CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

09. Toelichting bestemmingsplan Mill-Noord voormalig Mob-complex.pdf

Mill - raadsvergadering 21 oktober 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: Bestemmingsplan Mill-Noord, voormalig MOB-complex17.393 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Mill-Noord,voormalig Mob-complex

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en grens plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

6 6 7 8 9

Hoofdstuk2 Projectomschrijving 2.1 Bestaande situatie 2.2 Het plan

10 10 11

Hoofdstuk3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal / regionaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusie beleidskader

15 15 18 22 25

Hoofdstuk4 Uitvoeringsaspecten 4.1 Bodem 4.2 Ecologie 4.3 Water 4.4 Archeologie, cultuurhistorie en aardkundige waarden 4.5 Geluid 4.6 Luchtkwaliteit 4.7 Geurhinder 4.8 Externe veiligheid 4.9 Niet gesprongen explosieven 4.10 Verkeer en parkeren 4.11 Bedrijven en milieuzonering 4.12 Kabels en leidingen 4.13 Duurzaamheid 4.14 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.15 Conclusie

26 26 27 30 33 37 39 40 41 42 43 43 45 46 47 48

Hoofdstuk5 Juridische planopzet 5.1 Algemeen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de regels

49 49 49 49

Hoofdstuk6 Uitvoerbaarheid 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2 Economische uitvoerbaarheid

52 52 53

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1

Stedenbouwkundig plan

Bijlage 2

Beeldkwaliteitsplan

Bijlage 3

Compensatieplan

Bijlage 4

Historischbodemonderzoek Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 2 van 53

Bijlage 5

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 6

Verkennend natuuronderzoek

Bijlage 7

Notitie stikstofdepositie

Bijlage 8

Soortgericht veldonderzoek

Bijlage 9

Beheerplan

Bijlage 10

Watertoets

Bijlage 11

Archeologisch onderzoek

Bijlage 12

Verkennend booronderzoek

Bijlage 13

Selectiebesluit Archeologie

Bijlage 14

Akoestischonderzoek

Bijlage 15

Oplegnotitie akoestiek

Bijlage 16

Geurtoets

Bijlage 17

CE-Bodembelastingkaart

Bijlage 18

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Bijlage 19

Verslag omgevingsdialoog

Bijlage 20

Nota van zienswijze

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 3 van 53

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 4 van 53

Toelichting

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 5 van 53

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding en doel

Ten noorden van Mill ligt een voormalig Mobilisatie-complex (Mob-complex) van defensie. Het Mob-complex was een verzameling van gebouwen met bijbehorende infrastructuur, die een rol speelde tijdens de Koude Oorlog tussen omstreeks 1950 en 2000. De meeste gebouwen hadden een magazijnfunctie en/of waren een stalling voor militaire voertuigen. Er waren bovendien munitiebunkers en brandstof-opslagplaatsen. Dit alles moest een snelle mobilisatie mogelijk maken. Het Mob-complex van Mill is in 2013 ontmanteld. Alle militaire voorzieningen zijn destijds verwijderd en alle gebouwen zijn gesloopt. Een deel van het eigendom is daarbij door defensie overgedragen aan de provincie Noord-Brabant. Om de kosten van sloop en bodemsanering te compenseren heeft de provincie onderzocht hoe het terrein tot herontwikkeling en herinrichting kan komen. Het Uitwerkingsplan Land van Cuijk (21 december 2004) maakte een woningbouwontwikkeling mogelijk met een 'reguliere' woningbouwprogrammering. Door de provincie Noord-Brabant is ervoor gekozen om geen reguliere woonwijk te ontwikkelen, maar een plan op maat te realiseren, dat goed past bij het karakter van het gebied. Daarvoor wordt een kwaliteitsimpuls aan het terrein gegeven, wordt de omheining verwijderd en wordt het terrein opengesteld voor wandelaars.

Het plan biedt aanwonenden de mogelijkheid hun zijtuinen en achtertuinen te vergroten en er worden 15 woningbouwkavels op het terrein gesitueerd vanuit de provinciale Ruimte voor Ruimte regeling. De ontwikkeling van 15 bouwkavels en het vergroten van de achtertuinen en zijtuinen passen niet in het vigerende bestemmingsplan. De gemeente Mill en Sint Hubert heeft aangegeven in principe bereid te zijn medewerking te verlenen aan het plan. Daarvoor is een herziening van het vigerend bestemmingsplan noodzakelijk. In voorliggend bestemmingsplan wordt de nieuwe bestemming voor de gronden binnen het plangebied wettelijk geregeld, waardoor nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan, waarbinnen de beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Om voorgenoemde ontwikkeling mogelijk te maken, is het noodzakelijk gebleken om natuurcompensatie te realiseren. Hiervoor is een compensatielocatie gevonden aan de Domeinenstraat in Mill. De compensatielocatie is momenteel nog bestemd als bos, terwijl de inrichting voornamelijk bestaat uit schraal grasland, poelen en struweel. Als onderdeel van dit bestemmingsplan worden de desbetreffende percelen aan de Domeinenstraat daarom bestemd als 'natuur'.

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 6 van 53

Figuur 1-1 Luchtfoto met begrenzing Mob-complex ten noorden van Mill

1.2

Ligging en grens plangebied

Het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 15 hectare en wordt omsloten door de Kampweg, de Graafseweg, de Leeuwerikstraat en de achtertuinen van bestaande woningen aan de westzijde. Het betreft de kadastrale percelen Mill F 3908, Mill N 760, Mill F 4583 (gedeeltelijk).

Figuur 1-2 Topografische kaart met plangebied en kadastrale percelen

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 7 van 53

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Binnen de grenzen van het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Mill-West 2019', door de gemeenteraad vastgesteld op 24 september 2020. De gronden waarop de woningen zullen worden ontwikkeld en aangrenzende tuinen worden vergroot, zijn momenteel bestemd als 'Bos'. De ontwikkeling is daarom niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan. Ten einde het archeologisch bodemarchief te beschermen is op een gedeelte van het plangebied ook een dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' van kracht. Deze bestemming voorkomt dat zonder gedegen vooronderzoek grondverzet en bouwactiviteiten kunnen plaatsvinden. Er is ook een aantal gebiedsaanduidingen van kracht, die betrekking hebben op de aanwezigheid van vliegveld Volkel in de directe omgeving. Deze dubbelbestemmingen beschermen het functioneren van het vliegveld. De gebiedsaanduiding 'overige zone - Natuur Netwerk Brabant' is een planologische doorvertaling van de regels die in de provinciale Interim Omgevingsverordening op het plangebied van toepassing zijn.

