rol van aanvoer van kwelwater in combinatie met een hoog waterpeil, alsook de hoogte van het maaiveld, zijn de omstandigheden voor het habitattype ongunstig te noemen. De langdurige invloed van menselijk ingrijpen op de waterhuishouding heeft de hydrologische situatie dusdanig beïnvloed dat gunstige omstandigheden voor het habitattype ontbreken. De ontwikkelmogelijkheden voor het habitattype zijn reeds beperkt. Verzuring komt hoofdzakelijk door het wegvallen van basenrijk grondwater. Atmosferische stikstofdepositie kan een versterkende invloed hebben op deze processen. Echter zodra de watertoevoer naar het habitattype wordt verbeterd, zullen er ook geen effecten meer zijn van stikstofdepositie. Stikstofdepositie vormt daarmee niet het maatgevende probleem voor blauwgraslanden in de Oostelijke Vechtplassen. De kleine toename van de stikstofdepositie zal geen merkbaar verschil veroorzaken in de vegetatiesamenstelling van het habitattype. De lokale, toename van stikstofdepositie met maximaal 0,01 mol/ha leidt daarom niet tot een significante verslechtering van de kwaliteit van het habitattype, heeft geen nadelige gevolgen voor het effect van nog uit te voeren instandhoudingsmaatregelen en staat daardoor de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling, behoud van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit, niet in de weg.

6.3.3

H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) Algemene omschrijving habitattype Het habitattype Overgangs- en trilvenen is onder te verdelen in de subtypen Trilvenen en Veenmosrietlanden. De typen worden hieronder gezamenlijk beschreven. Het habitattype overgangs- en trilvenen betreft soortenrijke veenbegroeiingen van betrekkelijk voedselarme tot matig voedselrijke omstandigheden. De plantengemeenschappen van de overgangs- en trilvenen vormen ontwikkelingsstadia in de verlanding die begint in het open water van sloten, plassen en petgaten. In Nederland komen ze vooral voor in het laagveengebied. Verder kunnen overgangs- en trilvenen ook ontstaan in veenvormende systemen in de middenlopen van beekdalen, op de overgangen van de hogere (pleistocene) zandgronden naar laagveen en in zeekleilandschappen. Uitgaande van het verlandingsproces worden de overgangs- en trilvenen van dit habitattype voorafgegaan door begroeiingen van het open water, zoals drijftil- en krabbenscheergemeenschappen (habitattype H3150). De overgangs- en trilvenen worden in de successiereeks opgevolgd door struweel of bos, onder bepaalde omstandigheden ook door moerasheiden (habitattype H4010). Veenmosrietland dat is dichtgegroeid met wilgen, berken of elzen behoort niet tot het habitattype. De soorten van trilvenen en veenmosrietland kunnen hier wel plaatselijk nog met lage bedekkingen aanwezig zijn.

Verzuring die door toenemende regenwaterinvloed aan de oppervlakte begint, is een natuurlijk proces in laagveensystemen. Daarbij wordt de vegetatiemat heel geleidelijk dikker en eenvormiger en gaan trilvenen, subtype A, over in veenmosrietland, subtype B, of moerasheide, habitattype H4010B vochtige heiden (laagveengebied) (Profieldocument, 2008). H7140A overgangs- en trilvenen (trilvenen) bestaan uit mosrijke op het water drijvende plantenmatten. Van de vaatplanten voeren schijngrassen de boventoon en in de moslaag domineren slaapmossen. In trilvenen kunnen blad 26 van 114

Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.

zeldzame orchideeën groeien (Profieldocument, 2008). Veenmosrietlanden (subtype B) is verder al beschreven in paragraaf 4.3.1. Instandhoudingsdoelstelling: uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit. Beschrijving van het voorkomen van habitattype in het Natura 2000-gebied Trilvenen komen over een (zeer) kleine oppervlakte voor in de Oostelijke Vechtplassen in het plassen- en moerasgebied, veelal in zeer smalle zones aan de rand van veenmosrietland. In totaal gaat het circa 20 hectare trilveen. 15,84 ha heeft een goede kwaliteit en 1,49 ha een matige kwaliteit (NDA). Alhoewel er lokaal door effectgerichte maatregelen gunstige ontwikkelingen zijn opgetreden, is de trend van het habitattype negatief (NDA). De belangrijkste verandering in het gebied is wel de zeer sterke achteruitgang van de associatie van Schorpioenmos en Ronde zegge, dat tot aan 1950 vrij algemeen voorkwam in het gebied. De zeer sterke achteruitgang van deze associatie hangt vooral samen met de verminderde invloed van gebufferd kwelwater, onder andere door verharding van het inzijgingsgebied (Utrechtse heuvelrug) en door de toenemende drinkwaterwinning na 1950. Ook een toenemende vermesting van het oppervlaktewater speelt een rol in de achteruitgang.

