CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Motivering

Gemeenteraad 9 juli 2025, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling TAM-omgevingsplan GMNO bloemrijk grasland (Akkoordstuk)18.517 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. In principe is het uitgangspunt om bij nieuwbouw een gescheiden stelsel aan te leggen. De gemeente streeft ernaar om alle panden aan te sluiten op de riolering, maar soms is een kleine individuele zuivering, een IBA, de beste oplossing. Afvloeiend hemelwater Voor de verwerking van hemelwater volgt de gemeente de trist 'vasthouden - bergen afvoeren'. De voorkeur is om afvloeiend hemelwater zo lokaal mogelijk te verwerken door bijvoorbeeld hemelwater af te koppelen en lokaal te laten infiltreren. per locatie wordt bekeken wat de mogelijkheden zijn, waarbij het streven is om tegen beperkte kosten zoveel mogelijk hemelwater te kunnen verwerken. Er zijn vele mogelijkheden van klimaatadaptief inrichten. Grondwater De aanpak van grondwateroverlast is een samenspel van de grondeigenaar, gemeente, waterschap en provincie. Ook sterk fluctuerende grondwaterpeilen kunnen vallen onder grondwateroverlast. Het gaat ook om tekorten aan grondwater. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden diverse volgende grondwaternormen- en richtlijnen gehanteerd zoals het streven naar volledig grondwaterneutrale ingrepen in het systeem. De ontwikkeling mag geen hydrologische achteruitgang aan de randen van het plangebied tot gevolg hebben, ten opzichte van de huidige situatie.

Binnen de gemeente wordt een groot aantal oppervlaktewateren beheerd, vooral in de vorm van sloten. Het waterschap voert het beheer over de primaire wateren, en de gemeente over de secundaire wateren binnen de gemeentelijke grenzen. Het oppervlaktewater maakt onderdeel uit van het hemelwaterstelsel, het speelt een belangrijke rol in de berging en afvoer van hemelwater uit het bebouwde gebied. Relatie tot het plangebied Bij de planvorming van de beoogde ontwikkeling, waarbij natuur wordt gerealiseerd is rekening gehouden met de waterhuishouding. Bij de beoogde ontwikkeling worden geen wijzigingen gedaan aan het huidige rioleringsstelsel. Voor de weging van het waterbelang is door BWZ ingenieurs een watertoets uitgevoerd, zie hiervoor Bijlage 11 Memo watertoets bij de motivering. Hieruit blijkt onder andere dat het functioneren van de waterhuishouding door de voorgenomen ingrepen niet wezenlijk zal veranderen. Zo wordt op percelen waar het kwelwater van hoge kwaliteit is, een holle maaiveldsligging gerealiseerd, zodat binnen het perceel een gradiënt tot stand wordt gebracht en kwelwater optimaal wordt vastgehouden en benut. Hierdoor blijven midden in de percelen (voor vochtig hooiland noodzakelijke) natte omstandigheden, ook als de grondwaterstand door verdamping wegzakt.

Daarnaast worden langs een groot aantal watergangen (secundaire wateren) eenzijdig natuurvriendelijke oevers aangelegd in de vorm van een flauw talud over een maximale breedte van 3 meter. De natuurvriendelijke oevers worden alleen aangelegd in de watergangen tussen de natuurpercelen, niet aan de buitenranden van het projectgebied. Langs alle oevers waar geen natuurvriendelijke oever komt, vindt herprofilering van de oever plaats, indien in de buidige situatie 'grondwallen'langs de slootkant aanwezig zijn. Daarnaast wordt in het noordwestelijk deel van het projectgebied een nieuwe dwarswatergang gerealiseerd. Deze voldoet aan de dimmensionering zoals die eerder met het waterschap is afgestemd voor de omleidingswatergang voor moerasblok 1. In 7.14 Waterbelang wordt nader ingegaan op het aspect water in het plangebied. Conclusie Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling aansluit op diverse aandachtspunten uit het Water- en Rioleringsplan De Ronde Venen 2023-2027.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 33

Hoofdstuk 5

Omgevingskwaliteit

In de Omgevingswet is een goede omgevingskwaliteit opgenomen als een centrale doelstelling (artikel 1.3 Omgevingswet). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving.

5.1

Landschappelijke inpassing

Op Rijksniveau zijn er een beperkt aantal instructieregels opgesteld voor landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De provincie en gemeente hebben hierdoor vrijheid om de aspecten landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit in te vullen in bijvoorbeeld de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan. Eén van de instructieregels waaraan de provincies en gemeenten moeten voldoen betreft het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5 van het Bkl). Relatie tot het plangebied In Hoofdstuk 6 Landschappelijke inpassing van deze motivering wordt ingegaan op de landschappelijke inpassing. In onderhavige paragraaf wordt derhalve volstaan met de constatering dat in dit TAM-omgevingsplan voldoende rekening wordt gehouden met de landschappelijke inpassing van het voorgenomen initiatief. Conclusie Het aspect landschappelijke inpassing staat de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan niet in de weg.

5.2

Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed

Onderdeel van de fysieke leefomgeving is het cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen, namelijk monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschap en roerend of immaterieel erfgoed. Alle wettelijke regelingen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving zijn in de Omgevingswet terecht gekomen. Artikel 5.130 en Artikel 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de instructieregels voor het cultureel erfgoed. Het beschermingsregime in het omgevingsplan moet ertoe strekken om in een vroeg stadium inzicht te verschaffen in het cultureel erfgoed dat binnen het desbetreffende gebied aanwezig is en om dit cultureel erfgoed voldoende te beschermen als een activiteit wordt ontplooid. De Omgevingswet vormt samen met de Erfgoedwet (2016) het fundament voor de bescherming van het erfgoed. Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente De Ronde Venen In de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente De Ronde Venen zijn in paragraaf 6.7 Archeologie bepalingen opgenomen met betrekking tot de instandhouding van archeologische terreinen, opgravingen en begeleiding, de gemeentelijke archeologische beleidskaart en advies van een archeologisch deskundige. Met deze bepalingen wordt invulling gegeven aan de verplichtingen die volgen uit de Omgevingswet en de Erfgoedwet met betrekking tot archeologie.

