09. Toelichting bestemmingsplan Mill-Noord voormalig Mob-complex.pdf
Tekst van het document
Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 30 van 53
meegenomen. Voor de verwerking van hemelwater is uitgegaan van berging op eigen terrein. Berging op eigen terrein draagt bij aan het tegengaan van verdroging doordat water langer op de locatie vastgehouden wordt en lokaal in de bodem kan infiltreren. Tevens wordt hierdoor minder regenwater afgevoerd naar het openbare gebied, waardoor er minder én minder vaak water op straat. Hiervoor moet wel voldoende ruimte beschikbaar zijn en dient de bodem voldoende doorlatendheid te bieden. Op basis van de bodeminventarisatie is de doorlatendheid genoeg om al het hemelwater te infiltreren. Geadviseerd wordt de voorzieningen op de kavels te voorzien van een overstortmogelijkheid naar het openbaar gebied. De watercompensatie eis bedraagt 60 mm per vierkante meter toename aan verharding. In het gebied wordt een centrale toegangsweg aangelegd. De kavels worden van daaruit individueel ontsloten. Voor het bepalen van het verhard oppervlak van de toegangsweg is uitgegaan van een breedte van 5 m. In onderstaande tabel is de benodigde watercompensatie van het plangebied opgenomen op basis van het bovengenoemd stedenbouwkundig schetsontwerp. Tabel 4-1
Benodigde watercompensatie op basis van stedenbouwkundig ontwerp
Afhankelijk van de grootte van de kavel varieert de maximale compensatie per kavel van 41 m3 tot 56 m3, op basis van 100 % verharding op het bouwvlak en 10 % perceelverharding. Dit betreft een statische berging van 60 mm per m2 verharding, hierbij is nog geen rekening gehouden met infiltratie. Voor verzameling en verwerking van hemelwater zijn diverse oplossingen mogelijk. Gezien de bodemopbouw en voorkomende grondwaterstanden behoort infiltratie in de bodem tot de mogelijkheden in het plangebied. De inhoud van de voorziening dient boven de GHG te zijn gelegen. Naast de aanleg van minder verharding om de hoeveelheid afstromend hemelwater te beperken zijn verschillende voorzieningen mogelijk, bijvoorbeeld: 1. groen dak (berging); 2. gegraven laagte op het perceel (berging en deels infiltratie); 3. infiltratievoorziening op het perceel (berging en infiltratie). De omvang van de voorziening dient bepaald te worden conform het uiteindelijk te realiseren verhard oppervlak en de bergingseis. Voor de kavels geldt dat de waterberging op de kavel gerealiseerd moet worden. In geval van extreem neerslag boven de ontwerpnorm kunnen de bestaande kavels overstroten naar de groenstrook grenzend aan de tuinen. Binnen de nieuwe kavels is voldoende ruimte om extreme neerslagsituaties op te vangen.
De waterberging voor de openbare verharding wordt gerealiseerd in de bermen aan de weerszijden van de weg. Hier is aan beide zijden 1,5 m beschikbaar. Deze stroken zijn ruim genoeg om greppels aan te leggen voor de infiltratie van het hemelwater dat op de weg valt. In een nader op te stellen waterhuishoudkundig plan zal de exacte demensionering van de hemelwatervoorzieningen worden bepaald. Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 31 van 53
Keur De locatie van het voormalig MOB-complex ligt in een gebied dat aangewezen is als 'beschermd gebied Keur'. Ingrepen met een negatief effect op de (grond-)waterhuishouding van het beschermd gebied zijn hier niet toegestaan. Binnen de keur wordt onderscheid gemaakt tussen vergunningsplichtige- en de meldingsplichtige handelingen die binnen de algemene regels van het waterschap vallen. Bij de voorgenomen ontwikkeling vallen naar verwachting de volgende handelingen onder de vergunningplicht. Bij de verdere detaillering van de plannen wordt dit nader in beeld gebracht: toename aan verhard oppervlak: binnen het gebied neemt het verhard oppervlak als gevolg van de woonkavels en ontsluitingswegen toe; onttrekkingen van grondwater die nodig zijn voor het drooghouden van een bouwput ten behoeve van bouwkundige of civieltechnische werken, die groter zijn dan 50.000 m3/maand, die groter zijn dan 200.000 m3 in totaal en die langer duren dan 6 maanden. Dit geldt niet voor saneringen: gezien de diepe grondwaterstanden zijn onttrekkingen waarschijnlijk niet nodig. Bij werkzaamheden aan dieper gelegen ondergrondse infrastructuur kan echter toch onttrekking noodzakelijk zijn, daarom wordt geadviseerd deze in de zomermaanden uit te voeren. Of dit van toepassing is dient later in een bemalingsadvies te worden bepaald.
Vuilwaterafvoer en hemelwaterbehandeling Uitgangspunt is het niet aankoppelen van hemelwater. Dit betekent dat het hemelwater afzonderlijk van het vuilwater moet worden ingezameld (geen hemelwaterafvoer naar RWZI). Het vuilwater kan hierbij via een DWA-riolering worden aangesloten op het bestaande vuilwaterriool. Vanwege de ligging van de percelen zal dit niet (overal) onder vrijverval mogelijk zijn en is een gemaal noodzakelijk. Vanwege de aard van de ontwikkeling, namelijk woningbouw, is het te verwachten afvalwateraanbod beperkt. Op basis van 15 woningen is de verwachte gemiddelde afvoer van vuilwater van de gehele ontwikkeling ingeschat op (2,5 inwoners*12 l/h) 0,45 m3/uur. In een nadere uitwerking (Waterhuishoudkundig plan) wordt het inprikpunt, etc. bepaald. Aanleghoogtes Om problemen met draagkracht, opvriezen en natte kruipruimtes te voorkomen, dient voldoende ontwateringsdiepte aanwezig te zijn. De ontwateringsdiepte is de afstand tussen de GHG en het hoogtepeil van de functies. De minimaal voorgeschreven ontwateringdiepte is afhankelijk van de functies. Binnen de ontwikkeling MOB-complex worden secundaire wegen, bebouwing en tuinen gerealiseerd. De minimale ontwatering diepte bedraagt daarmee 0,7 m. Aan de hand van de ingeschatte GHG voldoet het gehele gebied aan deze ontwateringsdiepte. Ophoging is daarom niet noodzakelijk.
