11. Toelichting BP Bijlage VI Soortgericht onderzoek.pdf
Tekst van het document
4.2
Natuurnetwerk Nederland (NNB)
4.2.1
Gegevens
In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende gebieden behorende tot het NNB van de provincie Noord-Brabant afbeelding 4.2. Het dichtstbijzijnde perceel van het NNB is gelegen op een afstand van 110 meter ten zuidwesten van het plangebied. De wezenlijke kenmerken en waarden van het dichtstbijzijnde deel van het NNB worden gevormd door de natuurbeheertypen droog bos met productie (N16.03), dennen-, eiken- en beukenbos (N15.02), beek en bron (N03.01), zand- en kalklandschap (N01.04) en vochtig bos met productie (N16.04).
14 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
Afbeelding 4.2 Verschillende NNN-natuurtypen in de omgeving van het plangebied [lit. 3]
4.2.2
Effecten & conclusie
Het plangebied grenst niet aan een NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde perceel waarop de beheertypen droog bos met productie (N16.03), dennen-, eiken- en beukenbos (N15.02), beek en bron (N03.01), zand- en kalklandschap (N01.04) en vochtig bos met productie (N16.04) aanwezig zijn ligt op 110 m ten zuidwesten van het plangebied. Gezien het plangebied echter buiten de grenzen van het NNN ligt, en de Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Brabant geen bepalingen ten aanzien van externe werking bevat, is er geen sprake van directe negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. Vervolgstappen zijn daardoor niet nodig.
15 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
5 SOORTENBESCHERMING 5.1
Methode
Om de aanwezigheid van beschermde Flora en fauna in of rondom het plangebied vast te kunnen stellen is een bureaustudie en een verkennend veldbezoek uitgevoerd. De bureaustudie bestaat uit het raadplegen van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) [lit. 4]. Aanvullend hierop zijn, als daar aanleiding voor is, verspreidingsatlassen, internetbronnen en de op internet vrij verkrijgbare verspreidingsgegevens geraadpleegd. Ter verificatie van en als aanvulling op de bureaustudie is een veldbezoek uitgevoerd op 5 februari 2020. Soortgerichte inventarisaties en tellingen van afzonderlijke dier- en plantensoorten waren geen onderdeel van het veldbezoek; wel zijn toevallige waarnemingen van soorten of verblijfplaatsen genoteerd. Daarnaast is een habitatscan uitgevoerd. De inventarisatie is niet vlakdekkend en slechts indicatief, maar is voor deze fase voldoende gedetailleerd. Op basis van de biotoopeisen van beschermde soorten, het veldbezoek en de resultaten van de bureaustudie is bepaald of beschermde soorten leefgebied kunnen vinden in en nabij het plangebied en of daar nader onderzoek naar nodig is. Aan de hand van de geplande werkzaamheden en de verstoringgevoeligheid van soorten is vervolgens bepaald of negatieve effecten kunnen optreden, en of er sprake is van een overtreding van de Wnb.
5.2
Beschrijving per soortgroep
5.2.1
Planten
Bureaustudie Uit de NDFF [lit. 4] blijkt dat de afgelopen tien jaar binnen 3 kilometer van het plangebied de beschermde plantsoort grote leeuwenklauw is waargenomen. De soort is een enkele keer waargenomen ter hoogte van Houtzagerijstraat 20 in Mill afbeelding 5.1. Andere beschermde soorten werden in de wijde omtrek van het voornemen niet waargenomen.
16 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
Afbeelding 5.1 Waarneming in de afgelopen tien jaar van beschermde flora in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]
De biotoopeisen van deze soort staan beschreven in het kader hieronder. Grote leeuwenklauw De grote leeuwenklauw groeit voornamelijk in bermen langs onverharde wegen en spoorwegen, op dijken, graanakkers, langs waterkanten en op braakliggende grond. Deze soort heeft dan ook een voorkeur voor zonnige, open plaatsen die goed gedraineerd en matig voedselrijk en kalkhoudend zijn (lemig zand, löss, leem, zavel en klei). Voorkomend in Zuid-Limburg, het Deltagebied en het rivierengebied [lit. 5]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantsoorten waargenomen. De vegetatie binnen het plangebied bestaat uit een kort gemaaide middenberm met daarop platanen met een gemiddelde diameter van 20 centimeter. In de bermen aan weerszijden van de weg staan enkele acacia’s en lindes. De overige vegetatie grenzend aan het plangebied bestaat uit tuinen met bijbehorende tuinbeplantingen, en aan de randen van Sint-Hubert liggen enkele percelen akkerland en hooiland. Het plangebied en de directe omgeving bieden geen geschikt biotoop voor de beschermde (vaat)planten. De meeste onder de Wnb beschermde Flora zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam en komen voor in zeer specifieke biotopen. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde Flora lokaal kunnen voorkomen zijn loof- en naaldbossen, hakhout en struwelen op kalkrijke, humeuze, vrij voedselarme, compacte en lemige bodems.
