CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

9. ruimtelijke onderbouwing.pdf

Mill - raadsvergadering 30 september 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: Definitieve verklaring van geen bedenkingen voor aanvraag omgevingsvergunningen voor het realiseren van een zonnepark IJzerbroek aan de Voortsestraat te Sint Hubert14.370 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het hekwerk wordt aan de binnenzijde van de groene singel geplaatst en krijgt geen reflecterende kleur. Ook wordt een groot deel van het perceel omringd door een sloot.

3.4.1 Conclusie gemeentelijk beleid De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de ambities en doelstellingen van de gemeente Mill en Sint Hubert om in 2050 een 100% energieneutrale gemeente te zijn. Zonneparken IJzerbroek zijn passend binnen de door de gemeente opgestelde voorwaarden ten aanzien van landschap en ruimte.

3.5 Conclusie Uit de voorgaande beleidstoets is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het nationale, provinciale en gemeentelijk beleid.

Twee zonneparken IJzerbroek, Sint Hubert | Eelerwoude | 25

4 Waardentoets 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de impact van de ontwikkeling op de verschillende waarden beschreven. Hieronder vallen flora & fauna, archeologie, cultuurhistorie en water. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hier een conclusie uit getrokken met betrekking tot de ontwikkeling.

4.2 Natuurwaarden De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. De voorgenomen ontwikkeling is getoetst aan de Wet Natuurbescherming. Hiertoe is door Eelerwoude een Toetsing Wet Natuurbescherming uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 3 toegevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing. De belangrijkste resultaten van het onderzoek zijn hieronder beschreven.

4.2.1 Soortenbescherming Betreffende flora en fauna richt de Wet Natuurbescherming zich op de bescherming van soorten. De wet gaat uit van het ‘nee, tenzij’-principe, bepaalde handelingen waaronder ruimtelijke ingrepen waarbij beschermde soorten in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Broedvogels (jaarrond) Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Aan de rand van het plangebied is een buizerdnest aanwezig in combinatie met een drietal oude nesten van zwarte kraai. Deze nesten worden of kunnen gebruikt worden door soorten met een jaarrond beschermd nest als boomvalk en/of ransuil. Doordat de bomen en de ondergroei gehandhaafd blijven deze nesten onaangetast bij het ontwikkelen van de zonneparken. Wel dient verstoring te worden voorkomen.

Hierdoor dient gewerkt te worden buiten de periode van 1 maart tot en met 15 juli om verstoring van deze nestlocaties te voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, is nader onderzoek naar het gebruik van deze nestlocaties noodzakelijk om vast te stellen of de nesten nog worden gebruikt. Broedvogels (overig) Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk in gebruik zijnde nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van in gebruik zijnde nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen,

Twee zonneparken IJzerbroek, Sint Hubert | Eelerwoude | 26

tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Dit gaat over het algemeen over de periode van 15 maart tot 15 juli. Nesten van met name grond broedende soorten als graspieper, veldleeuwerik en kievit kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Geadviseerd wordt om geheel buiten het broedseizoen te werken. Indien dit niet mogelijk is dient een ter zake kundige te bepalen of er zich in gebruik zijnde nesten van broedvogels bevinden binnen het plangebied. Amfibieën In het kader van de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb) wordt aanbevolen de graafwerkzaamheden voor de eventuele natuurvriendelijke oever uit te voeren uit te voeren buiten de periode van 1 maart tot en met 1 augustus, wanneer larven zijn volgroeid.

4.2.2 Bescherming van gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten: De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Een AERIUS-berekening is altijd noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Deze is uitgevoerd in een separate rapportage, behorende tot de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing. Hedgehog Company heeft een stikstofberekening uitgevoerd (AERIUS, 2020). Deze is separaat in de bijlagen (bijlage 4) van deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Het resultaat van de toets is dat de aanleg en het gebruik van de zonneparken geen significante stikstofdepositie veroorzaakt op omliggende Natura 2000-gebieden.

4.2.3 Bescherming van houtopstanden In het plangebied worden geen bomen gekapt, waardoor een nadere toetsing van houtopstanden niet aan de orde is.

