10 Toelichting.pdf - Toelichting.pdf
Tekst van het document
Een plan is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde con-
27
centratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Voor woningen gelden de volgende getalsmatige grenzen:
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500
Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000
Blijkens de ‘Regeling niet in betekende mate’ is er geen onderzoek nodig voor woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat. Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van één woning waarmee aldus ruimschoots onder de grens NIBM wordt gebleven. Hieruit wordt geconcludeerd dat het onderhavig initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteitseisen en dat verdere toetsing hieraan niet noodzakelijk is. Goed woon en leefklimaat Aangezien er in de toekomstige situatie in de te realiseren woning langer dan twee uur wordt verbleven door personen, dient mede beoordeeld te worden of sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het RIVM maakt jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties (in vaktermen GCN) en deposities (GDN) in Nederland in het kader van natuur- en milieubeleid. De kaarten zijn gebaseerd op een combinatie van modelberekeningen en metingen en zijn bedoeld voor het geven van een grootschalig beeld van de luchtkwaliteit en depositie in Nederland zowel voor jaren in het verleden als in de toekomst.
Ter hoogte van het plangebied gelden voor het jaar 2020 de volgende waarden: - Fijn stof (PM10) 17,74 µg/m3 (landelijke grenswaarde 40 µg/m3 jaargemiddelde en Interim verordening 31,2 µg/m3) - Stikstof 14,43 µg/m3 (grenswaarde 40 µg/m3 jaargemiddelde en Interim verordening 31,2 µg/m3) Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende en is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Concluderend kan gesteld worden dat het aspect lucht geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. 5.1.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteiten besluit milieubeheer vormen het toetsingskader bij vergunningverlening voor geur veroorzaakt door dierenverblijven van veehouderijen. Indirect hebben de Wgv en het Activiteitenbesluit ook consequenties voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de omgekeerde werking genoemd. Van belang is dat door ontwikkelingen in het voorliggende plan geen belemmeringen ontstaan voor de omliggende (agrarische) bedrijven en de bedrijfsontwikkeling van deze bedrijven. Anderzijds dient gelet op het verblijf van meer personen langer dan twee uur op de locatie beoordeeld te worden of sprake is van een acceptabel geurniveau in relatie tot het woon- en leefklimaat. In de huidige en toekomstige situatie komt er geen geuremissie vrij op het perceel. De locatie zelf is geurgevoelig.
Daarbij dient de bestaande naastgelegen woning
28
ook reeds beschouwd te worden als geurgevoelig. Daarom dienen omliggende veehouderijen nu al rekening te houden met de direct naastgelegen locatie bij de berekening van de voorgrondbelasting en worden zij door onderhavige ontwikkeling niet direct verder belemmerd. In de directe omgeving zijn daarbij geen intensieve veehouderijen met een geuremissiefactor gelegen. Wel zijn er aantal veehouderijen in de omgeving gelegen waarvoor vaste afstanden gelden. In de geurverordening van Cuijk vastgesteld op 25 november 2013 is daarover gesteld; dat de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, tenminste 25 meter bedraagt. Dit tot een maximum van 300 stuks rundvee, naast eventueel bijbehorend jongvee. Daarboven geldt de wet, waarbij de afstand minimaal 50 meter dient te bedragen. Het dichtstbij gelegen is de melkrundveehouderij aan de Oeffeltseweg 6a te Haps op een afstand van circa 175 meter. Dit bedrijf heeft een vergunning voor het houden van 478 melkkoeien. Aan de aan te houden afstand van 50 meter wordt ten aanzien van deze en daarmee alle omliggende veehouderijen ruimschoots voldaan. In verband met de beoordeling van het woon- en leefklimaat dient tevens gekeken te worden naar de achtergrondbelasting.
Bij de actualisatie van de geurgebiedsvisie van de gemeente Cuijk in 2013, is de locatie gelegen op de grens van Kernrandzone (5 Ou) en Buitengebied (10 Ou). Hier geldt de tussen haakjes vermeldde voorgrondbelasting en een achtergrondbelasting van 14/20 Ou. De achtergrondbelasting blijkt blijkens de kaart ‘geurbelasting referentiesituatie (2013) gemeente Cuijk’ in de geurgebiedsvisie, lager dan 3 Ou. Op grond van de Geurgebiedsvisie van 2013 is daarmee sprake van optimaal+ geursituatie. Nadien zijn er geen intensieve veehouderijen in de directe omgeving bijgekomen. Gelet op de geurnormen geldend in het gebied en voor de kern Haps, kan de geurbelasting ook niet noemenswaardig gestegen zijn, als al sprake is van een stijging.
Figuur 11 Uitsnede gecumuleerde geurbelasting – Referentiesituatie Er is voor het aspect geur sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan.
