07 Bijlage 6k - Bijlage 11 Proefsleuvenonderzoek Merletcollege.pdf
Tekst van het document
61 Mondelinge referentie specialist A. Kenada, BAAC.
43
Cuyk, Merlet College
4.3
Natuursteen en vuursteen
4.3.1
Natuursteen
Tijdens het onderzoek zijn in totaal 17 fragmenten natuursteen verzameld, met een gewicht van ruim 5,3 kg. Steen werd verzameld als tijdens het veldwerk werd vermoed dat ze door menselijk toedoen op die plek zijn terechtgekomen. Negen fragmenten (met gewicht van 91 g) zijn natuurlijke, onbewerkte stukken natuursteen. In tabel 1 is een typologisch overzicht natuursteenvondsten weergegeven: type
aantal
gewicht (in g)
Tabel 4.2 Typologische
hoekig steen
5
269,8
samenstelling.
manuport
2
4973,7
natuurlijk, onbewerkt
3
91,2
totaal
10
5334,7 g
Een deel van de assemblage (n: 6) bestaat uit het materiaal dat door menselijke handeling is gefragmenteerd. Deze vondstcategorie betreft artefacten met sterk hoekige, hoekige breuken. Deze artefacten zijn niet groter dan 5 cm en ze hebben veelal een onregelmatige vorm. Voor welke doelen de breukstenen zijn gebruikt is niet geheel duidelijk. Mogelijk is een groot deel van de fragmentatie van stenen te associëren met het gebruik bij voedselprocessing, zoals roosteren. Om efficiënt gebruik te maken van kookstenen zijn veel (onbewerkte) stenen nodig. De onbewerkte stenen komen mogelijk van nature in deze bodem voor, of zijn mogelijk manuporten. Manuporten kunnen worden gezien als voorraadmateriaal. Het is mogelijk dat deze stenen op de een of andere manier door de mens zijn gebruikt, alleen sporen van dit gebruik zijn niet meer ‘leesbaar’. Keien werden specifiek op hun geschikte vorm uitgezocht en meteen gebruikt. Dit geldt voor bijna alle in de hand gehouden werktuigen zoals klop- en klop/ wrijfstenen. Tot deze onbewerkte stenen behoren twee exemplaren (vnr. 3 en 4) waaronder één grote zwerfsteen. De grondstof laat een beperkte variatie in soorten zien. De nabijgelegen rivierbeddingen hebben een grote rol gespeeld in de samenstelling. De korte afstand tot de rivier maakte het voor de gebruikers mogelijk om relatief eenvoudig de stenen te bemachtigen.
De exacte datering van het gebruik van de stenen is niet mogelijk, omdat gidsartefacten ontbreken.
4.3.2
Vuursteen
In de assemblage bevindt zich één vuursteenartefact (vnr. 9). Dit artefact heeft de kenmerken van een bewerkt fragment met oppervlakteretouche. Het is aannemelijk dat hier om een mes of vuurmaker gaat. Dit type artefact kan gedateerd worden tussen het laat neolithicum en de bronstijd.
Opgraving
44
4.4
Metaal
Halverwege de verbruiningslaag is één ijzeren fragmentje aangetroffen (VN2). Het lijkt te gaan om de aanzet van een ijzeren boogje, maar het fragment is te klein en te ver vergaan. Volgens specialist Hendriksen is het fragment niet te determineren, maar gaat het in ieder geval niet om beslag of een fragment van een mantelspeld.62 De exacte determinatie en datering is dus onduidelijk. Een datering moet gezocht worden tussen de ijzertijd en late middeleeuwen.
4.5
Dierlijk botmateriaal
Er is één zeer gefragmenteerd stuk onverbrand bot aangetroffen van een middelgroot zoogdier (vondstnummer 2). Het bot is afkomstig onderuit uit de verbruiningslaag, niet ver van S1001 en is niet nauwkeuriger te determineren.
62 Mondelinge referentie M. Hendriksen.
45
Cuyk, Merlet College
Opgraving
46
5
Synthese, waardering en advies
Met dit hoofdstuk wordt het proefsleuvenonderzoek afgesloten. Hieronder volgt een synthese van de bevindingen. Vervolgens wordt de vindplaats gewaardeerd op basis van het waarderingsschema uit de KNA. Daarna wordt het hoofdstuk afgesloten met een korte conclusie en een advies naar aanleiding van de resultaten. In de bijlage (4) zijn de antwoorden op de onderzoeksvragen te raadplegen.