4.2.4 Natuurnetwerk Nederland Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB significant aantasten. Een toetsing aan het NNB-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Brabant is weergegeven in afbeelding 11. Het gebied sluit aan op het NNB en de ecologische verbindingszone. De landschapselementen binnen het plangebied, zoals het struweel en de vogelplan, dragen bij aan de versterking van het natuurnetwerk. De natuurvriendelijke, langs de panelen, is gelegen aan de zuidzijde van het plangebied, in de ecologische verbindingszone. Deze nieuwe oever van de watergang aan de IJzerbroekseweg biedt ontwikkelruimte aan verschillende flora en fauna, zoals insecten en amfibieën en draagt bij aan de versterking van ecologische verbindingszone.

Twee zonneparken IJzerbroek, Sint Hubert | Eelerwoude | 27

Afbeelding 11: Ligging plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Brabant (groen) en ecologische verbindingszone (paars) (bron: Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant).

4.2.5 Conclusie Het voorgenomen plan is betreffende het aspect natuurwaarden, in relatie tot wet- en regelgeving, uitvoerbaar.

4.3 Archeologie Aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het verdrag van Malta en de wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen, welke archeologische waarden in het geding zijn. De gemeente Mill en Sint Hubert heeft de archeologische waardevolle gebieden vastgelegd in de bestemmingsplannen middels de dubbelbestemming Waarde - Archeologie. Ten aanzien van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Mill en Sint Hubert’ van kracht. Binnen het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’. Hierin is opgenomen dat voor ingrepen met een oppervlakte van meer dan 250 m2 en een diepte van meer dan 40 cm onder het maaiveld middels een archeologisch onderzoek aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen afbreuk doet aan archeologische waarden.

Naast een vaststelling in het bestemmingsplan heeft de gemeente Mill en Sint Hubert in 2012 een archeologische beleidskaart vastgesteld. Een uitsnede van deze kaart is weergegeven in afbeelding 12. Op deze beleidskaart is het plangebied gelegen in de zones categorie 4 en 6. Voor categorie 4 geldt een onderzoeksplicht bij werkzaamheden met een verstoringsdiepte van 40 cm of meer onder het maaiveld en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m2. Voor werkzaamheden in gebieden die vallen binnen categorie 6 is geen archeologisch onderzoek benodigd.

Twee zonneparken IJzerbroek, Sint Hubert | Eelerwoude | 28

Afbeelding 12: Archeologische beleidskaart gemeente Mill en Sint Hubert 2012.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Om de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het gebied uit te sluiten is in opdracht van Sunvest een archeologisch onderzoek uitgezet. Dit archeologische bureauonderzoek is uitgevoerd door RAAP in november 2020 (bijlage 5). Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat geen van de historische gegevens aanduidt dat binnen het gebied sprake is geweest van enige bewoning. Ook andere gegevens duiden niet op de aanwezigheid van archeologische waarde objecten binnen het plangebied. Met aanleg van de tafels met zonnepanelen, hekwerk en nutsvoorzieningen worden naar waarschijnlijkheid de voorgeschreven diepte van 40 cm en oppervlakte van 250 m2 overschreden. Echter worden de tafelconstructies in de grond vastgezet middels dunne stalen palen, met daartussen meerdere meters afstand. De oppervlakte van deze palen is minimaal, vooral in vergelijking met gebouwen of andere bouwwerken. Voor het vastzetten zijn geen graafwerkzaamheden benodigd. De dunne palen worden in de grond geslagen. Na de exploitatiefase worden de palen uit de grond getrokken. De verstoring van de grond is hierdoor minimaal. Tot slot blijft ten allen tijde de archeologische meldingsplicht van kracht.

Dit betekent dat wanneer bij werkzaamheden archeologische vondsten worden aangetroffen waarvan kan worden aangenomen dat dit archeologische waardevolle vondsten betreffen, dit gemeld wordt bij het bevoegd gezag. Het is aan het bevoegd gezag te beslissen over te gaan op een besluit.

