11. Toelichting BP Bijlage VI Soortgericht onderzoek.pdf
Tekst van het document
N264 Herinrichting kom Sint Hubert WP2.2.3 Soortgericht onderzoek naar vleermuis, huismus en gierzwaluw
Provincie Noord-Brabant 16 november 2020
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
N264 Herinrichting kom Sint Hubert Provincie Noord-Brabant
WP2.2.3 Soortgericht onderzoek naar vleermuis, huismus en gierzwaluw Definitief 16 november 2020 117826/20-017.344
117826 ir. R.F. Vromans dr.ir. A.S. van Beinum
E. de Jongh BBA, BSc M. Wildenburg MSc, A. van de Craats MSc ir. R.F. Vromans
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding project
5
1.2
Doel
7
1.3
Leeswijzer
7
2
METHODIEK
8
3
RESULTATEN
12
3.1
Vleermuizen
12
3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5
12 12 13 13 14
Zomer- en kraamverblijfplaatsen Paarverblijfplaatsen Winterverblijfplaatsen Foerageergebieden Vliegroutes
3.2
Huismus
15
3.3
Gierzwaluw
17
3.4
Belang van het projectgebied
17
3.4.1 3.4.2 3.4.3
17 20 20
Vleermuizen Huismus Gierzwaluw
4
CONCLUSIE EN DOORKIJK VERVOLG
21
4.1
Vleermuizen
21
4.2
Huismus
21
4.3
Gierzwaluw
22
Laatste pagina
22
Bijlage(n) I
Toetsingskader
Aantal pagina's 2
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding project
De N264, lokaal de Pastoor Jacobstraat geheten, loopt in Noord-Brabant van Uden in het westen (aansluiting op A50) via Haps (aansluiting op A73) tot Gennep in het oosten, dwars door de bebouwde kom van Sint Hubert, zie afbeelding 1.1. In 2018 is een verkennende studie uitgevoerd voor de N264 voor het deel UdenHaps. De bebouwde kom van Sint Hubert was daarin één van de probleemgebieden. Op basis van de verkenning heeft de Stuurgroep N264 (met daarin vertegenwoordigers van de provincie Noord-Brabant, gemeente Uden, gemeente Mill en Sint Hubert) besloten om een herinrichting van de bebouwde kom Sint Hubert te realiseren in plaats van een randweg rond Sint Hubert. Leefbaarheid, verkeersveiligheid en oversteekbaarheid voor langzaam verkeer zijn belangrijke aandachtspunten bij de herinrichting. Tussen oktober 2018 en november 2019 is een planstudie uitgevoerd naar de gewenste herinrichting. Een lokale werkgroep heeft hierbij het ontwerpproces ondersteund. Hieruit is een principeplan (gedragen voorkeursalternatief) gekomen. De Stuurgroep N264 heeft dit principeplan vastgesteld. In dit plan zijn de aandachtspunten leefbaarheid, verkeersveiligheid en oversteekbaarheid langzaam verkeer geborgd.
Om de volgende stap te zetten in de herinrichting van de N264 heeft de provincie Noord-Brabant ‘Het opstellen van een geïntegreerd contract op basis van UAV-GC, alsmede het voorbereiden en ondersteunen bij de aanbesteding ten behoeve van het werk, N264 Herinrichting kom Sint Hubert’ uitgevraagd bij Witteveen+Bos. Eerder genoemd principeplan is de basis voor deze projectfase. In februari 2020 is verkennend natuuronderzoek uitgevoerd door Witteveen+Bos [bijlage II]. Uit het verkennend natuuronderzoek is gebleken dat voor vleermuizen, huismussen en gierzwaluw mogelijk beschermde waarden in en rond het plangebied aanwezig zijn. Deze beschermde natuurwaarden kunnen mogelijk worden aangetast door de herinrichting. In het voor- en najaar van 2020 is daarom door ecologen van Witteveen+Bos soortgericht onderzoek uitgevoerd naar deze soorten. Voorliggend rapport is de uitwerking van dit nader soortgericht onderzoek naar vleermuizen, huismussen en gierzwaluw.
5 | 22
Witteveen+Bos | 117826/20-017.344 | Definitief
Afbeelding 1.1 N264 Sint Hubert (bron: Open Street Maps)
Afbeelding 1.2 Begrenzing plangebied
De begrenzing van het plangebied is opgenomen in afbeelding 1.2. Het plangebied bestaat uit de geasfalteerde weg N264/Pastoor Jacobsstraat, de tussenberm met geïsoleerd liggende bomenrijen en ondergroei van (intensief onderhouden) gras. Aan weerszijden van de N264/Pastoor Jacobsstraat staan individuele bomen, straatlantaarns en op een afstand vanaf ongeveer 10 m vrijstaande woonhuizen. De N264/Pastoor Jacobsstraat is een doorgaande weg en wordt intensief gebruikt door vracht- en autoverkeer.
6 | 22
Witteveen+Bos | 117826/20-017.344 | Definitief
1.2
Doel
Doel van dit rapport is om te beoordelen welke functies het plangebied, zoals weergegeven in afbeelding 1.2, heeft voor vleermuizen, huismus en gierzwaluw, en het belang van het plangebied en de directe omgeving voor deze soorten. Vervolgens is beschreven of en welke aanvullende maatregelen nodig zijn ten aanzien van de aanwezige soorten tijdens de uitvoering van het project. Dit wordt gedaan aan de hand van een beschrijving van het gebruik van het plangebied voor de verschillende (potentieel) voorkomende vleermuissoorten. Effecten van de gebruiksfase van de herinrichting van de kom van Sint-Hubert worden niet beoordeeld. Het gebruik van het plangebied na afronding van de werkzaamheden verschilt namelijk niet significant van het gebruik in de huidige situatie.
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 1 geeft de aanleiding en de geplande werkzaamheden. Hoofdstuk 2 beschrijft de gebruikte methode. Hoofdstuk 3 geeft de resultaten van de onderzoeken. Hoofdstuk 4 geeft de conclusies en een doorkijk naar het vervolg. Hoofdstuk 5 bevat een overzicht van de gebruikte literatuur.
7 | 22
Witteveen+Bos | 117826/20-017.344 | Definitief
2 METHODIEK Het toetsingskader is opgenomen als bijlage I. Vleermuisonderzoek Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 20171, door de ter zake kundige ecologen A. van de Craats MSc, M.R. de Groot MSc, J. Schuitemaker BSc, E. de Jongh BSc, J. Aernouts MSc en ir. W.R. Roosen, allen werkzaam bij Witteveen+Bos en L. Sluiter MSc, werkzaam bij Sluiter Eco Advies en Onderzoek. Vanwege de lengte van het plangebied (900 m) is elke onderzoeksronde uitgevoerd door drie of vier ecologen, zodat de volledige lengte met voldoende intensiteit is onderzocht. De inventarisaties zijn daarbij afgestemd op de te verwachten soorten en functies. Uit de quickscan [bijlage II] is gebleken dat er in de aan het plangebied aangrenzende woningen mogelijk geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn, omdat er woningen zijn met open stootvoegen en/of kapotte dakpannen waar vleermuizen een verblijfplaats kunnen hebben.