5.1
Synthese
De zuidwesthoek lijkt een relatief intact profiel te herbergen. De bodem is plaatselijk verstoord door boom- of plantgaten. De zuidwesthoek van het terrein lijkt dus kansrijk voor het aantreffen van archeologische resten. Dat is in proefsleuf 1 aangetoond met een grote rechthoekige, houtskoolrijke kuil en enkele losse vondsten uit de verbruinde bovenlaag (late prehistorie – middeleeuwen). Op basis van het spoor en verschillende vondsten uit verschillende perioden is op te maken dat het terrein gedurende een lange periode in bepaalde mate in gebruik is geweest. Gezien het onderzoeksgebied op korte afstand ligt van het centrum van Cuijk, waarvan veel waarnemingen uit de prehistorie, Romeinse tijd en middeleeuwen bekend zijn, zijn die resultaten te verwachten. Op basis van spoor S1001 en de vondsten kan echter niet vastgesteld worden of het gaat om een intensief of extensief gebruikt terrein. In proefsleuven 2 en 3 zijn geen archeologische resten aangetroffen. De bodem bestond uit overstromingslagen en geulvullingen en het oorspronkelijke profiel is geheel verstoord door het voormalige schoolgebouw. Tijdens aanleg van het vlak is geen enkele archeologische indicator aangetroffen. In dit deel van het onderzoeksgebied zijn verder geen archeologische resten te verwachten. Het zuidelijke strookje langs de Hapsebaan is niet met proefsleuven onderzocht.
Deze strook langs de Hapsebaan zal een net zo hoge verwachting hebben als de zuidwesthoek bij put 1, op basis van het booronderzoek. Maar het onderzoeksgebied is hier slechts zeer beperkt: soms maar 3 m breed. Hier zal bovendien gelet moeten worden op kabels en leidingen, waaronder een gevaarlijke (gas)leiding. Kortom: alleen in het zuidwesten is een blok van ca. 30 x 32 m potentieel relevant voor het aantreffen van archeologische resten.
47
Cuyk, Merlet College
5.2
Waardering
In het plangebied is één archeologisch spoor vastgesteld en er zijn enkele losse vondsten aangetroffen in de verbruinde bovenlaag (late prehistorie – middeleeuwen). Deze archeologische resten zijn uitsluitend aangetroffen in proefsleuf 1. Het spoor (kuil, S1001) is in de Romeinse tijd te dateren en te koppelen aan een relatief intact deel van het onderzoeksgebied (rondom proefsleuf 1, zie afb. 5.1). Hieronder volgt de waardering van deze vindplaats, gevolgd door een advies over eventueel vervolgonderzoek in het plangebied in paragraaf 5.3. De waardering is gebaseerd op de waarden “beleving”, “fysieke kwaliteit” en “inhoudelijke kwaliteit”. n Beleving
De belevingswaarde van een vindplaats valt uiteen in twee criteria: ‘schoonheid’ en ‘herinneringswaarde’. Bij beide criteria gaat het vooral om zichtbare vindplaatsen, zoals monumenten. Deze criteria zijn niet te koppelen aan deze vindplaats. Daarom wordt in de waarderingstabel voor het criterium ‘beleving’ niet gescoord. n Fysieke kwaliteit
De fysieke kwaliteit wordt bepaald door de mate waarin archeologische overblijfselen nog intact en in hun oorspronkelijke positie aanwezig zijn. Binnen deze waarde wordt onderscheid gemaakt tussen de criteria “gaafheid” en “conservering”. “Gaafheid” is de mate van het niet verstoord zijn en de stabiliteit van de fysieke omgeving. Ondanks de verstoorde plekken (de plantkuilen in de oostwand van proefsleuf 1) zijn er in deze put nog archeologische resten en plekken met een grotendeels intacte bodem aan te wijzen. Daarom scoort de zuidwesthoek voor het criterium “gaafheid” gemiddeld. Met “conservering” wordt de mate bedoeld waarin archeologisch vondstmateriaal bewaard is gebleven. Door de compactheid en conserveringsgraad van de leemrijke lagen zijn vergankelijke vondsten aangetroffen, zoals onverbrand bot en ijzer. De staat van deze vondsten is dus beter dan de vondsten uit, bijvoorbeeld, de meeste dekzandbodems. Ze zijn echter kwalitatief minder dan verwacht mag worden in kleiigere bodems. De conservering is gemiddeld. n Inhoudelijke kwaliteit
Als de bovenstaande stappen in het proces van waardering zijn doorlopen, staat vast welke archeologische vindplaatsen behoudenswaardig zijn op basis van hun zichtbaarheid of, in principe, op basis van hun fysieke toestand. Vervolgens komt de waardering op basis van inhoudelijke kwaliteit. Binnen deze waarde wordt onderscheid gemaakt tussen vier criteria, opgenomen in tabel 5.1, te weten: •
Zeldzaamheidswaarde
•
Informatiewaarde
•
Ensemblewaarde
•
Representativiteit
Opgraving
48
Vanwege de geringe onderzoeksoppervlakte ontbreekt een context om de kuil en vondsten in proefsleuf 1 archeologisch-specifiek in te kaderen. Daarom is op basis van deze criteria niet te stellen dat de vindplaats hoog scoort op het criterium “zeldzaamheid”. Een kuil zoals deze, mogelijk een meiler, is op zichzelf geen zeldzaam fenomeen. Omdat andere sporen ontbreken die het spoor en de vondsten meer inkaderen, is de informatiewaarde automatisch laag. De daaraan gelieerde ensemblewaarde (of contextwaarde) is de meerwaarde die aan een vindplaats wordt toegekend op grond van de mate waarin sprake is van een archeologische context en van een landschappelijke context. Vanaf aanvang van het proefsleuvenonderzoek werd rekening gehouden met sporen die mogelijk verband houden met grafmonumenten, al dan niet grafveld-gerelateerde sporen, die vlak langs de Grotestraat aangetroffen kunnen worden.63 Omdat dit onderzoek heeft uitgewezen dat er geen menselijke resten zijn aangetroffen in kuil S1001 en omdat andere sporen ontbreken die veel specifieker verband houden met menselijke begraving, is dit spoor moeilijk in grafcontext te plaatsen. De ensemblewaarde lijkt dus laag.
