Bijlage 15 Aanvulling passende beoordeling, Antea Group, 9 december 2024
Tekst van het document
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstof)
projectnummer 0478281.100 definitief 9 december 2024
www.anteagroup.nl
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 definitief 9 december 2024
Auteur(s) C. Schellingen S. Weterings
Opdrachtgever KuiperCompagnons B.V. Postbus 13042 3004 HB ROTTERDAM
Gecontroleerd L. de Jong
datum 9 december 2024
beschrijving definitief
vrijgave H. van der Kooij
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
5
2.
Actualisatie Passende beoordeling 2017
6
3.
Werkwijze en uitgangspunten beoordeling stikstofeffect
8
4.
Generieke ecologische beoordeling kleine planbijdrage stikstofdepositie
9
5.
Botshol
12
5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.3 5.3.1 5.3.2
Afbakening relevante instandhoudingsdoelstellingen Beschrijving ecologische sleutelfactoren Habitattypen Habitatrichtlijnsoorten Ecologische beoordeling H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) H7210 Galigaanmoerassen
12 12 13 15 15 15 17
6.
Oostelijke Vechtplassen
19
6.1 6.2 6.2.1 6.2.2 6.2.3 6.2.4 6.3 6.3.1 6.3.2 6.3.3 6.3.4 6.3.5 6.3.6 6.3.7 6.3.8
Beschrijving ecologische sleutelfactoren Afbakening relevante instandhoudingsdoelstellingen Habitattypen Habitatrichtlijnsoorten Broedvogels Niet-broedvogels Ecologische beoordeling H4010B Vochtige heiden (laagveen) H6410 Blauwgraslanden H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) H7140B Overgangs- en trilvenen (Veenmosrietlanden) H7210 Galigaanmoerassen H91D0 Hoogveenbossen Zeggekorfslak (Lg05 Grote zeggenmoeras) Groenknolorchis
19 20 20 21 22 23 23 23 24 26 28 30 31 32 33
7.
Naardermeer
34
7.1 7.2 7.2.1 7.2.2 7.2.3 7.2.4 7.3 7.3.1 7.3.2 7.3.3 7.3.4 7.3.5 7.3.6
Beschrijving ecologische sleutelfactoren Afbakening relevante instandhoudingsdoelstellingen Habitattypen Habitatrichtlijnsoorten Broedvogels Niet broedvogels Ecologische beoordeling H4010B Vochtige heiden (laagveen) H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) H91D0 Hoogveenbossen Zeggekorfslak (Lg05 Grote zeggenmoeras) Groenknolorchis
34 35 35 36 37 37 38 38 38 39 40 41 42
8.
Cumulatie en conclusie
43
9.
Bronnen
44
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.
Bijlagen 1.
Kaarten stikstofdepositie Botshol
2.
Kaarten stikstofdepositie Oostelijke Vechtplassen
3.
Kaarten stikstofdepositie Naardermeer
4.
Tabellen stikstofdepositie 2025; plan versus huidige legale situatie
Separaat rapport Onderzoek stikstofdepositie (inclusief AERIUS-pdf-en), versie november 2024 (Antea Group, 2024)
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.
1.
Inleiding De gemeente De Ronde Venen werkt aan een nieuw bestemmingsplan voor het Vinkeveense Plassengebied waarbij sprake is van een uitbreiding van (recreatieve) functies op de legakker. Hiermee wordt een deel van de illegaal geplaatste bebouwing die de afgelopen jaren is gerealiseerd op de legakkers planologisch verankerd. Dit alles gebeurt met gelijktijdige inzet op behoud en versterking van de gebiedskwaliteiten van landschap, natuur en water. In het bestemmingsplan zijn daarom diverse bestemmingen en regelingen opgenomen, specifiek gericht op deze onderwerpen. Flankerend hieraan zijn en worden er diverse maatregelen uitgewerkt en uitgevoerd zodat de bijzondere waarden van het gebied behouden en versterkt worden. Het bestemmingsplan kan worden vastgesteld als verzekerd is dat de ontwikkelingsmogelijkheden die het plan biedt, niet kunnen leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden (plantoets Wet natuurbescherming – gebiedsbescherming). In dat kader zijn twee documenten relevant, enerzijds de opgestelde Passende beoordeling (Arcadis, 2017) en anderzijds het voorliggende rapport met actualisatie van de PB en de ecologische beoordeling van het stikstofeffect.
Doel rapport In dit rapport wordt onderzocht of 1) er redenen zijn om de conclusie uit de PB (Arcadis, 2017) bij te stellen en 2) significant gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie als gevolg van de planbijdrage zijn uit te sluiten. Leeswijzer In hoofdstuk 2 “Actualisatie Passende beoordeling” wordt nagegaan of er wijzigingen zijn ten opzichte van de PB 2017 en of deze wijzigingen gevolgen hebben voor de conclusies uit de PB. Deze check betreft zowel de instandhoudingsdoelen, het beheerplan/NDA en de voorgenomen activiteit. In voorliggend rapport vindt ook de actualisatie van de passende beoordeling plaats met betrekking tot het stikstofonderzoek. Daarvoor wordt eerst de planbijdrage op de beïnvloede Natura 2000-gebieden beschreven (in hfst 2). Vervolgens worden uitgangspunten benoemd ten aanzien van de beoordeling van de planbijdrage aan stikstofdepositie (hfst 3). Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 een generieke ecologische beoordeling uitgevoerd. Daarna wordt per beïnvloed N2000-gebied (hfst 5 tot en met hfst 7) ingegaan op de ecologische sleutelfactoren en worden de beïnvloede habitattypen en soorten getoetst. Ten slotte volgt een eindconclusie van de ecologische beoordeling van het planeffect (hfst 8).
In bijlage 1, 2 en 3 is voor respectievelijk voor de beïnvloede Natura 2000-gebieden Botshol, Oostelijke Vechtplassen en het Naardermeer een kaartbeeld opgenomen van de verspreiding en hoogte van de berekende depositietoenames in de beïnvloede stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden (planbijdrage 2025 ten opzichte van de huidige, legale situatie). In bijlage 4 zijn voor het doorgerekende jaar 2025 tabellen opgenomen met de specificaties van de berekende projectbijdrage. De informatie is weergegeven per hexagon waar sprake is van een projectbijdrage op een stikstofgevoelige habitattype waarvoor het beïnvloede Natura 2000-gebied is aangewezen of op een stikstofgevoelig leefgebied voor soorten waarvoor het beïnvloede Natura 2000-gebied is aangewezen.
blad 5 van 114
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.
2.
Actualisatie Passende beoordeling 2017 Voor de maximale varianten (te beschouwen als worst case-situaties voor het planvoornemen) is een Passende beoordeling opgesteld in 2017. Het voorkeursalternatief c.q. het vast te stellen bestemmingsplan heeft minder verstorende onderdelen dan de maximale variant en leidt daarmee tot minder verstoring op het Natura 2000gebied Botshol. Aangezien in de PB een significant gevolg is uitgesloten, geldt dat ook voor het minder verstorende plan. Dit geldt voor de instandhoudingsdoelstellingen voor de habitattypen (behalve H6510A) en voor de habitatrichtlijnsoorten. Voor H6510A dient de PB 2017 aangevuld te worden. De definitieve instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied Botshol zijn namelijk sinds 2017 beperkt gewijzigd. Er is een habitattype toegevoegd aan de instandhoudingsdoelstellingen met het wijzigingsbesluit Aanwezige waarden (vastgesteld in november 2022). Het betreft het habitattype H6510 Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) met als doel “Behoud oppervlakte en kwaliteit”. Het habitattype glanshaver- en vossenstaarthooilanden, glanshaver (subtype A) komt voor op Fort Waver in een schrale, soortenrijke vorm. Het kon binnen dit laagveenmoeras ontstaan door aanvoer van zand. Gezien de huidige kwaliteit en de uitzonderlijke standplaats is behoud voldoende.
