13-35 2018.0629 R.O.Hapsebaan 33 Vianen_4_wijzi.pdf
Tekst van het document
Zonneladder IOV en regionale afstemming: a. Het voorgenomen zonnepark draagt bij aan de gemeentelijke doelstelling om in 2045 energieneutraal te zijn. Afgezien van de mogelijkheden van zonne-energie op dak, biomassa en windenergie is grondgebonden zonne-energie noodzakelijk om aan die doelstelling te voldoen (Energieverkenning Cuijk 2018).
26
Het zonnepark betreft een ontwikkeling dat zijn bestaansrecht heeft te danken aan op een bestaand bouwperceel, hiervoor hoeft dus geen gewassenteelt te wijken voor deze ontwikkeling. b. De zoekgebieden binnen de gemeente Cuijk zijn aan herziening onderhevig en daarmee niet actueel. Het college van B&W heeft besloten om ondertussen wel medewerking te verlenen aan het verzoek van deze ontwikkeling, omdat het een lokaal initiatief betreft. Het betreft een lokaal initiatief en is daarmee in lijn met speerpunt 3 van paragraaf 6.1, van de Energievisie. c. De ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving; De nieuwe situatie is in overleg met de gemeentelijke landschapsontwerper én met de direct omwonenden vormgegeven. d. De ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft. De maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria: • De mate van meervoudig ruimtegebruik; De gronden worden beheerd door schapen en met de landschappelijke inpassing wordt geprobeerd om een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit ter plaatse. De bestemming blijft agrarisch, maar heeft verder geen dubbeldoel. • De maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken; De realisatie van het zonnepark geeft perspectief aan de eigenaar om de huidige varkenshouderij te stoppen. Daardoor wordt veel overlast uit het verleden weggenomen.
Let wel het is een combinatie met Ruimte-voor-Ruimte, zonder die regeling het project niet haalbaar. • De bijdrage die wordt geleverd aan maatschappelijke doelen. Er wordt bijgedragen aan de energiedoelstellingen waaraan de gemeente Cuijk zich heeft geconformeerd. Eens per maand heeft de gemeente in regio Land van Cuijk verband contact met de andere gemeenten en netbeheerder Enexis. Daarin worden de gemeentelijke plannen besproken en wat wij op korte termijn eraan zien komen. Dit initiatief is daarin ook besproken als langlopende ontwikkeling Conclusie Het plan voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de interim omgevingsverordening, wordt geconcludeerd dat de realisatie van de zonneweide in overeenstemming is met de Interim Omgevingsverordening.
27
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Structuurvisie Cuijk 2030 In de Structuurvisie Cuijk is op hoofdlijnen de gewenste ruimtelijke ontwikkeling tot 2030 weergegeven. De structuurvisie is opgedeeld in twee gebieden: - Het op de hogere gronden gelegen Dynamisch Cuijk - Vitaal landelijk Cuijk, het lagergelegen gebied. Het besluitgebied is gelegen in het gebied 'Vitaal landelijk Cuijk'. Dit gedeelte van de gemeente bestaat voornamelijk uit agrarische gebied en natuurgebieden. De doelstelling voor dit gebied is 'behoud waar mogelijk versterking van de ruimtelijke kwaliteit, met name voor aan het buitengebied gebonden functies, mede in relatie tot de dynamiek ervan'. De landschappelijke waarden en natuurwaarden spelen daarbij een belangrijke rol. Daarnaast zet de gemeente in op een multifunctioneel buitengebied waarin functies niet met elkaar concurreren, maar in samenhang bijdragen aan een vitaal en leefbaar platteland. Conclusie Met de realisatie van het zonnepark is rekening gehouden met natuur- en landschapswaarden (zie hoofdstuk 3 en paragraaf 5.3)..
4.4.2
Energieverkenning Cuijk De gemeente Cuijk heeft op 25 juli 2018 een energieverkenning uit laten voeren waarin de doelstelling is vastgelegd en de energiebehoefte is berekend voor de gemeente Cuijk. De gemeente Cuijk heeft een stip op de horizon gezet voor wat betreft duurzame energie. De Gemeente heeft de doelstelling om in 2045 een energieneutrale gemeente te worden. De gemeente Cuijk had in 2015 een energiebehoefte van 3.965 TJ (verbruikt in 2015). Elk jaar probeert de gemeente Cuijk 1,5% te besparen op energie en de energiebehoefte te verlagen tot een maximum van 2.520 TJ in 2045. Om daartoe te komen, zullen ook een aantal alternatieve energiebronnen gerealiseerd moeten worden. Een belangrijke alternatieve energiebron is de zon. Zonne-energie is een onuitputtelijke energiebron met een enorme potentie. De ontwikkeling van zonnepanelen heeft sinds de jaren ’50 van de twintigste eeuw enorme sprongen gemaakt. Inmiddels zijn zonnepanelen in prijs en prestatie zodanig, dat commerciële projecten op grote schaal rendabel zijn. Een gemiddeld zonnepaneel heeft een opgesteld vermogen van 250 – 350 wattpiek en levert per jaar afhankelijk van de oriëntatie ongeveer 235 – 335 kWh24 elektriciteit op. Groot voordeel van zonnepanelen is dat ze modulair zijn en dus gemakkelijk schaalbaar. De realisatie van zonne-energie in de gebouwde omgeving is een relatief eenvoudige eerste keuze.
Echter wordt daar de doelstelling niet mee gehaald (maximum 177 TJ). De technische potentie van grondgebonden zonne-energie is zeer groot. De vraag is echter wat wenselijk en aanvaardbaar is. Gezien de grote technische potentie, is grondgebonden zonne-energie op veel plekken mogelijk. Het is belangrijk om te bepalen welk aandeel aan grondgebonden zonne-energie er in de energiemix naar een klimaat neutrale gemeente nodig is en op welke plekken dat precies kan? Passendheid
28
bij het landschap (en de invloed op de landschappelijke beleving) speelt hierbij een cruciale rol. In grote lijnen zijn er twee manieren om een zonnepark in te delen, namelijk oost/west en zuid. Hierbij geldt dat een oost/west opstelling effectiever en efficiënter is dan een zuidopstelling. De energieopbrengsten zijn bijna 40% hoger (2.344 TJ t.o.v. 3.741 TJ). Bij een zuidopstelling komt dat, bij een opgave van 910 TJ voor zonneenergie op de grond, neer op 388 hectare en bij een oost-westopstelling op 243 hectare. De gemeente Cuijk heeft een aantal zoekgebieden binnen haar gemeentegrenzen aangegeven waarbinnen mogelijkheden liggen voor grootschalige energiewinning, maar ook een aantal gebieden waarbinnen geen mogelijkheden zijn (zie figuur 1). Voor zonne-energie op grond komen met name de gronden langs de A73 in aanmerking, een gebied ten noorden van de Kraaijenbergse plassen (ca 8 hectare) en een gebied ten noorden van Beers (eveneens ca 8 hectare).