Ook kan het plangebied en de directe omgeving gebruikt worden als vliegroute en/of foerageergebied, zo volgt uit de quickscan; ‘er zijn bomenrijen aanwezig welke potentieel geschikt zijn als vliegroute, of als hop-over tussen de kern van Sint Hubert en het buitengebied.’ Op basis van het aanwezige biotoop in de omgeving (stedelijke omgeving, rondom een drukke weg met aan weerszijden woonhuizen en op verschillende locaties bomen) zijn soorten die gebruik maken van stedelijke omgeving (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis) als focussoorten gebruikt. Van deze soorten is de kans op aanwezigheid op voorhand het grootst geacht. Het gaat om de aanwezigheid van zomerkraam- en/of paarverblijfplaatsen alsook vliegroutes/foerageergebied van de in de omgeving voorkomende soorten (zie ook tabel 2.1). Overige soorten waar de focus niet op lag kunnen het plangebied sporadisch passeren, maar zijn niet gebonden aan het plangebied. Winterverblijfplaatsen zijn in het plangebied voor de meeste van de te verwachten soorten op voorhand uit te sluiten. In de winterperiode gaan vleermuizen immers op zoek naar plekken met gunstige klimaatcondities, vorstvrij en zonder (sterke) temperatuurschommelingen. Dit zijn veelal (ondergrondse)gebouwen, kelders en grotten, en voor sommige soorten bomen. Dit is ook afhankelijk van de temperatuur in de winter.
Gewone dwergvleermuis is een soort die mogelijk een (massa)winterverblijf heeft in of nabij het plangebied, omdat deze soort vergelijkbare verblijfplaatsen benut in de winter als de zomer ( in Nederland onder andere spouwmuren, onder dakpannen en daklijsten, maar ook betonnen bruggen).
Tabel 2.1 Overzicht onderzochte focussoorten en functies van het vleermuisonderzoek 2020 Soort/Functie
Zomer- en/of kraamverblijfplaats (bomen, schuren)
Paarverblijfplaats (bomen, schuren)
Winterverblijf
Vliegroute/foeragee rgebied (bomenrij, gevels langs straten)
gewone dwergvleermuis
x
x
x
x
ruige dwergvleermuis
x
x
1
x
Het vleermuisprotocol 2017 heeft tot doel het belang van de functies van gebieden voor soorten vleermuizen effectief en efficiënt vast te stellen voor de Wet natuurbescherming. Het is een hulpmiddel voor deskundige vleermuisonderzoekers en de beoordelaars van vleermuisonderzoek om te bepalen wat een juridisch redelijke onderzoeksinspanning is voor een specifieke locatie.
8 | 22
Witteveen+Bos | 117826/20-017.344 | Definitief
Soort/Functie
Zomer- en/of kraamverblijfplaats (bomen, schuren)
Paarverblijfplaats (bomen, schuren)
Winterverblijf
Vliegroute/foeragee rgebied (bomenrij, gevels langs straten)
laatvlieger
x
x
x
gewone grootoorvleermuis
x
x
x
Het onderzoek in 2020 bestond uit inventarisatierondes gericht op zomer- en/of kraamverblijven, paarverblijven, van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en grootoorvleermuis en vliegroutes en foerageergebied in het gebied: - zomer- en kraamverblijven: in de periode 15 mei juni 2020–15 juli 2020 is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van zomer- en kraamverblijven van vleermuizen. Deze inventarisatie bestond uit drie ronden, waarvan er één in de vroege ochtend vanaf circa drie uur voor zonsopkomst werd uitgevoerd. Twee ronden vonden ’s avonds plaats vanaf zonsondergang; - paarverblijven: in de periode 15 augustus 2020–15 september 2020 zijn twee inventarisaties uitgevoerd, teneinde paarverblijven vast te stellen dan wel uit te sluiten. De inventarisaties zijn afgestemd op de te verwachten soorten; - winterverblijven: in de winterperiode gaan vleermuizen op zoek naar plekken met gunstige klimaatcondities, vorstvrij en zonder (sterke) temperatuurschommelingen. Dit zijn veelal gebouwen en voor sommige soorten bomen (rosse vleermuis). ten behoeve van het onderzoek naar winterverblijven van gewone dwergvleermuis is tijdens veldbezoeken tussen 1 augustus en 10 september aandacht besteed aan het middernachtzwermen van vleermuizen bij potentiële winterverblijven.
Onderzoek naar winterverblijfplaatsen van overige soorten is niet specifiek uitgevoerd, omdat de aanwezige huizen en bomen in het plangebied niet voldoen aan de eisen voor de meeste soorten of omdat een inspectie op zicht in de winter niet mogelijk is. Voor deze soorten kan worden aangenomen dat een paarverblijfplaats ook in de winter in gebruikt is als de klimaatcondities gunstig zijn; - vliegroutes en foerageergebied: het inventariseren van vliegroutes en foerageergebied is simultaan met de overige vleermuisinventarisaties uitgevoerd. De inventarisatie met betrekking tot vleermuizen zijn uitgevoerd met behulp van een batdetector Petersson D240X, D100 en M500-384 USB Ultrasound Microphone in combinatie met de applicatie Vleermuis recorder (Bat Recorder, versie 1.0R154) op een smartphone. Voor opnames van ultrasone geluiden is gebruik gemaakt van Elekon Batlogger M en M500-384 USB Ultrasound Microphone in combinatie met de applicatie Vleermuis recorder (Bat Recorder, versie 1.0R154) op een smartphone. Overzicht veldbezoeken Tabel 2.2 geeft een overzicht van de momenten waarop onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd en de bijbehorende weersomstandigheden.
Tabel 2.2 Overzicht veldbezoeken (en bijhorende weersomstandigheden) in het kader van het vleermuisonderzoek Nr
Datum
Tijd
1
19/05
2.39 - 5.39 u
05.39 u
9
1 Bft, ZW helder
droog
4
2
04/06
21.54 - 00.24 u
21.54 u
11
2 Bft, NW zwaar bewolkt
droog
4
9 | 22
Zon op/ Temp. onder (°C)
Witteveen+Bos | 117826/20-017.344 | Definitief
Wind Bewolking
Neerslag
Aantal personen
Nr
Datum
Tijd
Zon op/ Temp. onder (°C)
Wind Bewolking
Neerslag
Aantal personen
5
09/07
21.58 - 00.28 u
21.58 u
16
3 Bft, ZW bewolkt
droog
4
6
18/08
20.57- 2.00 u
20.57 u
19
2 Bft, WZW bewolkt
droog
3
7
08/09
20.40- 2.00 u
20.10 u
16
3 Bft, ZW bewolkt
droog
3
Gierzwaluwonderzoek Het onderzoek naar de gierzwaluw is uitgevoerd op basis van het kennisdocument van de gierzwaluw1. In het Kennisdocument wordt voorgeschreven dat de aanwezigheid van een nest van deze soort kan worden aangetoond wanneer in het plangebied waarnemingen worden gedaan van laagvliegende individuen (op dakgoot, nok en huishoogte) of waarneming van individuen die een mogelijke nestplaats bezoeken (invliegen). Aangenomen kan worden dat er geen broedende gierzwaluwen aanwezig zijn als er tijdens drie gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei tot en met 15 juli (waarvan tenminste 1 in de periode 20 juni - 7 juli), tussen twee uur voor zonsondergang en zonsondergang onder goede (droge) weersomstandigheden aanwezigheid van de gierzwaluw niet wordt aangetoond. Er zijn drie gerichte veldbezoeken uitgevoerd in de periode 15 mei - 15 juli, bij goede weersomstandigheden en tussen twee uur voor zonsondergang en zonsondergang. Tijdens de veldbezoeken is een visuele inventarisatie uitgevoerd van (laag) vliegende gierzwaluwen en potentiële invlieglocaties. Overzicht veldbezoeken Tabel 2.3 geeft een overzicht van de momenten waarop onderzoek naar gierzwaluw is uitgevoerd en de bijbehorende weersomstandigheden.
