Bijlage 1 - Toelichting - BP De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Tekst van het document
Conclusie De adviezen uit het bodemonderzoek worden opgevolgd. In de exploitatie is door initiatiefnemer rekening gehouden met sanering van de grond. Het aspect bodem staat derhalve de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
4.3
Archeologie
De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2021 in werking treedt. Voor het hele grondgebied van de gemeente De Ronde Venen is een archeologische beleidskaart (Herziening van de archeologische beleidskaart van de gemeente De Ronde Venen 2016, Vestigia BV, V1385, 23 februari 2017) gemaakt. Hierop is te zien waar archeologische waarden in de bodem zitten of verwacht kunnen worden. Relatie tot ontwikkeling Een deel van het perceel ligt in een gebied met relatief hoge archeologische verwachtingswaarde. De omvang van de ontwikkeling overschrijdt de ondergrens van 100 m2. Hierdoor zijn activiteiten die de bodem verstoren vergunningsplichtig.
Bij ontwikkeling op basis van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient daarom een archeologisch (voor)onderzoek door een gekwalificeerd archeoloog te worden uitgevoerd.
Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 27
Figuur 4.1 Uitsnede archeologische beleidskaart, projectlocatie rood omcirkeld (bron: gemeente de Ronde Venen) In dit bestemmingsplan zijn de huidige dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b' en 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 4' overgenomen. De regels behorende bij deze dubbelbestemmingen borgen dat bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een archeologisch onderzoek dient te worden overlegd, waaruit blijkt dat de eventueel voorkomende archeologische waarden in het gebied niet worden verstoord. Daarnaast heeft de initiatiefnemer met de kosten voor (eventueel aanvullend) archeologisch onderzoek rekening gehouden in de exploitatie. Gelet op de bescherming van de archeologische waarden en het gegeven dat in de exploitatie door initiatiefnemer rekening is gehouden met het uitvoeren van onderzoek, staat het aspect archeologie de (financiële) uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Cultuurhistorie
Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken. Het cultuurhistorische beleid van de gemeente is vastgelegd in de Kadernota Erfgoed (vastgesteld op 4 juli 2012). Relatie tot ontwikkeling Op de ligging in de cultuurhistorische hoofdstructuur - agrarisch cultuurlandschap is reeds in paragraaf 3.2 ingegaan. Hieruit volgt dat het plangebied volledig achter de bestaande bebouwing is gesitueerd, waardoor er geen bestaande doorzichten naar het achterland worden aangetast. Gelet op de locatie van het plangebied en het kleinschalige karakter van de ontwikkeling worden eveneens de structuur, de maatvoering, kenmerken het karakter van de (boerderij)linten niet gewijzigd. De aanwezige cultuurhistorische waarden blijven derhalve behouden.
Uit de de Kadernota Erfgoed volgt dat de kleine kernen in het landelijk gebied oriëntatiepunten in het landschap zijn. Soms heel bescheiden ondersteunen ze de kwaliteit Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 28
van het landschap. Deze kernen worden behouden en kunnen op microniveau een kwaliteitsimpuls krijgen. Ontwikkelingen in kleine kernen zijn mogelijk, wanneer ze passen bij de schaal en kwaliteit van het landschap. Uitgangspunt is een zorgvuldige verweving van De Hoef met het historische landschap. Net zoals leefbaarheid en een minimaal voorzieningenniveau. Bescheiden inbreiding binnen de rode contour van deze kernen kan aan de orde zijn om het huidige voorzieningenniveau op pijl te houden en vormen van mantelzorg te bevorderen. De bebouwing binnen het plangebied vindt plaatst binnen de rode contour. De openheid van het landschap, zichtlijnen, verkavelingspatroon, andere cultuurhistorische elementen en aanwezige natuurwaarden worden beschermd. In het veenweidegebied zijn zowel op zichzelf staande natuur- en landbouwgebieden, als combinaties van landbouw- en natuurgebied aanwezig. De gemeente staat ontwikkelingen (waaronder natuurontwikkeling) toe wanneer deze een bijdrage leveren aan het behouden of versterken van de landschappelijke kwaliteit van deze gebieden. Dit wordt bij Welstand geborgd. Er zijn in of nabij het plangebied geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Water
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht, zij zijn verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Waternet voert taken uit in opdracht van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waterbeheerprogramma Amstel, Gooi en Vecht 2022 - 2027 Samen werken aan een toekomstbestendig watersysteem: dat is de rode draad in het Waterbeheerprogramma AGV 2022-2027. Voor de planperiode richten de maatregelen van AGV zich: op het voorkomen van overstromingen en het beperken van de gevolgen van een overstroming. Daarbij hanteert AGV een risicogestuurde watersysteembenadering: de dijken en overstromingsrisico's worden in samenhang bekeken met het watersysteem en de kans op wateroverlast. Er wordt nadrukkelijk aandacht gevraagd voor waterveiligheid in de ruimtelijke inrichting van het gebied. op het op orde houden van het polder-, boezem- en grondwatersysteem, in samenwerking met andere betrokkenen. Ook met het oog op klimaatverandering en goede waterkwaliteit en het feit dat het huidige watersysteem zijn grenzen bereikt.