Ook in heiden en borstelgraslanden en in onbemeste riet- en hooilanden, leemrijke akker (vooral onder wintergraan), op rivierduintjes, in kalkgraslanden en lemige blauwgraslanden, in duinvalleien en soms in het winterbed van rivieren komen de soorten voor. Daarnaast zijn er enkele soorten specifiek gebonden aan stenig substraat. Deze soorten zijn te vinden op rotsen, puinhellingen en oude (kalkrijke) muren. Op basis van de ligging en de aard van het plangebied (vrij nieuwe N-weg door een dorpskern) is het aldus uitgesloten dat er binnen het plangebied beschermde plantsoorten voorkomen.
17 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
Effecten en conclusie Uit de database van de NDFF [lit. 4] blijkt dat er in de wijdere omgeving van het plangebied gedurende de afgelopen tien jaar slechts een enkele waarneming is gedaan van een onder de Wnb beschermde soort, namelijk grote leeuwenklauw. De aanwezige vegetatie binnen het plangebied betreft algemeen voorkomende boomsoorten, zoals plataan en linde. Op basis van de locatie en gebiedskenmerken (stedelijk gebied, bijna compleet verhard en ver van natuurgebieden) is het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied uitgesloten. Op basis van de aangetroffen vegetatietypen en de aanwezige biotopen binnen het plangebied kan het voorkomen van onder de Wnb beschermde plantensoorten worden uitgesloten. Hierdoor zijn negatieve effecten voor deze soortgroep niet aan de orde. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
5.2.2
Grondgebonden zoogdieren
Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 4] zijn in de afgelopen tien jaar in de omgeving van de planlocaties waarnemingen bekend van verschillende algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten van bijlage A van de Wnb soorten zoals egel en verschillende algemeen voorkomende muissoorten. Ook zijn er waarnemingen bekend van de (niet-vrijgestelde) nationaal beschermde (bijlage A van de Wnb) zoogdiersoorten das en eekhoorn. Daarnaast zijn in de omgeving van de planlocaties ook verschillende waarnemingen bekend van de Habitatrichtlijnsoort bever afbeelding 5.2. De waarnemingen concentreren zich voornamelijk rondom een houtwal ten noorden van het plangebied, en het natuurgebied Molenheide, ten zuidwesten van het plangebied.
Afbeelding 5.2 Waarnemingen in de afgelopen tien jaar van beschermde grondgebonden zoogdieren in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]
18 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
De biotoopeisen van deze soort worden in onderstaand kader beschreven. Bever Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en els. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste; (open of rotsige oevers worden gemeden) [lit. 6]. Das De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook andere open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte gebieden. Zelfs in afgravingen, oude ertsmijnen, op kliffen en onder gebouwen wordt de das soms aangetroffen. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld [lit. 6]. Eekhoorn Het verspreidingsgebied van de eekhoorn strekt zich uit over heel Europa en Noord-Azië. Ze leven tot op een hoogte van 2.000 m. De eekhoorn komt in grote delen van Nederland voor, vooral in Drenthe, Overijssel, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Ook in de duinen van Noord- en Zuid-Holland komen eekhoorns voor.
Tussen 1960 en 1970 brak een virusziekte uit waardoor de eekhoorn in het hele land zeldzaam werd. Na 1970 heeft herstel plaatsgevonden. Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied. Hun voorkeur gaat uit naar ouder bos (naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40-80 jaar) omdat daar meer voedsel en nestgelegenheid is [lit. 6]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van, onder de Wnb, beschermde grondgebonden zoogdiersoorten. Het plangebied biedt wel geschikt biotoop voor verschillende algemeen voorkomende soorten van bijlage A van de Wnb soorten als egel en verschillende algemeen voorkomende muissoorten. Binnen het plangebied zijn slechts enkele geschikte habitats aanwezig voor grondgebonden zoogdieren. Zo kunnen tuinen met voldoende beschutting grenzend aan het plangebied dienen als geschikt leefgebied voor egel, en zijn de huizen zelf, de tuinen en omliggende graslanden geschikt als leefgebied voor verschillende algemeen voorkomende muissoorten. Geschikt biotoop voor de beschermde soorten bever, das en eekhoorn is afwezig binnen en grenzend aan het plangebied.