Twee zonneparken IJzerbroek, Sint Hubert | Eelerwoude | 29

4.4 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moeten, naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden in het plangebied worden meegewogen bij een afwijkingsbesluit in het kader van de Wro. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Rijks- of gemeentelijke monumenten zijn niet aanwezig in of direct rondom het plangebied. Aan de Voortsestraat 11 staat een beschermd Rijksmonument. Deze is op meer dan 150 meter van het plangebied afgelegen. Daarnaast is een deel van het plangebied aangeduid als een ‘aardkundig waardevol gebied’. De bodemingrepen gaan niet dieper dan het huidige agrarische gebruik. Daarmee wordt geen effect verwacht op de waarde van het aardkundig waardevol gebied. Verder wordt met de realisatie van de zonneparken geen cultuurhistorische waarden in het geding gebracht.

4.5 Water De toelichting van een omgevingsvergunning dient, conform artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening, een beschrijving te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het voor dit plan relevante waterbeleid. Vervolgens is de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie van het plangebied beoordeeld. Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit was 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel) stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld.

Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021 weer, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en een toonaangevend voorbeeld in de wereld. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Provinciaal beleid De provincie werkt nauw samen met Waterschappen om haar ambities te realiseren. Hiervoor hebben de waterschappen eigen regionale waterbeheerplannen opgesteld. De Provinciale Staten hebben de wettelijke

Twee zonneparken IJzerbroek, Sint Hubert | Eelerwoude | 30

bevoegdheid tot het instellen en opheffen van waterschappen, tot regeling van hun gebied, taken, inrichting, samenstelling van hun bestuur en tot de verder reglementering van waterschappen. De manier waarop de waterschappen hun taak uitoefenen is onderhevig aan provinciaal toezicht doordat het waterbeheerplan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten behoeft. Dus de provincie stelt de regels en de waterschappen doen verder de uitvoering van het waterbeheer. Waterschap Aa en Maas Waterbeheerplan 2016-2021 Waterschap Aa en Maar beschrijft in het Waterbeheerplan de doelstellingen voor de periode van 2016-2021 en op welke manier deze doelstellingen tot uitvoering worden gebracht. Met het opstellen van een Waterbeheerplan voldoet het waterschap aan de wettelijke verplichting vanuit de Verordening Water van de provincie Noord-Brabant en de Waterwet. Het Waterbeheerplan van Aa en Maas is opgedeeld in vijf thema’s: 1. Veilig en bewoonbaar. 2. Voldoende water en robuust watersysteem. 3. Schoon water. 4. Gezond en natuurlijk water. 5. Het leveren van maatschappelijke meerwaarde. In het Waterbeheerplan zijn deze thema’s verder uitgewerkt in concrete doelstellingen en handelingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een concretere doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap: de Keur, Legger, stimuleringsmiddelen en communicatie.

Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het plangebied omvat een gebied op circa 10 meter van de IJzerbroekseweg af. Aan de oostzijde van het plangebied, langs de Hoevensestraat is een watergang gelegen. Deze watergang is op de Legger aangeduid als watergang-B. Naast ingrepen binnen het plangebied wordt eventueel een natuurvriendelijke oever, langs de panelen, aangelegd. Dit vindt plaats aan de sloot ten noorden van de IJzerbroekseweg en wordt enkel uitgevoerd wanneer zonnepanelen langs de rand worden geplaatst. Aan de zuidzijde van de IJzerbroekseweg ligt een sloot, welke op de legger oppervlaktewateren aangeduid is als A-watergang. Voor deze watergang geldt een profiel van vrije ruimte. Op afbeelding 13 is dit aangegeven met een groenbruin vlak.

In de Keur van waterschap Aa en Maas is vastgelegd dat een profiel van vrije ruimte wordt vrijgehouden voor toekomstige verbeteringen in, op of rondom een waterstaatswerk. In hoofdstuk 3 van de Keur is opgenomen dat voor handelingen binnen een profiel van vrije ruimte een vergunning benodigd is. Het profiel van vrije ruimte is ook over de noordelijke sloot heen gelegen. De noordelijke sloot in beheer bij de gemeente Mill en Sint Hubert.

