07 Bijlage 6k - Bijlage 11 Proefsleuvenonderzoek Merletcollege.pdf
Tekst van het document
Auteur:
Cuijk Merlet College
drs. S. van As MA
Proefsleuven (IVO-P) BAAC-rapport A-20.0350
Status: mei 2021
Definitief
Opgraving
2
Colofon
ISSN:
1873-9350
Auteur(s):
dhr. S. van As MA
Met een bijdrage van:
Dhr. dr. P. Kubistal, mevr. drs. A. Kenada en dhr. dr. R. Grabowski
Cartografie
Dhr. J. van Gestel
Fotografie:
Dhr. S. van As MA, dhr. B. van de Weerd MA, mevr. E. de Boo van Uien MA
Tekeningen:
Dhr. S. van As MA
Vormgeving:
Dhr. drs. E. Smits
Inhoudelijke controle:
Dhr. drs. E. Ball
Redactie:
Dhr. drs. E. Ball
© BAAC, ’s-Hertogenbosch 2021. BAAC aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
BAAC - Archeologie en Bouwhistorie Graaf van Solmsweg 103 Postbus 2015 5222 BS ‘s-Hertogenbosch 7420 AA Deventer Tel.: (073) 61 36 219 E-mail: denbosch@baac.nl
3
Cuyk, Merlet College
Opgraving
4
Inhoud n Samenvatting 7
1
n Inleiding 9 1.1 1.2 1.3 1.4
2
Aanleiding 9 Ligging en aard van het terrein 11 Administratieve gegevens 12 Leeswijzer 13
n Onderzoekskader 15 2.1 Landschappelijke achtergrond 15 2.1.1 Algemeen 15 2.1.2 Plangebied 17 2.2 Bewoningsgeschiedenis 21 2.2.1 Inleiding 21 2.2.2 Historie 23 2.2.3 Archeologie 23 2.2.4 Archeologische verwachting 28 2.3 Onderzoeksvragen 29 2.4 Werkwijze 31 2.4.1 Veldwerk 31 2.4.2 Uitwerking 33
3
n Resultaten 35 3.1 Bodemopbouw 35 3.1.1 Bodemprofielen proefsleuf 1 35 3.1.2 Bodemprofielen proefsleuf 2 en 3 35 3.2 Sporen 37 3.2.1 Inleiding 37 3.2.2 Kuil S1001 37
4
n Vondstmateriaal 43
5
n Synthese, waardering en advies 47
4.1 Aardewerk prehistorie/ vroeg Romeins 43 4.2 Aardewerk middeleeuwen/ nieuwe tijd 43 4.3 Natuursteen en vuursteen 44 4.3.1 Natuursteen 44 4.3.2 Vuursteen 44 4.4 Metaal 45 4.5 Dierlijk botmateriaal 45
5.1 5.2 5.3
5
Synthese 47 Waardering 48 Conclusie en advies 50
Cuyk, Merlet College
6
n Literatuur en bronnen 53 n Bijlagen 55 - Bijlage 1 Geologische en archeologische tijdvakken 57 - Bijlage 2 Sporenlijst 59 - Bijlage 3 Vondstenlijst 61 - Bijlage 4 Beantwoording van de onderzoeksvragen 63
Opgraving
6
Samenvatting
In opdracht van Gemeente Cuijk heeft BAAC een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in plangebied “Merlet College” te Cuijk. Dit is het terrein waar tot voor kort het schoolgebouw van het Merlet College stond. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bouw van woningen in het plangebied waarbij een gerede kans bestaat dat archeologische waarden vernietigd zullen worden. Aan het plangebied is op basis van het archeologisch vooronderzoek een hoge archeologische verwachting voor resten vanaf de steentijd tot en met de nieuwe tijd toegekend.1 In het geselecteerde onderzoeksgebied zijn drie proefsleuven gegraven. Op basis van dit proefsleuvenonderzoek is te concluderen dat slechts in geringe mate archeologische resten aanwezig zijn. Het gaat om één spoor en enkele vondsten, uitsluitend in proefsleuf 1. In dit deel van het gebied is de bodem lokaal intact, maar op sommige plaatsen is de bodem verstoord door plant-/ boomgaten. De twee noordelijke proefsleuven zijn leeg, omdat uit deze sleuven blijkt dat daar egalisatie heeft plaatsgevonden en dat het oorspronkelijk bodemprofiel volledig weg is. Op basis van het waarderingsschema van de KNA is sprake van een behoudenswaardige vindplaats in de zuidwestelijke zone van het onderzoeksgebied. Het gebied rondom proefsleuf 1 behoudt een hoge verwachting op archeologie, op basis van de volgende punten: • • • •
een grote, rechthoekige houtskoolrijke kuil S1001 uit de Romeinse tijd (1e of begin 2e eeuw na Chr.); de vondsten uit de late prehistorie – middeleeuwen; de deels intacte bodemopbouw en de gemiddelde gaafheid en conservering; de locatie ten opzichte van bekende archeologische waarnemingen in de omgeving.