Er zijn geen watergangen met oeverbossen aanwezig voor de bever, en tevens veroorzaakt de drukke weg te veel verstoring voor de soort om zich nabij te vestigen. De dichtstbijzijnde sporen van de das bevinden zich op een afstand van circa anderhalve kilometer van het plangebied, binnen het natuurgebied Molenheide. De bomen binnen het plangebied zijn voor eekhoorn niet interessant. Het gaat hier op platanen en lindes, waar een eekhoorn voornamelijk te vinden is rond naaldbomen, beuken of eiken. Tevens zijn de bomen te jong om als potentiële verblijfplaats te dienen voor de soort. Effecten en conclusie Het voorkomen van verschillende algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten (bijlage A Wnb) binnen het plangebied, zoals egel en verschillende algemeen voorkomende muizensoorten is op basis van aanwezige biotopen en ligging niet uit te sluiten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor artikel 3.10 van de Wnb (doden van dieren of beschadigen/vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen) in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ingrepen. Een ontheffingsaanvraag voor deze soorten is niet nodig. Wel is te allen tijde de zorgplicht van kracht.
19 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
De aanwezigheid van andere onder de Wnb beschermde soorten binnen het plangebied is uit te sluiten, vervolgstappen zijn dan ook niet nodig.
5.2.3
Vleermuizen
Bureaustudie Alle soorten vleermuizen zijn in Nederland beschermd onder de Wnb en vallen onder bijlage IV van de habitat richtlijn (HR). Volgens de NDFF [lit. 4] zijn er in de afgelopen tien jaar tenminste zes soorten vleermuizen in de directe omgeving van het plangebied aangetroffen. Het betreft waarnemingen van overvliegende en/of foeragerende individuen van franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en watervleermuis. De meeste waarnemingen worden gedaan rond de dorpskernen van Sint-Hubert en Mill afbeelding 5.3.
Afbeelding 5.3 Waarnemingen in de afgelopen tien jaar van vleermuizen in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]
De biotoopeisen van de soorten staan in onderstaand kader beschreven. Franjestaart De franjestaart is een soort die zijn leefgebied heeft in half open tot zeer dicht bos en kleinschalig, gesloten landschap. De soort wordt vaak in of bij relatief waterrijk, vochtig (loof)bos gevonden en jaagt daar in lanen, tussen en door de boomkronen, boven en rondom vijvers, grachten en beken en in open broekbos. Gebruikt als zomeronderkomen vooral spleten, scheuren en spechtengaten in bomen en in mindere mate zolders en schuren. Als winterverblijf zijn vooral onderaardse locaties bekend zoals grotten, kalksteengroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijs- en kasteelkelders. Voor vliegroutes wordt begeleidende vegetatie zeer strikt gevolgd [lit. 7].
20 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
Gewone dwergvleermuis (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen, in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten, of onder dakpannen gevonden. Gewone dwergvleermuizen zijn plaatstrouw, maar gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden. Overwinterende gewone dwergvleermuizen worden vooral bij toeval gevonden in spouwmuren, onder dakpannen, achter betimmering en daklijsten. Daarnaast zijn ze ook in spleten in de muur van kerktorens, en in spleten in grotten, groeves, betonnen bruggen en parkeergarages en dergelijke gevonden. Ze kiezen temperatuurgevoelige winterslaapplaatsen. Bij vorst zoeken ze vaak verwarmde huizen op [lit. 7]. Gewone grootoorvleermuis De gewone grootoorvleermuis komt verspreid over heel Nederland voor, maar nergens in grote aantallen. De soort is sterk gebonden aan kleinschalig landschap en bosgebieden en is in de open polderlandschappen in West- en Noord-Nederland een zeldzaamheid. De gewone grootoorvleermuis gebruikt zeer uiteenlopende soorten verblijfplaatsen. Ze worden in de zomer aangetroffen op zolders, achter betimmeringen, daklijsten en vensterluiken, in spouwmuren en onder dakpannen, in holten en spleten in bomen en in nest- en vleermuiskasten. Ze verhuizen vaak.
Als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten gebruikt, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en (kasteel)kelders [lit. 7]. Laatvlieger Kraamkolonies komen voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Ze wonen in de spouwmuur, achter de betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. Laatvliegers bewonen een netwerk van verschillende huizen die op een afstand van hooguit enkele honderden meters van elkaar liggen. Ze verhuizen soms wel, maar zijn in principe erg plaats- en gebiedstrouw. In de winter zoeken laatvliegers nauwe en relatief droge plaatsen op zoals spouwmuren, spleten en scheuren in zolders, oude kelders en soms ook kieren dicht bij de ingang van grotten [lit. 7]. Rosse vleermuis Kraamkolonies zijn hoofdzakelijk bekend uit laaggelegen gebieden in Noord-Duitsland en Nederland. De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boom bewonende soort. Zowel solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen, als dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. In Midden-Europa staat de rosse vleermuis bekend als een trekkende soort. Met behulp van ringonderzoek zijn in het verleden ook in Nederland waarnemingen gedaan die wijzen op trek.