29
5.1.4 Geluid In het kader van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Op deze geluidsbronnen wordt navolgend ingegaan. Wegverkeer Ten zuiden van de locatie is de nieuwe randweg van Haps gelegen. Voor de aanleg is nader gekeken naar het geluidsaspect en is door bureau Windmill Milieu en Management een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het wegverkeerslawaai in het kader van de aanleg van de Randweg N264 te Haps (gemeente Cuijk), zie bijlage 4. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel van woningen bedraagt 48 dB, terwijl de maximaal toelaatbare geluidbelasting ter plaatse van bestaande woningen in buiten stedelijk gebied 58 dB bedraagt. Uit het onderzoek volgt dat ten gevolge van de aanleg van de Randweg N264 ter plaatse van de Burg. Moorenstraat 65 de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De overschrijding bedraagt 1 dB zodat de maximale ontheffingswaarde wel wordt gerespecteerd.
Door ervoor te kiezen om het gehele nieuwe tracé te voorzien van een stiller wegdektype - steen mastiek asfalt – is er geen sprake meer van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (48 dB). Gelet op de ligging van de nieuwe woning ten opzichte van voornoemde woning, verder weg van de Randweg N264, mag aangenomen worden dat ter plaatse eveneens wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde (48 dB). De afstand tot de snelweg A73 van circa 1 kilometer is zodanig dat dit geen belemmeringen geeft. Een nader akoestisch onderzoek wegverkeer is niet benodigd. Ook hoeft geen hogere waarde te worden vastgesteld. Railverkeer In de nabijheid van de planlocatie is geen spoorlijn gelegen. Industrielawaai Ten noorden van de planlocatie is op een afstand van circa 400 meter bedrijventerrein Laarakker gelegen. Rond het terrein is een geluidzone van toepassing. De ligging van de geluidzone is op basis van akoestisch onderzoek berekend ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Regionaal Bedrijvenpark Laarakker’ in 2009 en is geactualiseerd bij de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Bedrijvenpark Laarakker Zuid’ in 2015. Deze geluidzone ligt niet over de planlocatie heen.
30
Figuur 12 Geluidzone Regionaal Bedrijvenpark Laarakker Gelet op de ligging buiten de geluidzone en het gegeven dat er verder geen industriële bedrijvigheid is in de omgeving kan gesteld worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect geluid zal geen belemmering zijn voor de planvorming, nader akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk. 5.1.5 Externe veiligheid Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang te kijken naar gevaar leverende functies in of in de nabijheid van het plangebied. Daartoe moeten de risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten in beeld worden gebracht. Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
31
Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Beleidsvisie externe veiligheid gemeenten Land van Cuijk De gemeente Cuijk heeft samen met de gemeenten in het Land van Cuijk een regionale beleidsvisie externe veiligheid opgesteld. De beleidsvisie richt zich op het beheersen van externe veiligheidsrisico’s in de gemeenten Boxmeer, Cuijk, Grave, Mill en Sint Hubert en Sint Anthonis. De gemeenten hebben gekozen voor een gezamenlijke aanpak bij het opstellen van deze beleidsvisie omdat externe veiligheid veelal grensoverschrijdend is. Wanneer geen goede ruimtelijke scheiding van risico’s en risico-ontvangers wordt bereikt kunnen nieuwe knelpunten ontstaan. De gemeenten zetten daarom in op het maken van keuzes ten aanzien van ruimtelijke
32
kwaliteit en streven naar een logische en verantwoorde scheiding tussen de risicovolle activiteiten en kwetsbare groepen. Bij de verantwoording van het groepsrisico wordt een brede afweging van belangen van diverse beleidsvelden verwacht. Het integrale karakter van deze groepsrisicoverantwoording maakt dat nadrukkelijk afstemming moet plaatsvinden tussen de beleidsvelden ruimtelijke ordening, milieubeheer en de rampenbestrijding. In de visie van de gemeenten in het Land van Cuijk moeten groepsrisicovraagstukken daarom integraal, dat wil zeggen in onderlinge afstemming tussen alle betrokken beleidsvelden, worden beoordeeld. Pas wanneer de verantwoording met de volwaardige inbreng van alle beleidsvelden heeft plaatsgevonden, kan sprake zijn van integrale besluitvorming. Voorwaarde om dit te bereiken is dat alle aspecten vroeg in het planvormingsproces worden meegenomen. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (art. 3.1 Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPGtankstations’, enz.. Inventarisatie Met behulp van de nationale risicokaart is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Een uitsnede van de risicokaart met het plangebied vindt u hieronder.
Het plangebied is omcirkeld.