In de Westbroekse Zodden is een aantal percelen na 2001 afgeplagd, plaatselijk hebben zich hier bijzondere soorten als Ronde zegge en Stijve moerasweegbree uitgebreid. Er zijn trilveensoorten verschenen langs de randen van petgaten die 15 jaar geleden zijn uitgebaggerd. In plagstroken en geplagde randen van petgaten is Ronde zegge toegenomen. Al deze ontwikkelingen zijn positief, maar het heeft nog nergens geleid tot het ontstaan van trilvenen. Daarnaast blijft verzuring een probleem en sinds 2000 is een soort als Draadzegge verder achteruitgegaan op verzuurde locaties in de Molenpolder. Dit duidt nog steeds op een verminderde invloed van gebufferd kwelwater. Ook ontwikkelingen ten noorden van het Bosje van Robertson (Bethunepolder) duiden op een afnemende invloed van kwelwater. Een belangrijk ander probleem is dat nieuwvormingen van trilveen uit open water thans niet meer optreden. Initiële verlandingsstadia in open water die vervolgens tot Schorpioenmostrilveen leiden, ontbreken. De perspectieven voor dergelijke natuurlijke ontwikkelingen van trilveen zijn op korte termijn niet gunstig. Naast stikstof blijkt ook fosfaat een belangrijke factor. Als de P-beschikbaarheid toeneemt, wordt het trilveen gevoeliger voor de vestiging van snelgroeiende veenmossen met een hoge verzuringscapaciteit.

Hierdoor nemen veenmossen als Sphagnum squarrosum en Sphagnum fallax toe, wat leidt tot verzuring en het verdwijnen van de karakteristieke basenrijke soorten. Behalve door verandering in de waterkwaliteit en de toegenomen depositie, is in het verleden ook veel oppervlak verdwenen door het staken van het beheer. Na 1950 was het maaien van trilveen economisch niet meer interessant, waardoor plaatselijk trilveenoppervlak is overgegaan in broekbos of in kleine oppervlakten met H91D0 Hoogveenbos. Trilvenen met enig oppervlak komen nog voor in Het Hol en Polder Westbroek. Kleinere oppervlakten met H7140A Trilveen worden o.a. aangetroffen in de Molenpolder en de Oostelijke Binnenpolder van Tienhoven. Een ander probleem is, dat nieuwvorming vanuit jonge verlanding uit open water momenteel niet meer plaats vindt. Hierdoor bestaan er in het gebied geen ruimtelijke en temporele overgangen meer tussen de initiële vormen van het trilveen naar trilvenen die door schorpioenmos worden gedomineerd. Trilvenen worden in stand gehouden door een maaibeheer, maar bij het wegvallen van voldoende buffering (verminderde aanvoer gebufferd kwelwater) gaan veenmossen in de moslaag toenemen. Door successie treedt verdikking van de kraggebodem op, waardoor de indringing van gebufferd water enigszins wordt verminderd.

Deze successie naar zuurdere en veenmosrijke stadia wordt versneld door hydrologische isolatie en een toenemende invloed van regenwater. Bij een afnemende invloed van gebufferd kwelwater neemt de invloed van verzurend regenwater nog verder toe en ontstaan er steeds zuurdere stadia waar veenmossen gaan domineren. Uiteindelijk gaan de trilvenen over in veenmosrietland (H7140B). Ook eutrofiëring kan van invloed zijn op de verzuringssnelheid. Zo kan een toenemende fosfaatconcentratie in het water leiden tot toename van snelgroeiende en sterk verzurende veenmossen als Sphagnum squarrosum en Sphagnum fallax, soorten die zich onder relatief basenrijke condities al kunnen vestigen. In de NDA zijn als habitatspecifieke knelpunten/aandachtspunten benoemd: gunstige ontwikkelingen vinden uitsluitend plaats door lokaal genomen effectgerichte maatregelen. Een van de voornaamste knelpunten is de blad 27 van 114

Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.

verminderde invloed van gebufferd kwelwater en onvoldoende oppervlaktewaterkwaliteit (te voedselrijk). Het wegvallen van voldoende maaibeheer in het verleden heeft bijgedragen aan de achteruitgang van het trilveen. Tenslotte vindt nieuwvorming via jonge verlanding vanuit open water nauwelijks plaats door de matige oppervlaktewaterkwaliteit en verminderde invloed van kwelwater. Verdroging en eutrofiering zijn ook knelpunten. Omschrijving planeffect en beoordeling effect stikstofdepositie Er vindt in dit habitattype een toename plaats van maximaal 0,01 mol/ha/jr op 3,8 ha van dit habitattype. Een deel van dit beïnvloede oppervlak is overbelast (zie tabel 6.5). 7,1 ha van de oppervlakte ondervindt geen toename Dat betreft 79 % van het oppervlak. Daar zijn negatieve effecten uit te sluiten. Er vindt ook een planbijdrage plaats op niet overbelaste locaties van dit habitattype en op naderend overbelaste locaties (zie tabel 6.5). Bij de naderend overbelaste situaties leidt de planbijdrage nergens tot een overschrijding van de KDW. In bijlage 2 is een kaartbeeld opgenomen van de verspreiding en hoogte van de berekende depositietoenames in dit habitattype. Tabel 6.5: Planbijdrage H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) in Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen Habitattype * H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen)

Planbijdrage (mol/ha/jr.)

Overbelast10 opp. met toename (ha)

Naderend overbelast opp. met toename (ha)

Niet overbelast opp. met toename (ha)

Totaal opp. binnen N2000-gebied ((ha)11

0,01

3,4

0,3

0,1

18,2 ha

Ondanks de gedeeltelijke overschrijding van de KDW binnen het gebied heeft het habitattype een goede tot matige kwaliteit. Het grootste knelpunt voor het habitattype is een verminderde toevoer van basenrijk grondwater. Hierdoor neemt het aantal typische soorten af en komt de nieuwe vorming van veen moeilijk op gang. Stikstofdepositie kan bijdragen aan de verdere afname aan kwaliteit en omvang maar is hierin niet de sturende factor. Een kleine bijdrage van maximaal 0,01 mol/ha op een gedeelte van het areaal van het habitattype zal hier geen verschil in maken. Een depositie van zo’n kleine omvang zal niet zorgen voor een verandering in de samenstelling van de vegetatie. De toename van stikstofdepositie met maximaal 0,01 mol/ha op een deel van het areaal leidt daarom niet tot een significante verslechtering van de kwaliteit van het habitattype, heeft geen nadelige gevolgen voor het effect van nog uit te voeren instandhoudingsmaatregelen en staat daardoor de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling, uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit, niet in de weg.