Twee zonneparken IJzerbroek, Sint Hubert | Eelerwoude | 31

In overleg met de gemeente en waterschap Aa en Maas is bepaald dat voor de voorgenomen ontwikkeling een watervergunning aangevraagd dient te worden. Er is verzocht aan de zijden van watergang-B (Hoevensestraat) ruimte vrijgehouden voor onderhoud van de gemeente en het waterschap. Daarnaast dient aanleg van verharde oppervlakten binnen het plangebied voorkomen te worden. Om het grondwaterpeil op niveau te houden is door het waterschap als mogelijkheid gegeven om de duiker aan watergang-B te dichten en zoveel mogelijk water binnen het plangebied te laten infiltreren. Bovengenoemde blijkt ook uit de digitale Watertoets, die gezamenlijk voor de twee zonneparken is uitgevoerd is op www.dewatertoets.nl. Deze is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd (Bijlage 6). In voorliggend plan worden geen verharde oppervlakten aangelegd onder de panelen. Enkel komen binnen het gebied twee transformatorstations en een inkoopstation te staan en wordt langs de binnenrand van het plangebied een halfverhard pad aangelegd ten aanzien van het beheer. Waterinfiltratie is mogelijk onder en tussen de zonnepanelen. Daarnaast houden nieuwe landschapsstructuren water vast. De natuurvriendelijke oever is hier een voorbeeld van. Deze draagt tevens bij aan de versterking van de ecologische verbindingszone. In het plangebied worden geen bestrijdingsmiddelen (pesticiden) en bemesting gebruikt.

Dit komt ten goede aan de waterkwaliteit. Voor uitvoering van voorliggend plan dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van een riooltransportleiding. Aan weerszijden van dit riool dient 3,5 meter vrijgehouden te worden voor onderhoud. Indien voorliggend plan uitgevoerd wordt binnen het advies van het waterschap is het plan uitvoerbaar. Ten behoeve van de werkzaamheden nabij de A-watergang is op 10 mei 2021 een watervergunning verleend door het waterschap Aa en Maas.

Afbeelding 13: Uitsnede Legger oppervlaktewaterlichamen waterschap Aa en Maas.

Twee zonneparken IJzerbroek, Sint Hubert | Eelerwoude | 32

4.6 Conclusie Met de voorgenomen ontwikkeling worden de aanwezige archeologische-, cultuurhistorische- en natuurwaarden niet aangetast. Het voornemen is dan ook uitvoerbaar ten aanzien van de bestaande waarden in het plangebied.

5 Milieuaspecten 5.1 Inleiding Nieuwe initiatieven hebben te maken met milieuaspecten. Een aantal van deze milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op: • bodem; • geluid; • luchtkwaliteit; • lichtreflectie; • elektromagnetische straling; • kabels en leidingen; • externe veiligheid; • bedrijven en milieuzonering; • verkeer en parkeren; • vormvrije m.e.r.-beoordeling.

5.2 Bodem Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Bij de verlening van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan moet worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Momenteel zijn de percelen in gebruik als bouwland voor de agrarische sector. Gezien het huidig en historisch grondgebruik is niet aan te nemen dat in het plangebied sprake is van bodemverontreiniging en daarmede geschikt is voor een zonnepark. Om zekerheid te bieden is door Antea Group een vooronderzoek uitgevoerd (bijlage 6) ten behoeve van de realisatie van de zonneparken. Dit onderzoek is separaat bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing bijgevoegd. Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de locatie tot voor zover bekend in gebruik is geweest als landbouwgrond. Er zijn, volgens het onderzoek van Antea Group, op of in de nabijheid van de locatie geen activiteiten bekend die hebben kunnen leiden tot een verontreiniging van de bodem. Het aspect bodem wordt hiermee uitvoerbaar geacht.

5.3 Geluid Voor de beoordeling van het onderdeel geluid moet in algemene zin aan de volgende punten worden voldaan: • De normen uit de Wet geluidhinder worden in acht genomen. • Bedrijven in de omgeving worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. • Op en rond het plangebied blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Twee zonneparken IJzerbroek, Sint Hubert | Eelerwoude | 33

Wet geluidhinder Per 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. Hierin staat dat inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij nieuwe ruimtelijke plannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai. Artikel 76 Wgh verplicht er toe om bij ruimtelijke ontwikkelingen die betrekking hebben op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Inwaartse zonering Binnen het plangebied worden geen geluidsgevoelige bestemmingen of objecten toegevoegd. De zonneparken behoeven geen bescherming ten aanzien van geluidsoverlast. Daarmede zorgt de voorgenomen ontwikkeling niet voor een belemmering van bedrijfsvoering ten aanzien van omliggende bedrijven. Uitwaartse zonering De twee zonneparken bestaan uit zonnepanelen en enkele installaties, zoals transformatoren. Zonnepanelen produceren geen geluid. Door de liggende positie van de panelen ontstaat ook geen weerkaatsing van omgevingsgeluid. De panelen kaatsen geluid naar boven.