Figuur 13 Uitsnede risicokaart met plangebied (zwart omcirkeld). Uit de risicokaart blijkt, dat in de omgeving van het plangebied geen vaarwegen, spoorlijnen, buisleidingen of inrichtingen zijn gelegen, waarvan een risicocontour over het plangebied is gelegen. Toetsing aan wet- en regelgeving op het gebied van de externe veiligheid is derhalve hiervoor niet noodzakelijk.
33
Wel is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de provinciale weg N264. De afstand tussen het bouwblok en de N264 (de Randweg) bedraagt ca.160 meter. Omdat de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt binnen 200 meter van de N264 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaats vindt (brandbare vloeistoffen en gassen) dient conform art 8 BEVT het groepsrisico te worden verantwoord. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording conform lid 2 omdat het berekende groepsrisico <0.1OW is en het toevoegen van 1 woning niet tot een zichtbare verhoging van het berekende groepsrisico leidt. (rapport externe veiligheid Randweg, Windmill d.d. Rapport Randweg Windmill In het kader van de MER voor de aanleg van de Randweg is door Windmill (Rapportnummer: P2011.018.05-1) een onderzoek uitgevoerd naar externe veiligheid, zie bijlage 5. Daarbij is gebruik gemaakt van de rapportage van het RMB “inventarisatie vervoer gevaarlijke stoffen, gemeente Cuijk” van april 2013. Plaatsgebonden risico Uit bovengenoemd rapport blijkt, dat de prognosecijfers voor de situatie indien de route rondom de kern wordt geleid, ruim onder de drempelwaarden liggen. Bij een situatie waarin het tracé om de kern wordt geleid, bedragen de geprognosticeerde transporten minder dan 1% van de drempelwaarden. Het plaatsgebonden risico van de provinciale weg N264 vormt daarmee geen belemmering voor het plan.
Groepsrisico In overleg met Rijkswaterstaat is bepaald dat indien het toekomstige tracé N264 om de kern Haps wordt geleid hierdoor mogelijk de aanvoer van gevaarlijke stoffen LF1, LF2 en GF3 voor de gemeente Cuijk en de gemeente Mill & St. Hubert over deze weg plaats zal vinden. Op basis van het document ‘Kengetallen voor het vaststellen van transportfrequenties en routes’ is een inschatting gemaakt van het aantal transporten dat jaarlijks zal kunnen plaats vinden in dit geval. Hiervoor zijn het aantal propaantanks en de aanwezige tankstations inclusief ligging en doorzet van LPG bij beide gemeenten opgevraagd. Hieruit blijkt dat dit kan leiden tot een toename van het aantal gevaarlijke transporten over het nieuwe tracé ten opzichte van het bestaande tracé. Voor de beoordeling van het groepsrisico buiten de bebouwde kom geldt eenzelfde beoordeling als voor het groepsrisico binnen de bebouwde kom. De beoordeling komt alleen tot stand door toetsing aan tabel 6 uit het Hart (buiten de bebouwde kom, tweezijdige bebouwing). Ook uit deze toetsing volgt dat alle tracés voldoen aan de oriëntatiewaarde en aan de 10% van de oriëntatiewaarde. Bij een personendichtheid van 30 personen op 10 meter van de weg bedraagt de drempelwaarde 960 GF3 transporten per jaar.
Bij de realisatie van een tracé om de kern van Haps heen, wordt voor de toekomst een maximum van 324 GF3 transporten per jaar geprognosticeerd. Daarmee wordt ruimschoots aan de norm voldaan. Conclusie Middels het onderzoek wordt geconcludeerd dat de toekomstige tracé van de N264 niet zal leiden tot een veiligheidsprobleem. Er is geen sprake van een 10-6 plaatsgebonden risicocontour en het groepsrisico ligt ruimschoots onder 10% van de oriëntatiewaarde. Toetsing BEVT De relevante scenario in relatie tot het plangebied is een BLEVE.
34
Een BLEVE kan veroorzaakt worden door een externe beschadiging, bijvoorbeeld een botsing of door het opwarmen van de tank als gevolg van een externe brand. Hierdoor scheurt de tank open. Het brandbare gas komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. De effecten van een BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Als gevolg van de afstand tussen het plangebied en de N264 is een kleine kans aanwezig dat personen met letaal of ernstig letsel worden geconfronteerd. De kans op het plaatsvinden van dit type incidenten is in algemeenheid erg klein. Zelfredzaamheid Voor het scenario BLEVE geldt vluchten als beste handelingsperspectief. Via de Burg. Moorenstraat en de omliggende landerijen kan afstand van de incidentlocatie worden genomen. Gezien de aard van de ontwikkeling mag aangenomen worden dat de mate van zelfredzaamheid van de personen in het plangebied goed is. Bestrijdbaarheid Propaan wordt vervoerd in niet-geïsoleerde tankwagens. Als gevolg van externe hittestraling kan deze na circa 12 minuten ontploffen. De brandweer zal om deze reden defensief optreden en zich richten op het ontruimen van de omgeving. De bestrijdbaarheid van een BLEVE is slecht. LPG wordt vervoerd in geïsoleerde tankwagens die circa 70 minuten weerstand bieden tegen de hittestraling.