6.3.4

H7140B Overgangs- en trilvenen (Veenmosrietlanden) Algemene omschrijving habitattype: Zie paragraaf 4.3.1 Instandhoudingsdoelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering van de kwaliteit Beschrijving van het voorkomen van habitattype in het Natura 2000-gebied Veenmosrietlanden komen over een (zeer) kleine oppervlakte voor in de Oostelijke Vechtplassen in het plassenen moerasgebied, veelal in zeer smalle zones aan de rand van trilvenen. In totaal gaat het circa 22,3 hectare veenmosrietlanden (habitattypenkaart AERIUS Calculator versie 2024, In de NDA wordt 21, 36 ha gemeld). Op basis van de vegetatietypen die zijn aangetroffen is veenmosrietland voor het grootste deel (2/3) goed ontwikkeld. Circa 85% van het oppervlak is matig ontwikkeld. Circa 15% van het oppervlak is goed/matig ontwikkeld. De trend in oppervlakte en kwaliteit is negatief (NDA).

10

In dit rapport worden de termen ‘niet overbelast’, ‘naderend overbelast’ en ‘overbelast’ gehanteerd. Deze hebben betrekking op het al dan niet overschrijden van de KDW. Afhankelijk van de achtergrondwaarde wordt vastgesteld of de KDW wordt overschreden. Van een naderende overbelaste situatie is sprake wanneer de achtergrondwaarde minder dan 70 mol/ha/jr. onder de KDW ligt. Als de KDW wordt overschreden, is er een overbelastn gebied. Daar waar de achtergrondwaarde meer dan 70 mol/ha/jr. onder de KDW ligt, wordt de term ‘niet overbelast’ gehanteerd. 11

Habitattypenkaart AERIUS Calculator versie 2024. In de NDA wordt melding gemaakt van 17,33 ha.

blad 28 van 114

Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.

In de NDA zijn als habitatspecifieke knelpunten benoemd: de verminderde invloed van gebufferd kwelwater, verdroging,matige oppervlaktewaterkwaliteit en het ontbreken van nieuwvorming door nieuwe verlandingsreeksen. Door de verminderde invloed van gebufferd kwelwater (of overstroming met mesotroof en gebufferd oppervlaktewater) zijn trilvenen en galigaan-verlandingen met schorpioenmos verzuurd en via half-natuurlijke successie (maaien en afvoeren) overgegaan in veenmosrietland. Hierdoor is tussen 1950 en 1990 het oppervlak aan veenmosrietland snel toegenomen. Vanaf de jaren 1970-1980 is in het veenmosrietland een kwaliteitsverandering opgetreden, waardoor verzuringsgevoelige soorten als Sphagnum subnitens en Pallavicinia lyellii zijn achteruitgegaan. Ten opzichte van de jaren 1960-1980 is hierdoor het oppervlak aan matig ontwikkeld Veenmosrietland toegenomen, wat lokaal tot uiting komt door de dominantie van haarmossen in de moslaag. Bij een hoge stikstofdepositie is de verwachting dat zonder aanvullende maatregelen het oppervlak met matige kwaliteit zal toenemen, als gevolg van toename van haarmossen. Toename van haarmossen is positief gerelateerd aan verzurende stikstofdepositie, maar ook aan verdroging. Na 1960 is tevens een deel van het oppervlak veenmosrietland door het staken van het maaibeheer overgegaan in moerasbos.

De algemene trend van veenmosrietland is tot aan 2000 daarom negatief. Na 2000 is er lokaal nog steeds sprake van achteruitgang, zoals de toename van wilgenopslag in voormalig veenmosrietland in de Gagelpolder (door het staken van beheer). Ook in de Molenpolder is in enkele veenmosrietlanden sprake van bosopslag. Op locaties waar het beheer uit jaarlijks maaien en afvoeren bestaat is het veenmosrietland in omvang gelijk gebleven, zoals in de Bethunepolder en delen van de Gagelpolder. In de Westbroekse zodden is sprake van toename van oppervlak aan veenmosrietland, waarbij ook soorten van hoogvenen toenemen. Afhankelijk van het beheer kan de netto trend t.a.v. het oppervlak in een gebied dus gelijk of toenemend zijn. Toename van jong veenmosrietland waarin soorten als Sphagnum subnitens en Pallavicinia lyellii regelmatig voorkomen, treedt verhoudingsgewijs nog maar weinig op. Als successiestadium vormen veenmosrietlanden een essentiële schakel tussen de jonge verlandingsstadia en de vochtige laagveenheiden (H4010B). Oudere en vooral verzuurde successiestadia van het veenmosrietland, kunnen zich ontwikkelen tot Hoogveenbos (H91D0) als het beheer wordt gestaakt.

