Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan De Meijert Oost
Tekst van het document
Naast het vastleggen van criteria in het kader van de wet, zijn criteria voor de openbare ruimte opgenomen die niet maatgevend kunnen zijn, maar als doel hebben het stedenbouwkundig kader te completeren. Daarnaast is de beleidsnota bedoeld om het enthousiasme voor de ruimtelijke kwaliteit te vergroten. Het grondgebied van de gemeente De Ronde Venen is opgedeeld in 28 gebieden (zie onderstaande kaart), waarvoor op basis van de ruimtelijke kenmerken en het gewenste regime samenhangend beleid is geformuleerd. De welstandsnota bevat geen welstandscriteria voor grotere (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken. Dergelijke welstandscriteria kunnen namelijk niet worden opgesteld zonder dat er een concreet stedenbouwkundig plan aan ten grondslag ligt. Het opstellen van welstandscriteria voor (her)ontwikkelingsprojecten vormt een vast onderdeel van de stedenbouwkundige planvoorbereiding. De criteria worden opgesteld door de gemeente, in overleg met de welstandscommissie. De gemeenteraad stelt de welstandscriteria vervolgens vast ter aanvulling op de welstandsnota. Het plangebied van dit bestemmingsplan valt binnen welstandsgebied ‘uitbreidingen jaren ’60 – ‘70’ (16) en ‘sport en recreatie’ (19), waar een regulier welstandsregime geldt.
De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied vormt, samen met de totale herontwikkeling van De Meijert, echter een groot (her)ontwikkelingsproject dat afwijkt van de bestaande karakteristiek van het gebied. Voor de totale ontwikkeling van De Meijert is dan ook al een Ruimtelijk kader opgesteld, waarin de uitgangspunten Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
22 voor de stedenbouwkundige opzet maar ook de beeldkwaliteit en architectuur voor de nieuwe bebouwing zijn opgenomen. Op basis van het Ruimtelijk kader is het stedenbouwkundig plan verder uitgewerkt, en voor de ontwikkeling een apart beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen in bijlage 10. Het beeldkwaliteitsplan is vastgesteld en aan de welstandsnota toegevoegd, en zal gelden als toetsingskader voor de uiteindelijke bouwplannen (omgevingsvergunningen). Groenbeleidsplan 2017-2040 In dit beleidsplan geeft de gemeente haar visie op het groen in de gemeente. Het Groenbeleidsplan geeft aan langs welke lijnen de gemeente de komende decennia met het groen in de gemeente wil omgaan. Drie ontwikkelingen komen hierin nadrukkelijk naar voren: De gemeente wil een duurzaam bomenbestand. Dat betekent dat we gaan voor kwaliteit en niet voor kwantiteit. De gemeente zet in op de kwaliteit van het groen in de wijken, door meer variatie in beplanting, meer kleur en beheersbaar groen. Hoe de gemeente omgaat met groen verschilt per kern. Elke kern is apart uitgewerkt aan de hand van specifieke speerpunten voor die kern. Dit Groenbeleidsplan geeft niet alleen duidelijkheid over hoe de gemeente met het waardevolle groen in de gemeente omgaat. Het geeft ook aan wat haar ambities zijn en hoe de gemeente de kwaliteit van het groen kan verbeteren.
De inrichting, gebruik en het beheer van het openbaar groen verschilt, afhankelijk van functie, niveau, ligging van het groen. Groen draagt bij aan de herkenbaarheid en oriëntatie binnen de gemeente en zorgt voor ruimtelijke samenhang. De groene inrichting, ‘Groencategorieën’, zijn de bouwstenen die samen de groene structuur van een kern bepalen. Verschillen in aard, hoeveelheid en samenhang van deze categorieën dragen bij aan de karakteristieke kenmerken van de kern/wijk. Om het groen in de Ronde Venen zo goed mogelijk te blijven ontwikkelen, inrichten, beheren en aan te sluiten bij nieuwe trends zijn 5 algemene speerpunten benoemd. 1. Hoofdgroenstructuur beschermen en versterken; 2. Hoge bomen waar het kan, kleine bomen waar het moet; 3. Versterken van biodiversiteit; 4. Behouden en versterken van groene pareltjes; 5. Stimuleren van bewonersparticipatie in het groen. In de omgeving van het plangebied zijn het park van De Meijert en de groenstrook langs de Doctor J. van der Haarlaan aangemerkt als hoofdgroen. De groenstroken langs de Brunel en Pimpernel zijn aangeduid als wijkgroen (met bomenstructuur). Met de voorgenomen ontwikkeling blijven de bestaande groenstructuren in de omgeving grotendeels behouden. Zoals te zien in afbeelding 2.2 wordt het nieuwe gebouw gesitueerd en ingepast in het groen.
Ten noorden van het gebouw is voorzien in een groen plein en een groene wandelroute, die zorgen voor een nieuwe verbinding tussen de bestaande groenstructuren van het park en de Pimpernel. Een klein deel van het park ten noordoosten van het nieuwe gebouw zal door de ontwikkelaar worden ingericht als tuin ten behoeve van de zorgfunctie. Op die manier kunnen bewoners (dementerende ouderen) hier op een veilige manier buiten verblijven. Voor de tuin is een ontwerp gemaakt en wordt een inrichtingsplan uitgewerkt, om te zorgen dat de tuin zorgvuldig wordt ingepast in het park en de uitstraling krijgt van een overgangszone tussen bebouwing en park. Zo worden bestaande bomen in de tuin geïntegreerd en beplantingen afgestemd op het park. In het bestemmingsplan zijn deze gronden bestemd als ‘Tuin – Onbebouwd’, zodat er in principe geen bebouwing in de tuin wordt toegestaan. Conclusie Zoals uit het voorgaande blijkt, past de ontwikkeling in het plangebied goed binnen het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
23
4
Omgevingsaspecten
4.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de diverse milieuaspecten die relevant zijn voor het plan. Per milieuaspect wordt het geldende wettelijk en/of het beleidskader beschreven. Daarnaast wordt het uitgevoerde onderzoek belicht waarbij de resultaten kort worden weergegeven. Ten slotte wordt op basis van het kader en het onderzoek de conclusie weergegeven.
