08. Toelichting BP Bijlage III Archeologisch vooronderzoek.pdf
Tekst van het document
V1910
Ruimtelijk advies op basis van bureauonderzoek
Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert Ruimtelijk advies op basis van bureauonderzoek
Rapportnummer:
V1910
Projectnummer:
V20-4352
Status en versie:
Definitief, versie 2.1
In opdracht van:
Witteveen en Bos
Rapportage:
F.P.J. van Puijenbroek, O.P.N. Satijn, E.R.J.G. Picard
Plaats en datum:
Amersfoort, 8 september 2020
Niets uit dit werk mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook, daaronder mede begrepen gehele of gedeeltelijke bewerking van het werk, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Vestigia BV Vestigia BV Spoorstraat 5 3811 MN Amersfoort telefoon 033 277 92 00 info@vestigia.nl
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Documentbeheer
Versie
Status
Datum
Toelichting
Autorisatie
1.0
Concept
1 april 2020
W.A.M. Hessing
2.0
Definitief 2.0
19 mei 2020
2.1
Definitief 2.1
8 september 2020
Eerste concept ter goedkeuring opdrachtgever Definitief na verwerking opmerkingen bevoegd gezag Definitief met toevoeging van een extra deelgebied perceel Pastoor Jacobsstraat 34
Initiatief Toponiem / locatie Plaats Gemeente Provincie Opdrachtgever
Contactpersoon Oppervlakte plangebied Oppervlakte onderzoeksgebied Diepte grondwerkzaamheden
Huidig grondgebruik Zaakidentificatie (Archis3) Soort onderzoek RD-coördinaten van het plangebied Kaartblad (1:25.000) Uitvoerder Toetser rapport Projectleider Projectmedewerkers
Beheer en documentatie
Bevoegd gezag
Deskundige namens het bevoegd gezag
paraaf
W.A.M. Hessing
Projectgegevens Herinrichting N264 Sint Hubert Mill en Sint Hubert Noord Brabant Witteveen en Bos Leeuwenbrug 8 7411 TJ Deventer N. Veldt 2,56 hectare Plangebied + buffer 500 m Maximaal 2 m-mv; de diepte van de grondroerende werkzaamheden aan perceel Pastoor Jacobsstraat 34 is nog onbekend Weg en berm 4800208100 Bureauonderzoek Xmin 183.719 Xmax 184.610 Ymin 409.736 Ymax 410.008 46C Mill Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie Drs. W.A.M. (Wilfried) Hessing, Senior KNA Archeoloog, registratienummer 97049866 Drs. O.P.N. Satijn, Senior KNA Archeoloog, registratienummer 61482218 F.P.J. (Florens) van Puijenbroek, KNA Prospector, registratienummer 66852666 E.R.J.G. (Emiel) Picard MA/MLitt, Projectmedewerker Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie E-depot Nederlandse Archeologie (EDNA) via DANS EASY: https://easy.dans.knaw.nl/ui/home Gemeente Mill en Sint Hubert Kerkstraat 1 5451 BM Mill onbekend
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
2
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Inhoudsopgave Afbeeldingen............................................................................................................................................................................... 4 Samenvatting en advies ........................................................................................................................................................... 6 Onderbouwing advies ............................................................................................................................................................ 10 1 Projectomgeving ............................................................................................................................................................ 10 1.1 Afbakening plangebied en consequenties toekomstig gebruik ............................................................... 10 1.2 Onderzoeksdoel en -methode .......................................................................................................................... 10 2 Beleidskader .................................................................................................................................................................... 12 2.1 Wettelijk kader .....................................................................................................................................................
12 2.2 Gemeentelijk beleid ............................................................................................................................................ 12 3 Verwachtingsmodel .......................................................................................................................................................15 3.1 Natuurlijk landschap ............................................................................................................................................15 3.2 Historisch landschap ........................................................................................................................................... 16 3.3 Bouwhistorische waarden ................................................................................................................................. 22 3.4 Archeologische waarden ....................................................................................................................................24 3.5 Tweede Wereldoorlog ........................................................................................................................................ 25 3.6 Gespecificeerde archeologische verwachting ..............................................................................................
27 4 Advies vervolgonderzoek ............................................................................................................................................29 Literatuur ....................................................................................................................................................................................31 Digitale bronnen ...................................................................................................................................................................... 32 Bijlagen en kaarten ................................................................................................................................................................. 33
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
3
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Afbeeldingen Afbeelding 1 Luchtfoto van Sint Hubert met in blauw het plangebied. Bron: Luchtfoto 2018 Ortho 25cm RGB, PDOK. Afbeelding 2 Het plangebied op de archeologische beleidskaart van de gemeente Mill en Sint Hubert. Bron: Gemeente Mill en Sint Hubert. Afbeelding 3 Legenda van de archeologische beleidskaart van de gemeente Mill en Sint Hubert. Bron: Gemeente Mill en Sint Hubert. Afbeelding 4 Het plangebied op het AHN3. Duidelijk zichtbaar is de Peelhorst direct ten westen van het plangebied. Minder duidelijk zijn de Maasterrassen in de Venloslenk. Bron: ahn.nl Afbeelding 5 Ligging plangebied op de topografische kaart uit 1850. Bron: Kadaster, Tijdreis over 200 jaar topografie. Afbeelding 6 Ligging plangebied op de topografische kaart uit 1900. Bron: Kadaster, Tijdreis over 200 jaar topografie. Afbeelding 7 Ligging plangebied op de topografische kaart uit 1930. Bron: Kadaster, Tijdreis over 200 jaar topografie. Afbeelding 8 Ligging plangebied op de topografische kaart uit 1970. Bron: Kadaster, Tijdreis over 200 jaar topografie. Afbeelding 9 Ligging plangebied op de topografische kaart uit 1990. Bron: Kadaster, Tijdreis over 200 jaar topografie. Afbeelding 10 Ligging plangebied op de topografische kaart uit 2015. Bron: Kadaster, Tijdreis over 200 jaar topografie. Afbeelding 11 Ligging plangebied op de topografische kadastrale minuut 1811-1832. Bron: RCE.
Afbeelding 12 Ligging plangebied op de topografische kadastrale minuut 1811-1832 (detail met daarin de nu verdwenen gebouwen binnen het plangebied). Bron: RCE. Afbeelding 13 Troepenbewegingen rondom Sint Hubert mei 1940. Bron: Zuidfront Holland. Afbeelding 14 Specificatie van de archeologische verwachting.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
4
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Afbeelding 1 Luchtfoto van Sint Hubert met in blauw het plangebied. Bron: Luchtfoto 2018 Ortho 25cm RGB, PDOK.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
5
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Samenvatting en advies Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie heeft in opdracht van Witteveen en Bos een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor een plangebied in de gemeente Mill en Sint Hubert (kaart 1; afbeelding 1). Witteveen en Bos is betrokken bij de herinrichting van de N264 ter hoogte van de Pastoor Jacobsstraat. Het project N264 Sint Hubert omvat de volgende ingrepen: - het verleggen van rijweg, fiets- en voetpaden - het verbreden van rijweg, fiets- en voetpaden - het herinrichten van verkeerskruisingen - het aanbrengen van verkeersremmende obstakels - het aanleggen van nieuwe riolering tot een maximale ontgravingsdiepte van 2 m-mv - nog onbekende ingrepen benoorden de kruising Pastoor Jacobsstraat/Kievitsdwarsweg - de bouw van twee appartementen en vier woningen op het perceel Pastoor Jacobsstraat 34 Doel van het archeologisch bureauonderzoek was vast te stellen of er in het plangebied sprake is (of kan zijn) van archeologische resten die door de ingrepen verstoord dreigen te worden en, indien mogelijk, uitspraken te doen over de waarde hiervan in termen van fysieke en inhoudelijke kwaliteit zoals zeldzaamheid en gaafheid. Het bureauonderzoek toont aan dat het plangebied op basis van het landschap een middelhoge en hoge archeologische verwachting heeft.