Voor het realiseren van de gewenste verlandingsreeks richting H7140B Veenmosrietland, zijn voedselarme, tot matig voedselrijke milieucondities nodig met een goede waterkwaliteit (laag P- en N-gehalte, laag sulfaatgehalte). Een vitale verlandingsreeks bevat over een groot oppervlak alle habitattypen en hun tussenstadia verspreid in ruimte en tijd. In het Vechtplassengebied betreft dat vooral de habitattypen H3150, H7140A en H4010B. De basis randvoorwaarde van een goede waterkwaliteit is belangrijk voor de levensduur van jonge, soortenrijke stadia van het veenmosrietland. In sulfaatrijke of vermeste oppervlaktewateren versnelt de successie richting soortenarme, door Fraai veenmos of Gewoon haarmos gedomineerde stadia. In mesotrofe stadia met gebufferd water gaat de verzuring langzaam en kunnen drijvende, natte en soortenrijke stadia van het veenmosrietland lang aanwezig zijn. Kletsnatte, slappe en drijvende kraggen, met een niet al te verzuurd veenmosdek (pH 5-6) zijn belangrijk voor het voorkomen van de typische soort Veenmosorchis. Door natuurlijke verzuring, onder invloed van de vorming van een regenwaterlens en verdikking van de kragge, gaat het type – onder invloed van nazomer- of herfstmaaien, uiteindelijk over in H4010B Vochtige laagveenheide. Successie naar dit habitattype wordt vaak gehinderd door de geringe dispersiemogelijkheden van de heidezaden.

Door voortgaande successie gaan neutrale tot basenrijke (Bloemrijk rietland) initiële of jonge successiestadia van het veenmosrietland over in latere, zuurdere en oude stadia. Hierdoor kan de kwaliteit afnemen (omslag goed naar matig, verdwijnen van typische soorten en/of toename van Sphagnum fallax en Polytrichum commune). Door verdroging en zure depositie neemt het oppervlak aan matig ontwikkelde vegetatietypen verder toe. Het ontbreken van jonge stadia veenmosrietland in de Oostelijke Vechtplassen, evenals initiële trilvenen, hangt ook samen met de achteruitgang van het oppervlak aan waterriet (geringe peilfluctuaties) en jonge rietverlanding. Hierdoor domineren vooral oudere stadia met veenmosrietland. Daarnaast is door staken van het beheer het oppervlak aan veenmosrietland afgenomen door successie richting elzenbos of berkenbroekbos (waaronder Hoogveenbos H91D0). Omschrijving planeffect en beoordeling effect stikstofdepositie Er vindt in dit habitattype een toename plaats van maximaal 0,01 mol/ha/jr op 3,3 ha overbelast oppervlak. In bijlage 2 is een kaartbeeld opgenomen van de verspreiding en hoogte van de berekende depositietoenames in blad 29 van 114

Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.

dit habitattype. Het gebied met een planbijdrage betreft niet het gehele oppervlak van het habitattype. 19,0 ha ondervindt geen planbijdrage. Dat betekent dat circa 85% van de oppervlakte geen planbijdrage ondervindt. Voor het zoekgebied ondervindt 0,08 ha een planbijdrage van 0,01 mol/ha/jr in een overbelaste situatie en ondervindt 0,5 ha geen planbijdrage. Dat is 86% van het oppervlak. Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie, maar komt nog over aanzienlijke oppervlaktes voor in het gebied. Een toename van de depositie met 0,01 mol/ha is dermate klein, dat dit geen invloed heeft op de effecten van de reguliere beheermaatregelen die nu worden uitgevoerd, mede gezien de redelijke kwaliteit van het habitattype. Een verzurend effect van een dergelijk lage dosis stikstof zal ook niet meetbaar zijn. Deze toename zal daarom niet leiden tot een meetbare verandering in de vegetatiesamenstelling en daarmee geen significante verslechtering van de kwaliteit van het habitattype opleveren. De lokale, toename van de stikstofdepositie zal geen effecten hebben op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit.

6.3.5

H7210 Galigaanmoerassen Ecologische beschrijving habitattype: zie paragraaf 5.3.2 Instandhoudingsdoelstelling: Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit Beschrijving van het voorkomen van habitattype in het Natura 2000-gebied Verlanding met Galigaan komt slechts in beperkte delen van de Oostelijke Vechtplassen voor. Het habitattype komt met een oppervlakte van 3,2 ha voor in het Natura 2000-gebied (habitattypenkaart AERIUS Calculator versie 2024, de NDA maakt melding van 1,39 ha). Het grootste oppervlakte aan galigaanmoeras komt voor in Het Hol. Snippers zijn ook aanwezig in de Vuntus, de Molenpolder en Kortenhoef west en de Wijde Blik (oostkant). De voornaamste potenties voor dit habitattype zijn aanwezig in de kwelgevoede delen van de Oostelijke Vechtplassen. Herstel van de kwelwaterinvloed en waterkwaliteitsverbetering leidt hier tot kansen voor de ontwikkeling van dit habitattype. De huidige kwaliteit is goed/matig. Indien de kwaliteit uitsluitend wordt gebaseerd op vegetatietype (Cladietum), dan is het gehele oppervlak als goed te kwalificeren. Op basis van de kenmerken structuur en functie (zie profielendocument voor H7210), is echter het grootste deel van het oppervlak H7210 matig ontwikkeld (Gebiedsanalyse Oostelijke Vechtplassen, 2017).