4.2
Milieueffectrapportage
Voor de voorgenomen ontwikkeling dient gemotiveerd te worden of mogelijk sprake is van negatieve effecten op het milieu. Afhankelijk van de omvang van de ontwikkeling dient het bevoegd gezag de afweging te maken of een m.e.r.-procedure moet worden gevolgd. In het Besluit m.e.r. zijn categorieën van gevallen aangegeven die m.e.r-(beoordelings)plichtig zijn. Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een gebouw van circa 6.700 m2 met appartementen en een gezondheidscentrum. Deze ontwikkeling kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals voorkomt in de eerste kolom van de D-lijst behorende bij het Besluit m.e.r. (categorie 11.2). Voor ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’, zijn de volgende drempelwaarden bepaald (kolom 2): een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen ontwikkeling blijft ruim de aangegeven drempelwaarden in onderdeel D van het Besluit m.e.r., waardoor het plan niet m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsplichtig is. De drempelwaarden in onderdeel D van het Besluit m.e.r. zijn echter indicatieve waarden.
Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag wel dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Op grond van artikel 2 lid 5 van het Besluit m.e.r. is daarom wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten: • kenmerken van het project; • plaats van het project; • kenmerken van de potentiële effecten. Als hieruit blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een uitgebreide m.e.r.beoordeling of MER nodig. Sinds 16 mei 2017 moet voor elk ruimtelijk plan expliciet een besluit worden genomen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (MER), op een zo vroeg mogelijk moment. Voor de terinzagelegging van het ontwerpbesluit moet het bevoegd gezag een m.e.r.beoordelingsbesluit nemen, waarin wordt aangegeven of er wel of niet een formele (uitgebreide) m.e.r.beoordeling of MER moet worden opgesteld. Het besluit over de m.e.r.-beoordeling wordt opgenomen bij het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. In dit kader is door de initiatiefnemer een ‘aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling’ opgesteld. Deze is opgenomen als bijlage 1.
Uit de afweging van de verschillende milieuaspecten blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling geen significant nadelige milieueffecten optreden. Deze effecten zijn weloverwogen beoordeeld. Nadelige effecten die eventueel (in beperkte mate) optreden zijn te compenseren, en er is mogelijk ook sprake van positieve effecten. Maatregelen zullen worden uitgevoerd om negatieve Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
24 effecten te beperken en positieve effecten te stimuleren. De geïnventariseerde effecten maken het opstellen van een MER of m.e.r.-beoordeling niet benodigd. Na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan zijn enkele onderschikte wijzigingen in het plan doorgevoerd. Zo is het plan afgestemd op het actuele programma, met een andere verdeling in woon- en zorgfuncties binnen hetzelfde bouwvolume, en zijn enkele onderzoeken aangepast of aangevuld. Deze veranderingen zijn niet van dien aard dat een nieuwe terinzagelegging of heroverweging van de m.e.r.-beoordelingsbeslissing aan de orde is. De wijzigingen in het plan na de genomen m.e.r.-beoordelingsbeslissing zijn niet dusdanig dat ze van invloed zijn op de conclusies uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO 2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing.
Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m 3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling wordt aangemerkt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit worden niet overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
25 een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren.
4.3.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de Regeling NIBM is aangegeven dat woningbouwlocaties met maximaal 1.500 woningen (en kantoorlocaties van 100.000 m2 bvo) aan één ontsluitingsweg zijn aan te merken als een ontwikkeling die ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van een complex van circa 6.700 m2 bvo mogelijk gemaakt bestaande uit een gezondheidscentrum en 69 appartementen. Gezien deze beperkte omvang en de criteria voor woningbouw- en kantoorlocaties uit de Regeling NIBM, kan de ontwikkeling als ‘NIBM’ worden aangemerkt. Onderzoek en toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit is daarom niet benodigd. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied onderzocht. Deze concentraties zijn opgenomen in de CIMLKmonitoringstool. Uit deze monitoring blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) bij de meetpunten in de directe omgeving van het plangebied (langs de Dr. J. van der Haarlaan) niet worden overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 6,01, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden.
4.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.4
Geluid
4.4.1 Kader Wet geluidhinder De Wet geluidhinder (Wgh) verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals de realisatie van (zorg)woningen. Wegverkeerslawaai Op grond van artikel 74 Wgh bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kunnen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). In het geval er nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen de zone van een weg, mag de geluidsbelasting niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde. Indien de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden.
Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
26 4.4.2 Onderzoek De nieuwe woningen in dit bestemmingsplan liggen niet binnen de in de Wgh vastgelegde onderzoekszone van wegen. Alle wegen in de omgeving van het plan zijn 30 km-wegen waardoor vanuit de Wgh geen onderzoeksverplichting aan de orde is. Ook ligt de ontwikkellocatie niet in de onderzoekszone van een spoorlijn of gezoneerd industrieterrein. Akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai en industrielawaai is daardoor niet aan de orde. Wel bevinden zich binnen het plan en in de directe nabijheid van het plan enkele bestaande en nieuwe 30 km-wegen. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet het verkeer op deze wegen wel worden beschouwd. In dit kader heeft KuiperCompagnons een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het rapport is opgenomen in bijlage 2, de resultaten zijn in deze paragraaf samengevat. Het akoestisch onderzoek is alleen uitgevoerd voor het verkeer op de 30 km-wegen, vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. De gemeente De Ronde Venen heeft geluidbeleid vastgesteld. In het onderzoek is getoetst aan de voorwaarden die in dat beleid zijn vastgelegd, omdat dit beleid voor 30 km-wegen als leidraad wordt gehanteerd. Verder is ook beoordeeld of de toename van het verkeer als gevolg van de planontwikkeling op de bestaande wegen een belemmering veroorzaakt ter plaatse van bestaande woningen.
