Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan De Meijert Noord & Zuid
Tekst van het document
Aan de Mijdrechtse Zuwe 2 bevindt zich een LPG-tankstation van Shell. Dit tankstation bevindt zich op een afstand van circa 1,5 kilometer tot het plangebied. Een LPG-tankstation is een inrichting die ressorteert onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Een LPG-tankstation kent een invloedsgebied van 150 meter (zowel vanaf het vulpunt als vanaf het reservoir). De beoogde ontwikkeling is niet binnen het invloedsgebied van het tankstation gelegen, en vormt hiermee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5 . Tr a n s p o r t v a n g e v a a r l i j k e s t o ff e n d o o r a a r d g a s b u i s l e i d i n g e n
Ten oosten van de beoogde ontwikkeling bevinden zich aardgasbuisleidingen. De beoogde ontwikkeling is echter niet in het invloedsgebied van één van deze leidingen (van max. 140 meter) gesitueerd. De meest dichtstbijzijnde aardgasbuisleiding is op een afstand van circa 2,0 kilometer gesitueerd. De betreffende buisleidingen vragen daarom niet om een nadere beschouwing en leveren geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling. 4.4.4 C o n c l u s i e
In de omgeving van het plangebied is geen sprake van risicobronnen die om een nadere beschouwing vragen. Het aspect externe veiligheid levert geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling. 4.5 B e d r i j v e n e n m i l i e u z o n e r i n g
4.5.1 A l g e m e e n
De beoogde ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Hierbij moet rekening gehouden worden dat de beoogde woningen op een passende afstand ten opzichte van omliggende bedrijfsactiviteiten worden gesitueerd. Bedrijven kunnen een impact hebben op hun omgeving. Hierbij is het van belang dat enerzijds de belangen van de bedrijven niet geschaad worden en anderzijds wordt gestreefd naar een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. In deze paragraaf zal dit aspect nader worden toegelicht. 4.5.2 We t t e l i j k k a d e r
Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) worden O 16870-3-RA-007 32
de bedrijfsactiviteiten van bedrijven ingedeeld in bepaalde milieucategorieën. Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'gevoelige' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder kan optreden ten gevolge van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Indicatieve richtafstanden (voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar) voor woningen in de twee te onderscheiden 'omgevingen' bij verschillende bedrijfstypes (ingedeeld in milieucategorieën) zijn weergegeven in tabel 4.1. t4.1 Indicatieve afstand in meters tot omgevingstype (bron: VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering') Categorie
Rustige woonwijk en rustig buitengebied
1
10
Gemengd gebied 0
2
30
10
3.1
50
30
3.2
100
50
4.1
200
100
4.2
300
200
5.1
500
300
5.2
700
500
5.3
1000
700
6
1500
1000
Volgens de voornoemde VNG-publicatie is de definitie van het omgevingstype gemengd gebied als volgt: 'Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven'. In voorliggende situatie is sprake van sportfuncties in de omgeving van het plangebied. In hoofdzaak is echter sprake van een woongebied. Derhalve wordt vooralsnog uitgegaan van een rustige woonwijk. De in tabel 4.1 weergegeven afstanden betreffen de afstanden tussen de perceelgrens van de activiteiten (niet de bebouwingsgrens) en de gevel van de (geluid)gevoelige bestemming (in casu woningen). De afstanden zijn volgens de VNG-brochure algemene richtafstanden en geen harde afstandseisen. Gemotiveerd afwijken van deze afstanden is mogelijk, zo volgt ook uit jurisprudentie. Opgemerkt wordt dat de VNG heeft besloten dat de VNG-brochure uit 2009 met de richtafstanden per bedrijfsactiviteit niet meer goed past bij het integrale karakter van de Omgevingswet. In dat kader heeft de VNG de publicatie 'Milieuzonering nieuwe stijl' uitgegeven. Hierin wordt uitgegaan van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren. De werkelijke milieubelasting van een bedrijfsactiviteit is dan bepalend of een activiteit op een bepaalde locatie past, en niet meer een richtafstand.
Opgemerkt wordt dat in deze nieuwe VNG-publicatie aangegeven wordt dat deze een alternatief is naast de bestaande VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. O 16870-3-RA-007 33
4.5.3 B e o o r d e l i n g
Het voornemen betreft de realisatie van woningen. Om de inpasbaarheid hiervan te beoordelen zijn de bedrijfsactiviteiten in de omgeving van het plangebied geïnventariseerd. Aan de hand hiervan kan worden beoordeeld of wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. De inpasbaarheid van woningen in de omgeving is hierbij beoordeeld op basis van de maximaal planologische mogelijkheden conform de vigerende bestemmingsplannen/beheersverordeningen alsmede op basis van de feitelijke situatie. Maximaal planologische invulling
Ter plaatse van het plangebied en diens omgeving vigeert de beheersverordening 'Mijdrecht Woongebied Zuid'. Conform de beheersverordening mogen de gronden en bestaande bouwwerken ter plaatse van het plangebied en diens omgeving worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik 2. Bestaande bouwwerken mogen worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmeting en op dezelfde locatie. De maximaal planologische invulling komt hiermee in hoofdzaak overeen met de feitelijke situatie 3. Derhalve wordt uitsluitend de feitelijke situatie beschouwd. Fe i t e l i j k e s i t u a t i e
De beoogde ontwikkeling grenst aan een woonwijk, ter plaatse van gronden die thans in gebruik zijn door een tennisvereniging. Tennisbanen (met verlichting) behoren tot milieucategorie 3.1 en kennen een richtafstand van 50 meter in een rustige woonwijk. Daarnaast is ook sprake van padel ter plaatse van deze gronden. Voor padel zijn geen richtafstanden beschikbaar. Padel gaat net als tennis gepaard met een zekere impact op de omgeving. Aangezien het plangebied – ook in de toekomstige situatie na de herindeling van de gronden van de tennisvereniging - direct grenst aan de gronden van de tennisvereniging wordt niet aan de van toepassing zijnde richtafstand voldaan. Dit vraagt derhalve om een nadere beschouwing. Daarnaast bevindt zich ten zuidoosten van het plangebied een bibliotheek en een kantoorgebouw. Deze bedrijvigheid behoort tot milieucategorie 1, en kent een richtafstand van 10 meter in een rustige woonwijk. De bibliotheek bevindt zich op circa 65 meter afstand van het plangebied, en het kantoorgebouw op circa 95 meter afstand van het deelgebied De Meijert Noord. Deze functies bevinden zich echter op circa 5 meter afstand tot het deelgebied De Meijert Zuid. De bebouwing binnen het deelgebied De Meijert Zuid wordt echter niet direct op de grens van het plangebied gesitueerd.