Dit biedt de brandweer voldoende mogelijkheden om effectief op te kunnen treden. De bestrijdbaarheid van een BLEVE is redelijk/goed. Een BLEVE als gevolg van een mechanische impact is niet te bestrijden. De hulpverlening richt zich op de slachtoffers en het blussen van secundaire branden. Advies Het oprichten van de woning heeft geen negatieve invloed op de mate van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Uit de beoordeling volgt dat het beste ingezet kan worden op het optimaliseren van de zelfredzaamheid. Informeer de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen. Beleidsvisie externe veiligheid Het plan past met voorgaande verantwoording van het groepsrisico binnen de aanvullende kaders, zoals die zijn vastgelegd in de beleidsvisie externe veiligheid voor de gemeente Cuijk (Land van Cuijk 2012-2015). Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen beperkingen voor de omzetting naar een woonbestemming voor de realisatie van één woning.
De toekomstige bewoners zullen geinformeerd worden over het aanwezige risico en handelingsperspectief. 5.1.6 Sociale veiligheid Onderhavig plan heeft geen invloed op de sociale veiligheid binnen de omgeving.
35
5.1.7 Water De gemeente Cuijk en haar waterpartners (waterschap Aa en Maas, provincie Noord-Brabant en waterleidingmaatschappij Brabant Water) hebben (gelijktijdig met de gemeenten Grave, Mill & Sint Hubert, Boxmeer en Sint Anthonis) een integraal waterplan opgesteld. De aanleiding hiervoor was de omslag in het denken en beleid rond water gedurende de afgelopen jaren: “In plaats van voort te borduren op het vertrouwde denken in waterbeheersing door technische ingrepen, is de nadruk komen te liggen op het aansluiten op de natuurlijke potenties van het landschap en het watersysteem (duurzaamheidprincipe).” Het waterplan heeft daarom de status van kaderstellend beleidsplan. Het plan is hierdoor een “parapluplan” voor andere gemeentelijke plannen waarin water een rol speelt. Het plan kent echter geen directe planologische doorwerking. De waterdoelen en streefbeelden dienen wel door te werken in ruimtelijke afwegingen. De locatie is gelegen in het streefbeeld landelijk. Het streefbeeld voor dit gebied is als volgt geformuleerd: “Peilbeheer en inrichting van het watersysteem is afgestemd op agrarisch gebruik met een aanvaardbare wateroverlast. De waterhuishoudkundige functie is agrarisch peilbeheer (GGORlandbouw). Het water is aantrekkelijk, helder en schoon. Langs een aantal waterlopen zijn extensieve vormen van recreatie mogelijk.
Daarnaast is de (landelijke) waterberging opgave gerealiseerd en voldoen de gronden oppervlaktewaterkwaliteit aan de normen en doelstellingen uit de Europese Kaderrichtlijn Water.” Met de ontwikkeling wordt aansluiting gezocht bij het waterplan van de regio. Daarnaast zal rekening gehouden worden met het beleid van het waterschap Aa en Maas. Bij nieuwe plannen dient onderzocht te worden hoe omgegaan wordt met het schone regenwater. Hierbij worden de afwegingsstappen ‘hergebruik - infiltratie buffering - afvoer’ (afgeleid van de trits ‘vasthouden - bergen - afvoeren’) doorlopen. Hergebruik van regenwater wordt vooral overwogen bij grootschalige voorzieningen als scholen en kantoorgebouwen. Voor particuliere woningen wordt dit, ook gezien de landelijke ervaringen met grijswatersystemen, niet gestimuleerd. Binnen grondwaterbeschermingsgebieden kunnen door de grondwaterbeheerder aanvullende kwalitatieve eisen gesteld worden in de Provinciale Milieu Verordening. Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. De waterbeheerder voor de planlocatie is het waterschap Aa en Maas. Het beleid van dit waterschap is erop gericht dat nieuwe ruimtelijke en/of stedelijke ontwikkelingen geen negatieve invloed hebben op de bestaande watersystemen.
Hemelwater afkomstig van nieuwe erfverharding en te bouwen bouwwerken dient te worden afgekoppeld op een infiltratievoorziening. Met dit plan is er een toename in verharding. In totaliteit is de oprichting van circa 400 m2 gebouwen mogelijk. Dit betreft de toegestane bedrijfswoning met maximaal 250 m2 bijgebouwen. In geval deze oppervlakte gerealiseerd wordt, zal er een passende voorziening ter opvang van het hemelwater gerealiseerd worden. Dit in de vorm van een grindkoffer dan wel een afwatering naar een ter plaatse aan te leggen sloot dan wel wadi. Door de ligging te midden van grasland en nabij een groenstrook, mag de afwatering van het hemelwater geen probleem vormen. Vanuit het waterschap is geen compensatie benodigd voor genoemd aantal m2 bebouwing daar dit lager is dan de sinds 26 maart 2021 gestelde grenswaarde van 500 m2 verhardingstoename.