Uit de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden bij de nieuwe woningen. De geluidsbelasting bedraagt maximaal 55 dB. Verder blijkt uit het onderzoek dat geluidsreducerende maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied niet mogelijk zijn. Dit betekent dat bouwkundige maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn, waarbij als uitgangspunt de cumulatieve geluidsbelasting wordt aangehouden. Alhoewel de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden is het niet noodzakelijk een hogere waarde vast te stellen omdat de hogere geluidsbelasting uitsluitend aan de orde is voor de 30 km-wegen. Zonder maatregelen is het niet mogelijk bij alle woningen een geluidsluwe gevel te realiseren. Voor zover de woningen een buitenruimte hebben ondervindt deze een geluidsbelasting die lager is dan 53 dB, en is deze daarmee passend binnen het beleid. De zorgwoningen krijgen daarnaast een geluidsluwe leeftuin ten noorden van het gebouw. Bij het onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels moet de cumulatieve geluidsbelasting zonder de reductie ex artikel 110g Wgh als uitgangspunten worden aangehouden. Deze geluidsbelasting bedraagt maximaal 60 dB op de galerijwoningen en 55 dB bij de zorgwoningen.
Omdat slechts een klein deel van de woningen geen geluidsluwe gevel hebben door het verkeer op 30 km-wegen, de geluidsbelasting op de laagst belaste gevel van de woning beperkt blijft tot maximaal 52 dB, elke woning een geluidsluwe buitenruimte heeft en bij de beoordeling van de karakteristieke geluidwering het verkeer op de 30 km-wegen wordt betrokken is sprake van een aanvaardbare akoestische situatie en wordt voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder blijkt uit het akoestisch onderzoek dat de geluidsbelasting door het verkeer op de nieuw aan te leggen ontsluitingswegen ter plaatse van de bestaande woningen de voorkeursgrenswaarde niet overschrijdt, zodat er vanuit akoestisch oogpunt geen sprake is van een belemmering.
4.4.3 Conclusie Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden bij nieuwe woningen, met een maximale geluidbelasting van 55 dB. Omdat het uitsluitend gaat om 30 km-wegen is het niet nodig een hogere waarde vast te stellen. Uit het onderzoek blijkt dat bij de nieuwe woningen sprake is van een aanvaardbare akoestische situatie en wordt voldaan aan een aanvaardbaar woon- en Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
27 leefklimaat. Verder blijkt dat de planontwikkeling niet leidt tot overschrijding van voorkeursgrenswaarde bij bestaande woningen, waardoor geen sprake is van een belemmering.
4.5
de
Bodemkwaliteit
4.5.1 Kader Wet bodembescherming Als sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd.
4.5.2 Onderzoek In het kader van de herontwikkeling van de locatie en realisatie van de beoogde nieuwbouw is door Hopman & Peters in 2021 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Doel van het onderzoek was te bepalen wat de invloed is geweest van de brand in 2015 op de milieuhygiënische bodemkwaliteit, en vast te stellen of de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 3. De belangrijkste conclusies uit het onderzoek zijn hieronder samengevat. Op basis van de onderzoeksresultaten, wordt geconcludeerd dat gezien het feit dat er gehalten boven de achtergrondwaarden zijn aangetoond, de onderzoekshypothese ‘verdacht’ in de zin van de NEN 5740 aangenomen dient te worden. De aangetroffen licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen en PAK in één bovengrondmonster zijn niet eenduidig te verklaren, maar zijn van dien aard dat deze géén verdere aandacht behoeven. Het licht verhoogde gehalte aan zink en het matig verhoogde gehalte aan barium in het grondwatermonster is niet eenduidig te verklaren, de concentratie is echter van dien aard dat deze géén verdere aandacht behoeft. De sterk verhoogde gehaltes aan PCB (2014) zijn in het onderzoek van Hopman & Peters (2021) niet meer teruggemeten. Mogelijk is als gevolg van de brand in 2015 bij de bluswerkzaamheden uitspoeling opgetreden.
In de grondmengmonsters MM02 en MM03 (0,0-0,5 m-mv) en MM04 (0,5-1,5 m-mv) zijn analytisch gehalten boven de detectiegrens aan PFOA en PFOS vastgesteld. De gemeten waarden voldoen aan de norm die is gesteld voor gebieden met de bodemfunctieklasse landbouw/natuur. De waarden voor MM01 (0,0-0,5 m-mv) voldoen aan de norm die is gesteld voor gebieden met de bodemfunctieklasse wonen of industrie op basis van PFOA. Op basis van de beschikbare gegevens wordt aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan op basis van de resultaten uit het verkennend bodemonderzoek geen bezwaren tegen de voorgenomen herontwikkeling van de locatie tot bodemfunctieklasse wonen.
Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
28 4.5.3 Conclusie Op basis van de resultaten uit verkennend bodemonderzoek wordt aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht. Het aspect bodemkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.
Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting.
4.6.2 Onderzoek Met de nieuwe ontwikkeling worden nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart bevinden zich echter geen risicobronnen in de omgeving van het plangebied, waarvan de contour over het plangebied reikt (zie afbeelding 4.1). Onderzoek naar het aspect externe veiligheid is dan ook niet benodigd.
Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
29
Afbeelding 4.1: Risicobronnen in de omgeving (plangebied is globaal rood omkaderd. Bron: EV-signaleringskaart).
4.6.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
4.7.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. In de VNG-publicatie worden twee omgevingstypen gehanteerd, namelijk het omgevingstype ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’ en het omgevingstype ‘gemengd gebied’. In het geval van het omgevingstype ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden.
Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
30
Tabel 4.1: Richtafstanden VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’.