Figuur 1-3 Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Mill-West 2019'

De gronden waar de natuurcompensatie aan de Domeinenstraat gerealiseerd worden vallen in de bestemmingsplannen Mill Centrum (vastgesteld op 6 oktober 2016) en Buitengebied Mill en Sint Hubert herziening 2018 (vastgesteld op 26 september 2019). De noordelijke hoek valt binnen de bestemming 'Dorpslandschap' van het bestemmingsplan Mill Centrum. Tevens zijn diverse gebiedsaanduidingen van kracht in verband met de luchtvaartzone en de provinciale verordening. Het grootste deel van het plangebied voor de natuurcompensatie valt binnen het bestemmingsplan Buitengebied Mill en Sint Hubert herziening 2018 en heeft de bestemming 'Bos'. Tevens zijn diverse gebiedsaanduidingen van kracht in verband met de luchtvaartzone en de provinciale verordening.

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 8 van 53

De compensatielocatie is momenteel nog bestemd als bos, terwijl de inrichting voornamelijk bestaat uit schraal grasland, poelen en struweel. Als onderdeel van dit bestemmingsplan worden de desbetreffende percelen aan de Domeinenstraat daarom bestemd als 'Natuur'.

Figuur 1-4 Uitsnede vigerend bestemmingsplan Buitengebied Mill en Sint Hubert herziening 2018 en Mill Centrum

1.4

Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan wordt gevormd door de regels en de verbeelding tezamen. De toelichting is een beschrijving van hetgeen middels het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast onderbouwt het de haalbaarheid van de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt allereerst een beschrijving van zowel de bestaande situatie als de toekomstige ontwikkeling gegeven. De hoofdlijnen van beleid zijn vervolgens beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de uitvoeringsaspecten, waarna in hoofdstuk 5 de juridische planopzet wordt beschreven. In hoofdstuk 6 en hoofdstuk 7 vindt tot slot een beschrijving van het (voor)overleg, inspraak en van de procedure plaats.

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 9 van 53

Hoofdstuk 2

2.1

Projectomschrijving

Bestaande situatie

Het Mob-complex is een voormalig defensieterrein waar verschillende gebouwen hebben gestaan. De meeste gebouwen hadden een magazijnfunctie en/of waren een stalling voor militaire voertuigen. De gebouwen stonden verspreid in het bos op regelmatige afstand van elkaar. De gebouwen werden met elkaar verbonden door rechte asfaltwegen. Het terrein was van de buitenwereld afgesloten door hoge hekken en toegangspoorten. Het Mob-complex is al jaren geleden ontmanteld. Daarvoor zijn alle opstallen op het terrein gesloopt en is de asfaltverharding verwijderd. Bovendien heeft er een bodemsanering plaatsgevonden. Ondergrondse infrastructuur is gedeeltelijk nog wel aanwezig. Sindsdien vind er zeer extensief beheer plaats. Het aandeel dode bomen in de houtopstanden is hoog. Het terrein is nog steeds niet toegankelijk, al wordt wel gebruik gemaakt van gaten die onrechtmatig in de omheining zijn geknipt. Het geheel maakt een wat rommelige en verlaten indruk. De oorspronkelijke structuur van het Mob-complex is door de afwisseling van bospercelen en open plekken echter nog goed herkenbaar. Vanwege de ligging van het terrein aan de rand van Mill kent het een grote potentie als uitloopgebied vanuit de kern.

Figuur 2-1 Plattegrond Mob-complex Mill (bron: https://studio-domeinzicht.jouwweb.nl)

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 10 van 53

Figuur 2-2 Luchtfoto van de huidige situatie

2.2

Het plan

Voor het plangebied is een integrale herontwikkeling geschetst, die bestaat uit de volgende onderdelen: Kappen van dode bomen en verwijderen ondergrondse voorzieningen Vergroten bosareaal Verwijderen van de hekken en poorten Openstellen van het gebied voor extensief recreatief gebruik Vergroten aangrenzende zij- en achtertuinen Ontwikkeling van 15 bouwkavels aansluitend op de kern Het verlengen van het voetpad aan de Leeuwerikstraat (tot aan de Graafseweg) Natuurcompensatie aan de Domeinenstraat

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 11 van 53

Figuur 2-3 Stedenbouwkundig plan

Het Mob-complex kent momenteel een hoge mate van achterstallig onderhoud. De laatste jaren heeft alleen het strikt noodzakelijke beheer plaatsgevonden. Bij de ontmanteling van het terrein zijn ondergrondse voorzieningen (waaronder putten) niet of niet volledig verwijderd. Om een kwaliteitsslag te slaan worden dode bomen op het terrein gekapt en alle ondergrondse voorzieningen worden verwijderd, zodat het terrein veilig betreden kan worden. Om het bosareaal te vergroten zal op een aantal open plekken, via spontane natuurlijke bosopslag, nieuw bos ontstaan, zoals blijkt uit het stedenbouwkundig plan en het beheerplan in de bijlage. Om de huidige karakteristiek te behouden blijft een aantal open plekken in de toekomst behouden. Deze leveren een positieve bijdrage aan de recreatieve en ecologische waarde van het terrein. Op die manier blijft de variatie in habitattypen (bos, bosranden en open gebieden) behouden. Door uitvoering te geven aan de maatregelen uit het beheerplan wordt een duurzame instandhouding gegarandeerd. Bovendien wordt daarmee de ecologische waarde van het terrein, als onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant, gerespecteerd en verbeterd, zoals in het beheerplan beschreven. Het Mob-complex grenst direct aan de kern Mill. Het heeft de potentie zich te ontwikkelen tot aantrekkelijk uitloopgebied voor de Millenaren.

Het plangebied is momenteel omheind door een hoog hek met poorten. Hoewel er gaten in de omheining zijn geknipt is het terrein in principe niet toegankelijk. De veiligheid kan bovendien niet gegarandeerd worden door de aanwezigheid van veel dode bomen en ondergrondse voorzieningen. Als onderdeel van de herontwikkeling wordt de omheining verwijderd en het gebied aan alle zijden toegankelijk gemaakt. Voor de situering van de wandelpaden wordt aangesloten bij de routestructuren die zijn overgebleven van het voormalig Mob-complex. Op die manier hoeven zo min mogelijk bomen gekapt te worden. Als onderdeel van het plan krijgen aanwonenden de mogelijkheid om hun achtertuinen en zijtuinen te vergroten. Dit betreft een eenmalige mogelijkheid en direct een eindsituatie. Het wordt niet mogelijk om het Mob-complex vanuit deze achtertuinen en zijtuinen rechtstreeks te betreden om verstoring op flora en fauna te beperken. Ruimte voor Ruimte creëert een eindsituatie door over de hele lengte van de (achter)tuinen een transparant hekwerk te plaatsen van circa 1,80 meter hoog, zonder poorten. Het toepassen van poortjes of onrechtmatige ingebruikneming is niet toegestaan. Het plaatsen van het hekwerk is geborgd middels een anterieure overeenkomst. Hierdoor is verzekerd dat dit een (nieuwe) eindsituatie betreft. Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 12 van 53