Figuur 13 Zoekgebieden grootschalige energiebronnen en uit te slkuiten gebieden (Natura2000 en NNB)
Alle vormen van energieproductie hebben een ruimtelijke component. Dat wil zeggen: ze nemen een bepaalde ruimte in beslag en ze hebben een zekere ruimtelijke verschijningsvorm en uitstraling. Hierdoor rijst de vraag waar deze vormen van energieproductie binnen de gemeente Cuijk kunnen worden toegepast en hoe zij vervolgens op een juiste manier landschappelijk ingepast kunnen worden. Vooralsnog lijkt het nader onderzoeken en uitwerken van twee vormen van energieproductie (windenergie en zon op land) het meest relevant. Belangrijke conclusie is ook dat het produceren van energie niet alleen een (ruimtelijke) opgave is, maar dat het ook kansen biedt bij gebiedsontwikkeling. De schaal van de opgave maakt dat met energieproductie ook andere ruimtelijke opgaven kunnen worden ingevuld, zoals het opschonen van verrommelde gebieden, het versterken van landschapsstructuren en het ontwikkelen
29
van (recreatieve) routenetwerken. De gemeente heeft hiervoor handvatten en richtlijnen opgesteld. Conclusie gebiedszonering De locatie aan de Hapsebaan 33 valt niet binnen een van deze aangewezen zoekgebieden. Echter biedt speerpunt 3 van de Energievisie hierin mogelijkheden: “De energietransitie is een lokale opgave en een lokale kans: projecten worden zoveel mogelijk van onderop en samen met de inwoners en bedrijven binnen de gemeente Cuijk opgepakt. Voor lokale en kleinschalige initiatieven (coöperaties) wordt verkend of gemeentegronden kunnen worden ingezet;” De ontwikkeling van dit zonnepark is gestart vanuit een lokale agrariër, dus combinatie van inwoner die daar een lokaal bedrijf had. Deze casus wordt ook letterlijk genoemd in paragraaf 5.3 van de Energievisie, onder de kop Landschappelijke handvatten en richtlijnen: “Per energieinitiatief dient onderzocht te worden of (indien deze aanwezig zijn) agrarische bouwblokken herontwikkeld kunnen worden. Dit biedt kansen voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, aangezien dergelijke locaties vaak een beperkte landschappelijke kwaliteit en een zekere mate van verstening en verrommeling hebben.“ Dat is hier precies aan de orde en daarom is de ontwikkeling gewenst, ook al valt het niet binnen de zoekgebieden. Maatwerk is hier van toepassing.
Ook al zou een locatie binnen de zoekgebieden vallen, dan wil dat niet automatisch zeggen dat het zonnepark per definitie gerealiseerd kan worden. Ook dan zou er een afweging gemaakt worden over de acceptatie en haalbaarheid van het zonnepark op die plek, ook al ligt het binnen een zoekgebied. Datzelfde geldt andersom. Wanneer een locatie potentie heeft voor en zonnepark én wanneer daardoor meerdere doelen bereikt kunnen worden dan heeft dat een meerwaarde tot gevolg waardoor gebiedsontwikkeling kan worden toegepast. In dit geval is afgewogen dat voor Hapsebaan 33 te Vianen gebiedsontwikkeling toegepast kan worden. De locatie aan de Hapsebaan 33 valt niet binnen een van deze aangewezen gebieden. Echter is ook in de visie aangegeven dat maatwerk altijd mogelijk is en eigenlijk het uitgangspunt is van de realisatie van zonneparken. Ook al zou een locatie binnen de zoekgebieden vallen, dan wil dat niet automatisch zeggen dat het zonnepark per definitie gerealiseerd kan worden. Ook dan zou er een afweging gemaakt worden over de acceptatie en haalbaarheid van het zonnepark op die plek, ook al ligt het binnen een zoekgebied. Datzelfde geldt andersom. Wanneer een locatie potentie heeft voor en zonnepark én wanneer daardoor meerdere doelen bereikt kunnen worden dan heeft dat een meerwaarde tot gevolg waardoor gebiedsontwikkeling kan worden toegepast.
In dit geval is afgewogen dat voor Hapsebaan 33 te Vianen gebiedsontwikkeling toegepast kan worden. Algemene handvatten en richtlijnen: De gemeente Cuijk heeft een aantal algemene handvatten en richtlijnen opgesteld Hieronder zijn deze weergegeven en is per handvat/richtlijn aangegeven hoe het initiatief aan Hapsebaan 33 te Vianen hier zich toe verhoudt. •
Beschermde stads- en dorpsgezichten, monumenten, Natura 2000 gebieden en gebieden binnen het Natuur Netwerk Brabant worden in principe uitgesloten voor nieuwe vormen van energieproductie;
30
De locatie aan Hapsebaan 33 is niet gelegen binnen een bescherm stads- en dorpsgezicht, er is geen sprake van een monument, noch is de locatie in Natura2000 gebieden of Natuur Netwerk Brabant gelegen. Aan deze richtlijn wordt voldaan. •
Gestreefd moet worden naar een afstemming tussen de schaal van het energieinitiatief en de schaal van het landschap ter plekke: grootschalige initiatieven passen eerder in grootschalige gebieden, kleinschalige initiatieven passen eerder in kleinschalige gebieden; Er is sprake van een halfopen landschap dat gecreëerd wordt door relatief veel grote kavels landbouwgronden en graslanden, afgezet met landschapselementen zoals bossingels, houtsingels en struweelhagen. De gemeente hanteert als definiete van een kleinschalig project, een project met een oppervlakte van 1-2 hectare. Voor een grootschalige ontwikkeling hanteert de gemeente een ondergrens van 5 hectare en een bovengrens van 30 hectare. Daarnaast heeft ze in haar visie aangegeven dat een gebied van 8 hectare (ten noorden van Beers en direct ten noorden van de Kraaijenbergse plassen) is aangemerkt als zoekgebied voor kleinschalige initiatieven. We kunnen stellen dat hier geen sprake is van een kleinschalige ontwikkeling (1-2 hectare). Tegelijkertijd kunnen we ook concluderen dat hier geen sprake is van een grootschalig project (30 hectare). Het project zit met 8 hectare ruim onder het gemiddelde en dat past wel bij de definitie van een halfopen landschap, waar grote kavels worden afgewisseld en omkaderd met landschapselementen.
Tot slot vindt hier de combinatie met de beëindiging en sanering van een varkensbedrijf met een bouwvlak van 6 hectare. Netto zou zelfs gesteld kunnen worden dat het zonnepark 2 hectare groter is dan de voormalige bouwmogelijkheden van het varkensbedrijf. Aan deze richtlijn wordt voldaan.
•
Per energie-initiatief dient een landschappelijke analyse en een landschaps(inrichtings-) plan te worden opgesteld, waarin ook wordt ingegaan op andere ruimtelijke opgaven ter plaatse van het initiatief (bijvoorbeeld ten aanzien van het ontwikkelen van landschappelijke kwaliteiten). Het LOP kan daarbij als basis dienen; Er is een uitgebreide landschappelijke inpassing gemaakt op basis van een gedegen landschapsanalyse die is afgestemd met de gemeente. Vervolgens is ook de landschappelijke inpassing gedeeld met de omwonenden, waarop basis daarvan nog een aantal nuanceringen heeft plaatsgevonden. De landschappelijke inpassing wordt dan ook gedragen door de gemeente en de direct omwonenden. Daardoor wordt geconcludeerd dat het initiatief voldoet aan deze richtlijn.