36
Daarbij zullen er geen uitlogende materialen worden toegepast. Dit maakt dat er geen vervuiling van het grondwater plaats zal vinden, en alleen schoon hemelwater zal worden geïnfiltreerd. Ten zuiden van het plangebied liggen twee riooltransportleidingen. Deze leidingen inclusief beschermingszone van 7,5 meter zijn als dusdanig bestemd in de verbeelding en de regels. De bestemming Wonen en het bouwvlak voor de te realiseren woning liggen ruim buiten deze zone waarmee dus geen bebouwing in deze zone opgericht kan worden. Waterhuishoudkundig leidt het plan niet tot negatieve effecten. 5.1.8 Natuur In Nederland zijn flora en fauna beschermd via gebiedsbescherming en via soortenbescherming. De eerste is in het bijzonder verankerd in de Natuurbeschermingswet (via de Vogel- en Habitatrichtlijn) en beschermde (staats)natuurmonumenten. Soortenbescherming komt vooral tot uitdrukking in de Wet natuurbescherming. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: ecologische hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter) nationaal belang. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van plantenen diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten.
Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. NNN In navolgende figuur is een uitsnede weergegeven van de themakaart natuur en landschap uit de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant.
Figuur 14 uitsnede kaart Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden Interim Omgevingsverordening
37
Het plangebied ligt ten noorden van het Natuur Netwerk Brabant (NNB). De ontwikkeling heeft daarvoor echter geen gevolgen daar er geen bouwwerkzaamheden in de NNB plaats vinden. Enkel wordt direct aansluitend en rondom het perceel een haag gerealiseerd die de NNB enkel versterkt. Deze haag zal niet in het broedseizoen gerealiseerd worden. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is sterk gerelateerd aan de aanwezigheid van bepaalde kleine landschapselementen (bosjes, wielen/poelen, heggen/hagen e.d.). Gezien het gebruik van het perceel als grasland dat regelmatig gemaaid wordt, is het niet aannemelijk dat beschermde soorten zich permanent op de locatie hebben gevestigd. Wel in het groen rondom de locatie dat behouden zal blijven. Er vindt verder ook geen sloop van bebouwing plaats, waarin zich beschermde dieren zouden kunnen bevinden. Wet natuurbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming dient gekeken te worden naar de invloed van een plan op omliggende beschermde natuurgebieden. Indien de uitstoot van het plan op de Natura-2000 gebieden de grens van 0,00 mol/ha/jaar niet overschrijdt dan kan het plan doorgang vinden. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied Oeffelter Meent is gelegen op een afstand van circa 5 kilometer.
Figuur 15 uitsnede natuurgebieden Natura2000.nl Op 1 juli is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw- sloop en eenmalige aanlegactiviteiten, in het kort de bouwvrijstelling. Dit betekent in het vergunningstraject dat voor het aspect stikstof alleen nog de neerslag (depositie) in de gebruiksfase een rol speelt. Het gebruik van de woning leidt tot een stikstofuitstoot door voertuigbewegingen van en naar de woning. Gekeken naar de ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ van CROW geldt in het buitengebied bij een vrijstaande woning maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Voor het bepalen van de invloed op omliggende natuurgebieden is een
38
aeriusberekening uitgevoerd, zie bijlagen. Hieruit blijkt dat wordt voldaan aan de grens van 0,00 mol/ha/jaar. Het gebruik van de woning heeft dus geen significant nadelige invloed op omliggende natura2000 gebieden. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming inzake gebiedsbescherming is niet noodzakelijk. Gesteld kan worden dat de beoogde herbestemming van de locatie geen onevenredige nadelige gevolgen zal hebben voor natuurwaarden. Er zullen als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling geen bomen of struiken gerooid worden. Ook zullen de werkzaamheden zoveel mogelijk buiten het broedseizoen plaats vinden. 5.1.9 Cultuurhistorie Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorisch erfgoed moet worden beschermd. Het gaat dan om erfgoed in brede zin; in cultuurlandschappelijke, stedenbouwkundige en bouwhistorische betekenis. Voorgaande is sinds 1 juli 2016 vastgelegd in de Erfgoedwet.