Aan de zuidoostzijde van het Mob-complex, aansluitend op de kern, worden 15 bouwkavels gerealiseerd. De kavels worden ontsloten door een nieuw te realiseren toegang. Voor de situering van deze toegang is nauw aangesloten bij de oorspronkelijke structuur van het Mob-complex en de bestaande infrastructuur van de omgeving. Als onderdeel van de ontwikkeling wordt het bestaande trottoir aan de noordzijde van de Leeuwerikstraat doorgetrokken tot aan de Graafseweg. Op die manier ontstaat voor de nieuwe bewoners en de omwonenden een complete voetgangers-structuur. De woningen worden gesitueerd op kavels in het bos en als het ware te gast in het bos. Ze zijn op een manier gesitueerd dat een heldere structuur ontstaat en ze beperkt zichtbaar zijn vanuit de omgeving door een afscherming met bomen. Om een gevarieerd beeld te bereiken liggen de bouwvlakken op verschillende afstanden van de ontsluitingsweg. De inrit van elke kavel sluit aan op de nieuw te realiseren ontsluiting. Om te voldoen aan de geldende parkeernorm worden per woning 3 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. De kavels zijn voldoende ruim om hier invulling aan te geven. Het is niet wenselijk om hier de openbare ruimte extra mee te belasten. De kavels hebben een oppervlakte van ongeveer 3000 m². De kavels hebben een bouwvlak van 655 m² tot 779 m².

De bouwvlakken zijn op enige afstand van elkaar gesitueerd en worden van elkaar geschieden door bosplantsoen. Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om op het bouwvlak een woning te realiseren, mits wordt voldaan aan de regels van dit bestemmingsplan, zoals: Het maximum volume van een woning bedraagt 1200 m3. Het maximaal vloeroppervlak van bijgebouwen bedraagt 150 m2. De goothoogte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 6 meter. De nokhoogte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 11 meter. De hoogte van een transparant gaashekwerk is maximaal 2 meter. Voor het gedeelte van de kavel, dat niet tot bouwvlak wordt bestemd, is een aparte bestemming 'Bos-1' in de regels opgenomen. Deze bestemming biedt de mogelijkheid een beheergebouw van maximaal 40 m² te realiseren. De regels van het bestemmingsplan garanderen bovendien dat rondom de kavels alleen een transparant hekwerk op de perceelsgrens kan worden geplaatst, al dan niet in combinatie met groen, om het bosrijke karakter van de omgeving te borgen. Voor de vormgeving van de woningen en bijbehorende kavels is een beeldkwaliteitsplan aan het bestemmingsplan toegevoegd (Bijlage 2).

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 13 van 53

Figuur 2-4 Uitsnede stedenbouwkundig plan met situering percelen aan de rand van de kern

De voorgenomen ontwikkeling past goed in de omgeving. Met de herinrichting en herontwikkeling van het braakliggende Mob-complex wordt een flinke impuls gegeven aan het woon- en leefklimaat in de kern Mill. Er kan kortom geconcludeerd worden dat het plan vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt goed inpasbaar is in de omgeving. Om uitvoering te kunnen geven aan het plan, is het noodzakelijk gebleken om een natuurcompensatie uit te voeren. Daarvoor is aan de Domeinenstraat in Mill een locatie ingericht. De wijze waarop deze kwantitatieve en kwalitatieve natuurcompensatie heeft plaatsgevonden volgt uit het compensatieplan, dat als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. De compensatielocatie is momenteel nog bestemd als bos, terwijl de inrichting voornamelijk bestaat uit schraal grasland, poelen en struweel. Als onderdeel van dit bestemmingsplan worden de desbetreffende percelen aan de Domeinenstraat daarom bestemd als 'natuur'.

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 14 van 53

Hoofdstuk 3

Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het relevante rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk beleid ten aanzien van de ruimtelijke structuur en de functionele structuur opgenomen.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (SVIR), die in maart 2012 is verschenen, zijn door het Ministerie van Infrastructuur & Milieu de principes voor de ruimtelijke inrichting van Nederland vastgelegd. Hoofddoel van de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte is Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Naast de hoofddoelen heeft het Rijk een keuze gemaakt om de sturingsfilosofie te wijzigen. Het Rijk brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat (burgers en bedrijven) en laat het meer over aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij…'). Dit betekent minder nationale belangen en eenvoudigere regelgeving. Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien: Een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt.

Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainport en greenports; Over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie of werelderfgoed; Een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld het hoofdnetwerk voor mobiliteit (over weg, water, spoor en lucht) en energie, waterveiligheid en de bescherming van gezondheid van inwoners. Deze drie criteria zijn leidend bij de in de structuurvisie benoemde rijksdoelen en bijbehorende nationale belangen. In dit bestemmingsplan zijn geen van bovengenoemde belangen in het geding.

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 15 van 53

3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van art. 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Dit procesvereiste is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Het Rijk heeft er voor gekozen om, gedeeltelijk gebaseerd op de al langer geldende SER-ladder uit 1999, het procesvereiste vorm te geven als een determinerend-cumulatief werkende motivatieverplichting. De Ladder geldt alleen voor 'nieuwe' stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er volgens het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of gerealiseerd kon worden.

Ontwikkelingen die geen extra verstedelijking tot gevolg hebben, maar bebouwing reduceren of verplaatsen, zoals bij de Ruimte-voor-Ruimteregelingen, worden niet gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. Voor deze ontwikkeling is dan ook geen Laddertoets opgesteld. 3.1.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Voor onderhavig bestemmingsplan is het nationale ruimtelijke belang 'defensie' van belang in verband met de nabijheid van het militaire luchtvaartterein 'Vliegbasis Volkel' ten westen van de kern Mill. De aanvliegroute voor het vliegveld is gesitueerd boven Mill. In het Barro zijn ter bescherming van het nationale ruimtelijke belang 'defensie' regels opgenomen ter bescherming van de rijksbelangen die zijn opgenomen in het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen (SMT-2). Ten aanzien van de vliegbasis gelden de volgende belangen: 1. 2. 3. 4. 5.