Desalniettemin is correlatie met eventuele sporen nabij de Grotestraat en het Romeinse Cuijk evident.64 Het betreft hier zonder twijfel een Romeins spoor (zie paragraaf 3.2) en daarom kan worden beargumenteerd dat, gezien het rijke Romeinse verleden van Cuijk, de ensemblewaarde juist hoog is. Omdat met representativiteit rekening wordt gehouden met regio-specifieke fenomenen, wordt op dit punt niet gescoord. Tabel 5.1 Waardering van de vindplaats volgens de criteria van de KNA.
Cuijk, plangebied Merlet College . Archeologische waarderingstabel volgens KNA Waarden
Beleving
Fysieke kwaliteit
Inhoudelijke kwaliteit
Criteria
Scores Hoog (3)
Midden (2)
Schoonheid
Wordt niet gescoord
Herinneringswaarde
Wordt niet gescoord
Gaafheid
x
Conservering
x
Zeldzaamheid
x
Informatiewaarde Ensemblewaarde Representativiteit
Laag (1)
x x N.v.t.
Op basis van tabel 5.1 scoort de vindplaats 10 punten: 4 voor fysieke kwaliteit, maar 6 voor inhoudelijke kwaliteit. Daarmee is deze vindplaats op basis van KNA criteria vanwege de inhoudelijke kwaliteit behoudenswaardig geacht.
63 In hoofdstuk 2 staat vermeld dat het grafveld zich mogelijk ver ten zuiden van vicus Ceuclum uitstrekt, grofweg langs de Grotestraat. 64 Correspondentie J. van Kampen, Mei 2021.
49
Cuyk, Merlet College
5.3
Conclusie en advies
Op basis van dit proefsleuvenonderzoek is te concluderen dat in geringe mate archeologische resten (spoor, vondsten) zijn aangetroffen in het zuidwesten van het plangebied Merlet College. In dit deel van het gebied is de bodem lokaal deels intact, maar op sommige plaatsen flink verstoord door plant-/ boomgaten. Op basis van het waarderingsschema van de KNA is in deze proefsleuven sprake van een behoudenswaardige vindplaats. In put 1 is een grote rechthoekige, houtskoolrijke kuil uit de 1e of begin 2e eeuw (vroeg of midden Romeinse tijd) aangetroffen. Ook zijn enkele vondsten uit de late prehistorie tot en met de nieuwe tijd uit natuurlijke lagen afkomstig. Proefsleuven 2 en 3 zijn leeg en de verstoringen door plantgaten in proefsleuf 1 moeten ook meegewogen worden. Er wordt dan ook geen volwaardige vlakdekkende archeologische opgraving geadviseerd. Tegelijkertijd is het waarschijnlijk dat zich rondom proefsleuf 1
Afb. 5.1 Locatie van proefsleuf 1 in het plangebied en het geselecteerde gebied van 950 m2 dat een hoge kans op archeologische resten behoudt. De strook langs de zuidgrens wordt buiten beschouwing gelaten vanwege de kabels en leidingen en de geringe omvang van deze strook.
189425.00
189450.00
189475.00
els Kab
en le
idin
gen 414825.00
414825.00
414850.00
414850.00
189400.00
S1001
189400.00
189425.00
189450.00
189475.00
Cuijk Merlet College Eerste bevindingen
voorstel Sporenkaart Kuil Natuurlijke bodem Natuurlijke verstoring Vondsten Onderzoeksgebied
Opgraving
© BAAC bv
50
meer sporen uit de Romeinse tijd en andere perioden bevinden, op basis van: •
de intacte kuil S1001 uit de Romeinse tijd;
•
de vondsten uit de late prehistorie – middeleeuwen;
•
de bodemopbouw en de gemiddelde gaafheid en conservering (zie tabel 5.1);
•
locatie ten opzichte van bekende archeologische waarnemingen.
Het volgende advies is vooral gebaseerd op de mogelijke aanwezigheid van graven in de zone langs de Grotestraat en de mogelijkheid dat in proefsleuf 1 een Romeins spoor en mogelijk dus “grafveld gerelateerd” spoor is aangetroffen. Hieronder is een kaart te raadplegen (afb. 5.1) met een blok (ca. 30 x 32 m; 950 m2) rondom proefsleuf 1, waarbinnen geadviseerd wordt om eventuele graafwerkzaamheden te laten begeleiden, mits graafwerkzaamheden of andere verstorende activiteiten65 dieper gaan dan 11 m + NAP (ca. 0,9 m - mv tot 0,6 m - mv). Deze diepte vertegenwoordigt het niveau in de verbruiningslaag vanaf waar prehistorische en Romeinse vondsten en hooggelegen sporen aangetroffen kunnen worden. Vanaf 10,7 m + NAP kan een goed leesbaar sporenvlak verwacht worden (1,2 tot 0,9 m - mv). In dit blok blijft de verwachting op archeologische onveranderd hoog. In dit advies is de locatie ten opzichte van de Grotestraat (150 á 200 m) en de bekende archeologische waarden in die zone meegewogen. De waarnemingen tijdens een begeleiding kunnen bijdragen aan het beeld van de archeologische resten rondom de Grotestraat, terreingebruik en – inrichting ten zuiden van Vicus Ceuclum en keuzes bij toekomstige inrichtingsplannen. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Dit betekent niet dat al gestart kan worden met bodemverstorende activiteiten of de daarop voorbereidende activiteiten.
Het selectieadvies dient namelijk eerst beoordeeld te worden door de bevoegde overheid wat uiteindelijk leidt tot een selectiebesluit. Hoewel getracht is een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethoden, kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten in de gebieden waarvoor geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen. BAAC wil er daarom op wijzen dat men bij bodemverstorende activiteiten alert dient te zijn op de aanwezigheid van archeologische waarden (zoals vondstmateriaal en grondsporen). Bij het aantreffen van deze waarden dient men hiervan melding te maken bij de Minister (in de praktijk de RCE) conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016.
65 Bijvoorbeeld het slaan van heipalen.
51
Cuyk, Merlet College
Opgraving
52
6
Literatuur en bronnen Literatuur As, S. van en C.M. van der Linde, 2018: Helmond-Brandevoort II, Kranenbroek, Archeologische opgraving, BAAC-rapport A-17.0063, ’s-Hertogenbosch.
Buitenhuis, A., S.J. Kluiving, G.W. de Lange, R.W. de Waal en H.P. Wolfert, 1991: Geomorfologische gesteldheid van Midden en Oost Noord-Brabant, (Staring Centrum-Rapport 121).
Ball, E.A.G., S. Arnoldussen en L. van Hoof, 2001: Aanvullend Archeologisch Onderzoek in de Heeswijkse Kampen te Cuijk, Archol Rapport 5/Archeologische Rapporten Maaskant 13.
Centraal College van Deskundigen (CCvD), 2018: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Landbodems, versie 4.1, SIKB, Gouda.
Ball, E.A.G. en E.N.A. Heirbaut, 2005: Inventariserend Onderzoek in het plangebied Markt, Leiden (Archolrapport 38).
Deforce, K. & K. Haneca, 2012: Ashes to ashes. Fuelwood selection in Roman cremation rituals in northern Gaul, Journal of Archaeological Science 39, 1338-1348.
Ball, E.A.G. (red.), 2006: Dood en begraven langs de Romeinse weg. Het onderzoek van een grafveld uit de Romeinse tijd bij Cuijk – Grotestraat Bergbezinkbassin, Leiden (Archol-rapport 40).
Elbers, H. et al. 1992: Fidelis. Verslag van een grafveldonderzoek aan de Grotestraat te Cuijk, werkgroep archeologie Cuijk, museum Cuijk.
Beek, H. van der en R.F.B. Isarin, 1990: Paleogeografische ontwikkelingen in het Land van Cuijk gedurende het Laat-Weichselien en Holoceen, Utrecht (ongepubliceerd verslag van een doctoraal veldwerk, studie Fysische Geografie, Universiteit Utrecht). Berg, N. van den, 2020: Programma van Eisen. Proefsleuvenonderzoek Merlet College te Cuijk, Gemeente Cuijk, TML 2396, Utrecht. Berkel van, G. en K. Samplonius, 2006: Nederlandse plaatsnamen herkomst en historie, Utrecht.
53
Enckevort, H. van en J. Thijssen,1998: De Romeinse vicus Ceuclum, Archeologisch onderzoek aan de Grotestraat in Cuijk, Westerhem 47-3, 154-63. Exaltus, R. en J. Orbons, 2020: Merlet College, Cuijk, Gemeente Cuijk. Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O), Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek, ArcheoPro Archeologisch rapport nr. 19123, Eijsden. Geraeds, J., 2006: Archeologisch onderzoek Messemaker te Cuijk, waarderende fase, Eindhoven (Grontmij rapport 181268/EHV/GAR202).
Literatuur
Habermehl, D.S. en J. van Renswoude (red.) 2017: Duizenden jaren wonen op een rivierduin. Archeologisch onderzoek naar sporen van nederzettingsactiviteit tussen het Mesolithicum en de Nieuwe Tijd te Cuijk-De Nielt, NAR 44, Amersfoort.
Verhart, L.B.M. & M. Wansleeben, 1992: Een tweede verkennend onderzoek naar archeologische vindplaatsen in Linden, gemeente Beers, Rijksmuseum van Oudheden/Instituut Prehistorie Universiteit Leiden, Leiden.