•
Per energie-initiatief dient een zorgvuldig onderbouwde dimensionering te worden bepaald, waarin naast de afmetingen van het initiatief zelf ook de afstanden tot andere functies (met name woningen) worden vastgelegd. In de onderbouwing is zorgvuldig afgewogen en onderbouwd hoe het zonnepark zich verhoudt tot andere, omliggende functies. In feite zijn er drie direct omliggende/aangrenzende functies. Een functie houdt direct verband met de ontwikkeling van het zonnepark. Het betreft het bestaande kantoorgebouw dat omgezet wordt naar een woonbestemming en daarmee samenhangt met deze
31
ontwikkeling3. In het zuidwesten van het gebied ligt een gesplitste boerderij. Met hen zijn goede afspraken gemaakt over de landschappelijke inpassing, het onderhoud en beheer daarvan, maar ook de hoogte en situering van de zonnepanelen heeft hierbij een rol gespeeld. Overige functies liggen op voldoende afstand van het zonnepark. Aan dit handvat is invulling gegeven. •
Per energie-initiatief dient onderzocht te worden of (indien deze aanwezig zijn) agrarische bouwblokken herontwikkeld kunnen worden. Dit biedt kansen voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, aangezien dergelijke locaties vaak een beperkte landschappelijke kwaliteit en een zekere mate van verstening en verrommeling hebben. Dit handvat is exact de aanleiding geweest om een nieuw toekomstperspectief te creëren voor deze plek. Het beëindigen, opheffen en slopen van het bestaande veehouderijbedrijf met een bouwvlak van 6 hectare moest gepaard gaan met een constructie die deze transitie in financiële zin kan dragen. Deze oplossing is gevonden in de Ruimte-voor-Ruimte-regeling (korte termijn, aanjager transitie, maar niet rendabel) in combinatie met het zonnepark (weliswaar grotere investering, maar duurzamer en maakt de transitie op lange termijn rendabel). Op deze manier worden meerdere vliegen platgeslagen (bijdrage transitie landelijk gebied, voorkomen van verloedering/verrommeling, bijdrage woon- en leefklimaat, bijdrage energiedoelstellingen en landschappelijke inpassing). Aan dit handvat wordt niet alleen voldaan, het is hét uitgangspunt geweest en, zoals eerder vermeld, een unieke oplossing voor meerdere doelen.
Resumé algemene handvatten en richtlijnen Aan elk handvat is een goede invulling gegeven of wordt aan voldaan. Met name de afstand naar overige functies vraagt extra aandacht en heeft dat ook gekregen. Door een verdichting van de landschappelijke inpassing (robuuster en onderbegroeiing) ter plaatse van de overige functies toe te passen, is overeenstemming bereikt. Eén van de belangrijkste handvatten/richtlijnen is de laatste waarin wordt gevraagd of de ontwikkeling meerdere doelen behaald. In dit geval wordt met de realisatie van het zonnepark de beëindiging, sanering en sloop van het varkensbedrijf (financieel) haalbaar. De gronden waren voor een groot deel (circa 6 hectare van de 8 hectare) in gebruik als agrarisch bouwvlak. Hierdoor wordt geconcludeerd dat voor dit zonnepark geen agrarische productiegronden worden opgeofferd. De gronden worden ingezaaid met bloemrijk grasmengsel en beheerd door schapen. Hierdoor wordt de agrarische productiewaarde van de gronden hoger, dan in de huidige situatie het geval is, zonder dat deze intensief wordt. Geconcludeerd wordt dat voor zit zonnepark maatwerk kan worden toegepast vanwege de bijdrage aan meerdere doelen.
Specifieke Randvoorwaarden zonneparken De gemeente Cuijk wil eisen stellen aan de ontwikkeling van grondgebonden zonneparken in de gemeente zodat deze projecten geoptimaliseerd worden ten aanzien van zowel ruimtelijke aspecten en (duurzaamheids- en energie-) beleid, als voor wat betreft betrokkenheid van de omgeving en mogelijkheid van de omgeving voor deelname in de projecten. Dit is nader uitgewerkt en ingedeeld in drie subcategorieën: 3
Het zonnepark mag maximaal 25 jaar blijven bestaan, daarna blijft een woning achter.
32
1. Ruimtelijke randvoorwaarden 2. Procesmatige randvoorwaarden 3. Financiële randvoorwaarden Gecombineerd met de visie, de kansenkaart en dit afwegingskader kunnen projecten beoordeeld worden. Het kader is daarmee richtinggevend, maar maatwerk moet altijd mogelijk blijven. Achterliggend doel van het hanteren van een afwegingskader is te komen tot optimale projecten die draagvlak hebben in de samenleving en waarbij de lusten en lasten zo goed mogelijk verdeeld zijn. Omvang project Hoe groter een project, hoe groter de ruimtelijke impact hiervan is. In de gemeente Cuijk wordt in principe geen maximum voorgeschreven aan de omvang van projecten, echter passendheid bij het landschap en omgeving is essentieel. Gezien deze aspecten en de karakteristieken van de gemeente worden projecten tot circa 30 hectare gezien als mogelijk inpasbaar, in de gebieden die als geschikt voor grootschalig zijn bestempeld. In andere gebieden is dit kleiner, maar altijd maatwerk. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Het zonnepark heeft een oppervlakte van circa 8 hectare en blijft daardoor ruim onder de 30 hectare. We kunnen daarom stellen dat hier weliswaar geen sprak is van een kleinschalig project, maar ook is zeker geen sprake is van een grootschalige ontwikkeling. Precies een project waarvoor maatwerk is bedoeld en waar maatwerk is vereist.
De sanering en beëindiging van het varkensbedrijf hangt onlosmakelijk verbonden met de realisatie van het zonnepark. In dit geval is sprake van een halfopen landschap, gevormd door grote kavels landbouwgronden en graslanden, afgezet met landschapselementen. De grootte van het zonnepark past bij de karakteristieken van het gebied. De omvang past daardoor binnen het gebied. Hoogte Om de visuele impact van een zonnepanelenveld te beperken is het wenselijk hiervoor kaders te hanteren. In algemene zin geldt: hoe hoger een opstelling en hoe dichter deze bij de aanschouwer staat, hoe groter de visuele invloed. Daarom zijn de volgende randvoorwaarden van toepassing: 1. Een maximale bouwhoogte van 2 meter, tenzij kan worden aangetoond dat een grotere hoogte ter plekke passend is en gecombineerd kan worden met andere landgebruiksvormen zoals natuurontwikkeling (bijvoorbeeld bloemrijk grasland) of extensieve begrazing (bijvoorbeeld door schapen of het houden van kippen); De maximale bouwhoogte is 2 tot 2,5 meter. De minimale bouwhoogte is 80 centimeter. Er dient sprake te zijn van en bepaalde helling/hoek om de zonnepanelen optimaal te kunnen functioneren én er dienen schapen onderdoor te kunnen lopen. Daarvoor is de minimumhoogte bepalend. De gronden worden ingezaaid met een bloemrijk grasmengsel, zodat er ook in ecologisch opzicht een meerwaarde wordt gecreëerd. 2.