Binnen het plangebied zijn zowel gooreerdgronden (in het westelijke deel van het plangebied) als hoge zwarte enkeerdgronden (in het oostelijke deel, zie afbeelding 14) aanwezig. De gooreerdgronden hebben een middelhoge archeologische verwachting. Gooreerdgronden lagen namelijk hoog genoeg voor permanente bewoning tot het klimaat zodanig vernatte dat bewoning minder mogelijk werd. Binnen de gooreerdgronden worden daarom voornamelijk, maar niet uitsluitend, oudere archeologische waarden verwacht. Het is moeilijk om de vernatting van het gebied te dateren, omdat de chronologie van dit proces lokaal sterk verschilt. De hoge zwarte enkeerdgronden hebben een hoge archeologische verwachting. Deze enkeerdgronden vallen samen met de dekzandwelving in de oostelijke helft van het plangebied. De hoge archeologische verwachting is gebaseerd op een hogere ligging, direct grenzend aan een beekdal. Hierdoor lag dit deel van het plangebied relatief hoog in het landschap, met geringe kans op overstromingen, maar had het tegelijk gemakkelijke toegang tot een waterbron. Hierdoor was het een aantrekkelijke omgeving voor bewoning. Later heeft hier (heide)plaggenbemesting plaatsgevonden (resulterend in een zogenaamde enkeerdgrond) waardoor eventuele archeologische waarden mogelijk goed beschermd zijn gebleven.
De archeologische verwachting is daarom hoog voor de perioden Laat-Paleolithicum/Neolithicum tot aan de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd. De mogelijke archeologische sporen en vindplaatsen kunnen uiteenlopen van tijdelijke jachtkampjes van jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum/Neolithicum tot nederzettingsterreinen en sporen van landgebruik/verkaveling uit de periode vanaf het Neolithicum/Bronstijd tot aan de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd. Tot de eerste vondstcategorie behoren voornamelijk vondsten van bewerkt vuursteen; tot de tweede categorie behoren o.a. grondsporen van structuren zoals boerderijen, bijgebouwen, sloten, greppels en afvalkuilen, zowel als grafheuvels; en vondsten van o.a. aardewerk, bot en metaal. Eventuele sporen van bewoning of landgebruik kunnen op of vlak onder het maaiveld worden aangetroffen. Archeologische resten worden verwacht in de eerdlaag (A-horizont) en in de top van het dekzand (oorspronkelijke C-horizont). In de top van het dekzand kunnen eventueel aanwezige archeologische resten daterend uit het Laat-Paleolithicum t/m de Vroege-Middeleeuwen worden verwacht in het
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
6
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
begraven podzolprofiel. Eventueel aanwezige archeologische resten daterend uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden verwacht onderin het eerddek en de top van het dekzand. Archeologische sporen kunnen zich bevinden van het maaiveld tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Het opgebrachte plaggendek kan tot 0,80-1,00 m dik zijn1; de archeologische verwachting rust dus op de bovenste 1,25 mmv. Voor de gooreerdgrond rust de archeologische verwachting op de bovenste 0,75 m-mv gezien het feit dat de het opgebrachte plaggendek tot maximaal 0,50 m dik kan zijn. De kans bestaat dat de vondstenlaag is opgenomen onderin de eerdlaag; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen de eerdlaag en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. In het eerddek kunnen aardewerkfragmenten uit de IJzertijd en Romeinse tijd aanwezig zijn. Door het bewerken van de grond in de beginfase van de vorming van het esdek wordt (de bovenzijde van) de cultuurlaag en sporen opgenomen in het esdek. Zo komt materiaal van een vindplaats op of nabij de locatie in het esdek terecht. Het in de cultuurlaag opgenomen materiaal kan ook van elders komen. Dat is vaak ME of NT materiaal dat op de mesthoop terecht is gekomen en daarna over het land verdeeld met de mest en plaggen.
Dit betreffen dus geen in situ archeologische resten, omdat deze van een andere locatie zijn meegevoerd ten tijde van het opbrengen van het eerddek (verstoorde context). Verder geldt er een hoge archeologische verwachting vanaf de Late-Middeleuwen tot de Nieuwe Tijd voor het deel van het plangebied gelegen ter hoogte/in het oude centrum van Sint Hubert (paars en lichtpaars op de archeologische beleidskaart) op basis van historisch vastgelegde continue activiteit in dit deelgebied. Wat betreft ondergrondse bouwhistorische waarden is er een verwachting op het aantreffen van resten van voorgangers van de huidige weg, en van enkele op de kadastrale minuut zichtbare gesloopte gebouwen ter hoogte Pastoor Jacobstraat 39 en 46-48a. Verder ligt de huidige weg in het uiterst oostelijke deel van het plangebied op een rivierdijk van zeer hoge historische waarde uit de Late Middeleeuwen. Er is echter een grote kans dat de ondergrond in delen van het plangebied verstoord is geraakt als gevolg van de aanleg van de N264 en het leggen van kabels en leidingen; de KLIC laat zien dat er een wirwar van kabels aanwezig is binnen het plangebied, met uitzondering van een deelgebied in het uiterste westen van het plangebied dat iets verder weg is gelegen van de weg.
Het is echter niet precies duidelijk waar en tot hoe diep verstoring van het oorspronkelijke bodemprofiel onder en naast het huidige tracé is geweest. In het oostelijke deel van het plangebied is het mogelijk dat de opgebracht heideplaggen (esdek, mogelijke dikte tot 1,00 m-mv) de mogelijke onderliggende archeologische waarden hebben beschermd. Advies Voor het oostelijke deel van het plangebied geldt op basis van de aardwetenschappelijke waarden, de ligging in/nabij het oude centrum van Sint Hubert en de aanwezigheid van een laatmiddeleeuws dijklichaam een hoge archeologische verwachting (zie afbeelding 14); de overige delen hebben een middelhoge archeologische verwachting. Deze hoge/middelhoge archeologische verwachting geldt vanaf het maaiveld tot 0,75 m-mv (gooreerdgronden in het westen van het plangebied) en 1,25 m-mv (hoge zwarte enkeerdgronden in het oosten van het plangebied). Archeologische resten worden verwacht in de eerdlaag (A-horizont) en in de top van het dekzand (oorspronkelijke C-horizont). Ook kunnen resten van een oudere weg worden aangetroffen.