Tabel 2.3 Overzicht veldbezoeken voor gierzwaluw (en bijhorende weersomstandigheden) Nr
Datum
Tijd
Zon onder
Temp. (°C)
Wind Bewolking
Neerslag
1
4-62020
21:00-23:00
21:54
11
2 Bft NW zwaar bewolkt
droog
2
24-62020
20:00-22:00
22:04
22
2 Bft O helder
droog
3
9-72020
21:00-23:00
21:58
16
3 Bft, ZW bewolkt
droog
Huismussenonderzoek Het onderzoek naar de huismus is uitgevoerd op basis van het kennisdocument van de huismus2. In het Kennisdocument wordt voorgeschreven dat de aanwezigheid van een nest van deze soort kan worden aangetoond wanneer in het plangebied een nest-indicatieve waarneming of een waarneming in potentieel broedbiotoop wordt gedaan. Aangenomen kan worden dat er geen broedende huismussen aanwezig zijn als er tijdens twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei, aanwezigheid van de huismus niet wordt aangetoond. Er zijn twee veldbezoeken in deze geschikte periode (april - half mei) uitgevoerd, waarbij rekening is gehouden met de vooropgestelde minimale tussenperiode van 10 dagen tussen twee opeenvolgende veldbezoeken. De veldbezoeken zijn uitgevoerd onder geschikte weersomstandigheden (geen regen, wind <4 Bft) en binnen twee uur na zonsopkomst, of twee uur voor zonsondergang. Tijdens de veldbezoeken is een inventarisatie uitgevoerd van zingende dieren.
1 BIJ12, 2017, Kennisdocument Gierzwaluw, versie 1.0. BIJ12 juli 2017. 2 BIJ12, 2017, Kennisdocument Huismus, versie 1.0. BIJ12 juli 2017.
10 | 22
Witteveen+Bos | 117826/20-017.344 | Definitief
Overzicht veldbezoeken Tabel 2.4 geeft een overzicht van de momenten waarop onderzoek naar huismussen is uitgevoerd en de bijbehorende weersomstandigheden.
Tabel 2.4 Overzicht veldbezoeken voor huismus (en bijhorende weersomstandigheden) Nr
Datum
Tijd
Zon op/ onder
Temp. (°C)
1
8-42020
6:55-7:55
6:55
2
24-42020
6:30-8:30
6:21
11 | 22
Witteveen+Bos | 117826/20-017.344 | Definitief
Wind Bewolking
Neerslag
9
1 ZW helder
geen
8
2 ZO helder
geen
3 RESULTATEN 3.1
Vleermuizen
3.1.1
Zomer- en kraamverblijfplaatsen
Tijdens de bezoeken van 15 mei 2020, 4 juni 2020 en 9 juli 2020 zijn geen waarnemingen gedaan van in- of uitvliegende vleermuizen en tevens geen waarnemingen gedaan van zwermende individuen. Er zijn daarmee geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van zomer- en of kraamverblijfplaatsen in het plangebied en de woningen/bomen direct (tot 50 m) naast het plangebied.
3.1.2
Paarverblijfplaatsen
Gewone dwergvleermuis Verspreid over het traject zijn verschillende locaties waar baltsterritoria van gewone dwergvleermuis waargenomen. Op die locaties vlogen tijdens de veldbezoeken van 18 augustus 2020 en/of 8 september 2020 roepende vleermuizen consequent rond dezelfde woningen. Er zijn geen in- of uitvliegers waargenomen. Deze baltsterritoria bevinden zich verspreid langs de N264/Sint Jacobslaan. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bevinden zich op die locaties paarverblijven van gewone dwergvleermuis. Deze bevinden zich (van oost naar west) ter hoogte van de N264/Pastoor Jacobsstraat nummers 56, 34 (juwelier Verlinden), 30, 21 en Kievitsdwarsweg 1 (afbeelding 3.1). In het pand aan de N264/Sint Jacobsstraat 34 is een roepend individu van gewone dwergvleermuis vanuit een verblijfplaats waargenomen. Overige soorten Er zijn geen waarnemingen gedaan van sociale geluiden van andere soorten dan gewone dwergvleermuis. Ook zijn er geen invliegers of zwermende individuen waargenomen. Er zijn dus geen aanwijzingen voor paarverblijfplaatsen van andere soorten, waardoor het voorkomen daarvan in het plangebied wordt uitgesloten.
12 | 22
Witteveen+Bos | 117826/20-017.344 | Definitief
Afbeelding 3.1 Paarverblijven van gewone dwergvleermuis rondom het plangebied
34
21
56
30 Kievitsdwarsweg 1
3.1.3
Winterverblijfplaatsen
Tijdens de veldbezoeken van 18 augustus 2020 en 8 september 2020 zijn geen zwermende individuen waargenomen. Er zijn dus geen aanwijzingen aangetroffen voor winterverblijfplaatsen in het plangebied en de woningen/bomen direct (tot 50 m) naast het plangebied. Op basis van deze resultaten wordt het voorkomen van winterverblijfplaatsen voor vleermuizen in het plangebied uitgesloten.
3.1.4
Foerageergebieden
Gewone dwergvleermuis In en direct langs het plangebied (tot 50 m afstand en op enkele locaties verder) zijn meerdere locaties waar foeragerende gewone dwergvleermuizen werden waargenomen. Op de locaties waar werd gefoerageerd zijn meerdere bomen aanwezig en is sprake van (enige mate van) openheid in de vorm van een tuin, een grasveld, of een pleintje. Het foerageren was steeds kort (individuen vlogen binnen een minuut door naar een andere locatie) en nooit meer dan 1-2 individuen tegelijk. Zie afbeelding 3.2 voor waarnemingen van foeragerende vleermuizen. Laatvlieger Enkel op het plein voor Pastoor Jacobsstraat 34 is een waarneming gedaan van foeragerende laatvlieger. Het foerageren was kort en door 1 individu. Overige soorten Voor alle overige soorten geldt dat er geen waarnemingen zijn gedaan van foeragerende individuen.
13 | 22
Witteveen+Bos | 117826/20-017.344 | Definitief
Afbeelding 3.2 Waarnemingen foeragerende vleermuizen rondom het plangebied
Voortsestraat
Tennisbaan
Het aantal vleermuizen dat gebruik maakt van deze foerageergebieden is zeer beperkt. Slechts op vier locaties werden drie vleermuizen waargenomen die gelijktijdig foerageerden. Dit was ter hoogte van de kapel, bij de tennisbaan (buiten plangebied) en aan de Voortsestraat (buiten plangebied). Binnen het plangebied en de direct aanliggende percelen werd steeds slechts kort gefoerageerd; individuen foerageerden nooit lang op dezelfde locatie en vlogen binnen een minuut weer door naar andere locaties.