4.7.2 Onderzoek Met dit bestemmingsplan wordt een nieuwe milieugevoelige functie mogelijk gemaakt, in de vorm van appartementen. Rondom het plangebied worden, als onderdeel van de bredere ontwikkeling van De Meijert, nieuwe woningen gerealiseerd. In het ontwikkelgebied De Meijert bevinden zich verschillende bestaande tennisvoorzieningen, die als onderdeel van de gehele ontwikkeling deels worden getransformeerd waardoor er ruimte staat voor woningbouw. De tennislocaties en nieuwe woningbouw vallen buiten dit bestemmingsplan. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in een bestaande woonwijk. De omgeving van het plangebied kent hoofdzakelijk een woonfunctie, met verder de tennisvoorzieningen aan de noordkant en een bibliotheek in het westen. Gezien de bestaande functies in de omgeving en toekomstige invulling van het ontwikkelgebied, is het gebied aan te merken als ‘rustige woonwijk’. In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele relevante – potentieel milieuhinderlijke – bestemmingen en functies. Deze worden hieronder nader beschouwd. Tennisvoorzieningen Ten noorden en noordwesten van het plangebied zijn verschillende tennisverenigingen en voorzieningen aanwezig. In het vigerende bestemmingsplan kennen deze gronden een sportbestemming.
Als onderdeel van de gehele herontwikkeling van De Meijert worden deze tennisvoorzieningen deels getransformeerd, waarbij onder andere het aantal tennisbanen wordt verminderd en enkele padelbanen zijn en worden toegevoegd. Op de locaties van de tennisvelden ten noordwesten van het plangebied (TVM) en de tennishal is transformatie naar woningbouw voorzien, waarvoor aparte procedures worden doorlopen. Voor De Meijert Noord en Zuid is het bestemmingsplan inmiddels vastgesteld en onherroepelijk. In de VNG-handreiking vallen tennisbanen en sporthallen onder milieucategorie 3.1, met een bijbehorende richtafstand van 50 meter in een rustige woonwijk. Voor padelbanen is geen richtafstand opgenomen in de VNG-handreiking. In de afgelopen tijd is hiernaar steeds meer onderzoek gedaan, waaruit blijkt dat de aan te houden richtafstand tussen padelbanen en woningen in een rustige woonwijk wordt geschat tussen de 150 en de 200 meter. Tussen de tennisvelden aan de noordoostkant die behouden blijven (TVDRV) en de nieuwbouw in het plangebied wordt de richtafstand gerespecteerd. Voor de bestaande tennisvelden aan de noordwestkant (TVM) en de tennishal reikt de richtafstand deels tot binnen het plangebied. Ook valt de ontwikkeling deels binnen de geschatte richtafstand gemeten vanuit de bestaande padelbanen ten noordwesten van de tennishal.
Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
31 De tennisvelden aan de noordwestkant en tennishal zullen in de toekomstige situatie echter plaatsmaken voor woningbouw. Het bestemmingsplan voor De Meijert Noord en Zuid is inmiddels vastgesteld en onherroepelijk. Onderdeel van deze transformatie is dat de tennisvoorzieningen in het gebied worden samengevoegd in één locatie, in het noordoostelijk deel van De Meijert (TVDRV en oostelijk deel tennishal). Vanwege deze samenvoeging worden op deze locatie enkele tennisbanen toegevoegd, waarbij tegelijk een gedeeltelijke overkapping wordt gerealiseerd met het oog op de geluidhinder voor de naastliggende woningbouwlocaties. Over de samenvoeging van de tennisactiviteiten en realisatie van de overkapping zijn afspraken gemaakt tussen de verengingen, gemeente en ontwikkelende partijen. Geluid Met het oog op de voorgenomen ontwikkeling heeft Peutz een geluidonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 8). Doel van het onderzoek is het bepalen van de geluidemissie van de tennisvereniging, het berekenen van de optredende geluidniveaus ter plaatse van de beoogde woningen en deze te toetsen aan de van toepassing zijnde geluidgrenswaarden. In het onderzoek is rekening gehouden met de toekomstige situatie ten aanzien van de tennisvereniging Mijdrecht.
De toekomstige situatie betreft daarbij de herinrichting van de gronden van de tennisverenigingen in het kader van de herontwikkeling van gehele locatie De Meijert. Uit de rekenresultaten blijkt dat het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) ten gevolge van de tennisvereniging ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen in de toekomstige situatie ten hoogste 47 en 47 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag- en avondperiode. Voor de toekomstige situatie wordt hiermee in de dagperiode voldaan aan de geluidgrenswaarde. In de avondperiode is er een overschrijding van ten hoogste 2 dB(A). Voor alle bestaande woningen wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Daarnaast blijkt dat het maximale geluidniveau (LAmax) ten gevolge van het schreeuwen van personen ter hoogte van de nieuwbouwwoningen ten hoogste 60 dB(A) bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de standaard geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau. Uit de resultaten volgt dat het noodzakelijk is om maatregelen te treffen om ter plaatse van de nieuwe woningen waar sprake is van een overschrijding te kunnen voldoen aan de geluidgrenswaarden. Hierbij wordt opgemerkt dat de overschrijding zeer beperkt en plaatselijk is en alleen optreedt in de avondperiode.
Het gaat om een drietal plaatsen, waarbij de overschrijding ook niet op elke bouwlaag aan de orde is (zie afbeelding 4.2).
Afbeelding 4.2: Locaties overschrijdingen geluidgrenswaarden (rood = bovenste bouwlaag, paars = bovenste drie bouwlagen) (bron: Peutz, maart 2025).
Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
32 Bij het treffen van maatregelen is de voorkeursvolgorde bron-overdracht-ontvanger. Indien het treffen van maatregelen niet realistisch c.q. mogelijk is (vanuit financieel, stedenbouwkundig oogpunt et cetera), is het daarnaast mogelijk een maatwerkvoorschrift te stellen waarin hogere geluidgrenswaarden worden toegestaan. Bronmaatregelen worden in dit geval niet effectief, mogelijk of wenselijk geacht. In de overdracht worden al maatregelen genomen, zoals een geluidsscherm en overkapping. Het positioneren van aanvullende schermen rondom de gronden van de tennisvereniging wordt in deze situatie niet doelmatig geacht. Daarnaast kan in het verdere ontwerp van de ontwikkeling rekening gehouden worden met de overschrijding van de geluidgrenswaarden. Indien het treffen van maatregelen niet mogelijk is, kunnen ter plaatse van de geprojecteerde woningen middels een maatwerkvoorschrift hogere grenswaarden verleend worden. Daarbij moet wel langtijdgemiddelde beoordelingsniveau binnen de woningen voldoen aan een grenswaarde van 35 dB(A) (etmaalwaarde). In dit geval betekent dat met een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van ten hoogste 52 dB(A) een geluidwering van minimaal 17 dB(A). Een dergelijke geluidwering van de gevel kan met een standaard opbouw van de gevel gerealiseerd worden (het Bbl schrijft minimaal 20 dB(A) voor).
Door het verlenen van hogere grenswaarden middels een maatwerkvoorschrift kan worden afgezien van het realiseren van dove gevels, wat het woon- en leefklimaat te goede komt. Uit een nadere beschouwing van het ontwerp blijkt dat de overschrijdingen optreden bij delen van gevels van enkele woon- en zorgeenheden. De zorgeenheden beschikken eveneens over een gevel waar aan de geluidgrenswaarde wordt voldaan. Het betreft de privévertrekken op de verdiepingen waar bewoners slapen; dagelijkse activiteiten vinden op de begane grond plaats. Voor een goed woon- en leefklimaat is het realiseren van dove gevels bij deze zorgeenheden niet wenselijk. Bovendien is het altijd mogelijk om ramen in de avondperiode te sluiten; voor de ventilatie zijn deze niet noodzakelijk. Daarnaast zal aan de geluidgrenswaarden voor het binnenniveau worden voldaan. De wooneenheden beschikken deels over een zijde waar geen sprake is van een overschrijding. Bovendien krijgen beide appartementen een gedeeltelijk afgeschermd balkon of loggia, wat een gunstig effect heeft op het geluid ter plaatse van de gevels. Ook hier zal het altijd mogelijk zijn de ramen te sluiten, en worden voldaan aan de geluidgrenswaarden voor het binnenniveau. Gezien de geringe omvang van de overschrijdingen, en op basis van bovenstaande onderbouwing, zal voor de geconstateerde overschrijdingen een maatwerkvoorschrift worden gesteld.
Licht Naast het geluidonderzoek heeft Peutz een lichthinderonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 9. Hierin is onderzocht of met nieuwe sportverlichting van de velden van de tennisverenigingen in de huidige en toekomstige situatie bij de beoogde nieuwbouw voldaan kan worden aan de normstelling in de Richtlijn lichthinder 2020. Voor de tennisvelden is uitgegaan van de verlichtingseisen zoals gesteld door de KNLTB ten aanzien van wedstrijdvelden (klasse II). Op basis van de uitgevoerde lichtberekeningen kan worden geconcludeerd dat met de binnen het onderzoek beschouwde lichtontwerpen: • voldaan wordt aan de eisen die de KNLTB stelt aan speelveldverlichting, en • bij het nieuwe gebouw voldaan wordt aan de grenswaarden met betrekking tot de verticale verlichtingssterkte (Ev) en lichtsterkte (I) zoals gesteld voor omgevingstype E3 in de Richtlijn lichthinder. Geconcludeerd kan worden dat het aspect lichthinder de ruimtelijke inpassing van het plan niet in de weg staat voor zowel scenario 1 als 2 (betreffende de huidige en toekomstige situatie). Er bestaan lichtoplossingen waarmee de lichtbelasting vanwege de tennisvelden ter plaatse van het plan De Meijert Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
33 Oost beperkt is tot maatschappelijk aanvaardbare waarden. Bibliotheek Daarnaast bevindt zich ten westen van het plangebied een bibliotheek. In de VNG-handreiking zijn bibliotheken aangemerkt als milieucategorie 1. In een rustige woonwijk geldt hiervoor een richtafstand van 10 m. Deze afstand wordt gemeten tot aan de nieuwe bebouwing gerespecteerd. Maatschappelijke functies binnen het plangebied De nieuwe maatschappelijke voorzieningen en dienstverleningsfuncties (gezondheidscentrum) die het bestemmingsplan mogelijk maakt, vallen volgens de VNG-richtafstandenlijst in categorie 1 of 2. De richtafstand voor categorie 2 (30 m) wordt tussen de nieuwbouw en bestaande woningen in de omgeving gerespecteerd. Gezien de aard van de beoogde functies in het gezondheidscentrum en mogelijke samenhang met de nieuwe appartementen binnen het complex is hier een menging van deze functies vanzelfsprekend en aanvaardbaar.
4.7.3 Conclusie De tennisvoorzieningen ten noorden van het plangebied worden samengevoegd tot één locatie, waarbij de tennisvelden aan de noordwestkant en tennishal plaatsmaken voor woningbouw. Op de samengevoegde locatie wordt tegelijk een gedeeltelijke overkapping gerealiseerd met het oog op geluidhinder. Uit geluidonderzoek blijkt dat bij de nieuwe woningen in het plangebied op enkele punten sprake is van een geringe overschrijding van de geluidgrenswaarden in de avondperiode, waardoor maatregelen nodig zijn. De overschrijdingen en mogelijke maatregelen zijn nader beschouwd. Gelet op de geringe omvang van de overschrijdingen en gegeven onderbouwing van een aanvaardbaar woonen leefklimaat, zal voor de geconstateerde overschrijdingen een maatwerkvoorschrift worden gesteld. Uit onderzoek blijkt dat het aspect lichthinder de ruimtelijke inpassing van het plan niet in de weg staat. Voor het overige levert het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen op.
4.8
Water
4.8.1 Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet.
Europees en rijksbeleid Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water. Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
34
Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.
De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten.
Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
35 voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal beleid Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027 Het provinciaal bodem- en waterbeleid is gebundeld in het "Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022- 2027". Er wordt invulling gegeven aan het wettelijk verplichte regionaal Waterprogramma en de ambities en het beleid uit de omgevingsvisie worden verder uitgewerkt. Eén van de beleidsthema's in de omgevingsvisie is een klimaatbestendig en water robuust watersysteem dat duurzaam wordt ingezet, en dat veerkrachtig kan omgaan met neerslag en droogte. Tevens richt het zich op voldoende en schoon drinkwater, de KRW-doelstellingen en veilig en verantwoord omgaan met duurzame energie. In het "Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027" staan verschillende doelen beschreven. Als overkoepelend thema moet de ondergrond nu en in de toekomst duurzaam, zorgvuldig en veilig worden gebruikt, en moet het lineaire (drink)watersysteem zijn omgebouwd tot een circulair systeem.
Tevens wordt er ingezoomd op schoon oppervlaktewater, een schone bodem en schoon grondwater, een goede bodemkwaliteit, voldoende water, waterveiligheid en tot slot energie uit bodem en water. Beleid waterbeheerder Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Het waterschap is verantwoordelijk voor de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van stedelijk afvalwater. De zorg voor het watersysteem omvat het beheer van de oppervlaktewateren, waterkeringen en bergingsgebieden, grondwater en ondersteunende waterstaatkundige kunstwerken. Waternet is de organisatie die de taken namens AGV uitvoert. Het beleid van AGV is verwoord in onder andere het Waterbeheerprogramma, de waterschapsverordening en in diverse beleidsnota's. In de waterschapsverordening zijn geboden en verboden opgenomen voor de bescherming van de functionaliteit van waterlopen en waterkeringen. Hierin staan onder meer de taken van het waterschap, regels voor burgers en bedrijven, zoals vergunning- en meldplichten, maar ook rechtstreekse regels over grondwater, lozen en de kwaliteit van oppervlaktewater. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient de nieuwe inrichting tevens te voldoen aan de ‘Leidraad Ontwerp nieuwe waterinfrastructuur water’ van het waterschap.
De breedte en/of diameter van watergangen en duikers dient in overleg met het waterschap te worden uitgevoerd. Deze eisen uit de leidraad hebben ook betrekking op de bereikbaarheid over land voor het onderhoud aan de watergangen. Ook is het waterschap terughoudend ten aanzien van het plaatsen van bomen langs watergangen in verband met schaduw en bladval. Beleid gemeente Water- en Rioleringsplan De Ronde Venen 2023-2027 Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast. Ook wil de gemeente geen wateroverlast, genoeg en schoon water in de gemeente hebben. Deze doelen hebben gevolgen voor de leefomgeving en alle andere vakgebieden die in de leefomgeving werken. De gemeente heeft de wettelijke taak om voor de riolering en het stedelijk water te zorgen: er is de zorgplicht voor stedelijk afvalwater, voor afvloeiend hemelwater en voor grondwatermaatregelen. Het WRP geeft aan hoe de gemeente deze gemeentelijke watertaken uitvoeren. Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
36
Ook klimaatadaptatie valt deels onder deze watertaken. De gemeente zorgt ervoor dat de leefomgeving beter bestand is tegen een veranderend klimaat met meer hevige neerslag, langere periodes van droogte en intensere hittegolven. Het WRP beschrijft in een visie wat de gemeente wil op het gebied van water en riolering. Daarbij gaat het WRP in op stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater en oppervlaktewater. Stedelijk afvalwater (vuil water) zamelt de gemeente in en wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). De gemeente streeft naar een waterrobuust systeem, waarbij zoveel mogelijk hemelwater wordt verwerkt in de openbare ruimte zonder dat er wateroverlast ontstaat in woningen en bedrijven. Ook particulieren hebben hier een rol in. Nieuwbouw moet voldoen aan nieuwe eisen om meer hemelwater te kunnen verwerken binnen het plangebied. Deze waterberging moet deels in de openbare ruimte en deels op het terrein van bewoners en bedrijven worden gerealiseerd. De gemeente sluit aan bij de Afspraken Klimaatadaptief Bouwen van Provincie Utrecht. De gemeente heeft richtlijnen opgesteld over de gewenste diepte van het grondwater, en neemt maatregelen tegen structureel nadelige gevolgen van grondwater mits dat doelmatig kan en aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.
Met betrekking tot nieuwe ontwikkelingen gaat het WRP met name in op voorwaarden voor afvloeiend hemelwater en grondwater. Bij nieuwbouw binnen de bebouwde kom verwacht de gemeente dat het hemelwater op eigen perceel wordt verwerkt of, waar mogelijk, direct op oppervlaktewater wordt geloosd. Als beide opties niet mogelijk of doelmatig zijn, dan mag worden aangesloten op de riolering. Hemelwater moet dan altijd gescheiden van het overige afvalwater worden aangeleverd aan de perceelgrens. Ook moet nieuwbouw zich houden aan de Afspraken klimaatadaptief bouwen Utrecht. Daarnaast is klimaatadaptief inrichten een uitgangspunt. De gemeente zorgt ervoor dat bij de inrichting van de openbare ruimte plek wordt gemaakt voor bovengrondse berging van overtollig hemelwater (bijvoorbeeld op straat of in openbaar groen). Daar waar water niet over het maaiveld kan afstromen naar een plek waar het geen overlast geeft, wordt een ondergrondse oplossing gezocht die de kans op wateroverlast verkleint (bijvoorbeeld het vergroten van diameters of het aanleggen van een bergingsvoorziening). Per locatie kijkt de gemeente wat mogelijk is, waarbij het streven is om tegen beperkte kosten zoveel mogelijk hemelwater te kunnen verwerken. Hierbij accepteert zij dat straten en openbaar groen soms onder water kunnen staan, als dat geen grote problemen geeft.