1
Berendsen 1997.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
7
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Door sub-recente activiteiten, met nam de aanleg van bestaande kabels en leidingen, kan de ondergrond in delen van het plangebied verstoord zijn geraakt. Het is echter niet exact bekend waar en tot hoe diep, en of dit eventuele archeologische sporen of vondsten in de ondergrond heeft aangetast. Dit is mogelijk niet het geval in het deelgebied in het uiterste westen van het plangebied, dat iets verder weg is gelegen van de weg. Gezien de geplande werkzaamheden adviseert Vestigia Cultuurhistorie & Archeologie het volgende: 1.
De werkzaamheden zijn nog niet in detail bekend. Ook is in de ondergrond binnen het plangebied een wirwar aan kabels en leidingen aanwezig. Als de werkzaamheden in detail bekend zijn dient er daarom eerst een gedetailleerde verwachtingskaart opgesteld te worden. Voor deze verwachtingskaart dient er voor het gehele plangebied een nadere studie gemaakt van de bestaande verstoringen (kabels, leidingen, wegcunnet) en de diepteligging daarvan, en een nadere specificatie te worden gemaakt van de geplande vergravingen. Op basis hiervan wordt een kaart opgesteld waar vervolgonderzoek nodig is (zie opties hier beneden). Deze verwachtingskaart wordt, na goedkeuring door het bevoegd gezag, in het PVA voor een eventueel verkennend booronderzoek opgenomen, en (in een geupdate versie) in het PvE voor de uiteindelijke begeleiding onder protocol inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven – variant archeologische begeleiding. Het Plan van Aanpak voor een eventueel verkennend booronderzoek dient voorafgaand aan het veldwerk door het bevoegd gezag goedgekeurd te worden.
2.
Voor de locaties waar op basis van het definitieve bestek ontgravingen vanaf maaiveld nodig zijn geldt het volgende: A. daar waar op basis van de KLIC-melding geen kabels en leidingen in de ondergrond liggen dient er een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) te worden uitgevoerd om vast te stellen of er wel of niet een intact bodemprofiel aanwezig is. Het verkennend booronderzoek kan worden uitgevoerd door te boren met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm), in een raai met boringen om de 25 m. Deze boringen dienen te worden gezet tot een diepte van 25 cm in de C-horizont. Daar waar er uit het booronderzoek blijkt dat binnen het archeologische verwachtingsniveau (tot 0,75/1,25 m-mv) een intact bodemprofiel aanwezig is dienen de werkzaamheden in uitvoeringsfase te worden begeleid onder protocol inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven – variant archeologische begeleiding. Ook kan er voor worden gekozen om in het kader van een snelle voortgang van project, en om de hinder voor de omgeving zo veel mogelijk te beperken, het booronderzoek over te slaan en in de uitvoeringsfase op deze locaties de graafwerkzaamheden te begeleiden onder protocol inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven – variant archeologische begeleiding.
Bij deze begeleiding dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van resten van de historische bebouwing en dijk. B. Voor de locaties waar ontgravingen nodig zijn en geen booronderzoek kan worden uitgevoerd vanwege de aanwezigheid van kabels geldt het volgende: a. Waar deze aantoonbaar dieper liggen dan 0,75 (gooreerdgronden met een middelhoge archeologische verwachting) / 1,25 m-mv (hoge enkeerdgronden met een hoge archeologische verwachting) is geen vervolgonderzoek nodig. b. Waar de kabels dieper liggen dan de geplande ontgravingsdiepte is geen vervolgonderzoek nodig.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
8
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
c.
Daar waar de bestaande kabels en leidingen niet aantoonbaar dieper liggen dan 0,75/1,25 m-mv of niet dieper liggen dan de geplande ontgravingsdiepte, dienen de graafwerkzaamheden te worden begeleid onder protocol inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven – variant archeologische begeleiding.
Wat betreft het perceel Pastoor Jacobsstraat 34: a. Voor het onbebouwde deel geldt bovenstaand advies 1 / 2 (A of B). b. het bebouwde deel: een nadere studie van de bouwtekeningen van de huidige bebouwing, afgezet tegen de nieuwbouwplannen moet uitwijzen of de ondergrond hier verder/dieper verstoord wordt dan nu het geval is. Indien dat het geval geldt bovenstaande advies 2B, waarbij men “funderingen” leest in plaats van “kabels/leidingen”) en moet worden uitgegaan van de aanwezigheid van hoge enkeerdgronden (hoge verwachting tot 1,25 m-mv). Het is aan het bevoegd gezag, de gemeente Mill en Sint Hubert, om op basis van dit rapport en het hierin geformuleerde advies een besluit te nemen ten aanzien van eventueel vervolgonderzoek of het beëindigen van het archeologisch onderzoeksproces. Ook wanneer het plangebied op enig moment op basis van de resultaten van archeologisch onderzoek wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst).
Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische toevalsvondst wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Mill en Sint Hubert, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
9
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Onderbouwing advies 1 1.1
Projectomgeving Afbakening plangebied en consequenties toekomstig gebruik
Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie heeft in opdracht van Witteveen en Bos een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor een plangebied in de gemeente Mill en Sint Hubert (kaart 1; afbeelding 1). Witteveen en Bos is betrokken bij de herinrichting van de N264 ter hoogte van de Pastoor Jacobsstraat. Witteveen en Bos voert in opdracht van de provincie Noord-Brabant en de gemeente Mill en Sint Hubert de herinrichting van de N264 in Sint Hubert uit. De provinciale weg 264 (N264) is een belangrijke verkeersader in het gebied. De weg vormt een verbinding tussen de A50 bij Uden en de N271 bij Gennep en ook de A73 richting Nijmegen en Venlo sluit op de N264 aan. Verder vormt de N264 een belangrijke ontsluitingsweg voor de regio Uden-Veghel met het Duitse achterland. De provincie Noord-Brabant en de gemeenten Uden en Mill en Sint Hubert constateerden een toenemend aantal weggebruikers op de N264. Daarom pakt de provincie en de betrokken gemeenten de doorstroming, leefbaarheid en verkeersveiligheid op de N264 aan. Het project is onderverdeeld in vier locaties, waarvan “N264 Herinrichting Sint Hubert” er één van is.2 De gemeente Mill en Sint Hubert wil dat de leefbaarheid in de kern waar de traverse doorheen loopt, verbetert.