De bijbehorende installaties produceren geen wezelijke geluidsemissie. De installaties worden op een ruime afstand van dichtstbijzijnde woningen geplaatst. Om een goede ruimtelijke ordening te waarborgen wordt de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geraadpleegd. De VNG heeft inzake bedrijven en milieuzonering richtafstanden voorgeschreven ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voor transformatorstations met een vermogen minder dan 10 MVA geldt voor het voorkomen van geluidhinder een richtafstand van 30 meter. Transformatorstations met een vermogen tot 100 MVA geldt een richtafstand van 50 meter. Dit betekent dat wordt geadviseerd om, op basis van een goede ruimtelijke ordening, een afstand van minimaal 30 meter aan te houden met geluidsgevoelige functies (zoals burgerwoningen). Deze afstanden worden ook aangehouden voor omvormers. Het plangebied is op een afstand van meer dan 100 meter van de dichtstbijzijnde wooneenheid afgelegen. Daarmede blijft een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd. Een akoestisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

5.4 Luchtkwaliteit Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur: ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). Om te berekenen of de ontwikkeling met het aantal verkeersbewegingen een negatieve impact heeft op de luchtkwaliteit, is er een NIBM-tool ontwikkeld. In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De NIBM-tool is geraadpleegd om te berekenen in welke mate de ontwikkeling bijdraagt aan een vermindering van de luchtkwaliteit. Bij een dagelijks aantal verkeersbewegingen van 800 (waarvan 5% vrachtverkeer) is de ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling een tweetal zonneparken betreft, zijn er alleen verkeersbewegingen merkbaar tijdens de aanlegfase. Deze brengt een toename van het

Twee zonneparken IJzerbroek, Sint Hubert | Eelerwoude | 34

aantal verkeersbewegingen met zich mee. Hierbij blijft het aantal ruimschoots onder de 800 per dag. Na deze fase daalt het aantal verkeersbeweging naar de huidige situatie. Alleen voor onderhoud en beheer zijn tijdig een te verwaarlozen aantal verkeersbewegingen. De twee zonneparken hebben geen verkeersaantrekkende werking. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve impact op de luchtkwaliteit. Een onderzoek naar de luchtkwaliteit behoort niet tot de noodzaak. Het onderdeel ‘stikstofdepositie’ wordt behandeld in paragraaf 4.2.2 en in de AERIUS berekening van Hedgehog Company (bijlage 4).

5.5 Lichtreflectie In voorliggend plan worden de zonneparken landschappelijk ingepast. Rondom de gezamenlijke randen van de zonneparken wordt een struweelsingel aangelegd. Daarnaast komen aan de Noordwestzijde van de zonnepark een aantal nieuwe bomen te staan. Tezamen sluiten deze groenstructuren de zonnepanelen volledig af van de omgeving. Ook zijn de panelen gericht op het zuiden en worden ze geïnstalleerd in een liggende positie. Daarmede is lichtreflectie alleen in een zeer kleine hoek mogelijk. Echter zijn de panelen van een anti-reflectie coating of folie voorzien. Daarmee wordt reflectie onder normale omstandigheden voorkomen. Gezien het bovengenoemde ontstaat geen hinder door lichtreflectie voor omwonenden en passanten, zoals gebruikers van omliggende wegen.