Om problemen met wateroverlast richting de bebouwing tegen te gaan en voor voldoende afschot van vuilwater- en hemelwater riolering (huisaansluitingen) wordt geadviseerd een vloerpeil van minimaal 0,15 m boven aangrenzend wegpeil te hanteren. Natuurcompensatie Domeinenstraat Onderdeel van het plan is tevens de natuurcompensatie aan de Domeinenstraat. Hier was voorheen een dubbelbestemming 'Waterstaat – Regionaal Waterbergingsgebied' en een gebiedsaanduiding 'overige zone – reserveringsgebied waterberging' opgenomen. De concrete bergingsopgave is inmiddels elders gerealiseerd. Voor de natuurcompensatie is geen aanvullende waterberging benodigd, er wordt aan de Domeinenstraat geen verharding toegevoegd. De compensatielocatie grenst aan een A-watergang. Rondom een A-watergang ligt een beschermingszone van 5m aan weerszijden van de watergang. Deze zone dient vrijgehouden te worden van obstakels en bereikbaar te zijn voor beheer en onderhoud. Naast deze reguliere beschermingszone kent deze watergang een profiel van vrije ruimte. Dit profiel heeft betrekking op de ruimte die nodig is voor toekomstige verbeteringen van het watersysteem, zoals ecologische Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 32 van 53
verbindingszones, beekherstel en meandering. Binnen het profiel van vrije ruimte mogen geen bouwwerkzaamheden plaatsvinden en zonder vergunning is het niet toegestaan om werken te plaatsen in deze zone. Een vrijstelling is van toepassing voor werken die eenvoudig te verwijderen of te verplaatsen zijn. Conclusie Als gevolg van de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak toe. Door de verhardingstoename gaat hemelwater versneld afstromen. In het plangebied is voldoende ruimte om afstromend hemelwater te verwerken. Hiermee wordt voldaan aan de algemene regels voor compensatie van hemelwater. Vuilwater afkomstig van de woningen kan worden aangesloten op het bestaand vuilwaterriool in de omgeving. Hiermee vinden geen lozingen plaats met een negatieve invloed op de waterkwaliteit en natte natuur. In het gebied is voldoende ontwateringsdiepte beschikbaar voor de beoogde functies. De grondwaterstand wordt niet permanent verlaagd. Mogelijk is voor de aanleg een tijdelijke bemaling nodig. Afhankelijk van de omvang en duur is de onttrekking mogelijk vergunningsplichtig. Of bemaling noodzakelijk is dient in een bemalingsadvies worden vastgesteld. Met inachtneming van de beschreven maatregelen wordt de ontwikkeling hydrologisch neutraal gebouwd en worden daarmee geen negatieve effecten op de waterhuishouding verwacht.
4.4
Archeologie, cultuurhistorie en aardkundige waarden
4.4.1
Relevant kader
Gemeenten hebben op grond van de Monumentenwet de taak om bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met aanwezige en te verwachten archeologische waarden. Daarnaast moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met eventuele cultuurhistorie en aardkundige waarden ter plaatse. Dit is geborgd in de Nota Belvedère en het verdrag van Malta. De nota en het verdrag leiden ertoe dat de provincie met haar beleid het cultuurhistorisch en archeologisch erfgoed moet beschermen. De verantwoordelijkheid voor de bescherming en het behoud van cultuurhistorische en archeologische waarden ligt met de Wet ruimtelijke ordening en de Wet op de archeologische monumentenzorg voornamelijk bij gemeenten. Zij zorgen ervoor dat het beleid op de juiste wijze wordt uitgevoerd. Aardkundige waarden omvatten drie verschillende disciplines: geomorfologie, geologie en bodemkunde. Ingrepen in de gebieden met bijzondere aardkundige waarden kunnen onherstelbare schade aanrichten. 4.4.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Archeologie Door Sweco is in 2019 een bureaustudie archeologie uitgevoerd (Bijlage 11). Volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart ligt het plangebied in zowel een zone met een lage, middelhoge als hoge archeologische verwachting (figuur 4-1). Op basis van dit bureauonderzoek blijft deze verwachting/waardestelling in principe in stand. Omdat naar verwachting de geplande ingrepen de vrijstellingsgrenzen van de gemeentelijke archeologische beleidskaart en geldende bestemmingsplan overschrijden, is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Sweco adviseert om binnen het plangebied een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uit te voeren (IVO-O verkennend) binnen de bouwkavels die op de gemeentelijke archeologische beleidskaart een middelhoge of hoge archeologische verwachting hebben. Binnen het gebied rond de bouwkavels vinden kapwerkzaamheden plaats. Veertien bouwkavels en de zijtuinen aan de Graafsweg met een oppervlak van in totaal 40.867 m2 liggen in een zone met een hoge archeologische verwachting; één bouwkavel ligt in een zone met een lage archeologische verwachting (3414 m2). Met 8 boringen per hectare, komt dit neer op ca. 33 Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 33 van 53
boringen. Dit onderzoek heeft als doel het archeologisch verwachtingsmodel te toetsen, en de dikte van een eventueel cultuurdek vast te stellen, alsmede de mate van erosie/verstoring binnen het plangebied. Voor het gedeelte van het plangebied dat op de gemeentelijke archeologische beleidskaart een lage archeologische verwachting heeft, wordt geadviseerd geen nader veldonderzoek uit te voeren, en het gebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen/geen dubbelbestemming archeologie op te nemen in het bestemmingsplan. Voor de delen van het plangebied buiten de bouwkavels die een middelhoge of hoge archeologische verwachting hebben en waar natuurontwikkeling gaat plaatsvinden wordt geadviseerd om ook een verkennend booronderzoek uit te voeren. Met een oppervlakte van ca. 17.343m2 komt dit neer op 13 boringen. In zijn algemeenheid blijft gelden dat indien bij de uitvoering van de werkzaamheden in vrijgegeven gebieden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht is. Het vervolgonderzoek is uitgevoerd door middel van een verkennend booronderzoek (Bijlage 12). Voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan zijn boringen gezet ten behoeve van het Programma van Eisen voor proefsleuven.
Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt voor een deel van het plangebied geen vervolgonderzoek aanbevolen. De voorgenomen bodemingrepen kunnen zonder archeologisch voorbehoud worden uitgevoerd op de lager gelegen afgegraven delen van het plangebied. Hier dagzomen grovere rivierafzettingen en is het archeologisch relevante niveau verdwenen. Sweco acht de kans op intacte archeologische waarden op de hogere terreindelen ook klein. 47% van het plangebied is verstoord. De hogere terreindelen behouden in theorie een middelhoge archeologische verwachting op een sporenniveau uit de periode Neolithicum – Middeleeuwen. Maar dit sporenniveau zal sterk versnipperd zijn en ook is de fysieke kwaliteit van deze potentiële archeologische waarden waarschijnlijk laag. Hoewel het plangebied niet volledig is onderzocht met name ter hoogte van de bouwkavels zijn weinig boringen uitgevoerd – wordt nader inventariserend onderzoek niet geadviseerd. Het rapport is ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde overheid. De gemeente neemt het advies van Sweco over. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt voor het plangebied geen vervolgonderzoek aanbevolen. De voorgenomen bodemingrepen kunnen zonder archeologisch voorbehoud worden uitgevoerd.
Op grond hiervan wordt geadviseerd het onderzochte gebied vrij te geven en de dubbelbestemming ‘Archeologie’ van het plangebied af te halen. Het selectiebesluit is toegevoegd als bijlage van dit bestemmingsplan (Bijlage 13). Op basis van dit besluit is de dubbelbestemming 'Archeologie' is niet langer van kracht voor dit deel van het plangebied en derhalve verwijderd van de verbeelding van het vastgestelde bestemmingsplan. De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' blijven alleen van kracht op de locatie van het compensatiegebied Domeinenstraat. Dit betreffen de dubbelbestemming, Archeologie 1 (op basis van waarde 3 van de waardekaart), waarvoor een onderzoeksplicht geldt bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 100 m², Archeologie 2 (op basis van waarde 4 van de waardekaart), waarvoor een onderzoeksplicht geldt bij verstoring > 40 cm en een verstoringsoppervlakte > 250 m2 en de dubbelbestemming Archeologie 3 (op basis van waarde 5 van de waardekaart), waarvoor een onderzoeksplicht geldt bij verstoring > 40 cm en een verstoringsoppervlakte > 2.500 m2.
Algemeen Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden toch onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de minister verplicht (vondstmelding via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: Archis-vondstmelding en de bevoegde overheid).
Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 34 van 53
Figuur 4-1 Archeologische verwachtingskaart gemeente Mill en Sint Hubert
Cultuurhistorie Om cultuurhistorisch erfgoed te kunnen beschermen en behouden heeft de Provincie Noord-Brabant de Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld. Deze kaart bevat informatie over archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en met beschermde stads- en dorpsgezichten. Het plangebied ligt deels in de Peelrand en Peelhorst Oost (figuur 4-2). Regio Peelrand is een zwak golvend dekzandlandschap dat als een hoefijzer rond het voormalige veengebied van de Peel ligt. Tussen de oude dorpen en het Peelgebied liggen jonge ontginningen en boscomplexen uit de negentiende en twintigste eeuw. Bij Mill ligt een deel van de Peel-Raamstelling, bestaande uit het Defensiekanaal, inundatieterreinen en diverse kazematten. Over grote oppervlakken is de Peelhorst bedekt met een dunne dekzanddeken, plaatselijk zijn dekzandruggen en stuifduinen aanwezig. Vanuit de Peelhorst lopen in noordoostelijke richting enkele beek- en droogdalen. Op de rand van de Peelhorst komen kleinere en grotere arealen aan oude bouwlanden voor. De Peelhorst is grotendeels beschermd in de Interim Omgevingsverordening als 'cultuurhistorisch waardevol'. Het plangebied valt daarbuiten, voor het plangebied zijn er geen beperkingen.
Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 35 van 53
Figuur 4-2 Cultuurhistorische waardenkaart uitsnede Mill
Hoewel niet aangeduid op de Cultuurhistorische waardenkaart is het gebied wel cultuurhistorisch waardevol als militair erfgoed. In paragraaf 2.1 is hier al op ingegaan. De oorspronkelijke structuur van het Mob-complex wordt zoveel mogelijk behouden en blijft herkenbaar door de afwisseling van bospercelen en open plekken. Aardkundige waarden Op de Aardkundige Waardenkaart van de provincie zijn aardkundige waarden opgenomen (figuur 4-3). Langs Mill loopt een aardkundig waardevol gebied. Dit betreft de Steilrand Mill, een overgang van de hoge Peelrand via steilrand naar lage Maasterrassen van het Pleistocene Maas-rivierenlandschap. Het gebied kenmerkt zich door de steilrand, beekdalen, geulen en platen (overblijfselen van verwilderd/vlechtend riviersysteem en stuifzandgebiedjes. Dit gebied is beschermd in de Interim Omgevingsverordening als 'aardkundig waardevol'. Voor het plangebied zijn er geen beperkingen.
Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 36 van 53
Figuur 4-3 Aardkundige Waardenkaart
4.5
Geluid
4.5.1
Relevant kader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden onderzocht of na realisatie van het plan sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie. Op basis van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de vaststelling van ruimtelijke plannen: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. De Wgh benoemt situaties wanneer onderzoek nodig is naar geluidhinder en bevat normen voor de voorkeurswaarde en maximaal toelaatbare geluidsbelasting op de gevel van woningen. Daarnaast kan het ook in het kader van een goede ruimtelijke ordening nodig zijn inzicht te geven in de indirecte akoestische gevolgen van het plan bij omliggende bestaande woningen, zoals de akoestische gevolgen van eventueel verkeersaantrekkende werking. 4.5.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Voor het planvoornemen is door Sweco in 2019 een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 14). Na wijzigingen in de stedenbouwkundige verkaveling is een oplegnotitie opgesteld (Bijlage 15). Hieronder zijn de belangrijkste conclusies weergegeven, in de bijlage zijn de rekenresultaten weergegeven. Graafseweg De geluidbelasting op de bouwkavels door het verkeer over de Graafseweg is ten hoogste 53 dB (Lden) inclusief aftrek conform artikel 3.4 uit het RMG 2012. De optredende geluidbelasting
Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 37 van 53
overschrijdt de ten hoogste toelaatbare waarde van Lden 48 dB uit de Wet geluidhinder. De hoogste vergunbare waarde van 53 dB wordt niet overschreden. Voordat een hogere waarde afgegeven kan worden is een maatregelenonderzoek nodig. Bij twee percelen wordt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB ten gevolge van verkeer over de Graafseweg overschreden. De overschrijding vindt plaats bij kavel 1 op alle toetshoogten en bij kavel 2 alleen op de toetshoogte van 7,5 meter (tweede etage). Een overdrachtsmaatregel in de vorm van een geluidscherm is geen reële optie. Vanwege benodigde ontsluiting voor de opritten kan deze niet voldoende lang ononderbroken geplaatst worden. Daarnaast is deze maatregel ongewenst omdat met geluidschermen het landschappelijk karakter wordt aangetast. Tevens is de financiële impact te groot voor de ontwikkeling van deze schaal. Hetzelfde geldt voor een bronmaatregel in de vorm van een geluidreducerend wegdek. Tevens kan een geluidreducerend wegdek niet over de gehele Graafseweg aangebracht worden omdat dit ter plaatste van kruisingen te snel slijt vanwege afremmend en optrekkend verkeer. Een bronmaatregel in de vorm van een snelheidsverlaging is eveneens niet wenselijk, omdat de maximale snelheid hier reeds 60 km/u is en een verdere verlaging niet past bij de functie van de weg gelegen in het buitengebied.