Hiertoe wordt samengewerkt met andere waterbeheerders in het optimaliseren van het boezemsysteem. Daarnaast wordt een integrale, gebiedsgerichte aanpak in de polders gehanteerd en wordt actief ingezet op het remmen van bodemdaling, door aandacht te vragen voor het watersysteem bij de ruimtelijke inrichting van een gebied. op het realiseren van een goede ecologische kwaliteit en grote biodiversiteit. Hiertoe worden maatregelen in 41 wateren met de status 'KRW-waterlichaam' uitgevoerd. Daarnaast worden ook in 'overige wateren' maatregelen uitgevoerd en is aandacht voor waterkwaliteit en ecologie bij alles wat het waterschap doet. op schoon effluent uit de zuiveringsinstallaties, duurzaam en veilig verwerken van reststoffen uit afvalwater en zoveel mogelijk nuttig hergebruiken van vrijkomende stoffen en energie. op het onderhouden en toegankelijk maken van het watererfgoed, het faciliteren van recreatie op en om het water, in balans met natuurdoelen en het zorgen voor een goed onderhouden en veilig vaarwegennet.
Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 29
Keur AGV en legger In de Keur staan regels van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Hiermee wil het waterschap de volgende doelen bereiken: schoon en genoeg water in onze sloten, grachten en meren sterke dijken tegen overstromingen gezonde waterplanten en vissen De Keur gaat kortom over het gebruik en onderhoud van water, oevers en dijken en welke middelen het waterschap heeft om zijn werk goed te doen. De beleidsregels voor de Keur gaan onder hoofdstuk 12 in op uitbreiding van verhard oppervlak en de compenserende maatregelen die hierbij gelden. In de legger staat wie op welke plek verantwoordelijk is voor onderhoud. Dat kan Waterschap Amstel, Gooi en Vecht zijn. Maar ook een ander waterschap, de provincie of een boer met akkers langs het water. De legger is voor het waterschap een belangrijk document. Het waterschap gebruikt de legger ook bij het geven van een vergunning. De legger maken we onder andere op basis van de Keur. In de Keur staan de regels van het waterschap voor dijken en het water. Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium.
Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een ontwikkelkader opgesteld. In dit ontwikkelkader wordt ingegaan op de waterhuishouding. Het ontwikkelkader is voorgelegd aan het waterschap Amstel Gooi en Vecht. Op 16 juli 2021 heeft Waternet namens het waterschap een eerste reactie gegeven op het ontwikkelkader. Uit een eerste scan lijkt de ontwikkeling mogelijk binnen de kaders van de Keur AGV 2019. Vanuit Waternet is aangegeven dat het aanbrengen van meer dan 1.000m2 verhard oppervlak binnen stedelijk gebied is vergunningsplichtig op grond van de Keur AGV 2019. Deze vergunningsplicht geldt ook voor het aanbrengen van een toegangsweg in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam. Ook als de toename van verhard oppervlak minder is dan 1.000 m2 is er een zorgplicht. De uitvoerende partij moet voorkomen dat de waterhuishouding er niet op achteruit gaat door het wijzigen van de huidige situatie. Het toegenomen verhard oppervlak moet worden gecompenseerd met open water. Deze compensatie borgt een toekomstbestendig watersysteem. Het onderhoud en beheer van de watergangen wordt uitgevoerd door de grondeigenaar. Er mag door de ontwikkeling geen achteruitgang optreden. Tot slot is nog aangegeven dat hemelwater waar mogelijk eerst wordt vastgehouden in het gebied voordat het wordt afgevoerd.
Hierbij kan worden gedacht aan infiltratiekratten in de ondergrond, wadi's, een vijver met afwateringsduiker of extra open wateroppervlak. De reactie van Waternet is in onderstaande waterparagraaf verwerkt. Waterkwantiteit Er geldt een vergunningplicht bij het toevoegen van verhard oppervlak. Onder de 1.000 m2 verharding wordt een vrijstelling afgegeven, hier geldt wel een zorgplicht. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in het toevoegen van 1.000 m2 aan verhard oppervlak. De ontwikkeling valt daarmee onder de vrijstelling van het AGV. Van verlies aan bergend vermorgen is eveneens geen sprake, nu het verhard oppervlak in de toekomstige situatie zal afnemen.
Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 30
Waterkwaliteit en waterafvoer Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, zo veel mogelijk vermeden / niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. De hemelwaterafvoer zal worden afgekoppeld van de afvalwaterafvoer. Om de hemelwaterafvoer van de straat en de parkeerplaats goed te laten verlopen wordt een aantal nieuwe kolken geplaatst in de verharding. Het hemelwater kan met behulp van verzamelleidingen en een uitstroombak worden afgevoerd op de bestaande sloot. De verzamelleiding van het vuilwaterriool kan op worden aangesloten op het bestaande stelsel. Op 13 september 2022 is deze optie goedgekeurd door gemeente De Ronde Venen. Beschermde gebieden Het plangebied ligt voor een deel in kernzone en binnenbeschermingszone van een primaire waterkering, zie figuur 4.2. Bij de herinrichting van het ontsluitingpad dient hier rekening mee te worden gehouden en dient een watervergunning aangevraagd te worden.