Archeologische beleidskaart met legenda De Ronde Venen 2017 De gemeente De Ronde Venen heeft de Archeologische beleidskaart De Ronde Venen 2017 opgesteld waarop voor zowel landbodems als waterbodems (verwachte) archeologische waarden zijn vastgesteld. Deze waarden zijn vertaald zijn functieaanduidingen in het omgevingsplan. In Artikel 5 van dit TAM-omgevingsplan zijn de verwachtingswaarden opgenomen die op basis van de beleidskaart van toepassing in het plangebied.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 34

Relatie tot het plangebied Hieronder wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten archeologie, cultuurhistorie en erfgoed. Archeologie Voor het plangebied is de gemeentelijke archeologische beleidskaart geraadpleegd. Voor het overgrote deel van het plangebied geldt een 'Archeologische verwachting Laagpakket van Wormer vanaf maaiveld'. In het zuidelijk deelgebied geldt gedeeltelijk een 'Lage archeologische verwachting Formatie van Echteld/Nieuwkoop (Komgebied)' en 'ontginningsbasis'. Onderstaande figuur toont een uitsnede van de archeologische verwachtingskaart ter plaatse van het zuidelijk deelgebied.

Figuur 5.1: Uitsnede archeologische beleidskaart zuidelijke percelen, percelen 3263 en 3165 Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 35

bij benadering blauw omlijnd (bron: Bijlage 2) Naar het plangebied is archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. De resultaten worden hieronder samenvattend toegelicht. Noordelijke percelen Bureau voor Archeologie heeft in 2020 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het project Moerasblok 1, zie hiervoor Bijlage 1 Archeologisch bureauonderzoek (Moerasblok 1). Perceel 3262 valt binnen het hoofdonderzoeksgebied. Om voldoende informatie over aardkundige, historische en archeologische gegevens te verzamelen wordt een onderzoeksgebied gebruikt dat groter is dan het plangebied. Het onderzoeksgebied voor het bureauonderzoek is een zone met straal van circa 500 m om de ontwikkeling heen (zie onderstaande figuur. Hierdoor zijn ook de percelen 3257 en 3202 onderzocht. Voor alle drie de noordelijke percelen geldt dezelfde archeologische verwachting volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente De Ronde Venen.

Figuur 5.2: Uitsnede onderzoeksgebied (bron: bijlage 1) Bureau voor Archeologie adviseert om in zones met mogelijk bewoonbare kreekafzettingen alle graafwerkzaamheden te vermijden. Daarnaast wordt aanbevolen om in het hele plangebied graafwerkzaamheden te beperken tot een maximale diepte van 220 cm beneden het huidige maaiveld. Binnen de percelen van GMNO en B liggen geen mogelijk bewoonbare kreekafzettingen (zoals volgt uit figuur 35 in het onderzoeksrapport). De voorziene graafwerkzaamheden gaan niet dieper dan 220 cm beneden maaiveld. Een verkennend archeologisch booronderzoek is niet nodig. Zuidelijke percelen 3263 en 3165 Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 36

De percelen J vallen buiten de onderzoeksbegrenzing van bovengenoemd onderzoek. Daarom is hier in 2024 een bureaustudie uitgevoerd door Bureau voor Archeologie, zie hiervoor Bijlage 2 Archeologisch bureauonderzoek (percelen 3263 en 3165). Uit de bureaustudie blijkt dat in het plangebied drie potentiële archeologische niveaus aanwezig zijn. Het onderste en oudste betreft het Pleistocene (dekzand)landschap. Dit niveau ligt ongeveer drie meter onder het maaiveld en wordt daarom alleen bij diepreikende graafwerkzaamheden verstoord. Dit is als gevolg van de beoogde ontwikkeling van natuur niet te verwachten. Het Pleistocene niveau is afgedekt door het Basisveen en getijdenafzettingen van het Laagpakket van Wormer. De kans dat archeologische resten in de getijdenafzettingen worden verstoord, wordt als klein ingeschat. Bij graafwerkzaamheden in het veenrestant in het zuidoosten van het plangebied (zie onderstaande figuur), kunnen archeologische resten worden verstoord. Hier is een veenrestant aanwezig naast een middeleeuwse kade (tegenwoordig het Waverveense pad). Op deze plek kan een boerderij hebben gestaan.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 37

Figuur 5.3: Veenrestant (rood) volgens het 19e-eeuwse kadastraal minuutplan (bron: Archeologisch bureauonderzoek, Bureau voor Archeologie, 2024) Om verstoring van archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd te voorkomen, wordt geadviseerd graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm -mv te vermijden op de plek waar nog een veenrestant aanwezig is (zoals getoond in bovenstaande figuur). Als dieper wordt gegraven dan 30 cm -mv in deze zone wordt aanbevolen om de aard en intactheid van het bodemprofiel te bepalen en zo de gespecificeerde verwachting te controleren en te verfijnen.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 38

Om de archeologische waarden te beschermen, zijn de geldende dubbelbestemmingen in het plangebied volledigheidshalve conserverend overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. De dubbelbestemmingen zijn overgegaan naar de corresponderende functie-aanduidingen. Waar nodig zijn de regels aangepast om te voldoen aan de vereisten van een omgevingsplan. Cultuurhistorie en erfgoed Agrarisch cultuurlandschap Het plangebied is aangewezen als onderdeel van de cultuurhistorische hoofdstructuur (agrarisch cultuurlandschap, Ronde Venen). Op basis van gaafheid en representativiteit van de verkavelingsstructuur en op basis van de samenhang van de agrarische patronen en de bebouwingslinten zijn in het Groene Hart vijf gebieden geselecteerd waar de provincie specifieke aandacht vraagt voor de cultuurhistorische waarden. De Ronde Venen behoort tot een van de vijf geselecteerde gebieden. Vanwege de ligging in het landschap Groene Hart zijn ook de kernkwaliteiten openheid, (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.), landschappelijke diversiteit en rust & stilte, mede bepalend. In paragraaf 4.2.2 Omgevingsverordening Provincie Utrecht is hier reeds op ingegaan. De beoogde ontwikkeling naar natuur heeft geen negatief effect op dit cultuurlandschap.