Daarom zijn de verkeersprognoses en ruimtelijke ontwikkelingen onderzocht en zijn meerdere oplossingsvarianten bekeken: een omleiding om de kern, een herinrichting van de traverse en kleinschalige maatregelen. Het verrichte onderzoek wijst onder meer uit dat op dit deel van de N264 de groei van het verkeer beperkt is. Verkeerstechnisch is een omleiding niet noodzakelijk en zou een dergelijke omleiding een grote impact op de landelijke omgeving van het dorp hebben. Daarom hebben de bestuurders gekozen voor een herinrichting van de bestaande traverse. De geplande werkzaamheden zullen in de periode september 2021 tot en met november 2021 plaats vinden. Het project N264 Sint Hubert omvat de volgende ingrepen: - het verleggen van rijweg, fiets- en voetpaden - het verbreden van rijweg, fiets- en voetpaden - het herinrichten van verkeerskruisingen - het aanbrengen van verkeersremmende obstakels - het aanleggen van nieuwe riolering tot een maximale ontgravingsdiepte van 2 m-mv - nog onbekende ingrepen benoorden de kruising Pastoor Jacobsstraat/Kievitsdwarsweg - de bouw van twee appartementen en vier woningen op het perceel Pastoor Jacobsstraat 34 1.2
Onderzoeksdoel en -methode
Doel van het archeologisch bureauonderzoek was vast te stellen of er in het plangebied sprake is (of kan zijn) van archeologische resten die door de ingrepen verstoord dreigen te worden en, indien mogelijk, uitspraken te doen over de waarde hiervan in termen van fysieke en inhoudelijke kwaliteit zoals zeldzaamheid en gaafheid. Hiertoe is een bureauonderzoek verricht, waarbij voor het plangebied een specifiek archeologisch verwachtingsmodel is opgesteld. Vervolgens is een advies geformuleerd in het kader van de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), protocol 4002 Bureauonderzoek.
2
https://www.brabant.nl/onderwerpen/verkeer-en-vervoer/wegen/wegenprojecten-in-brabant/n264-uden-sint-hubert-haps
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
10
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
11
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
2
Beleidskader
2.1
Wettelijk kader
De zorgplicht voor het archeologisch erfgoed is uitgewerkt in de Monumentenwet 1988 en in de wijziging hierop; de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, 2007). Een deel van de Monumentenwet is per 1 juli 2016 opgegaan in de Erfgoedwet. Het overige deel zal te zijner tijd opgaan in de Omgevingswet. Tot die tijd blijven die artikelen die niet zijn overgegaan naar de Erfgoedwet van kracht zoals ze in de Monumentenwet van 1988 zijn benoemd. De Wamz vormde de implementatie van het Verdrag van Malta dat in 1992 door diverse Europese lidstaten is ondertekend. Hierin wordt gesteld dat het streven is archeologisch erfgoed in de bodem te beschermen en daarmee te behouden. Om dit te kunnen doen moet archeologisch erfgoed ingepast worden in de ruimtelijke ordening. Een ander uitgangspunt is dat indien behoud in de bodem ( in situ) niet mogelijk is, de verstoorder onderzoek naar de archeologische waarden moet betalen. In de praktijk zijn dit de kosten voor de archeologische monumentenzorg cyclus (AMZ-cyclus). Met de invoering van de Wamz werden gemeenten verplicht om archeologiebeleid te ontwikkelen omdat artikel 38a van de Monumentenwet 1988 bepaalde dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond rekening houdt met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.
Met invoering van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2008) werd de archeologie definitief verankerd in de ruimtelijke ordening. Bepaald werd dat gemeenten na maximaal 10 jaar een bestemmingsplan moeten herzien of vernieuwen (daarbij rekening houdend met de archeologie op grond van de Monumentenwet 1988). Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) zijn burgemeester en wethouders bevoegd gezag in het kader van de omgevingsvergunning. Op grond van de Ontgrondingenwet zijn Gedeputeerde Staten bevoegd gezag in het kader van de ontgrondingsvergunning, voor andere gronden dan bij ministeriële regeling aan te wijzen rijkswateren. Ook is de provincie op grond van de Wro bevoegd gezag wanneer sprake is van een Provinciaal Inpassingsplan (PIP). Wanneer sprake is van een Rijksinpassingsplan (RIP) is het rijk bevoegd gezag. Verder is de minister van Infrastructuur en Waterstaat bevoegd gezag ten aanzien van de bodem en oevers van rijkswateren op grond van de Waterwet. Voor werkzaamheden die een wettelijk beschermd archeologisch rijksmonument wijzigen of verstoren, is een vergunning nodig van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verleent deze vergunning namens de minister. 2.2
Gemeentelijk beleid
De gemeente Mill en Sint Hubert beschikt over een archeologische beleidskaart (2011) 3. Op de archeologische beleidskaart ligt het plangebied in vier verschillende archeologische verwachtingscategorieën (afbeelding 2 en 3); - Categorie 2 (van zeer hoge archeologische waarde) - Categorie 3 (van hoge archeologische waarde) - Categorie 4 (hoge archeologische verwachting) - Categorie 6 (lage archeologische verwachting)
3
Archeologisch erfgoed van Peelhorst en Maasdal: een archeologische waarden- en verwachtingskaart en beleidskaart voor de gemeenten Sint Anthonis, Mill en Sint Hubert, Grave en Landerd. (RAAP-rapport 2214).
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
12
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
In de Nota Archeologiebeleid (2012) van de gemeente Mill en Sint Hubert staat vermeld dat wanneer in één plangebied meerdere verwachtingswaarden voorkomen, de hoogste waarde geldt.4 Dit geldt enkel voor de beleidscategorieën 4 t/m 6. Feitelijk betekend dit dat het plangebied een zone van hoge archeologische verwachting (beleidscategorie 4.), een zone van hoge archeologische waarde (3.), en een zone van zeer hoge archeologische waarde (2.) kent (zie afbeelding 2-3). De verwachting voor categorie 2 is gebaseerd op reeds bekende archeologische gegevens en/of op basis van de landschappelijke ligging of historische informatie is aangetoond dat hier belangrijke archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn. De terreinen hebben géén wettelijke beschermde status, maar staan in veel gevallen aangegeven op de Archeologische MonumentenKaart (AMK) of cultuurhistorische waardenkaart van de provincie (CHW 2010). Een aantal van de aangegeven terreinen kan in de toekomst wellicht een wettelijke (gemeentelijke) beschermde status verkrijgen. De verwachting voor categorie 3 is gebaseerd op historische kernen die recentelijk door de RCE en de provincie als AMK-terreinen zijn opgevoerd op basis van historisch-topografische kaarten uit het begin van de 20ste eeuw. Het betreft hier dus de gebouwde omgeving (kernen) op basis van een kaartbeeld rond 1900.
Op de archeologische waarden- en beleidskaart zijn in dit geval de historische kernen qua begrenzing zoveel als mogelijk teruggebracht tot de situatie van de eerste kadasterkaarten (rond 1830). Hoe ver de bebouwing/bewoning (vooral clusters boerderijen) in tijd teruggaat is meestal niet te zeggen, maar er wordt doorgaans van uitgegaan dat de meeste kernen een (laat)middeleeuwse kern hebben. Van belang is deze categorie met name waar het gaat om greep te krijgen op de bewoningsdynamiek van na ca. 1250. De verwachting voor categorie 4 is gebaseerd op de geomorfologische kenmerken en op grond van relatief grote aantallen bekende vindplaatsen in vergelijkbare omstandigheden. Voor zones met deze archeologische verwachtingswaarde, bijvoorbeeld de dekzandruggen met een grondwatertrap VI of VII, voorzien van een laatmiddeleeuws plaggendek, geldt een grote kans op de aanwezigheid van archeologische resten in de bodem. Het betreft vooral de betere, meer vruchtbare woongronden die over het algemeen een bewoningsgeschiedenis kennen van vele duizenden jaren. Daarnaast zijn ook zones in de beekdalen als zodanig opgevoerd omdat op dergelijke plaatsen een grotere trefkans is op bijzondere (en goed geconserveerde) vondstcategorieën, zoals doorwaadbare plaatsen (voorden), bruggen, dammen, fuiken en rituele deposities.