Figuur 4.2 uitsnede Legger (bron: AGV) Grondwaternorm In het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) is het gemeentelijk grondwaterbeleid voor nieuwe ontwikkelingen vastgesteld. Wat betreft woningbouw worden de volgende normen gesteld: woning zonder kruipruimte- drooglegging van 50 cm; woning met kruipruimte - drooglegging van 90 cm. Bij de onderhavige ontwikkeling wordt met deze normen rekening gehouden. Klimaatadaptatie Extreme neerslag, droogte en zeespiegelstijging zijn gevolgen van klimaatverandering waar we mee te maken krijgen. Langdurige hitte en droogte hebben daarnaast niet alleen effect op het watersysteem, maar ook op de (volks)gezondheid en de snelheid waarmee bodemdaling plaatsvindt. Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 31
hevige regen optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken, regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge waterstanden verkleind en daarmee de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het aanleggen van groen (en daarmee verharding verminderen) een verminderend effect: het versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft. In het plangebied wordt verharding waar mogelijk vermeden, wordt indien nodig water vastgehouden, worden de woningen aardgasvrij gerealiseerd en wordt een deel van het plangebied als natuur ingericht. Op deze wijze wordt bijgedragen aan het terugdringen van de gevolgen van klimaatverandering. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: 1. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden.
Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. 2. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een verantwoordingsplicht, kan afwijken. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen en risico-ontvangers zijn aangegeven. Op de risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risicoveroorzakende bedrijven (inrichtingen) die gevaarlijke stoffen gebruiken, produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu.
Relatie tot ontwikkeling In figuur 4.3 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven, waarop het plangebied indicatief is aangeduid met een oranje ster. Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 32
Figuur 4.3 Uitsnede risicokaart (bron: nederland.risicokaart.nl) Op de risicokaart is te zien dat: Het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. Het plangebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute. Het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Volledigheidshalve is in figuur 4.4 weergegeven wat de afstanden van het plangebied tot de dichtstbijzijnde risicobronnen zijn.
Figuur 4.4 Uitsnede risicokaart met afstanden (bron: nederland.risicokaart.nl) Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 33
4.7
Geluid
In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. Een geluidsgevoelige bestemming zoals omschreven in de Wgh, die gerealiseerd wordt langs een 30 km-weg of in een woonerf wordt niet beoordeeld in het kader van de Wgh. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een aanvaardbaar akoestische kwaliteit worden bereikt. Relatie tot ontwikkeling Het voornemen is om zeven nieuwbouwwoningen te realiseren en de bestaande bedrijfswoning te transformeren naar een reguliere burgerwoning.
Een woning is een geluidsgevoelig object in het kader van de Wgh. De projectlocatie is gelegen langs 30 km/u wegen, waardoor het plan niet beoordeeld hoeft te worden in het kader van de Wgh. Het is wel van belang om aan te tonen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Hiervoor is de geluidskaart van Atlas Leefomgeving geraadpleegd. In figuur 4.5 is een uitsnede van de kaart opgenomen.
Figuur 4.5 Uitsnede geluidskaart (bron: Atlas Leefomgeving) Op de kaart is zichtbaar dat ter plaatse van het plangebied de geluidsbelasting <45 dB is. Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 34
Op basis van de Wgh is de voorkeursgrenswaarde voor woningen 48 dB. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woonen leefklimaat. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Bedrijven en milieuzonering
Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgesteld. Hierdoor wordt in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden met de belangen van bedrijven en woningen. Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt door de komst van nieuwe woningen. Milieuzonering is een hulpmiddel bij ruimtelijke planvorming. Het is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. In de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. Hierbij worden richtafstanden gegeven per milieutechnisch aspect (geur, stof, geluid en gevaar), waarbij de grootste afstand bepalend is voor de indeling in een milieucategorie.
Tabel 4.1 Richtafstanden bedrijven en milieuzonering De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype 'rustige woonwijk en rustig buitengebied'. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype 'gemengd gebied'. In een gemengd gebied is sprake van een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Daarnaast dienen de richtafstanden gemeten te worden vanaf de grens van de bestemming waarbinnen bedrijvigheid is toegestaan, tot de gevel van een woning. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivering gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Relatie tot ontwikkeling Omgevingstype Het plangebied is gelegen in het omgevingstype 'gemengd gebied'. Aan de noordzijde van het plangebied liggen agrarische gronden. Aan de oostzijde bevinden zich agrarische gronden Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 35
zonder bouwvlak. Aan de zuidzijde van het plangebied bevindt zich eerste lintsbebouwing met woningen. Tot slot zijn aan de westzijde ook agrarische gronden gelegen, met daarachter gronden die bestemd zijn voor maatschappelijke en bedrijfsfuncties. Deze mix van functies naast elkaar leidt tot een gemengd gebied. Omliggende functies Het plangebied wordt aan de noordwest-, noord-, oostzijde begrensd door de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden'. Binnen deze bestemming is in de directe omgeving van het plangebied uitsluitend een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Dit is een bedrijf waarvan de bedrijfsvoering grotendeels afhankelijk is (weidegang, voedervoorziening, mestafzet e.d.) van het voortbrengend vermogen van de grond die tot dat bedrijf hoort. Op de omliggende gronden is geen bouwvlak voorzien. Zonder een bouwvlak zijn beperkt bouwmogelijkheden toegestaan. In ieder geval zijn bedrijfsgebouwen ten behoeve van de stalling van vee niet toegestaan en ook niet aanwezig in de huidige situatie. Daar komt bij dat in de huidige planologische situatie de woonfunctie reeds direct naast de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden' is toegestaan. Navraag bij de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) leert dat voor het desbetreffende perceel geen bedrijfsactiviteiten zijn gemeld (geen vergunning en geen melding Activiteitenbesluit).