Funnel Inner Horizontal Surface and Conical Surface (IHCS) Instrument Landing System (ILS) Radarverstoringsgebied Ke-zonering

Ad 1 Naast het directe ruimtegebruik kent een (militair) luchtvaartterein ook een aanzienlijk indirect ruimtebeslag. Zo zijn in het kader van de vliegverkeersveiligheid obstakelvrije vlakken 'funnels' vastgesteld in de verlengden van de startbaan. Binnen deze obstakelvrije vlakken gelden beperkingen ten aanzien van het oprichten van hoge obstakels zoals onder andere windturbines en telecommunicatiemasten. Dit plan maakt dergelijke obstakels niet mogelijk, de maximale bouwhoogte ten aanzien van funnels is opgenomen als aanduiding op de verbeelding en in artikel 13.2.1. Ad 2 Het plangebied is gelegen binnen de zogenaamde Inner Horizontal Surface en Conical Surface Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 16 van 53

(IHCS) van de vliegbasis Volkel; dit gebied is vastgesteld ten behoeve van de verkeersveiligheid. In het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen (SMT-2) is opgenomen dat, conform de ICAO-normen, rondom de gehele luchthaven een obstakelvrij vlak van 45 meter hoog is gelegen met een straal van 4 km rond de landingsdrempels, dat overgaat in een conisch vlak met een helling van 5% tot 145 meter over een afstand van 2 km. De objecten die dit plan mogelijk maakt, blijven beneden de betreffende hoogte. De maximale bouwhoogte ten aanzien van IHCS is opgenomen als aanduiding op de verbeelding en in artikel 13.2.2. Ad 3 De vliegbasis Volkel beschikt tevens over een Instrument Landing System (ILS). Het ILS is bedoeld voor het nauwkeuriger uitvoeren van naderingen door vliegverkeer, ook onder slechte weersomstandigheden. Voor het goed functioneren van het ILS is het noodzakelijk dat in een gebied, het verstoringsgebied, rondom de start- en landingsbaan geen verstoring optreedt. Dit gebied bestaat uit meerdere vlakken met daarbij behorende hoogtes, zowel horizontaal als oplopend. Een object dat beneden de betreffende hoogte blijft, zal geen verstoring van de ILS opleveren en zou toelaatbaar kunnen zijn. Een object dat hoger is dan de (zonder meer toelaatbare) betreffende hoogte, moet worden getoetst op eventuele verstoringseffecten.

De objecten die dit plan mogelijk maakt, blijven beneden de betreffende hoogte. De hoogte is opgenomen als aanduiding op de verbeelding en in artikel 13.2.3. Ad 4 Het plangebied ligt in het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. Op basis van artikel 2.6.9 van het Barro gelden in een radarverstoringsgebied bouwhoogtebeperkingen voor bouwwerken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. Conform artikel 2.4 e.v. van de Barro betekent dit dat er rond deze vliegbasis een cirkel met een straal van 75 kilometer gemeten vanaf de positie van de radar is vastgelegd. Deze cirkel bestaat uit een kern met een straal van 15 kilometer met een maximale bouwhoogte voor bouwwerken (in het algemeen) en daaromheen een ring die doorloopt tot 75 kilometer van de radar met een maximale bouwhoogte voor (alleen) windturbines. De maximale bouwhoogte van bouwwerken binnen de kern van dit radarverstoringsgebied is afhankelijk van de afstand van het beoogde bouwwerk tot de radar. Deze maximale bouwhoogte wordt bepaald door een denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf een punt op de top van de radarantenne (dit is voor de vliegbasis Volkel 49 meter + NAP), oplopend met 0,25 graden tot een punt gelegen op 15 kilometer vanaf de radarantenne. Voor dit plangebied geldt een hoogte van 72 + NAP.

Het plan maakt geen bouwwerken mogelijk met deze bouwhoogte. Ad 5 Binnen een zone voor luchtgebonden geluid (Ke) van de vliegbasis Volkel, is het uitsluitend onder voorwaarden toegestaan om geluidgevoelige bebouwing op te richten. Deze voorwaarden staan omschreven in het 'Besluit militaire luchthaven', welke van toepassing is met ingang van de inwerkingtreding van het 'Luchthavenbesluit Militaire luchthaven Volkel' per 1 november 2015. Het plan is niet gelegen in deze contour. De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, vormen geen belemmering voor de belangen zoals genoemd in het Barro. De belangen die relevant zijn voor dit plangebied, zijn beschermd middels aanduidingen op de verbeeldingen en in de regels.

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 17 van 53

3.2

Provinciaal / regionaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant

De nieuwe Omgevingswet bundelt de wetten en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, cultureel erfgoed en water. En regelt zo het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Vooruitlopend hierop heeft de provincie alvast een provinciale Omgevingsvisie gemaakt. De nieuwe Omgevingswet treedt op 1 januari 2022 in werking. In december 2018 is de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op het gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De visie bestaat uit een basisopgave en vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn. De basisopgave is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. De vier hoofdopgaven komen voort vanuit de basis. De basisopgave van de omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Daarnaast zijn de volgende vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie Werken aan een klimaatproof Brabant Werken aan de slimme netwerkstad Werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Om de doelen voortkomend uit de hoofdopgaven te bereiken zet de provincie Noord-Brabant in op een samenhangende ruimtelijke koers. Uitbreiding van bestaand stedelijk gebied in steden en dorpen is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. Voor de herontwikkeling van het Mob-complex is een integrale ontwikkelingsrichting geschetst. Het plangebied wordt toegankelijk gemaakt voor wandelaars, de ecologische kwaliteit wordt verbeterd en direct grenzend aan de kern ontstaat een uniek woonmilieu. 3.2.2

Interim omgevingsverordening

In het kader van de komst van de Omgevingswet in 2022 heeft de provincie Noord-Brabant een Interim omgevingsverordening vastgesteld (IOV, geconsolideerd, 01-03-2020). Alle provinciale regels over de fysieke leefomgeving staan voortaan bij elkaar in de Interim omgevingsverordening. Het plangebied valt grotendeels binnen Natuurnetwerk Brabant (figuur 3-1). Het plangebied kent tevens de aanduiding 'Verstedelijking afweegbaar'. De ontwikkeling is wel mogelijk binnen de aanduiding 'Verstedelijking afweegbaar', maar niet binnen Natuurnetwerk Brabant. Artikel 3.2 van de IOV bepaalt dat in het geval meerdere bepalingen gelijktijdig van toepassing zijn op een gebied, de meest beperkende bepaling geldt tenzij dit uitdrukkelijk anders is bepaald. De ontwikkeling is daarom pas mogelijk nadat een herbegrenzing van het Natuurnetwerk Brabant heeft plaatsgevonden. Een bestemmingsplan van toepassing op Natuurnetwerk Brabant: a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken; b. bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken; c. staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe.