Het habitattype waarvoor na 2017 een instandhoudingdoelstelling is toegevoegd, ligt op grote afstand (1,5 km) tot de Vinkeveense Plassen en de Botsholsedijk (zie figuur 2.1). Daarmee is verstoring van dit habitattype ook uit te sluiten.
Figuur 2.1: Ligging habitattype glanshaver- en vossenstaarthooilanden, glanshaver (subtype A) (oranje( binnen het Natura 2000-gebied Botshol (lichtgeel).
De voorgaande analyse overwegende kan worden geconcludeerd dat de beoordeling van de voorgenomen ontwikkelingen in het bestemmingsplan aansluit bij de conclusie uit de passende beoordeling 2017, met uitzondering van de conclusie over het stikstofeffect. De conclusie uit de PB 2017 is dat er geen sprake is significante negatieve effecten op Natura 2000-doelstellingen.
blad 6 van 114
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.
In de PB 2017 is nog uitgegaan van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Inmiddels is het PAS gesneuveld (uitspraak Raad van State 29 mei 2019). Ook zijn er sindsdien wijzigingen aan AERIUS doorgevoerd (bv 25-km afbakening). Daarom is er een nieuw stikstofonderzoek uitgevoerd. Deze resultaten zijn beoordeeld in de volgende hoofdstukken. Om het stikstofeffect voor de Natura 2000-gebieden in beeld te brengen, zijn er AERIUS-berekeningen uitgevoerd, voor 2 jaren (2025 en 2027). Het jaar 2025 is doorgerekend omdat het de verwachting is dat het BP zal worden vastgesteld. Na vaststelling is in ieder geval de illegale situatie opgeheven en dient in de berekening rekening gehouden te worden met de directe en indirecte emissies daarvan. Ook de activiteiten voor de versterking van de natuurwaarden gaan dan plaatsvinden. Het aanhouden van een later rekenjaar leidt tot minder emissies door het jaarlijks schoner worden van het verkeer. Het effect op de stikstofdepositie is door de AERIUS-berekening voor 2027 in beeld gebracht. Er zijn voor de 2 genoemde jaren telkens 2 referentiesituaties doorgerekend. Er is één “officiële” juridische referentiesituatie; de feitelijke, legale situatie. Deze is bepalend voor de conclusie van de passende beoordeling in relatie tot het Bestemmingsplan.
De andere referentiesituatie die wordt berekend is de huidige situatie en is meer voor de beeldvorming (wat komt er feitelijk gezien bij). De AERIUS-resultaten zijn in tabel 2.1 weergegeven. Daarin is dus onderscheid gemaakt in: • 2025 en 2027 gebruik + realisatie ten opzichte van de huidige, planologisch legale, situatie. • 2025 en 2027 gebruik + realisatie ten opzichte van de huidige situatie. De realisatiefase is in de berekeningen verwerkt samen met het gebruik. Omdat gebruik en realisatie naast elkaar kunnen plaatsvinden, dienen deze ook samen beoordeeld te worden. Uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat er sprake is van een plangebonden toename aan stikstofdepositie op drie Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Tabel 2.1 Resultaten stikstofberekeningen AERIUS, versie 2024. . Max. planbijdrage ten opzichte van de huidige, planologisch legale situatie op een overbelaste1 situatie N2000-gebied 2025 2027 Botshol 0,05 mol/ha/jr 0,04 mol/ha/jr Oostelijke Vechtplassen 0,01 mol/ha/jr 0,01 mol/ha/jr Naardermeer 0,01 mol/ha/jr 0,01 mol/ha/jr
Max. planbijdrage ten opzichte van de huidige situatie op een overbelaste situatie 2025 2027 0,04 mol/ha/jr 0,03 mol/ha/jr 0,01 mol/ha/jr 0,01 mol/ha/jr 0,01 mol/ha/jr 0,01 mol/ha/jr
1
In dit rapport worden de termen ‘niet overbelast’, ‘naderend overbelast’ en ‘overbelast’ gehanteerd. Deze hebben betrekking op het al dan niet overschrijden van de KDW. Afhankelijk van de achtergrondwaarde wordt vastgesteld of de KDW wordt overschreden. Van een naderend overbelaste situatie is sprake wanneer de achtergrondwaarde minder dan 70 mol/ha/jr. onder de KDW ligt. Als de KDW wordt overschreden, is er een overbelast gebied. Daar waar de achtergrondwaarde meer dan 70 mol/ha/jr. onder de KDW ligt, wordt de term ‘niet overbelast’ gehanteerd.
blad 7 van 114
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.
3.
Werkwijze en uitgangspunten beoordeling stikstofeffect In de navolgende hoofdstukken wordt nader ingegaan op de specifieke habitattypen en leefgebieden die een stikstofbijdrage ondervinden ten gevolge van het plan. Bij deze toetsing zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • De ecologische beoordeling voor de Natura 2000-gebieden is gebaseerd op de maatgevende planbijdrage (situatie waarin de hoogste planbijdrages kunnen voorkomen zodat de maximale situatie wordt getoetst). Dat betekent dat de ecologische beoordeling van Botshol, Oostelijke Vechtplassen en Naardermeer is gebaseerd op de uitkomsten van de AERIUS-berekening voor de maatgevende planbijdrage in 2025 ten opzichte van de huidige legale situatie. • De algemene beschrijving van de te beoordelen habitattypen en soorten wordt gebaseerd op de profieldocumenten voor de desbetreffende habitattypen en soorten. De analyse van de stikstofgevoelige instandhoudingsdoelen (ISHD) wordt gebaseerd op de gebiedsanalyses en beheerplannen. Alleen andere bronnen worden specifiek vermeld in de tekst. • Er wordt niet gekeken naar typische soorten.
Bij het in beeld brengen van de gevolgen van de stikstofdepositie volstaat de toetsing aan de andere kwaliteitsaspecten (abiotische randvoorwaarden, vegetatietypen, structuur en functie) van een habitattype omdat deze (samen met het natuurbeheer) bepalend zijn voor de omstandigheden voor typische soorten. In dit geval kan worden volstaan met deze conclusie en heeft er geen afzonderlijke toets voor typische soorten plaatsgevonden. • Voor de stikstofgevoelige habitat- en vogelsoorten wordt het stikstofgevoelige leefgebied getoetst, zoals het begrensd is in AERIUS-calculator 2022 en toegeschreven is aan de desbetreffende soort in de NDA’s, Gebiedsanalyses Botshol, Oostelijke Vechtplassen en Naardermeer, 2017 en/of de desbetreffende beheerplannen. Dit houdt in dat wordt beoordeeld of het habitattype of leefgebied te maken heeft met een planbijdrage op stikstofgevoelig habitat/leefgebied, of sprake is van een (naderende) overschrijding van de KDW en wordt beoordeeld of de betreffende soort ook daadwerkelijk gebruik van het gebied. • Er is rekening gehouden met de ecologische beoordeling van kleine planbijdrages (zie toelichting in paragraaf 3.2). In een eerste stap van de ecologische beoordeling vindt een generieke analyse plaats, die geldt voor alle betrokken Natura 2000-gebieden (zie hoofdstuk 4).
Vervolgens is een ecologische beoordeling uitgevoerd in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van elk beïnvloed Natura 2000-gebied en in het licht van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van dat Natura 2000-gebied (hoofdstukken 5 tot en met 7)
blad 8 van 114
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.
4.