Tevens is deze weg een hoofdtoegangsweg van het dorp, een verlaging van de snelheid zal de doorstroming belemmeren. Aanvragen hogere waarde Bron en/of overdracht maatregelen zijn niet wenselijk in het kader van stedenbouwkundige, planologische, financiële en/of verkeerskundige aard. Daarom blijft over het aanvragen van hogere waarde. Het gaat hierbij om een hogere waarde van 53 dB voor kavel 1 en 49 dB voor kavel 2 als gevolg van wegverkeer over de Graafseweg. In aanvulling hierop bevatten de regels een voorwaardelijke verplichting die stelt dat er voldaan moet worden aan de eisen zoals gesteld in het besluit hogere grenswaarde in verband met het wegverkeerslawaai. Kampweg Vanwege de nieuwe indeling liggen er geen kavels meer in de onderzoekszone van de Kampweg. Voor de volledigheid is de geluidbelasting als gevolg van deze weg wel berekend. De geluidbelasting op de bouwkavels door het verkeer over de Kampweg is ten hoogste 20 dB (Lden) inclusief aftrek conform artikel 3.4 uit het RMG 2012. De optredende geluidbelasting overschrijdt niet de ten hoogste toelaatbare waarde van Lden 48 dB uit de Wet geluidhinder. Zuidelijke Bergseweg De geluidbelasting op de bouwkavels door het verkeer over de Zuidelijke Bergseweg is ten hoogste 26 dB (Lden) inclusief aftrek conform artikel 3.4 uit het RMG 2012.
De optredende geluidbelasting overschrijdt niet de ten hoogste toelaatbare waarde van Lden 48 dB uit de Wet geluidhinder. Cumulatie In het kader van een goede ruimtelijk ordening is de gecumuleerde geluidbelasting bepaald. In onderstaande tabel is de hoogste berekende gecumuleerde geluidbelasting per kavel gegeven. In de bijlage zijn de gecumuleerde waarde ter plaatse van alle toetspunten gegeven. Voor het vaststellen van deze waarden is de geluidbelasting van alle wegen inclusief de 30 km/u wegen bepaald, exclusief correctie. In de Wet geluidhinder gelden geen grenswaarden voor de gecumuleerde geluidbelasting. Daarnaast kent de gemeente Mill en Sint Hubert geen aanvullende eisen door middel van een gemeentelijk geluidbeleid. Wel is het vanuit een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk om de cumulatieve geluidbelasting inzichtelijk te maken. Algemeen gebruikelijk is dat gecumuleerde waarde tot 63 dB worden toegestaan. In dit geval zijn alle gecumuleerde waarden lager dan deze waarde en dus te accepteren. Bij een cumulatieve geluidbelasting hoger dan 53 dB dient volgens het Bouwbesluit aan getoond te worden dat in verblijfsgebieden van geluidgevoelige gebouwen een binnenniveau van 33 dB niet wordt overschreden. Dit is het geval bij de percelen gelegen het dichts bij de Graafseweg Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 38 van 53
(perceelnummer 1 en 2 conform stedenbouwkundig plan en de bestaande woningen aan de Graafseweg 21 en 23). Papegaaienhouder In de buurt van het plangebied aan de Graafseweg 37 is een papegaaienhouder gevestigd. De afstand van de perceelgrens van dit bedrijf tot de bouwkavels is circa 350 meter. De VNG-richtafstand voor bedrijven die pluimvee of huisdieren fokken is 50 meter voor het aspect geluid. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan, daarom is geen aanvullend onderzoek nodig naar de geluiduitstraling van de papegaaienhouder. Het plan zal het bedrijf ook niet belemmeren in de bedrijfsvoering en eventuele uitbreidingsplannen. Conclusie Als gevolg van de berekende overschrijdingen van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting is een onderzoek uitgevoerd naar mogelijke geluidreducerende maatregelen aan of langs Graafseweg. Uit het maatregelonderzoek blijkt dat bron en/of overdracht maatregelen niet wenselijk zijn in het kader van stedenbouwkundige, planologische, financiële en/of verkeerskundige aard. Daarom blijft over het aanvragen van hogere waarde. Een verzoek hogere grenswaarde is aangevraagd, het gaat hierbij om een hogere waarde van 53 dB voor kavel 1 en 49 dB voor kavel 2 als gevolg van wegverkeer over de Graafseweg. Het besluit hogere grenswaarde is vastgesteld op 28-09-2021.
Voor de uitbreiding van de tuin van de bestaande woning aan de Graafseweg 23 zal een planregeling worden opgenomen die nieuwe geluidsgevoelige gebouwen uitsluit.