3.1.5
Vliegroutes
Gewone dwergvleermuis Overvliegende gewone dwergvleermuizen zijn waargenomen verspreid over het plangebied. In het midden van het plangebied, tussen N264/Pastoor Jacobstraat 24A en N264/Pastoor Jacobsstraat 34 (de juwelier) is een relatief hoge concentratie van overvliegende vleermuizen waargenomen. Daar worden de aanwezige bomen in de middenberm en aan weerszijden van de straat waarschijnlijk gebruikt als ‘hop-over’ over de N264/Pastoor Jacobsstraat. De dominante vliegrichting is haaks op de N264/Pastoor Jacobsstraat. Dit duidt er op dat de straat zelf niet als vliegroute dient, maar slechts wordt overgestoken om tussen verschillende gebieden te verplaatsen. Over de gehele lengte van het plangebied (N264/Pastoor Jacobstraat) steken vleermuizen over, maar dit zijn kleine aantallen en geen concentraties. Andere concentraties van overvliegende vleermuizen, of duidelijke vliegroutes zijn niet waargenomen. Zie afbeelding 3.3 voor waarnemingen van overvliegende vleermuizen. Overige soorten Af en toe vloog er een laatvlieger (enkele waarnemingen per onderzoeksronde) en heel sporadisch (1-2 maal per onderzoeksronde) een rosse vleermuis. Ruige dwergvleermuis is eenmaal waargenomen, aan de uiterste westzijde van het plangebied. Zie afbeelding 3.3 voor de betreffende waarnemingen.
Voor al deze soorten geldt dat er geen duidelijke vliegroute is vastgesteld, omdat de waarnemingen niet geconcentreerd waren.
14 | 22
Witteveen+Bos | 117826/20-017.344 | Definitief
Afbeelding 3.3 Overvliegende vleermuizen
3.2
Huismus
Tijdens de bezoeken zijn in de directe omgeving van het plangebied op verschillende daken nestplaatsen van huismussen aangetroffen. Deze plaatsen liggen allen in het westelijke deel van het plangebied (afbeelding 3.5). Het dichtstbijzijnde dak met een nestlocatie heeft het adres N264/Pastoor Jacobsstraat 43A en is gelegen op circa 10 m van het plangebied. In totaal zijn rondom het plangebied 23 verschillende nesten van huismus gevonden. Deze liggen allen binnen een straal van 50 m van het plangebied en hebben in de directe omgeving ook functioneel leefgebied in de vorm van (grote) tuinen met struiken (geschikt als schuilplaats en voedselbron), voedsel in de vorm van zaden en stofbaden. Drinkplekken zijn aanwezig in de wijdere omgeving (100-200 m), in de vorm van slootjes, greppels en vijvers. Zie afbeelding 3.4 voor voorbeelden van aangetroffen nestlocaties. Afbeelding 3.5 geeft een overzicht van de locaties waar nesten van huismus zijn aangetroffen en hoeveel nesten daar aanwezig zijn.
15 | 22
Witteveen+Bos | 117826/20-017.344 | Definitief
Afbeelding 3.4 Voorbeelden aangetroffen nestlocaties huismussen (vanaf rechtsboven met de klok mee: Pastoor Jacobstraat 14, 20, 43A, 16)
Afbeelding 3.5 Nestlocaties huismus en aantallen rondom het plangebied
16 | 22
Witteveen+Bos | 117826/20-017.344 | Definitief
3.3
Gierzwaluw
Binnen het plangebied Tijdens de bezoeken zijn in het plangebied en de aanliggende woningen geen nesten van gierzwaluw aangetroffen. Een enkele groep gierzwaluwen is waargenomen op grotere hoogte boven het plangebied. Meerdere groepen gierzwaluwen zijn waargenomen op grotere hoogte ten noorden van het plangebied. Deze groepen bevonden zich op een afstand van meer dan 100 m van het plangebied. Hoogvliegende gierzwaluwen zijn geen indicatie voor nestlocaties. Buiten het plangebied Laagvliegende en invliegende gierzwaluwen zijn waargenomen in de Tamboerstraat, waar in totaal 3 nestlocaties zijn vastgesteld. De nestlocaties bevinden zich op 70 m of meer van het plangebied, waarbij woningen en tuinen het zicht op het plangebied onttrekken. In afbeelding 3.6 zijn deze locaties weergegeven.
Afbeelding 3.6: Nestlocaties gierzwaluw rondom het plangebied
Tamboerstraat
3.4
Belang van het projectgebied
3.4.1
Vleermuizen
Zomer- en kraamverblijfplaatsen Vanwege de afwezigheid van zomer- en kraamverblijfplaatsen in het plangebied en de aan het plangebied grenzende woningen en bomen heeft het plangebied en de omgeving geen functie voor zomer- en kraamverblijfplaatsen voor alle vleermuissoorten.
17 | 22
Witteveen+Bos | 117826/20-017.344 | Definitief
Paarverblijfplaatsen Gewone dwergvleermuis Er zijn verspreid langs de N264 vijf paarverblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuis. In de directe omgeving van het plangebied (maar buiten de verstoringscontour) zijn veel alternatieve geschikte woningen aanwezig waar gewone dwergvleermuis paarverblijven kan hebben. Het plangebied heeft geen hoge concentraties van paarverblijven en in de nabijheid zijn veel alternatieven aanwezig voor deze functie, dus heeft het plangebied daarmee geen groot belang voor gewone dwergvleermuis. Vleermuizen in paarverblijfplaatsen mogen niet worden verstoord. Overige soorten Voor alle overige vleermuissoorten ontbreken paarverblijfplaatsen in of nabij (binnen 50 m) het plangebied. Vanwege de afwezigheid van paarverblijfplaatsen in het plangebied en de aan het plangebied grenzende woningen en bomen heeft het plangebied en de omgeving geen functie voor paar verblijfplaatsen voor alle overige vleermuissoorten.
Winterverblijfplaatsen Vanwege de afwezigheid winterverblijfplaatsen in het plangebied en de aan het plangebied grenzende woningen en bomen heeft het plangebied en de omgeving geen functie als winterverblijfplaats voor vleermuizen. Foerageergebieden Gewone dwergvleermuis In en rondom het plangebied zijn diverse foerageergebieden voor gewone dwergvleermuis vastgesteld, verspreid over de gehele lengte van het plangebied. Deze foerageergebieden bestaan uit open ruimtes met beschutting en worden laag intensief (1-2 individuen, korte foerageerduur) gebruikt. Gelijkwaardige foerageergebieden voor deze soort komen in de directe en wijdere omgeving van het plangebied veelvuldig voor. In en rond Sint Hubert zijn namelijk veel (grote) tuinen met bomen, agrarische graslanden, en open plekken met beschutting door bomen en/of gebouwen. Deze gebieden liggen op korte afstand van het plangebied en zijn dus goed te bereiken. Buiten het plangebied loopt ook de straat de Nimrod. Deze straat bevat grote bomen, ondergroei, aanliggende woningen (welke potentieel geschikt zijn als verblijfplaats) en open plekken in de vorm van tuinen en pleinen.
Deze straat heeft met deze elementen geschiktere foerageergebieden dan het plangebied, omdat het plangebied grotendeels verhard is, minder bomen en ondergroei heeft en intensiever verlicht is en bovendien meer verstoring als gevolg van drukker autoverkeer kent. Het aantal foeragerende gewone dwergvleermuis binnen en vlak naast het plangebied is gering. Vanwege de grote hoeveelheid aanwezige alternatieven kunnen foeragerende vleermuizen eenvoudig uitwijken. Het plangebied en de aanliggende percelen zijn niet-essentieel voor foeragerende gewone dwergvleermuizen. Overige soorten Voor alle overige vleermuissoorten ontbreken waarnemingen van foeragerende individuen in of nabij (binnen 50 m) het plangebied. Vanwege de afwezigheid van foeragerende individuen in het plangebied en de aan het plangebied grenzende woningen en bomen heeft het plangebied en de omgeving geen functie voor foerageren voor alle overige vleermuissoorten.