Figuur 16 uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) 2010, herziening 2016 De bestaande naastgelegen woning dan wel andere bebouwing heeft geen cultuurhistorische waarden. Wel is de locatie gelegen in de regio Maasvallei. De regio Maasvallei ontleent zijn cultuurhistorische betekenis aan de landschappelijke zonering van laag-, midden- en hoogterras. De verschillen in inrichting en het gebruik van deze zones zijn nog redelijk goed herkenbaar in het huidige landschap. Bijzondere cultuurhistorische waarde heeft het Maasheggengebied, waarin de locatie niet is gelegen. Het voorgenomen initiatief heeft geen effect op dit cultuurhistorisch landschap. Ook heeft de ontwikkeling geen invloed op de cultuurhistorische lijn ten zuiden zijnde ’t Duits lijntje, dat als groenstrook nog duidelijk herkenbaar is in het landschap. In de omgeving van onderhavige locatie is met de komst van het bedrijventerrein Laarakker en de realisatie van de Randweg N264 al zodanig veel veranderd dat onderhavige beperkte ontwikkeling niet bepalend is voor de cultuurhistorische waarden. Tot slot kan vermeld worden dat het perceel niet behoord tot een beschermd stadsof dorpsgezicht zoals opgenomen in de Erfgoedwet. Tevens kan vermeld worden
39
dat geen van de tot de inrichting behorende gebouwen valt onder de wettelijke monumentale bescherming. 5.1.10 Archeologie Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Het plangebied ligt binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’. De voor ‘Waarde - Archeologie 5’ aangewezen gronden zijn, behalve bestemd voor het bepaalde in de ter plaatse geldende bestemmingen, ook bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. In het vigerende bestemmingsplan zijn de volgende bouwregels gesteld; Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,5 m, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Binnen het plangebied mag een woning met bijgebouwen gerealiseerd worden.
Hiermee zal genoemd oppervlak van 2.500 m2 zeker niet overschreden worden en mag het gebouwd worden zonder nader onderzoek. Concluderend kan gesteld worden dat een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is bij dit plan. In het toekomstige bestemmingsplan zal op de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ gehandhaafd blijven. Mochten er bij toekomstige werkzaamheden toch archeologische relicten of grondsporen worden gevonden op de locatie, dan zal dit – in overeenstemming met de wettelijke meldingsplicht ex artikel 5.10 van de Erfgoedwet – zo spoedig mogelijk worden gemeld bij onze minister. 5.1.11 Bedrijven en Milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten van bestaande en toekomstige bedrijvigheid om zodoende kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Op grond van de Wet milieubeheer zijn bedrijven en instellingen verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen.
Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van bedrijfsvestigingen, wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen, anderzijds milieugevoelige functies als (bedrijfs)woningen, zorginstellingen, onderwijsinstellingen, kinderopvang e.d. Daarnaast is de milieuwetgeving van toepassing. In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009), die voor het eerst in 1986 verscheen en daarna een aantal malen is geactualiseerd, is een omvangrijke lijst van bedrijven opgenomen, waarin per bedrijf voor een aantal aspecten de mate van
40
ruimtelijk relevante hinderlijkheid is weergegeven. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandstap worden verlaagd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de omzetting naar een woonbestemming. Hiermee is sprake van de realisatie van gevoelig object. Voor de woning geldt geen richtafstand naar derden. In de directe omgeving zijn aanwezig een bestemming gemengd en enkele agrarische bedrijven met een mogelijk relevante richtafstand. Binnen de gemengde bestemming ten westen van de planlocatie is naast wonen mede statische opslag mogelijk.
Gekeken naar ‘Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)’ wat feitelijk een intensiever gebruik betreft, geldt een grootste richtafstand van 30 meter voor geluid. Aan deze afstand wordt met circa 250 meter ruimschoots voldaan. Ten opzichte van het ten noorden van de planlocatie dichtstbij gelegen agrarisch bedrijf in de vorm van een melkrundveehouderij geldt gekeken naar ‘Fokken en houden van rundvee’ een grootste richtafstand van 100 meter voor geur. Ook aan deze richtafstand wordt met circa 175 meter ruimschoots voldaan. Concluderend geldt dat richtafstanden uit Bedrijven en Milieuzonering geen belemmering zijn voor de voortgang van het plan. 5.1.12 Mobiliteit Gekeken naar de ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ van CROW geldt in het buitengebied bij een vrijstaande woning een parkeernorm van minimaal 2,0. In de toekomstige situatie is er sprake van één woning. Deze woning krijgt de beschikking over een eigen inrit met voldoende plaats voor twee auto’s om te parkeren. De komst van een woning betekent dat het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied iets zal stijgen. Gekeken naar de ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ van CROW geldt in het buitengebied bij een vrijstaande woning maximaal 8,6 verkeersbewegingen. De doodlopende weg waaraan verder één andere woning gelegen is, kan dit aantal makkelijk aan.