Een groot deel van de aanwezige Galigaanvegetatie is zoomvormig ontwikkeld en bestaat uit een dichte begroeiing van Galigaan, met op de bodem een dikke laag strooisel. Deze vegetaties zijn doorgaans soortenarm. Overgangen van natte Galigaan-kragges naar trilveen, waar in de Galigaan-vegetatie ook soorten van trilvenen voorkomen, zijn zeldzaam. Het gaat om vrij open en slaapmosrijke Galigaankraggen met soorten als Rood schorpioenmos en Groenknolorchis. De trend in de oppervlakte en kwaliteit is stabiel. In de NDA zijn als habitatspecifieke knelpunten benoemd: de verminderde invloed van gebufferd kwelwater en oppervlaktewaterkwaliteit (voedselrijkdom). Galigaanmoerassen zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor verzuring en vermesting, het wegvallen van de grondwaterinvloed en/of een verminderde aanvoer van mesotroof oppervlaktewater. Voor het ontstaan van soortenrijke Galigaanmoerassen is het belangrijk dat er mesotroof en basenrijk water aanwezig is op de standplaatsen met Galigaan. Omschrijving planeffect en beoordeling effect stikstofdepositie Er vindt in dit habitattype een toename plaats van maximaal 0,01 mol/ha/jr. In bijlage 2 is een kaartbeeld opgenomen van de verspreiding en hoogte van de berekende depositietoenames in dit habitattype. Op 1,96 ha van het habitattype is geen sprake van een planbijdrage, dat is circa 61% van het oppervlak van het habitattype.

Hier is geen sprake van een negatief effect. Op 0,50 ha is sprake van de planbijdrage op hexagonen die niet overbelast zijn. Dit betreft ca 16 % van het oppervlak van het habitattype. Hier is geen sprake van een negatief effect. 0,15 ha ondervindt een planbijdrage in een naderend overbelast situatie. De planbijdrage leidt daar nergens tot een overschrijding van de KDW.

blad 30 van 114

Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.

0,58 ha van dit habitattype is overbelast en ondervindt een planbijdrage, dat is ca 18 % van het oppervlak van het habitattype. Gelet op het feit dat de aanwezigheid van mesotroof en basenrijk water een factoren van groter belang is voor deze vegetatie dan stikstof kunnen de effecten van de berekende toename van de stikstofdepositie met maximaal 0,01 mol/ha op het – beperkt in oppervlakte - overbelaste deel van dit habitattype als verwaarloosbaar worden beschouwd. Deze depositietoename leidt daarom niet tot een significante verslechtering van de kwaliteit van het habitattype en staat de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling niet in de weg.

6.3.6

H91D0 Hoogveenbossen Algemene omschrijving habitattype Dit habitattype omvat relatief laag blijvende berkenbossen met dominantie van zachte berk in de boomlaag en een ondergroei die vooral bestaat uit veenmossen (Sphagnum soorten). Het zijn natte bossen ofwel zogenoemde berkenbroekbossen op veenbodems. Het habitattype wordt aangetroffen op voedselarme, zure veengronden die permanent onder invloed staan van hoge grondwaterstanden. In het laagveengebied en rivierengebied gaat het meestal (nog) om gemeenschappen van het ‘laagveenstadium’ en die zijn beschreven als de associatie Zompzegge-Berkenbroek. Op de hogere zandgronden is het ‘hoogveenstadium’ meer aan de orde en dat is beschreven als associatie Dophei-Berkenbroek (Erico-Betuletum pubescentis). In de praktijk, op gebiedsniveau, is het onderscheid in deze associaties soms lastig te maken, vooral daar waar overgangen optreden van hoogveen naar beekdalen. Om deze reden wordt dit onderscheid niet tot uitdrukking gebracht in subtypen. Instandhoudingsdoelstelling: behoud oppervlakte en kwaliteit Beschrijving van het voorkomen van habitattype in het Natura 2000-gebied Hoogveenbossen komen in een groot aantal deelgebieden voor, in een aantal gevallen in aanzienlijke oppervlakten en in veelal goede kwaliteit. De huidige oppervlakte is 81,56 ha (Bron habitattypenkaart AERIUS versie 2024). 94% van de oppervlakte is in goede kwaliteit.

Het resterende deel (6%) heeft een matige kwaliteit. In deelgebied Het Hol komt een uitgebreid complex voor van elzenbroekbossen met overgang naar berkenbroek. Ook in de Ster, Kortenhoef west en de Breukeleveense Plas (deelgebied Loosdrechtse Plassen) komen hoogveenbossen over een vrij groot oppervlakte voor. In het Stergebied gaat het om moerasbos dat zich heeft ontwikkeld in de richting van hoogveenbos als gevolg van het verbossen van (voormalig) trilveen en veenmosrietland. Een aaneengesloten hoogveenbos is aanwezig aan de westrand van de Breukeleveense Plas (deelgebied Loosdrechtse Plassen). In deze omgeving liggen ook nog een wilgen- en elzenbroekbos die zich in dezelfde veenmosrijke richting aan het ontwikkelen zijn. De trend in oppervlakte is stabiel, de trend in kwaliteit is negatief (NDA). Door het ontbreken van grote aaneengesloten oppervlakten bos waar weinig indringing van voedselrijk water is, hebben zich geen uitgebreide oppervlakten met veenmosrijk berkenbos ontwikkeld zoals in het Naardermeer. In de NDA zijn als habitatspecifieke knelpunten benoemd: het ontbreken van voldoende grote robuuste eenheden nat broekbos zonder directe invloed van oppervlaktewater. De aanwezigheid van exoten als appelbes en Amerikaanse vogelkers vormt een bedreiging voor het habitattype hoogveenbossen. Verdroging, eutrofiering en verruiging zijn ook knelpunten.