De gemeente neemt actief deel aan processen die samenhangen met de ontwikkeling van nieuw stedelijk gebied. Door voorin het ontwikkelingsproces het grondwaterbelang al in te brengen en toe te zien op het zoveel mogelijk implementeren van genoemde uitgangspunten en richtlijnen, kunnen problemen met grondwater achteraf zoveel mogelijk worden voorkomen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hanteert de gemeente de grondwaternormen- en richtlijnen die in het WRP zijn opgenomen.
4.8.2 Onderzoek In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is voor dit ruimtelijke plan een watertoetsproces doorlopen. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente/ontwikkelaar en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
37
Oppervlaktewatersysteem Het dempen en graven van nieuw oppervlaktewater zijn vergunningplichtige activiteiten. Aandachtspunten zijn o.a. dat de doorstroming gewaarborgd moet blijven, de hoeveelheid oppervlaktewater (waterbergingscapaciteit) ten minste gelijk moet blijven en dat waterkwaliteit en ecologische waarden niet mogen verslechteren. Ook voor de aanleg van bruggen en dammen met duikers gelden regels om ervoor te zorgen dat het watersysteem goed blijft functioneren. Het plangebied ligt in polder De Derde Bedijking, en door het gebied De Meijert loopt een peilgrens. Het park en de locatie van het voormalige partycentrum (voorliggend plangebied) liggen in een ander peilgebied (NAP -5,65 m) dan de rest van De Meijert (NAP -5,8 m). Deze peilscheiding zal in stand blijven. Zoals te zien op de legger van het waterschap (afbeelding 4.3), wordt het hele gebied De Meijert voor een groot deel omringd door watergangen. Deze watergangen zijn op de leggerkaart aangeduid als primair oppervlaktewater. Op enkele punten is een duiker aanwezig, aan de noordwestkant bevindt zich een stuw. Deze watergangen vallen buiten het plangebied en worden met de ontwikkeling niet aangetast. Aan de zuidoostkant van het plangebied is een waterpartij aanwezig, die op de legger niet specifiek is aangeduid. In de toekomstige situatie wordt de nieuwe bebouwing aan dit water gesitueerd.
Daarbij wordt het water uitgebreid en in noordoostelijke richting verbonden met de bestaande waterpartij in het park. De precieze inrichting van dit oppervlaktewater wordt nog nader uitgewerkt.
Afbeelding 4.3: Uitsnede Legger waterschap Amstel, Gooi en Vecht.
Waterveiligheid Activiteiten binnen het beperkingengebied (kern- of beschermingszone) van een waterkering zijn veelal vergunningplichtig. De goede staat en werking van waterkeringen moet gewaarborgd blijven. Ook moet doelmatige inspectie mogelijk blijven en moet de waterkering tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten in stand kunnen worden gehouden. Zoals te zien in afbeelding 4.3 valt het plangebied niet binnen de beschermingszone van een waterkering. De waterkering en beschermingszone van de Kerkvaart aan de noordkant vallen ruim buiten het plangebied en worden niet aangetast. Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
38
Waterkwantiteit In de keur heeft het waterschap bepaald dat het verboden is zonder vergunning het verhard oppervlak uit te breiden met meer dan 1.000 m2 in stedelijk gebied. Ter compensatie van een toename van verhard oppervlak wordt uitgegaan van een watercompensatieregel van 10%. Dit houdt in dat 10% van de toename in verharding gecompenseerd moet worden door oppervlaktewater aan te leggen (of een andere vorm van waterberging). In het gemeentelijke water- en rioleringsplan is daarnaast bepaald dat moet worden voldaan aan de eisen uit de Afspraken klimaatadaptief bouwen Utrecht en het Convenant Duurzame Woningbouw provincie Utrecht. Het plangebied De Meijert Oost maakt deel uit van de gehele herontwikkeling van De Meijert. Voor dat gehele gebied is gekeken naar de impact op het watersysteem. Daarbij is de verhardingssituatie in de bestaande situatie vergeleken met de toekomstige situatie (zie afbeelding 4.4). Daarin zijn ook de andere deelgebieden opgenomen, onder meer de locaties van de tennisvelden die worden getransformeerd tot woningbouw. In afstemming met Waternet is geconstateerd dat de tennisvelden beschouwd moeten worden als verhard. Uit de berekeningen volgt dat ten opzichte van de bestaande situatie het totale oppervlak aan verharding in de toekomstige situatie niet groter is, terwijl het oppervlakte groen juist toeneemt.
Er is dan ook geen sprake van een verhardingstoename groter dan 1.000 m2, waarvoor compensatie nodig is. Het te dempen wateroppervlak wordt elders gecompenseerd, en valt buiten het plangebied van De Meijert Oost.
Afbeelding 4.4: Overzicht grondgebruik bestaande en toekomstige situatie in het gehele gebied De Meijert.
In navolging hierop zijn ook de oppervlaktes binnen het plangebied De Meijert Oost beschouwd. In de huidige situatie is het plangebied onbebouwd en grotendeels onverhard. Het terrein is braakliggend met rondom enige verharding van wegen en parkeerplaatsen. Aan de zuidkant van het plangebied een watergang aanwezig, die in het bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ ook als ‘Water’ is bestemd. Voorheen was op de locatie een partycentrum aanwezig, waarmee een groot deel van het plangebied bebouwd was. Dit gebouw is in 2015 afgebrand en nadien niet meer opgebouwd. Met dit bestemmingsplan wordt nieuwe (afwijkende) bebouwing mogelijk gemaakt. Voor het bepalen van de ontwikkeling in verharding wordt de voormalige bebouwing als uitgangspunt gehanteerd, zoals afgestemd met het waterschap. Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
39
In de onderstaande tabel zijn de oppervlakten verharding en groen van de oude en de nieuwe situatie opgenomen. In de situatie van het voormalig partycentrum kende het plangebied een verharding van 5.208 m2. In de nieuwe situatie is circa 4.822 m2 verhard oppervlak aanwezig. De nieuwe tuin zal grotendeels onverhard zijn; voor de aanleg van bijvoorbeeld terrassen of paden is een verharding van 25% gehanteerd. Ten opzichte van de situatie met het voormalig partycentrum neemt het verharde oppervlak in het plangebied zodoende af met circa 386 m2. Het oppervlakte onverhard terrein neemt toe. Er is dan ook geen noodzaak om een verhardingstoename te compenseren. Ruimtegebruik Bebouwing Verharding (wegen, parkeren, trottoir) Tuin [waarvan verhard: 25%] Groen en water Totaal opp. verharding Totaal opp. plangebied
Situatie voormalig partycentrum 2.170 m2 3.038 m2 2.218 m2 5.208 m2 7.426 m2
Toekomstige situatie 1.887 m2 2.751 m2 737 m2 [184 m2] 2.051 m2 4.822 m2 7.426 m2
Tabel 4.2: Verharding plangebied oude en nieuwe situatie.