Om de overgang geleidelijk te maken, wordt een afstand van minimaal 10 meter tot de rand van een perceel (perceelgrens) aangehouden. Er wordt overal een rand aangehouden van minimaal 10 meter tot aan de perceelsgrens en zeker op de plekken waar het zonnepark grenst aan openbaar
33
gebied waar de afstand oploopt tot circa 30 meter. Er is één afwijking aan de zuidoostkant, waar de opstelling van de zonnepanelen. Juist meer ruimte bij openbare ruimte Afstand tot woonbebouwing Met name in het buitengebied is regelmatig sprake van een redelijk vrij zichtveld vanuit aanwezige woningen. Dit geeft bewoners een gevoel van vrijheid. Om voldoende rekening te houden met de belangen van omwonenden en een gevoel van insluiting te voorkomen, wordt tot woningen niet zijnde deelnemers of initiatiefnemers in een zonnepark project, een minimale afstand tot woonbebouwing aangehouden van 100 meter tussen de rand van het zonnepark en de gevel van de woning. Deze afstandseis geldt niet, wanneer in de huidige situatie geen sprake is van een vrij uitzicht op de planlocatie, bijvoorbeeld doordat reeds sprake is van afscherming door aanwezige bebouwing, erfscheiding of dichte bosschages. Bovendien mag een woning niet worden ingesloten door een zonnepark. Dit betekent dat slechts aan één zijde van de woning een zonnepark zichtbaar mag zijn binnen 100 meter afstand, tenzij de bewoner en eigenaar akkoord gaat met het ontwerp. In de onderbouwing is zorgvuldig afgewogen en onderbouwd hoe het zonnepark zich verhoudt tot andere, omliggende functies, waaronder woningen. In feite zijn er drie direct omliggende/aangrenzende functies.
Eén functie houdt direct verband met de ontwikkeling van het zonnepark. Het betreft het bestaande kantoorgebouw dat omgezet wordt naar een woonbestemming en daarmee samenhangt met deze ontwikkeling 4. In het zuidwesten van het gebied ligt een gesplitste boerderij. Met hen zijn goede afspraken gemaakt over de landschappelijke inpassing, het onderhoud en beheer daarvan, maar ook de hoogte en situering van de zonnepanelen heeft hierbij een rol gespeeld. De woningen grenzen met twee zijdes aan het zonnepark. Echter is de landschappelijke inpassing nu ook al voor een groot deel aanwezig en wordt zelfs verder aangezet (robuuster gemaakt), waardoor het huidige gevoel van vrijheid behouden blijft. Hoewel een woning (Hapsebaan 29) aan de noordkant niet direct grenst aan het zonnepark, ligt deze op een afstand van circa 70 meter afstand. Ook hier is de landschappelijke inpassing extra aangezet. Naast de bomen wordt daarom onderbegroeiing in de vorm van struikgewas aangebracht. Het doel daarvan is dat het uitzicht vanuit de woning vooral landschappelijk blijft. Deze nuanceringen zijn ook besproken met de betrokkenen en akkoord bevonden. Hiermee is invulling gegeven aan deze richtlijn, conform inhoud van de richtlijn. Beveiliging Beveiliging van een zonnepark is noodzakelijk. Enerzijds is dit nodig ter bescherming van de eigendommen van de initiatiefnemer.
Anderzijds om te voorkomen dat onbevoegden gevaarlijke situaties laten ontstaan door betreding van het terrein. De spanningsniveaus op de installatie zijn substantieel (> 1.000 volt). Deze beveiliging kan op meerdere manieren worden gerealiseerd. Om de landschappelijke impact te beperken wordt dit bij voorkeur gerealiseerd door (in volgorde van voorkeur): 1. Het aanleggen van landschapselementen rond het zonnepark. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan hagen, houtwallen of –singels of grondlichamen;
4 Het zonnepark mag maximaal 25 jaar blijven bestaan, daarna blijft een woning achter.
34
2.
3.
Het aanleggen van een watergang rond het zonnepark. Om voldoende beveiliging te bieden dienen deze wel voldoende breed te zijn (> 3 meter), aangezien het anders te eenvoudig is om deze over te steken; Indien een watergang of het toepassen van landschapselementen niet mogelijk of ongewenst is, kan een hekwerk worden geplaatst, waarbij dit hekwerk wordt afgestemd op de lokale situatie en een zo open en landelijk mogelijk karakter krijgt (bijvoorbeeld door toepassing van een grotere maaswijdte gaas en houten palen).
Combinaties van bovenstaande maatregelen zijn ook denkbaar, afhankelijk van de (bestaande) landschappelijke situatie ter plaatse van het voorgenomen zonne-energie initiatief. De uiteindelijke inrichting wordt voorgelegd aan de Welstandscommissie voor advies. Het zonnepark wordt zorgvuldig ingepast met zoveel als mogelijk natuurlijke/landschapselementen. Echter is het niet geheel mogelijk om via landschapselementen het park af te sluiten. Een watergang is daarbij niet realistisch en past ook niet bij het landschap. Het hekwerk wordt echter binnen de landschappelijke inpassing gerealiseerd en op die manier zoveel als mogelijk gecamoufleerd. Aan deze richtlijn is invulling gegeven. Infrastructuur Om de geproduceerde elektriciteit van de zonnepanelen naar het elektriciteitsnet af te voeren is infrastructuur nodig in de vorm van kabels, omvormers en inkoopstation(s). Daarnaast kan bij grotere zonneparken een transformatorstation nodig zijn om de aansluiting op het net op het juiste spanningsniveau aan te leveren. Het is zaak de locatie, omvang en kleurstelling van deze bouwwerken zorgvuldig af te stemmen. Bij voorkeur worden deze binnen in het zonnepark geplaatst, tussen de panelenrijen, of nabij het toegangspunt tot het zonnepark, maar binnen de omheining. Losse bouwwerken buiten het terrein worden zoveel mogelijk voorkomen. Losse gebouwen worden binnen de inrichting gerealiseerd.