Anderzijds zijn er gebieden waar tijdens alle seizoenen rosse vleermuizen gevonden kunnen worden [lit. 7]. Watervleermuis De watervleermuis is een boombewonende soort van half open tot gesloten, waterrijk en bosrijk landschap. Grotere dichtheden worden vooral daar gevonden waar zowel beschut water als ouder bos of oudere bomen aanwezig zijn. De verspreiding toont een duidelijke binding met de oudere bossen in de duinen in het westen van Nederland, en de bossen op de hogere zandgronden en het krijtlandschap in het oosten en zuiden van Nederland. Desondanks komt de soort ook voor in het laagland op plaatsen waar oudere bossen of parken aanwezig zijn. In het noordwestelijke laagland worden in bosarme omgeving soms kleine groepen op zolders gevonden [lit. 7]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werden geen waarnemingen gedaan van (sporen van) vleermuizen. Wel werd de aanwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes geconstateerd. Zo bevatten enkele huizen rondom de N264 open stootvoegen op geschikte hoogte, en liggen er op enkele huizen losse of kapotte dakpannen, welke kunnen dienen als geschikte verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten zoals gewone dwergvleermuis en laatvlieger. De bomen langs de N264 waren allen nog vrij jong en goed onderhouden waardoor er geen holtes of andere vormen van geschikte verblijfplaatsen in zijn aangetroffen.
De aanwezigheid van een vliegroute langs een deel van de bomenrij in middenberm kan niet worden uitgesloten. Tevens bestaat de mogelijkheid dat deze bomen kunnen dienen als ‘hop-over’, die de
21 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
vleermuizen gebruiken om van de kern van het dorp tot in het buitengebied ten zuiden van Sint-Hubert te geraken, om hier vervolgens te foerageren. Effecten en conclusie Van vernietiging van verblijfplaatsen als gevolg van de werkzaamheden is geen sprake, echter kan verstoring van vleermuizen in verblijfplaatsen in de aangrenzende woningen als gevolg van de werkzaamheden niet worden uitgesloten. Tevens kan de verstoring van overvliegende en foeragerende vleermuizen niet worden uitgesloten doordat werkzaamheden ook gedurende de actieve periode van vleermuizen (tussen zonsondergang en zonsopkomst) plaats kunnen vinden. Door de potentiële aanwezigheid van verblijfplaatsen in huizen langs het plangebied en vlieg- en/of foerageerroutes voor verschillende vleermuissoorten op het traject, kan niet worden uitgesloten dat de herinrichting van de kern van Sint-Hubert (kap bomen en geluidsoverlast) een negatief effect heeft op vleermuizen. Vleermuizen kunnen hierdoor worden verstoord en verblijfplaatsen kunnen tijdelijk ongeschikt raken. Dit zijn overtredingen van de Wnb artikelen 3.10 lid 1 sub a en 3.10 lid 1 sub b. Nader soortgericht onderzoek conform het vleermuisprotocol 2020 is noodzakelijk om beschermde functies in kaart te brengen, zodat vervolgens kan worden bepaald of en in welke mate negatieve effecten van het voornemen optreden voor vleermuizen.
Op basis hiervan kan worden bepaald of werkelijk sprake is van een overtreding van de Wnb en is het tevens mogelijk om zo nodig passende compenserende en mitigerende maatregelen te treffen als ook een ontheffingsaanvraag op te stellen.
5.2.4
Vogels
Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 4] zijn in de afgelopen tien jaar in de wijdere omgeving van het plangebied verschillende vogelsoorten waargenomen zoals appelvink, boomkruiper, zwarte roodstaart en geelgors. Daarnaast werden in de omgeving van het plangebied ook verschillende soorten waargenomen waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Het betreft buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, steenuil en wespendief. Het betreft vooral waarnemingen van overvliegende en foeragerende individuen. Van deze soorten zijn ook een aantal waarnemingen bekend die wijzen op de aanwezigheid van een nest, namelijk een verblijfplaats of waarnemingen van soorten met een vastgesteld territorium of soorten welke nest indicerend gedrag vertonen. Al deze waarnemingen werden gedaan in de omgeving van plangebied afbeelding 5.4.
Afbeelding 5.4 Waarnemingen in de afgelopen tien jaar van beschermde broedvogels in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]
22 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
De biotopeneisen van de soorten staan in onderstaand kader beschreven. Buizerd Is te vinden in uitgestrekte bossen afgewisseld met heide en boerenland, moerasbossen, boerenland met bosjes en houtwallen, duinvalleien met struweel, bosjes in steden. Combinatie van geschikte nestgelegenheid (bos of een bosje) met open land met veel voedsel is ideaal [lit. 8]. Gierzwaluw Voor hun nestgelegenheid zijn gierzwaluwen afhankelijk van beschikbaarheid van gebouwen met geschikte holtes. Ze jagen boven uiteenlopende habitats in dorpen en steden. Al het voedsel wordt gevangen in de lucht, ze zijn gespecialiseerd in het vangen van insecten in volle vlucht. Daarvoor zoeken ze meestal de luchtlagen op die op dat moment de meeste insecten bevatten, en dat kan best een flinke hoogte zijn [lit. 8]. Havik Combinatie van bos met geschikte nestbomen met open land om te jagen. Broedt in naald- en loofbossen, ook in moerasbos, soms in parken Jaagt in het bos, maar ook in tussenliggende weilanden en akkers, in aangrenzende open gebieden (heide en hoogveen, moerassen, boerenland) en steeds vaker ook in de stad. Belangrijk is de aanwezigheid van geschikte prooien. In de winter ook in nog opener terrein te vinden, zoals kwelders [lit. 8]. Huismus Huismussen stellen prijs op een rommelige menselijke omgeving, met struikgewas, schuren, weilanden met vee, gemorst graan en zo verder.