Dit aantal verkeersbewegingen verdwijnt daarbij in het niet bij het aantal bewegingen over de omliggende wegen gelet op de aanwezigheid van een groot bedrijventerrein en de kern Haps in de directe nabijheid. Concluderend kan gesteld worden dat er voor het aspect mobiliteit geen problemen te verwachten zijn. 5.1.13 Feitelijke belemmeringen Voorafgaand aan het grondverzet voor de oprichting van een gebouw zal een zogenaamde Klic-melding plaatsvinden om duidelijkheid te verkrijgen over de eventueel aanwezige kabels en leidingen. 5.1.14 Landschappelijke inpassing De aanwezige beplanting rond de locatie blijft geheel behouden. Door de aanwezige
41
bomen ten zuiden zal de op te richten bebouwing niet overheersend zijn in het gebied. Gelet op de ontwikkeling en het vereiste in de Interim verordening ruimte zal voorzien worden in een verdere landschappelijke inpassing van het perceel. Dit middels de realisatie van een haag rondom het perceel, boom- en struikvormers op het perceel en struweel aan de zuidrand van het perceel. Gelet hierop en het behoud van het reeds aanwezige groen kan gesteld worden dat de locatie afdoende ingepast is. Hierbij wordt wel opgemerkt dat in het landschappelijk inpassingsplan een doorkijk wordt gegeven op de situatie na realisatie van beide ruimte-voor-ruimte woningen, fase 1 en 2. Met onderhavig plan wordt enkel fase 1 gerealiseerd, de woning op het westelijk gelegen perceel. In het inpassingsplan is ook aangeduid welk deel in fase 1 respectievelijk fase 2 gerealiseerd zal worden. Fase 1 betreft de beplanting rondom onderhavige te realiseren woning en de beplanting rondom de bestaande woning met nummer 65. In fase 2 volgt de beplanting rondom de oostelijk te realiseren woning, welke woning met onderhavig bestemmingsplan nog niet mogelijk wordt gemaakt. 5.1.15 Duurzaamheid December 2016 is het duurzaamheidsplan Cuijk vastgesteld.
De insteek is dat de realisering van het plan alleen kan slagen als naast de gemeentelijke organisatie, de gehele Cuijkse samenleving actief meedoet om zijn leefomgeving duurzamer te maken. Om die reden dient ook bij de realisatie van onderhavige woning gekeken te worden hoe een bijdrage geleverd kan worden aan duurzaamheid hetgeen ook het streven is. Hierbij is gekeken naar de handreiking duurzaam bouwen. Energie Vanaf 1 januari 2021 moeten alle vergunningsaanvragen voor nieuwbouw voldoen aan de Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG)-eisen. De gemeente Cuijk heeft daarbij de ambitie om in 2045 energieneutraal te zijn. Conform de maatregelen voor duurzaam bouwen is het uitgangspunt bij de bouw van de woning gasloos bouwen. De benodigde energie voor warm water zal gegenereerd worden middels een warmtepomp en de toepassing van zonnepanelen (nulop-de-meter). Hiermee wordt ook een bijdrage geleverd aan de benodigde elektriciteit. Vanzelfsprekend zal de woning voldoen aan de meest actuele eisen en mogelijkheden omtrent isolatie. Groen & water Gelet op de klimaatveranderingen en ruimte voor biodiversiteit is het van belang om natuurinclusief of klimaatadaptief te bouwen. Er treden steeds meer extremen op zoals hevige regenval en hete zomers, waar maatregelen tegen getroffen kunnen worden.
Als eerder aangegeven wordt voor de opvang van het hemelwater een voorziening gerealiseerd in de vorm van een grindkoffer dan wel een afwatering naar een ter plaatse aan te leggen sloot dan wel wadi. Het hemelwater dat valt op nieuwe verharding zal wegvloeien in het omliggende land. Verder wordt als aangegeven in hetlandschappelijke inpassingsplan ruim voorzien in de aanleg van groen waaronder bomen. Dit zorgt voor de nodige schaduwwerking en aangenamer klimaat. Ook is dit goed voor de natuur en de vogels, waarvoor ook zo mogelijk prefab inbouwvoorzieningen in de bebouwing worden toegepast. Daar de erfafscheiding een groene haag is en ook rondom het perceel een haag wordt gerealiseerd is hier al veel schuil- en nestgelegenheid voor vogels.
42
5.1.16 Plan-MER Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is daarom de milieueffectrapportage (m.e.r.) wettelijk verankerd. M.e.r. is een procedure met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er zijn drie aanleidingen die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. Bepalend hierbij is de activiteit (of zijn de activiteiten) waarop het plan betrekking heeft. Het bestemmingsplan maakt de realisatie van één woning mogelijk. Uit toetsing van de ontwikkeling aan de m.e.r. wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r., namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het onderhavige project blijft onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarde van 2.000 woningen.