5.6 Elektromagnetische straling Zowel bij de omvormers als de transformatoren zullen extreem laagfrequente elektromagnetische velden (ELF) vrijkomen. Ten aanzien van elektromagnetische straling bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een voorzorgprincipe waarbij een grens wordt aangehouden van 0,4 micro Tesla (ìT). De GGD adviseert om ook bij ander bronnen van ELF-EM velden, zoals onderstations en transformatorhuisjes, dit voorzorgsprincipe te hanteren. Vandaar het advies om dit voorzorgsprincipe ook te hanteren bij de ontwikkeling van een zonnepark door de afstand van een zonnepark tot woningen en gevoelige bestemmingen zodanig te laten zijn dat de magnetische veldsterkte bij de gevoelige bestemmingen niet boven de advieswaarde van 0,4 ìT komt. Gezien de relatief grote afstand van zowel omvormers als de transformatoren tot de dichtstbijzijnde burgerwoningen wordt ruimschoots voldaan aan de advieswaarde van 0,4 ìT. In het RIVM ‘Verkenning van extreem-laagfrequente (ELF) magnetische velden bij verschillende bronnen’ (RIVM-rapport 609300011/2009) wordt aandacht besteed aan elektromagnetische velden als gevolg van de aanwezigheid van transformatorstations. De sterkte van deze velden neemt sterk af wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Uit het onderzoek blijkt dat 0,4 ìT wordt bereikt op een afstand van maximaal 7 meter van onderzochte transformatorstations.

Gezien de afstand van de transformatoren tot omliggende functies wordt ruim voldaan aan deze richtlijn.

5.7 Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico's bij onder meer productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een degelijke motivering is toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof

Twee zonneparken IJzerbroek, Sint Hubert | Eelerwoude | 35

aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire (chemische fabriek, lpg-tankstation) en de mobiele (tankwagen, gasleidingen) bronnen. Er wordt getoetst aan de volgende wet- en regelgeving: • Voor inrichtingen (bedrijven) wordt getoetst aan het besluit Externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende regeling. • Voor transportroutes over weg, water en spoor wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT). • Voor buisleidingen wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB).

Twee zonneparken IJzerbroek, Sint Hubert | Eelerwoude | 36

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Om in beeld te brengen of er in het plangebied, of in de nabijheid daarvan, risicobronnen (productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen) aanwezig zijn, is de provinciale risicokaart geraadpleegd (afbeelding 14). Op de risicokaart is te zien dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen zijn gelegen. De dichtstbijzijnde risicobronnen bevinden zich op meer dan 400 meter (zuiden) en 650 meter (oosten) van het plangebied. Dit betreffen inrichtingen met een opslag voor ‘overige’ gevaarlijke stoffen, niet zijnde LPG, Ammoniak, ontplofbare stoffen, etc. De inrichtingen zijn voorzien van een risicocontour. Het plangebied is hier ruimschoots vanaf gelegen. Hiermee vormen de risicobronnen geen gevaar of belemmering voor de twee zonneparken.

Afbeelding 14: Uitsnede risicokaart, plangebied binnen blauwe kader (bron: risicokaart.nl).

Naast risicobronnen zijn ook andere factoren van invloed op de veiligheid. Een zonnepark betreft geen opslag van gevaarlijke stoffen of andere instelling met een veiligheidscontour. Wel wordt binnen een zonnepark elektriciteit opgewekt. Het is van belang om de veiligheid te waarborgen. Rondom beide zonneparken komt een hekwerk en camera’s te staan. Daarnaast zijn de zonneparken omkaderd door groenstructuren. Deze sluiten het zonnepark af van onbevoegden. Alleen middels een poort zijn de zonneparken toegankelijk voor onderhoud en beheer. Daarnaast krijgen verschillende organisaties, zoals de brandweer, toegang tot de zonneparken in geval van nood. Beide zonneparken zijn niet opengesteld voor publiek. Elektriciteitskabels worden ondergronds aangelegd en de zonneparken worden geaard.

Twee zonneparken IJzerbroek, Sint Hubert | Eelerwoude | 37

5.8 Kabels en leidingen In het gebied kunnen mogelijk kabels en leidingen aanwezig zijn. Dit is ook gebleken uit de digitale Watertoets. Ten aanzien van de veiligheid bij de werkzaamheden en voorkomen van schade wordt voor aanvang van de werkzaamheden een KLIC-melding gedaan. Mocht blijken dat in het plangebied leidingen aanwezig zijn wordt dit gecommuniceerd met de beheerder van de kabels of leidingen.