Hiermee is sprake van een grotere afstand van de perceelgrens van de omliggende bedrijvigheid tot aan de gevels van de beoogde woningen. Aan de van toepassing zijnde richtafstand wordt hiermee voldaan. Overigens wordt opgemerkt dat de gehele locatie 'De Meijert' naar verwachting herontwikkeld zal worden. In hoofdzaak zal sprake zijn van woningen. Bovendien wordt mogelijk voorzien in maatschappelijke functies, zoals zorgwoningen en/of een 2 Ook in het ontwerpbestemmingsplan 'Dorpskernen' wordt de huidige feitelijke situatie grotendeels geconsolideerd. In dit ontwerpbestemmingsplan wordt ter plaatse van het voormalige party- en congrescentrum De Meijert nog voorzien in bebouwing met een maatschappelijke functie. Het voornemen bestaat echter niet om hier dergelijke bebouwing terug te laten komen. 3 Opgemerkt wordt dat het party- en congrescentrum De Meijert thans niet meer bestaat. Dit betrof ten tijde van de vaststelling van de vigerende beheersverordening de bestaande situatie. Het voornemen bestaat echter niet om dit gebruik en de bijbehorende bebouwing weer in dezelfde vorm terug te laten komen. O 16870-3-RA-007 34
gezondheidscentrum. Dergelijke functies zullen op zorgvuldige wijze worden ingepast in de omgeving. De beoogde woningen binnen het plangebied zullen echter niet de dichtstbijzijnde woningen zijn voor deze functies. Beschouwing inpasbaarheid in relatie tot gronden tennisvereniging Voor de inpasbaarheid van de beoogde ontwikkeling in relatie tot de gronden van de tennisvereniging is geluid een bepalend aspect. Derhalve is door Peutz voor zowel de meest noordelijk gelegen bouwblokken (bijlage 3), als het meest zuidelijk gelegen bouwblok (bijlage 4), onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidniveaus ten gevolge van de tennisvereniging (zowel als gevolg van de tennis- als padelvelden) ter plaatse van bestaande en de nieuw te realiseren woningen. Het doel van deze onderzoeken is het bepalen van de geluidemissie van de tennisvereniging, het berekenen van de optredende geluidniveaus ter plaatse van de bestaande en beoogde woningen en deze te toetsen aan de van toepassing zijnde geluidgrenswaarden. In de onderzoeken is ervan uitgegaan dat schermen, alsmede gesitueerd worden rond het terrein van de tennisvereniging, en dat de padel- en tennisbanen deels overkapt zullen worden.
Uit de onderzoeken blijkt dat de geluidgrenswaarden voor het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L Ar,LT) en maximale geluidniveau (L Amax) ten gevolge van de tennisvereniging ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen aan de van toepassing geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit voldoen. Bovendien speelt ook het aspect lichthinder mogelijk een rol bij de beoogde ontwikkeling. Een deel van woningen is immers op korte afstand van tennis- en padelbanen, en diens verlichting, gelegen. Met name de woningen binnen De Meijert Noord zijn binnen het invloedsgebied van deze verlichting gelegen. In dat kader is voor deze ontwikkeling lichthinderonderzoek (bijlage 11) uitgevoerd. Daarbij wordt opgemerkt dat uit eerdere lichtmetingen bleek dat vanwege de bestaande speelveldverlichting van De Ronde Vener niet zonder meer wordt voldaan aan de van toepassing zijnde normen uit de Richtlijn lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV). Daarom is nader onderzoek uitgevoerd waarbij is beoordeeld of door het gebruik van nieuwe armaturen kan worden voldaan aan deze normen. Uit dit onderzoek blijkt dat het aspect lichthinder de haalbaarheid van de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat indien uitgegaan wordt van nieuwe armaturen. Door de toepassing van nieuwe armaturen wordt voldaan aan de normen. 4.5.4 C o n c l u s i e
In relatie tot de ligging nabij tennis- en padelvelden zullen geluidschermen gesitueerd worden rond de gronden van de tennisvereniging, en zal een deel van de tennis- en padelbanen deels overkapt worden. Er is geen sprake van overige bedrijvigheid die belemmeringen oplevert voor de beoogde ontwikkeling.
O 16870-3-RA-007 35
4.6 B o d e m
4.6.1 A l g e m e e n
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient met betrekking tot de bodem rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de toekomstige functies. In deze paragraaf zal de bodemkwaliteit ter plaatse van de beoogde ontwikkeling inzichtelijk gemaakt worden. 4.6.2 We t t e l i j k k a d e r
Bij het opstellen van een bestemmingsplan of bij het plan tot afwijken van het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht. De nieuwe bestemming moet immers passend zijn in relatie tot de bodemkwaliteit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient een bodemonderzoek verricht te worden, dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Er dient onderzoek verricht te worden naar de bestaande situatie en of deze aansluit bij de toekomstige situatie. Op sterk verontreinigde grond zijn beperkingen met betrekking tot nieuwbouw. Hier mogen geen gevoelige objecten, zoals woningen, gerealiseerd worden. Op grond van artikel 8 van de Woningwet dient te worden voorkomen dat er gebouwd wordt op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers. Er moet duidelijk rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot toegelaten functies. 4.6.3 B e o o r d e l i n g
Om te kunnen beoordelen of de bodemkwaliteit passend is voor het toekomstige gebruik is voor beide deelgebieden De Meijert Noord en De Meijert Zuid door ABO-Milieuconsult B.V. in 2023 een historisch vooronderzoek conform NEN5725 uitgevoerd. Voor beide onderzoeken is bovendien een bodemonderzoek conform de NEN5740 uitgevoerd. In bijlage 5 en 6 zijn de bodemonderzoeken voor respectievelijk de deelgebieden De Meijert Noord en De Meijert Zuid opgenomen. De conclusies uit deze onderzoeken worden onderstaand opgenomen. De Meijer t Noord Grond
− Plaatselijk zijn bodemvreemde materialen (baksteen) aangetroffen; − Ter plaatse van de gedempte watergangen zijn geen aanwijzingen dat gedempt is met bodemvreemd materiaal; − De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met kobalt, zink, cadmium en kwik; − De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met kwik en lood.
O 16870-3-RA-007 36
Gro ndwater
− Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met zink en molybdeen. Asfalt
− Het vrijkomende asfalt is niet teerhoudend en derhalve bruikbaar; − Onder de asfaltverharding bevindt zich een slakken-/lavalithlaag; − Onder de slakken-/lavalithlaag is zand of klei aanwezig. Geconcludeerd wordt in het onderzoek dat er geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling, en dat vervolgonderzoek hiermee niet benodigd is. Overigens geldt voor de gronden die thans in gebruik zijn als tennisvelden dat de toekomstige woonfuncties niet gepaard gaan met een intensievere interactie met de bodem. De Meijer t Zuid
Opgemerkt wordt dat dit onderzoek toeziet op een groter gebied dan uitsluitend het deelgebied De Meijert Zuid. Onderstaand zijn de conclusies voor het gehele onderzochte terrein opgenomen. Voor zowel het deelgebied De Meijert Zuid als het grotere onderzochte terrein kan namelijk dezelfde eindconclusie worden getroffen. Gehele terrein
− Zintuiglijk zijn in de bovengrond ter plaatse van enkele boringen sporen lavalith en/of gravel waargenomen. Ter plaatse van één boring is in de grond zwak slakhoudend materiaal aangetroffen. − Op het maaiveld en in de grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. − De bovengrond (traject tot 0,8 m-mv; zand) is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. − De bovengrond (traject tot 0,3 m-mv; zand met slakken) is licht verontreinigd met kobalt. − De bovengrond (traject tot 0,5 m-mv; klei) is licht verontreinigd met kwik en lood. − De bovengrond (traject tot 0,3 m-mv; zand met sporen lavalith) is licht verontreinigd met kwik en lood. − De ondergrond (traject tot 0,5-2,5 m-mv; klei) is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. − Het grondwater ter plaatse van één peilbus is licht verontreinigd met nafaleen, en één met barium. Gedempte watergangen
− Zintuiglijk zijn in de grond ter plaatse van de gedempte watergangen geen bodemvreemde en/of asbestverdachte bijmengingen aangetroffen. − De grond (traject 1,0-1,5 m-mv; klei) ter plaatse van zowel de noordwestelijke als zuidoostelijke gedempte watergang is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters.
O 16870-3-RA-007 37
Halfverhardingen zuidelijke 3 tennisbanen
− De noordelijke twee tennisbanen binnen het onderzochte terrein betreffen kunstgrasbanen (deze bevinden zich niet binnen De Meijert Zuid). − De halfverharding ter plaatse van de zuidelijke 3 tennisbanen is opgebouwd uit gravel (circa 5 cm dik) met daaronder lavalith (circa 25 tot 35 cm dik). − De gravelverharding voldoet aan de criteria voor toepassing als niet-vormgegeven bouwstof of IBC bouwstof. − De lavalithverharding voldoet aan de criteria voor toepassing als niet-vormgegeven bouwstof of IBC bouwstof. Uiteindelijk wordt in het onderzoek geconcludeerd dat het licht verhoogde gehalte aan enkele zware metalen in de bovengrond en de licht verhoogde concentraties aan naftaleen en barium in het grondwater dermate gering is dat dit geen aanleiding geeft tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek. Plaatselijk zijn in de bovengrond sporen gravel, lavalith of slakken aangetroffen. Dit is echter niet asbestverdacht, een nader onderzoek naar asbest is dan ook niet benodigd. Ook zijn ter plaatse van de gedempte watergangen geen waarnemingen van bodemvreemde of asbestverdachte bijmengingen aangetroffen. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.6.4 C o n c l u s i e
Het aspect bodem vormt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. De bodemkwaliteit is passend voor het beoogde gebruik. 4.7 E c o l o g i e
4.7.1 A l g e m e e n
De ontwikkeling bevindt zich in reeds bebouwd gebied. Dit sluit echter niet uit dat er een effect kan zijn op de mogelijk aanwezige (beschermde) flora en fauna ter plaatse van de beoogde ontwikkeling en diens nabije omgeving. Met betrekking tot het aspect ecologie is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierna wordt nader ingegaan op dit aspect. 4.7.2 We t t e l i j k k a d e r Wet natuurbescherming
Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet heeft 3 wetten samengevoegd: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Door hier één wet van te maken wordt deze makkelijker en duidelijker om toe te passen. Voor eenvoudige activiteiten (bijvoorbeeld reguliere onderhoudswerkzaamheden) is er voortaan een meldplicht. Voor activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning nodig blijft, moet deze binnen 13 weken worden gegeven. Bovendien bepalen de provincies vanaf 1 januari 2017 wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen.
O 16870-3-RA-007 38
Veel verschillende planten- en dierensoorten zorgen ervoor dat de natuur tegen een stootje kan. Sommige soorten, zoals vleermuizen, gierzwaluwen en steenuilen zijn kwetsbaar, goede natuurbescherming is daarom belangrijk. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. In de Wet natuurbescherming is er sprake van een brede soortenbescherming van dieren en planten, ook buiten de aangemelde beschermingszones. Er geldt een algemene zorgplicht voor alle planten- en dierensoorten. Voor het opstellen van een nieuw bestemmingsplan of bij een plan tot afwijking van het bestemmingsplan dient eerst onderzoek verricht te worden naar het effect hiervan op beschermde flora en fauna. Hierbij wordt onderzocht welke soorten, dieren en planten, aanwezig zijn in het plangebied. Wanneer planten- en dierensoorten, dan wel hun nesten of rustplaatsen worden aangetast kan ontheffing aangevraagd worden conform artikel 3 van de Wet natuurbescherming. In bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden kan ook vrijstelling verleend worden. Natura 2000- gebieden
Specifieke gebieden, genaamd Natura 2000-gebieden, worden beschermd op basis van Europese richtlijnen. Voor deze juridisch beschermde gebieden gelden per gebied specifieke instandhoudingsdoelen voor de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor beschermde natuur is een vergunning nodig. Op circa 4,6 km afstand van het plangebied ligt het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck'. Ecologische hoofdstructuur
Gebieden behorend tot het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) worden beschermd via regelgeving onder de Wet ruimtelijke ordening. Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied dat is aangewezen als een dergelijk beschermd gebied. 4.7.3 B e o o r d e l i n g Natuurgebieden
Het plangebied ligt op circa 4,5 kilometer van het Natura 2000-gebied de ' Nieuwkoopse Plassen & De Haeck'. Op een dergelijke afstand kan het aspect stikstofdepositie nog om aandacht vragen. In paragraaf 4.8 wordt het aspect stikstofdepositie nader beschouwd. Het plangebied ligt niet in of op zeer korte afstand van het NNN. Negatieve effecten op het NNN, en overige natuurgebieden, zijn in voorliggende situatie uitgesloten. Flora en fauna
In 2021 is door Eco Reest voor het gehele te herontwikkelen gebied 'De Meijert' een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming (bijlage 7) uitgevoerd. Op basis van literatuuronderzoek en een veldbezoek is getoetst of wordt voldaan aan de Wet natuurbescherming.
O 16870-3-RA-007 39
Uit de quickscan volgt dat negatieve effecten voor beschermde soorten vooralsnog niet kunnen worden uitgesloten. Voor een aantal soorten betekent dit dat hier rekening mee gehouden kan worden bij de werkzaamheden (o.a. door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren). Voor gebouwbewonende vleermuizen is echter nader onderzoek benodigd. Sprake is van geschikte bebouwing en bomen met holtes die mogelijk als verblijfplaats voor vleermuizen kunnen gelden. Opgemerkt wordt uit het onderzoek tevens volgt dat binnen De Meijert alsmede nader onderzoek plaats dient te vinden naar de rugstreeppad en vogels met jaarrond beschermde nesten. Dit ziet echter niet direct toe op de gronden binnen het plangebied. Uit de quickscan volgt dat nader onderzoek uitgevoerd moet worden naar de mogelijke betekenis van het plangebied voor vleermuizen. Vleermuizen genieten een strikte bescherming onder de Wet natuurbescherming. Daarom is in 2023 door ABO-Milieuconsult B.V. (bijlage 8 en 9 4) onder andere nader onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen. Daarbij is eveneens rekening gehouden met de sloop van de huidige bebouwing ter plaatse van het plangebied. Hieruit volgt dat in het plangebied geen verblijfplaatsen voor vleermuizen zijn vastgesteld. Uit nader onderzoek volgt wel dat binnen De Meijert sprake is van een essentieel leefgebied voor de sperwer.
Het kappen van bodem, en overige werkzaamheden, kunnen het leefgebied van de sperwer verstoren. In dat geval is sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Het essentieel leefgebied van de sperwer bevindt zich niet binnen De Meijert Noord of De Meijert Zuid. Ook is sprake van overige ontwikkelingen binnen De Meijert die dichter op dit gebied zijn gesitueerd. Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal op zorgvuldige wijze worden gehandeld zodat een verstoring van het leefgebied van de sperwer wordt voorkomen, en dat een overtreding van de Wet natuurbescherming niet aan de orde is. Tot slot wordt opgemerkt dat de algemene zorgplicht te allen tijde in acht zal worden genomen. Flora en fauna mag niet onnodig vernield, verstoord of gedood worden. 4.7.4 C o n c l u s i e
Vooralsnog kan niet worden uitgesloten dat het plangebied van betekenis is voor beschermde soorten, en dat middels de beoogde ontwikkeling geen sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Hiertoe is nader onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke betekenis van het plangebied voor vleermuizen. Uit dit onderzoek volgt dat geen sprake is van verblijfplaatsen voor vleermuizen binnen het plangebied. Daarnaast zal rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht. 4.8 S t i k s t o f d e p o s i t i e
4.8.1 A l g e m e e n
Ter plaatse van beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden) dient de stikstofdepositie te worden beoordeeld in het kader van de Wet natuurbescherming. Als 4 Bijlage 8 behelst een nader onderzoek waarbij de locatie van de huidige tennishal vooralsnog niet in is meegenomen. In bijlage 9 wordt derhalve separaat ingegaan op deze locatie. O 16870-3-RA-007 40
gevolg van de beoogde ontwikkeling ontstaat er een verandering van de emissie van stikstofhoudende verbindingen binnen het plangebied en daarmee ook van de stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat dit een negatief effect heeft op deze natuurgebieden. Hierna wordt nader ingegaan op dit aspect. 4.8.2 We t t e l i j k k a d e r
Sinds 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming (verder genoemd Wnb) in werking getreden. De Wnb biedt de juridische basis voor de vergunningverlening met betrekking tot te beschermen natuurgebieden. In het kader van een toets aan de Wnb wordt bepaald of bedrijfsactiviteiten (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Hiertoe dienen de mogelijke effecten op soorten, habitats van soorten en op habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen in beeld te worden gebracht. Vanwege emissies van luchtverontreinigende stoffen is de storende factor 'vermesting' en 'verzuring' mogelijk relevant. Vermesting is de 'verrijking' van ecosystemen met met name stikstof en fosfaat, verzuring van bodem of water is een gevolg van de emissie van vervuilende gassen. De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof ). Diverse habitattypen in de Natura 2000-gebieden zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor vermesting en verzuring. De gevoeligheid wordt uitgedrukt in een kritische depositiewaarde (KDW) per habitattype.
Deze kritische depositiewaarde is de grens waarboven de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van verzurende en/of vermestende invloed van de atmosferische stikstofdepositie (N-depositie). Ten behoeve van toetsing van de mogelijke effecten dient de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden vanwege de voorgenomen activiteiten derhalve gekwantificeerd te worden. Vanaf 1 juli 2015 werd dit gedaan middels de Programma Aanpak Stikstof (PAS). Met de invoering van het PAS was een vrijstelling van vergunningplicht geïntroduceerd in combinatie met een meldingsplicht. Op 29 mei 2019 heeft de Raad van State uitgesproken dat het PAS niet langer als toestemmingsbasis voor activiteiten mag worden gebruikt. Nadat provincies en Rijk het eens zijn geworden over een eenduidig beleid en regelgeving voor de vergunningverlening en stikstofaanpak, hebben de Gedeputeerde Staten in alle provincies tussen 29 oktober en 11 december 2019 de nieuwe provinciale beleidsregels vastgesteld. Op vrijdag 13 december zijn deze beleidsregels formeel in werking getreden. De beleidsregel bevat de voorwaarden voor het verlenen van vergunningen op basis van de Wet natuurbescherming.
De voorschriften voor de mogelijkheid tot intern en extern salderen zijn vastgelegd.5 Momenteel geldt bij alle activiteiten met een kans op een (significant) negatief effect een vergunningplicht in het kader van de Wnb. 5 Met uitzondering van extern salderen met bedrijven met dier- en fosfaatrechten. O 16870-3-RA-007 41
4.8.3 B e o o r d e l i n g
De beoogde ontwikkeling kan een effect hebben op de stikstofdepositie ter plaatse van nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Ter plaats van beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden) dient daarom de stikstofdepositie te worden beoordeeld in het kader van de Wet natuurbescherming. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling ontstaat er mogelijk een verandering van de emissie van stikstofhoudende verbindingen binnen het plangebied en daarmee ook van de stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen voor stikstofgevoelige natuurgebied betreft 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck'. In dat kader is door Peutz een onderzoek uitgevoerd (bijlage 10) waarmee de stikstofdepositie ten gevolge van de zowel de aanleg- als gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling inzichtelijk is gemaakt. De stikstofdepositie in de toekomstige situatie is vergeleken met de stikstofdepositie in de referentiesituatie. Vanuit een worst case benadering is er daarbij vanuit gegaan dat geen sprake is van activiteiten die leiden tot een stikstofdepositie in de referentiesituatie. Ten opzichte van deze situatie is geen relevante toename aan stikstofdepositie ter plaatse van voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden berekend ten gevolge van de toekomstige situatie. 4.8.4 C o n c l u s i e
Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Er is geen sprake van een relevante toename aan stikstofdepositie ter plaatse van voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. 4.9 V e r k e e r e n p a r k e r e n
4.9.1 A l g e m e e n
De beoogde ontwikkeling dient niet te leiden tot verkeerskundige knelpunten en er dient in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien. De beoogde ontwikkeling heeft een eigen parkeervraag die opgevangen dient te worden. In deze paragraaf wordt de impact van de ontwikkeling op het aspect verkeer en parkeren nader inzichtelijk gemaakt. 4.9.2 To e t s i n g s k a d e r
In de nota 'Mobiliteits- en verkeersveiligheidsplan 2023-2030' worden de van toepassing zijnde parkeernormen voor nieuwe ontwikkelingen in gemeente De Ronde Venen opgenomen. Deze parkeernormen zijn gebaseerd op de parkeernormen van het CROW. Een parkeernorm is een getal dat aangeeft wat de parkeerbehoefte is voor een bepaalde functie per eenheid of oppervlakte bij nieuwbouw- en transformatieontwikkelingen. Aan de hand van parkeernormen wordt een zo goed mogelijke inschatting gegeven van de te verwachte parkeerbehoefte van een bouwontwikkeling. Op basis daarvan wordt een parkeereis bepaald: het aantal te realiseren parkeerplaatsen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening, wordt getoetst of er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of gerealiseerd kan worden. O 16870-3-RA-007 42
Na de beoogde ontwikkeling moet ook wat de verkeersafwikkeling betreft sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Hiertoe is het van belang om de verkeersgeneratie van het plan nader te beschouwen. De verkeersaantrekkende werking wordt beoordeeld aan de hand van CROW-kentallen. 4.9.3 B e o o r d e l i n g
De beoogde ontwikkeling, en het gehele gebied De Meijert, wordt ontsloten middels één ontsluitingsroute vanaf de Doctor J. van der Haarlaan. Binnen het plangebied zal de nodige ruimte voor parkeren worden geboden. Opgemerkt wordt dat het gebruik van overige mobiliteitsvormen, zoals fietsen en lopen, tevens gestimuleerd (in lijn met het Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030) wordt binnen het plan. Zo zal binnen De Meijert in zijn geheel ruimte worden geboden voor fiets- en wandelroutes. Er zullen ook meerdere fiets- en voetgangersbruggen gerealiseerd worden om het plangebied goed toegankelijk te maken voor fietsers en voetgangers. Er zal niet meer parkeergelegenheid worden gerealiseerd dan dat nodig is voor de toekomstige gebruikers van het gebied. Door de parkeergelegenheid te beperken wordt ook het gebruik van de auto in enige mate beperkt. Overigens wordt opgemerkt dat het meest nabijgelegen opstappunt voor het openbaar vervoer aan de Prinses Margrietlaan is gelegen. Hiermee is binnen 200 meter sprake van een opstappunt voor het openbaar vervoer. Parkeren Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is sprake van een parkeervraag. Door RoyalHaskoningDHV is in 2024 voor de gehele ontwikkeling van het gebied De Meijert onderzoek uitgevoerd naar de parkeerbehoefte (bijlage 12).
In eerste aanleg is hierbij de parkeervraag bepaald aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen conform het Mobiliteits- en verkeersveiligheidsplan 2023-2030. Hierbij wordt aangesloten op de normen voor een locatie in de rest van de bebouwde kom. De functies binnen het plangebied leiden (uitgaande van 90 sociale huurappartementen en 8 rijwoningen) tot een parkeerbehoefte van 129 parkeerplaatsen. Voor De Meijert in zijn geheel zijn op basis van de gemeentelijke parkeernormen 306 parkeerplaatsen benodigd. In tabel 4.2 wordt de berekening van de parkeervraag opgenomen. t4.2 Berekening parkeervraag De Meijert Te ontwikkelen locatie
Omschrijving
Aantal*
Parkeernorm
Aantal parkeerplaatsen
De Meijert Noord
Rijwoningen
8
0,3**
2,4
Sociale huurappartementen
43
1,4
60,2
Totaal De Meijert Noord De Meijert Oost
Totaal De Meijert Oost
63 Zorgwoningen
27
0,6
16,2
Aanleunwoningen
27
1,1
29,7
Gezondheidscentrum
21
2,15
45,2
Tandartspraktijk
4
2,35
9,4
Apotheek
1
3,15
3,2 104 O 16870-3-RA-007 43
Te ontwikkelen locatie
Omschrijving
Aantal*
Parkeernorm
Aantal parkeerplaatsen
De Meijert Zuid
Sociale huurappartementen
47
1,4
65,8
Totaal De Meijert Zuid De Meijert West
66 Vrije sector appartementen
42
1,4
58,8
Vrije sector rijwoningen
8
1,9
15,2
Totaal De Meijert West
74
Totaal De Meijert
293
* Dit is bepaald op basis van het aantal woningen of de omvang van de overige functies per 100 m 2 bvo. ** Deze woningen kennen per woning 2 parkeerplaatsen op eigen terrein. Derhalve is in de parkeerbalans uitsluitend rekening gehouden met 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers.
Bij het bepalen van de parkeervraag kan echter rekening gehouden worden met dubbelgebruik van parkeerplaatsen binnen De Meijert. Zo is bijvoorbeeld doorgaans sprake van een aanwezigheidspercentage van 100% voor bewoners tijdens de werkdagnacht, en van 0% voor bezoekers. In tabel 4.3 worden de aanwezigheidspercentages voor bewoners en bezoekers opgenomen. Alsmede zijn hier de aanwezigheidspercentages voor de overige functies binnen De Meijert opgenomen. t4.3 Aanwezigheidspercentages per periode Functie
Werkdag
Werkdag
Werkdag
ochtend
middag
avond
50%
50%
Woningen bezoekers
10%
Gezondheidscentrum
100%
Tandartsenpraktijk Apotheek
Woningen bewoners
Nacht
Koopavond
Zaterdag-
Zaterdag-
Zondag-
90%
100%
80%
middag
avond
middag
60%
80%
70%
20%
80%
0%
75%
10%
0%
70%
60%
80%
70%
10%
10%
10%
10%
100%
75%
10%
100%
75%
10%
0%
10%
10%
10%
10%
0%
10%
10%
10%
10%
Rekening houdend met dubbelgebruik kan de werkdagavond als maatgevend worden beschouwd voor de parkeervraag. Op dat moment zijn er in totaal 224 parkeerplaatsen benodigd, 168 voor bewoners, 50 voor bezoekers van de woningen en 6 voor de overige functies. Hierbij wordt verondersteld dat sprake is van een 100 % bezetting van de parkeerplaatsen. Omdat dit praktisch niet realistisch is, is het in dit soort situaties gebruikelijk om te rekenen met een bezetting van 90%; hetgeen betekent dat per saldo 249 parkeerplaatsen benodigd zijn voor de ontwikkeling van De Meijert. Binnen het plangebied worden in De Meijert Noord circa 46 parkeerplaatsen gerealiseerd, en in De Meijert Zuid circa 31 parkeerplaatsen. Binnen de overige te ontwikkelen deellocaties binnen De Meijert wordt eveneens voorzien in parkeergelegenheid. In totaal is sprake van 193 parkeerplaatsen binnen De Meijert. Hiermee is op het maatgevend moment sprake van een tekort van 56 parkeerplaatsen.
O 16870-3-RA-007 44
f4.2 Overzicht parkeergelegenheid
In de omgeving van het plangebied is echter sprake van reeds aanwezige parkeerplaatsen die thans mogelijk niet optimaal benut worden. Om te voorkomen dat er teveel parkeerplaatsen gerealiseerd worden, en dit hiermee ten koste gaat voor ruimte voor bijvoorbeeld groen, is in het kader van de gehele gebiedsontwikkeling van De Meijert een parkeerbezettingsonderzoek6 uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied thans reeds parkeerplaatsen aanwezig die mogelijk in gebruik kunnen worden genomen door bewoners en bezoekers van de beoogde ontwikkelingen binnen De Meijert. Uit het parkeeronderzoek blijkt dat er in de omgeving capaciteit beschikbaar is, en dan met name langs de Dr. J. van der Haarlaan. Hiermee rekening houdend is er voldoende parkeergelegenheid voor de ontwikkelingen binnen De Meijert. Voor het gehele gebied zal op integrale wijze een voorstel voor de toewijzing van parkeerplaatsen worden opgesteld. Mogelijk wordt hierbij ook rekening gehouden met alternatieve mobiliteitsvormen, zoals deelauto's. Hiermee kan geconcludeerd worden dat in relatie tot parkeren sprake is van een haalbaar plan, daar zowel binnen als buiten het plangebied parkeerplaatsen beschikbaar zijn waarmee aan de parkeerbehoefte kan worden voldaan.
Wat fietsparkeren betreft zal zorg worden gedragen dat voorzien wordt in voldoende fietsparkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers. Verkeersgeneratie De beoogde ontwikkeling van 98 woningen genereert tevens verkeer. De verkeersaantrekkende werking van de beoogde ontwikkeling is bepaald met behulp van 6 Zoals uitgevoerd door RoyalHaskoning DHV op 9 en 10 september 2022 in het kader van onderzoek naar de parkeerbehoefte en verkeersafwikkeling van de gehele gebiedsontwikkeling van De Meijert. O 16870-3-RA-007 45
CROW-kentallen. Op basis van CROW-kencijfers is de verkeersgeneratie bepaald. Hiervoor is aangesloten op de gemiddelde kencijfers voor een locatie in de rest van de bebouwde kom in een weinig stedelijke gemeente. Voor tussen/hoekwoningen (koop) geldt daarbij een kencijfer van 7,4 verkeersbewegingen per woning, voor midden/goedkope appartementen (huur) geldt een kencijfer van 4,1 verkeersbewegingen per woning. Dit betreft Voor het totaal van 98 woningen binnen De Meijert is sprake van een verkeersgeneratie van maximaal 428 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal. Dit kan als relatief beperkt worden beschouwd. Deze verkeerstoename vormt geen knelpunten voor de verkeersafwikkeling. De omliggende wegen hebben voldoende capaciteit om dit te kunnen opvangen. Door RoyalHaskoning is in 2023 eveneens onderzoek uitgevoerd naar de totale verkeersgeneratie als gevolg van alle voorgenomen ontwikkelingen binnen De Meijert. Ook hieruit blijkt dat geen sprake is van verkeerskundige knelpunten ingeval de ontwikkelingen in samenhang worden beschouwd. Wel wordt opgemerkt dat voor de gehele herontwikkeling van De Meijert één ontsluitingsweg wordt gerealiseerd vanaf de Doctor J. van der Haarlaan. De beoogde ontwikkeling zal worden aangesloten op de verkeersroutes die binnen de overige deelontwikkelingen van De Meijert worden gerealiseerd.