Generieke ecologische beoordeling kleine planbijdrage stikstofdepositie Binnen de Natura 2000-gebieden Botshol, Oostelijke Vecht-plassen en Naardermeer is sprake van een kleine planbijdrage van respectievelijk maximaal 0,05 mol/ha/jr (zeer lokaal) en 0,01 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden waarvan de KDW wordt overschreden. In hoofdstuk 4, 5 en 6 wordt voor respectievelijk Botshol, Oostelijke Vechtplassen en Naardermeer de maximale planbijdrage per stikstofgevoelig instandhoudingsdoel beschreven. Ecologisch gezien leiden dergelijke geringe bijdragen niet tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. De berekende kleine stikstofdepositie zal op geen enkele wijze leiden tot een meetbaar of merkbaar gevolg voor de vegetatie, en daarmee op de kwaliteit van het de habitattypen/leefgebieden. Ook niet in een reeds overbelaste of naderende overbelaste situatie. De onderbouwing hiervoor is vierledig: 1. Kleine deposities (≤0,05 mol/ha/jr) zijn nagenoeg verwaarloosbaar in verhouding tot achtergronddeposities; 2. Kleine deposities leiden nooit tot schade aan planten; 3. Kleine deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling; 4. Kleine deposities zijn verwaarloosbaar in relatie tot het (reguliere) beheer. Deze vier punten worden hierna toegelicht.
❖ Kleine deposities (≤0,05 mol N/ha/jr) zijn nagenoeg verwaarloosbaar in verhouding tot achtergronddeposities In de meeste habitattypen functioneert een natuurlijke stikstofkringloop waarin veel grotere hoeveelheden stikstof circuleren: veelal duizenden kilo’s per hectare. Onverstoorde, natuurlijke achtergronddepositiewaarden (ADW) liggen in de orde van 1 tot 5 kilogram N/ha/jr; overeenkomend met 71 tot 357 mol/ha/jr. Er is echter geen sprake meer van een natuurlijke achtergronddepositie. Door de mens is de achtergronddepositie aanzienlijk hoger geworden. De achtergronddepositie binnen de gebieden waar een planbijdrage optreedt, ligt tussen de ca. 887 en 1.767 mol/ha/jr in Botshol, 831 en 2.252 mol/ha/jr in Oostelijke Vechtplassen en 1.113 en 2.085 mol/ha/jr in het Naardermeer (AERIUS-versie 2024). Ook binnen deze verhoogde achtergronddepositie is het mogelijk om verschillende habitattypen in stand te houden. De geringe planbijdrage heeft geen merkbaar effect op deze totale stikstofkringloop. Om toch een beeld te geven van de omvang van de kleine depositietoenames is het goed om de verhouding tot de achtergrondbelasting in een gebied in acht te nemen. Op alle Natura 2000-gebieden in Nederland vindt als gevolg van natuurlijke en door mensen beïnvloedde oorzaken stikstofdepositie plaats.
Deze achtergronddepositie varieert tussen circa 700 en 4.000 mol N/ha/jr, afhankelijk van de locatie. Deze deposities vinden al gedurende decennia permanent plaats, zij het dat ze in de afgelopen decennia aanzienlijk gedaald zijn. Hoewel er sprake is van een langjarige trend waarbij de emissies en achtergronddeposities dalen, variëren de achtergronddeposities op een specifieke locatie van jaar tot jaar. Dit heeft met name te maken met jaarlijkse verschillen in weersomstandigheden (temperatuur, windrichting en hoeveelheid neerslag). Dit betreft een ordegrootte van 10 %2. Dit kunnen dus jaarlijkse verschillen zijn in de ordegrootte van 70 tot 400 mol N/ha/jr. Rekening houdend met deze bandbreedte wordt ter illustratie gekeken naar de laagste ADW op een hexagoon met een bijdrage door het plan. Deze bedraagt 831 mol N/ha/jr. Dan is een toename in depositie van 0,05 mol/ha/jr ongeveer 0,006 % van deze laagste ADW bedraagt. Een kleine dosis van 0,05 mol/ha/jr aan stikstof (maximale planbijdrage) is daarom relatief gezien zeer gering, zowel ten aanzien van de nauwkeurigheid waarmee de achtergronddeposities zijn vastgesteld, als de hoogte van deze deposities over lange termijnen.
❖ Kleine deposities leiden (vrijwel) nooit tot schade aan planten Directe schade aan individuele planten, en daarmee aan vegetatietypen en habitattypen als gevolg van kleine deposities zijn met zekerheid uitgesloten. De huidige concentraties van NH 3 en NOx zijn in Nederland namelijk zo laag dat directe toxische schade aan planten (vrijwel) niet meer voorkomt.
2
https://www.clo.nl/indicatoren/nl0189-stikstofdepositie.
blad 9 van 114
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.
Dit effectmechanisme ten aanzien van atmosferische depositie van stikstof speelt daarom in Nederland geen rol 3. ❖ Kleine deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling Kleine depositietoenames leiden niet tot een significante toename van de hoeveelheid stikstof in de plant, gerelateerd aan de hoeveelheid die een plant nodig heeft om te groeien. Om een beeld te krijgen van de vermestende invloed van een depositietoename van 1 mol/ha is de volgende berekening illustratief: Een depositie van 1 mol N/ha komt overeen met 14 gram N/ha; De productie van natuurlijke habitattypen loopt uiteen tussen 2.000 en 6.000 kg droge stof/ha/jr 4; Het aandeel stikstof in droge stof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5 % uit stikstof. Dit gemiddelde varieert van 0,5 % bij houtachtige planten tot 5,0 % bij peulvruchten5; Voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is dus gemiddeld 30 tot 90 kg N/ha/jr nodig. Dit komt overeen met circa 2.150 en 6.400 mol N/ha/jr.
Dit betreft de totale aanvoer van stikstof; dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organisch materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing); Een depositie van 1 mol N/ha/jr komt overeen met 0,02 en 0,05 % van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie. Een kleine toename van de depositie leidt dus niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit wordt geconcludeerd dat een kleine depositietoename van maximaal 0,05 mol /ha/jr op een overbelaste situatie (dat is 20 keer minder dan de hierboven geschetste gevolgen) de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden in alle berekende Natura 2000-gebieden niet meetbaar aantast. ❖ Kleine deposities zijn verwaarloosbaar in relatie tot het (reguliere) beheer Een plant heeft voor de aangroei van 1 gram ongeveer 0,2 gram stikstof nodig 6.
Een depositie van 0,05 mol (0,7 gram) per hectare zal dus, ervan uitgaande dat de helft van de stikstof ook daadwerkelijk wordt benut en de andere helft uitspoelt, leiden tot een aanwas van de vegetatie van max 0,35 gram biomassa per hectare. Om aan te tonen of de toename aan stikstofdepositie een effect heeft op het rendement van het reguliere beheer, is – puur als voorbeeld, niet als mitigatiemaatregel - vergeleken met de inspanning die geleverd moet worden om deze toename middels begrazing weg te nemen. Veel voor stikstofgevoelige habitats en leefgebieden worden beheerd middels begrazing. Een schaap heeft een voedselbehoefte van 1,7 kg droge stof per dag 7. Uitgaande van een drogestofgehalte van de heide- en graslandvegetatie van (worst case) maximaal 50 % eet een schaap per dag 3,4 kg vegetatie. Uitgedrukt in schaapdagen (hoeveelheid vegetatie die één schaap op één dag graast) is 3,4 kg dus 1 schaapdag. Om een jaarlijkse extra aanwas van 0,35 gram vegetatie per hectare uit het systeem te halen, is dus (0,35/3.400 =) 0,0001 schaapdag per hectare nodig. Uitgaande van een graasduur van 8 uur per dag (gescheperde kudde), moet om het gehele gevolg van de extra depositie van een heel jaar af te voeren door één schaap ongeveer 3 seconden worden gegraasd per hectare.
Een dergelijke verwaarloosbaar kleine extra beheerinspanning is verwaarloosbaar en leidt niet tot enig gevolg voor het habitattype. De bijdrage van max 0,05 mol/ha/jr op een overbelaste situatie heeft geen effect op het rendement van maatregelen om de kwaliteit van habitattypen te waarborgen. Het is daarmee uitgesloten dat de bijdrage significante gevolgen heeft op de instandhoudingsdoelstellingen voor het habitattypen of leefgebieden.