De voorgenomen ontwikkeling zorgt daarmee niet voor een eventuele verdere beperking van de bedrijfsvoering. In de huidige situatie is aan de westzijde van het plangebied een caravanstalling aanwezig. Deze caravanstalling is planologisch niet toegestaan. Er wordt derhalve vanuit gegaan dat slechts sprake is van het stallen van caravans en dat van onderhoud aan de caravans geen sprake is. Deze activiteit verhoudt zich derhalve goed tot een woonfunctie. Aan de zuidzijde van het plangebied liggen op een afstand van 20 meter e.v. woningen. Woningen leveren geen (milieu)hinder op ten opzichte van andere woningen. De voorgenomen ontwikkeling vormt voor deze functies geen belemmering en vice verse. Aan de westzijde is op circa 60 meter afstand van het plangebied een maatschappelijke functie toegestaan. Binnen deze functie is een verenigingsgebouw toegestaan. Voor een derlijke functie zijn geen richtafstanden opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten of in de VNG richtafstandenlijst. In dit kader kan geconcludeerd worden dat geen sprake is van een bedrijfsactiviteit, waarbij rekeningen gehouden dient te worden met richtafstanden. De voorgenomen ontwikkeling vormt voor deze functie geen belemmering en vice verse. Aan de westzijde ligt, achter de maatschappelijke functie, op circa 160 meter afstand van het plangebied zand- en grindhandel De Rooij gesitueerd.
De vestiging van de zand- en grindhandel wordt gebruikt als een (kleine) opslagplaats voor de materialen die worden vervoerd. Op basis van het bestemmingsplan 'Buitengebied-West' is de hoogst toelaatbare milieucategorie op deze locatie 3.2. De richtafstand bedraagt op basis van de VNG handreiking voor deze categorie in gemengd gebied 50 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor geurhinder van veehouderijen die milieuvergunningplichting zijn. Uitgangspunt van de wet is dat aan de ene kant de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderijsector niet in gevaar komen, maar ook dat woningen en recreatiewoningen optimaal tegen geurhinder worden beschermd. In deze wet zijn voor bepaalde typen dieren geurnormen opgenomen. Deze normen zijn uitgedrukt in odeur units per kubieke meter. Belangrijke inhoudelijke wijziging in de wet is dat onderscheid wordt gemaakt tussen maximaal toegestane geurbelasting binnen en buiten Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 36
de bebouwde kom en concentratie en niet-concentratiegebieden. Ten aanzien van dieren waarvoor geen geurnorm is vastgesteld, zoals koeien, schapen en paarden, gelden vaste afstanden. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige objecten in de bebouwde kom en daarbuiten. Gemeenten kunnen bij verordening afwijken van de geurnormen en vaste afstanden uit de wet. Hiervoor geldt een in de wet vastgelegde bandbreedte. De gemeente De Ronde Venen heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om middels een geurverordening af te wijken van de wettelijk vastgestelde geurnormen en aan te houden afstanden: de Verordening lokaal geurbeleid voor het grondgebied van de voormalige gemeente De Ronde Venen 2012. In de gemeentelijke verordening wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwe en bestaande situaties. Voor bestaande situaties zijn in de verordening de afstanden zoals opgenomen in de Wgv verkleind. Voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom geldt een minimale afstand van 50 meter en voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom een minimale afstand van 25 meter. Voor nieuwe situaties dient in principe te worden voldaan aan de afstandseisen zoals vastgelegd in de Wgv. Een uitzondering wordt gemaakt voor geurgevoelige objecten die de bestemming recreatie, zorg of toerisme krijgen.
Dergelijke functies mogen op een afstand van minimaal 25 meter van een dierenverblijf worden gerealiseerd. Ook voor nieuwe functies binnen een cultuurhistorisch waardevol gebouw wordt de minimaal aan te houden afstand verkleind tot 25 meter zijn. Relatie tot ontwikkeling Zoals in paragraaf 4.8 Bedrijven en milieuzonering reeds is toegelicht, ontbreekt op de direct aangrenzende agrarische gronden een bouwvlak. Zonder een bouwvlak zijn beperkt bouwmogelijkheden toegestaan. In ieder geval zijn bedrijfsgebouwen ten behoeve van de stalling van vee niet toegestaan en ook niet aanwezig in de huidige situatie. Eventuele geurhinder is derhalve niet aan de orde. Blijkens bijlage 1 van de regels behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied - West" zijn aan De Hoef Oostzijde vier bestaande grondgebonden veehouderijen gelegen. Dit betreffend de veehouderijen aan De Hoef Oostzijde 92, 115, 117 en 119. De afstand van het plangebied tot deze veehouderijen varieert van 370 meter tot 1,5 kilometer. Aan de vaste geurafstanden voor deze veehouderijen wordt derhalve ruimschoots voldaan. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Luchtkwaliteit
In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteiteisen) (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantooren woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen;
Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 37
kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. Relatie tot ontwikkeling Het voornemen om zeven nieuwbouwwoningen te realiseren en één bestaande bedrijfswoning te transformeren naar een burgerwoning valt onder de grenswaarden van 1.500 woningen, waardoor de grenswaarde van 3% niet overschreden zal worden. Het project draagt daarmee niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over onder andere verkeersgegevens). Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5.
Tabel 4.2 toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 3 maart 2022) met bijbehorende grenswaarden.
Tabel 4.2 Totale concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in de nabijheid van het plangebied Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied.