De verwachting voor categorie 6 is gebaseerd op de geomorfologische kenmerken: ligging in relatief laag gelegen (nattere) landschappelijke zone, in dit geval van een beekdal. Het aantal vindplaatsen dat van gebieden met vergelijkbare omstandigheden bekend is, is uiterst laag. 5
4
https://www.planviewer.nl/imro/files/NL.IMRO.0815.BPL12022HBU-VA01/tb_NL.IMRO.0815.BPL12022HBU-VA01_bijlage3.pdf
5
Van de Water/Kortlang 2012.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
13
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Afbeelding 2 Het plangebied op de archeologische beleidskaart van de gemeente Mill en Sint Hubert. Bron: Gemeente Mill en Sint Hubert.
Afbeelding 3 Legenda van de archeologische beleidskaart van de gemeente Mill en Sint Hubert. Bron: Gemeente Mill en Sint Hubert.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
14
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
3
Verwachtingsmodel
3.1
Natuurlijk landschap
Het plangebied ligt aan de voet van de Peelhorst net binnen de Venlo-slenk. Ten oosten van het plangebied ligt de beek de (Lage) Raam die naar het noorden afwatert. Binnen het plangebied worden pleistocene afzettingen verwacht op een diepte van 4 meter beneden maaiveld. Die pleistocene afzettingen zijn fluviatiel afgezet waarbij de verschillende verleggingen van de Maas voor terrassen heeft gezorgd.6 Boven deze grindrijke rivierafzettingen van de Maas kan zogenaamd dekzand worden aangetroffen tot aan het maaiveld. Dit zwak siltige zand werd afgezet in de laatste ijstijd, het Weichselien (circa 117.000 tot 10.000 jaar geleden). In deze periode was het klimaat in Nederland te bestempelen als een poolwoestijn vanwege de zeer lage temperatuur en geringe neerslag. De weinige vegetatie kon het bestaande sediment niet behoeden voor erosie. Vooral de wind had vrij spel en zorgde voor grootschalige zandverstuivingen. Dit verstoven zand behoort tot het Laagpakket van Wierden, onderdeel van de Formatie van Boxtel. Het zand werd als een deken over het land heen gelegd, met ruggen die boven het landschap uitstaken. Aan het begin van het Holoceen verbeterde het klimaat waardoor de vegetatie het dekzandreliëf kon vastleggen. Op de zandbodem kon een natuurlijke bodem ontstaan met podzolisatie.
Hierbij verspoelden de nutriënten uit de bodem om later neer te slaan.7 Ten westen van het plangebied was de ondergrond slecht waterdoorlatend vanwege de relatief ondiepe rivierafzettingen. Centraal op de Peelhorst is zo een gebrekkig drainerend, drassig gebied ontstaan, waarin doorlopende veenvorming het gebied in het Holoceen tot hoogveengebied (‘de Peel’) omvormde. Alle op deze wijze ontstane hoogveencomplexen (‘Pelen’) groeiden op den duur aan elkaar vast; slechts de hoogste dekzandkoppen bleven boven het veen uitsteken. Dit veenpakket is vanaf de 19e eeuw systematisch afgegraven voor de winning van turf en het vrijmaken van nieuw land. In de vrijgekomen zandgronden werd landbouw bedreven of bossen geplant. Binnen het plangebied was echter geen sprake van veengroei. Hier was de afwatering in de (Lage) Raam goed waardoor het landschap droog bleef.8 Wel was de zandgrond arm in nutriënten waardoor kunstmatige bemesting nodig bleef. Daarnaast zorgde de podzolisatie ervoor dat de aanwezige nutriënten wegspoelden. Daarom werd in de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd gebruik gemaakt van het potstalsysteem. Hierbij werd mest vermengd met heide- of weideplaggen uitgereden over de akkers. Na verloop van tijd ontstond op deze wijze een plaggendek boven op de oorspronkelijke ondergrond.
Archeologische waarden van voor de Late Middeleeuwen zullen onder het plaggendek veilig zijn voor een reeks moderne verstoringen.9 In het oostelijk deel van het plangebied worden deze enkeerdgronden verwacht volgens de bodemkaart (kaart 2b). In het westelijk deel van het plangebied worden echter gooreerdgronden verwacht. Gooreerdgronden zijn bodems met een relatief dikke aanrijkingshorizont en hoge grondwaterstanden.10 Op de geomorfologische kaart (Kaart 2a) is het plangebied voor het grootste deel gekarteerd als bebouwde kom. Het uiterste westen en oosten van het plangebied is echter gekarteerd als dekzandrug. Daartussen zal naar verwachting een smalle vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of löss aanwezig zijn.
6
Dinoloket.nl/ondergrondmodellen, Berendsen 1997.
7
Berendsen 1997.
8
Berendsen 1997.
9
Van Doesburg et al, 2007
10
Bakker en Schelling 1966
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
15
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Afbeelding 4 Het plangebied op het AHN3. Duidelijk zichtbaar is de Peelhorst direct ten westen van het plangebied. Minder duidelijk zijn de Maasterrassen in de Venloslenk. Bron: ahn.nl
3.2
Historisch landschap
Historisch-geografische ontwikkeling Het plangebied bevind zich in de voormalige heerlijkheid “Land van Cuijk”, een gebied in het noordoosten van de provincie Noord-Brabant. Het gebied word in het westen begrensd door de Peel en in het oosten door de Maas (lage Raam). Al uit de Romeinse tijd zijn veel sporen van bewoning bekend in het Land van Cuijk. De Romeinse weg van Nijmegen naar Maastricht kruiste bij Cuijk de Maas met een houten brug. Al in de elfde eeuw was er sprake van een ‘Heer van Cuijk’, die zich later graaf ging noemen 11. Rond het jaar 1133 werd de heer van Cuijk samen met zijn broer verbannen, omdat hij Floris de Zwarte zou hebben vermoord, en werd zijn kasteel in Cuijk totaal verwoest. Toen zij enige tijd later terugkeerden bouwden de twee broers een nieuwe burcht op een zandheuvel, verder stroomafwaarts. Hieromheen ontstond een nieuwe hoofdstad, genaamd Grave.
11
https://www.bezoeklandvancuijk.nl/geschiedenis
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
16
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Bij de terugkeer van de Heren van Cuijk, verkregen ze ook weer het kasteel Tongelaar, gelegen 2 kilometer ten noorden van Sint Hubert. 12 Het kasteel beheerde enkele hoeves met landerijen op de hoge gronden. Vandaaruit is men zo rond het einde van de 13e eeuw begonnen om het broek, een groot moerasgebied dat in de oorsprong ‘het Thonghelaerebroke’ heet dat zich uitstrekt tot ten oosten van het huidige dorp Sint Hubert, droog te leggen. De eerste dijken waren namelijk verhoogde wegen door natte gebieden, die tegelijk bescherming boden aan de hogere gronden. Na 1325 raakt de naam Thonghelaerebroke in onbruik en spreekt men voortaan van “het Hollanderbroek”. De ontginningen vonden namelijk plaats volgens, voor de streek, zeldzame en unieke Hollandse principes. Zo is het aannemelijk dat Jan I van Amstel (telg uit het Hollandse geslacht van Amstel) medeverantwoordelijk was voor het beheer en de ontwikkeling van het Hollanderbroek. Hij was medezegelaar op een akte uit 1325. Tot op de dag van vandaag is de voor Holland zo ‘klassieke’ strokenverkaveling, ondanks de ruilverkaveling, nog enigszins herkenbaar langs deze voormalige Hollanderbroek. Na de inpoldering van het Hollanderbroek werden de verschillende waterlopen en beken opgevangen buiten de polder en samengevoegd tot één grote waterloop.