Talrijkst in dorpen en in oudere buitenwijken, met rommelige tuinen. Als er veel hoge bomen staan, verdwijnt de huismus. De huismus heeft twee tot drie legsels per broedseizoen met elk vier tot zes eieren. Broedduur: elf á twaalf dagen. Huismussen broeden in een los kolonieverband. Het nest wordt vooral gemaakt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten, Het slordige nest bestaat uit takjes, stro, veertjes en hondenharen [lit. 8]. Steenuil Veelal kleinschalige cultuurlandschappen met een variatie aan houtwallen, heggen, weitjes en knoestige bomen. In grootschalige landbouwgebieden is de steenuil afhankelijk van gevarieerde erven bij boerderijen of vrijstaande huizen. Jachtgebied bestaat uit open terrein met het hele jaar door lage vegetatie (beweiding). Voorts zijn er voldoende zitplaatsen van 1 tot 1,5 meter hoogte (paaltjes bijvoorbeeld) om vanuit te jagen. Er zijn schuilplaatsen en broedholen in oude bomen, schuren, gebouwen en dergelijke [lit. 8]. Wespendief Loofbossen en gemengde bossen, met open plekken, heide, hoogvenen en graslandjes. Ook moerasbos en kleinschalig cultuurland met bos. Op trek overal waar te nemen. Overwintert in bossen en bossavannen in tropisch Afrika. Bouwt jaarlijks een nest, maar knapt ook oude nesten op. Nestelt in kruin van hoge loof- en naaldbomen [lit. 8].
Veldbezoek Het plangebied biedt leefgebied voor vogelsoorten welke hun leefgebied vinden rondom gebouwen. Zo zijn er waarnemingen gedaan van ekster, zwarte kraai, houtduif, koolmees en pimpelmees. Er zijn tijdens het veldbezoek ook nesten waargenomen afbeelding 5.5 van ekster en zwarte kraai.
23 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
Afbeelding 5.5 Links, een groot nest met een diameter van ongeveer een halve meter. Rechts een middel groot nest met twee zwarte kraaien roepend naast het nest
De huizen binnen het plangebied kunnen dienen als nestlocatie van enkele soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Het gaat hierbij om huismus en gierzwaluw. Tijdens het veldbezoek zijn waarnemingen gedaan van huismussen, die nest indicerend gedrag vertoonden. Zo werd er paarvorming waargenomen, en werden er individuen gezien die onder dakpannen kropen (geschikte nestlocaties). De huismussen werden in groepen waargenomen, die luid roepend langs de verschillende potentiële nestlocaties trokken. Deze groepen werden voornamelijk langs het westelijk deel van de N264 waargenomen. Afbeelding 5.6 geeft een aantal huizen weer waar activiteit van huismussen werd waargenomen. Gierzwaluwen werden tijdens het veldbezoek niet waargenomen aangezien deze nog niet in Nederland zijn terug gekeerd. Er zijn wel voldoende geschikte nestgelegenheden aanwezig binnen het plangebied is de vorm van huizen met kapotte of verschoven dakpannen.
24 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
Afbeelding 5.6 Daken met geschikte verblijfplaatsen voor huismus. Met een rode pijl is een zingende huismus (man) aangegeven
Zingende huismus
Aan de noordoostelijke zijde van het plangebied is een steenuilenkast aanwezig afbeelding 5.7. Als gevolg van de zeer beperkte afstand tot de weg (< 15 meter) wordt de kast als gevolg van verstoring door de weg niet geschikt geacht als verblijfplaats voor steenuil.
25 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
Afbeelding 5.7 Een steenuilenkast in een tuin aan de meest noordoostelijke van het plangebied
Effecten en conclusie De aanwezigheid van broedvogels binnen de contouren van het plangebied is niet uit te sluiten. Voor deze broedvogels geldt dat werkzaamheden tijdens het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) voor verstoring kunnen zorgen door trillingen of geluid. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing voor het verstoren van broedvogels is meestal niet mogelijk. De effecten op vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn namelijk gemakkelijk te voorkomen, te weten door in principe drie mogelijkheden: - buiten het broedseizoen werken, dit met risico dat sommige vogels tot in september kunnen broeden; - de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; - het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels. Als werkzaamheden plaats gaan vinden in het broedseizoen, moet een deskundige eerst vaststellen dat er geen broedende vogels aanwezig zijn in het plangebied.