4.11
Natuur
Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Natuurnetwerk Nederland Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 38
Het natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN. Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Van der Goes & Groot een ecologische quickscan uitgevoerd naar de effecten van het plan op beschermde soorten en gebieden. De ecologische quickscan van Van der Goes & Groot is bijgevoegd in Bijlage 3 bij deze toelichting. De resultaten uit de quickscan worden hieronder beschreven. Soortenbescherming Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen 'vrijgestelde' soorten verblijvend aanwezig zijn.
Voor deze aangetroffen of verwachte 'vrijgestelde' soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van Huismus. Er zullen geen werkzaamheden gaan plaatsvinden aan de bedrijfswoning. Onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoort is niet noodzakelijk. Indien er wel werkzaamheden aan de bedrijfswoning plaatsvinden zijn negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten. In dat geval is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoort noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2 uit de ecologische quickscan). Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.
Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (Sperwer en Buizerd), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep, omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Er zullen geen werkzaamheden gaan plaatsvinden aan de bedrijfswoning. Onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is dan niet noodzakelijk. Indien er wel werkzaamheden aan de bedrijfswoning plaatsvinden zijn negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten. In dat geval is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2 van de ecologische quickscan). Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Er zullen geen bomen met diepe holtes of spleten worden gekapt.
Onderzoek naar
Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 39
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van boombewonende vleermuizen is dan niet noodzakelijk. Indien wel bomen met diepe holtes of spleten moeten worden gekapt kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen worden beschadigd of vernield van boombewonende vleermuizen. Het is dan noodzakelijk om aanvullend vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soorten. Onderzoek naar boombewonende vleermuizen zal dan samen met het onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen plaatsvinden. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep, omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving Het plangebied ligt op meer dan 2,9 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Gezien de grote afstand, afscherming (groengebied) en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden.
Verder ligt het plangebied niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden. Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN-gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk. Stikstof Door Van der Goes & Groot is een Aerius-berekening uitgevoerd om de effecten op het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck te bepalen. De Aerius-berekening is opgenomen in Bijlage 4 van deze toelichting. Uit de Aerius-berekening volgt dat de maximale projectbijdrage van de aanlegfase en het gebruik van de gebouwen 0,00 mol/ha/jaar op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen is. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. Conclusie Het aspect natuur staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
4.12
Luchthavenindelingsbesluit (LIB)
In het LIB zijn twee gebieden vastgesteld: het luchthavengebied en het beperkingengebied. Het luchthavengebied betreft de gronden behorende tot de luchthaven. Het beperkingengebied omvat een zone daaromheen, waarbinnen verschillende regimes gelden voor de gebieden die hierbinnen liggen. Hoe groter de afstand tot de start- en landingsbanen en de vliegroutes, hoe minder beperkingen er gelden. Binnen het beperkingengebied dient te worden getoetst aan de maatgevende toetshoogtes. Naast de maatgevende toetshoogtes binnen het beperkingengebied zijn deelgebieden (zones) te onderscheiden met specifieke regels, te weten beperkingen voor bebouwing, beperkingen voor vogelaantrekkende werking en beperkingen voor windturbines en lasers. De beperkingengebieden LIB 1 t/m 5 beogen het aantal personen dat geluidhinder van de luchtvaart ondervindt, of het aantal slachtoffers op de grond ten gevolge van een luchtvaartverkeersongeluk (externe veiligheid), gering te houden, door beperkingen te stellen Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 40
aan de gebruiksfuncties van het gebied rond Schiphol. De beperkingen voor de gronden binnen de zones LIB 1 t/m 5 zijn daarom gericht op de gebruiksfunctie van het plan/object. LIB 5 LIB 5 is een afwegingsgebied voor geluid en externe veiligheid. De regels binnen LIB 5 zijn erop gericht om enerzijds voldoende ruimte te laten voor de ontwikkeling van de mainport Schiphol en anderzijds om (woningbouw)ontwikkelingen mogelijk te maken. Beide zijn van nationaal belang. Voor LIB 5 kent het besluit een zogenaamde motiveringsplicht. Afwegingsgebied externe veiligheid Voor gebieden in LIB5 is een stappenplan voor externe veiligheid opgesteld. Het stappenplan heeft als doel om in de denklijn van Omgevingsveiligheid in de toekomstige Omgevingswet gemeenten bij ruimtelijke plannen te helpen een bewuste afweging te maken waarbij rekening wordt gehouden met de verhoogde kans op een vliegtuigongeval met dodelijke slachtoffers tot gevolg. Met dit stappenplan wordt aan de hand van een aantal stappen en een aantal voorbeelden een hulpmiddel geboden om binnen LIB 5 invulling te geven aan de plicht om voor ruimtelijke ontwikkelingen te motiveren hoe rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van die ontwikkelingen.
In stap 1 wordt bepaald of een aanvraag omgevingsvergunning of een initiatief past binnen het bestemmingsplan en welke overige wet- en regelgeving van toepassing is (waaronder het LIB). Stap 2 is erop gericht te inventariseren welke elementen voor het desbetreffende initiatief een rol spelen. Onderdeel van de motivering zijn: maatregelen om de bestrijdbaarheid van gevolgen van een ongeluk te bevorderen, vluchtwegen en bereikbaarheid voor hulpdiensten, (inrichtings)maatregelen om de zelfredzaamheid van personen te bevorderen, training van bestuurders in crisismanagement, voorlichting, rampenbestrijdingsplannen en oefeningen. In stap 3 wordt beoordeeld of overleg met de veiligheidsregio noodzakelijk is. Dat is bijvoorbeeld aan de orde bij grootschaliger ontwikkelingen of in specifieke omstandigheden als er in het plangebied andere risico’s aan de orde zijn. Indien betrokkenheid van de veiligheidsregio gewenst is, vindt in deze stap het vooroverleg met de veiligheidsregio plaats. Afhankelijk van de situatie kan dit een korte adviesvraag zijn of een intensief traject, bijvoorbeeld in het geval van een grootschalige ontwikkeling. Het resultaat van stap 3 is een advies van de veiligheidsregio.