Deze waterloop heet tegenwoordig de Lage Raam, gelegen ten oosten van het huidige plangebied. Omstreeks 1450 werd op de kwelrijke hoge dekzanden aan de rand van het uitgestrekte natte broekland een kapel gesticht met de naam Sint Hubertus in het Veen.13 De naam van Sint Hubert is al in 1459 terug te vinden als er wordt gesproken over Capella sancti Cornelii et Huberti, waarmee de kapellen van Wanroij en Sint Hubert bedoeld zijn. De naam “Sint Hubertuskapel (in het Veen)” is ook nog lange tijd gangbaar voor het dorpje Sint Hubert.14 Verantwoordelijk voor de stichting van de kapel waren de kloosterlingen van de Norbertijnerabdij van Mariënweerd te Beesd. Waarschijnlijk zijn deze kloosterlingen verantwoordelijk voor de eerste ontginningen en dus ook de eerste ontginningsboerderij in Sint Hubert. Ondanks de ontginning van het Hollanderbroek en de komst van de kloosterlingen, bleef de verdere ontginning van woeste gronden rond Sint Hubert achter. Pas omstreeks 1840 begon de ontginning van de woeste gronden, zij het in de meest gelimiteerde mate. Men stak er turf, zette bijenkorven en haalde heidestrooisel voor de koeienstallen. Er werd zelfs ijzer erts gedolven.
12
http://www.commissiemer.nl/docs/mer/p25/p2560/2560-018ontwerpstructuurvisie.pdf.
13
https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/sint-hubert-in-vogelvlucht.
14
Brabants Historisch Informatie Centrum.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
17
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Afbeelding 5 Ligging plangebied op de topografische kaart uit 1850. Bron: Kadaster, Tijdreis over 200 jaar topografie.
Vanaf 1850 begon men serieus aan de ontginning van de woeste gronden, waardoor ze in weiland en bos veranderden. Afwateringskanalen werden gegraven, de infrastructuur in het gebied werd verhard en verder uitgebreid en nieuwe dorpen werden gesticht. De landbouw werd met behulp van kunstmest en intensieve vormen van veehouderij geoptimaliseerd. In het verleden was Sint Hubert een uitgesproken agrarisch dorp. Op kleine perceeltjes werd aan akkerbouw gedaan. Boerderijen waren er veel maar meestal zeer beperkt van omvang. Deze trend bleef doorzetten tot omstreeks 1960-1970.15 Op de oudste gedetailleerde kaart van deze omgeving, de kadastrale minuut uit 1811-1832 (afbeelding 1112) is de huidige weg al zichtbaar (zie 3.3). Voor de historisch-geografische gegevens is verder gebruik gemaakt van de website Tijdreis over 200 jaar topografie van het Kadaster voor de topografische kaarten vanaf 1850 tot aan heden.16 Op de opeenvolgende kaarten is zichtbaar dat na een concentratie ten zuiden van de kerk van Sint Hubert de bebouwing langs de weg in de loop van de tijd zich steeds meer uitbreide (afbeelding 5-10). Op een deel van het perceel Pastoor Jacobsstraat 34 is sinds de jaren 50 van de 20e eeuw bebouwing aanwezig.
15
StHubert.nu
16
http://topotijdreis.nl/.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
18
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Afbeelding 6 Ligging plangebied op de topografische kaart uit 1900. Bron: Kadaster, Tijdreis over 200 jaar topografie.
Afbeelding 7 Ligging plangebied op de topografische kaart uit 1930. Bron: Kadaster, Tijdreis over 200 jaar topografie.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
19
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Afbeelding 8 Ligging plangebied op de topografische kaart uit 1970. Bron: Kadaster, Tijdreis over 200 jaar topografie.
Als gevolg van de ruilverkaveling in de jaren 70 van de vorige eeuw trad er schaalvergroting op en schakelde enkele bedrijven over op tuinbouw, boom-, en bloemkwekerijgewassen. Tegenwoordig is er ook een klein industrieterrein aan de Grootvenseweg en is de bewoning van Sint Hubert met de wijk Grootven westwaarts gegaan (afbeelding 9-10).17
17
StHubert.nu
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
20
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Afbeelding 9 Ligging plangebied op de topografische kaart uit 1990. Bron: Kadaster, Tijdreis over 200 jaar topografie.
Afbeelding 10 Ligging plangebied op de topografische kaart uit 2015. Bron: Kadaster, Tijdreis over 200 jaar topografie.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
21
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Historische situatie en mogelijke verstoringen Voor informatie omtrent bekende verstoringen zoals saneringen en dergelijke is de website van het Bodemloket geraadpleegd.18 Hier staan geen saneringsactiviteiten geregistreerd ter hoogte van het plangebied. Verder is de digitale verstoringsbronnenkaart van de RCE geraadpleegd. 19 De kaart is een selectie uit het bestand 'Vergraven Gronden', van WUR. In 2012 is er door Alterra een GIS-bestand samengesteld met een overzicht van grondbewerkingen, ophogingen en afgravingen, waarbij de opbouw van het bodemprofiel tot ten minste 40 cm diepte is gewijzigd.20 Hiervoor is informatie opgevraagd bij instanties en organisaties die werkzaamheden (laten) uitvoeren en/of administreren in verband met vergunningverlening en instanties die landgebruik in kaart brengen. Ook hier zijn geen bijzonderheden geregistreerd met betrekking tot het plangebied, behalve dat het gebied bebouwd is. Het is echter duidelijk dat de aanleg van de huidige weg (en kabels / leidingen) de natuurlijke ondergrond danig verstoord zullen hebben. In hoeverre en op welke locaties het onderliggende dekzand daarbij is aangetast is niet duidelijk. Het perceel Pastoor Jacobsstraat 34 is gedeeltelijk bebouwd. Dit kan het onderliggende dekzand hebben verstoord; dit is echter niet zeker, gezien de mogelijk dikte van het plaggendek in deze omgeving.