Van belang voor hoogveenbossen zijn maatregelen gericht op systeemherstel, zoals verbetering van oppervlaktewater- en grondwaterkwaliteit. Dit staat los van stikstofdepositie. Omschrijving planeffect en beoordeling effect stikstofdepositie Er vindt in dit habitattype en in het zoekgebied van dit habitattype lokaal een toename plaats van maximaal 0,01 mol/ha/jr. Voor het zoekgebied is de toename alleen ter plekke van niet overbelaste hexagonen. Daar is een significant gevolg uit te sluiten. Daarom wordt in deze subparagraaf verder niet ingegaan op het zoekgebied. Op 38,63 ha is geen sprake van een planbijdrage. Dat is ca 47% van het oppervlak van het habitattype. Voor deze oppervlakte is een negatief effect uit te sluiten. Op 37,50 ha is sprake van een planbijdrage op niet overbelaste oppervlak van dit habitattype. Voor deze oppervlakte is een negatief effect uit te sluiten.

blad 31 van 114

Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.

Op 1,41 ha is sprake van een planbijdrage op naderend overbelast oppervlak. Dat is circa 2% van het totale oppervlak van het habitattype. Bij de naderend overbelaste situaties leidt de planbijdrage nergens tot een overschrijding van de KDW. Voor deze oppervlakte is een significant gevolg uit te sluiten. Op 4,11 ha is sprake van een planbijdrage in een overbelaste situatie. Dat is circa 5% van het totale oppervlak van het habitattype. Circa 93% van de oppervlakte van het habitattype is daarmee niet relevant voor de ecologische beoordeling. In bijlage 2 is een kaartbeeld opgenomen van de verspreiding en hoogte van de berekende depositietoenames in dit habitattype. Het habitattype is beperkt gevoelig voor stikstofdepositie. Voor het behoud van de kwaliteit is een goede waterkwaliteit belangrijk, waarbij weinig invloed is van eutroof oppervlaktewater (lage hoeveelheden fosfaat en sulfaat), of waarbij oppervlaktewater het bos niet diep kan indringen. Vandaar dat grotere aaneengesloten boscomplexen doorgaans een hoge kwaliteit bezitten dan versnipperde of door sloten doorsneden boscomplexen. Een toename van de depositie met 0,01 mol/ha op is dermate klein, dat dit geen invloed heeft op de effecten van de instandhoudingsmaatregelen die nu worden uitgevoerd, mede gezien de redelijke kwaliteit van het habitattype.

Een vermestend en verzurend effect van een dergelijk lage dosis stikstof zal ook niet meetbaar zijn. Deze toename zal daarom niet leiden tot een meetbare verandering in de vegetatiesamenstelling, en daarmee geen significante verslechtering van de kwaliteit van het habitattype opleveren. De lokale toename van de stikstofdepositie zal geen effecten hebben op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen behoud van de oppervlakte en van de kwaliteit.

6.3.7

Zeggekorfslak (Lg05 Grote zeggenmoeras) Algemene beschrijving habitatrichtlijnsoort De Zeggekorfslak is een landslakje uit de familie der Vertiginidae. Met een hoogte van 2,1 tot 3,0 mm en een diameter van 1,4 tot 1,7 mm is deze soort duidelijk forser dan de Nauwe korfslak. De Zeggekorfslakjes worden meestal aangetroffen op de bladeren van zeggen op plekken die begroeid zijn met roestachtige schimmels. In Nederland wordt de soort vooral aangetroffen in bron- en moerasbossen met een dichtbegroeide tot ijle ondergroei van moeraszegge en anderzijds oevers met Pluimzegge, oeverzegge, scherpe zegge en groot liesgras. Hierin wijkt de Zeggekorfslak af van de meeste andere landslakken, die verblijven in het strooisel. De Zeggekorfslak leeft van schimmels die parasiteren op de moerasplanten. Galigaanmoerassen zijn een derde type leefgebied. Instandhoudingsdoelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie Beschrijving van het voorkomen van de habitatrichtlijnsoort in het Natura 2000-gebied Deze kritische soort blijkt wijd verspreid voor te komen in het Oostelijke Vechtplassengebied. In kalkrijke, mesotrofe verlandingsvegetaties in de polders en in grote zeggenvegetaties langs plassen.

De dichtheden van de populatie bedragen doorgaans niet veel meer dan enkele tientallen exemplaren per vierkante meter, maar er zijn ook locaties aangetroffen waar enkele honderden dieren per vierkante meter zijn waargenomen. De aantalstrend is onduidelijk, de trend voor het leefgebied is negatief (NDA).

Knelpunten en perspectieven hangen voor de zeggekorfslak samen met vegetatietypen die bij verlanding horen, zoals verschillende typen moerassen en broekbossen (NDA). Beheer kan een grote rol spelen voor populaties van de zeggekorfslak. In vegetaties die jaarlijks worden gemaaid, wordt de soort nauwelijks gevonden. Bij maaibeheer is het van belang dat maaisel een paar weken blijft liggen voordat het wordt afgevoerd, zodat de slakken de mogelijkheid hebben om weg te komen. Klepelen van de oevervegetatie is funest voor de soort. Het dumpen van gemaaid riet of hooi, bagger of plagsel in broekbossen heeft een sterk negatief effect omdat dat het leefgebied ongeschikt maakt. Een overschrijding van de KDW vindt op een klein deel van het leefgebied plaats. Hier zijn maatregelen noodzakelijk (opslag verwijderen en/of gefaseerd maaien in grote zeggenmoerassen, rekening houden met de aanwezigheid van de soort, zie hiervoor).

blad 32 van 114

Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.