Stap 4 is de laatste stap en heeft als resultaat een concrete tekst die in de onderbouwing van de omgevingsvergunning dan wel in de plantoelichting wordt opgenomen om aan de motiveringsplicht te voldoen. Afwegingsgebied geluid Voor het onderdeel geluid geldt dat in de toelichting van een bestemmingsplan een weergave en beschrijving van de exacte ligging van de woningbouwlocatie in het beperkingengebied moet worden opgenomen. Daarnaast dient de huidige geluidsituatie op de desbetreffende woningbouwlocatie worden beschreven alsmede de te verwachte toekomstige ontwikkelingen die kunnen zorgen voor een verandering van de huidige geluidsituatie op de woningbouwlocatie. Verder dient de toelichting een beschrijving te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de belangen die met de beoogde woningbouw zijn gemoeid, waaronder de actuele behoefte waarin de woningbouw voorziet. Tot slot dient een conclusie te worden opgesteld van alle bevindingen.
Relatie tot ontwikkeling Het plangebied is gelegen op gronden die op de kaart in bijlage 3 bij het Luchthavenindelingsbesluit zijn aangewezen met nummer 5. Op deze gronden zijn op basis Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 41
van artikel 2.2.1d uit het LIB buiten bestaand stedelijk gebied geen nieuwe woningbouwlocaties toegestaan. Daarnaast dienen gemeenten in de toelichting op het bestemmingsplan of in de onderbouwing van de omgevingsvergunning de wijze waarop rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen te motiveren en dient rekenschap te worden gegeven aan het aspect geluid. In dit bestemmingsplan is reeds geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet past binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied West' en dat de ontwikkeling is gelegen binnen LIB 5. Hieronder is de onderbouwing ten aanzien van het LIB 5 opgenomen. De ontwikkeling betreft een kleine ontwikkeling van 7 woningen en de transformatie van 1 bedrijfswoning naar een burgerwoning. De woningen worden daarnaast gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied. Hieronder wordt voor de voorgenomen ontwikkeling het stappenplan ten aanzien van externe veiligheid doorlopen en wordt vervolgens rekenschap gegeven van het aspect geluid. Afgesloten wordt met een conclusie. Afweging externe veiligheid Waarschijnlijkheidsbepaling De kans dat een vliegtuig neerstort op een bepaalde locatie rond luchthaven Schiphol is klein.
Hetzelfde geldt voor de kans om als persoon op een bepaalde locatie rond de luchthaven te overlijden door een neerstortend vliegtuig. Dichtbij Schiphol is de kans wat groter dan verder van de luchthaven af. Buiten het LIB 3 gebied is dit plaatsgebonden risico kleiner dan 10-6 per jaar (oftewel eens per miljoen jaar). De kans dat een persoon komt te overlijden als gevolg van bijvoorbeeld een verkeersongeval is vele malen groter. De maatschappelijke impact van een ongeval met een vliegtuig is uiteraard groter. Buiten het LIB 3 gebied is de kans dat personen zich in een ongevalgevolggebied bevinden, dus betrokken raken bij een vliegtuigongeval, lager dan ongeveer 3,6 per miljoen jaar (oftewel eens per 278.000 jaar). Het ongevalgevolggebied is het gebied (met wrakstukken) van een vliegtuigongeval. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid De nood- en hulpdiensten treden in het geval van een vliegtuigongeval volgens het hiervoor geldende protocol op. De kwaliteit van de nood- en hulpdiensten wordt door intensieve monitoring steeds verbeterd. Sinds de Bijlmerramp zijn de lokale rampenplannen verbeterd. Lokale bestuurders zijn en worden getraind in het leiding geven tijdens crisissituaties. Dit wordt periodiek herhaald en geëvalueerd. Bij het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met de bereikbaarheid voor nooden hulpdiensten.