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 18 van 53

Figuur 3-1 Thema natuur: Natuurnetwerk Brabant

Een ontwikkeling kan worden toegelaten als is voldaan aan de voorwaarden gesteld voor: a. b. c. d.

nieuwe ontwikkelingen in het Natuur Netwerk Brabant het nee, tenzij-principe de saldo-benadering een kleinschalige uitbreiding

In dit geval wordt toepassing gegeven aan de saldobenadering. Artikel 3.20 van de Interim omgevingsverordening gaat in op de voorwaarden voor toepassing van de saldo-benadering: 1. Bij de saldobenadering is er sprake van een combinatie van onderling samenhangende plannen, projecten of handelingen waarvan één of enkele afzonderlijk een negatief effect hebben op het Natuur Netwerk Brabant, maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een verbetering van de kwaliteit of kwantiteit van het Natuur Netwerk Brabant als geheel. 2. Een bestemmingsplan dat toepassing geeft aan de saldo-benadering, bevat een visie die de ontwikkelingen binnen het betrokken gebied in samenhang beziet en die tot doel heeft een grotere kwaliteitswinst voor meerdere functies, waaronder de natuur, te bereiken. 3. De visie beschrijft in ieder geval: a. de omvang van het gebied; b. de doelen voor de verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van het Natuur Netwerk Brabant waardoor een beter functioneren van het Natuur Netwerk Brabant ontstaat; c. er bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan compensatie; d. op welke wijze de uitvoering en monitoring zijn verzekerd. 4. Voor een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid doen burgemeester en wethouders een verzoek als bedoeld in artikel 6.2 Procedure grenswijziging werkingsgebied op verzoek.

Ad 1) Ter compensatie van het plan en de afname van NNB-areaal op het Mob-complex is ter zuidwesten van het dorps Mill nieuwe natuur gerealiseerd. De instandhouding van dit natuurgebied is onderdeel van dit bestemmingsplan. Het gaat om de volgende percelen: Mill G 2095 (2361 m²) Mill G 2355 (5000 m²)

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 19 van 53

Mill G 2356 (57100 m²) Per saldo leidt dit plan tot een verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van het Natuur Netwerk Brabant als geheel. Ad 2) Voor het plan is een compensatieplan opgesteld, waaruit blijkt dat aan de voorwaarden van de saldobenadering wordt voldaan (Bijlage 3). Ad 3) Het compensatieplan voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 3.20 en 3.22 (compensatiebeginsel) van de Interim omgevingsverordening. Ad 4) Dit bestemmingsplan vormt het verzoek tot wijziging van de grens van het werkingsgebied. Op de ontwerpverbeelding is de herbegrenzing opgenomen. De woonkavels en de 'kraag' daaromheen krijgen de aanduiding 'groenblauwe mantel'. Na herbegrenzing van het NNB is de aanduiding 'Verstedelijking afweegbaar' van kracht. Ter plaatse van deze zone is nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling mogelijk als: a. binnen Stedelijk Gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; b. transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort; c. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken; d. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied.

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 20 van 53

Figuur 3-2 Thema verstedelijking: verstedelijking afweegbaar

Naast de gebiedsspecifieke regels gelden ook basisprincipes conform artikel 3.5: 1. Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. 2. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie. Ad a) Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in gevallen dat nieuwvesting mogelijk is op grond van de bepalingen in de Interim omgevingsverordening of er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding op is toegestaan op grond van de bepalingen in de Interim omgevingsverordening. Voor dit plan geldt dat nieuwvesting mogelijk is op basis van de verordening. Tevens moet toepassing worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 3.1.2. Tot slot moeten gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Hierin wordt voorzien middels de verbeelding en regels van dit bestemmingsplan.

Ad b) De lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond, de netwerklaag en de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden. In hoofdstuk 2 en 3 is ingegaan op de huidige en toekomstige functionele en ruimtelijke structuur. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de ondergrond en de zogenaamde bovenste laag. Ad c) Dit plan betreft een Ruimte voor Ruimte-ontwikkeling, waardoor per definitie meerwaardecreatie plaatsvindt. Het doel van de regeling ruimte voor ruimte is om aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst te behalen door in ruil voor de beëindiging van een veehouderij, het inleveren van fosfaatrechten en de sloop van bedrijfsgebouwen de bouw van woningen op een passende locatie toe te staan. Attentiezone waterhuishouding Op een deel van het plangebied ligt de aanduiding 'Attentiezone waterhuishouding'. Een bestemmingsplan in dit gebied moet strekken tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Hoewel een herbegrenzing van het Natuur Netwerk Brabant aan de orde is, wordt met de verdere planuitwerking rekening gehouden met de infiltratiemogelijkheden in verband met de toename van het verhard oppervlak. Tevens worden geen functies of activiteiten toegestaan (bv.

ontgrondingen of grondwateronttrekkingen), die een negatief effect hebben op de waterhuishouding. 3.2.3

Provinciale benadering 'Ruimte voor Ruimte'-regeling

De provincie Noord-Brabant heeft als voorwaarde aan de 'Ruimte voor Ruimte'-regeling gesteld dat de ontwikkeling van kavels direct dient te worden gerelateerd aan concreet te slopen staloppervlak. Voor de sloop van 1.000 m² stal mag 1 kavel worden ontwikkeld. Om aan te tonen dat er inderdaad per te ontwikkelen woningbouwkavel 1.000 m² stallen gesloopt zijn, stelt de provincie dossiernummers ter beschikking van aanvragen voor sloopsubsidie in het kader van de beëindigingsregeling en/of de verbrede aanpak. In de anterieure overeenkomst die gesloten is met de gemeente zijn de dossiernummers opgenomen. Het betreffen dossiernummers Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 21 van 53

voor in totaal 15 Ruimte voor Ruimte bouwcontingenten. 3.2.4

Regionale woningmarktstrategie

De gemeenten in het Land van Cuijk (Boxmeer, Cuijk, Mill en Sint Hubert en Sint Anthonis) hebben gezamenlijk een regionale woningmarktstrategie opgesteld in 2018. De strategie maakt duidelijk wat de ambities zijn en tekent de strategische lijnen. De koers bestaat uit zes ankers: een vitale regio; een gezonde woningmarkt; de juiste woning op de juiste plek in dit Land van kernen; kwaliteit bestaande voorraad en kernen meer centraal; een levensloopvriendelijke regio; een duurzame regio Voor Mill en Sint Hubert is gekeken of de prognose overeenkomt met de plancapaciteit:

Figuur 3-3 Match prognose en plancapaciteit 2017-2027

Mogelijk bestaat een klein risico op overmaat. Het planvoornemen maakt echter een bovenregionaal aantrekkelijk woonmilieu mogelijk, waardoor niet verwacht wordt dat de woningen het reguliere woningbouwprogramma in de weg zit.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie "In duurzaam perspectief"

Op 29 september 2011 heeft de gemeenteraad de structuurvisie 'In duurzaam perspectief' vastgesteld. Mill-West en Mill-Noord liggen in de Peelzoom-zone. Welzijn en welvaart hoofdthema's De gemeente wil voor alle kernen integraal inzetten op vitale, duurzame en toekomstgerichte dorpsontwikkeling. Thema's zijn welzijn (de kwaliteit en diversiteit van zowel de bestaande als de nog te realiseren woningvoorraad, de kwaliteit van het totale voorzieningenniveau en de kwaliteit van de leefomgeving in dorp en ommeland) en welvaart (economische bedrijvigheid, gastheerschap voor toeristen). Voor verdere planvorming is het doel de sociale samenhang in het dorp en de voorzieningen die daarbij nodig zijn een belangrijke impuls te geven. Daarnaast moet aanvullende planvorming de woonkern Mill 'dorpsbouwkundig' en landschappelijk afronden en de inwoners verzekeren van een prettige en vooral gezonde leefomgeving in de toekomst. De herinrichting en openstelling van het Mob-complex voorziet in deze ambitie.