5.9 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in eerste instantie doorgaans de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen inrichting van de betrokken gronden als zonnepark levert geen hinder of gevaar op voor omliggende bedrijven en wooneenheden.

Er worden transformators en omvormers geplaatst. In de VNGuitgave 'Bedrijven en milieuzonering' valt de voorgenomen ontwikkeling onder de categorie 'elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tussen de 10 en 100 MVA'. De grootste richtafstand is die van geluid en bedraagt 50 meter. Voor de omvormers is de vergelijking gemaakt met de activiteit 'elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tot 10 MVA'. Voor deze activiteit is in de richtafstanden tabel voor het aspect geluid 30 meter. Het advies is om de richtafstand van minimaal 50 meter aan te houden ten opzichte van gevoelige functies. Zo wordt hinder voor omliggende functies voorkomen en wordt voorzien in een goede ruimtelijke ordening. Het plangebied is gelegen op meer dan 100 meter van de dichtstbijzijnde gevoelige functies. Hinder voor omliggende functies wordt daardoor uitgesloten. Het plan is passend binnen de geldende regelgeving en adviezen.

5.10 Verkeer en parkeren De realisatie van de twee zonneparken heeft geen grote invoeld op de verkeers- en parkeerbelasting in het gebied. Alleen tijdens de aanleg- en ontmantelingsfase is er een tijdelijke verhoging van het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de beheer- en onderhoudsmomenten is het aantal verkeersbewegingen te verwaarlozen. Het plangebied kan tijdens deze fasen op een veilige manier ontsloten via de half-verharde weg aan de IJzerbroekseweg. Op het terrein van het plangebied en op het erf aan de Voortsestraat zijn genoeg parkeerfaciliteiten.

Twee zonneparken IJzerbroek, Sint Hubert | Eelerwoude | 38

5.11 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, ook wel genoemd de 'vergewisplicht'. Het komt erop neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst, deze aangeeft of er voor activiteiten en projecten beoordeeld moet worden of er een m.e.r. gemaakt moet worden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. beoordeling noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: • de kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten. Het project maakt een (tijdelijke) functiewijziging naar een zonnepark mogelijk. Dergelijke ontwikkelingen zijn geen onderdeel van de D-lijst van het Besluit m.e.r. Een m.e.r.-beoordeling of vormvrije m.e.r. is niet benodigd voor het voorgenomen plan. Uit jurisprudentie2 is gebleken dat een zonnepark niet kan worden aangemerkt als een ‘industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water’ (cat. D 22.1), omdat een zonnepark geen thermische (verbrandings)installatie betreft. In de een zonnepark wordt immers geen thermische energie opgewekt of gebruikt voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water, maar wordt stralingsenergie (zonlicht) rechtstreeks omgezet in elektrische energie. Daarnaast is uit diezelfde uitspraak gebleken dat een zonnepark evenmin kan worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (cat. D 11.2).

Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Een zonnepark kan naar het oordeel van de Afdeling niet gelijk worden gesteld met dergelijke ontwikkelingen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de gevolgen voor het milieu van een zonnepark in de kern beperkt zijn tot visuele hinder en landschappelijke aantasting. Om dit te voorkomen is een Landschappelijk inpassingsplan opgesteld door Haver Doeze (nadere toelichting in paragraaf 2.3). Een uitwerking van de milieuaspecten in hoofdstukken 4 en 5 (dit hoofdstuk) te vinden. Daaruit blijkt dat beide zonneparken geen milieugevolgen of hinder veroorzaken voor de omgeving. De zonneparken worden aangelegd met respect voor de bodem en door de open cultuur is hier geen schade te verwachten. De constructie wordt zodanig aangelegd dat er geen schade ontstaat en het systeem makkelijk demontabel is. De locatie is onderzocht op het gebied van aanwezige ecologische waarden. Voor de volledigheid verwijzen wij ook naar de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 september 2018 en zaaknummer 18_689, waarin bevestigd wordt dat een vergelijkbaar project niet valt binnen de categorie D van het Besluit m.e.r. en er geen beoordeling nodig is.

Deze uitspraak is op 14 augustus 2019 bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en na te zien onder het zaaknummer 2019:2770. 2

Zie: ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770. Twee zonneparken IJzerbroek, Sint Hubert | Eelerwoude | 39

De conclusie is dat er geen belangrijke nadelige gevolgen zijn voor het milieu. Een nadere analyse in de vorm van een aanmeldnotitie voor een vormvrije m.e.r.-beoordeling is vanwege het ontbreken van de activiteit in de D-lijst van het Besluit m.e.r. niet noodzakelijk.

5.12 Conclusie In dit hoofdstuk zijn alle relevante milieuaspecten beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen milieubelemmeringen met zich meebrengt.

Twee zonneparken IJzerbroek, Sint Hubert | Eelerwoude | 40

6 Uitvoerbaarheid 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan. De ruimtelijke, maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid worden omschreven.

6.2 Ruimtelijke uitvoerbaarheid In de voorgaande hoofstukken is omschreven op welke manier het voorgenomen plan past binnen het relevante overheidsbeleid. Hieruit is gebleken dat er voor de uitvoering van het project geen ruimtelijke en milieukundige belemmeringen zijn. Op dit aspect is het project dan ook uitvoerbaar.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.3.1 Omgevingsproces Vanaf de beginfase van het project betrekken Sunvest en Park IJzerbroek BV de omgeving en andere belanghebbende organisaties. Deze worden om geïnformeerd en om input gevraagd. Dit is beschreven in het separaat bijgevoegde participatieplan en paragraaf 2.7.

6.3.2 Vooroverleg Het Rijk Geoordeeld is dat dit ruimtelijke plan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Noord-Brabant Het plan wordt voor vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1. Bro, toegezonden aan de provincie NoordBrabant. Waterschap Aa en Maas Het voorgenomen plan is afgestemd met Waterschap Aa en Maas. Het waterschap heeft geen inhoudelijke opmerkingen. Brandweer Brabant Noord Het voorgenomen plan is voorgelegd aan de brandweer Brabant-Noord en zij hebben hierop volgend een advies uitgebracht welke is bijgevoegd (bijlage 7) bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Het advies van de brandweer wordt zoveel mogelijk overgenomen. Wel worden een aantal adviezen niet overgenomen, aangezien dit (technisch) op dit moment niet mogelijk is. Dit zijn: Bekabeling wordt niet vlamdovend uitgevoerd, maar er wordt wel voldaan aan relevante normen zoals EN 60332-1-2 en EN 50575:2014 klasse B2ca s1a,d0,a1; Het park wordt niet opgedeeld in compartimenten. De initiatiefnemers accepteren het (minieme) risico dat er brand ontstaat in het hart van het zonnepark en de brandweer hier niet bij kan. Bij brand in de omvormer blijft er spanning staan op de DC- bekabeling zolang er licht schijnt op de zonnepanelen.

Twee zonneparken IJzerbroek, Sint Hubert | Eelerwoude | 41

6.4 Economische uitvoerbaarheid 6.4.1 Kostenverhaal gemeente Met de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten, waarin onder andere het verhalen van eventuele planschade wordt geregeld. De vaststelling van een exploitatieplan is niet noodzakelijk.

6.4.2 Financiering zonneparken De realisatie van de zonneparken doen de initiatiefnemers voor eigen rekening en risico. Daarnaast is voor de realisatie van de zonneparken de SDE++ subsidie noodzakelijk, die kan worden aangevraagd nadat een omgevingsvergunning voor de realisatie van de twee zonneparken is verleend.

6.5 Conclusie Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan ruimtelijk, maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is. De voorgenomen ontwikkeling kan dus worden gerealiseerd.

Twee zonneparken IJzerbroek, Sint Hubert | Eelerwoude | 42

Bijlagen -

Bijlage 1 – Landschappelijk inpassingplan Bijlage 2 – Communicatie- en participatieplan Bijlage 3 – Quickscan flora en fauna Bijlage 4 – Stikstofberekening Zonneparken IJzerbroek Bijlage 5 – Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 6 – Vooronderzoek bodem Bijlage 7 – Advies Brandweer Brabant – Noord

www.eelerwoude.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=fa16eb48-0b2a-41ee-b599-12d1f8861884