De ontsluitingsroute wordt opnieuw ingericht, waarbij het - in tegenstelling tot de huidige situatie - mogelijk wordt voor groter (vracht)verkeer om te kunnen keren. Vluchtroutes en zelfredzaamheid Het plangebied heeft één ontsluitingsweg, richting de De Hoef Oostzijde, via deze weg kan richting de zuidzijde worden gevlucht. Daarnaast worden de noord- en westzijde van het plangebied omsloten door agrarische gronden. Deze gronden zijn toegankelijk, waardoor bij een calamiteit ook in deze richtingen gevlucht kan worden. In het plangebied worden geen functies gerealiseerd waarbij minder zelfredzame personen aanwezig zijn, zoals bijvoorbeeld een kinderdagverblijf. Afweging geluid Het plangebied is gelegen binnen LIB5. Via het Bewoners Aanspreekpunt Schiphol (BAS) is informatie beschikbaar over de geluidsbelasting vanwege vliegverkeer op een specifieke locatie. Het gaat hierbij om het jaargemiddelde geluidsbelasting gedurende de dag die hoort bij de in het voorgaande gebruiksjaar gerealiseerde vliegoperatie. Volgens de gegevens van het BAS lag de jaargemiddelde belasting in 2020 t/m 2021 rond de 52 dB(A) Lden. De geluidsbelasting overdag ligt daarmee onder de grens van 58 dB waarop het Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 42
Luchthavenindelingsbesluit (LIB) 4 gebied is gebaseerd en waarbinnen vanwege de geluidsbelasting beperkingen voor geluidsgevoelige gebouwen zijn opgelegd. Het plangebied is daarnaast gelegen in het dorp De Hoef. In De Hoef is beperkt ruimte om te voorzien in extra woningbouw, daar een groot deel van de gronden buiten bestaand stedelijk gebied is gelegen. Onderhavig plangebied is binnen het bestaand stedelijk gebied gelegen en voorziet in een gevarieerd woningaanbod. Met de ontwikkeling wordt derhalve voorzien in de woningbouwbehoefte die in het dorp heerst. Daarnaast is het plangebied niet gelegen op een hoog geluidbelaste locatie. Zoals in paragraaf 4.7 Geluid reeds is beschreven, is de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer in het plangebied lager dan 45 dB. Nu ook het geluid als gevolg van vliegverkeer beneden de grens van 58 dB ligt waarvoor vanwege de geluidsbelasting beperkingen voor geluidsgevoelige gebouwen zijn opgelegd (LIB4), wordt woningbouw in het plangebied aanvaardbaar geacht. Tot slot wordt bij de woningen conform het Bouwbesluit een acceptabel binnenniveau gerealiseerd. Conclusie Het Luchthavenindelingsbesluit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Er is voldoende rekenschap gegeven aan de aspecten externe veiligheid en geluid.
4.13
Milieueffectrapportage
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieube-heer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, dient een toets uitgevoerd te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Relatie tot ontwikkeling Het beoogde plan behelst de realisatie van maximaal zeven nieuwbouwwoningen en de transformatie van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Een dergelijke ontwikkeling betreft een activiteit als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject). Op basis van gemeentelijk beleid dient elke ontwikkeling vanaf één woning aangemerkt te worden als stedelijk ontwikkelingsproject. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een beperkt aantal woningen, op de locatie waar in de huidige situatie reeds een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan. De beoogde functiewijziging in het plangebied is naar aard en omvang eveneens als gering aan te merken. Zeker wanneer de bouwmogelijkheden in onderhavig bestemmingsplan worden vergeleken met hetgeen het geldende bestemmingsplan toestaat in het plangebied. Dit leidt ertoe dat de milieugevolgen zeer beperkt zijn. Op basis van het gemeentelijk beleid is een vormvrije m.e.r.-beoordeling benodigd. In dit kader is een aanmeldnotitie opgesteld en als bijlage 5 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling bij dit bestemmingsplan gevoegd. Voor de goede orde moet worden opgemerkt dat de bijlagen bij de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.
al als bijlagen bij deze toelichting zijn opgenomen en derhalve niet nogmaals zijn toegevoegd als bijlagen bij de aanmeldnotitie. Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 43
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische aspecten
Inleiding
De regels en de plankaart vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. De toelichting is niet juridisch bindend, maar bevat een uitleg van de aan het bestemmingsplan ten grondslag liggende gedachten en onderzoeken die hebben geleid tot de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied. Op de bij het bestemmingsplan behorende plankaart met het Plan identificatie nummer: NL.IMRO.0736.BPP058DHoostz67a-va01 zijn alle noodzakelijke gegevens ingetekend. De bestemmingen zijn de belangrijkste elementen. In dit bestemmingsplan zijn de bestemmingen 'Groen', 'Natuur', 'Verkeer - Verblijfsgebied', 'Water' en 'Wonen' opgenomen. De bestemming wordt op de verbeelding zichtbaar gemaakt door middel van een kleur. Deze op de verbeelding ingetekende bestemming is gekoppeld aan een artikel in de regels. De regels laten vervolgens bij elke bestemming zien op welke wijze de gronden binnen de desbetreffende bestemming gebruikt mogen worden.
5.2
Planopzet
Het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en uit de regels. Deze elementen zijn direct bindend en vormen o.a. de toetsingsgrond voor een aanvraag om omgevingsvergunning. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van de onderhavige toelichting, die niet bindend is. Bij het opstellen van de regels is rekening gehouden met de Wet ruimtelijke ordening. Om te voorkomen dat de planregels niet mogelijk maken wat achteraf gezien toch eigenlijk wel aanvaardbaar is bevat het bestemmingsplan de nodige flexibiliteit. Denk hierbij aan de mogelijkheid voor het college van burgemeester en wethouders om 10% af te wijken van genoemde hoogtematen. Het bestemmingsplan is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 en de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2012. Leeswijzer bestemmingsregels De bestemmingsregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken.In de inleidende regels zijn in de definities van de verschillende in het bestemmingsplan gebruikte begrippen opgenomen en in de wijze van meten. De wijze van meten geeft aan hoe de oppervlakte, inhoud, goothoogte, nokhoogte e.d. van een bouwwerk moet worden bepaald. Deze regels zijn noodzakelijk voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels.