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 22 van 53

Figuur 3-4 Uitsnede structuurvisie

In het noorden van het Ontwikkelingsgebied Dorpslandschap Mill ligt het voormalige Mob-terrein van Defensie - het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. In de structuurvisie wordt hierover genoemd dat onderzocht wordt of - in het kader van het gemeentelijk streven naar diversiteit in de woonmilieus - een deel mogelijk geschikt te maken is voor bijzondere woonvormen met extensieve bebouwing, zoals bijvoorbeeld 'wonen in het bos'. Uiteraard met de verplichte compenserende natuurontwikkeling als absolute voorwaarde. Het gebied valt bovendien in het zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling. Dorpsplan Mill Verspreid over Mill ligt een groot aantal harde woningbouwplannen. Het grote aantal plannen draagt ertoe bij dat in de behoefte voor Mill zelfs grotendeels is voorzien. In beperkte mate is ruimte voor nieuwe invullingen, waarbij door de gemeente kritisch zal worden gekeken naar de bijdrage aan de versterking van het dorpsstructuur en de beoogde woningbouwtypologie. Kwaliteit staat voorop bij het invullen van de resterende woningbehoefte voor Mill. Het plangebied is in de dorpskaart gelegen in de aanduiding 'dorpsafronding' (figuur 3-5). Het plan draagt bij aan een kwalitatieve afronding van het dorp aan de noordwestzijde, door enerzijds de ontwikkeling van 'wonen in het bos' en anderzijds het openstellen van het bosgebied.

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 23 van 53

Figuur 3-5 Uitsnede structuurvisie

3.3.2

Investeringsregeling Ruimtelijke Kwaliteit

De raad van de gemeente Mill en Sint Hubert heeft in zijn vergadering van 27 september 2012 als beleidsregel heeft vastgesteld de Investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit (IRK) Mill en Sint Hubert. De IRK gaat er - evenals de Structuurvisie - van uit, dat een initiatief moet bijdragen aan het versterken aan de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid van de kernen en het buitengebied. Voorliggend plan is getoetst aan de IRK en valt in categorie 1, namelijk het realiseren van Ruimte voor Ruimte woningen en de wijziging naar een natuurbestemming (in verband met de natuurcompensatie aan de Domeinenstraat). Dit zijn ontwikkelingen die geen (extra) kwaliteitsverbetering vereisen. 3.3.3

Welstandsnota

De gemeente Mill en Sint Hubert hebben gezamenlijk met de gemeenten in het land van Cuijk sinds 2004 hun welstandsbeleid vastgelegd in een welstandsnota. In 2013 heeft een herziening plaatsgevonden. Het welstandsbeleid heeft tot doel de kwaliteiten van de gemeente te beschermen en te versterking, zodat de inwoner een verzorgde en prettige leefomgeving krijgt en behoudt. In de welstandsnota is het plangebied aangemerkt als ontwikkelgebied, waardoor er nu dus een

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 24 van 53

beeldkwaliteitsplan moet worden opgesteld. Voor de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (Bijlage 2). Hierbij wordt voldaan aan de randvoorwaarden die zijn gesteld in de welstandsnota.

3.4

Conclusie beleidskader

Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het rijksbeleid, het beleid van de provincie en het gemeentelijke beleid. Vanuit beleidsoogpunt zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 25 van 53

Hoofdstuk 4

Uitvoeringsaspecten

In het kader van de ontwikkeling zijn diverse onderzoeken uitgevoerd naar de inpasbaarheid van de ontwikkeling in de omgeving. De uitkomsten zijn, voor zover relevant, in onderstaande paragrafen beschreven.

4.1

Bodem

4.1.1

Relevant kader

Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar zijn. 4.1.2

Betekenis voor het bestemmingsplan

Door Sweco is in 2020 een historisch bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 4). Uit de informatie die verzameld is, zijn de onderstaande conclusies getrokken over de beïnvloeding van de bodem en de verwachting van de bodemkwaliteit: Op basis van de resultaten uit voorgaande onderzoeken wordt verwacht dat de bodem op de onderzoekslocatie licht verontreinigd is. De in het grondwater matig tot sterk verhoogde gehalten zijn van nature aanwezig. Op basis van de resultaten uit voorgaande onderzoeken en de uitgevoerde sanering op asbest is de bodem van de gehele onderzoekslocatie momenteel niet asbestverdacht. Ten noorden van de onderzoekslocatie bevindt zich een stortplaats. Tevens is in het verleden aan de oostzijde van de onderzoekslocatie (Leeuwerikstraat 96 te Mill) een autoreparatiebedrijf aanwezig geweest. In verband met mogelijke verspreiding van verontreiniging vanuit deze locaties, dient rekening gehouden te worden met beide locaties. De uitvoer van onderhavig historisch onderzoek is de basis waarop het bodemonderzoek (namelijk het veld- en laboratoriumonderzoek) kan worden verricht in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning. De onderhavige rapportage kan ook dienen als separate rapportage ten behoeve van de bestemmingsplanprocedure.

Aangezien uit onderhavig onderzoek een onverdachte onderzoeksstrategie naar voren is gekomen, is (in dit kader) de uitvoer van het in deze rapportage uitgewerkt veld- en laboratoriumonderzoek niet noodzakelijk. Op basis van de resultaten uit voorgaande onderzoeken is de bodemkwaliteit naar verwachting in milieuhygiënisch opzicht geschikt om de herinrichting van het onderzoeksgebied mogelijk te maken; de aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond en de van nature matig tot sterk verhoogde gehalten in het grondwater vormen hiertoe geen belemmering. Naar aanleiding van het historisch bodemonderzoek is een onverdachte onderzoeksstrategie naar voren gekomen. Er wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan. Door Sweco is vervolgens in 2021 het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 5). Hieronder zijn de belangrijkste conclusies van het onderzoek beschreven. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 26 van 53

onderzoekslocatie. Op basis van de onderzoeksresultaten moet worden vastgesteld of er tegen de voorgenomen herinrichting (nieuwbouw) vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen aanwezig zijn. Door middel van de uitgevoerde onderzoeken is voldoende inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden vastgesteld dat er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen bestaan tegen de voorgenomen herinrichting van de locatie ten behoeve van nieuwbouw met de nieuwe functie wonen. Afhankelijk van de definitieve herinrichting worden de puinlagen nabij boring 18 en boring 63 verwijderd. Wat betreft veiligheidsaspecten hoeft bij eventueel voorgenomengraafwerkzaamheden geen verhoogde veiligheidsklasse van de CROW 400 toegepast te worden. Er kan gewerkt worden volgens de ‘Basishygiëne’.