Stelling van Amsterdam Daarnaast maakt het plangebied onderdeel uit van het aangewezen inundatieveld in de Stelling van Amsterdam. De Stelling van Amsterdam is aangewezen als militair erfgoed. Tussen 1883 en 1914 werd als laatste grote verdedigingslinie van ons land de Stelling van Amsterdam aangelegd. In het Utrechtse deel vormden de riviertjes de Amstel, de Waver en de Winkel de hoofdverdedigingslijn. Hierlangs kwamen, op regelmatige afstanden, lage, goed gecamoufleerde forten: Uithoorn, Waver-Amstel, het onvoltooide Botshol en Winkel. De direct ten zuiden gelegen, verzonken droogmakerijen (tot zes meter onder NAP) waren zeer geschikt om bij oorlogsdreiging te inunderen. De openheid van de voormalige inundatiegebieden versterkt de beleving van de linie. De Stelling van Amsterdam is een voormalig nationaal landschap. In dit kader wil de provincie Utrecht volgende kernkwaliteiten behouden: samenhangend stelsel van forten, dijken, kanalen en inundatiekommen; groen en overwegend rustig karakter c.q. relatief 'stille' ring rond Amsterdam; relatief grote openheid. De beoogde ontwikkeling naar natuur tast deze kernkwaliteiten niet aan. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan een groen en overwegend rustig karakter en behoud van de relatief grote openheid. Bij de beoogde ontwikkeling worden de cultuurhistorische en landschappelijke waarden voldoende geborgd.

Conclusie Het aspect archeologie, cultuurhistorie en erfgoed staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

5.3

Duurzaamheid en natuurinclusiviteit

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is het wenselijk om duidelijk aan te geven welke duurzame aspecten aanwezig zijn of waar het plan aan bijdraagt (ook in relatie tot de Bruidsschat, art. 22.52). Relatie tot het plangebied De toekomstige functie natuur heeft in algemene zin een positief effect op duurzaamheid en natuurinclusiviteit. Bij uitvoering van de beoogde aanleg van natuur zal zoveel mogelijk rekening gehouden worden met de uitgangspunten zoals deze zijn bepaald voor het project (gunningscriteria): Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 39

Minimale CO2- en stikstof uitstoot tijdens de aanleg Duurzaamheid van het (aannemers)bedrijf Maximale inzet van hergebruikte materialen Recyclage en hergebruik van verwijderde materialen Circulair gebruik van nieuwe materialen Bij de aanlegfase zal dit nader uitgewerkt en getoetst worden. Biodiversiteit Momenteel wordt gewerkt aan een soortenmanagement plan, dat ingaat op de huidige natuurwaarden en doelsoorten binnen de gemeente. De toekomstige functie natuur zal biodiversiteit in het plangebied stimuleren. Bovendien wordt opgemerkt dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met het natuurbeleid van provincie utrecht en het gemeentelijk groenbeleidsplan, zoals reeds beschreven in Hoofdstuk 4. Conclusie Het aspect duurzaamheid en natuurinclusieviteit staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

5.4 Zorgvuldig ruimtegebruik / Ladder voor duurzame verstedelijking De toets voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, ook wel de 'laddertoets' genoemd, moet gedaan worden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen die 'voldoende substantieel' zijn. Het doel van de laddertoets is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in (niet-) stedelijke gebieden. Op basis van artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dient een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, in het omgevingsplan rekening te houden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, dan dient in het omgevingsplan te worden beschreven wat de mogelijkheden zijn om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Relatie tot het plangebied De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van natuur. De beoogde ontwikkeling van natuur is een functie die inherent is verbonden aan het buitengebied.

Dit is niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking. De laddertoets is om die reden niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling. Nut en noodzaak van de beoogde realisatie van natuur is te vinden in de bijdrage aan beleidsdoelstellingen, zoals reeds toegelicht in Hoofdstuk 4. Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking staat de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan niet in de weg.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 40

Hoofdstuk 6

Landschappelijke inpassing

Het plangebied wordt ingericht als natuur. In het schetsontwerp is op basis van bodemchemisch onderzoek bepaald waar potenties liggen voor N10.02 vochtig hooiland en waar het beste N12.02 kruiden- en faunarijk grasland ontwikkeld kan worden. In het voorlopig ontwerp (VO) is deze indeling gehandhaafd. Voor het westelijke perceel van B en voor de percelen J is geen bodemchemisch onderzoek uitgevoerd. Uitgangspunt voor het voorlopig ontwerp is de ontwikkeling van kruiden- en faunarijk grasland op die percelen. Perceel 3262 wordt ingericht als moeras. De overige vier percelen worden ingericht als bloemrijke graslanden (bestaande uit kruiden- en faunarijk grasland dan wel vochtig hooiland). In onderstaande figuur is dit aangeduid. Voor geen van de natuurdoeltypen wordt het maaiveld afgeplagd.

Figuur 6.1: Ontwerp bloemrijke graslanden (bron: BWZ ingenieurs)

Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 41

In de figuur zijn de omliggende percelen van GMNO weergegeven met groene arcering 'bloemrijk grasland'. Oevers Natuurvriendelijke oevers Natuurvriendelijke oevers dienen om een gradiënt te creëren voor biodiversiteit en bevorderen het vernatten van de percelen. Ze worden gerealiseerd in de vorm van een flauw talud en hebben een maximale breedte van 3 m met het oog op beheerbaarheid. Natuurvriendelijke oevers worden nooit aan beide zijden van de watergang aangelegd om de schouw niet te belemmeren. Ook komen ze niet langs de buitenranden van het projectgebied. Het ontwerp bevat in totaal 6.940 m1 aan natuurvriendelijke oevers. De natuurvriendelijke oevers worden direct na aanleg ingezaaid. Bij voorkeur wordt maaisel van een lokale, kruidenrijke bronpopulatie gebruikt. Als dit niet mogelijk is, dan is een mengsel voor oevers of vochtige gronden een optie. Bij de definitieve keuze voor een zaadmengsel is het van belang dat floravervalsing wordt voorkomen en wordt gekozen voor inheemse zaden van autochtone herkomst. Deze sluiten beter aan op de behoeften van onze insecten en vogels dan zaden uit het buitenland. Herprofileren De slootkanten van veel percelen hebben grondwallen die zijn ontstaan door de bodemdruk van de landbouwmachines bij het schonen van de sloten. De grondwallen belemmeren een optimale afwatering van de percelen en daarmee de beheerbaarheid.