3
Smits, N.A.C. & D. Bal, 2014. Herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats. Ecologische onderbouwing van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Deel I: Algemene inleiding herstelstrategieën: beleid, kennis en maatregelen. Alterra Wageningen UR & Programmadirectie Natura 2000 van het Ministerie van Economische Zaken. 4 Tolkamp, G.W., C.A. van den Berg, G.J. Nabuurs & A.F. Olsthoorn, 2006. Kwantificering van beschikbare biomassa voor bioenergie uit Staatsbosbeheerterreinen. Alterra, Wageningen. Alterra-rapport 1380. 5 https://nutrinorm.nl/meststoffen/waarom-heeft-een-plant-stikstof-nodig/#.XR4CmGaP6fg 6
Steege, M.W. ter, 1996. Regulation of nitrate uptake in a whole plant perspective Changes in influx and efflux of nitrate in spinach. ID: 33047. University of Groningen. 7 Wageningen UR 2001. Handboek schapenhouderij. Wageningen UR - Praktijkonderzoek Veehouderij Lelystad. ISSN 0169-3689.
blad 10 van 114
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.
Conclusie Pas in geval van een relevante stikstofdepositiebijdrage treden na tientallen jaren ecologische effecten in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk areaalverlies op. Dit kan zich afspelen, afhankelijk van de gevoeligheid van een habitattype, in een periode van 10-20 jaar. Hierbij is geen rekening gehouden met het huidig regulier beheer om de habitattypen in stand te houden en/of de lokale gebufferde omstandigheden. Wanneer geen sprake is van een relevante stikstofdepositiebijdrage kan eenvoudigweg geen sprake zijn van ecologische doorwerking en is er geen sprake van conflicten met het duurzaam behalen van geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen.
blad 11 van 114
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.
5.
Botshol De Botshol is een oud laagveenverlandingsgebied met een belangrijk areaal water. De opbouw van het gebied uit verschillende vegetatiestructuurcomponenten en een laagveenpolder is verantwoordelijk voor een rijke vogelstand. Door de vormingsgeschiedenis van het oorspronkelijke veen is het gebied steeds beïnvloed geweest door een hoge basenrijkdom, terwijl de verlanding na de vervening in enigszins brak water heeft plaatsgevonden. Het Natura 2000-gebied is daardoor onder meer belangrijk voor het habitattype galigaanmoerassen. Na maatregelen hebben kranswierwateren zich goed hersteld. Het gebied ligt ten noordwesten van de Vinkeveense Plassen en heeft een oppervlakte van 218 ha. Het Natura 2000-gebied is in 2013 door de staatssecretaris van Economische Zaken definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. Op 22 november 2022 is het wijzigingsbesluit Aanwezige waarden definitief vastgesteld. Daarmee zijn doelen voor het habitattype H6510A toegevoegd. Het gebied is aangewezen op grond van de Habitatrichtlijn.
5.1
Afbakening relevante instandhoudingsdoelstellingen
5.2
Beschrijving ecologische sleutelfactoren De sturende factoren voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het Botshol zijn waterkwaliteit, en -kwantiteit, atmosferische depositie stikstof en de aanwezigheid van successiestadia van laagveenverlanding in ruimte en tijd. Botshol ligt in het Utrechts-Zuid-Hollandse laagveengebied in de Polder Botshol en was lang een laagveenmoeras, totdat er eind 18e eeuw grootschalig veen gedolven werd. Deze open mijnbouw liet een gebied achter van petgaten en legakkers. Op veel plekken trad vervolgens verlanding op waardoor de petgaten werden opgevuld met riet- of hooilanden. In Botshol verlandde de luwe zijde. Op andere plekken sloegen legakkers weg en voegden de petgaten zich aaneen tot veenplassen: de Grote Wije, de Kleine Wije en de Kloosterkolk. Dit resulteerde in een afwisselend gebied, rijk aan leefgebieden en soorten. Het bijzondere van Botshol is dat door het zwakbrakke karakter, natuurlijke processen deels op andere wijze zijn verlopen dan in de zoete laagveenplassen. Dergelijke zwakbrakke plassen komen vooral in het zeekleigebied en de duinen voor en slechts zeer lokaal in het laagveengebied. Qua nutriëntenbelasting is in Botshol veel onderzoek gedaan naar de rol van fosfaat. De aanwezigheid van fosfaat is de sturende factor in de helderheid van het water.
Bij te veel fosfaat treedt algenbloei op en verliest het water zijn helderheid. De kritische fosfaatbelasting is niet overal in het gebied gelijk. Deze neemt af bij een goede geschiktheid van het wateroppervlak voor golfontwikkeling (oftewel bij toenemende strijklengte) en bij een toenemende diepte. Het bodemtype bepaalt mede de ligging van de kritische grens en deze ligt het laagst bij meren met een veenbodem. Het lijkt zo te zijn dat in de Grote en Kleine Wije bij een fosfaatbelasting tussen de 0,8 en 1,5 mg P/ha/dag het water voldoende helder blijft voor de bijzondere kranswierwatervegetaties. De fosfaatbelasting in het oppervlaktewater is vermoedelijk in belangrijke mate afhankelijk van de aanvoer van fosfaat dat vrijkomt uit het veen. Het fosfaat wordt dan aangevoerd door neerslagwater dat afstroomt vanaf de percelen wanneer het veen droog is en daarna verzadigd raakt met water. Een andere bron van fosfaat is de onderwaterbodem waaruit fosfaat in oplossing kan gaan onder invloed van veranderingen in de waterkwaliteit. Ook veroorzaken uitwerpselen van watervogels, zoals het toenemend aantal grauwe ganzen en de aalscholvers in de Kloosterkolk lokaal voor een toename van de fosfaatbelasting. Uit eerder onderzoek (Smolders et al., 2005) is naar voren gekomen dat de bodems in Botshol ook gevoelig zijn voor verzuring.
Voor het ontstaan van interne eutrofiering en verzuring zijn meerdere bodemeigenschappen en omvormingsprocessen van belang. Naast fosfaat en stikstof, spelen onder andere ook sulfaat en ijzer een belangrijke rol.
blad 12 van 114
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.
Uiteindelijk zullen vegetaties onder invloed van verdere verlanding en nutriëntenopbouw verruigen en vervolgens veranderen in bos, of onder invloed van voortgaande veenmosgroei en toename van de invloed van regenwater overgaan in moerasheide. Het eindstadium dat momenteel in Botshol aanwezig is, is over het algemeen Berkenen Elzenbroekbos. Moeras-heide is in Botshol slechts in zeer geringe mate aanwezig waarbij het onvoldoende kwalificeert voor toekenning. Voor het aanwezig zijn van de kenmerkende diversiteit aan successiestadia in ruimte en tijd – en daarmee voor de instandhoudingsdoelen - is het in de eerste plaats van belang dat regelmatig nieuwe verlandingsreeksen ontstaan en zich ontwikkelen. Het volgende reguliere beheer van de vegetatie wordt in het gebied uitgevoerd: 1. Riet en ruigte • Het riet wordt of ’s winters gesneden of zomers gemaaid. • Het sluik en maaisel dat hierbij vrijkomt wordt afgevoerd. Ongewenste vegetatie, zoals houtopslag, wordt verwijderd. • Wilgenstruweel wordt periodiek teruggezet. • Een deel van de (geplagde) rietlanden wordt in de vroege herfst gemaaid. • Er wordt op kleine schaal mos gestoken door de rietsnijders. • Delen van het rietland worden begreppeld t.b.v. het behoud van de vegetatie. 2. Beheer hooilanden • De hooilanden en een deel van de veenmosrietlanden (met zomermaaien) worden ieder jaar eenmaal gemaaid, omstreeks begin juli.