4.2

Ecologie

4.2.1

Relevant kader

Bescherming van natuurwaarden vindt plaats conform de Wet natuurbescherming. Handelingen of projecten dienen te worden getoetst aan de volgende kaders: Natura 2000-gebieden Soorten + houtopstanden Natuurnetwerk Nederland 4.2.2

Betekenis voor het bestemmingsplan

Sweco heeft in 2019 een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd (Bijlage 6). De belangrijkste conclusies zijn hieronder opgesomd. Wet natuurbescherming: onderdeel Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden en maakt geen deel uit van het leefgebied voor kwalificerende habitat- en/of vogelrichtlijnsoorten van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (Oeffelter Meent) ligt op 10,8 kilometer afstand. Op 11 kilometer afstand ligt de Sint Jansberg, en op 14 kilometer afstand De Bruuk. Andere gebieden liggen op een grotere afstand dan 15 kilometer. Gelet op de grote afstand tot nabijgelegen Natura 2000-gebieden, zijn directe effecten, zoals verdroging, vernatting, optische verstoring, licht- en geluidsverstoring, op voorhand uitgesloten. Er is geen noodzaak tot een nadere beschouwing op deze effectindicatoren. Effecten door verzuring en vermesting als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn niet op voorhand uitgesloten. Dit, gelet op de relatief geringe afstand tot Natura 2000-gebieden in de omgeving in relatie tot het gebruik van mobiele werktuigen en de verkeersaantrekkende werking. De voorgenomen ontwikkeling leidt hierdoor mogelijk tot(significant) negatieve effecten in de vorm van verzuring en vermesting. Het nemen van vervolgstappen is derhalve noodzakelijk.

Voor het planvoornemen zijn stikstofberekeningen uitgevoerd (Bijlage 7). Ten opzichte van de huidige situatie is er in de aanlegfase en gebruiksfase van de planontwikkeling geen toename van de stikstofdepositie > 0,00 mol/ha/jaar in de omliggende Natura 2000-gebieden. Hiermee is er voor de planontwikkeling voor het onderdeel stikstofdepositie geen vergunning Wet natuurbescherming nodig. Er zal hierbij tijdens de uitvoering wel moeten worden voldaan aan de randvoorwaarden met betrekking tot de emissienormen en draaiuren van het materieel zoals opgenomen in de bijlage. Wet natuurbescherming: onderdeel soortenbescherming De Wet natuurbescherming biedt mogelijk belemmeringen voor de ontwikkeling van woningbouw.

Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 27 van 53

Het bestemmingsplan is niet zonder meer uitvoerbaar vanwege mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Om de uitvoerbaarheid te bepalen, zijn er aanvullende onderzoeken noodzakelijk. Er zijn mogelijk soorten aanwezig of te verwachten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen maatregelen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en die mogelijkerwijs negatief beïnvloed worden. Tevens zijn er enkele aandachtspunten ten aanzien van beschermde soorten en/of functies van het plangebied: Bunzing en wezel. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen als bunzing en wezel, met beschermingsregime Andere soorten artikel 3.10 Wnb. Aanvullend onderzoek naar de daadwerkelijke functie van het plangebied voor desbetreffende soorten achten wij noodzakelijk. Onderzoek dient met voorkeur te worden uitgevoerd conform de Handreiking kleine marters van de Provincie Noord-Brabant in de periode maart tot september. Vleermuizen. Het plangebied heeft mogelijk een functie als leefgebied voor vleermuizen (beschermd conform art. 3.5 Wnb). De aanwezige bomen zijn geschikt als rust- en voortplantingsplaatsen voor vleermuizen en als foerageergebied. Aanvullend onderzoek naar vleermuizen achten wij dan ook noodzakelijk indien kap van houtopstanden is voorzien. Men dient hierbij rekening te houden met de periode waarin vleermuisonderzoek uitgevoerd dient te worden.

Dit betreft doorgaans de onderzoeksperiode tussen half mei tot en met september. Eekhoorn. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor de eekhoorn, met beschermingsregime Andere soorten art. 3.10 Wnb. Indien bomen gekapt gaan worden zijn negatieve effecten op de eekhoorn niet op voorhand uit te sluiten. Een nadere controle naar het voorkomen van nesten van de eekhoorn is noodzakelijk. Jaarrond beschermde nesten. Het plangebied is geschikt voor enkele jaarrond beschermde vogels om zich te nestelen. Indien bomen gekapt gaan worden zijn negatieve effecten op mogelijk aanwezige jaarrond beschermde nesten niet op voorhand uit te sluiten. Een nadere controle naar het voorkomen van nesten is noodzakelijk. Levendbarende hagedis. Het plangebied vormt geschikt leefgebied voor levendbarende hagedis. Nader onderzoek naar het voorkomen van de soort is noodzakelijk. Broedvogels. Tijdens de uitvoeringsfase dient men rekening te houden met de aanwezigheid van broedvogels tijdens het broedseizoen. Alle vogelnesten zijn gedurende deze periode beschermd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot augustus. Echter, afhankelijk van de lokale meteorologische omstandigheden, kan deze periode eerder of later beginnen en eindigen. Van belang is dat broedende vogels niet zodanig opzettelijk verstoord worden dat de gunstige staat van instandhouding van de soort in het geding komt.

Aanbevolen wordt om werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (september – februari). Indien dit onmogelijk is, kan uitsluitend binnen het broedseizoen gewerkt worden indien hierbij geen broedvogels worden verstoord of nesten worden aangetast. Dit kan bewerkstelligd worden door te voorkomen dat vogels tot broeden komen binnen het werkgebied door: 1. de vegetatie op plekken waar werkzaamheden gaan plaatsvinden voor het broedseizoen (vóór half maart) kort te maaien en kort te houden; 2. de werkzaamheden voor het broedseizoen aan te laten vangen en voort te zetten zonder onderbreking. Op basis van het uitgevoerde veldonderzoek naar conform de Wet natuurbescherming beschermde (niet-vrijgestelde) soorten, zijn er soorten vastgesteld die leefgebied hebben binnen het plangebied en door de voorgenomen ontwikkeling mogelijk negatief beïnvloed worden (Bijlage 8). Het gaat hier om een nest (horst) van de buizerd. Nesten van de buizerd zijn jaarrond beschermd conform de Wet natuurbescherming ( (Vogelrichtlijn artikel 3.1 Wnb). Als gevolg van de ontwikkeling wordt het nest aangetast. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming inclusief het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen is noodzakelijk. De ontheffing is reeds aangevraagd.