Deze worden daarom verwijderd. Dit wordt 'herprofileren' genoemd. Langs alle oevers waar geen natuurvriendelijke oever komt, is het herprofileren van de oever als maatregel opgenomen in het voorlopig ontwerp. Er is geen landmeetkundige inmeting beschikbaar, dus de exacte locaties waar grondwallen aanwezig zijn en de omvang van de grondwallen zijn niet precies in beeld. Bij de percelen J is geen sprake van grondwallen. Het ontwerp bevat in totaal 8.465 m1 aan te herprofileren oevers. Ook het nieuwe maaiveld ter plaatse van de herprofilering wordt direct na aanleg ingezaaid. Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden als voor de natuurvriendelijke oevers. Ter plaatse van de middenspanningsleiding en datakabel van Stedin zijn diepere graafwerkzaamheden ongewenst. In het ontwerp is hiermee rekening gehouden door hier geen natuurvriendelijke oevers te situeren. Uitgangspunt is dat herprofilering van oevers wel mogelijk is. Greppels Op enkele locaties, zoals vastgelegd in het schetsontwerp, zijn greppels voorzien. Deze mogen de gemiddeld hoogste grondwaterstand niet aansnijden. Ze zijn daarom slechts 0,2 m diep en 0,5 m breed. De greppels zijn niet aangesloten op een sloot. Mogelijk is een greppelpomp gewenst om de greppels nat te houden. Hierover is nog geen besluit genomen. Bomen en struweel Rondom de percelen B worden wilgen aangeplant.

Deze dienen bij aanplant direct van enige omvang te zijn. Het voorstel is om een stamdiameter van 8-10 cm aan te houden voor het plantmateriaal. In de rest van het plangebied worden geen bomen aangeplant om de open uitstraling van het gebied te behouden. Voor een hoge landschapskwaliteitsscore voor kruiden- en faunarijk grasland dient 5 tot 20% van het oppervlak te bestaan uit hoog struweel. Dit komt op te voedselrijke plekken waar N12.02 bodemchemisch niet haalbaar is. Vanwege de wens van een open landschap wordt het gewenste percentage in het voorlopig ontwerp niet gehaald. Wel wordt op twee locaties struweel overwogen. De vakken hebben een breedte van 10-15 m. Een boomlaag is afwezig. Het struweel bestaat uit inheemse Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 42

soorten, zoals meidoorn, sporkehout, gewone vlier, wilde liguster en Gelderse roos. Deze inheemse heesters gedijen goed op veengrond. De soortenkeuze biedt variatie in hoogte, kleur en structuur en biedt voedsel en schuilmogelijkheden voor kleine zoogdieren, vogels en insecten. Vanwege de vroege bloei wordt ook een enkele grauwe wilg toegevoegd. De planten worden groepsgewijs aangebracht, waarbij rekening wordt gehouden met de ruimte die ze nodig hebben. Voor vlier en vuilboom is een plantafstand van 2-3 m goed, terwijl ligusterstruiken op 1 m afstand van elkaar kunnen worden aangeplant. Toegankelijkheid voor beheer Dammen en bruggen Op enkele plaatsen zijn nieuwe dammen met duikers nodig om de percelen bereikbaar te maken. De bestaande dam bij het perceel B wordt iets verbreed. Eén bestaande landbouwbrug wordt vervangen. Beheerpaden en beheerroutes Voor een goede beheerontsluiting is het belangrijk dat slenken gedicht worden, zodat deze gepasseerd kunnen worden met beheervoertuigen. Op dammen wordt schoon menggranulaat (max. 0,1% vervuiling) toegepast. Op deze locaties vinden de meeste rij- en draaibewegingen plaats. Hekwerken en poorten Op twee locaties is geen natuurlijke scheiding (sloot) tussen de natuurpercelen en agrarische of privépercelen. Het voorstel in het VO is om hier een afrastering in de vorm van palen met twee puntdraden te plaatsen.

De definitieve oplossing moet nog met de aangrenzende eigenaar worden afgestemd. Alle toegangspoorten tot de natuurpercelen worden vervangen door een uniforme nieuwe poort. Overig Vanuit de directe projectomgeving zijn wandelpaden door het gebied niet gewenst. Daarom is in het VO gekozen voor de aanwijzing van een mogelijke locatie voor een kijkplek langs de randen van het projectgebied. De voorkeursplek ligt op de onverharde dijk, aan de noordoostzijde van het gebied. De iets hogere ligging maakt het een geschikte plek. Er ligt al een struinpad over de dijk en voor zover bekend is er geen zitgelegenheid aanwezig. Voor fietsers is deze plek helaas niet bereikbaar.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 43

Hoofdstuk 7

Aspecten fysieke leefomgeving

In de motivering van dit TAM-omgevingsplan dient beschreven te worden op welke wijze rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Deze aspecten omvatten in ieder geval de onderdelen die zijn opgenomen in artikel 1.2 van de Omgevingswet.

7.1

Activiteiten en milieuzonering

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Daartoe integreert de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor. De Omgevingswet beoogt maatwerk te bieden op basis van de specifieke kenmerken van de locatie én van het type activiteit. Dit gebeurt door gebruik te maken van milieuwaarden. Milieuwaarden zijn milieuaspecten of hinderaspecten waarvoor in het door de gemeente op te stellen omgevingsplan normen worden gesteld. Deze normen zien toe op geluid, geur en licht. De milieuthema's stof en gevaar worden op andere wijze gereguleerd. Het inzichtelijk maken van milieuwaarden komt aan de orde wanneer een nieuwe functie wordt gestart, een bestaande functie wordt veranderd of een ingrijpende wijziging van de bedrijfsvoering plaatsvindt. Onlangs is de nieuwe uitgave van de VNG Activiteiten en Milieuzonering Omgevingswet 2024 beschikbaar gesteld. De VNG handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ vervangt de veelgebruikte publicatie Bedrijven en milieuzonering uit 2009. De handreiking Activiteiten en milieuzonering (2024) gaat uit van aanduidingen die in het omgevingsplan dienen te zijn opgenomen, zoals Grenzen van rustig woongebied en gemengd gebied Zones voor geluid en geur normaal, beperkt en verruimd In het geldende omgevingsplan zijn deze grenzen en zones (nog) niet opgenomen.