• Na het maaien wordt het maaisel geschud en vervolgens afgevoerd naar de daarvoor bestemde compostplaat buiten het gebied. • Een aantal verzuurde legakkers (waaronder het perceel met voormalig blauwgrasland) wordt bekalkt. • De glanshaverhooilanden bij het fort worden in de nazomer gemaaid, het maaisel wordt afgevoerd. • Langs de kant van het water rond het fort blijft een vijfde deel van de vegetatie overstaan ten behoeve van insecten. 3. Struwelen en bossen • Met cyclisch hakhoutbeheer wordt bestaand struweel onderhouden. • Stobben en gesnoeid hout worden afgevoerd uit het gebied naar de daar voor bestemde compostplaats. • Tussen de Kloosterkolk en de Ruigkade staat een boomwal. Onderhoud is gericht op behoud van de boomwal om verstoring van vogels vanuit de Vinkeveense Plassen en vanaf de Ruigkade te voorkomen. • Amerikaanse vogelkers en zwarte appelbes worden bestreden door opslag uit te trekken. Het plantenmateriaal wordt afgevoerd. • Jonge bosjes worden teruggezet om bosuitbreiding te voorkomen en de openheid te bewaren. Het plantenmateriaal wordt afgevoerd. • De griend (wilgen) langs de Ruigkade wordt periodiek afgezet. Het plantenmateriaal wordt afgevoerd.
De planbijdrage zal in de desbetreffende Natura 2000-gebieden niet leiden tot significante en structurele wijzigingen van de ecologische sleutelfactoren, de factoren die in belangrijke mate de instandhoudingsdoelen bepalen.
5.2.1
Habitattypen In tabel 5.1 is aangegeven voor welke habitattypen het Natura 2000-gebied Botshol aangewezen is. Daarbij is ook beschreven wat de kritische depositiewaarde is en wat de planbijdrage is. Daarnaast wordt ook aangegeven of de kritische depositiewaarden in de huidige situatie (dus zonder dat hierbij het planeffect is meegenomen) worden overschreden.
blad 13 van 114
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.
Tabel 5.1: Afbakening habitattypen Natura 2000-gebied Botshol (Gebiedsanalyse Botshol, 2017, aanwijzingsbesluiten en wijzigingsbesluit Aanwezige waarden). Habitatc ode
H3140lv H3150 baz H6430A
Habitattype en -subtype
Kranswierwateren, in laagveengebieden Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen Ruigten en zomen (moerasspirea)
Doel omvang/ kwaliteit
KDW mol/ha/jr
Max ADW mol/ha/jr
Max. planbijdrage mol/ha/jr 1)
==
2143
-
-
==
2143
-
-
==
>2.400
-
-
H6510A
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
==
1357
1500
0,02
H7140B
Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)
>>
500
1507
0,04
H7210*
Galigaanmoerassen
>=
1429
1665
0,05
H91D0*
Hoogveenbossen
==
1786
1767
0,04
Relevant voor ecologische beoordeling?
Nee, geen planbijdrage berekend. Negatieve effecten uitgesloten. Nee, habitattype is niet stikstofgevoelig. Negatieve effecten uitgesloten. Nee, nagenoeg alle locaties met planbijdrage zijn niet (naderend) overbelast. 1 locatie is naderend overbelast. De achtergrondwaarde ligt daar 61 mol/ha/jr onder de KDW zodat een toename van 0,02 mol/ha/jr ter plekke niet tot een overschrijding van de KDW leidt. Significante gevolgen zijn voor dat hexagon uit te sluiten. 1 overbelaste locatie ondervindt een planbijdrage van 0,02 mol/ha/jr. Het beïnvloed opp betreft 14 m2. De toename is op een oppervlak dat minder is dan de minimum-oppervlakte van het habitattype. Bij aantasting van dat opp. is er is per definitie geen sprake van een meetbare afname van de omvang van het habitattype (Steunpunt N2000, 2010) en is een significant effect uit te sluiten. Ja, planbijdrage op overbelast oppervlak Ja, planbijdrage op overbelast oppervlak. Dit betreft max 0,04 mol/ha/jr op overbelast gebied. Nee, locaties met planbijdrage zijn nagenoeg allemaal op niet (naderend) overbelaste situatie. 1 overbelaste locatie ondervindt ook een planbijdrage van 0,04 mol/ha/jr. Het betreft 262 m2. De toename is op een oppervlak dat minder is dan de minimum-oppervlakte van dit boshabitattype. Bij aantasting van dat opp.
is er is per definitie geen sprake van een meetbare afname van de omvang van het habitattype (Steunpunt N2000, 2010) en is een significant effect uit te sluiten.
Legenda *: prioritair habitattype -: niet van toepassing/niet relevant =: behoudsdoelstelling; >: uitbreiding-/verbeterdoelstelling, groen = significant gevolg is met zekerheid bij voorbaat uit te sluiten oranje = habitattype dient nader beoordeeld te worden. 1) op basis AERIUS-berekening 2025 ten opzichte van huidig legale situatie, situatie is niet anders in berekening 2027 ten opzichte van huidig legale situatie.
Sommige habitattypen zijn niet stikstofgevoelig en kan een significant effect door de planbijdrage bij voorbaat uitgesloten worden. Bij de habitattypen waarbij (vrijwel) geen overschrijding van de KDW plaatsvindt, kan een significant effect ook bij voorbaat uitgesloten worden. Deze habitattypen worden daarom niet verder beschreven. blad 14 van 114
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.
Op basis van de analyse in tabel 5.1 zijn H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) en H7210 Galigaanmoerassen nader te beschouwen.
5.2.2
Habitatrichtlijnsoorten In tabel 5.2 is aangegeven voor welke habitatrichtlijnsoorten het Natura 2000-gebied Botshol aangewezen is, of het leefgebied van deze soort stikstofgevoelig is en/of de kritische depositiewaarden in de huidige situatie (dus zonder dat hierbij het planeffect is meegenomen) worden overschreden en/of er een planbijdrage is. Tabel 5.2: Afbakening Habitatrichtlijnsoorten Natura 2000-gebied Botshol (Aanwijzingsbesluit, Gebiedsanalyse Botshol, 2017). Soortcode
Soortnaam
H1149
Doel Populatie/ Omvang/ Kwaliteit ===
Relevant voor ecologische beoordeling?
Kleine modderkruiper Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied aanwezig in Botshol. Negatieve effecten zijn uitgesloten. === H1318 Meervleermuis Legenda =: behoudsdoelstelling groen = significant gevolg is met zekerheid bij voorbaat uit te sluiten.
Op basis van de analyse in tabel 5.2 zijn significante gevolgen bij voorbaat met zekerheid uit te sluiten voor alle habitatrichtlijnsoorten waarvoor Botshol is aangewezen. Deze habitatrichtlijnsoorten worden daarom niet verder beschreven in de passende beoordeling.
5.3
Ecologische beoordeling
5.3.1
H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) Algemene beschrijving habitattype Dit habitattype betreft soortenrijke veenbegroeiingen van betrekkelijk voedselarme tot matig voedselrijke omstandigheden. De plantengemeenschappen van de overgangs- en trilvenen vormen ontwikkelingsstadia in de verlanding die begint in het open water van sloten, plassen en petgaten. In Nederland komen ze vooral voor in het laagveengebied. Verder kunnen overgangs- en trilvenen ook ontstaan in veenvormende systemen in de middenlopen van beekdalen, op de overgangen van de hogere (pleistocene) zandgronden naar laagveen en in zeekleilandschappen. Veenmosrietlanden ontwikkelen zich met verdere stabilisering van de veenlaag. Kenmerkend is een gesloten moslaag met dominantie van veenmossoorten, een varenrijke kruidlaag en een ijle rietlaag. Het habitattype Overgangs- en trilvenen is onder te verdelen in de subtypen Trilvenen en Veenmosrietlanden. Het habitattype overgangs- en trilvenen betreft soortenrijke veenbegroeiingen van betrekkelijk voedselarme tot matig voedselrijke omstandigheden. De plantengemeenschappen van de overgangs- en trilvenen vormen ontwikkelingsstadia in de verlanding die begint in het open water van sloten, plassen en petgaten. In Nederland komen ze vooral voor in het laagveengebied.