Voor de andere soorten waarnaar aanvullend soortgericht onderzoek is uitgevoerd (kleine marterachtigen, vleermuizen, levendbarende hagedis en eekhoorn), is op basis van het onderzoek met zekerheid uitgesloten dat deze soorten leefgebied hebben binnen het plangebied en/of dusdanig worden aangetast dat verbodsbepalingen overtreden worden. Voor deze soorten is geen Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 28 van 53

ontheffing noodzakelijk. Zorgplicht Naast bepalingen voor specifiek aangewezen soorten geldt krachtens artikel 1.11 (lid 1 & 2) van de Wet natuurbescherming, de algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten alsmede voor hun directe leefomgeving. Via dit artikel wordt eenieder medeverantwoordelijk gesteld voor de zorg en bescherming van flora en fauna en dient men geen handelingen uit te voeren die opzettelijk soorten kunnen verwonden of doden. Houtopstanden Het areaal te kappen bomen bestaat uit de 15 bouwkavels inclusief tuinen en opritten, de toegangswegen, het te verlengen voetpad én de te vergroten achtertuinen van het aangrenzende gedeelte van de straten Herdersstaf, Brugse Berg en Riddershove. Niet alle bouwkavels zijn volledig gevuld met bomen. De bomen in de tuinen van de Herdersstaf, Brugse Berg en Riddershove worden mogelijk ook niet allemaal gekapt, maar daar is na verkoop geen zicht op. We gaan bij de compensatiebepaling uit van totale kap van het ruimtebeslag. Daarbij moet opgemerkt worden dat op een deel van de bouwkavels geen bos aanwezig is en dus ook niet gekapt hoeft te worden. Op de gemeentelijke kaart 'beschermd groen' wordt de boomzone CGM ter plaatse van de woonbestemmingen verwijderd, dit betekent dat geen kapvergunning nodig is op basis van de bomenverordening.

In totaal wordt een oppervlakte van 1,07 ha aan houtopstanden gekapt die voldoet aan de criteria van de Wnb, namelijk houtopstanden met een oppervlakte groter dan 10 are. Hierbij wordt uitgegaan van het gehele oppervlak, een deel van de oppervlakte bevat echter geen bos. Daarnaast is met het bevoegd gezag van de Wnb overeengekomen dat ook de oppervlakte van de bosstroken tussen de woningen met de factor 1 gecompenseerd moet worden (3,26 ha). De bosstroken tussen de woningen zullen niet gekapt worden en behouden de bosbestemming. Omdat na verkoop minder zicht is op de handhaving van de bosopstanden heeft het bevoegd gezag bepaald dat compensatie noodzakelijk is. Hierbij is door het bevoegd gezag wel de nuancering gegeven dat compensatie geheel mag plaatsvinden in het projectgebied en dat het laten opkomen van natuurlijk bosopslag voldoende voorziet in de compensatieplicht. Door het laten opkomen van bosopslag en het uitvoeren van het juiste beheer nemen natuurwaarden in het bestaande bos toe. Hierbij wordt minder toegezien op de kwantitatieve verplichting, maar is er meer aandacht voor de kwalitatieve verplichting. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt deel uit van het NNB, waardoor sprake is van ruimtebeslag. Tevens zijn effectindicatoren, zoals verstoring en versnippering op het NNB binnen de plangrenzen, niet op voorhand uitgesloten.

Provincie Noord-Brabant kent eveneens een externe werking van effecten. Gelet op de geringe afstand tot naastgelegen NNB, zijn effecten op NNB gelegen buiten de plangrenzen tevens niet uitgesloten. Daarnaast grenst het plangebied aan de Groenblauwe mantel. Voor deze natuurzone geldt het ‘ja, mits-principe’. Met de voorgenomen ontwikkeling is op voorhand niet uitgesloten dat er sprake is van aantasting of verlies van de kernkwaliteiten. Vanuit het provinciaal natuurbeleid zijn er dus mogelijk belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingplan. Om het bestemmingsplan vast te kunnen stellen, is het vanuit het provinciaal natuurbeleid noodzakelijk het verlies aan NNB te compenseren en te herbegrenzen. Effectbeoordeling en compensatieplan Door MLG Gebiedsontwikkeling is in 2020 een compensatieplan uitgewerkt voor het compenseren van het verlies aan NNB (bijlage 3). De herbegrenzing van het NNB kan op basis van deze effectbeoordeling en compensatieplan doorgang vinden met inachtneming van het volgende: Het beheer van de bosopstanden in het projectgebied moet uitgewerkt en geborgd worden voor de lange termijn in een beheerplan. Het beheerplan is opgesteld en als bijlage 9 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Het plangebied moet ontwikkelen als een droog bos met productie waarbij de natuurkwaliteit een impuls krijgt ten opzichte van de huidige situatie.

Binnen drie jaar moet deze spontane ontwikkeling afdoende zijn Mill-Noord, voormalig Mob-complex Pagina 29 van 53

voor een goed functionerend droog bos met productie. In deze termijn is een inventarisatie nodig om te controleren of de zaailingen voldoende ontwikkelen. Als dit niet het geval is, is aanplant noodzakelijk van de soorten zoals geschreven in paragraaf 3.2 van het beheerplan. Wat betreft de mantelzoom vegetatie, hiervoor is direct aanplant nodig om snel een goed ontwikkelde bosrand te verkrijgen. In het najaar van 2021 worden de soorten aangeplant.

4.3

Water

4.3.1

Relevant kader

De watertoets is een procesinstrument dat is verankerd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) 2011. De bedoeling van het instrument is om wateraspecten van meet af aan mee te nemen bij ruimtelijke plannen en besluiten. Het gaat hierbij om zes thema's: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater. Waterbeheerplan 2016-2021 In het Waterbeheerplan (WBP) beschrijft het waterschap Aa en Maas haar doelstellingen voor de periode 2016 – 2021 en de wijze waarop deze doelstellingen bereikt moeten worden. Hiermee geeft het waterschap invulling aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening water Noord-Brabant om een waterbeheerplan op te stellen. In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende programma’s: Veilig en bewoonbaar; Voldoende water en robuust watersysteem; Schoon water; Gezond en natuurlijk water; Het leveren van maatschappelijke meerwaarde Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. 4.3.2

Betekenis voor het bestemmingsplan

Door Sweco is in 2020 een watertoets uitgevoerd (Bijlage 10). Hemelwaterberging Voor het bepalen van de benodigde hemelwaterberging is op basis van het stedenbouwkundig voorstel en de randvoorwaarden van Waterschap Aa en Maas het ruimtebeslag voor de watercompensatie bepaald. De verkaveling in het gebied bestaat uit relatief grote kavels met vrijstaande woningen. Binnen de kavels is het maximaal bouwvlak weergegeven. Tevens worden de bestaande tuinen aan de westzijde van het plangebied uitgebreid, de uitbreiding is ook

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=fc20e1c2-bc43-41ef-8cae-a14119e0ec94