Daarmee is ook de systematiek uit Activiteiten en milieuzonering nog niet altijd één op één toepasbaar. Voor bestaande situaties en bij beschikking toegekende rechten zijn daarom overgangsregelingen voorzien. Onder een milieugevoelige activiteit wordt in deze handreiking verstaan: een activiteit waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Naast wonen zijn dat onder meer scholen, kinderdagverblijven en ziekenhuizen. Relatie tot het plangebied Dit TAM-omgevingsplan staat natuur toe. In het kader van activiteiten en milieuzonering is natuur niet aan te merken als milieugevoelige activiteit. De toekomstige functie natuur veroorzaakt bovendien geen hinder naar gevoelige functies in de omgeving. Milieuzonering is daarom bij de beoogde ontwikkeling verder niet aan de orde. Conclusie Het aspect activiteiten en milieuzonering staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

7.2

Bodem

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 44

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Relatie tot het plangebied De beoogde functie natuur is reeds toegestaan in het plangebied. Daarom mag worden aangenomen dat de gronden geschikt zijn voor de beoogde functie en om die reden kan bodemonderzoek achterwege blijven. In het kader van de bodemkwaliteit zijn echter diverse bodemonderzoeken beschikbaar. Deze onderzoeken zijn volledigheidshalve opgenomen als bijlagen bij deze motivering en worden hieronder nader toegelicht.

Perceel 3202 Aveco de Bondt heeft in 2023 een beknopt vooronderzoek bodem uitgevoerd voor het deelgebied GMNO, zie hiervoor Bijlage 5 Bodem vooronderzoek (perceel 3202). Op basis van de beschikbare gegevens uit het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat op de locatie bodemverontreinigingen of asbest aanwezig zijn die een belemmerende rol spelen in de voorgenomen bloemrijke inrichting van het gebied. Op basis van de bodemkwaliteitskaart voldoet de bovengrond aan de klasse ‘wonen’ en de ondergrond aan de klasse ‘landbouw/natuur’. Uit een statistische benadering mag worden verwacht dat niet gewerkt wordt in sterk verontreinigde grond. Aangezien op basis van uitgevoerd beperkt vooronderzoek maximaal licht verhoogde gehalten worden verwacht is er geen aanleiding om aanvullend (bodem)onderzoek uit te voeren op perceel 3202. Percelen 3257 en 3262 Grondslag heeft in 2022 een vooronderzoek en indicatief bodemonderzoek dam uitgevoerd, zie hiervoor Bijlage 4 Bodem historisch onderzoek (percelen 3257 en 3262). De dam die is onderzocht betreft de dam aan de westelijke zijde van het noordelijke deel van de onderzoekslocatie.Ter plaatse van de locatie zijn voor zover zichtbaar aan het maaiveld geen (puin) verhardingslagen in het verleden aangebracht.

Hierbij is de dam op het westelijke perceel naar de Botsholsedwarsweg buiten beschouwing gelaten.Ter plaatse van de locatie zijn voor zover zichtbaar aan het maaiveld geen (puin) verhardingslagen in het verleden aangebracht. Hierbij is de noordelijk gelegen dam bij de Botsholsedwarsweg buiten beschouwing gelaten. Op basis van het historische en huidige gebruik van de locatie kunnen op het perceel geen voor bodemverontreiniging verdachte (deel)locaties worden aangewezen. Hierbij is aangenomen dat de lengtesloot (greppel) en korte dwarssloot gedempt zijn met gebiedseigen grond. Om een eventuele demping met bodemvreemd materiaal geheel uit te kunnen sluiten is aanvullend onderzoek nodig. Dit is alleen nodig wanneer in de demping wordt gegraven. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is dit niet aan de orde. Nader onderzoek naar de demping wordt om die reden achterwege gelaten. Op de locatie zijn geen onderzoeken bekend bij de gemeente of de omgevingsdienst. Op basis van de bodemkwaliteitskaart kunnen op de locatie licht verhoogde achtergrondgehalten aan diverse metalen worden verwacht. In de dam aan de westelijke zijde zijn maximaal lichte verhogingen aangetroffen aan metalen, olie en PAK. Er is geen verharding aangetroffen in de dam.

Op basis van de geringe mate aan bijmengingen (sporen baksteen) wordt geen verontreiniging met asbest boven de interventiewaarde ter plaatse van de dam verwacht. Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 45

Verkennend bodemonderzoek is nodig naar de nog niet onderzochte noordelijk gelegen dam bij de Botsholsedwarsweg (alleen als hierin gegraven gaat worden). Perceel 3263 en 3165 Grondslag heeft in 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie hiervoor Bijlage 3 Bodem verkennend onderzoel (perceel 3263). De aanleiding hiervoor was dat op basis van een vooronderzoek een aantal verdachte deellocaties zijn geconstateerd. Met het onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van die verdachte locaties vastgelegd. Ook is de aanwezigheid van asbest onderzocht. Aanbevolen wordt om, indien deze verwijderd worden, nader bodemonderzoek te doen naar de ernst en omvang van de verontreinigingen ter plaatse van twee van de drie dammen op het perceel. Om vast te stellen of de puinlaag in de meest noordwestelijke dam asbesthoudend is, dient een verkennend onderzoek asbest te worden uitgevoerd. Om een definitief asbestgehalte te bepalen in de bovengrond van de drie noordelijke dammen is een nader onderzoek asbest noodzakelijk. Verwacht wordt dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging ter plaatse van de dammen bij boring 7 en 8. Als de dammen in het plan behouden blijven en er geen graafwerkzaamheden in plaatsvinden dan is onderzoek van deze dammen niet nodig. Dit geldt ook voor puinpaden en dempingen.