Verder kunnen overgangs- en trilvenen ook ontstaan in veenvormende systemen in de middenlopen van beekdalen, op de overgangen van de hogere (pleistocene) zandgronden naar laagveen en in zeekleilandschappen. Uitgaande van het verlandingsproces worden de overgangs- en trilvenen van dit habitattype voorafgegaan door begroeiingen van het open water, zoals drijftil- en krabbenscheergemeenschappen (habitattype H3150). De overgangs- en trilvenen worden in de successiereeks opgevolgd door struweel of bos, onder bepaalde omstandigheden ook door moerasheiden (habitattype H4010). Veenmosrietland dat is dichtgegroeid met wilgen, berken of elzen behoort niet tot het habitattype. De soorten van trilvenen en veenmosrietland kunnen hier wel plaatselijk nog met lage bedekkingen aanwezig zijn. Instandhoudingsdoelstelling: Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.
blad 15 van 114
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.
Beschrijving van het voorkomen van habitattype in het Natura 2000-gebied Voor dit habitattype is er sprake van een theoretisch doelgat van 22,53 ha. De huidige oppervlakte voldoet niet aan het instandhoudingsdoel. Daarnaast is sprake van een verschuiving in de locatie van het habitattype. De percelen waar veenmosrietlanden in de huidige situatie ‘nieuw’ voorkomen betreffen gedeeltelijk locaties die eerder gekarteerd stonden als het habitattype H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea) of H91D0 Hoogveenbossen. Daarnaast is er een vrij groot oppervlak met ‘nieuw’ veenmosrietland ontstaan op locaties die eerder niet aan de kwaliteitseisen voor een habitattype voldeden. Locaties waar veenmosrietland juist is verdwenen, zijn grotendeels locaties die zijn verruigd en kwalificeren nu als H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea) of H91D0 Hoogveenbossen (NDA). Het volledige oppervlak is gekarteerd als de Veenmosrietland-associatie (r09Aa02). Dit vegetatietype kwalificeert als goed. Voor het habitattype H7140B Veenmosrietlanden geldt een uitbreidingsdoelstelling voor kwaliteit. Aangezien het volledige oppervlak kwalificeert als goed, is aan de uitbreidingsdoelstelling voor het kwaliteitsaspect ‘Vegetatietypen’ voldaan. Het betreft echter wel vrijwel alleen om oudere en verder verzuurde vormen van het veenmosrietland (NDA).
Van de zestien typische soorten voor het habitattype H7140B veenmosrietlanden zijn er in de afgelopen 20 jaar tien waargenomen in de provincie Utrecht. Zes hiervan zijn ook in de afgelopen 6 jaar in Botshol waargenomen. Het gaat dan om de planten elzenmos, glanzend veenmos, kamvaren en ronde zonnedauw, en om de gouden sprinkhaan en watersnip (NDA). De abiotische condities zijn overwegend goed. Alleen de uitzakkende grondwaterstanden bij droogte en de grondwaterstanden in het voorjaar leiden tot suboptimale condities. De kenmerken van een goede structuur en functie zijn als goed beoordeeld. Er wordt jaarlijks gemaaid, en hoewel in mozaïek aanwezig is er voldoende ononderbroken en onderling bereikbaar oppervlak aanwezig, waardoor er voldoende functionele omvang aanwezig is (NDA). Overige knelpunten zijn (naast de genoemde hydrologische knelpunten): De huidige omvang van het habitattype te beperkt. Het ‘terugzetten’ van de successie naar jonger, minder sterk verzuurd veenmosrietland is momenteel echter de enige wijze waarop deze basenrijkere veenmosrietlandtypen kunnen terugkeren. Er is in de huidige situatie namelijk geen sprake van verlanding tot jong veenmosrietland. Ook blijft atmosferische N-depositie een drukfactor die met de geplande maatregelen niet wordt weggenomen.
In Botshol zijn (voor zover bekend) de exoten rode Amerikaanse rivierkreeft, gevlekte Amerikaanse rivierkreeft, zwarte appelbes en Amerikaanse vogelkers aanwezig. Deze soorten kunnen een probleem vormen voor de ontwikkeling van de aquatische en terrestrische vegetaties (NDA). Omschrijving planeffect en beoordeling effect stikstofdepositie Er vindt in dit habitattype een toename plaats van maximaal 0,04 mol N/ha op overbelaste delen (zie tabel 5.3). In bijlage 1 is een kaartbeeld opgenomen van de verspreiding en hoogte van de berekende depositietoenames in dit habitattype. Tabel 5.3: Planbijdrage H7140B in Natura 2000-gebied Botshol. Habitattype H7140B Overgangs- en trilvenen (trilvenen)
Planbijdrage (mol/ha/jr.)
Overbelast opp. met toename (ha)
Naderend/niet overbelast opp. met toename (ha)
0,04
ca 0,9
n.v.t.
0,03
ca 7,1
n.v.t.
0,02
Ca 32,4
n.v.t.
Totaal opp. binnen N2000-gebied (gekarteerd) (ha)8 40,4 (Totale opp van het habitattypen binnen het N2000-gebied wordt beïnvloed, grootste deel max 0,02 mol/ha/jr)
Gelet op het feit dat de waterkwaliteit en beheer factoren van groter belang zijn voor deze vegetatie dan stikstof kunnen de effecten van de berekende toename van de stikstofdepositie met maximaal 0,04 mol/ha en maximaal 0,02 mol/ha/jr op het overgrote deel van de oppervlakte op dit habitattype als verwaarloosbaar worden 8
Bron oppervlakte is de habitattypenkaart in AERIUS versie 2024. Natuurdoelanalyse gaat uit van een oppervlakte van 35,43 ha (Provincie Utrecht, 2023).
blad 16 van 114
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.
beschouwd. Ondanks de overbelasting is het habitattype in een goede kwaliteit aanwezig en is het ontstaan op plekken binnen het Natura 2000-gebied. Gelet op het effect van de maatregelen die zijn uitgevoerd om het habitattype in het gebied te versterken en de uitgevoerde reguliere beheersmaatregelen kunnen de effecten van de berekende planbijdrage op dit habitattype als verwaarloosbaar worden beschouwd. Deze depositietoename leidt daarom niet tot een significante verslechtering van de kwaliteit van het habitattype en staat de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling niet in de weg.
5.3.2
H7210 Galigaanmoerassen Algemene beschrijving habitattype Het habitattype betreft alle door Galigaan (Cladium mariscus) gedomineerde moerassen in ons land, behalve die onderdeel uitmaken van een hoogveenlandschap (H7110_A). Galigaan kan zich in basenrijke, niet te zuurstofarme milieus vestigen in lage open moeras- of oeverbegroeiingen. Deze vlijmscherpe, grote moerasplant kan uitgestrekte begroeiingen vormen aan de oevers van laagveenplassen, duinplassen en heidevennen. Galigaan is in Nederland een zeldzame soort maar gaat, na geslaagde vestiging in de regel in de vegetatie overheersen, terwijl de kleine moeras- en oeversoorten verdwijnen en op den duur een soortenarm galigaanmoeras ontstaat. Deze galigaanbegroeiingen kunnen zich vervolgens vele decennia handhaven. Instandhoudingsdoelstelling: uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit. Beschrijving van het voorkomen van habitattype in het Natura 2000-gebied Huidige omvang en kwaliteit Voor dit habitattype is sprake van theoretisch doelgat van 0,40 ha. De Galigaan-associatie (r08Bd01) die is aangetroffen, betreft in Botshol de soortenarme variant van het vegetatietype die veelal langs oevers wordt aangetroffen. De galigaanvegetaties in Botshol herbergen enkel bij uitzondering (andere) bijzondere soorten zoals moeraslathyrus.