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1
Relevant kader
In de Wet Milieubeheer (Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. Op grond van artikel 5.16 Wm verlenen college van burgemeester en wethouders alleen een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan wanneer aannemelijk is dat gemaakt dat: Het vergunde plan niet leidt niet tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of; De luchtkwaliteit als gevolg van het vergunde plan per saldo verbetert of ten minste gelijkt blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of; Het vergunde plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of; De ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn: Woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg; Woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswoningen; Kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg; Kantoorlocaties met een bruto oppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en één ontsluitingsweg. Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 39 van 53
Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht. 4.6.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Woningbouwlocaties behoren tot één van de categorieën van projecten waarvoor in de Regeling NIBM getalsmatige grenzen zijn opgenomen waarbinnen een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. NIBM-grens woningbouwlocaties: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg of; 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Het onderhavige plan omvat de realisatie van 15 woningen met minimaal 1 ontsluitingsweg. Hiermee valt het plan ruimschoots binnen de getalsmatige begrenzing uit de Regeling. Het plan draagt hiermee niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit en voldoet daarmee aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. De locatie bevindt zich niet binnen 300 meter van een rijksweg of binnen 50 meter van een provinciale weg. Daarnaast worden er geen luchtgevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk gemaakt. Vanuit de Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen, bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is ook gekeken naar de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Op basis van de concentratie- en depositiekaarten van het RIVM kan gesteld worden dat deze waarden ruim onder de EU grenswaarden en WHO-advieswaarden vallen.
Het bestemmingsplan is uitvoerbaar in het kader van luchtkwaliteit.
4.7
Geurhinder
4.7.1
Relevant kader
In het kader van een goed woon- en leefklimaat is het milieuaspect geur van belang. Nieuwe ontwikkelingen mogen niet zonder meer nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk maken binnen de geurcontour van een bestaand bedrijf of andersom. Bij de beoordeling van een ruimtelijk plan op geurhinder van bedrijven (en andersom) moet daarom het belang van zowel geurgevoelige objecten als het belang van bedrijven en omgeving worden getoetst. 4.7.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Door Sweco is in 2020 een geuronderzoek uitgevoerd (Bijlage 16). Op basis van de gegevens uit het Bestand Veehouderij Bedrijven zijn de geurcontouren (voorgrondbelasting) en minimumafstanden voor de veehouderijen binnen twee kilometer van het plangebied bepaald. Uit het geuronderzoek blijkt dat het plangebied gelegen is binnen de contouren van de geurbelastingsnorm van twee omliggende veehouderij. Er zijn echter geen bouwvlakken voor woningen gelegen binnen deze geurcontouren. De realisatie van het plangebied is hiermee voor de betreffende veehouderijen geen potentiële belemmering indien de veehouderijen willen uitbreiden. Dit, omdat de betreffende veehouderijen nu reeds worden beperkt door de woningen binnen de bebouwde kom van Mill. Er vallen geen bouwvlakken voor woningen binnen de minimumafstanden voor de veehouderijen. De geurhinder in het plangebied bepaalt of ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat kan worden gegarandeerd. De achtergrondbelasting is hier het meest bepalend voor de geurhinder. Deze maximale achtergrondbelasting van 5,2 oue/m3 in het plangebied vertaalt zich naar 0 - 8 % gehinderden en een acceptabel geurniveau. De verwachting is dat de geuruitstoot in de komende Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 40 van 53
jaren verder zal afnemen, door enerzijds inkrimpen van de veestapel en anderzijds door geurrecuderende technieken.
4.8
Externe veiligheid
4.8.1
Relevant kader
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt; Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. 4.8.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Voor het planvoornemen is een inventarisatie naar risicobronnen uitgevoerd met behulp van risicokaart.nl. Uit de inventarisatie volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van transportroutes voor gevaarlijke stoffen (Basisnet). Daarnaast zijn in en rondom het plangebied ook geen buisleidingen aanwezig. Navolgende afbeelding toont een uitsnede hiervan.
Figuur 4-4 Uitsnede risicokaart (plangebied zwart omlijnd)
Op de risicokaart is te zien dat in de nabije omgeving zich tevens geen andere risicobronnen
Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 41 van 53
zoals inrichtingen bevinden. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk, het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
4.9
Niet gesprongen explosieven
4.9.1
Relevant kader
De mogelijke aanwezigheid van explosieven in de ondergrond houdt in Nederland over het algemeen verband met de Tweede Wereldoorlog. Handelingen die leidden tot niet gesprongen conventionele explosieven in de bodem betroffen bijvoorbeeld het afwerpen van munitie, beschietingen vanuit de lucht/vanaf het water/op het land, het neerstorten van vliegtuigen, gevechten tijdens de begin-, tussen- en eindfase van de Tweede Wereldoorlog, het dumpen van munitie en het verdedigen van gebieden met mijnenvelden en dergelijke. Indien er bij voorgenomen (graaf)werkzaamheden een redelijk vermoeden bestaat op het aantreffen van conventionele explosieven (CE) in de (water)bodem dient een vooronderzoek conform de WSCS-OCE uitgevoerd te worden. Dit wordt voorgeschreven door de vereniging voor Explosieven Opsporing (VEO) en is verankerd in de bouwprocesbepalingen in het Arbobesluit en de V&G voorbereidingsfase. 4.9.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Bombs Away B.V. heeft in opdracht van de gemeente Mill en Sint Hubert een historisch onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog (CE) in/op de (water)bodem van het huidige grondgebied van de gemeente Mill en Sint Hubert (Bijlage 17). Op basis van de uitwerking van de geraadpleegde bronnen is voor een deel van de gemeente Mill en Sint Hubert vastgesteld dat er een verhoogde kans is op het aantreffen van CE in/op de (water)bodem. Deze gebieden zijn aangemerkt als verdacht op het aantreffen van CE. Per verdacht gebied is een analyse uitgevoerd waarbij de soort(en) en subsoort(en) CE, de hoeveelheid, de verschijningsvorm, de horizontale en de verticale afbakening zijn vastgesteld. De horizontale afbakening is vastgesteld volgens de richtlijnen van het WSCS-OCE. De verticale afbakening is vastgesteld op basis van ervaringen en bodemgegevens. De gebieden waarvoor op basis van de geraadpleegde bronnen geen verhoogde kans is vastgesteld op het aantreffen van CE, zijn aangemerkt als onverdacht. In deze gebieden zijn geen/onvoldoende aanwijzingen aangetroffen dat er oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden waardoor CE in de bodem zijn achtergebleven. Dit betekent echter niet dat er geen CE kunnen worden aangetroffen in de onverdachte gebieden.