Hoewel er in en rondom Sint Hubert in de Tweede Wereldoorlog gevochten is, zijn er binnen het plangebied geen aanwijzingen voor mortierinslagen / grootschalige verwoestingen van de ondergrond als gevolg van de gevechten (zie 3.5).21 3.3
Bouwhistorische waarden
Voor bouwhistorische waarden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • het rijksmonumentenregister;22 • de lijst van gemeentelijke monumenten in Mill en Sint Hubert;23 • de MIP-objecten;24 • de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant;25 • de kadastrale minuut 1811-1832;26 • de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG).27 Het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) was een landelijk project dat de Rijksdienst tussen 1986 en 1995 uitvoerde met als doel om per gemeente de waardevolle gebouwen en andere monumenten te beschrijven en waarderen. De documentatie van MIP-objecten is nog steeds relevant, maar niet meer actueel. Het is mogelijk dat objecten sinds de inventarisatie ingrijpend gewijzigd of zelfs gesloopt zijn. Sommige MIP-objecten zijn later aangewezen als rijksmonument of gemeentelijk monument.
18
http://bodemloket.nl/.
19
https://archeologieinnederland.nl/verstoringsbronnenkaart.
20
Brouwer/Van der Werff 2012.
21
Van den Brandhof 2010.
22
https://monumentenregister.cultureelerfgoed.nl.
23
https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_gemeentelijke_monumenten_in_Mill_en_Sint_Hubert.
24
https://www.cultureelerfgoed.nl/publicaties/publicaties/2019/01/01/mip-objecten.
25
https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=1dab0b45b3234fffa8090a4bc8ae06f8.
26
http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl/.
27
https://bagviewer.kadaster.nl/.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
22
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Er liggen geen rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of MIP-objecten binnen het plangebied. Wel zijn in de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant grenzende aan het projectgebied twee aanvullende bouwhistorische waarden geïnventariseerd, een boerderij uit 1910 (Pastoor Jacobsstraat 61) en een woonhuis uit 1920 (Pastoor Jacobsstraat 45). Tevens is het dorpscentrum als ‘Historisch stedenbouw’ gewaardeerd. Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant bevindt zich in het uiterst oostelijke deel van het plangebied een rivierdijk van zeer hoge historische waarde: “Gave, grotendeels als zandweg berijdbare rivierdijk (1400-1500) van het Hollanderbroek (broekontginning volgens Hollands model), aangelegd tegen het water van de Raam. Oorspronkelijk tracé en breed en flauw profiel, met enkele karakteristieke wielen. Plaatselijk is door recente natuurontwikkeling het aangrenzende beekdal van de Lage Raam deels afgegraven. Het noordelijk deel voorzien van een beplanting met opgaande bomen en relicten van hakhout, waaronder enkele oude stoven.” 28
Afbeelding 11 Ligging plangebied op de topografische kadastrale minuut 1811-1832. Bron: RCE.
28
Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
23
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Afbeelding 12 Ligging plangebied op de topografische kadastrale minuut 1811-1832 (detail met daarin de nu verdwenen gebouwen binnen het plangebied). Bron: RCE.
Op de kadastrale minuut 1811-1832 (minuutplan Mill en Sint Hubert, sectie B, blad 03 en sectie C, blad 01 en 02, afbeelding 11 en 12) is al een weg-tracé binnen het projectgebied aanwezig. Het perceel in het uiterste westen van het plangebied, iets verder van de weg af, staat in het minutenplan te boek als bouwland. Ter hoogte van de huidige huisnummers Pastoor Jacobstraat 39 en 46-48a zijn tussen het begin van de 19e eeuw (kadastrale minuut) en de jaren 20 enkele gebouwen zichtbaar waarvan de rooilijn mogelijk binnen het plangebied heeft gelegen (zie afbeelding 12, detail). Het is uit de bij de kadastrale minuut geleverde aanwijzende tafels en op basis van latere topografische kaarten niet duidelijk wat de functie van deze gebouwen was. 3.4
Archeologische waarden
Voor de archeologische gegevens omtrent het onderhavige plangebied is het Archeologisch Informatiesysteem (Archis) geraadpleegd, dat alle geregistreerde archeologische monumenten, onderzoeken en vondstlocaties bevat (kaart 3). Archeologische monumenten zijn terreinen met een (hoge/zeer hoge) archeologische waarde, die ofwel fysiek (wettelijk en juridisch) beschermd worden, ofwel een planologische bescherming hebben waarbij in het bestemmingsplan voorschriften voor het gebruik zijn opgenomen. Vondstlocaties zijn locaties waar archeologische vondsten zijn gedaan. Deze zijn al dan niet gekoppeld aan een archeologisch onderzoek. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied liggen geen terreinen van archeologische waarde (kaart 5).
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
24
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied zijn in Archis zes onderzoeken geregistreerd. Het gaat daarbij om drie bureauonderzoeken, één booronderzoeken, één proefsleuvenonderzoeken en één opgraving (tabel 1). Archis 3 Zaak ID 2151192100 2161869100
Archis 2 OMG 37228 23367
Jaar
Type onderzoek
2009 2007
Bureauonderzoek Boring
Toponiem
Plaats
X (RD)
Y (RD)
Grootvenseweg Sint Hubert 183778 Wanroijseweg, Mill 183534 Pastoor Jacobsstraat, Keijzerspadje 2242913100 35051 2009 Bureauonderzoek Mill-Zuid Mill 183046 2301285100 42948 2010 Proefsleuven Mill Mill 183036 2366904100 51699 2012 Opgraving ‘t Kavelt Mill 183111 4770644100 2020 Bureauonderzoek Odiliapeel 179872 Tabel 1 In Archis geregistreerde onderzoeken binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied. Bron: RCE/Archis3.
410155 409664
Tijdens archeologische boringen ten noordwesten van het plangebied werd vastgesteld dat de bodem sterk verstoord is (bouw en sloop van een kantoorgebouw, leidingen van de Gasunie). Daarnaast werden geen archeologische indicatoren aangetroffen. Ten westen van het plangebied ligt ’t Kavelt, waar archeologisch vooronderzoek had aangetoond dat in het gebied mogelijk sprake was van een erf uit de Volle en/of Late Middeleeuwen. De opgraving heeft een zeer bijzondere vindplaats uit het midden van de dertiende eeuw aan het licht gebracht, waarbij het sporenniveau zich ca. 0,75 tot 1,20 meter onder het maaiveld bevond. Bijzonder aan dit erf of deze nederzetting is dat er sprake is van een gefaseerd aangelegd greppelsysteem dat de bewoning omsloot. Binnen dit gefaseerd aangelegde systeem van greppels zijn vier gebouwplattegronden aangetroffen en hierbuiten twee plattegronden die opvallen door de kleine afmetingen. Behalve deze zes gebouwen zijn ook vijf vierpalige, vierkante spiekers aangetroffen. Een opvallende groep grondsporen bevindt zich langs de rand van maar wel binnen het door greppels omsloten terrein. Het betreft relatief grote en diepe kuilen met een donkere, humeuze vulling van plaggen. Uit analyse van pollenmonsters uit een dergelijke kuil komt naar voren dat er uitgestrekte heidevelden in de directe omgeving van het plangebied aanwezig waren.
Het hoge percentage pollen van struikhei geeft aan dat hier voornamelijk gebruik gemaakt werd van heideplaggen. Tevens zijn in de monsters sporen van mestschimmels aangetroffen. De vulling met plaggen en mestschimmels vormen samen met de afmetingen en ligging van de kuilen aanwijzingen dat deze kuilen mogelijk als mestkuilen zijn gebruikt. Met behulp van enkele aanvullende sleufjes is vastgesteld dat de vindplaats zich verder in zuidwestelijke richting uitstrekt op het hoogst gelegen deel van het terrein. De precieze aard en omvang van dit deel van de vindplaats zijn echter niet geheel duidelijk, omdat hiervan slechts een beperkt deel vlakdekkend is onderzocht. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied zijn in Archis twee vondstlocaties geregistreerd. Hier werden in totaal ruim 6 kg aardewerk en 44 kg aan natuursteen verzameld. Het blauwgrijze aardewerk bestaat uit kogelpotten, kannen en kommen waaronder een vrijwel complete kom en een groot deel van een kogelpot. Ook een kan van proto-steengoed is voor een groot deel compleet. Het vondstcomplex kan rond het midden van de dertiende eeuw worden gedateerd, wat daarmee past binnen de bewoningsgeschiedenis van het gebied. 3.5
Tweede Wereldoorlog
Het plangebied ligt op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) op de grens van het Operatieterrein Mill. De Slag bij Mill vormde een van de zwaarste en bloedigste veldslagen in de meidagen van 1940. Bij
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
25
409697 409686 409780 408449
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
Mill lag de Peel-Raamstelling, een Nederlandse verdedigingslinie bestaande uit een defensiekanaal en vele bunkers. Na doorbraak van de Peel-Raamstelling waren er verder geen voorbereide verdedigingen meer voor tot aan Rotterdam. De gevechten vonden met name plaats rond het voormalige spoor (Duits Lijntje) en op de westgrens van Mill. Daarnaast vond er nog een Nederlandse offensieve actie plaats tussen de weg Volkel-Sint Hubert en het spoor.29 De slaghandelingen weerspiegelen zich vooral in een verspreiding van verschillende munitieartikelen. Vanuit historisch bronnenmateriaal is bekend dat beide strijdende partijen gebruik maakten van mortieren. Daarom kunnen ook inslagen van granaten en mortieren worden verwacht, vaak in de vorm van beschadigingen aan bestaande bouw of bomen en als microreliëf.
Afbeelding 13 Troepenbewegingen rondom Sint Hubert mei 1940. Bron: Zuidfront Holland.
Daarnaast zijn aan het einde van de oorlog twee geallieerde vliegtuigen neergestort in Sint Hubert. Op 17 september storten een Amerikaanse P-51 Mustang met de naam ‘Lovin Aline’ neer bij de Voortestraat. Het vliegtuig had escorte ondersteuning geboden aan operatie Market Garden en was bij Nijmegen door Duits Flak-luchtafweergeschut geraakt. Het is echter onbekend waar aan de Voortsestraat het vliegtuig is neergekomen.30 Een dag later (18 september) had een Britse Spitfire Supermarine motorproblemen en maakte een noodlading, ook bij de Voortsestraat. Bij een noodlanding kan er van uitgegaan worden dat dit gecontroleerd verlopen is, waarbij weinig tot geen restanten zijn achtergebleven in de bodem.31
29
Zuidfront Holland.
30
Verliesregister Studiegroep Luchtoorlog 1939-1945, T4091.
31
Verliesregister Studiegroep Luchtoorlog 1939-1945, T4547.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V1910, definitief, versie 2.1, d.d. 8 september 2020
26
V19-4352: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert
3.6
Gespecificeerde archeologische verwachting
Het plangebied heeft op basis van het landschap een middelhoge en hoge archeologische verwachting. Binnen het plangebied zijn zowel gooreerdgronden (in het westelijke deel van het plangebied) als hoge zwarte enkeerdgronden (in het oostelijke deel, zie afbeelding 14) aanwezig. De gooreerdgronden hebben een middelhoge archeologische verwachting. Gooreerdgronden lagen namelijk hoog genoeg voor permanente bewoning tot het klimaat zodanig vernatte dat bewoning minder mogelijk werd. Binnen de gooreerdgronden worden daarom voornamelijk, maar niet uitsluitend, oudere archeologische waarden verwacht. Het is moeilijk om de vernatting van het gebied te dateren, omdat de chronologie van dit proces lokaal sterk verschilt. De hoge zwarte enkeerdgronden hebben een hoge archeologische verwachting. Deze enkeerdgronden vallen samen met de dekzandwelving in de oostelijke helft van het plangebied. De hoge archeologische verwachting is gebaseerd op een hogere ligging, direct grenzend aan een beekdal. Hierdoor lag dit deel van het plangebied relatief hoog in het landschap, met geringe kans op overstromingen, maar had het tegelijk gemakkelijke toegang tot een waterbron. Hierdoor was het een aantrekkelijke omgeving voor bewoning.
Later heeft hier (heide)plaggenbemesting plaatsgevonden (resulterend in een zogenaamde enkeerdgrond) waardoor eventuele archeologische waarden mogelijk goed beschermd zijn gebleven. De archeologische verwachting is daarom hoog voor de perioden Laat-Paleolithicum/Neolithicum tot aan de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd. De mogelijke archeologische sporen en vindplaatsen kunnen uiteenlopen van tijdelijke jachtkampjes van jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum/Neolithicum tot nederzettingsterreinen en sporen van landgebruik/verkaveling uit de periode vanaf het Neolithicum/Bronstijd tot aan de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd. Tot de eerste vondstcategorie behoren voornamelijk vondsten van bewerkt vuursteen; tot de tweede categorie behoren o.a. grondsporen van structuren zoals boerderijen, bijgebouwen, sloten, greppels en afvalkuilen, zowel als grafheuvels; en vondsten van o.a. aardewerk, bot en metaal. Eventuele sporen van bewoning of landgebruik kunnen op of vlak onder het maaiveld worden aangetroffen. Archeologische resten worden verwacht in de eerdlaag (A-horizont) en in de top van het dekzand (oorspronkelijke C-horizont). In de top van het dekzand kunnen eventueel aanwezige archeologische resten daterend uit het Laat-Paleolithicum t/m de Vroege-Middeleeuwen verwacht in het begraven podzolprofiel.
Eventueel aanwezige archeologische resten daterend uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden verwacht onderin het eerddek en de top van het dekzand. Archeologische sporen kunnen zich bevinden van het maaiveld tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Het opgebrachte plaggendek kan tot 0,80-1,00 m dik zijn32; de archeologische verwachting rust dus op de bovenste 1,25 mmv. Voor de gooreerdgrond rust de archeologische verwachting op de bovenste 0,75 m-mv gezien het feit dat de het opgebrachte plaggendek tot maximaal 0,50 m dik kan zijn. De kans bestaat dat de vondstenlaag is opgenomen onderin de eerdlaag; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen de eerdlaag en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. In het eerddek kunnen aardewerkfragmenten uit de IJzertijd en Romeinse tijd aanwezig zijn. Door het bewerken van de grond in de beginfase van de vorming van het esdek wordt (de bovenzijde van) de cultuurlaag en sporen opgenomen in het esdek. Zo komt materiaal van een vindplaats op of nabij de locatie in het esdek terecht. Het in de cultuurlaag opgenomen materiaal kan ook van elders komen. Dat is vaak ME of NT materiaal dat op de mesthoop terecht is gekomen en daarna over het land verdeeld met de mest en plaggen. Dit