Daarnaast dient conform de regels van het waterschap bij het dempen van wateroppervlakten op een andere plek weer evenveel water te worden aangelegd (dempen = graven). Binnen het plangebied wordt geen bestaand oppervlaktewater gedempt. Compensatie is daardoor niet nodig. Waterafvoer Naast de waterkwantiteit zal nader onderbouwd moeten worden op welke wijze voorzien wordt in het opvangen van de piekbelasting van hemelwater. De piekbelasting dient ter plaatse van het plangebied opgevangen te worden, en waar mogelijk zoveel mogelijk in de bodem te worden geïnfiltreerd. In de verdere planuitwerking wordt nader beschouwd wat de meest optimale oplossing is om aan te houden voor de beoogde ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling heeft in zijn geheel een beperkte invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. De beoogde ontwikkeling wordt aangesloten op het rioleringsstelsel. Binnen de gemeente wordt het afvalwater gescheiden ingezameld. Er zal dan ook een gescheiden rioolstelsel worden aangelegd. Het huishoudelijk afvalwater wordt met een aparte leiding aangesloten op het gemeentelijke vuilwaterriool. Het hemelwater komend vanaf daken en wegen wordt met een apart stelsel rechtstreeks afgevoerd naar het oppervlaktewater. Voor de eisen van een openbaar rioleringsstelsel wordt aangesloten bij de LIOR.
Om vervuiling van het oppervlaktewater tegen te gaan mogen geen uitlogende stoffen (zoals koper, zink, lood et cetera) in het plan (dak- en gevelbedekking, dakgoten et cetera) worden toegepast. Zoals beschreven in het Ruimtelijk kader kan het vuilwaterriool van de nieuwe woonwijk in De Meijert niet lozen op het nabijgelegen bestaande rioleringsstelsel. Er zal daarom een persleiding aangelegd worden naar de kruising nabij de Lidl. Hiertoe zal ruimte gereserveerd worden voor het benodigde rioolgemaal. Dit gemaal dient goed bereikbaar te zijn voor een vrachtwagen. Klimaatadaptatie Door de verandering van het klimaat wordt het weer steeds extremer. Meer en meer krijgen we te maken met hitte, droogte, wateroverlast door hevige regenbuien en kans op overstromingen. Een belangrijke ambitie van gemeente De Ronde Venen is het tijdig anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering. Voor nieuwe wijken streeft de gemeente naar een waterrobuuste en klimaatbestendige inrichting, conform het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Maatregelen worden binnen de plangrens genomen. Naast de inrichting van de openbare ruimte moet ook gekeken worden naar een klimaatrobuuste uitvoering van de private omgeving. Hierbij hanteert de gemeente de uitgangspunten Bestemmingsplan ‘De Meijert Oost’ Toelichting Vaststelling – 22 april 2025
40 uit het WRP en de afspraken uit de Afspraken klimaatadaptief bouwen Utrecht, het Convenant Duurzame woningbouw provincie Utrecht. In de gemeentelijke LIOR wordt ook ingegaan op het aspect klimaatadaptatie, en zijn deze afspraken overgenomen. Bij de inrichting van de openbare ruimte zal worden aangesloten bij de hierin bepaalde normen en richtlijnen. In de ontwerpfase zal nader worden uitgewerkt hoe dit in het plan wordt ondervangen. Zeker aangezien sprake is van de ligging in een relatief diepe polder, vraagt dit om de nodige aandacht. Paragraaf 4.11 gaat nader op de verschillende duurzaamheidsaspecten in. Grondwater Bij de beoogde ontwikkeling wordt aangesloten bij de grondwaternormen- en richtlijnen zoals opgenomen in het gemeentelijk WRP: Gestreefd wordt naar volledig grondwaterneutrale ingrepen in het systeem. De ontwikkeling mag geen hydrologische achteruitgang aan de randen van het plangebied tot gevolg hebben, ten opzichte van de huidige situatie. De te hanteren grondwaternorm is afhankelijk van de functie van het gebied. In het WRP zijn de na te streven grondwaternormen weergegeven. Zo geldt voor woningen een ontwateringsdiepte van 0,9 m (met kruipruimte) of 0,5 m (zonder kruipruimte) beneden maaiveld.
Bij het toepassen van maatregelen om aan de grondwaternorm te kunnen voldoen bij ontwikkeling van nieuwbouw dient de volgende voorkeursvolgorde te worden gehanteerd: integraal ophogen; toepassen van grondverbetering; afwatering via open waterlopen; aanpassen van bouwwijze of gebruik; toepassen van drainage (technische ontwatering). Technische ontwatering dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Bij aanleg van drainage dient te worden gezorgd voor een robuust, goed te onderhouden systeem. Dit systeem wordt, indien mogelijk, aangesloten op de afwateringsvoorziening voor hemelwater en staat los van het vuilwaterriool. In de gevallen dat er sprake is van de inzet van technische ontwatering dienen afspraken te worden gemaakt over onderhoud en beheer op particulier terrein. Het af te voeren grondwater van particulier terrein is zodanig van kwaliteit dat dit zonder extra zuivering op het oppervlaktewater mag worden geloosd. Waterkwaliteit In het plangebied zijn geen KRW-waterlichamen aanwezig. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen.