Bijlage 1. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d - Molmlaan_CSW, Wilnis motivering
Tekst van het document
43/140
Gebiedsbescherming De planlocatie vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. De planlocatie maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaarten en gegevens van de Provincie Utrecht blijkt dat op de planlocatie of in de directe omgeving geen Natuurnetwerk Nederland aanwezig is, het dichtstbijzijnde gebied ligt op een afstand van circa 580 meter. De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden betreffen Nieuwkoopse Plassen & De Haeckop een afstand van circa 4 km. De afstand tot het dichtstbijzijnde NNN-gebied bedraagt circa 3 km.
Figuur 6.2.2 Planlocatie en Natuurnetwerk Nederland
Figuur 6.2.3 Planlocatie en Natura 2000-gebieden
44/140
De planlocatie ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen daardoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de ligging van de planlocatie in een stedelijke omgeving kunnen ook verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten. In het kader van het TAM-omgevingsplan is stikstofonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 5). Uit de rekenresultaten blijkt dat in zowel de realisatie- als de gebruiksfase tijdelijk sprake is van een stikstofdepositie van zeer beperkte stikstofdepositie, namelijk maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Botshol. Omdat sprake is van een zeer beperkte en tijdelijke stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, is een ecologische beoordeling (zie Bijlage 11) uitgevoerd om de mogelijke effecten hiervan te beoordelen. Uit de ecologische beoordeling volgt dat deze zeer geringe en tijdelijke bijdrage niet leidt tot significante effecten. Daarbij is betrokken dat het merendeel van de depositie bestaat uit stikstofoxiden (NOx), waarvan uit ecologisch onderzoek blijkt dat deze niet leiden tot schadelijke effecten op de vegetatie.
Bovendien wordt de kwaliteit en ontwikkeling van de betrokken habitattypen in belangrijke mate bepaald door andere, dominantere factoren, zoals de huidige hydrologische situatie waarbij fosfaat- en ammoniumrijk water vanuit omliggende landbouwgebieden wordt ingelaten. Gelet op de beperkte omvang en het tijdelijke karakter van de stikstofdepositie is de bijdrage van de beoogde ontwikkeling ecologisch gezien verwaarloosbaar. Deze leidt niet tot waarneembare veranderingen in de vegetatiesamenstelling of bodemchemie. Effecten zoals verruiging treden pas op bij structureel verhoogde deposities over een langere periode en hangen bovendien voornamelijk samen met ammoniumdepositie, waarvan hier geen sprake is. De ontwikkeling heeft dan ook geen negatieve effecten op de betrokken habitattypen en belemmert het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen niet. Significante effecten op het Natura 2000-gebied kunnen op voorhand worden uitgesloten. Conclusie Er zijn mogelijk beschermde soorten aanwezig binnen de plangrenzen. Op basis van de quickscan zijn deze mogelijke soorten inzichtelijk gemaakt. Met inachtneming van eventueel benodigde mitigerende en compenserende maatregelen mag in alle redelijkheid verwacht worden dat een eventuele vergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor de vogelsoorten verleend zal worden.
Voor de vleermuissoorten kan door middel van het het gemeentelijke SMP van toepassing worden verklaard, waardoor met behulp van mitigerende maatregelen aan de vereisten uit het SMP kan worden voldaan. Op basis van het uitgevoerde stikstofonderzoek is vastgesteld dat zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase sprake is van een zeer beperkte en tijdelijke stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Botshol. Uit de ecologische beoordeling blijkt dat ondanks er sprake is van depositie er geen sprake is van significant negatieve effecten. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, mits de hiervoor beschreven stappen – waaronder het uitvoeren van vervolgonderzoek en het mogelijk verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.
45/140
6.3
Omgevingsveiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Relatie tot planlocatie Het omgevingsplan biedt geen ruimte voor nieuwe risicovolle activiteiten. Wel worden beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt. Zeer kwetsbare gebouwen (zoals bijvoorbeeld kinderdagverblijven en bepaalde zorgfuncties) zijn niet toegestaan. Inventarisatie risicobronnen, risicocontouren en aandachtsgebieden In de omgeving van de planlocatie zijn verschillende risicobronnen aanwezig. Het is daarom van belang om af te wegen of ten aanzien van de woningen en andere functies een veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico's.
Met behulp van de PAV-kaarten van het REV is in beeld gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van de planlocatie vinden. Daarbij is gekeken naar activiteiten met externe veiligheidsrisico's, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd De risicobronnen met relevante contouren en aandachtsgebieden zijn weergegeven in onderstaand figuur.
Figuur 6.3.1 Planlocatie en aandachtsgebieden risicobronnen (bron: REV) Uit figuur 6.3.1 is af te lezen dat de planlocatie nabij een buisleiding is gesitueerd. De planlocatie ligt echter op voldoende afstand van het brandaandachtsgebied behorende bij deze buisleiding. Dit betekent dat er geen sprake is van een verhoogd risico voor personen op of nabij de planlocatie als gevolg van deze buisleiding.
46/140
Daarnaast bevinden zich in de directe omgeving van de planlocatie geen andere relevante risicobronnen, waarvan de PR-contouren of aandachtsgebieden invloed zouden kunnen hebben op de planlocatie. De overige risicocontouren en aandachtsgebieden liggen op zodanige afstand dat zij geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Voor deze wijziging van het omgevingsplan zijn wel de algemene bepalingen in § 5.1.2.1 van het Bkl van belang. Op basis van artikel 5.2 van het Bkl wordt in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden met het belang van: het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet. Deze instructieregel is 'vertaald' in de artikelen 22.13 tot en met 22.15 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (de bruidsschat). Deze artikelen bevatten regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid die een toereikende bluswatervoorziening, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen waarborgen. Er zijn geen aanvullende regels nodig.
Risico's anders dan gevaarlijke stoffen Uit kaarten en gegevens van het Interprovinciaal Overleg (IPO, 2023) blijkt dat zich in en rondom de planlocatie kwetsbare natuurgebieden bevinden die gevoelig zijn voor natuurbranden. Omdat het gebouw echter binnen bestaand stedelijk gebied ligt, is het risico op natuurbranden op lokaal niveau verwaarloosbaar. Gezien deze omstandigheden is het niet noodzakelijk om in het kader van de voorgenomen ontwikkeling aanvullend onderzoek te verrichten naar dit aspect van externe veiligheid. Uit kaarten van het Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO) blijkt dat de planlocatie en de directe omgeving een zeer kleine plaatsgebonden overstromingskans hebben, variërend van 1/3.000 tot 1/30.000 per jaar. LIWO biedt daarnaast prognoses voor de jaren 2050 en 2100, waaruit blijkt dat deze overstromingskans niet wijzigt. De kans op overstromingen is zodanig gering dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Bovendien voorziet de ontwikkeling niet in activiteiten die invloed hebben op de plaatsgebonden overstromingskans. Verdere stappen of aanvullend onderzoek naar waterveiligheid zijn dan ook niet vereist. Overige risico’s op branden, rampen en crisissituaties zijn niet relevant voor deze ontwikkeling.
Conclusie Gelet op het voorgaande is de beoogde activiteit in overeenstemming met de instructieregels voor het waarborgen van de veiligheid. De ontwikkeling draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, voor zover het aspect veiligheid betreft, aangezien er geen nieuwe risicovolle activiteiten worden gerealiseerd en er geen aanvullende risico’s ontstaan door nabijgelegen risicovolle inrichtingen. Er zijn dan ook geen planregels noodzakelijk om te voldoen aan ETFAL en de geldende instructieregels.
47/140
6.4
Activiteiten en milieuzonering
De Omgevingswet beoogt een integrale benadering van de fysieke leefomgeving, waarbij het ruimtelijk en milieuspoor worden samengebracht. Deze wet biedt ruimte voor maatwerk, afgestemd op de specifieke kenmerken van zowel de locatie als de voorgenomen activiteit. In dit kader is het van belang om zorgvuldig om te gaan met de ruimtelijke relatie tussen milieugevoelige functies (zoals wonen) en milieubelastende en/of milieuhinderlijke activiteiten (zoals bedrijven die geur, geluid of andere emissies veroorzaken). De gemeente maakt hierbij een locatiespecifieke afweging over de aanvaardbaarheid van de nieuwe functie binnen de bestaande omgeving. Uitgangspunt is dat milieugevoelige en milieubelastende functies op voldoende afstand van elkaar worden gesitueerd om hinder te voorkomen. Deze afweging kent twee richtingen: Enerzijds wordt beoordeeld of de nieuwe ontwikkeling geen belemmering vormt voor bestaande milieubelastende of milieuhinderlijke activiteiten in de omgeving. Anderzijds wordt getoetst of de hinder van bestaande activiteiten ter plaatse van de nieuwe milieugevoelige functie aanvaardbaar is. Relatie tot planlocatie Uit de paragrafen 6.5 Geluid, 6.6 Geur en 6.7 Licht blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet stuit op onoverkomelijke belemmeringen ten aanzien van de milieutechnische inpasbaarheid van de toekomstige situatie.
Samenvattend kan worden gesteld dat de milieuregels uit het vigerende omgevingsplan van De Ronde Venen toereikend zijn om de ontwikkeling op een verantwoorde wijze mogelijk te maken. Er zijn geen aanvullende regels noodzakelijk om te komen tot een aanvaardbare situatie. De specifieke uitwerking en onderbouwing van de milieueffecten is opgenomen in de eerder genoemde paragrafen, waarin per aspect is toegelicht op welke wijze wordt voldaan aan de relevante regelgeving en randvoorwaarden. Conclusie De ontwikkeling voldoet aan de geldende instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.5
Geluid
De instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor geluid wijzen geluidgevoelige gebouwen en ruimten aan ter bescherming van mensen tegen geluid. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie van belang, te weten: Woonfunctie Onderwijsfunctie Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang Gezondheidszorgfunctie
48/140
In een omgevingsplan dient rekening gehouden te worden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelig gebouwen. Ook dient een omgevingsplan erin te worden voorzien dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is (artikel 5.59 Bkl). Het geluid door een activiteit is in ieder geval aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden en grenswaarden voor geluidgevoelige ruimte en binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.64 Bkl). Beleid hogere waarden Wet geluidhinder Gemeente De Ronde Venen Het beleid richt zich op het waarborgen van een aanvaardbaar akoestisch leefklimaat bij ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente streeft ernaar geluidhinder zoveel mogelijk te voorkomen door eerst bron- en overdrachtsmaatregelen te onderzoeken, zoals stiller asfalt, verkeersbeperkingen of geluidschermen. Alleen wanneer deze maatregelen onvoldoende effect hebben, kan een hogere waarde worden verleend. Daarbij gelden strikte voorwaarden: binnenwaarden mogen niet worden overschreden en cumulatie van geluid wordt meegenomen in de beoordeling. Het beleid hanteert geluidsklassen om de mate van overschrijding en de intensiteit van de afweging te bepalen. 6.5.1 Geluid door activiteiten Molmlaan-locatie Op de locatie aan de Molmlaan wordt in de toekomst het grootste deel van de bestaande bebouwing gesloopt.
Eén gebouw blijft echter behouden: het pand waarin momenteel onder andere Foodmaster, Bakker De Kruijf en woningen op de verdieping zijn gevestigd. Dit gebouw ligt aan de noordwestzijde van de deellocatie. In de plint (begane grond) van dit gebouw zijn al horeca-activiteiten mogelijk die vallen onder categorie 1a en 1b van de Staat van Horeca-activiteiten en wordt er horeca tot en met categorie 1c mogelijk gemaakt. Daarnaast is het mogelijk om in plaats van deze horeca maximaal vier woningen in de plint te realiseren. De beoogde ontwikkeling maakt op de locatie aanvullend de realisatie van 22 woningen mogelijk, welke zijn aangemerkt als geluidgevoelige gebouwen. In het kader van geluid door activiteiten wordt daarom beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, of bestaande bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden beperkt, en of kan worden voldaan aan de geluidregels van het omgevingsplan. Geluid buiten de planlocatie Volgens het tijdelijk deel Dorpskernen van het Omgevingsplan De Ronde Venen bestaat de directe omgeving van de Molmlaan-locatie hoofdzakelijk uit woonbebouwing. Aan de Kamgras bevinden zich enkele maatschappelijke functies, maar deze liggen op meer dan 50 meter afstand van de planlocatie.
Aangezien zich tussen deze functies en de planlocatie reeds meerdere woonfuncties bevinden, is het aannemelijk dat deze activiteiten geen relevante milieuhinder veroorzaken voor de nieuwe woningen. Geluid binnen de planlocatie Binnen de planlocatie blijven enkele bestaande bedrijfsactiviteiten behouden, waaronder een snackbar en een pizzeria. Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie bevinden deze zich hier direct naast woningen. Dit betekent dat ook nu al op korte afstand moet worden voldaan aan de geldende geluidregels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (bruidsschat).
49/140
In de beoogde situatie worden de nieuwe woningen op grotere afstand van deze bedrijfsactiviteiten gesitueerd dan de bestaande woningen, welke zich boven de verdieping bevinden waar de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Redelijkerwijs kan daarom worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbare situatie waarin wordt voldaan aan de geluidregels van het omgevingsplan. Nieuwe te vestigen bedrijfsactiviteiten dienen eveneens te voldoen aan de geldende milieunormen. De geluidregels uit het vigerende plan – de zogenoemde bruidschat – zijn bepalend voor de geluidruimte van de bestaande activiteiten. Deze regels blijven van kracht en wijzigen niet met de vaststelling van het voorliggende omgevingsplan. Bestaande bedrijven kunnen hun activiteiten uitbreiden of wijzigen, mits zij binnen deze geluidruimte blijven. De toegestane functies zijn gekenmerkt als kleinschalige horecavoorzieningen, die slechts beperkte milieuruimte vragen. Dit betekent dat deze functies in beginsel goed te combineren zijn met andere functies zoals wonen, werken of detailhandel, zonder dat dit leidt tot onaanvaardbare hinder. Aanvullend is in het akoestisch onderzoek expliciet rekening gehouden met indirecte geluidhinder als gevolg van verkeersbewegingen die samenhangen met de toegestane horeca-activiteiten en detailhandel, evenals met het geluid van vaste installaties, zoals ventilatie- en koelinstallaties.
Deze bronnen zijn integraal betrokken bij de beoordeling van het omgevingslawaai ter plaatse van bestaande en beoogde geluidgevoelige gebouwen. Uit de resultaten van het aangepaste akoestisch onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de maximale geluidniveaus als gevolg van de bedrijfsactiviteiten, inclusief verkeersgeneratie en installaties, voldoen aan de daarvoor geldende standaardwaarden en grenswaarden als bedoeld in artikel 5.64 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarmee is sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting op alle relevante gevels van geluidgevoelige gebouwen. Om aan te tonen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de beoogde woningen op de Molmlaan-locatie, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar omgevingslawaai als gevolg van de bedrijfsactiviteiten op deze locatie. Op basis van de resultaten van de rapportage kan worden gesteld dat ter plaatse van de omliggende geluidgevoelige gebouwen na realisatie van de ontwikkeling een akoestisch goed woon- en leefklimaat gewaarborgd blijft en er derhalve akoestisch gezien sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Hiermee wordt voldaan aan de instructieregels van artikel 5.59 Bkl, waarin is bepaald dat in het omgevingsplan moet zijn geborgd dat het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.
De rapportage omgevingslawaai is bijgevoegd als Bijlage 6. CSW-locatie Binnen de planlocatie wordt een nieuw clubgebouw gerealiseerd tussen de twee zuidelijke sportvelden. Alle functies uit de bestaande bebouwing worden hierin ondergebracht. Op het aangrenzende parkeerterrein worden een supermarkt en een versspeciaalzaak mogelijk gemaakt.
50/140
Hoewel de ontwikkeling zelf geen geluidgevoelige gebouwen omvat, worden er wel functies mogelijk gemaakt die potentieel geluidhinder kunnen veroorzaken voor nabijgelegen geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen of maatschappelijke voorzieningen. Op circa 15 meter bevindt zich een basisschool. Om aan te kunnen tonen dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de instructieregels van het Bkl is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de bedrijfsactiviteiten van de supermarkt en de versspeciaalzaak. Dit betreft dezelfde rapportage als het onderzoek naar omgevingslawaai ter plaatse van de Molmlaan-locatie (Bijlage 6). Tot de beoordeelde bedrijfsactiviteiten is expliciet ook het laden en lossen van goederen gerekend. Hierbij is uitgegaan van bevoorrading door vrachtwagens en het verplaatsen van goederen met rolcontainers, conform de representatieve bedrijfssituatie uit het akoestisch onderzoek. Deze laad- en losactiviteiten vinden uitsluitend plaats in de dagperiode. De daarmee samenhangende geluidemissies, waaronder zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als de maximale geluidniveaus, zijn betrokken bij de beoordeling van het geluid door activiteiten op de omliggende en nieuwe geluidgevoelige gebouwen.
Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van laden en lossen, bezien in samenhang met de overige bedrijfsactiviteiten, voldoet aan de geldende beoordelingskaders en geen belemmering vormt voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook voor de geluidsbelasting door de bedrijfsactiviteiten op de school is geconcludeerd dat narealisatie van de ontwikkeling een akoestisch goed woon- en leefklimaat gewaarborgd blijft en er derhalve akoestisch gezien sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. 6.5.2
Wegverkeerslawaai
Met de beoogde ontwikkeling worden geluidgevoelige gebouwen gerealiseerd op de Molmlaan-locatie. De beoogde woningen liggen binnen de geluidaandachtsgebieden van de gemeentewegen Molmlaan, Pieter Joostenlaan, Pastoor Kannelaan, Veenweg, Burgemeester van Trichtlaan, Burgemeester Fernhoutlaan, Kamgras, Beemdgras en Vossestaart. Om te borgen dat het wegverkeerslawaai op de nieuwe woningen aanvaardbaar is, is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Daarbij is expliciet getoetst aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) én aan het gemeentelijk beleid hogere waarden Wet geluidhinder van de gemeente De Ronde Venen, dat kader geeft aan de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dit kader is onderzocht of bron- en overdrachtsmaatregelen mogelijk zijn, of sprake is van geluidluwe gevels en buitenruimtes en wat de effecten zijn van cumulatie en gezamenlijk geluid. In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een worst-case verkeersgeneratie. Zoals toegelicht in paragraaf 6.11 Mobiliteit en parkeren ligt de feitelijke verkeersgeneratie lager dan waarvan in het onderzoek is uitgegaan. Daarmee zal de werkelijke geluidbelasting lager zijn dan de berekende waarden. De rapportage wegverkeerslawaai is opgenomen als Bijlage 7.
51/140
Figuur 6.5.2.1. Toetspunt 21 en 22 in rood aangegeven. Deze toetspunten betreffen twee woningen. Uit het onderzoek blijkt dat voor twee woningen (toetspunten 21 en 22, weergegeven in figuur 6.5.2.1) de standaardwaarde van 53 dB wordt overschreden. De overschrijding bedraagt maximaal 7 dB. De grenswaarde van 70 dB Lden wordt daarbij niet overschreden. Hiermee is sprake van een situatie waarin, conform het gemeentelijk geluidsbeleid, een nadere afweging noodzakelijk is waarbij het belang van een geluidluwe zijde en een geluidluwe buitenruimte doorslaggevend is. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat deze twee woningen zonder aanvullende maatregelen niet beschikken over een vanzelfsprekende geluidluwe gevel of buitenruimte. Door de toepassing van een tuinafscherming aan de noordzijde ontstaat op de begane grond echter wél een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. Daarmee wordt voor deze woningen gedeeltelijk aan de beleidsvoorwaarden voldaan. Het gemeentelijk geluidsbeleid schrijft voor dat iedere woning: minimaal één slaapkamer aan een geluidluwe zijde heeft; minimaal 30% van het vloeroppervlak van de verblijfsruimten aan een geluidluwe gevel heeft; en beschikt over minimaal één geluidluwe buitenruimte.
52/140
Alle woningen voldoen hieraan, behalve de twee voorgenoemde woningen. Als aanpassing binnen het bouwvolume niet mogelijk is, kunnen op de verdiepingen aan de noordzijde lokale maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting te reduceren tot de standaardwaarde; hier kan gedacht worden aan een: SilentAir gevelscherm: verlaagt geluid tot 15 dB bij een te openen raam. Hafencity-Fenster: dubbel kozijn met geluidsabsorptie tussen ramen. Comfortbox: ventilatierooster met binnenkast, maakt geluidluw openen mogelijk. De noodzaak en toepassing van deze maatregelen, evenals de verplichtingen die volgen uit het gemeentelijk geluidsbeleid, zijn juridisch geborgd in de planregels van het voorliggende omgevingsplan. De beoordelingsregels van artikel 9.2.4 (bestemming 'Wonen') gelden als voorwaardelijk toetsingskader bij de verdere uitwerking van het plan. De exacte invulling en dimensionering van de maatregelen worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen nader gespecificeerd en akoestisch onderbouwd. Hiermee is geborgd dat het voorliggend plan voldoet aan de instructieregels is voor het aspect wegverkeerslawaai. 6.5.3
Cumulatie en gezamenlijk geluid
Cumulatie In het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is het gecumuleerde geluid op de gevels van de beoogde woningen inzichtelijk gemaakt. Daarbij is rekening gehouden met het geluid van gemeentewegen in de omgeving en met het geluid door activiteiten van nabijgelegen horecavoorzieningen. Voor het geluid door activiteiten is de daarbij behorende hinderweging toegepast overeenkomstig de systematiek voor industrielawaai, zoals gebruikelijk bij een indicatieve cumulatiebeoordeling. Het gecumuleerde geluid op de gevels van de nieuwe woningen bedraagt, afhankelijk van de situering van de woning en de toepassing van een tuinafscherming bij het meest westelijke bouwblok, circa 41 dB tot maximaal 60 dB. Op basis van de methode van Miedema kan deze gecumuleerde geluidbelasting worden gekwalificeerd als “zeer goed” tot “matig”. Deze kwalificatie wordt in het gemeentelijk beleid als aanvaardbaar aangemerkt en vormt geen belemmering voor het realiseren van een goed woon- en leefklimaat. Gezamenlijk geluid Naast de cumulatiebeoordeling is in het akoestisch onderzoek expliciet het gezamenlijk geluid bepaald, zoals bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het gezamenlijk geluid betreft de energetische optelling van de relevante geluidbronnen ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige gebouwen en is bepalend voor de benodigde geluidwering van de gevels.
Voor de beoogde woningen bedraagt het gezamenlijk geluid ten hoogste 60 dB. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar blijken niet doelmatig of wenselijk vanwege stedenbouwkundige en financiële bezwaren. Voor het meest westelijke blok zijn daarom gebouw- en perceelgebonden maatregelen voorzien, waaronder een tuinafscherming en aanvullende gevelmaatregelen, waarmee wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidsbeleid.
53/140
Het gezamenlijk geluid is uitsluitend vastgelegd voor rekenpunten waar sprake is van een overschrijding van de toepasselijke grenswaarde. Op de overige rekenpunten doet zich geen overschrijding voor en is het daarom niet nodig om het gezamenlijk geluid afzonderlijk vast te leggen. Voor de rekenpunten waar dit wel aan de orde is, is het gezamenlijk geluid per rekenpunt vastgelegd in een tabel die als Bijlage 3 Waarden gezamenlijk geluid bij de planregels is opgenomen en waarnaar in de regels wordt verwezen. Door deze vastlegging per rekenpunt wordt voorkomen dat de geluidwering van alle gevels moet worden gedimensioneerd op basis van een maximale waarde. Hiermee wordt maatwerk per gevel mogelijk gemaakt en wordt onnodige overdimensionering van gevelmaatregelen voorkomen. Bij de verdere uitwerking van het plan dient door middel van een aanvullend gevelonderzoek te worden aangetoond dat, uitgaande van het per rekenpunt vastgelegde gezamenlijke geluid, wordt voldaan aan de nieuwbouweisen voor het binnenniveau. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat dit met gangbare geluidwerende gevelconstructies haalbaar is, waardoor een aanvaardbaar binnenniveau en een goed woon- en leefklimaat zijn gewaarborgd. Conclusie Het plan is uitvoerbaar en stuit niet op onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot wegverkeerslawaai.
Ten aanzien van twee woningen binnen de planlocatie zijn aanvullende planregels opgenomen om zo te borgen dat er wordt voldaan aan instructieregels. Er wordt voldaan aan de instructieregels voor wegverkeerslawaai en de ontwikkeling is voldoende onderzocht. Daarmee wordt bijgedragen aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.6
Geur
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat gemeenten in het omgevingsplan rekening dienen te houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven Gemeenten dienen dus te overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit en/of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. Naast gebouwen met een woon-, zorg-, onderwijs- of kinderopvangfunctie mag de gemeente ook overige gebouwen en locaties beschermen tegen geur. Relatie tot planlocatie Molmlaan-locatie Op de Molmlaan-locatie blijven de pizzeria en snackbar behouden. Deze activiteiten bevinden zich momenteel direct naast woningen en dienen in de huidige situatie al rekening te houden met geurgevoelige gebouwen op zeer korte afstand. Dit betekent dat ook nu al moet worden voldaan aan de geldende geurregels. De beoogde herontwikkeling maakt de realisatie van 22 nieuwe woningen mogelijk, die eveneens worden aangemerkt als geurgevoelige gebouwen. In de nieuwe situatie worden deze woningen op grotere afstand gesitueerd dan de huidige woningen, aangezien op de verdieping boven deze bedrijfsactiviteiten al woningen aanwezig zijn.
Redelijkerwijs kan daarom worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbare situatie waarin wordt voldaan aan de geurnormen van het omgevingsplan.
54/140
Nieuwe te vestigen bedrijfsactiviteiten dienen eveneens te voldoen aan de geldende geurregels. in het bijzonder artikel 22.3.15 Niet-industriële voedselbereiding, artikel 22.199 geur. Deze regels zijn gericht op het zoveel mogelijk beperken van geurhinder door voorwaarden te stellen aan de wijze van emissie van dampen en gassen en zijn daardoor bepalend voor de geurruimte van de bestaande activiteiten. Deze regels blijven van kracht en wijzigen niet met de vaststelling van het voorliggende omgevingsplan. Bestaande bedrijven kunnen hun activiteiten uitbreiden of wijzigen, mits zij voldoen aan de vereisten van deze regels. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat geur geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling op de Molmlaan-locatie. CSW locatie Binnen de planlocatie wordt onder andere een versspeciaalzaak mogelijk gemaakt. Afhankelijk van de aard en schaal van de activiteiten kan deze functie geurhinder veroorzaken voor nabijgelegen geurgevoelige functies, zoals woningen of maatschappelijke voorzieningen. Voor de beoordeling van de geuraspecten is gebruikgemaakt van de richtafstanden van de VNG-handreiking 2009 bedrijven en milieuzonering. Voor een versspeciaalzaak wordt hierin een indicatieve richtafstand van circa 10 tot 30 meter gehanteerd voor geur, afhankelijk van het omgevingstype (rustige woonwijk of gemengd gebied).
De dichtstbijzijnde woningen bevinden zich op circa 50 meter afstand van de beoogde functie. Gezien deze afstand, in combinatie met de beperkte schaal van de activiteit, wordt geurhinder richting deze woningen uitgesloten. Op circa 15 meter afstand bevindt zich een school, welke op grond van het Bkl word aangemerkt als een geurgevoelig gebouw. De beoogde activiteit dient te voldoen aan de geurregels van het omgevingsplan, in het bijzonder artikel 22.3.15 Niet-industriële voedselbereiding, artikel 22.199 geur. Deze regels zijn gericht op het zoveel mogelijk beperken van geurhinder door voorwaarden te stellen aan de wijze van emissie van dampen en gassen. Gelet op de regels in de bruidsschat, die zijn gericht op het voorkomen van geurhinder, en de afstand tussen geurgevoelige gebouwen en de beoogde ontwikkeling, wordt geurhinder voorkomen. Conclusie Op basis van de uitgevoerde beoordeling wordt geconcludeerd dat geur geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkelingen op zowel de Molmlaan-locatie als de CSW-locatie. Voor beide locaties geldt dat de geurregels uit het omgevingsplan (de zogenoemde bruidschat) voldoende waarborgen bieden om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen voor zowel bestaande als nieuwe geurgevoelige gebouwen. Er zijn geen aanvullende regels noodzakelijk; het planvoornemen voldoet aan de geldende instructieregels voor geur.
55/140
6.7
Licht
Kunstmatige verlichting kan vier soorten negatieve effecten veroorzaken, te weten: 1. Hinder voor de mens 2. Hinder langs wegen 3. Verstoring van de natuur 4. Horizonvervuiling Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat daarom geen rijksinstructieregels voor lichthinder. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen staan rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het Bal noemt lichthinder niet als een specifieke milieubelastende activiteit. Wel kan een lichthinder veroorzakende activiteit een functioneel ondersteunende activiteit zijn bij een milieubelastende activiteit in de zin van het Bal. In dat geval is de specifieke zorgplicht van het Bal van toepassing op het veroorzaken van lichthinder. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen, lokaal algemeen verbindende voorschriften stellen en kan eventueel ook direct handhavend optreden als er onmiskenbaar strijd is met de zorgplicht. Overheden kunnen hierbij de “Richtlijn lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) als uitgangspunt hanteren. Concreet kan bijvoorbeeld gedacht worden aan kwantitatieve of kwalitatieve normen, aan het opleggen van een bepaalde afstelling of aan armaturen met afschermkapjes. Dit kan ook voor vormen van lichthinder die niet door het Bal zelf geregeld worden.
Daarnaast kunnen in de provinciale verordening, een gemeentelijke visie en/of het omgevingsplan regels gesteld worden omtrent (het voorkomen van) lichthinder. Relatie tot planlocatie Het planvoornemen voorziet niet in activiteiten die kunnen leiden tot lichthinder waarvoor specifiek onderzoek of een nadere beschouwing noodzakelijk is. De potentiële lichtemissie blijft beperkt tot gevelreclame of lichtborden ten behoeve van de naamvoering van de supermarkt of versspeciaalzaak. Deze vormen van verlichting zijn gangbaar binnen stedelijke omgevingen en worden als beperkt en beheersbaar beschouwd. In de omgeving van de Molmlocatie, waar woningen zijn beoogd, zijn geen bestaande of geplande activiteiten of objecten aanwezig die tot lichthinder kunnen leiden. Daarmee is er geen aanleiding om aanvullende maatregelen te treffen of nader onderzoek te verrichten op dit punt. Conclusie Het aspect lichthinder is niet relevant voor de beoogde ontwikkeling. Zoals eerder toegelicht, zijn er geen activiteiten in of nabij de planlocatie voorzien die tot significante lichtemissie leiden. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
56/140
6.8
Gezondheid
Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. Relatie tot planlocatie De bereikbaarheid van de planlocatie is goed, met voldoende aansluiting op belangrijke verkeerswegen en openbaar vervoer, wat zorgt voor gemakkelijke toegang voor bewoners en bezoekers. Dit draagt bij aan een gezonde leefomgeving door het stimuleren van actieve mobiliteit, zoals fietsen en wandelen. Op korte afstand van de planlocatie bevinden zich diverse voorzieningen, zoals winkels, scholen en openbaar vervoer. Door deze nabijheid worden lopen en fietsen gestimuleerd, wat bijdraagt aan een gezonde en actieve leefstijl van bewoners en gebruikers. Dit ondersteunt het streven naar een duurzame, leefbare en gezonde omgeving. Uit de gegevens van het CIMLK blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden.
De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization, WHO) heeft op 22 september 2021 haar advieswaarden geactualiseerd; de huidige advieswaarden bedragen 10 µg/m³ voor NO2, 15 µg/m³ voor PM10 en 5 µg/m³ voor PM2,5. Met name de concentraties fijnstof zijn van belang met het oog op de mogelijke gezondheidseffecten. Deze advieswaarden zijn geen harde grenzen maar doelen waar op langere termijn naar toegewerkt zou moeten worden. De concentraties ter hoogte van het plangebied zijn hoger dan deze advieswaarden. Dit wordt veroorzaakt door de achtergrondconcentratie (en dit geldt daarmee niet alleen voor de planlocatie, maar voor de hele regio). De bijdrage van de lokale bronnen aan de optredende concentraties is beperkt. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen en gemengd aan de planlocatie toe te delen. Conclusie Vanuit de overige omgevingsaspecten zijn er geen factoren die de gezondheidssituatie ter plaatse negatief beïnvloeden. Het plan voldoet aan de geldende normen en richtlijnen en is voor het aspect gezondheid uitvoerbaar. Alle noodzakelijke maatregelen, zoals bijvoorbeeld akoestische maatregelen, worden getroffen om de gezondheidssituatie te waarborgen en mogelijke negatieve gevolgen te voorkomen. Hierdoor kan worden gesteld dat er sprak is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vanuit gezondheidsperspectief.
6.9
Kabels en leidingen
In (de omgeving van) de planlocatie kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in de planlocatie. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden.
57/140
Relatie tot het planlocatie en conclusie Uit raadpleging van de beschikbare gegevens blijkt dat zich geen relevante kabels, leidingen of straalpaden binnen of direct grenzend aan de planlocatie bevinden die beperkingen opleggen aan de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn geen hoogspanningsverbindingen, straalpaden of leidingen met een beschermingszone aanwezig die de uitvoerbaarheid van het plan beïnvloeden. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat dit aspect niet van toepassing is op de planlocatie. Er zijn dan ook geen vervolgstappen noodzakelijk met betrekking tot kabels, leidingen of straalpaden.
6.10 Luchtkwaliteit De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier reeds een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeenteactiviteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Relatie tot planlocatie Met de beoogde ontwikkeling is er een worst-case toename van 690 mvt/etmaal. Betreffende verkeersgeneratie is niet-in-betekenende-mate, zoals inzichtelijk is gemaakt in figuur 6.10.1.
Figuur 6.10.1 NIBM-tool
58/140
Daarnaast bevindt de planlocatie zich niet in artikel 5.51 (van het Bkl) vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Nader onderzoek is niet benodigd. Met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl. Besluit kwaliteit leefomgeving Voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) 2023. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Pieter Joostenlaan. Uit de CIMLK-kaart blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 10 µg/m³ voor NO2, 14 µg/m³ voor PM10 en 8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. WHO-advieswaarden In 2021 heeft WHO haar advieswaarden voor luchtkwaliteit bijgesteld naar 10 µg/m³ voor NO2, 15 µg/m³ voor PM10 en 5 µg/m³ voor PM2,5. De WHO-waarden voor NO2 en voor PM10 worden dus behaald. De WHO-waarde voor PM2,5 wordt echter niet behaald.
Wel ligt deze waarde ruim onder de grenswaarde gesteld vanuit het Bkl en wordt er dus voldaan aan de instructieregels en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties Conclusie De ontwikkeling draagt voor het aspect luchtkwaliteit bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat de locatie buiten een luchtkwaliteitsaandachtsgebied ligt en omdat de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is. Uit de CIMLK blijkt dat er ter plaatse geen overschrijding plaats vindt aan de grenswaarde voor luchtkwaliteit. Daarnaast is de ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl. Gelet hierop vereisen de instructieregels niet tot het stellen van planregels.
6.11 Mobiliteit en parkeren Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Nieuwe ontwikkelingen mogen namelijk niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Zo bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. In de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan komt het aspect mobiliteit ook terug. Op het moment dat de gemeente of provincie specifieke ambities heeft voor mobiliteit kan dit uitgewerkt worden in een programma, zoals bijvoorbeeld een Regionaal mobiliteitsprogramma (RMP). In deze RMP's wordt hoofdzakelijk gefocust op verbetering van de duurzame mobiliteit middels een regionale aanpak. Provinciale omgevingsverordening De instructieregel van artikel 4.1 gaat in op de bereikbaarheid van nieuwe ontwikkelingen: "Een omgevingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien, waarborgt dat knelpunten in de bereikbaarheid niet toenemen en bij voorkeur afnemen."
59/140
Gemeentelijk beleid Het mobiliteitsbeleid van de gemeente is vastgelegd in het Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan. In dit beleidsplan maakt de gemeente de keuzes voor hoe zij het gemeentelijke mobiliteitssysteem vormgeeft tot 2030, om zo de ambitie te halen om ook in 2040 een leefbare, vitale en bereikbare gemeente te zijn. Dit Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan bestaat uit een overkoepelende visie en een ambitie en beleidsuitgangspunten voor vijf thema’s: 1. Bereikbaarheid 2. Veiligheid & leefbaarheid 3. Duurzaamheid 4. Toegankelijkheid 5. Parkeren Uitgangspunt bij beoordeling: STOMP principe Conform het ‘Mobiliteits- en verkeersveiligheidsplan 2023-2030’ wordt bij de beoordeling van de aspecten verkeer en parkeren het STOMP-principe gehanteerd als uitgangspunt. STOMP staat voor: Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobility as a Service (MaaS) en ten slotte de Privéauto. Het STOMP principe gaat ervanuit dat de voetgangers en fietsers de belangrijkste verkeersdeelnemers zijn die binnen de ontwikkeling gefaciliteerd dienen te worden, daarna volgt het openbaar vervoer en de deelmobiliteitsvoorzieningen en als laatste wordt de privéauto gefaciliteerd. Het toepassen van het STOMP principe draagt bij aan een duurzame gebiedsontwikkeling, daarom is dit principe belangrijk om mee te nemen in de beoordeling.
Relatie tot planlocatie Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een verkeerskundige beoordeling uitgevoerd. De volledige verkeerskundige beoordeling is bijgevoegd als Bijlage 8. Onderstaand is een samenvatting van deze verkeerskundige beoordeling weergeven. Verkeer Verkeersgeneratie Aan de Molmlaan-locatie is worstcase gezien sprake van een afname van verkeersgeneratie met 1.558 op een gemiddelde werkdag. Ter plaatse van de CSW-locatie is een toename van 2.382 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. In totaal is er dus sprake van een toename van 824 motorvoertuigen op een gemiddelde werkdag. Verkeerstoedeling Voor het bepalen van de totale verkeerstoename per wegvak zijn de verkeerstoedelingen van beide deelgebieden bij elkaar opgeteld. In figuur 6.11.1 is de totaal beoogde verkeerstoename op het omliggende wegennet weergegeven.
60/140
Figuur 6.11.1 Totale verkeerstoename beoogde ontwikkeling Verkeersintensiteit, -veiligheid en -afwikkeling Voor het bepalen van de verkeersintensiteiten op de omliggende wegennet in de autonome situatie is gebruik gemaakt van verkeersgegevens afkomstig uit het Verkeersmodel Noord-Holland Zuid 3.3 voor het prognosejaar 2040. In de onderstaande tabel zijn de verkeersintensiteiten per wegvak weergegeven in de autonome en beoogde situatie. Tabel 6.11.1 Verkeersintensiteiten Pieter Joostenlaan
Vanuit beide deelgebieden wordt het gegenereerde verkeer ontsloten op de Pieter Joostenlaan. Uit de bovenstaande tabel blijkt dat in de beoogde situatie na toevoeging van de planbijdrage de verkeersintensiteit op de Pieter Joostenlaan stijgt naar 3.982 mvt/etmaal op het drukste punt. De Pieter Joostenlaan is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg-type 2 binnen de bebouwde kom met een rijbaanbreedte van circa 6,8 meter en vrijliggende fietspaden. Vooropgesteld dat de verkeersafwikkeling afhankelijk is van de inrichting van wegvakken en kruispunten, kan worden gesteld dat uit de verkeerskundige praktijk blijkt dat een gebiedsontsluitingsweg-type 2 doorgaans een verkeersomvang van 6.000 à 15.000 mvt/etmaal kan afwikkelen.
61/140
Aangezien zelfs na toevoeging van de planbijdrage de verkeersintensiteit op de Pieter Joostenlaan ruim onder deze grenswaarde blijft, kan worden geconcludeerd dat de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling in de beoogde situatie gewaarborgd blijft. Parkeren Autoparkeren Molmlaan-locatie Het gemeentelijk parkeerbeleid heeft als uitgangspunt dat de extra parkeerbehoefte van een ruimtelijke ontwikkeling op eigen terrein wordt opgelost. Daarbij wordt een vergelijking gemaakt van de huidige met de nieuwe situatie aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen, zoals opgenomen in het Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030. De nieuwe situatie moet ook voldoen aan de parkeerbehoefte op het maatgevende moment. Het maatgevende moment bij de Molmlaan wijzigt doordat de supermarkt verhuist van de zaterdag overdag naar de werkavond of -nacht. De te handhaven functies cafetaria, pizzeria hebben geen parkeerbehoefte ‘s nachts. Gedurende het parkeerdrukonderzoek zijn ook gedurende de nachtperiode tellingen uitgevoerd binnen deelgebied B en de directe omgeving (zie bijlage 1 uit Bijlage 8 Verkeerskundige beoordeling). Uit de resultaten van de parkeerdrukmeting blijkt dat gedurende de nachtperiode 27 parkeerplaatsen bezet waren rondom deelgebied B. Dit aantal wordt met 15% opgehoogd, conform het geldende beleid.
(Een gemeten parkeerdruk van 100% is ongewenst vanwege het zoekgedrag dat daar het gevolg van is.) De parkeerbehoefte van de huidige bewoners is aldus 31 parkeerplaatsen. Op basis van de gemeentelijke parkeernormen is in tabel 6.11.2 de parkeerbehoefte van de nieuwe woningen berekend. Tabel 6.11.2 Parkeerbehoefte beoogde ontwikkeling deelgebied B Molmlaan
In totaal zijn er 34 parkeerplaatsen vereist voor de beoogde woningbouw, waarmee de totale parkeerbehoefte gedurende het maatgevende moment stijgt naar 65 parkeerplaatsen. Na toevoeging van de beoogde ontwikkeling en de daarbij behorende parkeervoorzieningen bedraagt het parkeeraanbod in de directe omgeving 65 parkeerplaatsen. Hiermee wordt voldaan aan de toekomstige autoparkeerbehoefte van de Molmlaan-locatie. CSW-locatie Zoals eerder benoemd worden de bestaande clubgebouwen gesloopt als onderdeel van de beoogde ontwikkeling, maar worden deze teruggebracht op een ander gedeelte van het terrein van de sportverening. De parkeerbehoefte van de sportvereniging wordt in de beoogde situatie op dezelfde locatie opgevangen als in de bestaande situatie, waar in de beoogde situatie ook de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling aan wordt toegevoegd. In totaal bedraagt het parkeerterrein van de sportvereniging 149 parkeerplaatsen in de huidige situatie. In tabel 6.11.3 is berekent hoeveel aanvullende parkeerplaatsen benodigd zijn na de komst van de beoogde supermarkt en bakker.
62/140
Tabel 6.11.3 Parkeerbehoefte CSW-locatie
Ten opzichte van de bestaande situatie stijgt de normatieve parkeerbehoefte van deelgebied A met afgerond 73 parkeerplaatsen als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Hiermee stijgt de totale parkeerbehoefte naar 222 parkeerplaatsen. In de beoogde situatie wordt rekening gehouden met een uitbreiding van het parkeerterrein naar 225 parkeerplaatsen, waarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte voor de toekomstige functies. Bij pieken in de parkeerbehoefte, bijvoorbeeld als het eerste elftal van CSW thuis speelt, is er een uitloop mogelijk naar de parkeerplaats bij De Willisstee; dit valt namelijk binnen de acceptabele loopafstand. De oversteek van de Pieter Joostenlaan wordt in het kader van dit project verbeterd. Daarnaast is er in april 2024 een parkeerdrukmeting uitgevoerd in de omgeving. Uit de resultaten van de parkeerdrukmeting blijkt dat in de huidige situatie dan nog restcapaciteit beschikbaar is bij de Willistee. Fietsparkeren Molmlaan-locatie De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 22 betaalbare koopwoningen verdeeld over 12 eengezinswoningen en 10 rug-aan-rugwoningen. Voor het bepalen van de fietsparkeerbehoefte wordt aangesloten bij de fietsparkeernormen uit het Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030 van de gemeente De Ronde Venen. In tabel 6.11.4 is het benodigde aantal fietsparkeerplaatsen voor de beoogde ontwikkeling bepaald.
Tabel 6.11.4 Fietsparkeerbehoefte beoogde ontwikkeling deelgebied Molmlaan
De beoogde woningbouw in de Molmlaan-locatie heeft een fietsparkeerbehoefte van 124 fietsparkeerplaatsen. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling dient te worden voorzien in de realisatie van voldoende aanvullende fietsparkeerplaatsen voor het opvangen van de volledige fietsparkeerbehoefte binnen de planlocatie.
63/140
CSW-locatie Een goede bereikbaarheid voor fietsers en voetgangers van zowel de sportverenigingen als de supermarkt is essentieel om fietsen en wandelen te stimuleren. Tussen de twee bijvelden en op het voorplein van de nieuwe accommodatie van CSW, is ruimte voor 150 fietsparkeerplaatsen. Bij de entree van de supermarkt wordt het aantal fietsparkeerplaatsen voor de bezoeker van de supermarkt zoveel mogelijk volgens de CROW-richtlijnen gerealiseerd. In tabel 6.11.5 zijn het benodigde aantal fietsparkeerplaatsen berekend Tabel 6.11.5 Fietsparkeerbehoefte deelgebied CSW
Ten opzichte van de bestaande situatie stijgt de stallingsbehoefte met afgerond 50 fietsparkeerplaatsen. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met de realisatie van 50 fietsparkeerplaatsen bij de entree van de supermarkt, waarmee de aanvullende fietsparkeerbehoefte probleemloos wordt opgevangen binnen de CSW-deellocatie. Conclusie In totaal zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename 824 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. De autonome intensiteiten op de omliggende wegen zijn dermate laag om de beoogde verkeerstoename probleemloos op te vangen zonder dat dit leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid of verkeersafwikkeling. De beoogde ontwikkeling is onderverdeeld in twee deelgebieden. Hieronder de bevindingen per deelgebied betreffende het onderdeel parkeren. Molmlaan-locatie Voor de Molmlaan wordt rekeningen gehouden met het gebruik van openbare parkeervoorzieningen in de omgeving. Uit de resultaten van de parkeerdrukmeting blijkt dat na toevoeging van de planbijdrage gedurende de maatgevende periode 65 parkeerplaatsen benodigd zijn. Het aantal parkeerplaatsen binnen de deellocatie, in combinatie met de parkeercapaciteit in de directe omgeving bedraagt in de beoogde situatie 65 parkeerplaatsen, waarmee volgens het gemeentelijke beleid wordt voldaan aan de parkeereis.
CSW-locatie Ten opzichte van de bestaande situatie zorgt de beoogde ontwikkeling in de deellocatie voor een aanvullende parkeerbehoefte van 74 autoparkeerplaatsen en 50 fietsparkeerplaatsen. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt het parkeeraanbod bij het CSW uitgebreid met 76 parkeerplaatsen en 50 fietsparkeerplaatsen, waarmee de aanvullende autoparkeerbehoefte probleemloos kan worden opgevangen.
64/140
Daarnaast heeft de beoogde woningbouw voor een fietsparkeerbehoefte van 124 fietsparkeerplaatsen. Bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling zullen voldoende fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd voor het opvangen van de fietsparkeerbehoefte
6.12 Ontplofbare oorlogsresten De Nederlandse ondergrond bevat nog op diverse plaatsen ontplofbare oorlogsresten (OO), zoals munitie, granaten en bommen, die grotendeels dateren uit de Tweede Wereldoorlog. Ontplofbare oorlogsresten kunnen worden aangetroffen bij onder meer bouw-, graaf-, bagger- en saneringswerkzaamheden en vormen daarbij een potentieel veiligheidsrisico vanwege het gevaar op detonatie. De aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten houdt enerzijds verband met bombardementen en gevechtshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Anderzijds is in de laatste fase van en kort na de oorlog munitie geruimd en gedumpt, onder andere in watergangen, bomkraters en (voormalige) loopgraven. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen is het daarom van belang inzicht te verkrijgen in locaties waar dergelijke oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden of waar munitieopslag en -dumping aannemelijk is geweest. Indien een gebied als potentieel verdacht wordt aangemerkt, dient te worden beoordeeld of ontplofbare oorlogsresten kunnen leiden tot een onaanvaardbaar veiligheidsrisico. Relatie tot planlocatie Uit het omgevingsplan van De Ronde Venen blijkt dat de planlocatie niet is gelegen binnen een aangewezen aandachts- of aanwijzingsgebied voor ontplofbare oorlogsresten.
Daarnaast zijn verschillende beschikbare bronnen geraadpleegd, waaronder een explosievenkaart opgesteld door een commercieel onderzoeksbureau (AVG). Deze kaart geeft een beeld van eerder door dat bureau uitgevoerde onderzoeken en geregistreerde bevindingen.
Figuur 6.12.1 Explosievenkaart (NGE)
65/140
Van belang is dat kaarten van afzonderlijke onderzoeksbureaus geen uitputtend beeld geven van de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. In Nederland zijn meerdere onderzoeksbureaus en databases actief, ieder gebaseerd op eigen onderzoeksgegevens, die gezamenlijk evenmin volledig dekkend zijn. Volledige zekerheid kan slechts worden verkregen door het combineren van meerdere bronnen en het betrekken van relevante, in en rondom het plangebied uitgevoerde onderzoeken. Gelet op het ontbreken van een planologische aanwijzing, de beschikbare kaartinformatie en de aard en ligging van de planlocatie, zijn er geen concrete indicaties die wijzen op oorlogshandelingen ter plaatse of op een verhoogde kans op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. De planlocatie wordt daarom als onverdacht aangemerkt. Indien tijdens de uitvoering van werkzaamheden onverhoopt toch een vermoedelijke ontplofbare oorlogsrest wordt aangetroffen, geldt de algemene zorgplicht. In dat geval worden de werkzaamheden ter plaatse direct stilgelegd, wordt de omgeving veiliggesteld en wordt de vondst gemeld bij de politie, waarna de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD) wordt ingeschakeld. In overleg met de gemeente en de EOD wordt bepaald of en onder welke voorwaarden werkzaamheden in de directe omgeving kunnen worden voortgezet.
Indien sprake is van een daadwerkelijke vondst, wordt beoordeeld of dit een op zichzelf staand incident betreft of aanleiding geeft tot een aanpassing van de werkwijze. Conclusie Op basis van de beschikbare gegevens en bronnen wordt de planlocatie als onverdacht beschouwd ten aanzien van ontplofbare oorlogsresten. Er bestaat geen aanleiding voor het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het opnemen van specifieke regels in het plan voor dit aspect.
6.13 Trillingen Het Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw. Het omgevingsplan dient er daarnaast in te voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Van deze aanvaardbaarheid is sprake wanneer in het omgevingsplan toepassing is gegeven aan de waarden zoals benoemd in artikel 5.87, eerste en tweede lid, artikel 5.87, vierde lid, artikel 5.88 of 5.89 Bkl. Of aan deze waarden kan worden voldaan, dient te blijken uit een onderzoek naar trillingshinder. Relatie tot planlocatie De ontwikkeling maakt trillinggevoelige gebouwen en ruimten mogelijk. De planlocatie bevindt zich niet in of nabij een gebied waar sprake is van activiteiten die trillingshinder kunnen veroorzaken. Ook in de toekomstige situatie worden geen activiteiten voorzien die tot trillingshinder kunnen leiden. Conclusie Voorgaand toont aan dat het aspect trillingen niet relevant is voor de beoogde ontwikkeling. Zodoende wordt er voldaan aan de instructieregels voor trillingen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
66/140
6.14 Waterbelang Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Relatie tot planlocatie Inleiding Binnen de gemeente De Ronde Venen komt van nature een hoog grondwaterpeil voor. Om de gewenste gebruiksfuncties mogelijk te maken, is daarom een goed functionerend systeem van ontwatering en afwatering noodzakelijk. Al eeuwenlang wordt in dit gebied een kunstmatig peil gehandhaafd, onder beheer van het waterschap. Door de voortschrijdende maaivelddaling is een nauwkeurig, gedifferentieerd en dynamisch peilbeheer essentieel geworden. Grondwater wordt gewonnen in Kamerik, ten zuiden van de gemeente, en in Mijdrecht voor industrieel gebruik. Deze winningen hebben tot op heden geen merkbare invloed op de grondwaterstanden binnen de gemeentegrenzen. De planlocatie ligt buiten een grondwaterbeschermingsgebied, waardoor er geen aanvullende beperkingen gelden vanuit grondwaterbescherming.
Omgevingsverordening van de provincie Utrecht Op grond van artikel 2.16, lid 2, van de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht moet een omgevingsplan dat een ontwikkeling binnen een overstroombaar gebied mogelijk maakt, regels en een motivering bevatten over het overstromingsrisico en de wijze waarop hiermee wordt omgegaan. Uit gegevens van de Klimaateffectatlas blijkt dat ter plaatse van de Molmlocatie sprake is van een relatief lage overstromingskans van 1 op 30.000 per jaar tot maximaal 50cm. Deze kans wordt als extreem klein beschouwd. De beoogde herontwikkeling op deze locatie heeft geen negatieve effecten op dit risico en leidt niet tot een toename van de kwetsbaarheid voor overstromingen. Ter plaatse van de CSW-locatie bedraagt de overstromingskans maximaal 1 op 3.000 per jaar tot maximaal 50 cm. Dit verhoogde risico ten opzichte van omliggende gebieden wordt hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door de aanwezigheid van de ringvaart nabij de deellocatie. Hoewel deze kans groter is dan op andere locaties binnen de gemeente, wordt deze nog steeds als zeer klein beschouwd. Gezien de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling – waarbij geen functies worden toegevoegd die de kwetsbaarheid voor overstromingen vergroten – vormt dit aspect geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan en is er geen aanleiding tot vervolg onderzoek of het opnemen van regels.
Algemeen Het planvoornemen voldoet aan de richtlijn om diffuse verontreinigingen te voorkomen. Tijdens zowel de bouw- als de gebruiksfase worden uitsluitend duurzame, niet-uitloogbare materialen toegepast, zoals materialen zonder zink, lood, koper of PAK’s. Indien aanvullende maatregelen nodig blijken, worden deze in overleg met de waterbeheerder vastgesteld.