Omschrijving planeffect en beoordeling effect stikstofdepositie Er vindt in het enige stikstofgevoelige leefgebied van de zeggekorfslak in de Oostelijke Vechtplassen (Lg05 Groot zeggenmoeras, KDW 1714 mol/ha/jr) een toename plaats van maximaal 0,01 mol/ha/jr op: • 22 ha overbelast oppervlak van het leefgebied; • 10 ha naderend overbelaste locaties. Bij de naderend overbelaste situaties leidt de planbijdrage nergens tot een overschrijding van de KDW; • 294 ha niet overbelaste oppervlak van het leefgebied. Daar zijn negatieve effecten uit te sluiten Op 379 ha van dit leefgebied is geen sprake van een planbijdrage. Daar zijn negatieve effecten uit te sluiten. In bijlage 2 is een kaartbeeld opgenomen van de verspreiding en hoogte van de berekende depositietoenames in dit leefgebied. Voor het behoud van de omvang en kwaliteit van het leefgebied voor het behoud van de populatie is een goede waterkwaliteit belangrijk en veel ruimte voor verlanding. Vandaar dat een toename van de depositie met 0,01 mol/ha dermate klein is, dat dit geen invloed heeft op de effecten van de instandhoudingsmaatregelen die nu worden uitgevoerd. Deze toename zal niet leiden tot een meetbare verandering in de vegetatiesamenstelling of tot het achterblijven van de verlanding, en daarmee geen significante verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied opleveren.

Bovendien heeft het grootste deel van het leefgebied (95%) geen stikstofknelpunt en dat verandert niet door het plan. De toename van de stikstofdepositie zal geen effecten hebben op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen behoud van de oppervlakte en van de kwaliteit voor behoud van de populatie.

6.3.8

Groenknolorchis Algemene beschrijving habitatrichtlijnsoort De Groenknolorchis is een laag blijvende, geelgroene orchidee met een ijle tros van vier tot acht weinig opvallende bloemen. De stengel draagt aan de voet twee breed langwerpige bladeren. De stengelvoet is verdikt tot een knol. In laagveen groeit de groenknolorchis bij voorkeur op natte, voedselarme plaatsen die onder invloed staan van basenrijk en ijzerrijk (grond)water. De soort heeft een zonnige plek nodig op niet- of weinig vergraven veengrond en jonge verlanding zoals trilveen of in de oevers. Een goede waterkwaliteit en het voeren van een regelmatig maaibeheer zijn belangrijk voor het behoud van de groenknolorchis (Provincie Noord-Holland, 2022a). Instandhoudingsdoelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie Beschrijving van het voorkomen van de habitatrichtlijnsoort in het Natura 2000-gebied De vestiging van de groenknolorchis is gebonden aan de ontwikkeling van (habitattype H7140A Overgangs- en trilvenen (subtype trilvenen). De aantalstrend is onduidelijk, de trend voor het leefgebied is negatief (NDA). In de NDA zijn als soortspecifieke knelpunten benoemd: de waterkwaliteit en verminderde kwelwaterinvloed. De soort is erg gevoelig voor verdroging en vermesting in combinatie met vergrassing en daaropvolgende successie.

Omschrijving planeffect en beoordeling effect stikstofdepositie Er vindt in het enige stikstofgevoelige leefgebied van de groenknolorchis in de Oostelijke Vechtplassen (H7140A) een toename plaats van maximaal 0,01 mol/ha/jr, deels in overbelast gebied, deels in niet overbelast gebied. Op 79 % van het oppervlak van dit habitattype is geen sprake van een planbijdrage. In paragraaf 6.3.3 is beoordeeld dat het plan niet leidt tot een tot een significant effect op de (potentiële) standplaats voor de groenknolorchis. Daarmee leidt het plan niet een aantasting van de omvang en kwaliteit van de groeiplaatsen en van de draagkracht van het gebied voor de populatie. Er is geen sprake van een de belemmering van de instandhoudingsdoelstellingen. Significante gevolgen zijn uit te sluiten.

blad 33 van 114

Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.

7.

Naardermeer Het Naardermeer is een moerasgebied waar grote plassen, rechte vaarten, moerasbos en riet en hooilanden elkaar afwisselen. In tegenstelling tot de veenplassen van het Vechtplassengebied, is het Naardermeer van oorsprong een natuurlijk meer dat door afzettingen vanuit de Vecht en de Zuiderzee is beïnvloed. De moerasontwikkeling binnen de kaden is relatief jong en heeft zich vooral na 1886 ontwikkeld. Het grootste oppervlak aan waardevol moerasbos is pas tussen 1950 en 1970 ontstaan. De landschapsecologische opbouw hangt nauw samen met de geomorfologische geschiedenis van het gebied. Het Natura 2000-gebied het Naardermeer kent vier landschapsecologische zones: • De kwelrijke flank in het oosten, bestaande uit dekzanden en de stuwwalflank van het Laegieskamp; • De veenafzettingen en laagveenplassen binnen de kaden van het Naardermeer; • De klei en veenpolders met recente moerasontwikkeling langs de west- en zuidrand van het gebied; • Het noordelijk gelegen dekzandgebied waar de bovenste veenlaag door oxidatie sinds de laatste eeuw grotendeels is verdwenen. Verzuringsgevoelige habitattypen zijn beperkt tot het laagveengebied binnen de kaden van het Naardermeer en de kwelrijke flank van het Laegieskamp. Het Natura 2000-gebied is in 2013 door de staatssecretaris van Economische Zaken definitief aangewezen als Natura 2000-gebied.

Op 22 november 2022 is het wijzigingsbesluit Aanwezige waarden definitief vastgesteld. Daarmee zijn doelen voor de habitattypen H3130 en H6430A en B toegevoegd. Het gebied is aangewezen op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn.