Wanneer kan worden geconstateerd dat in de directe omgeving van de werkzaamheden geen vogels broeden bij de start van de werkzaamheden, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Mochten er wel broedende vogels aanwezig zijn binnen de verstoringcontour van de werkzaamheden mag er pas worden gestart met de werkzaamheden als er niet meer gebroed wordt. Doorgaans zijn de meeste vogels rond half juli uitgebroed, er zijn echter vogelsoorten die tot in september broeden. Huismus Verstoring van nesten van huismus door geluid en trillingen kan niet worden uitgesloten. Aantasting van de functionaliteit kan aan de orde zijn als het geschikte habitat voor de huismus in kwantiteit of kwaliteit afneemt, waardoor de plek niet meer de functie van voortplantingsplaats of rustplaats kan vervullen. Een
26 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
leefgebied moet de huismus het hele jaar blijvend voorzien in alles wat nodig is om succesvol te kunnen voortplanten of te kunnen verblijven. Om hier een ontheffing voor te krijgen is het nodig om nader soortgericht onderzoek uit te voeren, om in kaart te brengen waar de nesten zich bevinden, wat foerageergebieden zijn en hoe groot de populatie huismussen in het plangebied is. Aangenomen kan worden dat er geen broedende huismussen aanwezig zijn als er tijdens twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of tijdens vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni geen aanwezigheid kan worden aangetoond. De inventarisatie moet bij voorkeur onder de volgende omstandigheden plaatsvinden: - goede omstandigheden (bijvoorbeeld geen regen, harde wind en/of kou); - op geluidsluwe momenten (bijvoorbeeld de zondagmorgen in stedelijk gebied); - op geschikte momenten op de dag (tussen 1 à 2 uur na zonsopkomst en 1 à 2 uur voor zonsondergang is de meeste activiteit waar te nemen, met een piek in de ochtend); - met een tussenperiode van minimaal tien dagen. Overigens kan het daadwerkelijke broeden van de huismus ook al in de eerste helft van maart of nog tot en met augustus plaatsvinden, maar het exacte moment is afhankelijk van onder andere de weersomstandigheden.
Het is van belang dat ook in beeld wordt gebracht waar welke elementen van de functionele leefomgeving zich bevinden. Hiertoe behoren vooral de plekken waar gefoerageerd en geslapen wordt, zoals struiken, hagen, klimop en kruidenrijke vegetaties. Het slapen kan gedurende het jaar op wisselende plekken gebeuren. Ook de plekken waar gedronken of gebaad kan worden of waar een stofbad genomen kan worden, behoren hiertoe. Het vaststellen van de locaties van de slaapplekken kan gedurende het gehele jaar het beste rond zonsondergang of zonsopgang plaats vinden [lit. 11]. Gierzwaluw Door de aanwezigheid van geschikt nestgelegenheid voor gierzwaluw, en de recente waarnemingen uit de NDFF, treedt mogelijk verstoring op van nesten van gierzwaluw. Om in kaart te brengen waar nesten van gierzwaluw zich bevinden, en hoeveel dit er zijn, is nader soortgericht onderzoek noodzakelijk. Tijdens dit onderzoek dienen de locaties van de nesten en rustplaatsen en de omvang van de populatie in kaart te worden gebracht.
De afwezigheid van broedende gierzwaluwen kan voldoende aannemelijk gemaakt worden als er geen waarnemingen zijn verricht die duiden op de aanwezigheid van een nest na: - minimaal drie inventarisatiemomenten met een tussenliggende periode van minimaal tien dagen; - waarvan minimaal één inventarisatie tussen 20 juni en 7 juli (jongen aanwezig); - tussen 2 uur voor zonsondergang tot zonsondergang; - tijdens goede (droge) weersomstandigheden [lit. 12].
5.2.5
Amfibieën
Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 4] zijn in de afgelopen tien jaar in de omgeving van de planlocaties waarnemingen bekend van enkele algemeen voorkomende amfibiesoorten (bijlage A van de Wnb) zoals bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Binnen de provincie Noord-Brabant zijn deze soorten echter vrijgesteld. In de omgeving van het plangebied zijn ook waarnemingen gedaan van de niet-vrijgestelde soort alpenwatersalamander afbeelding 5.8. De waarnemingen concentreren zich rondom de vennen op de Molensche heide. Andere beschermde amfibiesoorten werden in de omgeving niet waargenomen.