Janssens, M., 2010: Plangebied Groot Heiligenberg, cluster C te Cuijk, gemeente Cuijk; archeologisch onderzoek. Proefsleuvenonderzoek en opgraving, RAAP-rapport 2149, Weesp.
Kaartmateriaal
Kemme, A.W.A., 2014: Cuijk, Nutricia. Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P), Archeologische Begeleiding en Opgraving, ’s-Hertogenbosch (BAACrapport A-12.0247). Kimenai, P. en E.A.G. Ball, 2020: Cuijk, plangebied Grotestraat Zuid. Archeologisch bureauonderzoek, BAAC rapport V-17.0276, ’s-Hertogenbosch. Koeling, J., 2002: Cuijk in de prehistorie, in: Van Enckevort en Thijssen (red.), Cuijk. Een regionaal centrum in de Romeinse tijd, Utrecht (Archeologische Berichten Nijmegen 5), 14-19. Koeling, J., 2014: Verslag van archeologisch onderzoek vanaf de jaren zeventig in de wijk Padbroek, werkgroep archeologie Cuijk, museum Ceuclum, Cuijk. Ridder, T. de, 1994. Bataven: boeren en bondgenoten. De Maaskant in de Romeinse tijd, ’s-Hertogenbosch.
Archeologische beleidskaart gemeente Cuijk, 2009, Past2Present. Bodemkaart van Nederland 1:50.000, 1975. Blad 46 west/oost Vierlingsbeek. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000. 1985. Blad 46 west/ oost Vierlingsbeek. Stichting voor Bodemkartering/ Rijks Geologische Dienst, Wageningen/Haarlem. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2010: Archeologische Monumentenkaart (AMK) en Centraal Archeologisch Archief (CAA), geraadpleegd via Archis. Kadasterkaart (minuutplan en OAT), 1811-1832, te raadplegen de Beeldbank van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, http://beeldbank. cultureelerfgoed.nl.
Internet AHN, 2020: Actueel Hoogtebestand Nederland. Verkregen via www.ahn.nl. ARCHIS, 2021: archis.cultureelerfgoed.nl
Verhart, L.B.M. & M. Wansleeben, 1990: Een verkennend onderzoek naar archeologische vindplaatsen in Linden, gemeente Beers, Rijksmuseum van Oudheden/Instituut Prehistorie Universiteit Leiden, Leiden.
Opgraving
54
Bijlagen 1
n
Geologische en archeo-
logische tijdvakken 2
n
Sporenlijst
3
n
Vondstenlijst
4 n Beantwoording van de onderzoeksvragen
Opgraving
56
Bijlage 1 Geologische en archeologische tijdvakken Bijlage 1: Geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie
MIS
Holoceen (warme periode)
1
11.650
14.030
Laat
Laat
30.000
60.000
Weichselien (ijstijd)
14.640
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
75.000
Formatie van Kreftenheye (Rijn)
Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm) LaatPleniglaciaal (zeer koud)
2
MiddenPleniglaciaal (koud)
3
VroegPleniglaciaal (zeer koud)
4
117.000
VroegWeichselien (gematigd koud)
Pleistoceen
Kwartair
5a 5b 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6-10
Holsteinien (warme periode)
11
Elsterien (ijstijd)
12
Cromerien (warme periode)
1322
Pre-Cromerien
23104
Eem Formatie (marien, lagunair en lacustrien) Formatie van Drente (Glaciaal)
130.000
410.000
Midden
Midden
370.000
475.000
Vroeg
Vroeg
850.000
Formatie van Urk (Rijn) Formatie van Peelo (Glaciaal) Formatie van Sterksel (Rijn)
2.600.000
Chrono-, zuurstofisotopen- en lithostratigrafie voor Noordwest-Europa naar De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Berendsen (2008) en Cohen et al. (2009). Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor Cultuurhistorisch Erfgoed (RCE). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2008). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
57
Cuyk, Merlet College
Formatie van Beegden (Maas)
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
13.900
Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
Formatie van Boxtel (eolisch en lokaal terrestrisch)
12.850
Lithostratigrafie
Formatie van Stamproy (eolisch en lokaal terrestrisch)
Ouderdom (jr) 0 = 1950 n. Chr.
Ouderdom (kal. 1 jaren BP )
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
Vegetatie
Archeologische perioden (kal. jaren v/n. Chr.) nieuwe tijd (1500-heden)
450 Vb2 1150
1250
1962
Laat
1500
Subatlanticum (koeler Vochtiger)
1950
Holoceen
2900
5700
Subboreaal (koeler Droger)
5000
7250
10.250
9000
10.750 10.150
11.900
14.030
12.100
14.640
12.450
130.000
300.000 (v. Chr.)
1
14
117.000
C-methode loopt tot 43.000 jaar BP
35.000 (v. Chr.)