Over de ontsluiting (kabels) zijn inmiddels concrete en contractueel vastgelegde afspraken gemaakt met de kabelexploitant. Levering aan het systeem is daarmee geborgd. Aan deze richtlijn wordt voldaan. Motiveringsplicht Overkoepelend aan de voorgenoemde randvoorwaarden geldt dat een project landschappelijk passend moet zijn. Dit betekent feitelijk dat gemotiveerd wordt waarom deze locatie geschikt is, hoe een project eruit gaat zien, waarom dit passend is in de omgeving en hoe rekening wordt gehouden met landschappelijke en cultuurhistorische waarden die lokaal van toepassing zijn. Uiteraard verschilt de impact en daarmee ook de zwaarte van de motiveringsplicht van locatie tot locatie. Op of nabij industrieterreinen of nabij grootschalige infrastructuur is de impact van een zonnepark veelal kleiner dan in een kleinschalige agrarische omgeving naast een natuur/ en recreatiegebied, waarmee de onderbouwing ook beperkter danwel uitgebreider kan zijn. Ook de omvang van projecten heeft effect op de motiveringsplicht. Een relatief klein project (1-2 hectare) kan volstaan met een beperktere landschappelijke onderbouwing, dan een grootschalig
35
project (> 5 hectare). Dit laatste heeft vanwege de omvang vanzelf een meer industrieel karakter en vereist dus een zorgvuldigere afweging. De locatie is niet nabij een industrieterrein gelegen. De locatie ligt op een afstand van circa 470 meter afstand van de A73. Dat is niet direct tegen de Rijksweg aangelegen, maar ook niet heel ver. De locatie is niet heel erg zichtbaar, waardoor het zonnepark wellicht minder snel opvalt dan direct naast de Rijksweg. Ter plaatse is geen sprake van en kleinschalige agrarische omgeving, noch om een natuur- of recreatiegebied. Het is zelfs voor te stellen dat deze plek beter naar voren komt, wanneer de afweging zichtbaarheid zou zijn. Beter zelfs dan direct naast een industrieterrein en/of Rijksweg. De omvang is met 8 hectare middelmatig, of zelfs daaronder. Weliswaar is het groter dan 2 hectare, maar wanneer er in de zoekgebieden ruimte is voor parken tot 30 hectare en zelfs er zoekgebieden zijn voor kleinschalige parken met een oppervlakte van 8 hectare (bruto), dan is dit park niet direct te kwalificeren als grootschalig. De schaal en omvang van het voornemen (bruto 8 hectare) past daarom binnen de gebiedskenmerken (halfopen agrarische landschap) van de omgeving. Landschappelijke inpassingsstudie Van initiatiefnemers wordt verwacht dat zij een landschappelijke inpassingstudie opstellen, waarin in ieder geval aandacht wordt besteed aan: 1.
Cultuurhistorische waarden van het plangebied en de omgeving; Het gebied bestaat uit halfopen agrarische gronden. Van oudsher was sprake van bosgebieden, welke in de jaren 30 zijn gerooid (waarschijnlijk vanwege de bevordering van werkgelegenheid en of vanwege de mijnbouw). Op dat moment is het landschap getransformeerd naar een gebied met grootschalige agrarische kavels afgezet met landschapselementen, wat het nu nog steeds is. Uiteraard spelen ook de Maasterassen van Cuijk een belangrijke rol in de vorming van het landschap ter plaatse. In figuur is te zien, dat de locatie precies op een verhoging in het landschap liggen. Het doet daarmee geen afbreuk aan de aardkundige waarden (reliëfvormen) van het gebied.
36
Figuur 14 Uitsnede reliëfkaart provincie Noord-Brabant
2. De inpassing van een zonnepark op de het schaalniveau van de omgeving (inpassing en zichtlijnen) en op de locatie zelf (vormgeving van de opstelling) Met de inpassing en de situering van het zonnepark is rekening gehouden met een maximale opbrengst (oost- west opstelling), waardoor het rendement hoger is en er uiteindelijk minder areaal grond ingezet hoeft te worden om de klimaatdoelen te behalen. Uiteraard is deze situering ook van invloed op de beleving van het zonnepark door direct omwonenden. Door deze situering kijken de omwonenden niet direct op een veld van panelen, maar eerder op de V-vorm van de opstelling (tegen de zijkant). Tot slot zijn bestaande landschapselementen leidend geweest bij de inpassing van het zonnepark. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 3. Lokale flora- en fauna en de effecten van het project hierop (zowel in positieve als negatieve zin); Ten behoeve van dit zonnepark zijn uitgebreide flora- en faunaonderzoeken uitgevoerd, welke getoetst en akkoord bevonden zijn door gemeente en omgevingsdienst. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 4. De benodigde infrastructuur en beveiliging uitwerken; Ten aanzien van de benodigde infrastructuur (bekabeling), zijn goede en contractuele afspraken gemaakt met de netwerkbeheerder. Overige infrastructuur is reeds aanwezig, of kan aangelegd worden. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 5.
Enkele visualisaties, waaruit in ieder geval vanuit de directe omgeving de huidige en toekomstige situatie in beeld wordt gebracht. Deze visualisaties moeten een goed beeld geven van de daadwerkelijke situatie (bij voorkeur middels waarheidsgetrouwe fotovisualisaties vanaf maaiveld). Een vogelvluchtperspectief
37
of 3D animatie is daarvoor niet voldoende, omdat dit in onvoldoende mate de beleving vanaf het maaiveld weergeeft In dit geval is een ontwerp gemaakt van de landschappelijke inpassing en enkele dwarsdoorsnedes, zodat zichtbaar is hoe het zonnepark beleefd wordt. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
Financiële randvoorwaarden Financiële Participatie Lusten- en lastenverdeling is een belangrijk discussiepunt bij duurzame-energieprojecten. De ontwikkeling van zon- en windenergie is zichtbaar in het landschap en heeft een ruimtelijke en maatschappelijke impact. Het is daarbij belangrijk om te zorgen voor een goede lusten- en lastenverdeling, teneinde te voorkomen dat deze verdeling scheefgroeit. Direct omwonenden en de lokale gemeenschap zouden dus zoveel mogelijk moeten kunnen profiteren van een project dat wordt ontwikkeld in hun directe leefomgeving. Daarom verdienen lokale, coöperatieve projecten de voorkeur. Tegelijkertijd zijn professionele en voldoende kapitaalkrachtige partijen nodig om een doelstelling en transitie naar een duurzame energievoorziening te verwezenlijken. Teneinde een goede balans te vinden tussen lusten- en lastenverdeling worden eisen ten aanzien van participatie gehanteerd: 1. Minimaal 20% van een project wordt opengesteld voor deelname vanuit de omgeving middels ‘zonnepanelen delen’ of een soortgelijke constructie; De direct omwonenden zijn geïnformeerd dat parallel aan de procedure de mogelijkheden voor een financiële participatie worden onderzocht en voorgelegd. We horen graag wat hun wensen daarin zijn. Indien er vragen zijn of interesse wordt getoond gaan we daarover met hen in gesprek.
De gemeente brengen we op de hoogte van de uitkomst hiervan. Er zijn geen overeenkomsten met de direct omwonenden aangegaan. Wanneer zij willen participeren in dit project kunnen daar afsopraken over worden gemaakt. De initiatiefnemer staat daarvoor open, waardoor Aaan deze voorwaarde kan worden voldaan. 2. Voor niet coöperatieve projecten geldt bovendien dat de initiatiefnemer zich verplicht tot het leveren van een substantiële bijdrage aan de lokale gemeenschap door middel van een bijdrage aan het ‘energietransitiefonds’. Om dit fonds ook daadwerkelijk ten goede te laten komen aan de verduurzaming van de samenleving, wordt dit fonds gebruikt voor concrete duurzaamheidsprojecten (bijvoorbeeld de lokale school verduurzamen, leefbaarheidsproject ondersteunen, of een zonnepanelen regeling voor particulieren ondersteunen). Doel is om een maximale terugvloeiing naar de lokale gemeenschap te verwezenlijken; Met de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt. Besloten is om de bijdrage naar het energietransitiefonds (€ 0,25 / MWh) op te nemen. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 3. Indien projecten in het buitengebied worden gerealiseerd is een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering landelijk gebied vereist, teneinde gebiedsontwikkeling te ondersteunen. Dit kan middels een kwaliteitsfonds voor de ruimte.