Ook ingeval deze overige ontwikkelingen niet zijn doorgang kennen is het realiseren van een aansluiting op het verkeersnetwerk voor de beoogde ontwikkeling niet onmogelijk. In de huidige situatie zijn reeds diverse wegen binnen de locatie van De Meijert gesitueerd. De beoogde ontwikkeling kan relatief eenvoudig aangesloten worden op de bestaande verkeersstructuur. 4.9.4 C o n c l u s i e
Het aspect verkeer en parkeren is, aangezien de beoogde ontwikkeling deel uitmaakt van een grotere gebiedsontwikkeling, op integrale wijze beschouwd. In het kader van de gehele herontwikkeling zal nader worden afgestemd waar de nodige parkeerplaatsen gesitueerd worden om zodoende te voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Er zal daarbij zorg worden gedragen dat de parkeerplaatsen toereikend zijn om de parkeervraag van de beoogde ontwikkelingen binnen het gebied te kunnen opvangen. Daarnaast kan geconcludeerd worden dat het verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet leidt tot verkeerskundige knelpunten. 4.10 L u c h t k w a l i t e i t
4.10.1 A l g e m e e n
De realisatie van de beoogde ontwikkeling kan invloed hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied en de nabije omgeving. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het aspect luchtkwaliteit.
O 16870-3-RA-007 46
4.10.2 We t t e l i j k k a d e r Wet milieubeheer
Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. In de Wet milieubeheer zijn hiertoe regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide (SO 2), stikstofdioxide (NO2) en stikstofoxiden (NO), fijnstof (PM 2,5/PM10), lood (PB), koolmonoxide (CO) en benzeen (C6H6). In tabel 4.4 zijn de grenswaarden voor de meest relevante luchtkwaliteit bepalende verbindingen opgenomen. t4.4 Grenswaarden conform de Wet milieubeheer Stof
Type norm
Concentratie in μg/mg/m3
PM10
Jaargemiddelde
40
Daggemiddelde (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden)
50
PM2,5
Jaargemiddelde
25
NO2
Jaargemiddelde
40
Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden)
200
De overige in de Wet milieubeheer opgenomen verbindingen vormen geen probleem meer in Nederland. De concentraties van deze verbindingen vertonen een dalende trend en zijn dermate laag dat overschrijding van de daarvoor geldende grens- of richtwaarden redelijkerwijs uitgesloten is. Deze verbindingen worden dan ook niet nader beschouwd. Niet in betekenende mate
De afkorting NIBM staat voor 'Niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging. Het gaat dan bijvoorbeeld om een ruimtelijk project, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Dan is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Kleine projecten waarvan vooraf duidelijk is dat deze de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' (NIBM) verslechteren, hoeven niet meer op luchtkwaliteit te worden getoetst. Dit is opgenomen in het Besluit niet in betekenende mate bijdrage luchtkwaliteitseisen. Het gaat daarbij om projecten die leiden tot een maximale bijdrage van 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Artikel 2 van het Besluit NIBM geeft, in samenhang met bijlage 3A en 3B van de Regeling niet in betekende mate bijdrage luchtkwaliteitseisen (Regeling NIBM), aan dat de te verwachten toename van de jaargemiddelde concentratie PM 10 en NO2 < 1,2 μg/mg/m3 (3% van de grenswaarde) bedraagt indien het aantal woningen < 3000 bedraagt bij minimaal 2 ontsluitingswegen en < 1500 bij 1 ontsluitingsweg. De realisatie van maximaal 98 woningen kan aldus als NIBM worden beschouwd. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt in de voorliggende notitie op kwantitatieve wijze ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit en vice versa.
O 16870-3-RA-007 47
4.10.3 B e o o r d e l i n g
De beoogde ontwikkeling kan mogelijk een effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse van de omgeving van het plangebied. De beoogde ontwikkeling omvat maximaal 98 woningen. Het aantal woningen is hiermee zeer ruimschoots onder de 1.500 gelegen, de voorgenomen woningbouw betreft daarom een ontwikkeling die als NIBM kan worden aangemerkt. Volledigheidshalve is het effect van de beoogde ontwikkeling op de luchtkwaliteit nader beschouwd. Om het effect van de beoogde ontwikkeling op de luchtkwaliteit in beeld te kunnen brengen dient de verkeersaantrekkende werking van de beoogde functies binnen het plangebied bepaald te worden. Uit paragraaf 4.9 volgt dat de beoogde woningbouwontwikkeling een verkeersgeneratie van maximaal 428 verkeersbewegingen per weekdagetmaal kent. Met behulp van de NIBM-tool is beoordeeld of de beoogde ontwikkeling leidt tot een in betekende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit. Figuur 4.3 geeft de uitkomst van de gevolgen voor de luchtkwaliteit weer, waaruit blijkt dat de ook de verkeersgeneratie als gevolg van de gehele ontwikkeling van De Meijert niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij is als worst-case benadering uitgegaan van 5% vrachtverkeer. Naar verwachting zal dit percentage lager zijn aangezien vrachtverkeer voor woongebieden doorgaans verwaarloosbaar is. f4.3 Uitkomst NIBM-tool
Gezien voorgaande kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de luchtkwaliteit bepalende verbindingen in de omgeving van het plangebied. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de heersende generieke achtergrondconcentraties van NO 2 ,PM10, PM2,5 inzichtelijk gemaakt. Ter plaatse van het plangebied is ter plaatse van de meest nabijgelegen beoordelingspositie in 2021 (conform data van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit) sprake van een concentratie O 16870-3-RA-007 48
van 11,5 μg/mg/m3 voor NO2, 16,3 μg/mg/m3 voor PM10 en 9,1 μg/mg/m3 voor PM2,5,. In 2030 wordt conform de monitoringsronden een concentratie van 8,3 μg/mg/m3 voor NO2, 14,3 μg/mg/m3 voor PM10 en 7,2 μg/mg/m3 voor PM2,5 geprognosticeerd. Ter plaatse van het plangebied wordt aldus ruimschoots aan de geldende grenswaarden conform de Wet milieubeheer voldaan. De GGD adviseert bovendien om afstand te houden tussen voorzieningen waar langdurig verblijf van wat luchtkwaliteit betreft hooggevoelige groepen plaatsvindt7 en drukke wegen. Dit betekent geen dergelijke ontwikkelingen te realiseren binnen 300 meter van een snelweg, alsmede geen ontwikkelingen in de eerstelijns bebouwing binnen 50 meter van drukke wegen (‘druk’ is gedefinieerd als een verkeersintensiteit van meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal). De beoogde ontwikkeling is op een ruimere afstand van drukke wegen gesitueerd. 4.10.4 C o n c l u s i e
De beoogde ontwikkeling draagt naar verwachting in niet betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit waarmee de luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling. 4.11 W a t e r
4.11.1 A l g e m e e n
De beoogde ontwikkeling heeft mogelijke effecten op de inrichting van het watersysteem en de waterberging/afvoer. In deze paragraaf wordt het aspect water inzichtelijk gemaakt. 4.11.2 We t t e l i j k k a d e r Europees beleid
In 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water vastgesteld met als doel het bereiken van een goede toestand in de wateren in de gemeenschap en het bijdragen aan de beschikbaarheid van voldoende oppervlaktewater en grondwater van een goede kwaliteit voor een duurzaam, evenwichtig en billijk gebruik van water. Rijksbeleid