De verstoringen door plantgaten in proefsleuf 1 moeten echter ook meegewogen worden. Op basis van deze punten wordt geadviseerd om eventuele graafwerkzaamheden in een blok van ca 32 x 30 m (950 m2 ) rondom proefsleuf 1 te begeleiden, mits graafwerkzaamheden of andere verstorende werkzaamheden dieper gaan dan 11 m + NAP (ca. 0,9 m - mv tot 0,6 m - mv). Deze diepte vertegenwoordigt het niveau vanaf waar prehistorische en Romeinse vondsten en hooggelegen sporen aangetroffen kunnen worden. Vanaf 10,7 m + NAP kan 1
Kimenai & Ball 2017.
7
Cuyk, Merlet College
een goed leesbaar sporenvlak verwacht worden (1,2 tot 0,9 m - mv). In dit advies is de locatie ten opzichte van de Grotestraat (150 m) en de oever van de Maas (300 m) en de daarvan bekende archeologische waarden meegewogen.
189000
Afbeelding 1.1 De ligging
190000
van het onderzoeksgebied op de topografische kaart van
416000 415000 414000
414000
415000
416000
Nederland.
189000
190000
plangebied beeldrecht TOP25: CC-BY basisregistratie Topografie Kadaster
Opgraving
8
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
In opdracht van Gemeente Cuijk heeft BAAC een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in plangebied “Merlet College” te Cuijk. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bouw van woningen in het plangebied waarbij een gerede kans bestaat dat archeologische waarden vernietigd zullen worden. Voorafgaande aan het proefsleuvenonderzoek heeft in 2017 een bureauonderzoek plaatsgevonden.2 In het bureauonderzoek is vastgesteld dat voor het gehele plangebied een hoge verwachting voor archeologische resten uit de steentijd tot en met de nieuwe tijd geldt en voor allerlei complextypen (o.a. nederzetting, begraving, bestaanseconomie, depot, infrastructuur).3 Naar aanleiding hiervan is in 2020 een booronderzoek uitgevoerd door ArcheoPro.4 Op basis van dit onderzoek is gesteld dat een groot deel van het plangebied uit een overstromingspakket bestaat met daarboven een dik pakket geroerde grond dat waarschijnlijk is ontstaan bij het bouwrijp maken van het terrein, voorafgaande aan de bouw van het Merlet College. In het zuiden van het plangebied bestaat de bodem echter uit dekzand met op sommige plekken een deels intacte bodem waarin bovendien houtskool is aangetroffen. Daarom moet hier rekening gehouden worden met de eventuele aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten.
Op basis van deze gegevens is het onderzoeksgebied aangegeven, dat op donderdag 10 december 2020 door middel van dit proefsleuvenonderzoek is onderzocht. Daarbij is in het westen van het onderzoeksgebied een dik overstromingspakket aangetroffen. In het zuidenwesten van het onderzoeksgebied is een dik pakket verbruind lemig zand aangetroffen met tal van archeologische indicatoren. In het sporenvlak onder de verbruiningslaag is een rechthoekige houtskoolrijke kuil gevonden uit de Romeinse tijd. Enkele decimeters naast deze kuil is een scherf aangetroffen uit de late bronstijd of vroege ijzertijd, evenals gebruikt natuursteen en een vuurstenen artefact uit het neolithicum of de bronstijd. In het zuidoosten is geen proefsleuf aangelegd vanwege kabels en leidingen met gevaarlijke inhoud.
2 3 4
Kimenai & Ball 2017. Kimenai & Ball 2017; Van den Berg 2020, 9. Exaltus 2020.
9
Contactpersoon namens de opdrachtgever is dhr. N. van den Berg (The Missing Link). De bevoegde overheid voor dit project is Gemeente Cuijk. De gemeente werd hierbij vertegenwoordigd door mevr. F. Jurgens en later, tijdens de uitwerking van het project, door dhr. J. van Kampen. Het veldteam bestond uit dhr. S. van As (projectleider en senior KNA archeoloog), mevr. E. de Boo van Uien (KNA archeoloog) en Bas van de Weert (veldmedewerker). De graafmachine werd geleverd via Loonbedrijf Overvest B.V. Tijdens het veldonderzoek zijn geen specialisten ingezet.