Om de hoogte van de bijdrage te bepalen kan aansluiting gezocht worden bij de systematiek van de ‘gedragscode windenergie op land’.
38
Zoals onder 2 reeds is aangegeven levert deze ontwikkeling een substantiële bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied. Een aparte berekening is daardoor niet noodzakelijk. Dit is ook met de provincie besproken en daar is overeenstemming over bereikt. 4. Planschade Bij ruimtelijke ontwikkelingen kan planschade ontstaan. Daartoe wordt een planschadeovereenkomst gesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente, voorafgaand aan het starten van de vergunningprocedure. Met de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten, waarin onder andere afspraken zijn gemaakt over de afwikkeling van planschade. Projectparticipatie Het gaat hier om het betrekken van de omgeving bij de planvorming, uitwerking, realisatie en exploitatie. Naarmate er meer betrokkenheid is, scoort een project beter. Belangrijk is natuurlijk dat daadwerkelijk iets met de inbreng vanuit de omgeving gedaan wordt bij de planvorming, uitwerking van de plannen en de realisatie van het zonnepark. De ladder kent de volgende treden in toenemende mate van betrokkenheid, met telkens als voorbeeld een invulling als het gaat om duurzame energieprojecten: Op twee momenten (oktober 2018 en februari 2021) hebben bewonersavonden plaatsgevonden.
Omwonenden zijn door middel van presentaties geïnformeerd over de plannen, hebben de mogelijkheid gehad om vragen te stellen, en de eerste reacties en advies is opgehaald. Uiteindelijk heeft dit ook geresulteerd in een aanpassing van de plannen (andere indelen, robuuster landschappelijke inpassing). De presentaties en de terugkoppeling hiervan zijn opnieuw met de omwonenden gedeeld. Daarnaast is het definitieve inpassingsplan (dat o.a. is aangepast op basis van de bijeenkomst van februari 2021) op zaterdag 3 april 2021 naar de omwonenden gestuurd en is het plan apart nog op 13 april 2021 naar de Milieuvereniging Land van Cuijk gestuurd, voor advies. Een uitgebreid communicatieplan met daarin alle stakeholders en ingezette middelen is te vinden in bijlage XI. 1. Informeren Communicatie is te kenmerken als ‘éénrichtingsverkeer’, omgeving/ belanghebbenden worden geïnformeerd over het project; middelen bijvoorbeeld: projectwebsite, informatiebijeenkomst, huis-aan-huis brieven; Op twee momenten (oktober 2018 en februari 2021) hebben presentaties plaatsgevonden waarin de omwonenden geïnformeerd zijn over de plannen. Daarnaast is het definitieve inpassingsplan (dat o.a. is aangepast op basis van de bijeenkomst van februari 2021) op zaterdag 3 april 2021 naar de omwonenden gestuurd en is het plan apart nog op 13 april 2021 naar de Milieuvereniging Land van Cuijk gestuurd. 2.
Raadplegen Communicatie is ‘tweerichtingsverkeer’, naast informeren wordt ook ‘opgehaald’ wat de omgeving/belanghebbenden van het project vinden; middelen bijvoorbeeld: enquête, klankbordgroepen met omwonenden; Tijdens de presentaties zijn vragen van bewoners verzameld en beantwoord. Uiteindelijk heeft dit ook geresulteerd in een aanpassing van de plannen (andere
39
indelen, robuuster landschappelijke inpassing). De presentaties terugkoppeling hiervan zijn opnieuw met de omwonenden gedeeld.
en
de
3. Adviseren Communicatie met nadruk op het gericht verkrijgen van input om hiermee in het uitwerken van het project rekening te houden; middelen bijvoorbeeld: inspraakavond, werksessie/werkatelier met omwonenden; Zoals eerder vermeld zijn twee presentaties gehouden, 1 aan de beginfase van de ontwikkeling en 1 voor de procedure. 4. Coproduceren Gezamenlijk project maar beslismacht en eigenaarschap ligt bij de initiatiefnemers/projectontwikkelaar, de omgeving/belanghebbenden zijn betrokken bij het vormgeven van het project; middelen bijvoorbeeld: structurele en periodieke overleggen en werksessies/-ateliers, klankbordgroep vanuit de omgeving/met belanghebbenden. Het structurele karakter onderscheid coproduceren van adviseren; Hieraan is geen invulling gegeven. Er zijn te veel factoren die van belang zijn voor het succes van de ontwikkeling (sloop, flora- en fauna, afspraken met de kabelexploitant etc.). Het initiatief (een zonnepark) lag redelijk vast en is, uiteraard, op onderdelen bij te sturen, maar het succes van het beëindigen van de varkenshouderij is voor een groot deel afhankelijk van de realisatie van het zonnepark. Daarnaast heeft het park niet de grootte van een grootschalig project en netto een uitbreiding van 2 hectare ten opzichte van de 6 hectare bouwvlak, waardoor de impact vele malen lager is dan wanneer een zonnepark in een open gebied land. 5.
Meebeslissen Gezamenlijk project met deelname door de omgeving (bijvoorbeeld middels een coöperatie) en inclusief eigenaarschap (deels) bij omgeving. Zoals ook onder punt 4 is aangegeven, kon hieraan geen invulling worden gegeven. De belangen voor de positieve effecten van deze ontwikkeling zijn zo groot, dat meebeslissen Communicatie Een goed project begint met een open en transparante communicatie aan de voorkant van het ontwikkelproces. Dit kan op veel verschillende manieren worden vormgegeven, maar het ligt voor de hand om een aantal minimum randvoorwaarden te formuleren. Hierbij worden de volgende zaken vereist bij het in behandeling nemen van een specifiek project: 1. Informeren Omwonenden door de initiatiefnemer Voordat een project door de gemeente formeel in behandeling wordt genomen, worden direct omwonenden (straal van bijvoorbeeld 500 meter, afhankelijk van het project) geïnformeerd over de plannen. Dit kan middels een huis-aan-huis verspreide brief, of een persoonlijke benadering. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor deze communicatie.
40
Met de omwonenden is in oktober 2018 en in februari 2021 een presentatie gehouden over de ontwikkeling. Aan het begin van de ontwikkeling en vlak voor de procedure. Daarnaast is het definitieve inpassingsplan (dat o.a. is aangepast op basis van de bijeenkomst van februari 2021) op zaterdag 3 april 2021 naar de omwonenden gestuurd en is het plan apart nog op 13 april 2021 naar de Milieuvereniging Land van Cuijk gestuurd. 2. Algemene informatieverstrekking Zodra een project formeel wordt aangemeld bij de gemeente en een procedure wordt gestart wordt de informatieverstrekking georganiseerd door de initiatiefnemer. Dit kan door middel van één of meerdere informatieavonden die openstaan voor eenieder, door buurtbijeenkomsten, door een projectwebsite waarop informatie beschikbaar is en vragen gesteld en beantwoord kunnen worden, of door een combinatie van deze mogelijkheden. De aard en omvang van een project bepalen wat het meest geschikt is. Minimaal wordt informatie gegeven over: a. De locatie van het project b. De omvang en belangrijkste kenmerken (zoals hoogte, aanzicht, elektriciteitsproductie en eventuele (milieu-)effecten); c. wie zijn de initiatiefnemer(s); c. De mogelijkheden voor participatie in de uitwerking van het project e. de formele status van het project en belangrijke ontwikkelingen in de procedure (zoals informatieavonden, ter inzagelegging en documenten).
In nauw overleg met de gemeente is het plan vormgegeven en tot stand gekomen. 3. Communicatieplan Door de initiatiefnemer wordt tevens een communicatieplan opgesteld. Dit plan bevat in ieder geval informatie over: a) stakeholders (wie wordt betrokken); b) communicatiemomenten (wanneer wordt informatie verstrekt); c) communicatievorm (welke middelen worden hiervoor ingezet) De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de uitvoering van het plan. In nauw overleg met de gemeente is het plan vormgegeven en tot stand gekomen.
41
HOOFDSTUK
5 Omgevingsaspecten
5.1
Milieu In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan.
5.1.1
M.e.r. plicht Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt een zonneweide met bijbehorende voorzieningen mogelijk gemaakt ten opzichte van de bestaande situatie. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.beoordelingsbesluit genomen worden. Doorwerking plangebied Voor onderhavig initiatief is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is terug te vinden in de bijlagen. In deze ruimtelijke onderbouwing worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor de gehele motivering wordt verwezen naar de bijlagen. Aanbevolen wordt - na nadere kennisname van deze beoordeling - een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van de ruimtelijke onderbouwing ‘Vergunning zonneweide Vianen’ geen milieueffectrapportage wordt vereis
5.1.2
Bodem In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de realisatie van een nieuwe functie en hoe eventuele bodemverontreiniging kan worden voorkomen. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijziging. Beoordeling van dit aspect kan achterwege blijven in een aantal situaties. Bij het wijzigen van het gebruik van een bebouwd perceel, waarbij de nieuwe gebruiksvormen een voor de beoordeling van het aspect bodemkwaliteit minder kritische gebruik kennen, is beoordeling van dit aspect niet aan de orde. Omdat met de aanleg van het zonnepark de mogelijkheid ontstaat dat de bodem wordt beroerd, wil de gemeente inzage in de kwaliteit van de bodem voordat eventuele grondwerkzaamheden plaatsvinden. In het kader van de wijzigingsprocedure, die betrekking heeft op het verwijderen van het agrarische bouwvlak en de aanduiding intensieve veehouderij, is een bodemonderzoek5 uitgevoerd ter plaatse van de woonbestemming. Daarin is aangegeven dat voor de aanleg van het zonnepark op het overig deel van het onderzoeksgebied vooralsnog geen bodem- en asbestonderzoek nodig geacht. Indien 5
Zie bijlage X
42
ter plaatse van dit deel van het onderzoeksgebied herontwikkeling is gepland, bijvoorbeeld bestemmingsplanwijziging naar een gevoeliger gebruik of wanneer er grondroerende activiteiten plaats zullen vinden dan is het uitvoeren van een verkennend bodem- en asbestonderzoek noodzakelijk. Daarom is anterieur overeengekomen dat de initiatiefnemer uiterlijk 10 dagen voor het aanvangen van de werkzaamheden ten behoeve van de plaatsing van de zonnepanelen, of voor eventuele grondwerkzaamheden, een verkennend bodem- en asbestonderzoek conform 5740 en 5707 ter zake van het betreffende plangebied ter goedkeuring aan het College van Burgemeester en wethouders overleggen. De grondwerkzaamheden zullen niet eerder aanvangen dan nadat de goedkeuring op het onderzoek is gegeven. Het aspect bodem zorgt daardoor niet voor een belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. 5.1.3
Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de onderstaande voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of ter plaatse van de planlocatie de grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide wordt overschreden, zijn de concentratie- en depositiekaarten van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu geraadpleegd. Deze kaarten hebben betrekking op de huidige situatie. Na de beëindiging en sanering van het huidig aanwezige varkensbedrijf, zal de uitstoot van fijnstof en stikstofdioxide afkomstig van de planlocatie verminderen.
Fijnstof Voor fijnstof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie en 50 μg/m3 voor de daggemiddelde concentratie. De waarde voor fijnstof (PM10) ter plaatse van de planlocatie bedraagt circa 17,84 μg/m3. Daarnaast heeft het aantal verkeersbewegingen invloed op de hoeveelheid fijnstof in de lucht en daarmee tevens op het woon- en leefklimaat. Door de beëindiging van de veehouderij vinden er geen verkeersbewegingen meer plaats ten behoeve van de bedrijfsvoering (aan- en afvoer van dieren, voer, etc.). Er is een afname van het aantal verkeersbewegingen waardoor de hoeveelheid fijnstof in de lucht zelfs verder zal afnemen.
43
Stikstofdioxide Voor stikstofdioxide (NO2) geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie en 200 μg/m3 voor de uurgemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van de planlocatie bedraagt circa 14,62 μg/m3. Dat betekent dat ook de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de gestelde grenswaarden volgens de Wet milieubeheer ligt en er sprake is van een bijdrage aan een verbetering van het woon- en leefklimaat. Conclusie In de huidige situatie is reeds sprake van een aanvaardbare situatie omtrent het woonen leefklimaat. Een zonneweide heeft geen (extra) uitstoot tot gevolg, waardoor het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkeling. 5.1.4
Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Met name de handreiking wet geurhinder en veehouderij geeft nadere invulling in het gebruik van de wet. Een zonneweide is geen gevoelig object in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij, noch is sprake van een veehouderij, waardoor het aspect geur niet relevant is voor de voorgestane ontwikkeling.
5.1.5
Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien het besluitgebied geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de invloedsfeer van (weg)verkeerslawaai, een akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of omgevingsvergunning. In dit geval is geen sprake van een geluidsgevoelige functie waardoor het aspect akoestiek niet relevant is en geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkeling.
5.1.6
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Omdat er geen gevaarlijke inrichting mogelijk wordt gemaakt, noch sprake is van een gevoelige functie is het aspect externe veiligheid niet relevant en vormt dan ook geen belemmering ten aanzien van de voorgestane ontwikkeling.
44
5.1.7
Kabels en leidingen Op de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan is te zien dat er geen kabels of leidingen door het besluitgebied lopen. Daarnaast wordt geen nieuwe bebouwing opgericht waarvoor rekening moet worden gehouden met aanwezige kabels en/of leidingen. Op een afstand van 220 meter van het besluitgebied is een hoogspanningsverbinding gelegen. Echter is deze afstand dusdanig groot dat dit geen invloed heeft op de ontwikkeling. Ten aanzien van de aansluiting op het landelijke netwerk, zal een nieuwe kabel worden aangelegd.
5.1.8
Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn. De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Omdat geen sprake is van een gevoelige functie, noch van een functie waarvoor een milieucategorie van toepassing is, is dit aspect niet relevant en vormt het geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.
5.2
Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichtring en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Sinds 1 november 2003 is het volgens het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening wettelijk verplicht een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.
5.2.1
Beleid Het besluitgebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het Waterbeheerplan en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied met voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het Waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. In aansluiting op het landelijke beleid hanteert het Waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen onderzocht en aangegeven dient te worden hoe omgegaan wordt met het schone hemelwater. Het uitgangspunt is om ontwikkelingen hydrologisch neutraal uit te voeren. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de
45
waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Het streven is daarbij om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. Brabant Keur In de Brabant Keur is in artikel 3.6 het verbod opgenomen om zonder vergunning neerslag versneld tot afvoer naar het oppervlaktewater te laten komen. Dit artikel maakt het mogelijk om het hydrologisch neutraal inrichten van een gebied af te dwingen. In de Algemene regels van de Keur wordt vrijstelling van deze vergunningplicht verleend voor zover: • Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; • De toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m 2 is, of; • De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak, of; • De toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m 2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Met betrekking tot de toename van verhard oppervlak wordt onderscheid gemaakt in: ongewijzigde situaties, nieuwbouw, herbouw en verbouw en uitbreiding. Voor een ongewijzigde situatie wordt in dit geval geen waterberging geëist. Ook niet als een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is vanwege een functiewijziging. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Cuijk 2019-2023 De gemeente Cuijk heeft het beleid omtrent water vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Cuijk 2019-2013.
Voor de toename van het verhard oppervlak van nieuwe ontwikkelingen eist de gemeente de aanleg van een waterbergingsvoorziening van 60 mm per vierkante meter nieuw verhard oppervlak op eigen terrein. Ook bij ingrepen in bestaande gebieden probeert de gemeente particuliere verharding zoveel mogelijk af te koppelen. 5.2.2
Ontwikkeling Hieronder is voor afvalwater en hemelwater gekeken of al dan niet maatregelen moeten worden genomen met betrekking tot onderhavige ontwikkeling. Afvalwater Er is met de nieuwe ontwikkeling geen sprake van afvalwater. Dit onderdeel is daardoor niet relevant Hemelwater In artikel 15 van de Keur wordt het volgende over deze toename van verhard oppervlak vermeld ‘Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam voor zover … b. De toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is.’ De te realiseren zonnepanelen leiden niet tot een verharding van de oppervlakte. Het hemelwater wat op de zonnepanelen terecht komt kan er gemakkelijk afstromen en infiltreren in de bodem. De zonnepanelen worden boven de grond op een frame geplaatst. De bodem blijft onverhard (grasland). Het hemelwater dat op de installatie valt kan daarmee vrij het weiland inzijgen. Het plan voorziet wel in de realisatie van enkele ondersteunende gebouwen (trafo’s) in het
46
plangebied. De toename zal niet meer zijn dan 2.000 m², waardoor compensatie voor de afvoer van hemelwater niet noodzakelijk is. Conclusie Het plan voldoet aan de eisen die gesteld worden aan de waterhuishouding. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan. 5.3
Natuur
5.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Brabant (NNB). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. Ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde floraen faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 De planlocatie is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen en grenst tevens niet aan een van deze gebieden.
De dichtstbijzijnde gebieden behorende bij Natura 2000 zijn de Oeffelter Meent op een afstand van circa 4,85 kilometer en Sint Jansberg op een afstand van circa 5,10 kilometer. Gezien de ontwikkeling geen uitstoot tot gevolg heeft, zal de ontwikkeling geen negatief effect hebben op de Natura 2000-gebieden. In de bijlagen (bijlage V) van deze ruimtelijke onderbouwing is de berekening weergegeven waar met behulp van Aerius is aangetoond dat geen sprake is van een negatief effect op Natura2000 gebieden met betrekking tot stikstofdepositie. Natuurnetwerk Brabant Het besluitgebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Brabant, maar grenst ten oosten van het perceel wel aan gronden behorende bij het Natuurnetwerk Brabant. Met de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met de aanwezigheid van Natuurnetwerk Brabant.
5.3.2
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten
47
en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. In gevallen waarbij sprake is van bijvoorbeeld sloop van bebouwing of het kappen van bomen, is het van belang om rekening te houden met eventuele aanwezige soorten planten en dieren. Op de locatie worden de varkensstallen geheel gesloopt. Voor het slopen van de bebouwing is een sloopvergunning noodzakelijk. De bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, maar de wijzigingsvoorwaarden geven niet aan dat de bedrijfsbebouwing gesloopt moet zijn voordat de procedure wordt opgestart. Sloopwerkzaamheden zouden in principe daarom altijd kunnen plaatsvinden al dan niet na het nemen van maatregelen. Daardoor staat de haalbaarheid van het wijzigingsplan niet ter discussie. Gelijktijdig met het doorlopen van de wijzigingsprocedure wordt een vergunning aangevraagd voor de realisatie van en tijdelijk zonnepark ter plaatse. In dat kader is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de resultaten van dat flora- en faunaonderzoek opgenomen. De rapporten waarin de onderzoeken zijn beschreven, zijn als bijlage VI aan dit plan toegevoegd. In deze paragraaf zijn uitsluitend de conclusies weergegeven.
Conclusie In het kader van de sloop van de bebouwing heeft er uitgebreid flora- en faunaonderzoek plaatsgevonden. Op basis daarvan is de sloop uitgevoerd en is bekeken welke elementen behouden blijven na sloop van de stallen (bomenrijen etc.). Behoudens het transformatorhuisje en de vrijstaande varkensschuur is bij nadere beschouwing op voorhand gebleken dat geen van de overige opstallen een functie heeft voor beschermde fauna. In de toekomstige situatie is sprake van agrarische grond met daarop stellingen met zonnepanelen. Ter plaatse van de agrarische grond bevinden zich geen noemenswaardige flora- en faunawaarden. Ten aanzien van de te behouden elementen (bomenrijen etc.) zijn de volgende conclusies uit het onderzoek naar voren gekomen: •
•
•
Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de bomen geen nesten bieden voor de buizerd, kerkuil en steenuil en dat er geen sprake is van een vaste rustplaats. Tevens maakt het plangebied geen onderdeel uit van de functioneel habitat. Er hoeft voor de buizerd, kerkuil en steenuil geen ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd alvorens de beoogde ingreep uitgevoerd kan worden. Ransuil: Ten tijde van het onderzoek zijn er geen geluidswaarnemingen of sporen van de ransuil aangetroffen. Enkele keren is een waarneming van aannemelijk een overvliegende ransuil aangetroffen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het essentieel leefgebied van de ransuil, tevens zijn er geen nest- of rustplaatsen van de soort aangetroffen. Vleermuizen: Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de bomenlaan aan de noordzijde van het plangebied onderdeel uitmaakt van een essentiële vliegroute. De lineaire structuur van deze bomenlaan dient behouden te worden, dit houdt in dat één enkele boom gekapt kan worden. Indien de kap van de volledige bomenlaan