75.000
III
Loofbos eik en els overheersen, relatief veel iep en linde. Het percentage den neemt af
Boreaal (warmer)
II
Den overheerst, daarnaast hazelaar, eik, iep, linde, es
Preboreaal (warmer)
I
Eerst berk en later overheerst de den
Late Dryas
LW III
Parklandschap (subarctisch)
Allerød
LW II
LaatWeichselien (Laat-Glaciaal) Weichselien (ijstijd)
10.950
13.900
Laat-Pleistoceen
12.850
MiddenPleistoceen
11.650
Loofbos. Eik, els en hazelaar overheersen; beuk vanaf IVb >1% en grotere invloed landbouw (granen)
Atlanticum (warm Vochtig) 8000
Vroeg
8700
IVa
Midden
3950
IVb
Dennen- en berkenbossen
Vroege Dryas
Open parklandschap
Bølling
Open vegetatie met kruiden (bijvoet) en berkenbomen
LW I
middeleeuwen (450-1500 n. Chr.)
Romeinse tijd (12 v.Chr. – 450 n. Chr.) ijzertijd (800 – 12 v. Chr.)
Va
2750 3050
Vb1
Loofbos, waarbij eik en els overheersen; haagbeuk vanaf Vb1 (>1%); vanaf Vb2 veel cultuurplanten (rogge, boekweit, korenbloem)
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
Perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (Vroeg-Glaciaal)
Perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Eemien (warme periode)
Loofbos
Saalien (ijstijd)
Maximale ijsuitbreiding Scandinavische ijskap tussen 200.000 en 130.000 jaar BP
bronstijd (2000 – 800 v. Chr.)
neolithicum (5300 – 2000 v. Chr.)
mesolithicum (8800 – 5300 v. Chr.)
laat-paleolithicum (35.000 – 8800 v. Chr.)
midden-paleolithicum (300.000 – 35.000 v. Chr.)
vroeg-paleolithicum (tot 300.000 v. Chr.)
BP = aantal werkelijke jaren voor 1950 AD.
Opgraving
58
Put 1 2 1 1 1 1 1 1 1 2 2 2 3 3 3
Spoor 888 999
59 1001 1800 1810 1811 1812 1820
1821 2810 2822 2823 3810 3823 3824
301
1
302
1
201
201
1
1
102
102
101
101
1
1
1
Vlak
Laag
Laag
Laag
Laag
Laag
Laag
Laag
Laag
Laag
Laag
Laag
Laag
Kuil
Recent
Natuurlijk
Type
Vlak
Vorm
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
30
0
0
Diepte
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Ja
Nee
Nee
Gecoupeerd
-1
-1
-1
-1
-1
-1
-1
-1
-1
-1
-1
-1
0
-1
-1
Coupetekening
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Ja
Nee
Nee
Afgewerkt
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
Project
Bijlage 2 Sporenlijst
Cuyk, Merlet College
Opgraving
60
Spoor 1810 1810 1810 1810 1810 1810 1820 1820 1820 1820 1001 1001 1001 1812 1001 1001 1001
Vondst 1
61 1 2 2 2 2 3 4 5
5 6 7 8 9 10 11 12
afwerken
afwerken
bemonster
vlakaanleg
couperen
bemonster
bemonster
vlakaanleg
vlakaanleg
vlakaanleg
vlakaanleg
vlakaanleg
vlakaanleg
vlakaanleg
vlakaanleg
vlakaanleg
vlakaanleg
Verzamelwijze
steen
steen
monster
vuursteen
monster
monster
monster
steen
hutteleem
steen
steen
metaal
steen
dierlijk bot
aardewerk
steen
aardewerk
Materiaal
-
-
houtskool
-
zeef div.
zeef div.
zeef div.
-
-
-
-
ijzer
-
-
gedraaid
handgevormd
Categorie
6
2
1
1
3
6
2
3
7
1
1
1
3
7
1
1
1
Aantal
70,5
18,7
0
72,9
0
0
0
151
29,4
4706,6
267,1
4
85,5
14
7,6
33,3
2,2
Gewicht (g)
Late prehistorie
Middeleeuwen
Late prehistorie
Datering
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
A-20.0350
Project
Bijlage 3 Vondstenlijst
Cuyk, Merlet College
Opgraving
62
Bijlage 4 Beantwoording van de onderzoeksvragen 1 Welke en hoeveel vindplaatsen zijn in het onderzoeksgebied te herkennen?
In het zuidwesten van het onderzoeksgebied, te proefsleuf 1 is een houtskoolrijke rechthoekige kuil aangetroffen uit de Romeinse tijd (1e of 2e eeuw na Chr.). Daaromheen zijn vondsten aangetroffen uit verschillende perioden, daterend tussen de late prehistorie en de middeleeuwen. Deze vondsten zijn aan geen andere context te koppelen dan de verbruiningslaag bovenop het sporenvlak. De kuil, de vondsten en het profiel tonen aan dat dit deel van het plangebied, de zuidwesthoek, potentieel intacte archeologie herbergt. 2 Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.
de ligging (inclusief diepteligging) de geologische en/of bodemkundige eenheid de omvang (inclusief verticale dimensies) het type en de functie van de sites of off-site-patronen de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) Wat is, indien aanwezig, de ouderdom van de cultuurlaag? de vondst- en sporendichtheid de stratigrafie voorzover aanwezig de ouderdom, periodisering, typochronologische classificatie wanneer zijn de vindplaatsen in onbruik geraakt?
De kuil uit de Romeinse tijd is aangetroffen op ca 10,7 m + NAP in sterk lemig zand. Dit leesbare sporenvlak wordt afgedekt door een dikke verbruiningslaag van geoxideerd lemig zand. Meerdere archeologische indicatoren en vondsten worden in deze laag al zichtbaar vanaf 11 m + NAP. De omvang van de vindplaats is niet bekend, mogelijk gaat het om een solitair spoor, bijvoorbeeld een houtskoolmeiler, die buiten de nederzetting is gegraven. In dat geval betreft het een extensief gebruikt terrein in de periferie van bewoning. Vlakbij de kuil zijn meerdere vondsten aangetroffen. Deze dateren vanaf het neolithicum of de bronstijd (vuurstenen vuurmaker) tot en met de late middeleeuwen (één scherf gedraaid aardewerk). Deze laatste scherf is uit de top van het verbruiningspakket afkomstig, terwijl de overige vondsten net boven het spoorniveau zijn aangetroffen. Dit pakket kent dus een grote tijdsdiepte. Omdat dit niveau volledig gehomogeniseerd is, kan er geen stratigrafisch onderscheid gemaakt worden. Er kan niet gesproken worden van een ‘cultuurlaag’. Deze waarschijnlijk niet meer herkenbaar in het profiel. De vondst- en sporendichtheden zijn laag. Het onderzoeksgebied herbergt te weinig informatie om een chronologisch beeld van terreingebruik uiteen te zetten.
3 Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat? Het staat buiten twijfel dat het spoor en sommige vondsten in zekere relatie staan met gelijktijdige Romeinse bewoning of begravingen in huidig Cuijk. Door gebrek aan meer context is die relatie niet exacter aan te tonen. De aard en grootte van de vindplaats is niet bekend.
63
Cuyk, Merlet College
4 Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaat(sen)? Nee, zie paragraaf 5.2. Maar in het advies van paragraaf 5.4 staat dat het zuidwesten van het onderzoeksgebied een hoge kans op archeologische resten behoud (rondom proefsleuf 1). 5 Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio en Cuijk aanscherpen? Licht toe. 6 Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving? 7 Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving? Er is te weinig archeologische informatie om hier, na aanleiding van het proefsleuvenonderzoek, uitspraken over te doen. 8 Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is de reden voor de afwezigheid van archeologische resten? Er zijn weinig archeologische resten aangetroffen. Dit is deels toe te wijzen aan de verspreiding van de putten ten opzichte van de aangetroffen archeologie. Uit proefsleuf 2 en 3 bleek het noorden van het onderzoeksgebied vrij van archeologische resten. De waarnemingen zijn gedaan in de kleinste proefsleuf: proefsleuf 1. Bovendien kan de lage kwantiteit te maken hebben met de aard van het terrein. Mogelijk gaat het om een extensief gebruikt gebied buiten de nederzetting. Deze uitspraak is op basis van één spoor en enkele vondsten niet zeker.
9 Komen de resultaten van het onderzoek overeen met de archeologische verwachtingszone in het gemeentelijk beleid? Het huidige beleid, dat van toepassing is op het plangebied, is gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidskaart. Hierop is het gebied gekarteerd als ‘waarde – archeologie 5’. In het bijbehorende archeologisch beleidsplan is te lezen dat voor deze gebieden een hoge archeologische verwachting geldt, dus ook voor het plangebied Merlet College. In die zin komen de resultaten van proefsleuven 2 en 3 niet overeen met het gemeentelijk beleid. Sporen als S1001 uit proefsleuf 1 liggen wel in de lijn van de verwachting, maar de kwantiteit van vondsten en sporen is achter gebleven. Echter, in paragraaf 5.3 wordt een blok besproken in het zuidwesten van het plangebied dat een hoge verwachtingskans op archeologie behoudt. 10 Heeft het huidige onderzoek consequenties voor de verwachtingskaart en de daaraan gekoppelde gemeentelijke beleidsadvieskaart? Nee. De afwezigheid van vele archeologische resten in het plangebied heeft voornamelijk te maken met de aard van het terrein. Het terrein is verstoord door de bouw en sloop van een schoolgebouw, gecombineerd met de lokale ligging van geulen. Daarbuiten blijft de kans op archeologie hoog.
Opgraving
64
11 Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? Met “conservering” wordt de mate bedoeld waarin archeologisch vondstmateriaal bewaard is gebleven. Door de compactheid van de leemrijke lagen zijn vergankelijke vondsten aangetroffen, zoals onverbrand bot en ijzer. De staat van deze vondsten zijn dus beter dan de vondsten uit de meeste dekzandbodems, maar ze zijn kwalitatief minder dan verwacht mag worden in kleiigere bodems. De conservering is gemiddeld. “Gaafheid” is de mate van het niet verstoord zijn en de stabiliteit van de fysieke omgeving. Ondanks het verstoorde niveau (de plantkuilen in de oostwand van proefsleuf 1) zijn er in deze put nog archeologische resten en plekken met grotendeels intacte bodems aan te wijzen. Daarom is de “gaafheid” gemiddeld. 12 In welke mate is het onderzoeksgebied verstoord? De mate van verstoring door moderne bouw- en sloopwerkzaamheden is buiten het onderzoeksgebied vermoedelijk zeer sterk, maar in het onderzoeksgebied gering. Op de rand met de voormalige bebouwing, dus aan de oostkant van het onderzoeksgebied, zijn meer verstoringen waarneembaar. In put 2 en 3 zijn bedding- en geulafzettingen en overstromingspakketten aangetroffen. Hierin zijn geen archeologische indicatoren waargenomen.
Dit deel van het onderzoeksgebied was óf niet geschikt voor activiteiten en/ of is op een bepaald moment door de geul opgeruimd. In proefsleuf 1 zijn enkele plantgaten waargenomen die potentieel verstorend zijn voor archeologische resten. n Landschap en bodem
Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaatsen in historische perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: 13 Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied? 14 Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (geologie, bodem kunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of nondepositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? Ter hoogte van profiel 101, in het zuidenwesten van het onderzoeksgebied, is onder een verstoorde bovenlaag (ca. 0,64 m – mv; ca. 11,2 + NAP) een dik pakket zandig leem aangetroffen dat door oxidatie en humus is verbruind. Vanaf dit niveau zijn bij het verdiepen van het vlak herhaaldelijk duidelijke archeologische indicatoren aangetroffen, variërend van houtskoolinsluitsels, vergruisde verbrande (antropogene) leembrokjes, tot aardewerk en botfragmenten. Dit pakket wordt naar beneden toe lichter. Op ca. 10.5 + NAP gaat het pakket diffuus over naar een gele C-horizont dat op sommige plekken leem-rijker is dan op andere plekken (zandiger). Op dit niveau (ca 10,45 à 10,5 m + NAP) zijn sporen zichtbaar. Van zuid naar noord loopt het niveau van het sporenvlak iets op (ca. 15 cm, naar ca. 10,65 m + NAP). In het noorden van proefsleuf 1 is de bodemopbouw verder nagenoeg gelijk te noemen.
De verstoorde bovengrond is hier zeer lokaal iets minder dik, maar de aftopping van de verbruiningslaag zit ook hier op nagenoeg hetzelfde niveau.
65
Cuyk, Merlet College
In de noordelijke sleuven 2 en 3 is de bovengrond steeds tot net op of onder 11,4 m + NAP verstoord. Onder dit verstoringspakket van ca 30 à 40 cm is vaak nog een dun zandig en mangaanrijk bruin leempakket te zien, dat op sommige plekken in put 3 wat kleiiger is. Dit pakket manifesteert zich bovenop een dik gelamineerd pakket van zand, leem en klei laagjes (vanaf ca. 11,2. + NAP). Deze gelaagdheid duidt op verschillende mate van activiteit waarbij afhankelijk van de stroming verschillende sedimenten konden worden afgezet. Vanaf ca. 10.6 + NAP is in het zuiden van proefsleuf 2 een pakket van grof beddingszand aangesneden. In put 2 en 3 zijn de bodemlagen qua archeologische resten schoon. Dus er zijn ook geen verspoelde resten aangetroffen. De bevindingen komen daarmee overeen met de verwachting op basis van de geomorfologische kaart en bodemkaart en met de verwachtingen van het booronderzoek. Het terrein ligt in zone met terraswelvingen (legenda-eenheid 3L28) met daar doorheen geulen (legenda-eenheid 2R10).1 Volgens de bodemkaart komen in het plangebied ooivaaggronden voor (Krd1), die zich hebben ontwikkeld in lichte zavel (Hochflutlehm). Met ooivaaggronden worden in dit geval kalkloze leem- of zavelgronden met een dunne humushoudende bovengrond (A-horizont tot 30 cm) bedoeld.
Deze lichtbruin tot bruingrijs gekleurde A-horizont (in het plangebied niet aanwezig) ligt op een bruine, goed gehomogeniseerde en poreuze Bw-horizont. Daaronder bevindt zich de licht gekleurde en soms nog sterk textureel gelaagde ondergrond die nog weinig door bodemvorming is veranderd (C-horizont). 15 Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het onderzoeksgebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden? 16 In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein? De paleo-ecologische gegevens kunnen potentieel gereconstrueerd worden uit pollenanalyse. Aan de westzijde van proefsleuf 1 zijn intacte profielen aangetroffen. Echter, de geschiktheid hangt af van de conserveringsgraad (waardering van eventuele monsters) en de dateringen van de laag. In onderzoek naar ouderdom zit het grootste onderzoeksprobleem. Door de verbruining van een relatief dik pakket is het moeilijk, zo niet onmogelijk, een chronologisch-stratigrafisch beeld te krijgen. De tijdsdiepte van het pakket zou bepaald moeten worden op basis van monsters in stratigrafische sequentie, die geschikt zijn voor koolstofdatering.
Anders kunnen de palynologische data niet in tijd geplaatst worden, maar die tijdsdiepte is vermoedelijk heel (waarschijnlijk te) breed (late steentijd tot en de met middeleeuwen).
1
Geomorfologische kaart van Nederland.
Opgraving
66