27 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
Afbeelding 5.8 Waarnemingen in de afgelopen tien jaar van alpenwatersalamander in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]
De biotoopeisen van alpenwatersalamander wordt in onderstaand kader beschreven. Alpenwatersalamander De Alpenwatersalamander komt in Nederland in het zuiden en oosten voor, vaak in de buurt van bos en/of houtwallen. Hij heeft een voorkeur voor zandige leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. De Alpenwatersalamander is niet kieskeurig in verband met zijn voortplantingsbiotoop. In het voorjaar is hij in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. Alpenwatersalamanders overwinteren op het land. (Er zijn ook waarnemingen van kleine aantallen dieren, die de hele winter in het water verblijven.) In februari trekken ze naar het water [lit. 9]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werden geen, onder de Wnb beschermde, amfibieën aangetroffen. De aanwezige biotopen binnen het plangebied komen niet overeen met de biotoopeisen van beschermde amfibieën. De aanwezigheid van algemeen voorkomende amfibiesoorten zoals bruine kikker en gewone pad zijn in en rond het plangebied echter niet uit te sluiten. Effecten en conclusie De aanwezigheid van algemeen voorkomende amfibiesoorten kan in en rond het plangebied niet worden uitgesloten, voor deze soorten is echter een vrijstelling van kracht. De aanwezigheid van alpenwatersalamander is uit te sluiten.
Er bevindt zich geen geschikt habitat binnen het plangebied (loofbos op zandige leemgronden). De bestaande populatie centreert zich ook op een niet overbrugbare afstand voor de soort (meer dan 500 meter). Tevens is er geen geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig binnen het plangebied, gezien oppervlaktewater ontbreekt. Door de afwezigheid van geschikt biotoop voor andere beschermde amfibiesoorten, kan worden uitgesloten dat niet-vrijgestelde amfibiesoorten binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn
28 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroep uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
5.2.6
Reptielen
Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 4] zijn in de afgelopen tien jaar in de omgeving van het plangebied geen waarneming bekend van onder de Wnb beschermde reptielsoorten. Deze soorten komen dan ook voor in zeer specifieke biotopen zoals heiden en hoogveengebieden (levendbarende hagedis en adder), houtwallen en (spoor)wegbermen (hazelworm), zon beschenen en oude stenen muren (muurhagedis), natte vegetatierijke wateren (ringslang) en droge heideterreinen (zandhagedis) [lit. 9]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werden geen, onder de Wnb beschermde, reptielsoorten aangetroffen. De aanwezige biotopen binnen het plangebied komen niet overeen met de biotoopeisen van beschermde reptielsoorten. Effecten en conclusie Door de afwezigheid van geschikt biotoop voor reptielsoorten, kan worden uitgesloten dat beschermde reptielsoorten binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroep uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
5.2.7
Vissen
In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De aanwezigheid en de verstoring van beschermde vissoorten is daarmee uit te sluiten. Nader onderzoek en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig.
5.2.8
Vlinders, libellen en andere ongewervelden
Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 4] zijn in de afgelopen tien jaar in de omgeving van de planlocaties waarnemingen bekend van een de nationaal beschermde (bijlage A van de Wnb) dagvlinder grote vos afbeelding 5.9. De waarnemingen van deze soort zijn gedaan op een heideterrein te midden van De Molenheidse bossen ten zuidwesten van het plangebied.
29 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
Afbeelding 5.9 Waarnemingen in de afgelopen tien jaar van beschermde ongewervelden in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]
De biotoopeisen van grote vos wordt in onderstaand kader beschreven. Grote vos De grote vos vliegt op warme, zonnige plekken in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Waardplanten zijn vooral de iepen maar ook wilgen en soms ook fruitbomen (zoete kers) of meidoorn [lit. 10]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen vlinders, libellen en ongewervelden aangetroffen die onder de Wnb beschermd zijn. Hierbij wordt opgemerkt dat het veldbezoek, met betrekking tot vlinders, libellen en ongewervelden, niet in de meest geschikte periode van het jaar heeft plaatsgevonden. De plangebieden en de directe omgeving voldoen daarnaast niet aan de (over het algemeen hoge) eisen van beschermde vlinders, libellen en ongewervelden zoals heide, plantenrijke vennen, zuurstofrijke beken, verlandingsvegetaties met krabbescheer, zandstrandjes langs de grote rivieren, bloem- en/of kruidenrijke graslanden, blauwgraslanden, moerassen, bos, stromend water. Daarnaast komen de waardplanten van de soorten niet in het plangebied voor. Effecten en conclusie Door de afwezigheid van geschikt biotoop en waardplanten voor beschermde vlinder- of libelsoorten, kan worden uitgesloten dat beschermde dagvlinders, libellen of andere ongewervelde binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn.
Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroepen uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
30 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
6 SAMENVATTING 6.1
Gebiedsbescherming
Natura 2000 Het plangebied ligt op grote afstand (meer dan negen kilometer) van omliggende Natura 2000-gebieden. Als gevolg van deze afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden kan worden uitgesloten dat effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht (’s avonds en ’s nachts werken), trilling of optische verstoring optreden binnen de betreffende Natura 2000-gebieden als gevolg van het voornemen. Ondanks dat het plangebied op minimaal negen kilometer afstand van Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen/leefgebieden ligt, is stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Indien stikstofdeposities in Natura 2000-gebieden optreden, wordt verwacht dat deze door de aard en omvang van de werkzaamheden (en de tijdelijkheid daarvan), in combinatie met de afstand tot het plangebied laag zullen zijn. We adviseren daarom om de omvang en reikwijdte van de eventuele deposities met een AERIUS-berekening inzichtelijk te maken. Natuur netwerk Noord-Brabant Het plangebied ligt buiten het NNB. Voor gronden die grenzen aan het NNB, maar daar zelf buiten liggen, gelden volgens het provinciale NNN-beleid geen beperkingen. Het NNB heeft geen ‘externe werking’ die een toets van gebruik aangrenzend aan het natuurgebied verplicht stelt.
Omdat het plangebied geheel buiten het NNN valt, is er geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden.
31 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
6.2
Soortenbescherming
In de onderstaande tabel zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten samengevat.
Tabel 6.1 Samenvattende tabel soortenbescherming Soortgroep
Beschermde soorten in het plangebied of directe omgeving aanwezig?
vaatplanten
nee
grondgebonden zoogdieren
ja, voorkomen van algemene soorten (bijlage A) zoals egel en andere algemeen voorkomende muissoorten kan niet worden uitgesloten
vleermuizen
Gevolgen
Ontheffing aanvragen?
geen, wel zorgplicht
nee
nee, vrijstelling binnen provincie Noord-Brabant
geen, wel zorgplicht
nee
ja, voorkomen van soorten als gewone dwergvleermuis, laatvlieger, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis is niet uit te sluiten
ja, in en rondom het plangebied zijn potentiële verblijfplaatsen aanwezig
ja, nader soortgericht onderzoek is nodig
ja, indien uit het nader onderzoek blijkt dat beschermde waarden binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden aanwezig zijn
vogels
ja, het plangebied is geschikt voor verschillende algemeen voorkomende broedvogels en jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw
ja, kans op verstoren van broedgevallen en jaarrond beschermde nestplaatsen
nader onderzoek is nodig om te bepalen of jaarrond beschermde nesten binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden aanwezig zijn
ja, indien uit het nader onderzoek blijkt dat jaarrond beschermde nesten binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden aanwezig zijn
amfibieën
ja, het plangebied is geschikt voor algemeen voorkomende soorten zoals gewone pad en bruine kikker
nee, geen geschikt water aanwezig binnen het plangebied
geen, wel zorgplicht
nee
reptielen
nee
nee
geen, wel zorgplicht
nee
vissen
nee
nee, geen oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied
geen, wel zorgplicht
nee
vlinder, libellen, ongewervelden
nee
nee
geen, wel zorgplicht
nee
32 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
Kans op overtreding Wnb?
7 LITERATUUR 1 2
www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/, geraadpleegd op 11 februari 2020. European Environment Agency (2018). Natura 2000 End 2018 - shapefile, https://www.eea.europa.eu/data-and-maps/data/natura-10/natura-2000-spatial-data/natura-2000shapefile-1, geraadpleegd op 11 februari 2020 . 3 https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan/, geraadpleegd op 11 februari 2020. 4 NDFF-ecogrid database, geraadpleegd op 11 februari 2020. 5 www.wilde-planten.nl, geraadpleegd op 11 februari 2020. 6 www.Zoogdierenvereniging.nl, geraadpleegd op 11 februari 2020. 7 www.Vleermuis.net, geraadpleegd op 11 februari 2020. 8 www.vogelbescherming.nl; geraadpleegd op 11 februari 2020. 9 www.ravon.nl, geraadpleegd op 11 februari 2020. 10 www.vlinderstichting.nl, geraadpleegd op 11 februari 2020. 11 https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf, geraadpleegd op 11 februari 2020. 12 https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006-Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf, geraadpleegd op 11 februari 2020.
33 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
Bijlage(n)
I BIJLAGE: INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN OEFFELTER MEENT
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Bijlage I | Definitief
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Bijlage I | Definitief
II BIJLAGE: INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN MAASDUINEN
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Bijlage II | Definitief
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Bijlage II | Definitief
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Bijlage II | Definitief
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Bijlage II | Definitief
III BIJLAGE: INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN ZELDERSCHE DRIESSEN
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Bijlage III | Definitief
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Bijlage III | Definitief
IV BIJLAGE: VERORDENING RUIMTE NNB De onderstaande afbeeldingen geven de artikelen uit de verordening Ruimte Noord-Brabant weer, aangaande NNB.
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Bijlage IV | Definitief
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Bijlage IV | Definitief
www.witteveenbos.com
www.witteveenbos.com