Het tweede hoofdstuk bevat de bestemmingsregels voor de bestemmingen 'Groen', 'Leiding - Riool', 'Natuur', 'Tuin Landschappelijk', 'Verkeer - Verblijfsgebied', 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b', 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 4', 'Water', 'Waterstaat - Waterkering' en 'Wonen'. In deze regels zijn het toelaatbare gebruik van gronden en bouwwerken aangegeven en zijn diverse bepalingen inzake het bouwen opgenomen. Hieronder worden de bestemmingen van een nadere toelichting voorzien. "Groen" De randen langs het ontsluitingspad zijn als 'Groen' bestemd. Binnen deze bestemming zijn onder meer waterlopen toegestaan. Bouwwerken, geen gebouwen zijn niet toegestaan met uitzondering van straatmeubilair. Voet- en fietspaden en toegangswegen zijn binnen de bestemming toegestaan. "Leiding - Riool" Voor de bestaande en planologisch relevante rioolpersleiding in het plangebied is de dubbelbestemming "Leiding - Riool" opgenomen. Met deze dubbelbestemming is een zone aan weerszijden van de betreffende leiding gereserveerd voor de bescherming van de leiding. Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 44
In de zone mag niet worden gebouwd of gegraven zonder toestemming van de leidingbeheerder. De leiding moet bereikbaar blijven voor onderhoud en grondwerkzaamheden in de buurt van de leiding kunnen gevaar opleveren. In de zones van deze dubbelbestemming gaan de belangen van het leidingentransport voor ten opzichte van andere ter plaatse geldende bestemmingen. Het gebruik van deze gronden mag geen gevaar opleveren voor de belangen van de dubbelbestemming ‘Leiding = Riool’. Vandaar dat zowel voor bouwen als werken/werkzaamheden in deze zones, eerst getoetst moet worden aan de belangen van de desbetreffende dubbelbestemmingen. "Natuur" De gronden behorende bij de bestemming 'Natuur' zijn bestemd voor de ontwikkeling en instandhouding van natuur op het achterland van het plangebied. Daarnaast is extensief recreatief medegebruik toegestaan en is, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - gezamenlijke natuurtuin' een gezamenlijke natuurtuin toegestaan voor de bewoners van de woningen binnen de bestemming 'Wonen'. De gezamenlijke natuurtuin is eveneens gedefinieerd in de begripsbepalingen van deze planregels.
"Tuin - Landschappelijk" Om de openheid en de doorzichten naar het achterland te beschermen is op de gronden met de bestemming 'Tuin - Landschappelijk' een specifieke tuinbestemming opgenomen, waarmee wel het gebruik als zodanig wordt toegestaan, maar waarmee bebouwing tegelijkertijd slechts zeer beperkt mogelijk wordt gemaakt. In de bouwregels is bepaald dat, met uitzondering van erfafscheidingen, geen bouwwerken zijn toegestaan. Omdat bebouwing slechts in beperkte mate is toegestaan, is in de betreffende bestemming ook vastgelegd dat deze gronden niet als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht aangemerkt kunnen worden. Vergunningvrij bouwen is daarmee niet toegestaan. "Verkeer - Verblijfsgebied" De toegangswegen en de parkeerplaats van het plangebied krijgt de bestemming 'Verkeer Verblijfsgebied'. Dit betreft het verblijfsgebied dat toegang geeft voor auto's aan de (woon)percelen en is bedoeld voor langzaam verkeer. "Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b De voor ‘Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden.
Aan de hand van de gemeentelijke archeologische beleidskaart zijn verschillende categorieën te onderscheiden, die een ‘eigen’ onderzoeksdrempel kennen. Wanneer een ontwikkeling deze drempel overschrijdt, is het noodzakelijk om vooraf aan te tonen (middels archeologisch onderzoek) dat de ontwikkeling de eventueel aanwezige archeologische waarden niet schaadt. In het plangebied gaat het om: Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 4 "Water" De huidige watergangen in het plangebied en de gronden waar verbreding van de huidige watergangen wordt beoogd, zijn in het plangebied bestemd als 'Water'. Binnen deze bestemming zijn slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van 1,50 m toegestaan. Voor bruggen, steigers, vlonders en andere afmeervoorzieningen zijn aanvullende voorwaarden opgenomen. "Waterstaat - Waterkering" Deze dubbelbestemming is toegekend in verband met de bescherming van de aanwezige Mees Ruimte & Milieu | De Hoef Oostzijde 67a te De Hoef
Pagina | 45
waterkering in het plangebied. Ter bescherming van de waterkerende functie is een zone opgenomen, de kernzone inclusief de beschermingszones, waarbinnen alleen met toestemming van de waterbeheerder (AGV) mag worden gebouwd of aangelegd. "Wonen" Voor de woningen is de bestemming 'Wonen' opgenomen. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. De maximum goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven. Overige regels Het derde hoofdstuk bevat algemene regels die gelden voor alle in het plangebied voorkomende bestemmingen. De antidubbeltelregel (Artikel 13) is opgenomen conform artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening. In Artikel 14, Artikel 15 en Artikel 16 zijn de voor het plan geldende algemene bouwregels, aanduidingsregels en gebruiksregels opgenomen. Deze bepalingen gelden voor alle in het plan opgenomen bestemmingen. Artikel 17 bevat de algemene afwijkingsregels. Daarnaast zijn in Artikel 18 de overige regels opgenomen en in Artikel 19 de algemene procedureregels. In het vierde hoofdstuk zijn de overgangs- en slotregels opgenomen. In dit hoofdstuk is onder andere bepaald hoe om te gaan met het gebruik en het bouwen voor thans nog aanwezige functies die niet in overeenstemming zijn met het plan. Deze regels volgen uit de artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening.