CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

07. .BPLaDnBens-toelichting.pdf

Mill - raadsvergadering 4 februari 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: Bestemmingsplan Dominicanenstraat 34-34a, Langenboom (D’n Bens)17.620 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

zorg voor een duurzame watervoorziening;

-

zorg voor een veilig en bewoonbaar gebied (minimaliseren van wateroverlast);

-

zorg voor gezond, natuurlijk schoon water;

-

vergroten van de ecologische en landschappelijke betekenis van water;

-

optimaliseren van de inspanningen van de waterbeheerder.

Waterschap Aa en Maas vraagt aandacht voor onderstaande watertoetsuitgangspunten ter realisatie van een praktisch watersysteem dat schoon, veilig, robuust en mooi is: -

ontwikkelen op een hoge en droge locatie. Indien dit niet lukt dan dienen aanvullende maatregelen te worden genomen waarmee wateroverlast voldoende wordt tegengaan;

-

gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater;

-

voorkomen van vervuiling van water;

-

voor schoon hemelwater gelden de afwegingsstappen: hergebruik – infiltratie bufferingafvoer;

-

hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO). Een ontwikkeling mag niet leiden tot een hydrologische achteruitgang in en buiten het plangebied, of een hydrologisch knelpunt vormen voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties. Concreet betekent dit dat: o

de afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie;

o

de grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt;

o

grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties;

o

(grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied;

o

het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

-

water positief laten bijdragen aan de belevingswaarde van de omgeving;

-

water onderdeel te laten zijn van meervoudig ruimtegebruik om schaarse ruimte efficiënt te benutten;

-

ruimteclaims voor watergerelateerde onderwerpen in ruimtelijke plannen verwerken.

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel

pagina 28 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2000 m², 2000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Wanneer de toename van het verhard oppervlak meer is dan 2000 m2 is er vanuit het waterschap een compensatieverplichting. Hemelwaterbeleid 2017 gemeente Mill en Sint Hubert Het hemelwaterbeleid van de gemeente Mill en Sint Hubert beschrijft de gemeente zijn visie voor een duurzame omgang met hemelwater. Dit betekent het minimaliseren van wateroverlast, het verhinderen van water in woningen of bedrijven en vuil water niet vermengen met schoonwater, en schoon water zoveel als mogelijk lokaal benutten. Hiermee wordt de sponswerking van de woning benut. Het hemelwaterbeleid geldt als een aanvulling op het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019 – 2023. De gemeente Mill en Sint Hubert hanteert de volgende hoofdprincipes bij verwerking van hemelwater: 1.

de hoeveelheid aan ingezameld hemelwater wordt beperkt. Hemelwater dient zoveel als mogelijk op natuurlijke wijze in de bodem worden verwerkt (infiltratie);

2.

schone en vuile waterstromen worden van elkaar gescheiden. Voor de verwerking van het hemelwater op natuurlijke wijze dient het hemelwater schoon te zijn. Dit geldt ook voor afvoer naar eventueel in de buurt liggend oppervlaktewater;

3.

het hemelwater wordt voor zover mogelijk lokaal en bovengronds verwerkt. Op locaties met gunstige bodemeigenschappen wordt gericht op het infiltreren van hemelwater. Daar waar hemelwaterinfiltratie minder goed mogelijk is wordt het hemelwater zo veel als mogelijk bovengronds geborgen;

4.

indien nodig wordt het hemelwater afgevoerd. Mochten er geen mogelijkheden zijn voor het infiltreren of bergen van het hemelwater kan het water afgevoerd worden naar oppervlaktewater of, indien er geen oppervlaktewater in de buurt ligt, afgevoerd worden via een bij voorkeur apart hemelwaterriolering;

5.

de risico’s worden beperkt tijdens extreme neerslag. Om grootschalige wateroverlast en/of – schade tegen te gaan wordt er voor gezorgd dat het vloerpeil van (nieuwe) bouwwerken minimaal 0,15 m boven het wegpeil ligt (conform het Bouwbesluit) alsmede het verzorgen van waterslimme inrichtingen van de openbare ruimte.

Bij een toename van verhard oppervlak wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende situaties. Onderhavig planvoornemen valt in de situatie ‘nieuwbouw’. Nieuwe bebouwing dient te worden voorzien van een gescheiden afvoer/verwerking van schoon hemel- en afvalwater. De gemeente eist voor nieuwbouwlocaties de aanleg van een waterbergingsvoorziening van 60 mm per m² nieuw verhard oppervlak op eigen terrein. Voorbeelden van dergelijke voorzieningen zijn infiltratiekratten of leidingen in de tuin, onder terras of oprit c.q. parkeerplaats, verlaging van het gazon of een vijver, poel of wadi. Het is toegestaan deze voorzieningen te voorzien van een bovengronds gelegen overloopvoorziening naar openbaar terrein. Aan waterbergingsvoorzieningen zijn enkele eisen verbonden: •

ze moeten controleerbaar op werking zijn;

•

er moet een mogelijkheid bestaan om ze te reinigingen, te inspecteren en te onderhouden;

pagina 29 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

•

de afvoer uit een voorziening dient te worden ontworpen op een maximale afvoer van 2 l/s/ha op het bestaande watersysteem, en dient getoetst te worden op een maximum ledigingstijd van 5 dagen;

•

de inhoud van de voorziening dient boven de gemiddelde grondwaterstand te zijn gelegen, waarvan tenminste tweederde deel boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG);

•

de verwerking van het hemelwater moet altijd zodanig worden ontworpen dat het bijdraagt aan het verminderen van piekafvoeren en niet leidt tot wateroverlast.

Het wordt aangeraden om gebruik te maken van de toepassing van een overloopvoorziening voor de afvoer van overtollig hemelwater. Wanneer de hemelwatervoorziening vol is, kan het overtollige water nog steeds van het particuliere terrein worden afgevoerd. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2013 – 2023 Sinds het Bestuursakkoord Water (2011) werkt de gemeente Mill en Sint Hubert samen met de omliggende gemeenten (Cuijk, Boxmeer, Sint Anthonis) en het Waterschap Aa & Maas aan een doelmatige (afval)waterketen: minder(meer)kosten, kwaliteitsverbetering, vermindering van de kwetsbaarheid en kennisuitwisseling. In het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (hierna: VGRP) wordt het voortbouwen aan een robuust en flexibel systeem uiteengelegd alsmede de zorgplichten met betrekking tot hemel-, grond- en afvalwater. De gemeente Mill en Sint Hubert kent drie zorgplichten ten aanzien van stedelijk waterbeheer: •

inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater naar een zuiveringstechnisch werk;

•

doelmatig inzamelen en verwerken van hemelwater dat perceelseigenaren niet zelf kunnen verwerken;

•

treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen. De maatregelen zijn hierbij niet doelmatig en behoren niet tot de zorg van het waterschap/provincie.

De perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen perceel om de waterdichtheid te garanderen en voor het inzamelen van stedelijk afvalwater en overtollig hemel- en rondwater. Daarnaast mag de perceeleigenaar geen handelingen verrichten waarvan hij kan verwachten dat deze het doelmatige functioneren van (water)voorzieningen belemmeren. Het VGRP richt zich op een energieneutraal rioolbeheer, een klimaatbestendig Land van Cuijk en het samen aan de slag gaan met inwoners en bedrijven. Voor onderhavig planvoornemen is van belang dat: •

Zoals gesteld in het Hamelwaterbeleidsplan (2017) moet in 2030 hemelwater van de riolering zijn afgekoppeld.

• •

Alle particuliere verharding moet zijn afgekoppeld van de (vuilwater)riolering; De gemeente eist de aanleg van een waterbergingsvoorziening van 60 mm per m² nieuw verhard oppervlak op eigen terrein.

Grondwater Uit het milieukundig onderzoek is gebleken dat de grondwaterstanden variëren van 1,5 tot 1,9 m-mv. De GHG wordt op basis van de huidige grondwaterstand, de zintuiglijke waarnemingen en gegevens uit het DINO-loket geschat op circa 1,0 m-mv. De stijghoogte van het freatisch grondwater ligt op 16,3 m+NAP. De stromingsrichting van het freatisch grondwater is noordwestelijk.

pagina 30 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

Voor zover bekend vinden in de directe omgeving van de locatie geen grootschalige grondwateronttrekkingen plaats die een directe invloed hebben op de grondwaterstand en grondwaterstroming op de locatie. Oppervlaktewater In de directe omgeving van het plangebied ligt geen oppervlaktewater. Bodem Het plangebied ligt op een maaiveldhoogte van gemiddeld circa 17,40 m+NAP. De deklaag heeft een dikte van 2 meter en bestaat uit grof zand, grind en midden zand, met weinig zandige klei. De doorlatendheid is matig. Het 1e watervoerende pakket heeft een dikte van 4 meter en bestaat uit grof zand, grind en midden zand, met weinig zandige klei. De doorlatendheid is goed. Tijdens het bodemonderzoek is ondervonden dat de bovengrond tot circa 1 meter uit matig fijn en zwak siltig zand bestaat. Daaronder wordt tot de maximale verkende diepte van 3,50 m-mv voornamelijk matig tot zeer grof grind aangetroffen. Uit de meetresultaten van de ringmetingen en omgekeerde putproeven blijkt dat de onverzadigde zone van 0,00 – 1,40 m-mv redelijk doorlatend is. De k-waarde varieert van 2,0 tot 4,5 m/dag. Uit onderzoek is verder gebleken dat de doorlatendheid van de verzadigde zone zeer goed is. De k waarde varieert van 28,6 tot 58,3 m/dag. Infiltratie van regenwater zal derhalve niet leiden tot opbolling van de grondwaterspiegel.

De berekende theoretische k-waarde op basis van de korrelgrootteverdeling voor de bovengrond (0,00 – 0,50 m-mv) bedraagt 13,1 m/dag en voor de ondergrond (0,40 – 1,70 m-mv) 9,3 m/dag. Afvalwater Om er voor te zorgen dat tijdens extreme neerslag geen wateroverlast optreedt, is het rioolstelsel voorzien van riool-overstorten, hemelwaterlozingspunten en diverse (bovengrondse) watervoorzieningen. Al dit afvalwater wordt gezuiverd op de afvalwaterzuiveringsinrichting (AWZI) Haps. Alle percelen waar afvalwater vrij komt zijn aangesloten op (druk)riolering of een voorziening met een vergelijkbaar rendement (bv. IBA). Dit betekent dat er geen ongezuiverde afvalwaterlozingen meer plaatsvinden. Nieuwe lozers van afvalwater dienen te voldoen aan de regels uit het betreffende lozingenbesluit. De aanlegkosten van een aansluiting op een voorziening zijn voor rekening van de maanvrager/initiatiefnemer. Voor kleinschalige in/uitbreidingen kan aansluiting op het bestaande (gemengde) systeem acceptabel zijn. In de gemeente Mill en Sint Hubert is het uitgangspunt dat rioolvoorzieningen robuust dienen te zijn. Alternatieven worden enkel toegepast als ze voldoende zijn bewezen. Waterbergingsopgave Uit de in de bijlage opgenomen waterparagraaf wordt geconcludeerd dat de totale verharding toeneemt met circa 5216 m².

Omdat de toename van het verhard oppervlak groter dan 2000 m2 is, geldt vanuit het waterschap een compensatieverplichting. Het waterschap hanteert de volgende rekenregel bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 2000 m²:

pagina 31 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) = benodigde compensatie (in m3) Op basis van deze rekenregel bedraagt de minimale bergingseis van circa 313 m³. Conform het beleid van de gemeente dient voor het verhard oppervlak in de nieuwe situatie 60 mm te worden geborgen. Op basis van deze gemeentelijke bergingseis bedraagt de minimale berging van circa 404,4 m³. Deze bergingseis is hoger dan vanuit het waterschap noodzakelijk wordt geacht en zodoende maatgevend geacht voor de uitwerking van het plan. Oplossingsrichtingen Voor de oplossingsrichtingen dient te worden voldaan aan de trits van het waterschap. Deze telt de volgende afwegingsstappen: 1.

hergebruiken;

2.

infiltreren;

3.

buffering/afvoer.

De bovengenoemde trits dient te worden doorlopen en er dient beargumenteerd te worden voor welke optie wordt gekozen. Hergebruik wordt niet realistisch geacht vanwege de hoge bergingseis en de hoge kosten die met hergebruik van (schoon) hemelwater gepaard gaat. In het milieukundig bodemonderzoek en op basis van de GHG is bekeken dat infiltratie mogelijk is binnen het plangebied. Wel kunnen, afhankelijk van de toekomstige inrichting van het terrein en keuze van het infiltratiesysteem, aanvullende maatregelen (zoals grondverbetering) noodzakelijk zijn. Derhalve worden kansen gezien om het hemelwater te laten infiltreren in de bodem. In de praktijk komt een scala aan infiltratievoorzieningen voor. Daarbij kan gedacht worden aan wadi’s, zaksloten, infiltratiekratten, infiltratievijvers, infiltratie- en transportriolen (IT-riolen), doorlatende bestrating en infiltratiekelders. Het bepalen van de optimale (combinatie van) meetmethode(n) om de locatie specifieke k-waarde te bepalen, wordt naast een aantal praktische factoren, mede ingegeven door de (verwachte) keuze voor een bepaald type infiltratievoorziening.

Daarbij is het van belang om onderscheid te maken tussen voorzieningen die primair gericht zijn op infiltratie in verticale richting (bijvoorbeeld een wadi, zaksloot en infiltratiekratten) en voorzieningen die gericht zijn op infiltratie in horizontale richting (bijvoorbeeld een infiltratiekelder en infiltratiesleuf). Bij IT-riolen, aangelegd in een cunet met goed doorlatend materiaal, speelt zowel de horizontale als de verticale waterdoorlatendheid van de onverzadigde zone een rol. Aangezien infiltratie mogelijk is, zijn er genoeg kansen om aan de bergingseis te voldoen. Vooralsnog wordt er voorzien in een wadi in de centrale groene ruimte in het plan. Beoogd is een wadi met een diepte van circa 1 meter. Rekening houdend met taluds van 1:3 is beoogd circa 302 m3 waterberging te realiseren in deze wadi. Daarnaast is een IT-riool beoogd onder de verhardingen (wegen) in het plan. Beoogd is circa 320 m1 riolering (rond 400) aan te leggen met daaromheen drainzand van 1 m3 per m1. Daarmee kan circa 113 m3 waterberging worden gerealiseerd. In totaal hebben de nu in het plan beoogde waterbergende voorzieningen een capaciteit van circa 415 m3. Hiermee wordt voldaan aan de gemeentelijke bergingseis (404,46 m³). Uiteraard zijn ook andere oplossingen, bijvoorbeeld het toepassen van (waterdoorlatende bestrating met)

pagina 32 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

infiltratiekratten, of het aanleggen van een vijver in plaats van een wadi mogelijk om te voldoen aan de bergingseis. Het hemelwater afkomstig van het appartementencomplex en de te realiseren woningen kan bijvoorbeeld ook middels het plaatsen van een regenton en/of grindkoffers onder de regenpijp worden geborgen. Door bijvoorbeeld een regenton dusdanig te construeren dat deze via een noodoverloop vertraagd leegloopt op de erfverharding en het hemelwater vervolgens onder afschot richting het groen stroomt kan ter plaatse infiltratie van het hemelwater afkomstig van de daken plaatsvinden. Dit vergroot tevens het waterbewustzijn van de toekomstige bewoners. Als alternatieve oplossing voor de wateropgave kan er worden gedacht aan de realisatie van zogenaamde “groene daken” (vegetatiedaken). Bij deze toepassing blijkt over het algemeen impliciet een berging van tenminste 25 mm aanwezig (in het groene dak). Dit verkleint de bergingsopgave. Uiteraard kan er ook voor een combinatie van oplossingsrichtingen worden gekozen. De exacte locatie, dimensionering en uitwerking van het infiltratiesysteem zal in samenspraak met het waterschap (bij de uitwerking van het bouwplan) nader worden bepaald. Voor alle oplossingsrichtingen geldt sowieso dat het regenwater en afvalwater gescheiden zal worden ingezameld.

Aandachtspunten Geadviseerd wordt om het ontwerpen en het aanleggen van de infiltratievoorzieningen door een op dit gebied ervaren specialist uit te laten voeren. Het opstellen van een nader plan van aanpak, het toepassen van grondverbetering en het realiseren van onderhoudsmogelijkheden maken in de regel onderdeel uit van deze werkzaamheden. Op deze wijze moet voorkomen worden dat de toekomstige infiltratievoorzieningen onjuist gedimensioneerd worden, op de verkeerde diepte wordt aangelegd, onvoldoende functioneren of dat de infiltratiecapaciteit na verloop van tijd terugloopt. Wateroverlast vanwege extreme buien wordt voorkomen door bij het bepalen van het bouwpeil van de nieuwe woningen te zorgen voor het hiervoor noodzakelijke hoogteverschil met de omliggende infrastructuur. Extreme neerslag zal derhalve dan niet meteen tot natte voeten leiden. De parkeergarage dient niet te kunnen vollopen. Hier dient in het waterhuishoudkundige plan rekening mee gehouden te worden. De afkoppeling van het hemelwater van het afvalwater maakt dat er in de bebouwing geen materialen gebruikt mogen worden die de grondwaterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden, zoals uitlogende materialen, bijvoorbeeld zink en lood.

In het afwateringssysteem van de daken moeten voorzieningen worden aangebracht om vaste bestanddelen als bladeren, zand, ander sediment en dergelijke achter te houden zodat het systeem niet verstopt raakt of dicht gaat slibben na verloop van tijd. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven, om ze regelmatig te kunnen onderhouden en reinigen. Het is niet toegestaan chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de af te koppelen verharde oppervlakken. Het is in beperkte

pagina 33 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

mate toegestaan tijdens gladheid door bevriezing of sneeuwval zout als gladheidbestrijdingsmiddel op de bestrating en parkeerplaatsen e.d. toe te passen. Een alternatief kan bijvoorbeeld zand zijn. Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat het systeem blijft functioneren. Ook dienen standleidingen op de juiste manier te worden toegepast zodat voldoende beluchting en ontluchting van de binnenriolering is gewaarborgd en mogelijk stankoverlast wordt voorkomen. Voor alle oplossingsrichtingen geldt sowieso dat het regenwater en afvalwater gescheiden zal worden ingezameld. Conclusie Gezien het vorenstaande kan worden gesteld dat het aspect water na inachtneming van de voornoemde aandachtspunten geen beperkingen oplegt aan het beoogde planvoornemen.

4.5 Bedrijven en milieuzonering Door Tritium Advies is een quickscan bedrijven- en milieuzonering uitgevoerd om te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied leiden tot mogelijk voorzienbare hinder (Tritium Advies B.V., quickscan bedrijven- en milieuzonering Dominicanenstraat 34 te Langenboom, projectkenmerk 1812/073/JOW-05.B, versie B, 2 december 2020). Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijk ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Deze bedrijvenlijst geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. In de nabije omgeving bevinden zich zowel woningen als relevante maatschappelijke- en bedrijfsfuncties. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich als een gemengd gebied. Dit betekent dat de te hanteren richtafstanden met één stap verlaagd mogen worden.

Er zijn op enkele plekken binnen de bebouwde kom bedrijfsvestigingen toegestaan waarop bedrijven uit de milieucategorieën 1 en 2 conform de VNG-handreiking “Bedrijven en milieuzonering” zijn toegestaan en bedrijven uit de milieucategorie 3.2 ter plaatse van de aanduiding’ bedrijven categorie 3.2 (b=3.2)’. In genoemde handreiking zijn minimale richtafstanden opgenomen tussen bedrijven uit deze milieucategorieën en burgerwoningen.

pagina 34 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

Figuur 4.1: de nabij liggende maatschappelijke en bedrijfsfuncties.

Aan de Kiezellei 3 (grenzend aan de bovenste rechterhoek van het plangebied) bevindt zich een perceel met een bedrijfsbestemming voor een bedrijf met maximaal milieucategorie 2. In een gemengd gebied komt dit overeen met een aan te houden richtafstand van 10 meter. In de huidige situatie bevindt zich hier een financiële instelling (kantoor). Het bedrijfsperceel grenst aan het perceel van de beoogde ontwikkeling, waardoor in eerste instantie niet wordt voldaan aan de aan te houden richtafstand, rekening houdend met de planologische mogelijkheden zoals opgenomen in het vigerend bestemmingsplan. Indien echter gevel-tot-gevel gemeten wordt, ligt de beoogde ontwikkeling minstens 12 meter van het bedrijfsperceel af. Daarmee wordt voldaan aan de aan te houden richtafstand van 10 meter. Aan de andere kant van de straat Vuursteen ligt een bedrijfsperceel waar bedrijven zijn toegestaan met een milieucategorie van maximaal 2. Het bedrijfsperceel ligt op circa 68 meter van het plangebied verwijderd. Hiermee wordt voldaan aan de aan te houden richtafstand. Het perceel van de beoogde ontwikkeling grenst aan het perceel waarop een milieubelastende bestemming volgens het bestemmingsplan mogelijk is (Vuursteen 3a). Hier zijn bedrijven toegestaan met een milieucategorie van maximaal 2.

In de bestaande situatie is aan de Vuursteen 3 Theo Bens Veehandel gevestigd, een groothandel in inrichtingsbenodigdheden en aanverwante artikelen voor kalverstallen. Hiervoor geldt, afhankelijk van de intensiteit, een zoneringsafstand van minimaal 10 tot maximaal 100 meter. In eerste instantie wordt niet voldaan aan de aan te houden richtafstand. Als gekeken wordt naar de uiterste situering van de gevel van de woning zoals gesteld in de voorgenomen locatie van de woning binnen het plangebied ligt de beoogde ontwikkeling op circa 9 meter van het aangrenzende bedrijfsgebouw af. Hiermee wordt derhalve

pagina 35 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

nog steeds niet voldaan aan de aan te houden richtafstand. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en het bepalen van de intensiteit van onderhavig bedrijf is derhalve een akoestisch onderzoek omgevingslawaai uitgevoerd (Tritium Advies B.V., akoestisch onderzoek omgevingslawaai, projectkenmerk 2003/069/RV-01, versie B, 2 december 2020) om enerzijds aan te tonen dat er ter plaatse van de grondgebonden woningen en appartementen sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd en anderzijds dat het betreffende bedrijf (gelegen aan Vuursteen 3a) niet belemmerd wordt in haar functioneren. Er is hierbij uitgegaan van de maximale planologische invulling van onderhavige bedrijfslocatie. Derhalve is een aannemers- c.q. timmerbedrijf, met een kleine werkplaats, als uitgangspunt genomen. Voor het dak is de volgens het vigerend bestemmingsplan maximale bouwhoogte van 8 meter aangehouden. Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: •

Met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de geluideis van 50 dB(A) etmaalwaarde, behorende bij stap 2 van het stappenplan uit de VNG-uitgave.

•

Met betrekking tot de maximale geluidniveaus (LAmax) kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de geluideis van 70 dB(A) etmaalwaarde, behorende bij stap 2 van het stappenplan uit de VNG-uitgave.

•

Aangezien hiermee tevens wordt voldaan aan de geluideisen van het Activiteitenbesluit wordt onderhavig fictief bedrijf akoestisch gezien niet ingeperkt door de realisatie van het planvoornemen.

•

Met betrekking tot indirecte hinder van het verkeer van en naar de inrichting kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.

In het akoestisch onderzoek zijn de geluidniveaus tijdens de maximaal representatieve bedrijfssituatie berekend, inzichtelijk gemaakt en getoetst aan de gestelde geluideisen. Op basis van de resultaten kan worden gesteld dat ter plaatse van de beoogde grondgebonden woningen en appartementen een akoestisch goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is. Tevens wordt onderhavige bedrijvigheid akoestisch gezien niet belemmerd in haar functioneren zodat er akoestisch gezien sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voor wat betreft het aspect omgevingslawaai zijn er derhalve geen bezwaren de bestemmingsplanwijziging door te voeren. Er liggen in de buurt van het plangebied verschillende maatschappelijke en bedrijfsfuncties, zoals een basisschool, een kerk, een kleine bibliotheek, een café en een watersportproductenwinkel. Deze liggen op voldoende afstand van het plangebied en vormen daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van in totaal 41 woningen aan de Dominicanenstraat 34 te Langenboom.

pagina 36 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

4.6 Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de “Wet luchtkwaliteit” in beeld te worden gebracht. De “Wet luchtkwaliteit” voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Via de NSL-Monitoringstool zijn de concentraties ter plaatse van het plangebied voor de jaren 2020 en 2030 afgelezen. Rekenpunt 15522209 (Dominicanenstraat 34) is het meest nabij het plangebied gelegen, aan de Loverstraat. Uit de controle blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 voor de jaren 2020 en 2030 niet worden overschreden. Draagt een project ‘Niet In Betekenende Mate’ (hierna: NIBM) bij aan de luchtverontreiniging, dan is geen toetsing aan de grenswaarde voor luchtkwaliteit nodig.

Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. Voor woningbouw is in de NIBM-regeling een grens opgenomen van 1500 nieuwe woningen met één ontsluitingsweg en 3000 nieuwe woningen met twee ontsluitingswegen. Plannen voor woningbouw met een omvang onder deze grens beschouwt de “Wet luchtkwaliteit” als ‘niet in betekenende mate’. Deze plannen mogen zonder verdere toetsing worden gerealiseerd. Beoordeling en conclusie Er worden in totaal 41 appartementen en woningen gerealiseerd. Daarmee wordt de NIBM-grens niet overschreden. Het plan draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtkwaliteit. Tevens zal er geen sprake zijn van een negatief effect met betrekking tot het blootstellingscriterium. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde (her)ontwikkeling.

4.7 Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie, of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: • het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers;

pagina 37 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

•

het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten

Vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden over spoor, weg, water en door buisleidingen. Daarnaast kunnen inrichtingen gevaarlijke stoffen opslaan. Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten waarbij het voornamelijk gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Inventarisatie Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied is gebruik gemaakt van de “Risicokaart Nederland” - www.risicokaartnederland.nl (samenwerking van het Rijk, de provincies en de gemeenten).

Figuur 4.2: Uitsnede van de risicokaart. Het plangebied is aangeduid met een rode markering.

Op de uitsnede van de risicokaart zijn verschillende buisleidingen te vinden die mogelijk potentiele risicobronnen vormen voor het plangebied. Buisleidingen A-520, A-578, A-597 en A-665 Van de geïnventariseerde buisleidingen zijn voorts de gegevens in navolgende tabel 1 bekend:

pagina 38 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

Tabel 1: gegevens buisleidingen Buisleidingen A-520

A-578

A-587

A-665

480 meter

485 meter

495 meter

500 meter

Uitwendige diameter (inch)

24,02

42,01

42,01

47,99

Maximale werkdruk (bar)

66,20

66,20

66,20

79,90

1%-letaliteitsgrens

310 meter

490 meter

490 meter

580 meter

100%-letaliteitsgrens

140 meter

190 meter

190 meter

220 meter

Afstand plangebied

Het plangebied is deels gelegen binnen de 1%-letaliteitsgrens van de buisleidingen A-578 en A-665 en gelegen buiten de 1%-letaliteitsgrens van de buisleiding A-520. Indien het plan geheel of gedeeltelijk binnen de 1%-letaliteitsgrens ligt van een buisleiding, moet het groepsrisico worden berekend. Op basis van die berekening kan worden bepaald of: •

het groepsrisico lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde;

•

de toename van het groepsrisico ten gevolge van het besluit minder is dan 10% van de oriëntatiewaarde

Op 15 juli 2019 heeft Kragten (projectnummer TRI001-0001, rapportnummer 20190715-TRI001CAR 1.0, status definitief) een CAROLA-berekening uitgevoerd voor buisleiding A-665-deel-1. Er is uit de berekening gebleken dat voor de buisleiding geen 10-6-risicocontour ter hoogte van het plangebied wordt berekend. De planrealisatie leidt verder niet tot een rekenkundige toename van de hoogte van het groepsrisico. In de huidige situatie en in de toekomstige situatie wordt geen groepsrisico berekend. Een verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is derhalve niet aan de orde. Conclusie Ten gevolge van de realisatie van in totaal 41 appartementen en woningen neemt het aantal personen toe. Het plangebied is gelegen binnen de 1%-letaliteitsgrens van de buisleidingen A-578 en A-665. Hiervoor is door bureau Kragten een CAROLA-berekening uitgevoerd. Hieruit is voortgekomen dat de planrealisatie niet tot een rekenkundige toename leidt van de hoogte van het groepsrisico. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

Advies Op 30 juni 2020 is door de Veiligheidsregio Brabant Noord per brief gereageerd ten aanzien van het aspect externe veiligheid (bijlage) en geeft het volgende advies: Adviesgrondslag Omdat de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in het invloedsgebied van de buisleiding A665 dient conform art 12 BEVB het groepsrisico te worden beantwoord. Het advies biedt de bouwstenen voor de verantwoording. Scenario's Het relevante scenario voor het plangebied is een fakkelbrand. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn

pagina 39 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

hittestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. De kans op dit scenario is als gevolg van getroffen maatregelen bijzonder klein. Buisleiding A-625 heeft een diameter van 48 inch en een druk van 80 bar. De afstand vanaf de buisleiding tot aan het plangebied bedraagt ongeveer 500 meter. Personen zijn bij een leidingdruk van 80 bar en een diameter van 48 inch zijn binnen bebouwing op 440 meter voldoende beschermd. Er is geen letaal of ernstig letsel te verwachten. Zelfredzaamheid De mate van zelfredzaamheid wordt bepaald door de fysieke en mentale mogelijkheden van personen, de aanwezigheid van vluchtwegen / schuilmogelijkheden en alarmeringsmogelijkheden Er is sprake van een eenzijdige ontsluiting in de richting van de buisleidingen. Een fakkelbrand zal onmiddellijk worden waargenomen waardoor met direct gealarmeerd wordt. De ontwikkeling betreft grondgebonden woningen. Aangenomen mag worden dat de bewoners is staat zijn zelfstandig op een dreiging of naar instructies te handelen. De bestrijdbaarheid wordt als redelijk beoordeeld. Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid van een fakkelbrand is per definitie slecht. De brand kan alleen gedoofd worden door het afsluiten van de gastoevoer door de leidingbeheerder.

Door de hoge hittestraling wordt de brandweer beperkt in haar mogelijkheden en kan beginnen met het blussen van secundaire branden als de fakkelbrand gedoofd is. Tot die tijd zijn de bewoners op zich zelf aangewezen. T.a.v de reguliere brandbestrijding wordt extra aandacht wordt gevraagd t.a.v. de eenzijdige ontsluiting van het plangebied. Indien rekening wordt gehouden met de richtlijnen opgenomen in de beleidsregels Bereikbaarheid- en Bluswatervoorziening er sprake van voldoende bereikbaarheid. Bluswater: volgens de beleidsregels Bereikbaarheid- en Bluswatervoorziening dient B-water binnen 15 minuten beschikbaar te zijn. Daarvoor dient een bluswatervoorziening van 60 m3 per uur binnen 200 meter van alle woningen in het plangebied aanwezig te zijn. BrabantWater vernieuwd op dit moment de waterleidingen aan de Dominicanenlaan. Niet bekend is of aan de gestelde richtlijn wordt voldaan. Advies Gezien het scenario en de slechte bestrijdingsmogelijkheden van een fakkelbrand moet worden ingezet op het optimaliseren van mate van zelfredzaamheid. -

Onderzoek de mogelijk om in een calamiteitenontsluiting richting Bergkristal te voorzien. Deze ontsluiting hoeft niet voor motorvoertuigen toegankelijk te zijn;

-

Informeer potentiële kopers actief over het aanwezig risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in de afweging om zich hier te vestigen en heeft daarmee een positieve invloed op het risicobewustzijn van de burger en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid in deze. Door bewoners bekend zijn met het handelingsperspectief weten zij direct hoe te handelen bij een dreiging;

-

Plaats, indien hier niet in voorzien is, een bluswatervoorziening op een afstand van maximaal 200 meter van de woningen.

pagina 40 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

4.8 Archeologie Met de erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen. Tot 1 juli 2016 waren hiervoor verschillende wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden en zijn alle wetten en regels ten aanzien van het cultureel en archeologisch erfgoed gebundeld in 1 wet. Sinds 2007 zijn gemeenten wettelijk belast met de zorgplicht van het archeologisch erfgoed. Dat wil zeggen dat men rekening dient te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische resten. De gemeente Mill en Sint Hubert heeft een beleidsnota archeologie vastgesteld. In deze nota wordt aangegeven hoe binnen het gemeentelijk grondgebied van Mill en Sint Hubert omgegaan dient te worden met archeologisch erfgoed. Aan het archeologische beleid is een archeologische beleidskaart gekoppeld. Deze is vastgesteld op 10 mei 2012.

Figuur 4.3: uitsnede archeologische beleidskaart (plangebied rood omcirkeld)

pagina 41 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

Het plangebied is deels gelegen in het met zalmroze en in het met oranje aangegeven gebied. Het zalmroze gebied geeft gebieden aan van hoge archeologische verwachting. Het betreft hier vooral gebieden/terreinen die op grond van de geomorfologische kenmerken (geologie, grondwatertrap, bodem) en op grond van relatief grote aantallen bekende vindplaatsen in vergelijkbare omstandigheden, een grote kans maken dat archeologische resten in de bodem aanwezig zijn. Het betreft vooral de betere, meer vruchtbare woongronden die over het algemeen een bewoningsgeschiedenis kennen van vele duizenden jaren. Hiervoor geldt bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 centimeter én een groter verstoringsoppervlakte dan 250 m² een onderzoeksplicht. Het lichtoranje gebied geeft gebieden met een middelhoge archeologische verwachting en naoorlogse woonwijken en industriegebieden die in een gebied van hoge archeologische verwachting liggen weer. Hierbij geldt bij een grotere verstoringsdiepte dan 40 centimeter en een groter verstoringsoppervlakte dan 2500 m² een onderhoudsplicht. Door Transect is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect, Dominicanenstraat te Langenboom verkennend onderzoek, rapportkenmerk 2299, versie 1.0 concept, d.d. 17 juli 2019). Uit het gecombineerde vooronderzoek blijkt dat het plangebied een hoge verwachting heeft op het aantreffen van intacte archeologische waarden.

Conform het bureauonderzoek is sprake van een grotendeels intacte bodemopbouw in het plangebied, bestaande uit een podzolbodem in de top van de dekzand- en terrasafzettingen. In de aangetroffen AE- en B-horizonten kan sprake zijn van intacte vondstconcentraties daterend vanaf het Laat-Paleolithicum, vanaf de B-horizont zijn eveneens sporen samenhangend met nederzettingsterreinen en sporen van landgebruik te verwachten vanaf de periode Neolithicum – Nieuwe tijd. Eventuele archeologische waarden zijn aan te treffen vanaf een diepte van 0,35 - 0,65 m-mv. De enige afwijking van de uitkomsten van het booronderzoek ten opzichte van het bureauonderzoek is het ontbreken van een esdek. Hoewel het humeuze pakket enige decimeters dik is, vertoont dit geen andere kenmerken van een esdek, maar wel een grote hoeveelheid recent rood puin. Desalniettemin is onder het moderne dek sprake van een gave bodemopbouw. Proefsleuven Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is door Transect een archeologisch karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek geadviseerd. Het proefsleuvenonderzoek is, na goedkeuring van het PvE, vervolgens uitgevoerd door Transect en vervat in een rapport (Transect, Langenboom, Dominicanenstraat (ong.) Gemeente Mill en Sint Hubert (NB) Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase, rapportkenmerk 2862, versie 1.0 concept, d.d.

10 juli 2020). Op basis van het eerder uitgevoerd bureau- en booronderzoek heeft het plangebied een verwachting op archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Nieuwe tijd. Het doel van het proefsleuvenonderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting door het opsporen en het waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten, in de vorm van archeologisch grondsporen, structuren en vondsten. Het onderzoek moet, voor zover mogelijk, inzicht geven in de aard, datering, omvang, gaafheid en conservering van de mogelijk aanwezige archeologische resten.

pagina 42 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

In het plangebied zijn zes proefsleuven aangelegd (in totaal 960 m2; 10% van het onderzoeksgebied). Er is één archeologische vindplaats aangetroffen. Deze vindplaats betreft onder andere sporen van landgebruik in de vorm van (es) greppels, moesbedden en palenrijen uit de Vroege tot Midden Nieuwe tijd. Het aangetroffen vondstmateriaal bestaat uit aardewerk, fragment van een kleipijp en keramisch bouwmateriaal uit de Nieuwe tijd. De vondsten zijn aangetroffen in de bouwvoor, B-horizont en in één paalkuil. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek en de waardering is de vindplaats niet behoudenswaardig bevonden. Op het selectiecriterium fysieke kwaliteit scoort de vindplaats middelhoog. De oorspronkelijke bodem in het plangebied is afwezig, waarschijnlijk ontbreekt de eerste 30 cm van de top van het dekzand. Alleen het sporenniveau is intact, het oorspronkelijke nederzettingsniveau met de te verwachte vondstlagen of afvallagen ontbreken. Hierdoor is een reconstructie van de vindplaats niet meer mogelijk. De sporen zijn goed geconserveerd en hebben vaak duidelijke contouren. Het aangetroffen vondstmateriaal is vrij schaars en gefragmenteerd, maar wel goed geconserveerd en hierdoor te determineren. Op inhoudelijk kwaliteit scoren de aangetroffen resten middelhoog.

De aangetroffen sporen uit de Vroege tot Midden Nieuwe tijd zijn niet zeldzaam binnen de archeoregio en daarom inhoudelijk minder relevant voor de nationale of regionale kennisagenda. In deze regio zullen beter bewaarde vindplaatsen uit de Nieuwe tijd aanwezig zijn. De informatiewaarde van de vindplaats scoort middelhoog, vanwege het ontbreken van het oorspronkelijke loopniveau en vondstlagen of afvallagen. Om een vindplaats te reconstrueren is een combinatie van een sporenniveau en vondstenlagen belangrijk. Vervolgonderzoek zal niet tot kenniswinst leiden. Verder is er geen goede aanwijzing dat de vindplaats een ensemble vormt waardoor deze op ensemblewaarde middelhoog scoort. Op basis hiervan hebben geen van de criteria een hoge score (score 3) gekregen. De ‘vindplaats’ kan bovendien niet als representatief gelden voor het genoemde complextype en de archeoregio. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat tijdens het proefsleuvenonderzoek één archeologische vindplaats is aangetroffen. Deze vindplaats betreft sporen uit de Vroege tot Midden Nieuwe tijd. Het aangetroffen vondstmateriaal bestaat uit aardewerk, pijpaarde en keramisch bouwmateriaal uit de Nieuwe tijd. Het materiaal is aangetroffen in de bouwvoor, B-horizont en één spoor. Selectieadvies Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek is de vindplaats niet behoudenswaardige bevonden.

Er wordt geadviseerd het plangebied archeologische vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Beoordeling Op basis van het verslag van het einde van het veldwerk is het uitgevoerde onderzoek in opdracht van de gemeente beoordeeld door The Missing Link. The Missing Link onderschrijft op basis van de omschrijving en het meegeleverde kaartmateriaal de beoordeling als niet-behoudenswaardige vindplaats. Derhalve adviseer The Missing Link om het gebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.

pagina 43 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

4.9 Cultuurhistorie Op de Welstandskaart ligt een deel van het plangebied binnen de aandachtsgebied ‘Dominicanenklooster (cultuurhistorie)’. In paragraaf 3.3 onder het kopje ‘Welstandsbeleid Langenboom’ zijn de kenmerken van historische dorpsgebieden (zoals Langenboom) al behandeld. De Welstandscommissie heeft op 23 mei 2019 het beoogde bouwplan beoordeeld en acht het in hoofdopzet voorstelbaar. De schaal van het appartementengebouw sluit aan bij het belendende appartementengebouw, en is qua karakteristiek passend bij de bestaande bebouwing. De commissie heeft desalniettemin een aantal opmerkingen gemaakt. Deze zijn verwerkt in het planopzet.

Figuur 4.4: de cultuurhistorische aanduiding

Conclusie Het planvoornemen doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.10 Milieueffectrapportage Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven voor welke activiteiten direct een m.e.r.-plicht geldt. Verder zijn in onderdeel D van het Besluit m.e.r.-activiteiten aangewezen

pagina 44 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

waarvoor het niet zeker is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In dit kader zijn voor deze activiteiten in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor de ontwikkeling in het plangebied is de categorie stedelijk ontwikkelingsproject het meest relevant. Op de D-lijst van het Besluit m.e.r. is in categorie 11.2 aangegeven dat een stedelijk ontwikkelingsproject een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit is, wanneer de volgende drempelwaarden worden overschreden: •

een oppervlakte van 100 hectare of meer;

•

een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of;

•

een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

De ontwikkeling betreft de realisatie van in totaal 41 appartementen en woningen met bijhorende parkeer- en groenfaciliteiten. Drempelwaarde zoals omschreven ligt vele malen hoger dan onderhavige ontwikkeling. Evenwel dient het bevoegd gezag bij activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: •

de kenmerken van de projecten;

•

de plaats van de projecten;

•

de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek en conclusies Er is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld door Tritium Advies (rapportnummer 1812/073/JOW-10.B, d.d. 2 december 2020). Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten. Voor het plan is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

4.11 Kabels en leidingen Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn enkele planologisch relevante leidingen aanwezig (buisleidingen). Deze relevante leidingen zijn behandeld in paragraaf 4.7, waaruit is gebleken dat deze buisleidingen geen beperkingen opleggen aan het planvoornemen. Derhalve wordt geconcludeerd dat er met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen voor de voorgenomen planontwikkeling geen belemmeringen zijn.

pagina 45 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

Hoofdstuk 5. Juridische planaspecten 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding ervan de primaire informatie geeft over waar gebouwd mag worden (bouwvlak voor bouwen tot een bepaalde goothoogte en bouwhoogte). Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens wordt in de regels verduidelijkt welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. De ordening van regels is daartoe zodanig opgezet dat bij iedere bestemming een nagenoeg compleet beeld van de regels voor die bestemming is gegeven. Desondanks blijven aanvullend inleidende bepalingen en algemene bepalingen nodig.

5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De verbeelding is getekend op basis van een recente kadastrale ondergrond. Op de verbeelding zijn aangegeven:

• • • •

de grens van het plangebied; de (dubbel)bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden; bouwvlakken; aanduidingen waarnaar in de regels wordt verwezen.

De gronden gelegen binnen de grens van het plangebied zijn geregeld binnen dit bestemmingsplan. Een bepaalde kleur geeft aan om welke bestemming het gaat. Deze kleur maakt daarom meteen duidelijk welk artikel uit de regels geraadpleegd moet worden. Bouwvlakken geven de begrenzing weer waarbinnen gebouwen opgericht mogen worden. In de bouwvlakken moeten hoofdgebouwen gesitueerd worden. De overige aanduidingen geven een specifieke situatie weer, waarvoor in de regels een bijhorende regeling is opgenomen.

pagina 46 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

5.3 Toelichting op de planregels De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: •

inleidende regels;

•

bestemmingsregels;

•

algemene regels;

•

overgangs- en slotregels.

Inleidende bepalingen Hoofdstuk 1 van de regels bevat bepalingen die, net als de in hoofdstuk 3 opgenomen “Algemene regels”, algemeen gelden voor alle bestemmingen zoals opgenomen in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 1 bevat de begrippen (artikel 1) en het artikel betreffende de wijze waarop bijvoorbeeld hoogtematen en oppervlaktematen moeten worden gemeten en berekend. In Hoofdstuk 3 zijn onder andere procedureregels, algemene gebruiksregels en flexibiliteitsbepalingen opgenomen. In Hoofdstuk 4 zijn de overgangsregels en de slotregel opgenomen. Bestemmingsregels In dit hoofdstuk worden planregels gegeven voor de binnen het plangebied bestaande functies. Per planregel zijn de doeleinden c.q. de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. In beginsel is iedere vorm van bebouwing, die past binnen de desbetreffende bestemming tot een bepaalde omvang rechtstreeks (dus zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor het afwijken van het plan of wijziging) toegestaan. Indien wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (bebouwingspercentage, goothoogte en dergelijke) en wordt gebouwd binnen het aangegeven bouwvlak, kan hiervoor in de regel zonder meer een omgevingsvergunning voor het bouwen worden verleend.

Binnen iedere bestemming is een aantal algemene voorzieningen toegestaan, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, tuinen, erven en verhardingen, voorzieningen voor openbaar nut, en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. In ieder bestemming zijn bouwregels opgenomen voor bouwwerken ten behoeve van voorzieningen van openbaar nut. Binnen iedere bestemming is een aantal algemene regels opgenomen. Het betreft de bevoegdheid om nadere eisen te stellen, algemene afwijkingen van de bouwregels en algemene wijzigingsbevoegdheden. Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: -

Een anti-dubbeltelregel.

-

Algemene bouwregels: hierin wordt de maximale hoogte van een bouwlaag vastgelegd. Ook wordt geregeld dat indien in de bestaande situatie bepaalde afmetingen afwijken van de regels, deze afwijkingen als maatgevend gelden.

pagina 47 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

Overgangs- en slotbepaling Dit hoofdstuk bevat: - Overgangsrecht; - Slotregel

5.4 Beschrijving bestemmingen Groen Het structurerend groen binnen het plangebied krijgt een groenbestemming. In hoofdzaak is binnen de aanduiding de gronden bestemd voor groenvoorzieningen en bermen. In ondergeschikte mate zijn op deze gronden, naast bouwwerken geen gebouwen zijnde, gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan, alsmede voor parkeervoorzieningen, speel- en ontmoetingsvoorzieningen, straatmeubilair en waterhuishoudkundige voorzieningen. Snippergroen wordt niet als groenbestemming opgenomen. Dit groen valt binnen de bestemmingen ‘Verkeer’. Tuin De bestemming ‘Tuin’ wordt gebruikt om aan te geven waar geen bijbehorende bouwwerken gewenst zijn. De bestemming ‘Tuin’ ligt daarmee in dat gebied wat algemeen bekend staat als voortuin. In bijzondere situaties kan ook de bestemming ‘Tuin’ voor de gronden gelegen aan de zijkant van de woning worden gebruikt. Daarmee wordt aangegeven dat het wel tot de woonfunctie behoort, maar dat gebouwen er ongewenst zijn. Er zijn drie typen bijbehorende bouwwerken die wel in de bestemming ‘Tuin’ gebouwd mogen worden: de uitbouw van de woning die ook bekend staat als erker, een carport en een luifel. Hiervoor gelden wel strikte regels om het ondergeschikte karakter van deze gebouwen te waarborgen.

Verkeer De wegen binnen het plangebied worden bestemd als ‘Verkeer’, waarbij het gebruik is afgestemd op verkeersafwikkelingen en verblijfsgebied. De gronden mogen worden gebruikt voor nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speel- en ontmoetingsvoorzieningen, straatmeubilair en waterhuishoudkundige voorzieningen. Wonen Binnen deze bestemming zijn verschillende typen woningen toegestaan. Naast wonen maakt het bestemmingsplan onder voorwaarden een beroep aan huis mogelijk. Een bedrijf aan huis alsmede detailhandel of dienstverlening van ondergeschikte aard worden via een afwijking van het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning, onder voorwaarde, mogelijk gemaakt. De maximum bouw- en goothoogte bedraagt overwegend voor de hoofdgebouwen respectievelijk 10,5 en 6,5 meter. Om enige flexibiliteit te bieden is voor de beoogde levensloopbestendige woningen deze hoogte eveneens opgenomen. Voor het appartementengebouw is een regeling opgenomen waarbij een deel van het gebouw met een plat dak mag worden uitgevoerd waarbij de maximale bouwhoogte van 10,5 meter mag worden aangehouden. De afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens mag, afhankelijk van het type woning, in ieder geval niet minder bedragen dan 2 meter. De minimale en maximale breedte van een hoofdgebouw bedraagt, afhankelijk van het type woning, tussen de 5 meter en 9 meter.

De dakhelling dient minimaal 20° en maximaal 65° te zijn. Samen met enkele aanduidingen op de verbeelding zijn bouwregels opgenomen met betrekking tot bijgebouwen.

pagina 48 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

Hoofdstuk 6. Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (Grexwet) opgenomen. Centrale doelstelling van de Grexwet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijke kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of afwijkingsbesluit. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk:

• • •

de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1000 m² of met een of meer woningen;

•

de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;

•

de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1500 m² bedraagt;

•

de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m².

Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Een exploitatieplan is niet noodzakelijk wanneer de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd zijn. Ten behoeve van dit plan is een anterieure overeenkomst gesloten met initiatiefnemer. In deze overeenkomst is het kostenverhaal opgenomen. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve in dit geval niet noodzakelijk. Het voorliggend bestemmingsplan is dan ook financieel haalbaar.

pagina 49 van 51

documentkenmerk: 1812/073/JOW-t, vastgesteld

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omgevingsdialoog Alvorens is overgegaan tot het in procedure brengen van onderhavig plan heeft de initiatiefnemer een tweetal klankbordsessie gehouden om de direct omwonende, maar ook het dorp Langenboom, te informeren over de voorgenomen ontwikkeling. Op 28-03-2019 heeft de eerste klankbordgroep-sessie plaatsgevonden waarbij de laatste versie stedenbouwkundige en architectonische plannen m.b.t. het plan zijn gepresenteerd. In beginsel zijn de plannen zeer enthousiast ontvangen. Op kleine onderdelen heeft het geleid tot aanpassingen in het plan. Van deze avond is een verslag opgesteld. Het verslag is als bijlage opgenomen bij het bestemmingsplan. Op 04-09-2019 heeft de tweede klankbordgroep-sessie plaatsgevonden waarbij de aanwezigen zijn meegenomen in de aanpassingen en uitwerkingen die, mede naar aanleiding van de eerste sessie, hebben plaatsgevonden. Wederom zijn de plannen zeer enthousiast ontvangen. Tijdens het stellen van vragen zijn nog enkele aandachtspunten meegegeven. Bovendien was men tevens reeds geïnteresseerd in het aankopen van een woning. Van deze avond is eveneens een verslag opgesteld. Het verslag is als bijlage opgenomen bij het bestemmingsplan. Naar aanleiding van (ambtshalve) aanpassingen in het plan hebben een tweetal aanvullende overleggen plaatsgevonden met een tweetal vertegenwoordigers / aanspreekpunten.

Uit deze overleggen is naar voren gekomen dat er geen bezwaren zijn op het op onderdelen aanpassen van het plan. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een wijzigingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het gehouden wettelijk vooroverleg heeft geleid tot aanpassingen c.q. aanvullingen in de toelichting van onderhavig bestemmingsplan. Zienswijzen Conform artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerp bestemmingsplan gedurende een termijn van zes weken ter inzage gelegd. Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 7 oktober tot en met 17 november 2020 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen belanghebbende over het wijzigingsplan hun zienswijze naar voren brengen. Er zijn geen reacties ingediend. Ambtshalve wijzigingen Ten tijde van de procedure van het ontwerpbestemmingsplan is gebleken dat het wenselijk is om het bestemmingsplan op onderdelen aan te passen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=eb5ccf05-b6c3-4ea9-bbdc-b1201b1a0efa