Door verschillende leemten in kennis is informatie over de oorlogshandelingen en over de mogelijke aanwezigheid van CE niet altijd (geheel) bewaard gebleven. Deze informatie kon derhalve niet worden gebruikt in het uitgevoerde historische vooronderzoek, met als gevolg dat niet gesteld kan worden dat er in de onverdachte gebieden geen CE aanwezig zijn. Voor de gebieden die zijn aangemerkt als verdacht wordt door Bombs Away B.V. geadviseerd om voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden vervolgstappen in de explosievenopsporing te nemen. Hiervoor zijn drie mogelijkheden: 1. Het uitvoeren van een Projectgebonden Risicoanalyse (PRA) waarbij naar naoorlogseontwikkelingen en de uit te voeren werkzaamheden wordt gekeken; 2. Het uitvoeren van detectiewerkzaamheden. De detectiemethode hangt af van de diepteligging van de aan te treffen CE; 3. Het verplaatsen van de uit te voeren werkzaamheden buiten de verdachte gebieden, zowel in horizontale als in verticale zin. Voor de gebieden die zijn aangemerkt als onverdacht geldt dat er voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden geen vervolgstappen in de explosievenopsporing genomen hoeven te worden.
Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 42 van 53
Het plangebied is aangemerkt als onverdacht gebied op de bodembelastingkaart. Er hoeft daardoor geen voorafgaande vervolgstappen in de explosievenopsporing genomen te worden. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk, het aspect niet gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
4.10
Verkeer en parkeren
4.10.1 Relevant kader De ontwikkeling mag geen negatieve invloed hebben op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. 4.10.2 Betekenis voor het bestemmingsplan Het plangebied sluit aan op de bestaande infrastructuur, aan de Graafseweg, Kampweg en Leeuwerikstraat en de Riddershove. De kavels zullen individueel worden ontsloten aan deze wegen. De verkeersaantrekkende werking op het planvoornemen is zeer beperkt. Binnen het plangebied loopt één doorlopende rijweg die alle kavels ontsluit. De rijweg is 5 meter breed en aan weerszijden voorzien van een berm van 1,5 meter breed. De weg wordt aangesloten op de Leeuwerikstraat en de Mezenhof. Aan het einde van de rijweg is voorzien in een keerlus in verband met kerend verkeer, calamiteiten en verkeer ten behoeve van afvalverwerking. Binnen het plan wordt ook voorzien in (onverharde en halfverharde) voetpaden. Tevens wordt het voetpad aan de Leeuwerikstraat verlengd tot de Graafsweg. Parkeren gebeurt op eigen terrein, er worden geen extra parkeervoorzieningen aangelegd in het plangebied. Het plan moet voldoen aan de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (CROW-publicatie 381) (of diens opvolger). Dit betekent dat per woning 2,3 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. De kavels zijn zeer ruim, waardoor parkeren op eigen terrein kan worden gerealiseerd.
4.11
Bedrijven en milieuzonering
4.11.1 Relevant kader Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Voor het bepalen van een goede afstand kan gebruik worden gemaakt van de VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering (editie 2009)'. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de bestemmingsgrens van de bedrijven en anderzijds de gevel van een woning. De adviesafstanden hangen samen met gebiedskenmerken. De meest voorkomende categorieën met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies in een rustige woonwijk zijn weergegeven in onderstaande tabel.
Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 43 van 53
Tabel 4-5
Richtafstanden bedrijven en milieuzonering
Naast het omgevingstype rustige woonwijk kent de VNG-publicatie ook het omgevingstype gemengd gebied. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies, voor met name het aspect geluid, met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het aspect geluid is veelal het maatgevende aspect. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied al een hogere milieubelasting, wat het verlagen van de richtafstanden met één stap rechtvaardigt. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 100 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 meter. Als de werkelijke afstanden kleiner zijn dan de richtafstanden uit de VNG-publicatie, zal door middel van onderzoek aangetoond moeten worden dat kan worden afgeweken van de richtafstanden. 4.11.2 Betekenis voor het bestemmingsplan In de nabijheid van het plangebied ligt het tuincentrum Den Elsenhof.
Ten aanzien van een tuincentrum geldt een in acht te nemen afstand van 30 meter tot een milieugevoelige functie, zoals wonen. Daar wordt ruimschoots aan voldaan, de afstand bedraagt meer dan 50 meter tot de meest dichtbijgelegen kavel. Tevens liggen in de omgeving enkele agrarische bedrijven, deze zijn onderzocht in het geuronderzoek (paragraaf 4.7). Ook in de toekomst is geen hinder te verwachten op basis van de huidige planologische situatie, de bestemmingsplannen in de omgeving van het plangebied staan enkel bedrijven toe met ten hoogste milieucategorie 2. In de omgeving van het plangebied liggen geen bedrijven op een afstand korter dan 30 meter. Dit betekent dat een goede ruimtelijke ordening is geborgd
Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 44 van 53
4.12
Kabels en leidingen
Er is een KLIC-melding gedaan, waardoor inzicht is in de aanwezige kabels en leidingen in het plangebied. Hier wordt rekening mee gehouden in de uitvoering. In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die planologische bescherming vereisen. Derhalve is geen nader onderzoek verricht naar kabels en leidingen.
Figuur 4-6a Kabels en leidingen in het gebied
Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 45 van 53
Figuur 4-6b Kabels en leidingen in het gebied
4.13
Duurzaamheid
Duurzaamheid is een integraal onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu. Gezondheids- en milieuaspecten zijn in alle fasen van de inrichting, de bouw en het gebruik van de gebouwde omgeving van belang. Er wordt gestreefd naar duurzame ontwikkeling, lage milieubelasting, energieneutrale woningbouw en behoud en versterking van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Het Bouwbesluit stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. De belangrijkste eis daarvoor is de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Voor woningen geldt als eis een EPC-waarde van 0,4. Hieraan zullen ook de woningen binnen het plangebied moeten voldoen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat voor nieuwe woningen vanaf 31 december 2020 de eis geldt dat deze bijna Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 46 van 53
energieneutraal moeten zijn (BENG). De strengere BENG-norm vervangt de EPC per 1 januari 2021. Hiermee wordt de CO2-uitstoot verminderd en geeft het meer wooncomfort aan de bewoner. Het energieverbruik wordt verlaagd en levert en toename van duurzame energie op. Dit wordt bereikt door de buitenschil van de woningen (extra) te isoleren, energiezuinige en onderhoudsarme installaties toe te passen en pv-panelen op de gebouwen toe te passen. Deze maatregelen worden ook voorgesteld als mogelijke bijdragen aan het duurzaam bouwen in de handreiking duurzaam bouwen van de gemeente Mill en Sint Hubert. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw. Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen. Voor nieuwbouwwoningen groter dan 100 m² geldt dat een zogeheten Milieuprestatieberekening (MPG) bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te worden ingediend. Daarnaast is op basis van de 'Wet voortgang energietransitie' de gasaansluitplicht komen te vervallen. Dit volgt uit het nieuwe lid 7 van artikel 10 van de Gaswet, waarin is bepaald dat de aansluittaak van de netbeheerders niet van toepassing is op het aansluiten van (onder meer) nieuwbouwwoningen. Dit betekent in de praktijk dat de te realiseren woningen niet worden aangesloten op het gasnet.