Als hier niet gegraven wordt, dan hoeven deze niet te worden onderzocht. Uitgangspunt is dat graafwerkzaamheden op deze locaties kunnen worden vermeden. Om die reden wordt geen vervolgonderzoek gedaan. Wanneer vrijkomende grond binnen de regio wordt hergebruikt dan kan dit op basis van de bodemkwaliteitskaart. Indien hergebruik elders gaat plaatsvinden dan dient de bodemkwaliteit met een AP04-keuring te worden vastgesteld. De keuringen worden uitgevoerd tijdens de uitvoering. Voor perceel 3165 geldt dat hier geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden, op dit perceel wordt enkel een landbouwhek vervangen. Aangezien de beoogde functie natuur op de gronden reeds is toegestaan, mag worden aangenomen dat de bodemkwaliteit de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat. Conclusie Het aspect bodem staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

7.3

Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de - nog te bepalen - datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Relatie tot het plangebied Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling naar natuur is planologisch reeds toegestaan. Dit TAM-omgevingsplan voorziet enkel in een planologische wijziging om agrarische activiteiten uit te sluiten. Hierbij is verstoring van beschermde soorten flora en fauna niet aan de orde. Het aspect soortenbescherming staat de uitvoerbaarheid van voorliggend TAM-omgevingsplan dan ook niet in de weg. In het kader van toekomstige werkzaamheden voor het natuurbeheer, zal waar nodig ecologisch onderzoek worden aangeleverd. Het is overigens niet de verwachting dat bomen worden gekapt. Gebiedsbescherming

Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 46

Het plangebied maakt deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Gezien de aard van de ingreep (bloemrijk grasland realiseren) is van significante aantasting van de natuur in het NNN geen sprake. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Botshol, bevindt zich op circa 30 meter afstand ten noorden van het plangebied. AERIUS-berekening Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie Natura 2000-gebied Botshol zijn vanwege eventuele machinale werkzaamheden (graaf- en freeswerkzaamheden) op voorhand niet uit te sluiten. Om een doorkijk te geven naar de effecten van werkzaamheden voor de aanleg van de beoogde natuur, is een AERIUS-berekening uitgevoerd naar de aanlegfase. In de beoogde situatie is de gebruiksfase niet relevant, deze is daarom buiten beschouwing gelaten. De rapportage en rekenbestanden zijn opgenomen in bijlagen 6, 7 en 8. In de AERIUS-berekening moet voor intern salderen uitgegaan worden van de planologisch legale situatie. Dit betekent dat intern salderen met bemeste gronden mogelijk is, immers is op de te wijzigen gronden agrarisch grasland toegestaan. Uit de berekening volgt dat het berekende projecteffect op 0,00 mol/ha/jaar uitkomt.

Voor de uitvoeringsfase van de werkzaamheden wordt een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit aangevraagd bij de Provincie Utrecht en de interne saldering toegepast als mitigerende maatregel in de passende beoordeling. De passende beoordeling vormt een onderdeel van het vergunningentraject. Aangezien het in deze aanvraag louter de uitvoeringsfase betreft en niet de gebruiksfase, wordt de aanvraag omgevingsvergunning in een apart traject van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland doorlopen. Hierdoor staat dit aspect de vaststelling van het TAM-omgevingsplan niet in de weg. Conclusie Het aspect natuur staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

7.4

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Relatie tot het plangebied Voor de beoogde ontwikkeling geldt dat natuur geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object betreft in het kader van externe veiligheid. Bovendien is de toekomstige functie natuur zelf ook geen risicovolle activiteit. In het plangebied bevinden zich geen risicobronnen. Tot slot is het plangebied op de kaart van Atlas Leefomgeving niet aangemerkt als 'brandbaar natuurgebied'. Externe veiligheid speelt bij de beoogde ontwikkeling verder dan ook geen rol. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 47

7.5

Geluid

De instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor geluid wijzen geluidgevoelige gebouwen en ruimten aan ter bescherming van mensen tegen geluid. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie van belang, te weten: Woonfunctie Onderwijsfunctie Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang Gezondheidszorgfunctie Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke standaardwaarde geluid of de grenswaarde geluid uit het Bkl. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beperken zich tot geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten. Deze instructieregels verschillen (deels) per type geluidsbron zoals bedrijven en wegen. Daarnaast moet er gekeken worden naar geluid van alle geluidbronnen samen. Tot slot geldt voor geluidsnormen van onversterkt menselijk stemgeluid, zoals dat van spelende kinderen op een schoolplein, dat dit niet met waarden wordt gereguleerd. Volgens artikel 5.59 van het Bkl moet het omgevingsplan regelen dat het geluid dat wordt veroorzaakt door een activiteit op een geluidsgevoelig gebouw (zoals woningen) aanvaardbaar is. Relatie tot het plangebied Met de realisatie van natuur wordt geen geluidgevoelige functie gerealiseerd. De toekomstige functie natuur produceert geen geluid.

Het plangebied maakt overigens ook geen onderdeel uit van een stiltegebied. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering. Conclusie Het aspect geluid staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

7.6

Geur

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat gemeenten in het omgevingsplan rekening dienen te houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven Gemeenten dienen dus te overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit en/of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. Naast gebouwen met een woon-, zorg-, onderwijs- of kinderopvangfunctie mag de gemeente ook overige gebouwen en locaties beschermen tegen geur. Relatie tot het plangebied Dit TAM-omgevingsplan voorziet in de realisatie van natuur. Natuur is niet aangewezen als geurgevoelig. Bovendien mag worden aangenomen dat natuur geen onaanvaardbare geurhinder naar de omgeving veroorzaakt. Geurhinder vormt voor de beoogde ontwikkeling dan ook geen belemmering. Conclusie Het aspect geur staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 48

7.7

Gezondheid

Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. Relatie tot het plangebied Zoals reeds beschreven in Hoofdstuk 4 Beleidskader draagt de beoogde ontwikkeling van natuur bij aan de gezondheidsdoelstellingen van het Rijk, provincie en gemeente. Conclusie Het aspect gezondheid staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

7.8

Kabels en leidingen

In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden. Relatie tot het plangebied In het geldende omgevingsplan zijn geen regels opgenomen over buisleidingen / hoogspanningsleidingen met een bijbehorende beschermingszone. Ook uit de HoogspanningsNet Netkaart volgen geen kabels en leidingen die in of in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Een grondroerder is verplicht informatie over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie op te vragen (Klic melding). Dit moet gebeuren vóór de graafwerkzaamheden beginnen. Hiermee wordt geborgd dat er geen schade optreedt aan ondergrondse kabels en leidingen of dat er gevaarlijke situaties ontstaan. Voor deelgebied GMNO is in 2023 een melding gedaan. Binnen de plancontour zijn niet of nauwelijks kabels en leidingen aanwezig. Alleen een middenspanningsleiding en datakabel van Stedin doorkruisen op twee locaties het plangebied.