7.1

Beschrijving ecologische sleutelfactoren De sturende factoren voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het Naardermeer zijn waterkwaliteit (inclusief het optimaal gebruik maken van kwelwater) en -kwantiteit (pijlfluctuatie), atmosferische depositie stikstof, vraat (door ganzen) en de aanwezigheid van successiestadia van laagveenverlanding in ruimte en tijd. Het Natura 2000-gebied Naardermeer dankt zijn hoge natuurwaarde oorspronkelijk aan de toestroom van ijzeren kalkrijke kwel vanuit de naastgelegen stuwwal in combinatie met een slecht doorlatende kleibodem aan de westkant van het gebied. Het natte karakter van het gebied en de goede waterkwaliteit worden hierdoor verklaard. Tussen circa 1950 en 1980 waren eutrofiëring en verdroging belangrijke processen die grote invloed hadden op het gebied, maar ook de afname van intensief beheer voor rietteelt en visserij. Sinds de jaren 1980 is intensief gewerkt aan het herstel van het Naardermeer. Na 1984 is de fosfaatbelasting op het systeem van het Naardermeer afgenomen doordat het inlaatwater uit het IJmeer wordt gedefosfateerd, het voedselrijk slib werd verwijderd en bodemwoelende vissen werden weggevangen. Ook de hydrologische isolatie van de Aalscholverkolonie heeft bijgedragen aan de afname van de nutriëntenbelasting van het water.

Het Naardermeer onderscheidt zich door goed ontwikkelde heldere meren waar veel soorten kranswieren voorkomen en laagveenbossen met primaire hoogveenvorming en waardevolle ondergroei. De aanwezige stadia uit de laagveenverlandingsreeks zoals veenmosrietland, trilveen en veenheide staan onder druk. Er komen veel soorten broedvogels voor waaronder een aantal karakteristieke moerasvogels als Purperreiger, Snor en rietzanger. In Laegieskamp -aan de oostkant van het Natura 2000-gebied- komen op enkele plekken blauwgraslanden voor. Kwel is nog beperkt beschikbaar in het Naardermeer en de aanwezige kwel wordt onvoldoende effectief gebruikt. Mesotrofe verlanding treedt in het Naardermeer momenteel niet meer op, waardoor de opéénvolgende mesotrofe verlandingsstadia ook niet meer voldoende ontstaan, net als in de rest van Nederland. Vogelsoorten die afhankelijk zijn van jonge verlandingsvegetaties verliezen daardoor leefgebied. De meeste verlandingsvegetaties in het Naardermeer zijn oudere verlandingsstadia zoals Veenmosrietlanden en broekbossen met hoogveenontwikkeling. Een plaatselijk te geringe basenaanvoer, vraat door bijvoorbeeld ganzen en kreeften en te geringe peilfluctuatie zijn hiervoor waarschijnlijke oorzaken. Ook het steile oevertalud is een belangrijk knelpunt voor de nieuwvorming van verlandingsvegetaties. Het verondiepen van de oeverzone blad 34 van 114

Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.

van het Naardermeer zelf is echter niet wenselijk en haalbaar. De sulfaatconcentraties in het Naardermeer lijken geen rol te spelen in het uitblijven van nieuwvorming van verlanding. Om de Natura 2000-doelen te realiseren, is continuering van het reguliere beheer noodzakelijk, waaronder begrazing en periodiek maaien. Het reguliere beheer is er immers op gericht om onder de huidige omstandigheden de huidige kwaliteit te behouden en zo mogelijk te verbeteren. Bij de uitwerking van de maatregelen zijn we ervan uitgegaan dat passend regulier beheer wordt voortgezet. Het reguliere beheer is niet verder uitgewerkt. Er zijn verschillende beheervormen die Natuurmonumenten toepast: intensief, extensief en cyclisch beheer. Onder intensief beheer wordt bijvoorbeeld het jaarlijks maaien van graslanden of het jaarlijks rietsnijden op één locatie verstaan. Extensief beheer is bijvoorbeeld op een groot terrein een klein aantal herbivoren laten grazen. Cyclisch beheer vindt om de paar jaar plaats, volgens een vastgestelde cyclus. Bijvoorbeeld het knotten van wilgen of het rietsnijden op eenzelfde locatie. Regulier beheer bestaat uit: • Jaarlijks wintermaaien (januari-begin april) van een deel van de rietlanden (vaste locaties). • ‘s Zomers maaien hooi- en rietlanden (hooilanden, trilveen- en hoogveenachtige vegetaties en stroken langs de oevers van een aantal tochten).

• Maaien en soms baggeren (belangrijkste sloten en tochten). • Beheer met grazers (o.a. gallowayrunderen) (randgebieden buiten de kade van het Naardermeer & droogste delen van het gebied). • Incidenteel verwijderen opschietende elzen (in de rietlanden). • Incidenteel verwijderen appelbes en Amerikaanse vogelkers (in de moerassen). • In voorjaar nestvlotjes plaatsen voor Zwarte stern. • Afplaggen (verzuurde en soortenarme rietlanden, trilveen en moerasbos). • Plassen, kreken en enkele watergangen periodiek openhouden. • Maaien en begrazing van graslanden (deels blauwgrasland). • Bekalking (experimenteel, sinds 2002) van enkele hooilanden. De planbijdrage zal in de desbetreffende Natura 2000-gebieden niet leiden tot significante en structurele wijzigingen van de ecologische sleutelfactoren, de factoren die in belangrijke mate de instandhoudingsdoelen bepalen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14930773/1