4.14
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.-(beoordelings)procedure moet worden doorlopen. Het Besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en vier bijlagen (onderdelen A, B, C en D). Bij elk initiatief dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten) van het Besluit m.e.r., moet aandacht besteed worden aan de vraag of er al dan niet belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van uit te voeren activiteit(en) zijn. Daarom moet bij elk planologisch besluit, maar ook bij bepaalde vergunningen, over activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r., een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' opgesteld worden. In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Het planvoornemen ligt ruim onder de plandrempels waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk is.
De gemeente heeft besloten dat er geen MER-procedure hoeft te worden doorlopen Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de 'Europese richtlijn milieueffectbeoordeling' te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.- beoordeling'. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-plichtig. Onderliggend plan maakt 15 woningen mogelijk, derhalve is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld (Bijlage 18). Gezien de omvang van de activiteiten in relatie tot de drempelwaarden en te verwachten effecten, zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu uit te sluiten. Nader onderzoek in een MER/m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. Het bevoegd gezag neemt voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit op de aanmeldingsnotitie. Het besluit op de aanmeldingsnotitie maakt deel uit van het besluit tot terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Het besluit wordt niet gepubliceerd in de Staatscourant. Op dit besluit is geen bezwaar/beroep mogelijk. Eventuele bezwaren kunnen worden ingediend in de procedure van het bestemmingsplan. De gemeente Mill en Sint Hubert heeft op basis van de aanmeldingsnotitie besloten dat er geen milieueffectrapportage noodzakelijk is.
Het vormvrije m.e.r.-beoordelingsbesluit heeft tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegen.
Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 47 van 53
4.15
Conclusie
Er is in het kader van een goede ruimtelijke ordening onderzoek gedaan naar de diverse omgevings- en milieuaspecten. Diverse aspecten vormen een belemmering op de ontwikkeling, waarvoor maatregelen worden genomen. Met de te nemen maatregelen is het plan uitvoerbaar.
Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 48 van 53
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planopzet
Algemeen
Dit bestemmingsplan vormt in eerste instantie het juridische kader waarbinnen in het plangebied een woningbouwontwikkeling mogelijk gemaakt wordt. Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de planregels, vergezeld van deze toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezig en/of op te richten bebouwing. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De te realiseren bebouwing dient te voldoen aan eisen van stedenbouwkundige aard. Deze hebben in de regel betrekking op woningtype, situering en afmetingen. Deze stedenbouwkundige eisen zijn in het bestemmingsplan opgenomen in de vorm van een verbeelding en daarop aansluitende regels. Deze documenten vormen het toetsingskader voor het beoordelen van bouwplannen.
5.2
Toelichting op de verbeelding
Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie bevat.
5.3
Toelichting op de regels
De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezig en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. 5.3.1
Hoofdstuk1 Inleidende regels
In Artikel 1 ('Begrippen') is een omschrijving gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Vervolgens is in Artikel 2 ('Wijze van meten') een omschrijving gegeven van de te gebruiken wijze van meten. 5.3.2
Hoofdstuk2 Bestemmingsregels
Artikel 3 Bos De gronden aangewezen als Bos zijn bestemd voor behoud, herstel en/of ontwikkeling van het bos en bosgroeiplaats, de landschappelijke waarden en natuurwaarden en extensief recreatief medegebruik met bijbehorende voorzieningen. Daaraan ondergeschikt zijn wegen en paden, water en voorzieningen voor de waterhuishouding toegestaan. Artikel 4 Bos - 1
Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 49 van 53
De gronden aangewezen als Bos - 1 zijn bestemd voor behoud, herstel en/of ontwikkeling van het bos en bosgroeiplaats, de landschappelijke waarden en natuurwaarden en extensief recreatief medegebruik met bijbehorende voorzieningen. Daaraan ondergeschikt zijn wegen en paden, water en voorzieningen voor de waterhuishouding toegestaan. Ook zijn wegen en paden ten behoeve van de ontsluiting van woningen mogelijk gemaakt. Tevens zijn beperkte bouwmogelijkheden toegestaan, met uitzondering van de zone 'bijgebouwen uitgesloten'. Artikel 5 Natuur De bestemming ‘Natuur’ betreft de gronden die onderdeel uitmaken van de compensatieplicht. Artikel 6 Verkeer De ontsluitingsweg binnen het plangebied wordt bestemd als Verkeer', waarbij het gebruik is afgestemd op verkeersafwikkelingen en verblijfsgebied. De gronden mogen worden gebruikt voor nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, straatmeubilair en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen deze bestemming zijn tevens evenementen toegelaten. Artikel 7 Wonen Binnen deze bestemming zijn verschillende typen woningen toegestaan binnen het bouwvlak. Naast wonen maakt het bestemmingsplan onder voorwaarden een beroep aan huis mogelijk.