Voor deelgebieden B en J is in juli 2024 een melding gedaan. Op geen van de in te richten percelen B en J zijn kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

7.9

Licht

Kunstmatige verlichting kan vier soorten negatieve effecten veroorzaken, te weten: 1. 2. 3. 4.

Hinder voor de mens Hinder langs wegen Verstoring van de natuur Horizonvervuiling

Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat daarom geen rijksinstructieregels voor lichthinder. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen staan rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 49

(Bal). Het Bal noemt lichthinder niet als een specifieke milieubelastende activiteit. Wel kan een lichthinder veroorzakende activiteit een functioneel ondersteunende activiteit zijn bij een milieubelastende activiteit in de zin van het Bal. In dat geval is de specifieke zorgplicht van het Bal van toepassing op het veroorzaken van lichthinder. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen, lokaal algemeen verbindende voorschriften stellen en kan eventueel ook direct handhavend optreden als er onmiskenbaar strijd is met de zorgplicht. Overheden kunnen hierbij de “Richtlijn lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) als uitgangspunt hanteren. Concreet kan bijvoorbeeld gedacht worden aan kwantitatieve of kwalitatieve normen, aan het opleggen van een bepaalde afstelling of aan armaturen met afschermkapjes. Dit kan ook voor vormen van lichthinder die niet door het Bal zelf geregeld worden. Daarnaast kunnen in de provinciale verordening, een gemeentelijke visie en/of het omgevingsplan regels gesteld worden omtrent (het voorkomen van) lichthinder. Relatie tot het plangebied De ontwikkeling die dit TAM-omgevingsplan mogelijk maakt voorziet in de realisatie van natuur. In de omgeving van het plangebied is geen kunstmatige verlichting aanwezig die onevenredige verstoring van de natuur veroorzaakt.

Conclusie Het aspect lichthinder staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

7.10

Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier reeds een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeenteactiviteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Relatie tot het plangebied De aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit staan in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. De gemeenten die onder deze agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling. De gemeente De Ronde Venen is niet aangewezen als een van de aandachtsgebieden.

De beoogde ontwikkeling maakt de realisatie van natuur mogelijk en genereert geen extra verkeer (met uitzondering van verkeersbewegingen voor beheer en onderhoud, zie hiernavolgende paragraaf 7.11 Mobiliteit en parkeren). Hiermee mag worden aangenomen dat het plan niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving. Een luchtkwaliteitsonderzoek kan daarom achterwege blijven. Natuurgebieden kunnen schade ondervinden van depositie (neerslag) van zwaveldioxide (SO2) en stikstofoxiden (NOx ). Er gelden daarom omgevingswaarden om de kwetsbare vegetatie te beschermen. Aangezien natuur in het plangebied planologisch reeds is toegestaan, mag worden aangenomen dat de luchtkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie natuur.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 50

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

7.11

Mobiliteit en parkeren

Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Nieuwe ontwikkelingen mogen namelijk niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Zo bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. In de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan komt het aspect mobiliteit ook terug. Op het moment dat de gemeente of provincie specifieke ambities heeft voor mobiliteit kan dit uitgewerkt worden in een programma, zoals bijvoorbeeld een Regionaal mobiliteitsprogramma (RMP). In deze RMP's wordt hoofdzakelijk gefocust op verbetering van de duurzame mobiliteit middels een regionale aanpak. Gemeentelijk beleid Momenteel is het mobiliteitsbeleid van de gemeente vastgelegd in het Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030 van gemeente De Ronde Venen. In dit beleidsplan maakt de gemeente de keuzes voor hoe zij het gemeentelijke mobiliteitssysteem vormgeeft tot 2030, om zo de ambitie te halen om ook in 2040 een leefbare, vitale en bereikbare gemeente te zijn. Dit Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan bestaat uit een overkoepelende visie en een ambitie en beleidsuitgangspunten voor vijf thema’s: 1. Bereikbaarheid 2. Veiligheid & leefbaarheid 3.

Duurzaamheid 4. Toegankelijkheid 5. Parkeren Relatie tot het plangebied Voor de beoogde ontwikkeling van natuur geldt dat een parkeereis niet aan de orde is. De te realiseren natuur zal niet van buitenaf toegankelijk zijn voor auto's, wandelaars of fietsers. Langs de randen is gekozen voor de aanwijzing van een mogelijke locatie voor een kijkplek voor recreanten, maar de inrichting als natuur zorgt niet voor een parkeervraag. Volledigheidshalve is in dit TAM-omgevingsplan een voorwaardelijke verplichting tot het voorzien van voldoende parkeergelegenheid opgenomen (zie artikel 7.3). De verkeersgeneratie voor de beoogde ontwikkeling beperkt zich uitsluitend tot verkeersbewegingen die nodig zijn voor het beheer en onderhoud van de gronden. Gelet op de frequentie, worden deze verkeersbewegingen in het algemene verkeersbeeld verwaarloosbaar geacht. Bovendien leiden de verkeersbewegingen voor natuurbeheer niet tot een toename in verkeersgeneratie, omdat de gronden in de huidige situatie ook worden beheerd door agrariërs. De wegcapaciteit is ruim voldoende om het beperkte aantal verkeersbewegingen voor beheer van de natuurgronden in de toekomstige situatie af te wikkelen. Conclusie Het aspect mobiliteit en parkeren staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 51

7.12

Ontplofbare oorlogsresten

De Nederlandse ondergrond verbergt nog veel ontplofbare oorlogsresten (OO) zoals munitie, granaten en bommen, met name afkomstig uit de Tweede Wereldoorlog. OO worden regelmatig ontdekt bij bouw-, graaf-, bagger- en saneringswerkzaamheden. Het aantreffen ervan kent veiligheidsrisico's in de vorm van ontploffingsgevaar. OO in de bodem zijn enerzijds afkomstig van bombardementen en gevechtshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Anderzijds is aan het einde en in de periode na de Tweede Wereldoorlog munitie geruimd en gedumpt in bijvoorbeeld watergangen, oude loopgraven, bomkraters. Om die reden is het belangrijk om te weten waar (zware) bombardementen hebben plaatsgevonden, waar (loopgraaf)gevechten en verdedigingslinies zijn geweest en waar munitie werd opgeslagen. Daar waar de bodem mogelijk verdacht is op OO dient te worden beoordeeld in hoeverre deze explosieven een risico vormen. Relatie tot het plangebied In het kader van de beoogde ontwikkeling is het plangebied onderzocht op mogelijke risico's met betrekking tot ontplofbare oorlogsresten. De resultaten worden hieronder samenvattend toegelicht. Noordelijke percelen 3202, 3257 en 3262 KWS heeft in 2023 een onderzoek Conflictperiode uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten uit de periode 1940-1945, zie hiervoor Ontplofbare oorlogsresten onderzoek (percelen 3202, 3257 en 3262).