Vanwege het feit dat onder de drempelwaarde wordt gebleven, is een vormvrije m.e.r. beoordeling nodig. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken en de onderbouwing in het bestemmingsplan is te concluderen dat de invloed op het milieu zeer beperkt is en het opstellen van een milieueffectrapportage dan wel aanmeldnotitie niet noodzakelijk is. 5.1.17 Volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid is door het ondersteuningsteam geactualiseerd (versie 30 april 2018). Het ondersteuningsteam is een samenwerkingsverband van partners vanuit de drie omgevingsdiensten in Noord-Brabant, de GGD, de provincie Noord-Brabant en enkele gemeenten: - Provincie Noord-Brabant; - Omgevingsdienst Brabant Noord; - Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant; - Omgevingsdienst Zuidoost Brabant; - Team Gezondheid, Milieu en Veiligheid, GGD’en Brabant; - Gemeente Bernheze; - Gemeente Someren; - ABG-gemeenten (Alphen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen). In deze update van de handreiking is het stappenplan, waarmee besloten kan worden of een beoordeling of advisering door de GGD gewenst is, aangepast ten opzichte van de eerdere versie. De volgende aspecten worden in het opgenomen stroomschema (zie ‘Stappenplan 2.0’) meegenomen in de afweging of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is: 1.
voor varkens en pluimveebedrijven: endotoxine richtafstand (= afstand waarbinnen naar alle waarschijnlijkheid de gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine wordt overschreden); 2. toename in emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak; 3. de wijze waarop met geurbelasting wordt omgegaan voor een aanvaardbaar woon-/leefklimaat; 4. bij meerdere bedrijfsmatig gehouden diersoorten, de aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij; 5. geitenhouderij binnen een straal van 2 kilometer van een gevoelige bestemming; of pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer van een gevoe-
43
lige bestemming; of overige veehouderijen binnen een straal van 250 meter liggen woon- of verblijfsruimten van derden; 6. de aanwezigheid van mestbe- en verwerking; 7. ongerustheid bij omwonenden. Na doorlopen van het stappenschema blijkt dat alle aspecten met nee beantwoord kunnen worden. Advisering door de GGD wordt niet geadviseerd.
44
6 UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wro rust op de gemeente de verplichting tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan, is opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De kosten voor de realisering van het project, alsook de kosten voor de bijbehorende planologische procedures zijn volledig voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente Cuijk hoeft geen gelden te reserveren. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure overeenkomst (tevens voor planschade) gesloten. Daarmee is verzekerd dat alle plan gebonden kosten worden verhaald op de initiatiefnemer. Op grond van artikel 6.12, lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening behoeft voor deze ontwikkeling geen exploitatieplan te worden vastgesteld. De gemeentelijke kosten zijn anderszins verzekerd, middels een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij het opstellen van het plan is een omgevingsdialoog gevoerd, waarbij het plan is voorgelegd aan de direct omwonenden. Een verslag van deze dialoog is opgenomen in de bijlagen. In het kader van het wettelijk vooroverleg is het plan opgestuurd naar het waterschap, de brandweer en de provicnie Noord-Brabant. De reacties van deze instanties zijn verwerkt in onderhavige toelichting en verdere stukken. In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld. Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro ter inzage gelegen tot en met . Tijdens deze termijn is
45
7 JURIDISCHE PLANTOELICHTING 7.1 Opbouw Voorliggend plan bestaat uit een toelichting, verbeelding en planregels. De verbeelding en de regels vormen de juridische basis van het plan. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsook de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met de daarbij horende randvoorwaarden. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft geen juridische status, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan alsmede bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
7.2 Herziening De herziening heeft betrekking op de omzetting naar de bestemming ‘Wonen’ met bijbehorende bouwvlak. Hiermee wordt de oprichting van een woning met bijgebouwen mogelijk gemaakt. De bestemmingsplanwijziging is noodzakelijk om de wijziging positief te bestemmen. De gemeente kan medewerking verlenen aan de wijziging middels een herziening van het bestemmingsplan. Aan de hand van onderhavig onderbouwing kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen initiatief niet leidt tot negatieve effecten in de omgeving. Het initiatief voldoet aan de thans vigerende Wet- en regelgeving.
46
8 BIJLAGEN
Bijlage 1
Situatieschets (fase 1 en fase 2)
Bijlage 2
Landschappelijk inpassingsplan
Bijlage 3
Omgevingsrapportage
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek Randweg
Bijlage 5
Onderzoek externe veiligheid Randweg
Bijlage 6
Regio Maasvallei
Bijlage 7
Bodemonderzoek
Bijlage 8
Omgevingsdialoog
Bijlage 9
Aeriusberekening
Bijlage 10
Nota van beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijzigingen
47