Een bedrijf aan huis alsmede detailhandel of dienstverlening van ondergeschikte aard worden via een afwijking van het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning, onder voorwaarde, mogelijk gemaakt. Geluidsgevoelige functies zijn uitgesloten ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - geluidsgevoelige functies uitgesloten', in verband met de geluidbelasting ter plaatse. Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - voorwaarde bouwen', geldt dat moet worden voldaan aan de eisen uit het hogere waardenbesluit. Artikel 8 Waarde - Archeologie 1, Artikel 9 Waarde - Archeologie 2 en Artikel 10 Waarde Archeologie 3 Het plangebied heeft drie dubbelbestemmingen Waarden – Archeologie. Deze gronden zijn behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de (te verwachten) archeologische waarden van de gronden. Er geldt een onderzoeksplicht in de volgende gevallen: Waarde – Archeologie 1: onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 100 m². Waarde – Archeologie 2: onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m². Waarde – Archeologie 3: onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m². 5.3.3
Hoofdstuk3 Algemene regels
In Hoofdstuk 3 van de regels is een aantal standaardregels opgenomen, te weten de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Artikel 11 Anti-dubbeltelregel In dit artikel is een aantal bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Artikel 12 Algemene bouwregels In deze bepaling wordt, bij de toepassing van bepalingen van het bestemmingsplan, de aanvullende werking van de bouwverordening uitgesloten. Verder wordt in deze bepaling een opsomming gegeven van onderwerpen, waarop de bouwverordening wel van toepassing is. Artikel 13 Algemene aanduidingsregels In deze bepaling zijn regels opgenomen voor de geluidzone van de militaire vliegbasis Volkel en
Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 50 van 53
de luchtvaartverkeerzones. Artikel 14 Algemene gebruiksregels In dit artikel is een aantal gebruiksregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Artikel 15 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal afwijkingsregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Artikel 16 Overige regels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om nadere eisen te stellen aan de plaats en de afmeting van de bebouwing. Het gaat hierbij om nadere eisen ten behoeve van een samenhangend stedenbouwkundig beeld, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de milieusituatie. 5.3.4
Hoofdstuk4: Overgangs- en slotregels
Artikel 17 Overgangsrecht In deze bepaling is vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht overeenkomstig artikel 3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 18 Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze bepaling omschrijft de titel van het plan
Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 51 van 53
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1.1
Inspraak
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en deze is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de geldende gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee is in artikel 150 van de Gemeentewet onder meer bepaald dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Parallel aan het wettelijk vooroverleg zijn digitale informatieavonden georganiseerd om het plan toe te lichten. Van de informatieavonden is een verslag opgesteld, dat is toegevoegd als bijlage aan dit bestemmingsplan (Bijlage 19). 6.1.2
Vooroverleg
Het voorontwerpbestemmingsplan wordt aan diverse betrokken adviesinstanties en -organen toegezonden in het kader van overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening. Het voorontwerpbestemmingsplan is toegezonden aan diverse betrokken adviesinstanties en -organen en in de vooroverlegen hiervan zijn de volgende reacties naar voren gekomen. Brandweer/veiligheidsregio 'Voor de inrichting van het plangebied moeten de Beleidsregels bereikbaarheid en bluswater als uitgangspunt worden genomen'. Voor het plan is nagegaan en bevonden dat het past binnen de Beleidsregels bereikbaarheid en bluswater. Waterschap Verwijzing beleid: De plantoelichting bevat geen korte verwijzing naar de Keur, Legger en het waterbeheerplan van het waterschap. Een dergelijk verwijzing zien we wel graag terug. Graag verwijzen in de plantoelichting dat de locatie van het voormalig MOB-complex in een gebied ligt dat aangewezen is als 'beschermd gebied Keur' en dat er voor diverse activiteiten hierdoor mogelijk vergunnings- of meldingsplicht gelden. Vermelden dat de compensatielocatie grenst aan een A-watergang en dat rondom een A-watergang een beschermingszone van 5m aan weerszijden van de watergang ligt. Naast deze reguliere beschermingszone kent deze watergang een profiel van vrije ruimte.
Binnen het profiel van vrije ruimte mogen geen bouwwerkzaamheden plaatsvinden en zonder vergunning is het niet toegestaan om werken te plaatsen in deze zone. Deze zone en de vergunningsplicht graag vermelden in de plantoelichting. De reacties zijn verwerkt. Provincie Noord-Brabant Ten aanzien van de 'attentiezone waterhuishouding' is het belangrijk dat de infiltratiemogelijkheden worden benut (want meer verhard oppervlak) in dit relatief hoge deel. Enkele aanvullingen in het compensatieplan ter verduidelijking. In paragraaf 3.2.2 (onder provinciaal beleid) is een toevoeging opgenomen ten aanzien van de 'attentiezone waterhuishouding', hier wordt in de verdere planuitwerking rekening mee gehouden. Het compensatieplan is aangevuld en akkoord bevonden. Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 52 van 53
6.1.3
Ontwerp en zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Met terinzageligging wordt eveneens bedoeld het publiceren en inzichtelijk maken op de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende deze periode kon een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijze naar voren brengen bij de gemeenteraad. De binnengekomen zienswijzen zijn beantwoord in de nota van zienswijzen. De nota van zienswijzen is als bijlage toegevoegd aan dit bestemmingsplan (Bijlage 20). 6.1.4
Vaststelling
Binnen 12 weken na ter inzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast. De vaststelling van het bestemmingsplan dient in principe binnen 2 weken na de vaststelling bekend te worden gemaakt. Hierop zijn twee uitzonderingen. In de hieronder aangegeven gevallen mag het besluit tot vaststelling pas bekend gemaakt worden nadat 6 weken zijn verstreken: 1. Gedeputeerde Staten of de Inspecteur van I&M hebben een zienswijze ingediend en deze zienswijze is niet of niet volledig door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan; 2. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerp van het bestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijze van Gedeputeerde Staten of de Inspecteur van I&M - wijzigingen aangebracht. 6.1.5
Beroep
Na vaststelling van het bestemmingsplan kan binnen 6 weken na bekendmaking beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting van een bestemmingsplan inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Hiermee wordt mede de economische uitvoerbaarheid bedoeld. Indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is, hoeft de gemeente geen exploitatieplan op te stellen. De gemeente heeft met Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte een anterieure overeenkomst gesloten, waarin een bijdrage aan de plankosten is opgenomen en het verhaal van eventuele planschadevergoedingen en -kosten. Er is verder geen sprake van het verhalen van kosten op belanghebbenden, waardoor het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk is. Kosten worden in een dergelijk geval verhaald via de prijzen bij de gronduitgifte. In de anterieure overeenkomst zijn de kosten van alle (vervolg)onderzoeken meegenomen. De economische zekerheid van het plan is hiermee zeker gesteld.
Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 53 van 53