Vliegroutes Tussen de N264/Pastoor Jacobstraat 24A en 34 is een concentratie van overvliegende gewone dwergvleermuizen vastgesteld. Deze locatie wordt gebruikt om de N264/Pastoor Jacobsstraat over te steken. Dit is een zogenoemde hop-over. Ter plaatse van de hop-over staan bomen direct naast de gevels van de woningen aan weerszijden van de N264/Pastoor Jacobsstraat en ook staan er bomen in de middenberm. Vleermuizen hebben over het algemeen weinig moeite met een straat oversteken. Deze locatie is echter erg geschikt als oversteekplaats tussen de bebouwing ten noorden van de N264/Pastoor Jacobsstraat en de zuidzijde van de N264/Pastoor Jacobsstraat. Op deze locatie zijn buiten het plangebied grotere open
18 | 22
Witteveen+Bos | 117826/20-017.344 | Definitief
plekken, afgeschermd door woningen/bomen. Deze bieden goede potentie voor foerageergebieden. Deze hop-over verbindt die bebouwing in het noorden met het buitengebied ten zuiden van de N264, zie afbeelding 3.7. Deze locatie is de enige locatie waar een dergelijke geschikte omgeving is voor een hop-over en waar ook een concentratie van waarnemingen is gedaan. Waarschijnlijk komt dit door de aanwezigheid van bomen in de middenberm (waardoor de oversteek kleiner is), en aansluiting op bomenrijen en het buitengebied. Om deze redenen is de hop-over hier dan ook essentieel. Verder staan over de lengterichting langs de N264/Pastoor Jacobsstraat en in de tussenberm binnen het plangebied meerdere bomen en korte bomenrijen. De bomenrijen bestaan uit enkele tot een tiental bomen die geïsoleerd liggen van elkaar. Daardoor zijn ze moeilijk bereikbaar voor vleermuizen. Tevens is er een grote mate van verstoring als gevolg van het verkeer op de N264/Pastoor Jacobsstraat en de sterke mate van verstoring door verlichting. Bij deze bomenrijen in het plangebied is slechts sprake van beperkte vleermuisactiviteit. In de directe omgeving, buiten de verstoringscontour, zijn meerdere straten en bomenrijen die gebruikt kunnen worden als alternatieve vliegroute.
Dit samen (beperkte activiteit, geïsoleerde ligging, huidige verstoring en alternatieven) maakt dat de N264 en de daar omheen staande bomen (anders dan de genoemde hop-over) geen onderdeel zijn van essentiële vliegroutes. Vleermuizen kunnen ook gebruik maken van gevels als oriëntatie. De gevels langs het plangebied zijn grotendeels van vrijstaande woningen, waarbij tussen de woningen tuinen en oprijlanen liggen. Dit maakt dat de woningen samen geen aaneengesloten lijnvormig element vormen. Tijdens de veldbezoeken zijn geen aanwijzingen waargenomen dat de gevels als vliegroute worden gebruikt door enige soort. De gevels zijn daarmee zeker geen (onderdeel van) een essentiële vliegroute.
Afbeelding 3.7: Hop-over tussen N264/Pastoor Jacobsstraat 24A en 34
19 | 22
Witteveen+Bos | 117826/20-017.344 | Definitief
Samenvatting - zomer-, kraam-, zwerm- en winterverblijfplaatsen ontbreken in het plangebied voor alle soorten vleermuizen. Voor gewone dwergvleermuis zijn in het plangebied 5 paarverblijfplaatsen aangetroffen; - foerageergebieden zijn in het plangebied aanwezig voor gewone dwergvleermuis, maar deze zijn niet essentieel. Voor alle andere soorten ontbreken foerageergebieden; - ter hoogte van N264/Pastoor Jacobstraat 24A en 34 kruist een essentiële vliegroute van gewone dwergvleermuis wel het plangebied (hop-over), waardoor de bomen op deze kruising essentiële elementen zijn voor vleermuizen. Essentiële en niet-essentiële vliegroutes ontbreken in het plangebied voor alle overige soorten. Tabel 3.1 geeft een overzicht van de functies per soort en het belang. Wanneer functies ontbreken in het plangebied zijn die niet weergegeven in de tabel.
Tabel 3.1 Beschermde functies voor vleermuizen in het plangebied o dit onderzoek Wet natuurbescherming
Soort Nederlandse naam/ Wetenschappelijke naam
Functie
Belang
artikel 3.5, HR IV
gewone dwergvleermuis/ Pipistrellus pipistrellus
paarverblijven vliegroute
essentieel essentieel (hop-over bij Pastoor Jacobsstraat 24A -34) niet - essentieel
foerageergebied
3.4.2
Huismus
Nesten van huismussen zijn jaarrond beschermd. Er zijn 23 nestlocaties van huismus aangetroffen in het plangebied. Daarnaast heeft huismus in de directe omgeving van deze nestlocaties functioneel leefgebied in de vorm van schuilplekken, foerageerplekken en stofbaden. Verstoring van die nesten en het daaromheen liggende functioneel leefgebied kan leiden tot aantasting van de plaatselijke staat van instandhouding.
3.4.3
Gierzwaluw
Binnen het plangebied zijn geen nestlocaties van gierzwaluw aanwezig. De meest nabij gelegen nestlocatie bevindt zich op ruime afstand van het plangebied (70 m). Alle overige waarnemingen betroffen overvliegende exemplaren, of groepen zwaluwen hoog vliegend in groepen. Het plangebied en de aanliggende woningen hebben geen functie voor gierzwaluw.
20 | 22
Witteveen+Bos | 117826/20-017.344 | Definitief
4 CONCLUSIE EN DOORKIJK VERVOLG 4.1
Vleermuizen
Verblijfplaatsen Binnen het plangebied en de aanliggende woningen en bomen zijn geen aanwijzingen voor kraam-, zomer, winterverblijfplaatsen voor vleermuizen. Voor deze functies zijn geen verdere maatregelen of een ontheffingsaanvraag nodig. Binnen het plangebied zijn 5 paarverblijfplaatsen aanwezig van gewone dwergvleermuis. Deze verblijfplaatsen kunnen als gevolg van de werkzaamheden worden verstoord. Om deze verstoring van paarverblijfplaatsen te voorkomen zijn maatregelen nodig. Maatregelen kunnen bestaan uit het beperken van werkzaamheden tot een bepaalde periode (buiten de paarperiode, welke loopt van 15 augustus tot 15 oktober) tot het inrichten van geschikte alternatieve verblijfplaatsen. De maatregelen die getroffen worden, worden in een activiteitenplan uitgewerkt en voorgeschreven. Verstoring van verblijfplaatsen wordt daarmee voorkomen. Mogelijk worden huidige verblijfplaatsen wel tijdelijk ongeschikt. Hiervoor is een ontheffingsaanvraag nodig. Foerageergebied Het plangebied wordt op verschillende locaties door gewone dwergvleermuizen en een enkele laatvlieger gebruikt als foerageergebied. Dit is echter altijd door relatief weinig individuen (3 of minder) en van korte duur. In de directe en wijdere omgeving van het plangebied is een veelvoud aan minstens even geschikte foerageergebieden aanwezig.
De foerageergebieden binnen het plangebied zijn dan ook niet essentieel. De optredende effecten zijn bovendien tijdelijk. Voor deze functies zijn geen verdere maatregelen of een ontheffingsaanvraag nodig. Vliegroutes In het plangebied is een essentiële vliegroute aanwezig voor gewone dwergvleermuis ter hoogte van de N264/Pastoor Jacobstraat 24A en 34: dit is een hop-over. De bomen bij deze hop-over zijn essentiële elementen voor gewone dwergvleermuis om de N264 over te steken. Het aantasten (kappen) van deze elementen is een overtreding van de Wnb. Om overtreding te voorkomen dient (een deel van) deze hopover gespaard te blijven, danwel gemitigeerd te worden als de bomen worden verwijderd. De precieze maatregelen om het (tijdelijk) verloren gaan van deze vliegroute te voorkomen moeten worden beschreven in een activiteitenplan. Effecten moeten worden gemitigeerd en dan is een ontheffingsaanvraag niet nodig.
4.2
Huismus
Nesten van huismussen zijn jaarrond beschermd. Er zijn 23 nestlocaties van huismus aangetroffen in het plangebied. Deze nestlocaties worden door de geplande werkzaamheden niet vernietigd, maar wel verstoord. De verstoring kan leiden tot het tijdelijk ongeschikt raken van de nestlocaties. Verstoring kan daarmee leiden tot aantasting van de plaatselijke staat van instandhouding. Dit is een overtreding van de Wnb. Om overtreding van de Wnb de voorkomen zijn mitigerende maatregelen en een ontheffingsaanvraag nodig.
21 | 22
Witteveen+Bos | 117826/20-017.344 | Definitief
4.3
Gierzwaluw
Binnen het plangebied zijn geen nestlocaties van gierzwaluw aanwezig. De meest nabij gelegen nestlocaties bevinden zich op ruimte afstand van het plangebied (70 m). Alle overige waarnemingen betroffen overvliegende exemplaren, of groepen zwaluwen hoog vliegend in groepen. Het plangebied en de aanliggende woningen hebben geen functie voor gierzwaluw. Verdere maatregelen of een ontheffingsaanvraag voor gierzwaluw zijn niet nodig.
22 | 22
Witteveen+Bos | 117826/20-017.344 | Definitief
Bijlage(n)
I BIJLAGE: TOETSINGSKADER
Witteveen+Bos | | 117826/20-015.859 | Bijlage | 117826/20-017.344 | Bijlage I | Definitief
Toetsingskader Soortenbescherming Onder de Wet natuurbescherming bestaat de soortenbescherming uit drie beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en ‘andere soorten’ (art. 3.10). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. In de navolgende paragrafen worden de verbodsbepalingen waaraan getoetst wordt, toegelicht. Vogelrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten heeft betrekking op de soorten zoals aangeduid in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Dit betreft alle van nature in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied. Voor vogelsoorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen; - het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten weg te nemen; - het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; - het is verboden vogels opzettelijk te storen. Het laatste verbod is echter niet aan de orde indien kan worden onderbouwd dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het bepalen of sprake is van een wezenlijke invloed is per soort en per situatie maatwerk.
De meeste vogelsoorten maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de hiervoor beschreven verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. Buiten het broedseizoen mogen deze nesten worden verwijderd of verplaatst, tenzij in specifieke situaties er een ecologisch zwaarwegend belang is om nesten die normaliter niet jaarrond beschermd zijn toch jaarrond te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer door een ingreep een groot deel van de nestgelegenheid van een bepaalde populatie dreigt te verdwijnen. Voor het verstoren van vogels (in het broedseizoen) is het verkrijgen van een ontheffing in principe niet mogelijk omdat bijna altijd een alternatief voorhanden is, namelijk werken wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming zijn altijd relevant voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten.
Jaarrond beschermde nesten zijn: 1 nesten die buiten het broedseizoen worden gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld steenuil); 2 nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop (bijvoorbeeld roek, gierzwaluw en huismus); 3 nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing (bijvoorbeeld ooievaar, kerkuil en slechtvalk); 4 vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd en ransuil). Habitatrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Habitatrichtlijnsoorten heeft betrekking op in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn. De verbodsbepaling voor planten heeft betrekking op soorten (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) uit bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern.
Voor deze dieren en planten van de Habitatrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden dieren opzettelijk te verstoren; - het is verboden eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; - het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen;
Witteveen+Bos | | 117826/20-015.859 | Bijlage | 117826/20-017.344 | Bijlage I | Definitief
-
het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Als deze verbodsbepalingen voor deze soorten worden overtreden, moet een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd.
Zorgplicht In artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht beschreven: ’eenieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving. Eenieder laat handelingen na, waarvan redelijkerwijs te vermoeden is, dat ze nadelig zijn voor in het wild levende dieren. Als dat nalaten in redelijkheid niet gevergd kan worden, dienen de gevolgen van dat handelen voor die dieren zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt te worden’. De zorgplicht geldt altijd.
Witteveen+Bos | | 117826/20-015.859 | Bijlage | 117826/20-017.344 | Bijlage I | Definitief
II BIJLAGE: QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SINT HUBERT
Witteveen+Bos | | 117826/20-015.859 | Bijlage | 117826/20-017.344 | Bijlage II | Definitief
N264 Herinrichting kom Sint Hubert WP2.2.3 Quickscan Wet natuurbescherming Sint Hubert
Provincie Noord-Brabant 16 november 2020
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
N264 Herinrichting kom Sint Hubert Provincie Noord-Brabant
WP2.2.3 Quickscan Wet natuurbescherming Sint Hubert Definitief 16 november 2020 117826/20-017.313
117826 ir. R.F. Vromans dr.ir. A.S.van Beinum
J. Schuitemaker BSc ir. W.B. Roosen ir. R.F. Vromans
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Stationsweg 5 Postbus 3465 4800 DL Breda +31 (0)76 523 33 33 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding project
5
1.2
Doel
6
1.3
Leeswijzer
6
2
PLANGEBIED
7
2.1
Beschrijving
7
2.2
Werkzaamheden
7
3
TOETSINGSKADER
10
3.1
Wet natuurbescherming
10
3.1.1 3.1.2
10 10
Gebiedsbescherming Soortenbescherming
3.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
12
4
GEBIEDSBESCHERMING
13
4.1
Natura 2000 (Wet natuurbescherming)
13
4.1.1 4.1.2
13 14
4.2
Gegevens Effecten en conclusie
Natuurnetwerk Nederland (NNB)
14
4.2.1 4.2.2
14 15
Gegevens Effecten & conclusie
5
SOORTENBESCHERMING
16
5.1
Methode
16
5.2
Beschrijving per soortgroep
16
5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6
16 18 20 22 27 29
Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Vogels Amfibieën Reptielen
5.2.7 5.2.8
Vissen Vlinders, libellen en andere ongewervelden
29 29
6
SAMENVATTING
31
6.1
Gebiedsbescherming
31
6.2
Soortenbescherming
32
7
LITERATUUR
33
Laatste pagina
33
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Instandhoudingsdoelstellingen Oeffelter Meent
2
II
Instandhoudingsdoelstellingen Maasduinen
4
III
Instandhoudingsdoelstellingen Zeldersche driessen
2
IV
Verordening ruimte NNB
2
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding project
De N264 loopt in Noord-Brabant van Uden in het westen (aansluiting op A50) via Haps (aansluiting op A73) tot Gennep in het oosten, dwars door de kom van Sint Hubert, zie afbeelding 1.1. In 2018 is er een verkennende studie geweest voor de N264 voor het deel Uden-Haps. De kom van Sint Hubert was daarin één van de probleemgebieden. Op basis van de verkenning heeft de Stuurgroep N264 (provincie NoordBrabant, gemeente Uden, gemeente Mill en Sint Hubert) besloten om een herinrichting van de kom Sint Hubert te realiseren en niet voor een randweg rond Sint Hubert te gaan. Leefbaarheid, verkeersveiligheid en oversteekbaarheid langzaam verkeer zijn belangrijke aandachtspunten bij de herinrichting. Tussen oktober 2018 en november 2019 is er een planstudie geweest naar de gewenste herinrichting. Een lokale werkgroep heeft hierbij het ontwerpproces ondersteund. Hieruit is een principeplan (gedragen voorkeursalternatief) gekomen, zie afbeelding 1.2. De Stuurgroep N264 heeft dit principeplan vastgesteld. In dit plan zijn de aandachtspunten leefbaarheid, verkeersveiligheid en oversteekbaarheid langzaam verkeer geborgd.
Om de volgende stap te zetten in de herinrichting van de N264 heeft de provincie Noord-Brabant ‘Het opstellen van een geïntegreerd contract op basis van UAV-GC, alsmede het voorbereiden en ondersteunen bij de aanbesteding ten behoeve van het werk, N264 Herinrichting kom Sint Hubert’ uitgevraagd bij Witteveen+Bos. Eerder genoemd principeplan is de basis voor deze projectfase. Voorliggend rapport is onderdeel van uitwerking van dit project.
Afbeelding 1.1 N264 Sint Hubert (bron: Open Street Maps)
5 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
Afbeelding 1.2 Impressie principeplan (bron: provincie Noord-Brabant)
1.2
Doel
Het doel van deze quickscan is om te toetsen: - welke effecten de werkzaamheden aan de herinrichting van de kom van Sint-Hubert hebben op: · beschermde gebieden (Natura 2000) in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb); · beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb); · het Natuurnetwerk Nederland (NNN); - wat de consequenties van deze mogelijke effecten zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (ontheffings- en/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen). Effecten van de gebruiksfase van de herinrichting van de kom van Sint-Hubert worden niet beoordeeld. Er vindt geen significant verschil in gebruik van het plangebied plaats na afronding van de werkzaamheden, in vergelijking met de huidige situatie.
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft het plangebied en de geplande werkzaamheden. Hoofdstuk 3 gaat in op het toetsingskader in relatie tot de natuurwet- en regelgeving. In hoofdstuk 4 wordt verkend of er effecten zijn te verwachten op beschermde gebieden die vallen binnen de Wnb. Hoofdstuk 5 beschrijft per soortgroep of er in of nabij het plangebied beschermde soorten aanwezig zijn en wat de effecten van het voornemen op deze beschermde soorten Wnb zijn. In hoofdstuk 6 wordt een samenvatting gegeven. In hoofdstuk 7 is de geraadpleegde literatuur weergegeven.
6 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
2 PLANGEBIED 2.1
Beschrijving
Het plangebied is gelegen ten zuidoosten van het dorp Mill, in het dorp Sint-Hubert. Het plangebied omvangt de N264, die door de kern van het dorp loopt afbeelding 2.1. Het dorp is gelegen in het landelijk gebied en grenst aan het natuurgebied Molenheide. Binnen het plangebied liggen enkele bermen, begroeid met gras en bomen zoals plataan en linde. Aangrenzend aan de weg staan aan weerszijden huizen met voortuinen. Deze zullen onaangeroerd blijven tijdens de werkzaamheden.
Afbeelding 2.1 De ligging van het plangebied en de N264
Mill Sint-Hubert
2.2
Werkzaamheden
Voor de herinrichting van de N264 wordt de gehele verharding van de weg en het aanliggende fietspad verwijderd en een deel van de bomen gekapt, op afbeelding 2.2 staan de te kappen bomen weergegeven. Tevens wordt een verkeersplein gerealiseerd ter hoogte van het kruispunt met de Lange Schoolstraat afbeelding 2.3. De werkzaamheden worden uitgevoerd met zwaar materieel zoals rupskranen, dumpers en
7 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
asfalteermachines, hierbij treedt verstoring in vorm van licht, geluid en trillingen op. Ook nachtelijke werkzaamheden gedurende een algehele afsluiting van de weg van enkele dagen kan niet worden uitgesloten.
Afbeelding 2.2 Te kappen bomen binnen de contouren van het plangebied
8 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
Afbeelding 2.3 Het herinrichtingsplan voor de N264 welke de kern van Sint-Hubert doorkruist
9 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
3 TOETSINGSKADER 3.1
Wet natuurbescherming
3.1.1
Gebiedsbescherming
In hoofdstuk 2 van de Wnb zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Nederland past een vergunningstelsel toe bij de bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten of andere handelingen, die gelet op de instandhoudingdoelen (IHD), verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied, zijn volgens artikel 2.7, lid 2 van de Wnb vergunningsplichtig. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden/ontwikkeling een significant negatief effect hebben op de beschermde natuurwaarden in het betreffende gebied. Indien significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een ‘passende beoordeling’ te worden uitgevoerd. Kunnen dergelijke significante effecten wel worden uitgesloten, maar kan er wel enige verslechtering plaatsvinden, dan is een verslechteringtoets vereist.
In het geval de passende beoordeling niet de zekerheid verschaft dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, moet de vergunning, c.q. de instemming, worden geweigerd, tenzij aan de ‘ADC-criteria’ voldaan wordt. Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van bij de wet genoemd belang (D) en dat door compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk gewaarborgd blijft (C). Effecten op Natura 2000-gebieden worden beoordeeld aan de hand van de IHD die in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden zijn vastgesteld. IHD betreffen zowel habitattypen als habitat- en vogelsoorten. In het kader van de alternatievenafweging wordt beoordeeld of er onderscheid is in de mate waarin de verschillende alternatieven effect hebben op de IHD en of er voor de verschillende alternatieven de kans bestaat dat significant negatieve effecten optreden.
3.1.2
Soortenbescherming
Onder de Wnb bestaat de soortenbescherming uit drie beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en ‘andere soorten’ (art. 3.10). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. In de navolgende paragrafen worden de verbodsbepalingen waaraan getoetst wordt, toegelicht.
10 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
Vogelrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten heeft betrekking op de soorten zoals aangeduid in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Dit betreft alle van nature in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied. Voor vogelsoorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen; - het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten weg te nemen; - het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; - het is verboden vogels opzettelijk te storen. Het laatste verbod is echter niet aan de orde indien kan worden onderbouwd dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het bepalen of sprake is van een wezenlijke invloed is per soort en per situatie maatwerk. De meeste vogelsoorten maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de hiervoor beschreven verbodsbepalingen van de Wnb. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen.