Het analysegebied "Groot Mijdrecht" (met daarbinnen de deelgebieden en B) is aangemerkt als onverdacht op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in de (water)bodem. De werkzaamheden kunnen regulier (dus zonder verdere opsporing) worden uitgevoerd. Zuidelijke percelen 3262 en 3165 BeoBom heeft in juli 2024 eenzelfde onderzoek uitgevoerd voor de percelen J, zie hiervoor Ontplofbare oorlogsresten onderzoek (percelen 3262 en 3165). Ook hier is de conclusie dat de percelen zijn aangemerkt als onverdacht op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in de (water)bodem. De werkzaamheden kunnen regulier (dus zonder verdere opsporing) worden uitgevoerd. Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

7.13

Trillingen

Het Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw. Het omgevingsplan dient er daarnaast in te voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Van deze aanvaardbaarheid is sprake wanneer in het omgevingsplan toepassing is gegeven aan de waarden zoals benoemd in artikel 5.87, eerste en tweede lid, artikel 5.87, vierde lid, artikel 5.88 of 5.89 Bkl. Of aan deze waarden kan worden voldaan, dient te blijken uit een onderzoek naar trillingshinder. Relatie tot het plangebied In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen spoorlijnen of bedrijven gesitueerd die trillingshinder binnen het plangebied kunnen veroorzaken. De toekomstige functie natuur veroorzaakt geen trillingshinder. Conclusie Het aspect trillingen staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 52

7.14

Waterbelang

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Relatie tot het plangebied Voor de weging van het waterbelang is door BWZ ingenieurs een watertoets uitgevoerd, zie hiervoor Bijlage 11 Memo watertoets bij deze motivering. Hieruit blijkt het volgende: Het functioneren van de waterhuishouding zal door de voorgenomen ingrepen niet wezenlijk veranderen. Aanleg natuurvriendelijke oevers draagt positief bij aan (ecologische) waterkwaliteit (KRW) In het noordwestelijk deel van het projectgebied wordt een nieuwe dwarswatergang gerealiseerd. Deze voldoet aan de dimensionering zoals die eerder met het waterschap is afgestemd voor de omleidingswatergang voor moerasblok 1. Aandachtspunt voor de uitvoering is het risico op welvorming. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het waterbelang voldoende is meegewogen. Voor een uitgebreidere beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 11.

Het effect van het hol leggen van de percelen op de waterafvoer wordt nader onderbouwd bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de wateractiviteit. Daarnaast is perceel 3262 onderdeel van het moerasblok. In het kader van het ontwerp voor de moerasblokken wordt voldoende rekening gehouden met de waterhuishoudkundige situatie. Conclusie Het waterbelang staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.

7.15

Milieueffectrapportage

De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet (afdeling 16.4) en het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11) met bijlage V. In afdeling 16.4 Omgevingswet is onderscheid gemaakt tussen de MER en de m.e.r.-beoordeling voor plannen en programma's (paragraaf 16.4.1) en tussen de MER en de m.e.r.-beoordeling voor projecten (paragraaf 16.4.2). In bijlage V van het Omgevingsbesluit is de aanwijzing van de m.e.r-(beoordelings-)plichtige projecten en besluiten geregeld. In bijlage V zijn verschillende kolommen opgenomen. Zo bevat kolom 1 in samenhang met kolom 2 van bijlage V Omgevingsbesluit de projecten waarvoor een project-MER moet worden gemaakt. Kolom 1 in samenhang met kolom 3 van bijlage V Omgevingsbesluit bevat de projecten waarvoor een project-m.e.r.-beoordeling moet worden verricht. De besluiten waarvoor de projectMER-plicht of de project-m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, zijn aangewezen in kolom 4 van bijlage V Omgevingsbesluit. In kolom 4 wordt onder 'het omgevingsplan' ook 'de omgevingsplanactiviteit' verstaan (art. 11.6 lid 3 Omgevingsbesluit).

Indien een ontwikkeling bijvoorbeeld kwalificeert als een stedelijk ontwikkelingsproject, is een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Er dient in dat geval te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag (zie ook Omgevingsbesluit artikel 11.10). De mededeling Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 53

is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud. In de praktijk staat de informatie vaak in een aparte notitie (aanmeldnotitie). In deze mededeling staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een MER moet maken. De mededeling en aanvraag kunnen tegelijkertijd, het verzoek om de m.e.r.-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een m.e.r.-beoordelingsbeslissing, en daarna de aanvraag te doen. Het bevoegde gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de te verlenen omgevingsvergunning (artikel 11.11 Omgevingsbesluit). Relatie tot het plangebied In bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de projecten aangewezen waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. De beoogde ontwikkeling kan worden aangemerkt als aanleg of wijziging van een landinrichtingsproject zoals opgenomen onder J12 in kolom 1 van bijlage V. Uit kolom 2 blijkt dat een mer-plicht niet van toepassing is. Op grond van kolom 3 is een m.e.r.-beoordeling wel nodig.

Tabel 7.1: Relevant onderdeel J.12 uit bijlage V van het Omgevingsbesluit (bron: Omgevingsbesluit) In het kader van de m.e.r.-beoordeling dient een mededeling te worden gedaan van het aangewezen project bij het bevoegd gezag, waarin een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten zijn opgenomen. De aanmeldnotitie is opgenomen als Bijlage 12 Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling bij deze motivering. Hieruit volgt dat geen sprake is van belangrijke negatieve milieueffecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling, waardoor een nadere m.e.r.-beoordeling dan wel het doorlopen van een MER niet noodzakelijk is. Conclusie Omdat sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject onder J.12, dient een m.e.r.-beoordeling doorlopen te worden. Het bevoegd gezag neemt een apart besluit op de project-mer-beoordeling.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland Pagina | 54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15570830/1