Het Nationaal Waterplan is de rijksnota voor het nationale waterbeleid en wordt op basis van de Waterwet eens per 6 jaar opgesteld. In het Nationaal Waterplan, opgesteld in december 2015, zijn de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050 opgenomen. Het Nationaal Waterplan streeft naar het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
7 Door de GGD wordt geadviseerd om ook woningen onder deze categorie in te delen. O 16870-3-RA-007 49
Wa t e r s c h a p A m s t e l , G o o i e n Ve c h t
Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het waterschap van Amstel, Gooi en Vecht. Het waterschap draagt de zorg voor het regionale watersysteem. Voor de periode van 2022-2027 heeft Waterschap Amstel, Gooi en Vecht een waterbeheerprogramma vastgesteld. De ambities met betrekking tot het watersysteem en de strategie voor de hoofdthema's van het Waterschap staan hierin beschreven. Het plan beschrijft de doelen voor het waterbeheer en de financiële consequenties daarvan. Daarnaast wordt specifiek aandacht gegeven aan de toekomstbestendigheid van het watersysteem. Elk waterschap hanteert bovendien haar eigen regionale regels. Deze regels zijn opgenomen in de Keur. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een impact hebben op het lokale watersysteem. Een toename van het verhard oppervlak kan bijvoorbeeld neerslag versneld tot afvoer laten komen. In de Keur (en de aanvullende uitvoerings- en beleidsregels) staan de regels die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Hierin staat wat wel en niet mag met betrekking tot het lokale watersysteem. Wa t e r - e n R i o l e r i n g s p l a n D e R o n d e Ve n e n 2 0 2 3 - 2 0 2 7
Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast. De gemeente heeft de wettelijke taak om voor de riolering en het stedelijk water te zorgen. De gemeente heeft de zorgplicht voor stedelijk afvalwater, voor afvloeiend hemelwater en voor grondwatermaatregelen. In het Water- en rioleringsplan wordt aangegeven hoe deze gemeentelijke watertaken uitgevoerd worden. Ook klimaatadaptatie valt deels onder deze watertaken. Er zal gezorgd moeten worden dat de leefomgeving beter bestand is tegen een veranderend klimaat met meer hevige neerslag, langere periodes van droogte en intensere hittegolven. Gestreefd wordt naar een waterrobuust systeem, waarbij zoveel mogelijk hemelwater verwerkt kan worden in de openbare ruimte zonder dat er wateroverlast ontstaat in woningen en bedrijven. Nieuwbouw moet voldoen aan nieuwe eisen om meer hemelwater te kunnen verwerken binnen het plangebied. Deze waterberging moet deels in de openbare ruimte en deels op het terrein van bewoners en bedrijven worden gerealiseerd. Hierbij wordt aangesloten op de Afspraken Klimaatadaptief Bouwen van Provincie Utrecht (zoals tevens opgenomen in de Convenant Duurzame Woningbouw provincie Utrecht). 4.11.3 B e o o r d e l i n g
De impact van de beoogde ontwikkeling op het watersysteem is nader beoordeeld. Het plangebied betreft een terrein waarbij geen sprake is van grote wateroppervlakten. Het plangebied is gelegen in polder De Derde Bedijking, en door het plangebied loopt een peilgrens. Ter plaatse van het plangebied zijn twee peilregimes van toepassing, te weten NAP-5,8 meter en NAP-5,65 meter. Deze peilscheiding zal in stand blijven. Daarnaast bevindt er zich enig water binnen het plangebied, alsmede een aantal primaire watergangen in de omgeving van het plangebied. In figuur 4.4 wordt een uitsnede van de legger van het waterschap weergegeven waarop de ligging van deze wateren is O 16870-3-RA-007 50
aangegeven. In deze figuur wordt het plangebied met oranje weergeven. Deze primaire wateren, met blauwe lijnen aangegeven, blijven behouden. f4.4 Uitsnede legger
Ve r h a r d i n g s s i t u a t i e
Verharding leidt tot een versnelde afvoer van hemelwater naar het oppervlaktewatersysteem. De versnelde afvoer kan problemen geven in het peilgebied of het benedenstroomse peilgebied en door peilstijgingen kan wateroverlast ontstaan. Bij aanleg van verhard oppervlak, waarvan versnelde afvoer en lozing naar oppervlaktewater plaatsvindt, moet daarom worden gecompenseerd. Voor toenames van verhard oppervlakte tot 1.000 m2 in stedelijk gebied en 5.000 m2 in landelijk gebied, geldt echter geen vergunningplicht. De locaties De Meijert Noord & Zuid maken deel uit van de gehele herontwikkeling van De Meijert. Voor de herontwikkeling van dit gehele gebied is gekeken naar de impact op het watersysteem ten aanzien van de verhardingssituatie. Hierbij is de huidige verhardingssituatie vergeleken met de toekomstige situatie. In de huidige situatie is circa 73% van het gehele gebied bebouwd, verhard of voorzien van tennisvelden. In afstemming met Waternet is geconstateerd dat de tennisvelden daarbij eveneens beschouwd moeten worden als verhard. In onderstaande figuur wordt de lay-out van het terrein in de huidige situatie weergeven.
O 16870-3-RA-007 51
f4.5 Lay-out verhardingssituatie huidige situatie
Ten behoeve van de herontwikkeling van het gebied zullen onder andere de tennisvelden ter plaatse van het gebied worden verwijderd, en zal hier nieuwbouw worden gerealiseerd. Ten opzichte van de huidige situatie is echter geen sprake van een groter oppervlak aan verharding, zie ook figuur 4.6. Er zal juist sprake zijn van een toename aan groen. Hiermee is ook geen sprake van een toename aan verharding groter dan 1.000 m 2, en dat bestaat er ook geen noodzaak om een verhardingstoename te compenseren.
O 16870-3-RA-007 52
f4.6 Lay-out verhardingssituatie toekomstige situatie
Wel worden binnen De Meijert een aantal wateroppervlakten gedempt. Dit betekent ook dat dit volledig gecompenseerd dient te worden. Binnen de gronden waar het voorliggend bestemmingsplan op toeziet wordt binnen het deelgebied De Meijert Noord een sloot met een oppervlak van 55 m2 gedempt. Conform de regels van het waterschap dient op een andere plek weer evenveel water aangelegd te worden. Hierbij zal gecompenseerd moeten worden binnen het watersysteem dat belast wordt. In voorliggende situatie is in afstemming met Waternet besloten om de sloot die parallel aan de Brunel is gelegen, en zich ten zuiden van het gebied De Meijert bevindt, te verbreden. In figuur 4.7 wordt de ligging van de te dempen sloot, en het af te graven wateroppervlak weergeven.
O 16870-3-RA-007 53
f4.7 Locatie te dempen sloot, en niet af te graven wateroppervlak
Daarnaast zal nader onderbouwd moeten worden op welke wijze voorzien wordt in het opvangen van de piekbelasting van hemelwater. De piekbelasting dient ter plaatse van het plangebied opgevangen te worden, en waar mogelijk zoveel mogelijk in de bodem te worden geïnfiltreerd. In de verdere planuitwerking wordt nader beschouwd wat de meest optimale oplossing is om aan te houden voor de beoogde ontwikkeling. Aa nsluiting op waters ys teem
De beoogde ontwikkeling heeft verder in zijn geheel een beperkte invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. De beoogde ontwikkeling wordt aangesloten op het rioleringsstelsel. Binnen de gemeente wordt het afvalwater gescheiden ingezameld. Er dient dan ook een gescheiden rioolstelsel te worden aangelegd. Het huishoudelijk afvalwater moet met een aparte leiding worden aangesloten op het gemeentelijke vuilwater riool. Het hemelwater komend vanaf daken en wegen moet met een apart stelsel rechtstreeks worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Voor de eisen van een openbaar rioleringsstelsel wordt verwezen naar de LIOR. Om vervuiling van het oppervlaktewater tegen te gaan mogen om geen uitlogende stoffen (zoals koper, zink, lood etc.) in het plan (dak- en gevelbedekking, dakgoten etc.) worden toegepast.