Buiten het broedseizoen mogen deze nesten worden verwijderd of verplaatst, tenzij in specifieke situaties er een ecologisch zwaarwegend belang is om nesten die normaliter niet jaarrond beschermd zijn toch jaarrond te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer door een ingreep een groot deel van de nestgelegenheid van een bepaalde populatie dreigt te verdwijnen. Voor het verstoren van vogels (in het broedseizoen) is het verkrijgen van een ontheffing in principe niet mogelijk omdat bijna altijd een alternatief voorhanden is, namelijk werken wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn. De Wnb kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De verbodsbepalingen van de Wnb zijn altijd relevant voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten.
Jaarrond beschermde nesten zijn: 1 nesten die buiten het broedseizoen worden gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld steenuil); 2 nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop (bijvoorbeeld roek, gierzwaluw en huismus); 3 nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing (bijvoorbeeld ooievaar, kerkuil en slechtvalk); 4 vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd en ransuil). Habitatrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Habitatrichtlijnsoorten heeft betrekking op in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn. De verbodsbepaling voor planten heeft betrekking op soorten (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) uit bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern.
Voor deze dieren en planten van de Habitatrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden dieren opzettelijk te verstoren; - het is verboden eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; - het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; - het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Als deze verbodsbepalingen voor deze soorten worden overtreden, moet een ontheffing van de Wnb worden aangevraagd.
11 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
‘Andere soorten’ Het beschermingsregime voor de ‘andere soorten’ heeft betrekking op de soorten uit bijlage A en B bij de Wnb. Hierin zijn lijsten met overige plant- en diersoorten opgenomen die, buiten de Vogel- en Habitatrichtlijn om, nationaal beschermd worden. Voor deze soorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen; - het is verboden vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Binnen de soortenlijsten in bijlage A en B bij de Wnb is geen onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar beschermde soorten. Zowel het Ministerie van LNV als de provincies zijn bevoegd om binnen deze lijsten soorten aan te wijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarvoor aangepaste voorwaarden gelden in het geval van een ontheffingsaanvraag. De provincie Noord-Brabant wijkt alleen af van de landelijke regelgeving op het gebied van kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing). Deze genieten geen vrijstelling, net zoals in de provincies Noord-Holland en Overijssel. Als er sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten is een ontheffing van de Wnb nodig.
Zorgplicht In artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wnb is de zorgplicht beschreven: ’eenieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving. Eenieder laat handelingen na, waarvan redelijkerwijs te vermoeden is, dat ze nadelig zijn voor in het wild levende dieren. Als dat nalaten in redelijkheid niet gevergd kan worden, dienen de gevolgen van dat handelen voor die dieren zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt te worden’. De zorgplicht geldt altijd.
3.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Natuurnetwerk Noord-Brabant Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Door natuur te verbinden blijft diversiteit behouden en verkleint de kans op uitsterven van soorten. Het Noord-Brabantse deel van dit natuurnetwerk wordt in de Verordening Ruimte Noord-Brabant aangeduid als Natuur Netwerk Brabant (NNB). De relevante artikelen van de Verordening Ruimte Noord- Brabant aangaande het NNB staan in bijlage IV van deze rapportage. Bij de beoordeling van effecten op het NNB dient ook te worden gekeken naar effecten van ingrepen buiten het NNB, maar dan alleen voor zover het effecten betreft die niet het gevolg zijn van de verspreiding van stoffen in de lucht of het water. Het gaat hierbij dan ook enkel om directe effecten die een negatief effect kunnen hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB (geluid, licht (’s avonds en ’s nachts werken), trilling of optische verstoring.
12 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
4 GEBIEDSBESCHERMING 4.1
Natura 2000 (Wet natuurbescherming)
4.1.1
Gegevens
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Oeffelter Meent, op circa 9 kilometer ten oosten van het plangebied afbeelding 4.1. Dit gebied heeft de status van Habitatrichtlijn gebied [lit. 1]. Op iets grotere afstand (circa 12 kilometer ten zuidoosten van het plangebied, ligt het Natura 2000-gebied Maasduinen. Dit heeft ook het status van Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn gebied [lit. 1]. Op een afstand van circa 13 kilometer ten oosten ligt het Natura 2000-gebied Zeldersche Driessen (Habitatrichtlijn gebied; [lit. 1]).
Afbeelding 4.1 De verschillende Natura 2000-gebieden in de nabijheid van het plangebied [lit. 1]
Hieronder wordt per Natura 2000-gebied een korte beschrijving gegeven van het gebied en van relevante aandachtspunten met betrekking tot het gebied.
13 | 33
Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief
Oeffelter Meent Oeffelter Meent is gelegen op een grofzandige oeverwal van een vroegere rivierloop van de Maas. Door het hoge aantal microreliëf en de overgangen tussen klei en zand is een gevarieerde vegetatie ontstaan. Zo bevinden zich binnen het gebied stroomdalgraslanden en glanshaverhooilanden [lit. 4]. Het Natura 2000gebied is aangewezen voor habitatsoorten kleine modderkruiper, kamsalamander, bever, en voor habitattypen stroomdalgraslanden (H6120) en glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510A) [lit. 4]. Een overzicht van deze habitattypen en -soorten, en hun landelijke staat van instandhouding en doelstelling staat in bijlage I. Maasduinen Door de Maas en de Rijn zijn er terrassen van verschillende hoogten ontstaan in het landschap. Op deze overgangen liggen nog enkele bijzondere stukken natuur gespaard gebleven zoals stukjes heide en stuifzand. De grotere stukken heiden bevatten veel vennen waarin in deels hoogveenvegetaties zijn ontstaan. Door de verscheidenheid in landschap heeft het gebied een belangrijke ecologische waarde voor veel verschillende soorten Flora en fauna. Het Natura 2000-gebied is aangewezen voor onder andere habitattypen zure vennen (H3160) en pioniersvegetaties met snavelbiezen (H7150), voor habitatsoorten gevlekte witsnuitlibel en drijvende waterweegbree en voor broedvogelsoorten dodaars en geoorde fuut.
Een overzicht van deze habitattypen, -soorten en broedvogels, en hun landelijke staat van instandhouding en doelstelling staat in bijlage II. Zeldersche Driessen Zeldersche Driessen is één van de weinige plaatsen in ons land waar op rivierduinen loofbos met in hoge maten natuurlijke samenstelling wordt aangetroffen. Verder bestaat het gebied uit twee kleine heidenterreinen en soortenrijke stroomdalgraslanden. Het Natura 2000-gebied is aangewezen voor habitattypen stroomdalgraslanden (H6120), ruigten en zomen (H6430C), beuken- eikenbossen met hulst (H9120) en droge hardhoutooibossen (H91F0). Een overzicht van deze habitattypen, en hun landelijke staat van instandhouding en doelstelling staat in bijlage III.
4.1.2
Effecten en conclusie
Het plangebied ligt op grote afstand (meer dan negen kilometer) van omliggende Natura 2000-gebieden. Als gevolg van deze afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden kan worden uitgesloten dat effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht (’s avonds en ’s nachts werken), trilling of optische verstoring optreden binnen de betreffende Natura 2000-gebieden als gevolg van het voornemen. Stikstofdepositie Ondanks dat het plangebied op minimaal 9 kilometer afstand van Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen/leefgebieden ligt, is stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Indien stikstofdeposities in Natura 2000-gebieden optreden, wordt verwacht dat deze door de aard en omvang van de werkzaamheden (en de tijdelijkheid daarvan), in combinatie met de afstand tot het plangebied laag zullen zijn. We adviseren daarom om de omvang en reikwijdte van de eventuele deposities met een AERIUS-berekening inzichtelijk te maken.