De soortenrijke trilveenvariant met soorten uit het Caricion davallianae-verbond komt niet voor in Botshol. Omdat de soortenarme oevervariant wel als ‘goed’ kwalificerend vegetatietype wordt gezien, en het volledige oppervlak hiertoe behoort, is wat betreft de kwaliteitsaspect ‘Vegetatietypen’ aan de behoudsdoelstelling voldaan (NDA). Voor het habitattype H7210 Galigaanmoerassen is maar één typische soort aangewezen, namelijk de blauwborst. Deze is vrijwel niet waargenomen binnen het habitattype. Daarnaast ligt het voor de hand dat de soort in het moerasgebied ten zuidwesten van het Botshol broedt en niet in het Botshol (NDA). De abiotische condities zijn overwegend goed. Alleen de licht/zwak brakke oppervlaktewater leit tot suboptimale condities en de voedselrijkdom is onbekend (NDA). De kenmerken van een goede structuur en functie zijn ook overwegend als goed beoordeeld. Het habitattype H7210 Galigaanmoerassen is voor een goede kwaliteit gebaat bij een dynamisch milieu (profieldocument) om te voorkomen dat een zure monodominantie van galigaan ontstaat. In Botshol, waar de galigaanmoerassen als lijnvormige elementen direct langs de oevers te vinden zijn, is jaarrond sprake van voldoende dynamiek door wind- en golfwerking. Deze factor is dan ook op orde.
Het kenmerk hoge waterstanden is als goed beoordeeld, omdat er bij het huidige peilbeheer geen sprake is van een ontwateringssituatie die nadelig is voor het habitattype (profieldocument). Ook de functionele omvang is als goed beoordeeld. Enige slechte beoordeling betreft het feit dat er vrijwel geen kensoorten van het Caricion davallianae-verbond aanwezig zijn (NDA). Knelpunten en oorzakenanalyse De steile oeverstructuur, waarvan in het hele gebied sprake is, belemmert samen met de afwezigheid van waterplanten, de benodigde omstandigheden voor verlanding en uitbreiding van de soortenrijkere variant van dit habitattype. Men dient zich ervan bewust te zijn dat omvorming van het huidige galigaanmoeras naar dit soortenrijke galigaantype naar verwachting überhaupt niet mogelijk is in Botshol (ook niet als aanvullende maatregelen worden genomen), omdat mesotrofe verlanding tot trilveen in de komende jaren niet waarschijnlijk is in Botshol vanwege de steile oevers en de afwezigheid van aquatische vegetatie. Bovendien is sprake van een hoge Cl-concentraties (NDA).
blad 17 van 114
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.
Omschrijving planeffect en beoordeling effect stikstofdepositie Er vindt in dit habitattype een toename plaats van maximaal 0,04 mol N/ha op overbelaste delen (zie tabel 5.4). In bijlage 1 is een kaartbeeld opgenomen van de verspreiding en hoogte van de berekende depositietoenames in dit habitattype. Tabel 5.4: Planbijdrage H7210 in Natura 2000-gebied Botshol. Habitattype
H7210 Galigaanmoerassen
0,05
Overbelast opp. met toename (ha) -
Naderend overbelast opp. met toename (ha) 0,03
Niet overbelast opp. met toename (ha) 0,01
0,04
0,02
0,07
0,6
0,03
0,2
0,09
1,3
0,02
-
-
0,7
Planbijdrage (mol/ha/jr.)
Totaal opp. binnen N2000-gebied (gekarteerd) (ha)9
2,99 (Totale opp van het habitattypen binnen het N2000gebied wordt beïnvloed, grootste deel heeft geen stiktstofknelpunt).
Gelet op het feit dat peilbeheer en waterkwaliteit factoren van groter belang zijn voor dit habitattype dan stikstof, kunnen de effecten van de berekende toename van de stikstofdepositie met maximaal 0,05 mol/ha op dit habitattype in naderend overbelaste situatie en 0,04 mol/ha/jr in een overbelaste situatie als verwaarloosbaar worden beschouwd. Op dit habitattype is alleen lokaal nog sprake van een stikstofknelpunt. Gezien de besproken knelpunten, waar het plan geen effect op heeft, leidt deze depositietoename als gevolg van het plan niet tot een significante verslechtering van de kwaliteit van het habitattype en staat de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling niet in de weg.
9
Bron oppervlakte is habitattypenkaart AERIUS, versie 2024. In de NDA wordt als oppervlak uitgegaan van 1,60 ha Provincie Utrecht, 2023.
blad 18 van 114
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.
6.
Oostelijke Vechtplassen De Oostelijke Vechtplassen bestaat uit een reeks van laagveengebieden tussen de Vecht en de oostrand van Utrechtse heuvelrug. In het gebied bevinden zich door turfwinning ontstane meren en plassen, meest met een zandondergrond, sommige aanzienlijk verdiept door zandwinning. De combinatie van rivierinvloeden en invloeden van het watersysteem van de zandgronden heeft een rijke schakering van typen van moeras en moerasvegetaties doen ontstaan. In het gebied zijn twee belangrijke gradiënten te onderscheiden: van noord naar zuid loopt een gradiënt van meer gesloten gebied (bos) naar meer open landschap (grasland, trilveen en rietland), terwijl van west naar oost een gradiënt is te zien van toenemende kwel (in petgaten en trilvenen). Belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen (Roerdomp, Purperreiger) en zeer belangrijk voor broedvogels van moerassen met veel waterriet en lange oeverlijnen (Woudaap, Grote karekiet). Ook van enig belang als broedgebied voor enkele andere moeras- en watervogels (Porseleinhoen, Zwarte stern, IJsvogel). Het gebied ligt ten noorden van Utrecht en ten westen van Hilversum en heeft een oppervlakte van 6.475 ha. Het Natura 2000-gebied is in 2013 door de staatssecretaris van Economische Zaken definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. In 2015 en in 2018 is met een wijzigingsbesluit/brief de begrenzing aangepast.
Daarmee zijn doelen voor het habitattype H6510A toegevoegd. Het gebied is aangewezen op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn.
6.1
Beschrijving ecologische sleutelfactoren De sturende factoren voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de Oostelijke Vechtplassen zijn – naast atmosferische depositie - waterkwaliteit (inclusief het optimaal gebruik maken van kwelwater) en kwantiteit, vraat (door grauwe gans en Amerikaanse rivierkreeft), predatie, versnippering leefgebieden en de aanwezigheid van successiestadia van laagveenverlanding in ruimte en tijd. De Oostelijke Vechtplassen liggen tussen de Goois-Utrechtse stuwwal in het oosten en de rivier-kleiafzettingen in het westen. In de laagte tussen de zandgronden en de rivier de Vecht dagzoomde en stagneerde het grondwater dat afstroomde van de stuwwal. Ook neerslagwater stagneerde en regelmatig stroomde rivierwater toe. Zo ontstond het uitgestrekte veengebied van de Vechtstreek, gevoed door één groot (grond)watersysteem dat van de stuwwal tot de Vecht reikt. Deze gradiënt in het landschap is cruciaal voor veel sturende abiotische processen en daarmee voor de verklaring van de verspreiding van de beschermde habitattypen. Geomorfologisch verloopt de gradiënt van oost naar west via grofweg drie fysisch-geografische eenheden: 1) De zandgronden van de stuwwallen en de dekzandgronden in het oosten; 2) Het veengebied met droogmakerijen, open meren en verlandende verveningsgaten in het midden; 3) Het rivierkleigebied nabij de Vecht in het westen.
De aanwezigheid van kwel is een belangrijke gebiedskwaliteit van de Oostelijke Vechtplassen. Het vergroten van de invloed van kwelwater en een effectiever gebruik van kwelwater is echter gewenst voor het realiseren van diverse instandhoudingsdoelen. Daarnaast vormt de voedselrijkdom van het oppervlaktewater een beperking voor het realiseren van de instandhoudingsdoelen die afhankelijk zijn van schoon en helder water. Deze voedselrijkdom hangt samen met een te hoge nutriëntenbelasting afkomstig van een breed scala aan bronnen. Mesotrofe verlanding treedt nog maar in beperkte mate op in de Oostelijke Vechtplassen hetgeen onder andere samenhangt met de voedselrijkdom van het water en een te beperkte invloed van kwelwater. Ook factoren als vraat door grauwe gans en de invasieve exoot Amerikaanse rivierkreeft spelen een rol bij het beperkt optreden van mesotrofe verlanding in de Oostelijke Vechtplassen. Verder vormt de aanwezigheid van diverse andere invasieve exoten een beperking voor de kwaliteit van habitattypen. Bosopslag in rietmoerassen en een afname van het waterriet onder andere door ganzenvraat door grauwe gans hebben geleid tot een afname van geschikt biotoop voor Natura 2000 moerasvogels. Van een aantal van deze blad 19 van 114
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V.
moerasvogelsoorten is de omvang van de huidige populatie dan ook kleiner dan het instandhoudingsdoel. Het gaat om soorten als grote karekiet, roerdomp, woudaap, zwarte stern en porseleinhoen. Voor purperreiger geldt dat de aanwezige populatie kwetsbaar is doordat er maar één kolonie aanwezig is. Herstel van het broedbiotoop van deze moerasvogelsoorten is daarom noodzakelijk. Voor een soort als noordse woelmuis is voor het duurzaam voortbestaan van de populatie het verbinden van leefgebied van belang. Het reguliere beheer bestaat op hoofdlijnen uit: • Baggeren; • Opengraven en aanleg petgaten; • Verwijderen verboste en verlande petgaten; • Plaggen; • Maaien (van trilveen en veenmosrietland, oevers plassen en sloten, kruiden- en faunarijke graslanden, blauwgraslanden, hooiland); • Begrazen; • Bekalken; • Bosbeheer moerasbos (creëren open plekken); • Verwijderen bosopslag; • Hakhoutbeheer. De planbijdrage zal in de desbetreffende Natura 2000-gebieden niet leiden tot significante en structurele wijzigingen van de ecologische sleutelfactoren, de factoren die in belangrijke mate de instandhoudingsdoelen bepalen.
6.2
Afbakening relevante instandhoudingsdoelstellingen
6.2.1
Habitattypen In tabel 6.1 is aangegeven voor welke habitattypen het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen aangewezen is. Daarbij is ook beschreven wat de kritische depositiewaarde is en wat de planbijdrage is. Daarnaast wordt ook aangegeven of de kritische depositiewaarden in de huidige situatie (dus zonder dat hierbij het planeffect is meegenomen) worden overschreden. Tabel 6.1: Afbakening habitattypen Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen (Beheerplan Oostelijke Vechtplassen, Gebiedsanalyse Oostelijke Vechtplassen, 2017 en aanwijzingsbesluit). Habitatcode
Habitattype en -subtype
Doel omvang/ kwaliteit
KDW Mol/ha/jr
Max ADW mol/ha/jr
Max planbijdrage Mol/ha/jr 1)
H3140lv
Kranswierwateren, in laagveengebieden
>>
2143
1647
0,01
H3150 baz
Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden
>>
2143
1903
0,01
H4010B
Vochtige heiden (laagveengebied)
==
500
1369
0,01
H6410
Blauwgraslanden
=>
786
1369
0,01
H6430A
Ruigten en zomen (moerasspirea)
==
>2.400
-
-
Relevant?
Nee, locaties met planbijdrage zijn niet (naderend) overbelast. Dat geldt eveneens voor het bijbehorende zoekgebied met max planbijdrage 0,01 mol/ha/jr) waarbij we ervan uitgaan dat de KDW voor dit zoekgebied dezelfde is als voor het habitattype. Significante gevolgen zijn uit te sluiten Nee, locaties met planbijdrage zijn niet (naderend) overbelast (geldt eveneens voor het bijbehorende zoekgebied met een max planbijdrage van 0,01 mol/ha/jr). Dat geldt ook voor het bijbehorende zoekgebied. Ja, planbijdrage op overbelast oppervlak Ja, planbijdrage op overbelast oppervlak Nee, habitattype is niet stikstofgevoelig. Negatieve effecten zijn uitgesloten.
blad 20 van 114
Bestemmingsplan Vinkeveense Plassengebied Aanvulling PB (actualisatie en aanvulling stikstofdepositie) projectnummer 0478281.100 9 december 2024 KuiperCompagnons B.V. Habitatcode
Habitattype en -subtype
Doel omvang/ kwaliteit
KDW Mol/ha/jr
Max ADW mol/ha/jr
Max planbijdrage Mol/ha/jr 1)
H6430B
Ruigten en zomen (harig wilgenroosje)
==
>2.400
-
-
H7140A
Overgangs- en trilvenen (trilvenen)
>>
1214
1722
0,01
H7140B
Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)
>>
500
1496
0,01
H7210*
Galigaanmoerassen
>>
1429
1761
0,01
H91D0*
Hoogveenbossen
==
1786
2252
0,01
Relevant?
Nee, habitattype is niet stikstofgevoelig. Negatieve effecten zijn uitgesloten. Ja, planbijdrage op overbelast oppervlak Ja, planbijdrage op overbelast oppervlak, geldt eveneens voor het bijbehorende zoekgebied) Ja, planbijdrage deels op (naderend) overbelast oppervlak Ja (planbijdrage deels op (naderend) overbelast oppervlak, het bijbehorende zoekgebied heeft alleen een planbijdrage op niet overbelast oppervlak. Daar zijn significante gevolgen uit te sluiten.
Legenda *: prioritair habitattype -: niet van toepassing/niet relevant =: behoudsdoelstelling >: uitbreiding-/verbeterdoelstelling groen = significant gevolg is met zekerheid bij voorbaat uit te sluiten oranje = habitattype dient nader beoordeeld te worden. 1) op basis AERIUS-berekening 2025 ten opzichte van huidig legale situatie; situatie is niet anders in berekening 2027 ten opzichte van huidig legale situatie.
Sommige habitattypen zijn niet stikstofgevoelig en kan een significant effect door de planbijdrage bij voorbaat uitgesloten worden. Bij de habitattypen waarop geen planbijdrage plaats vinden en/of waarbij (vrijwel) geen overschrijding van de KDW plaatsvindt, kan een significant effect ook bij voorbaat uitgesloten worden. Deze habitattypen worden daarom niet verder beschreven. Het betreft de habitattypen: H3140 Kranswierwateren, H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea), H6430B Ruigten en zomen (harig wilgenroosje). Op basis van de analyse in tabel 6.1 zijn H4010B Vochtige heiden (laagveengebied), H6410 Blauwgraslanden, H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen), H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden), H7210 Galigaanmoerassen en H91D0 Hoogveenbossen nader te beschouwen.
6.2.2
Habitatrichtlijnsoorten In tabel 6.2 is aangegeven voor welke habitatrichtlijnsoorten het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen aangewezen is, of het leefgebied van deze soort stikstofgevoelig is en/of de kritische depositiewaarden in de huidige situatie (dus zonder dat hierbij het planeffect is meegenomen) worden overschreden en/of er een planbijdrage is. Tabel 6.2: Afbakening Habitatrichtlijnsoorten Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen (Aanwijzingsbesluit, Beheerplan Oostelijke Vechtplassen, Gebiedsanalyse Oostelijke Vechtplassen, 2017, NDA, 2023). Soortcode
Soortnaam
Doel Populatie/ Omvang/ Kwaliteit
H1016
Zegge-korfslak
===
H1042
Gevlekte witsnuitlibel