O 16870-3-RA-007 54
Het vuilwaterriool van de nieuwe woonwijk kan niet lozen op het nabijgelegen bestaande rioleringsstelsel. Er zal een persleiding aangelegd moeten worden naar de kruising nabij de Lidl. Hiertoe zal ruimte gereserveerd worden voor het rioolgemaal. Dit gemaal dient goed bereikbaar te zijn voor een vrachtwagen Klimaatadaptatie
In Nederland krijgen we steeds vaker te maken met zware buien, langdurige droogte en extreme hitte. Om ons tegen de gevolgen daarvan te beschermen, is het nodig dat we hier rekening mee houden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Onder andere hitte, langdurige droogte, overstromingsrisico, bodemdaling, biodiversiteit en extreme neerslag zijn thema's die van belang zijn om mee te wegen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In dat kader zijn binnen provincie Utrecht afspraken vastgelegd is het document 'Afspraken Klimaatadaptief Bouwen Utrecht'. In dit document zijn ten aanzien van de voornoemde thema's doelen vastgelegd, waarbij gespecificeerde prestatie-eisen zijn opgenomen. Hier zal bij de beoogde uitwerking van de beoogde ontwikkeling – in het kader van toekomstbestendigheid – rekening mee gehouden worden. Zo is het van belang om te voorzien in voldoende waterbergend vermogen. Ook ingeval van een extreme bui zal wateroverlast voor bewoners en omwonenden immers zoveel mogelijk worden voorkomen. Zeker aangezien sprake is van de ligging in een relatief diepe polder, vraagt dit om de nodige aandacht. In de ontwerpfase zal nader worden uitgewerkt hoe dit in het plan ondervangen wordt. Uiteindelijk is het immers van belang dat sprake is van toekomstbestendige en kwalitatief hoogwaardige bebouwing. Wa t e r k w a l i t e i t , b e h e e r e n o n d e r h o u d
Ook dient de waterkwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gewaarborgd te worden. In dit kader is door de Stichting toegepast onderzoek watersysteem (Stowa) een handreiking opgesteld, te weten de ‘Handreiking weging van het waterbelang voor waterkwaliteit’. De toenemende ruimtelijke druk en klimaatverandering zetten de waterkwaltiteit onder druk. Daarom worden in de handreiking uitgangspunten en richtlijnen opgenomen voor ontwerp, gebruik, en beheer & onderhoud van zowel het watersysteem als het maaiveld. In voorliggende situatie is binnen het plangebied De Meijert Noord & Zuid slechts sprake van een beperkt wateroppervlak. Dit betreft een strook aan de noordwestzijde van het deelgebied De Meijert Noord. Wel wordt bij de uitwerking van de beoogde ontwikkeling rekening gehouden met de mogelijkheden om het water op adequate wijze, conform de eisen van het waterschap, te beheren en onderhouden. Zorg zal worden gedragen dat dit water op goede wijze beheerd kan worden. Aan de overzijde, langs de Kamille, blijft hiertoe voldoende ruimte beschikbaar om dit water te beheren. Er zullen verder geen activiteiten ontplooit worden die een risico vormen voor de waterkwaliteit. Gro ndwater
Wat grondwater betreft hanteert gemeente De Ronde Venen grondwaternormen- en richtlijnen (zoals opgenomen in het gemeentelijk Water- en Rioleringsplan). Er wordt onder andere gestreefd naar volledig grondwaterneutrale ingrepen in het systeem. De ontwikkeling mag geen hydrologische achteruitgang aan de randen van het plangebied tot gevolg hebben, ten opzichte van de huidige situatie. Voor zover mogelijk zal bij de verdere uitwerking aangesloten worden op de grondwaternormen- en richtlijnen. O 16870-3-RA-007 55
Resumerend kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling naar verwachting geen verslechtering van het watersysteem als gevolg heeft. In het kader van de watertoetsprocedure voor het bestemmingsplan zal nog verder vooroverleg plaatsvinden met het waterschap, waarmee nader wordt afgestemd op welke wijze de waterbelangen veilig worden gesteld. 4.11.4 C o n c l u s i e
Bij de verdere planuitwerking zullen diverse aspecten ten aanzien van het watersysteem – op zorgvuldige wijze – nader uitgewerkt worden. Dit betreft onder andere de wijze waarop een piekbelasting opgevangen zal worden en hoe klimaatadaptatie in de ontwikkeling wordt verweven. Daarnaast zal het water wat binnen het plangebied gedempt wordt volledig gecompenseerd worden. Verder zal rekening gehouden worden met het vigerende beleid van het waterschap, de provincie en gemeente De Ronde Venen ten aanzien van het aspect water. De beoogde ontwikkeling zal – rekening houdend met voorgaande – geen negatieve effecten hebben op het lokale watersysteem. De kwaliteit, kwantiteit en veiligheid van het water blijven gewaarborgd. Derhalve levert het aspect water geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling. 4.12 D u u r z a a m h e i d
Als er te veel broeikasgassen (zoals CO 2 en methaangas) in de lucht komen, stijgt de temperatuur op aarde. Hierdoor verandert het klimaat, stijgt de zeespiegel en kunnen planten of dieren verdwijnen. In het kader van duurzaamheid is het dan ook van groot belang dat er rekening wordt gehouden met het klimaat. Nieuwbouw biedt kansen voor duurzaamheid. Er dient bewuster met het milieu te worden omgegaan om zodoende de aarde ook voor toekomstige generaties leefbaar te houden. Daarom hebben bijna alle landen in 2015 in Parijs het klimaatakkoord ondertekend. Het akkoord heeft als doel de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius, met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius. Gemeente De Ronde Venen heeft de ambitie om in 2050 een energieneutrale gemeente te zijn. In dat kader heeft ook gemeente De Ronde Venen het Convenant Duurzame Woningbouw ondertekent. De provincie Utrecht werkte samen met verschillende gemeenten en partners aan eisen voor duurzame nieuwbouwwijken. Deze eisen staan in het Convenant Duurzame Woningbouw. Door dit te ondertekenen heeft de gemeente aangegeven de intentie te hebben om strengere duurzaamheidseisen aan woningbouwprojecten te stellen. Bij de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met het aspect duurzaamheid.
In het kader van het ruimtelijk kader voor De Meijert (zie ook paragraaf 3.4.6) zijn voor alle ontwikkelingen aspecten aangegeven waar in het ontwerp rekening mee gehouden dienen te worden.
O 16870-3-RA-007 56
De beoogde ontwikkeling kent in de toekomst een geringe milieubelasting. In ieder geval staat vast dat de beoogde ontwikkeling niet op aardgas wordt aangesloten. Mogelijk zullen voor de energievoorziening zonnepanelen op de daken worden gesitueerd. De daken moeten conform het ruimtelijk kader zo optimaal mogelijk worden uitgewerkt zodat zoveel mogelijk dakoppervlak beschikbaar is voor zonnepanelen. Tevens dienen er goede plekken te komen voor warmtepompen. Ook wordt aangeraden om de voor- en achtertuin zo in te delen dat deze niet in gebruik kunnen worden genomen als parkeerplaats. Tevens zal de groen geïntegreerd worden in de gehele uitwerking van De Meijert. Ook klimaatadaptie is een thema dat met zorg meegenomen zal worden. Het is immers van belang voor de toekomstige bewoners dat sprake is van een toekomstbestendige situatie. Hiertoe zal het plangebied en diens omgeving klimaatrobuust worden uitgevoerd. Dit bijvoorbeeld door het toepassen van vegetatiedaken of waterdaken en het zo min mogelijk toepassen van overbodige verharding. 4.13 L u c h t v e r k e e r