Cuyk, Merlet College
189.400
Afbeelding 1.2 Het onder-
189.500
Merlet College (rood omlijnd).
414.900
415.000
opzichte van het plangebied
414.800
414.800
414.900
415.000
zoeksgebied (blauw) ten
Esri Nederland, Community Map Contributors 189.400
189.500
Cuijk, Merlet College Ligging plangebied plangebied onderzoeksgebied
N 0
50 m A-20.0350© BAAC
Opgraving
10
1.2
Ligging en aard van het terrein
Het plangebied ligt in het zuiden van de bebouwde kom van Cuijk (zie afb. 1.1 en 1.3). Het terrein wordt aan de noordzijde begrensd door het Kerkhofpad, aan de oostzijde door de Grotestraat, aan de zuidzijde door de Hapsebaan en aan de westzijde door Begraafplaats Cuijk. Het plangebied was tot kort voor het onderzoek voor een groot deel bebouwd. Dit was de voormalige locatie van het Merlet College. Het onderzoeksgebied (afb 1.2, blauw) beperkt zich tot het voormalige schoolplein, omdat op basis van het booronderzoek gesteld is dat de schoolgebouwen de grond te diep hebben verstoord. Bij aanvang van het onderzoek waren de schoolgebouwen gesloopt en was het braakliggende terrein geëgaliseerd. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 3204 m2. Het proefsleuvenonderzoek heeft een dekkingsgraad van 10%: 320 m2 is onderzocht. Afbeelding 1.3 Foto van het plangebied, bij aanvang van het onderzoek.
11
Cuyk, Merlet College
1.3
Administratieve gegevens
Locatiegegevens provincie
Noord-Brabant
gemeente
Cuijk
plaats
Cuijk
toponiem
plangebied Merlet College
RD-coördinaten
(vier hoekpunten)
kaartblad
46A
oppervlakte plangebied
3204 m2
oppervlakte onderzoeksgebied
320 m2
Projectgegevens projectnummer
A-20.0350
type onderzoek
proefsleuvenonderzoek (IVO-p)
Archis-zaakidentificatienr.
4924082100
opdrachtgever
Gemeente Cuijk
adviseur namens opdrachtgever
The Missing Link Dhr. N. van den Berg 2de Daalsedijk 6A 3551 EJ Utrecht
projectleider BAAC
Dhr. S. van As
bevoegde overheid
gemeente Cuijk Mevr. F. Jurgens/ dhr. J. van Kampen Louis Jansenplein 1 5431 BV Cuijk
datum opdracht
23-11-2020
datum veldwerk
10-12-2020
datum conceptrapport
25-3-2021
datum goedkeuring conceptrapport
20-5-2021
datum definitief rapport
25-5-2021
beheer en plaats van vondsten en documentatie
Provinciaal Archeologisch Depot, provincie NoordBrabant Dhr. R. Louer Waterstraat 16 5211 JD ‘s-Hertogenbosch
Vindplaatsgegevens complextype
Onbekend
datering
n.v.t.
Opgraving
12
1.4
Leeswijzer
Deze rapportage omvat de uitwerking van het proefsleuvenonderzoek in het plangebied Merlet College te Cuijk. Alvorens over te gaan tot de bespreking van de onderzoeksresultaten, worden in hoofdstuk 2 de landschappelijke, archeologische en historische achtergronden van het plangebied en de directe omgeving beschreven. Deze worden gevolgd door paragrafen met daarin de onderzoeksvragen en de werkwijze in het veld en van de uitwerking. De resultaten van het onderzoek komen aan de orde in hoofdstuk 4, 5 en 6. In deze hoofdstukken staat het landschap beschreven waarin het plangebied is gelegen, de sporen die zijn aangetroffen en het vondstmateriaal dat tijdens het veldwerk is verzameld. Het geheel zal in hoofdstuk 6 worden afgesloten met een synthese waarin de resultaten in relatie tot elkaar worden besproken en er aandacht is voor de relevantie van de vindplaats voor de regio. Vervolgens wordt de vindplaats gewaardeerd en wordt er een archeologisch advies geformuleerd over de vindplaats. Achter in het rapport zijn de literatuurlijst en enkele bijlagen terug te vinden, zoals diverse lijsten en overzichten en de beantwoording van de onderzoeksvragen uit het PvE.
13
Cuyk, Merlet College
Opgraving
14
2
Onderzoekskader
Aan het plangebied is op basis van het archeologisch vooronderzoek een hoge archeologische verwachting voor resten vanaf de steentijd tot en met de nieuwe tijd toegekend.5 Het proefsleuvenonderzoek dat in deze rapportage wordt beschreven, heeft geresulteerd in een deels intacte bodem, een rechthoekige kuil uit de Romeinse tijd en vondsten uit de late prehistorie in het zuidwesten van het onderzoeksgebied. Het doel van de navolgende paragrafen is om dit gegeven in een context te plaatsen. Hierbij wordt gekeken naar de ligging van het plangebied in het landschap en ten opzichte van bekende archeologische resten in de directe omgeving. Ook wordt gekeken wat op basis van historisch kaartmateriaal of andere historische gegevens bekend is over bewoning en landgebruik binnen het plangebied. Deze gegevens zijn overgenomen uit het archeologisch vooronderzoek6 en waar nodig aangevuld met nieuwe gegevens. De onderzoeksvragen die met het proefsleuvenonderzoek dienen te worden beantwoord en de nationale en regionale onderzoeksthema’s zijn overgenomen in paragraaf 2.3. Het hoofdstuk sluit af met een beschrijving van en verantwoording voor de gehanteerde werkwijze en de keuzes die tijdens het veldwerk en de uitwerking zijn gemaakt.
5 6
Kimenai & Ball 2017. Kimenai & Ball 2017; Exaltus 2020. 7 Overgenomen uit Kimenai & Ball 2017, 14-16. 8 Buitenhuis et al. 1991. 9 Ibidem. 10 Van der Beek & Isarin 1990.
15
2.1
Landschappelijke achtergrond
2.1.1
Algemeen7
Het Land van Cuijk ligt op een geomorfologisch scharnierpunt in het rivierenlandschap van Zuid-Nederland. Ten zuiden van Cuijk bevindt zich een relatief nauw Maasdal, ingeklemd tussen de Peelhorst in het westen en de stuwwal van Nijmegen en het Maasterrassenlandschap in het oosten.8 Ten westen van het Land van Cuijk bevindt zich het Maaslandschap waarin de rivier zich in verhouding tot het zuidelijk deel makkelijker lateraal kan verplaatsen en minder aan één vaste rivierloop gebonden is. Het regime van de rivier verandert bij dit scharnierpunt van insnijdend (verticale erosie) in het zuiden naar aggraderend (laterale accretie) in het westen. In het geologische verleden heeft ook de Rijn een rol gespeeld bij de totstandkoming van het Land van Cuijk. Hieronder zal globaal de ontstaansgeschiedenis van het landschap rond het onderzoeksgebied beschreven worden. Geomorfologisch gezien ligt het Land van Cuijk in het oostelijke Maaslandschap van Noord-Brabant.9 Van der Beek & Isarin stellen dat, op grond van hun paleogeografische reconstructie, in het Land van Cuijk drie terrassen kunnen worden onderscheiden:10 het Laagterras, het X-terras en de huidige holocene
Cuyk, Merlet College
dalvlakte. De ‘fluviatiele’ geschiedenis laat zich in dit gebied als volgt omschrijven: het laagterras is in het Pleniglaciaal (27.000-13.000 jaar BP11) opgebouwd door de vlechtende Rijn en Maas. De riviervlakte is dan ongeveer 10 km breed. Tijdens het Pleniglaciaal begon tussen circa 13.000 en 10.800 BP de erosie van het Laagterras (dat gevormd was in het Pleniglaciaal). De waterafvoer is geconcentreerd in een aantal meanderende hoofdgeulen die zich sterk insnijden. De overige geulen verkeren in een fase van verlanding. In het BøllingAllerød Interstadiaal (circa 13.000 tot 10.800 BP) en in de periodes wordt door een meanderend riviersysteem een leemlaag (de Laag van Wijchen) afgezet. Het X-terras wordt in de Late Dryas gevormd (ca. 10.800 tot 10.000 BP) en omvat een dalvlakte van een vlechtend riviersysteem met een breedte van zo’n 2,5 km. De Maas is in deze periode een vlechtende rivier. 12 Afbeelding 2.1 Lithogenetisch profiel, schematische weergave van het noordoostelijke deel van de gemeente Cuijk. Naar De Bont en Maas 2005, met aanpassingen door L. Tebbens (BAAC). Met de rode contour is globaal de ligging van het plangebied weergegeven.12
Door opvulling van de insnijdingen uit de Allerød-periode en laterale erosie ontstaat een nieuwe dalvlakte, die bij de vroeg-holocene insnijding werd omgevormd tot terras (het X-terras). De tweede helft van de Late Dryas, die koud en droog was, is de belangrijkste periode geweest voor verstuiving. Hierbij werd het rivierzand uit drooggevallen rivierbeddingen opgestoven door wind uit overwegend westelijke richting. In tegenstelling tot de rivierduinen aan de oostkant van de Maas in Noord-Limburg en in het Land van Maas en Waal, bereikten de rivierduinen in het Land van Cuijk niet zulke grote hoogten. Ook onder de oude kern van Cuijk en op diverse locaties daar omheen, zoals de hoge kop Het Zand in het noorden van het plangebied, is waarschijnlijk dergelijk rivierduinzand in deze periode opgestoven. Dit zand wordt gerekend tot de Afzettingen van Delwijnen van de Formatie van Kootwijk. 11 BP (Before Present) is het werkelijke aantal jaren voor 1950 n. Chr. 12 Overgenomen uit Kimenai & Ball 2017.
Opgraving
16
In het Preboreaal (ca. 10.000 tot 9.000 BP) snijdt de Maas zich diep in haar bedding in. In de holocene dalvlakte stroomt sinds het vroeg-Preboreaal de meanderende Maas. In het huidige Land van Cuijk is dit dal maximaal 500 m breed.13 De Maas concentreert in deze periode haar waterafvoer in één geul. Sinds het Preboreaal zal de Maas, net als tegenwoordig, periodiek hoogwaters hebben gekend, waarbij vooral de laag liggende gebieden onderliepen en de hogere delen en terrassen droog bleven. Uit het bovenstaande kunnen we het volgende constateren: de centrale landschapsvormende factoren in en rond het onderzoeksgebied zijn enerzijds de erosie van de zich insnijdende en lateraal verplaatsende hoofdgeulen door de tijd en anderzijds de afzetting van sediment buiten de geulen. Als toegevoegde landschapsvormende factor gelden de eolische afzettingen (rivierduinzanden) die tijdens de Late Dryas vanuit de vlechtende riviervlakte op de hogere terrasrestruggen werden afgezet, en die dus vaak de hoge gronden in de microregio vormen. Dergelijke hoge plaatsen vormden direct langs de Maas belangrijke woonlocaties, zowel in prehistorische als in historische tijden, die vaak ook bij hoogwater relatief veilig en droog waren. Eén en ander wordt geïllustreerd door foto’s, genomen tijdens de hoogwaters van 1920 en 1926.
Delen van het centrum van Cuijk zijn dan nog droog, terwijl grote delen van het achterland onder water staan. Dat niet alle delen van de hoge gronden direct langs de Maas gespaard bleven tijdens hoogwater wordt aangetoond door foto’s van dezelfde overstromingsperioden ter hoogte van de huidige Markt. Daarop is duidelijk te zien dat delen zijn weggeslagen. Ook tijdens het onderzoek Grotestraat-Bergbezinkbassin is gebleken dat delen van hoger gelegen gronden ter hoogte van Het Zand zijn verspoeld. De Maas bleef dus tot relatief kort geleden het landschap beïnvloeden.
2.1.2
Plangebied14
n Geomorfologische kaart
Op de geomorfologische kaart van Nederland (afb. 2.2) is het plangebied weliswaar niet gekarteerd, maar door extrapolatie van het omliggende, wel gekarteerde gebied kan worden aangenomen dat het plangebied in een zone met terraswelvingen (legenda-eenheid 3L28) met daar doorheen geulen (legenda-eenheid 2R10) ligt.15 n Bodemkaart
13 Van der Beek & Isarin 1990, fig. 13. 14 Uit Kimenai & Ball 2017. 15 Geomorfologische kaart van Nederland. 16 Bodemkaart van Nederland.
17
Op de bodemkaart van Nederland16 is het plangebied vanwege de oorspronkelijke ligging buiten de bebouwde kom van Cuijk wel geclassificeerd (afb. 2.3). Volgens de bodemkaart komen in het plangebied ooivaaggronden voor (Krd1), die zich hebben ontwikkeld in lichte zavel (Hochflutlehm). Ooivaaggronden zijn kalkrijke of kalkloze klei-, leem- of zavelgronden met een dunne humushoudende bovengrond (A-horizont tot 30 cm). Deze lichtbruin tot bruingrijs gekleurde A-horizont ligt op een bruine, goed gehomogeniseerde en poreuze Bw-horizont. Daaronder bevindt zich de licht gekleurde en soms nog sterk
Cuyk, Merlet College
188500
189000
189500
190000
Afbeelding 2.2 Het plange-
190500
bied geprojecteerd op de
4E44H
415000
415000
22R41L
2M93E
22R41H
414500
414500
415500
415500
geomorfologische kaart.
3L41yd 22R43 188500
189000
4L91 190000
189500
190500
plangebied 22R41H:Rivierdalbodem 22R41L:Rivierdalbodem 22R43:Restgeul 2M93E:Vlakte ontstaan door afgraving of egalisatie 3L41yd:Terrasafzettingswelvingen 4E44H:Dalvlakteterras 4L91:Storthopen met grind-, zand-, kleigaten of ijzerkuilen 0
1 km A-20.0350© BAAC
textureel gelaagde ondergrond die nog weinig door bodemvorming is veranderd (C-horizont). De grondwaterstand is meestal laag. Het grootste deel van het terrein valt in een goed-ontwaterde zone die gekarteerd is onder grondwatertrap VIII. Dit wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand op meer dan 140 cm beneden maaiveld ligt. Voor het noordelijke deel van het terrein is geen grondwatertrap vastgesteld. In het uiterste oosten van het plangebied, ten oosten van de Grotestraat, is sprake van een dijk, waarvoor ook geen grondwatertrap is vastgesteld. Verwacht mag worden dat de grondwaterstand hier niet verschilt van het gebied ten westen van de dijk. n Het Actueel Hoogebestand Nederland (AHN)
Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, afb. 2.4) is te zien dat het plangebied relatief hoog ligt. Deze hoge ligging zou het gevolg kunnen zijn van ophoging, zo wordt gesteld in Kimenai & Ball (2017).17 Binnen het plangebied is de maaiveldhoogte overal nagenoeg gelijk. Deze ligt steeds rond de 11,8 à 11,85 m + NAP. Het geëgaliseerde karakter is typerend voor een bebouw terrein. Ook mede vanwege de relatief kleine schaal van het terrein is de hoogtekaart binnen het plangebied weinig betekenisvol. De data van het AHN zegt in dit geval ook weinig over het paleoreliëf van landschappen die met eventueel aanwezige vindplaatsen zouden samenhangen.
Opgraving
17 Kimenai & Ball 2017, 17.
18
Afbeelding 2.3 Uitsnede van
188500
189000
189500
190000
190500 bEZ30
land (bron: Bodemkaart van
Rn95C
|h BEBOUW
415000
Rd90C
KRn1 |g WATER
Rn67C
Rd10C
|h DIJK
KRn2 414500
KRd1
414500
415000
415500
Nederland).
415500
de bodemkaart van Neder-
Zb30 188500
189000
189500
190000
190500
plangebied bEZ30 Hoge bruine enkeerdgronden; grof zand Zb30 Vorstvaaggronden; grof zand Rn95C Kalkloze poldervaaggronden; zware zavel en lichte klei, profielverloop 5 KRn1 Poldervaaggronden; lichte zavel KRn2 Poldervaaggronden; zware zavel KRd1 Ooivaaggronden, lichte zavel Rn67C Kalkloze poldervaaggronden; zavel en lichte klei, profielverloop 3, of 3 en 4 Rd90C Kalkloze ooivaaggronden; zware zavel en lichte klei Rd10C Kalkloze ooivaaggronden; lichte zavel Water Bebouwing Dijk
0
1 km A-20.0350© BAAC
n Booronderzoek18
18 Gebaseerd op Exaltus 2020. 19 Er is geen datering van deze laag, maar volgens Exaltus 2020 betreft dit pakket waarschijnlijk de laag van Wijchen, die is gevormd als een overstromingsafzetting. 20 Exaltus 2020 vermeldt hier de zuidoosthoek, maar op basis van zijn boorgegevens en advieskaart komt steeds de zuidwesthoek naar voren (o.a. Exaltus 2020, 14, figuur 9).
19
Uit de resultaten van het met een guts verrichte verkennende booronderzoek (18 verkennende boringen) blijkt dat de bodem binnen het grootste deel van het plangebied uit een overstromingspakket (niet gedateerd)19 bestaat dat is opgebouwd uit sterk kleiig zand en sterk zandige klei met direct daarboven een dik pakket geroerde grond dat waarschijnlijk is ontstaan bij het bouwrijp maken van het terrein voorafgaande aan de bouw van de schoolgebouwen. In het zuiden van het plangebied bestaat de bodem uit dekzand waarin plaatselijk podzolvorming lijkt te hebben plaatsgevonden. Vooral in de zuidwesthoek20 van het plangebied is een nog grotendeels intacte dekzandbodem aangetroffen waarin plaatselijk houtskool voorkomt. Hier is de bodem over het algemeen ook aanmerkelijk minder diep verstoord dan op de overige delen van het plangebied.
Cuyk, Merlet College
190000
Afbeelding 2.4 Ligging van
190500
416500
189500
het plangebied op de AHN (bron: AHN.nl).
415500 415000 414500 414000
414000
414500
415000
415500
416000
416500
189000
416000
188500
188500
plangebied
189000
189500
190000
190500
hoogte in m +NAP 16,00 9,00
Opgraving
0
1 km A-20.0350© BAAC
20
21 Voor een volledig beeld van prehistorie tot moderne tijd ten opzichte van het plangebied: Kimenai & Ball 2017, 21-42. Zie ook Habermehl & Van Renswoude 2017. 22 Koeling 2002. 23 Verhart & Wansleeben 1990, 1992. 24 Habermehl & Van Renswoude 2017. 25 O.a. Ball, Arnoldussen & Van Hoof 2001; Ball & Heirbaut 2005; Roessingh & Vanneste 2009. 26 Janssens 2010. 27 Ook bekend als PadbroekVossenhol. Archis 3, zaakidentificatie 2870213100, opgravingen van het RMO; Koeling 2014. 28 Habermehl & Van Renswoude 2017; Van Enckevort & Thijssen 1998; Elbers e.a. 1992. 29 Kimenai & Ball 2017, 21-42. 30 Van Berkel en Samplonius 2006. 31 Kimenai & Ball 2017, 22. 32 Ball & Heirbaut 2005, 13; De Ridder 1994.
21
2.2
Bewoningsgeschiedenis
2.2.1
Inleiding
Kimenai & Ball hebben in 2017 een zeer uitgebreid bureauonderzoek uitgevoerd waarbij het terrein van het Merlet College deel uitmaakte van het destijdse onderzoeksgebied. Deze paragraaf behandelt de hoofdpunten van het archeologische en historisch kader. De hoofdpunten zijn bijna geheel overgenomen uit dit bureauonderzoek en waar mogelijk geactualiseerd.21 Uit het tot nu toe uitgevoerde onderzoek blijkt dat het Maasdal bij Cuijk een zichtbare, continue gebruiks- en bewoningsgeschiedenis kent vanaf het laat paleolithicum/mesolithicum.22 De aantrekkingskracht van Cuijk en omgeving is gebaseerd op de gunstige morfologische ligging op een knooppunt van landen waterwegen, zoals een oversteekplaats in de Maas en de overgang van een ingesneden rivierdal naar een breed uitwaaierend riviersysteem. Uit het laat-paleolithicum en het mesolithicum (35.000 – 5300 v. Chr.) zijn binnen de gemeente Cuijk diverse vuurstenen artefacten en enkele haardkuilen bekend van rondtrekkende jagers en verzamelaars. Uit het neolithicum (5300 tot 2000 v. Chr.) zijn zowel tijdelijke jacht- en/of verzamelaarskampementen als nederzettingslocaties bekend. Bekende vindplaatsen liggen onder andere in de microregio Linden23, Cuijk-De Nielt24 (kuilen, aardewerk en bewerkt vuursteen) en in het centrum van Cuijk (grafheuvels en vlakgraven met Klokbeker aardewerk).
In deze periode werden boerderijen gebouwd, akkers aangelegd en heeft men gronden voor het houden van vee. De invloed van de mens op de natuur was destijds nog bescheiden. Gedurende de bronstijd en de ijzertijd (2000 tot 12 v.C.) ontstonden grootschaligere nederzettingsarealen met daarbij akkers en grafheuvels of grafvelden. De invloed van de mens op het landschap wordt in deze periode duidelijk zichtbaar. Voorbeelden van nederzettingen uit deze perioden zijn onder andere aangetroffen bij de Heeswijkse Kampen25, De Nielt, Groot Heiligenberg26 en Vossenhol.27 Bewoningsresten zijn ook ontdekt bij onderzoek aan de Grotestraat28. Crematiegraven uit de late bronstijd en de ijzertijd kennen we onder meer uit onderzoek bij de St. Martinuskerk en van diverse locaties in de Heeswijkse Kampen. Bovendien is een inhumatiegraf uit de midden-ijzertijd op het terrein van Nutricia aangetroffen.29 Gedurende de Romeinse tijd (12 v.C. tot 450 n.C.) lag Cuijk, destijds bekend onder de naam Ceuclum,30 in de Romeinse grensprovincie Germania Inferior. Ceuclum lag langs de weg die Tongeren over Blerick met Nijmegen verbond en aan de weg naar Xanten die langs de Niers liep. Ceuclum bestond in de loop van de 1e eeuw tot en met ten minste een deel van de 3e eeuw uit een vicus. Mogelijk was in de 1e eeuw een militair fort aanwezig.
In de 4e eeuw is een castellum (militaire legerplaats) gebouwd, evenals een brug over de Maas. Tijdens archeologisch onderzoek zijn behalve de resten van het castellum en de brug ook onder andere een badhuis31 en tempels aangetroffen.32 Van het vroegmiddeleeuwse Cuijk wordt verondersteld dat het bestaat uit verspreid liggende gebouwen rond het verlaten Castellum. In de 12e/13e eeuw heeft het centrum van Cuijk zich ontwikkeld tot een burcht waar de heren van Cuijk zetelden. Bij opgravingen in andere centrumlocaties zijn uit deze
Cuyk, Merlet College
189.500
189.600
415.100
415.100
189.400
Afbeelding 2.5 Uitsnede van het kadastrale minuutplan, opgetekend tussen 1811 en 1832. De rode lijn geeft het
414.900 414.800 414.700
414.700
414.800
414.900
415.000
415.000
plangebied aan.
189.400
189.500
189.600
Cuijk, Merlet College
Ligging plangebied op kadastrale kaart 1811-1832 plangebied
N 0
100 m A-20.0350© BAAC
Opgraving
22
periode de resten van een tufstenen keldermuur gevonden. Op basis hiervan mag worden aangenomen dat het bewoningscentrum zich concentreerde rond het centraal kerkelijke en bestuurlijke machtscentrum, waarbinnen de handel op de Maas een belangrijke rol speelde. In de nieuwe tijd (1500-1850 na Chr.) en in de nieuwste tijd (vanaf 1850 na Chr.) ontwikkelt Cuijk zich tot regionaal agrarisch industrieel centrum. Belangrijke activiteiten zijn de leerbewerking en de vleesverwerking. Hieronder wordt dieper ingegaan op enkele kaarten en archeologische bronnen die relevant zijn voor het plangebied.
2.2.2
Historie
Om een beeld te vormen van het historisch gebruik van het plangebied vormt historisch kaartmateriaal een goed uitgangspunt. Kimenai & Ball (2017) hebben uitgebreid onderzoek gedaan naar meerdere kaarten die terug gaan tot de 19e eeuw en in één geval zelfs tweede helft van de 18e eeuw. Deze paragraaf behandelt beknopt hun bevindingen die relevant zijn voor het plangebied Merlet College. Uit die kaarten blijkt dat net ten oosten van het plangebied, aan de westzijde van de Grotestraat, als sinds de 18e eeuw een erf is aangegeven. Deze bewoning staat ook op het kadastrale minuutplan van 1811- 1832 (afb. 2.5). De zone ten westen daarvan lijkt in deze periode in gebruik is als bouwland. Op deze kaart is te zien dat de huidige Grotestraat is weergegeven als de ‘Weg van Cuijk naar St. Agatha’. De weg ligt op een dijk. Flankerend aan de westzijde van het plangebied is een zuidwestelijke aftakking van de Grotestraat opgetekend die dood lijkt te lopen, maar mogelijk ging de weg hier over in een kleiner pad dat niet op de kaart is gezet. Op de kaart van 1893 is namelijk te zien dat deze straat wel doorloopt en aftakt naar het westen en naar het zuiden (afb. 2.6). Dit staat op de kaart aangegeven als toponiem ‘Het Hagelkruis’. Kimenai & Ball (2017) tonen aan dat deze naam al aangegeven staat op de Trancotkaart uit 1804.
Daarop zijn diverse wegen aangegeven die aftakken vanaf de Grotestraat en samenkomen bij het Hagelkruis direct ten westen van het plangebied. Een hagelkruis is een wegkruis dat geplaatst werd bij kruispunten van landwegen. In de 20e eeuw wordt het terrein nog lang ontzien terwijl Cuijk zich volop ontwikkelt. Maar aan het einde van de jaren ’80 wordt in het plangebied het Merletcollege gebouwd. Kort voor aanvang van dit proefsleuvenonderzoek werd het schoolgebouw gesloopt.
2.2.3
33 Overgenomen uit Kimenai & Ball 2017, 31-45.
23
Archeologie33
Zowel het centrum als het buitengebied van Cuijk is rijk aan archeologische vondsten. In en rondom Cuijk kennen we sporen en artefacten die dateren vanaf het laat-Paleolithicum tot en met de postmiddeleeuwse periode. Vooral vindplaatsen uit de metaaltijden en de Romeinse tijd zijn talrijk. Rondom het hier behandelde plangebied spelen vooral Romeinse en middeleeuwse vindplaatsen een rol, maar ontbreekt het bepaald niet aan sporen en vondsten uit de prehistorie. Het centrum van Cuijk is archeologisch voornamelijk bekend geworden door verschillende opgravingscampagnes, door de meldingen die voortkomen uit schatgraverij en door de oplettendheid van lokale archeologen bij bouwwerkzaamheden.
Cuyk, Merlet College
189.250
189.500
Afbeelding 2.6 Uitsnede van
189.750
plangebied aan.
414.500
414.750
415.000
415.250
415.500
1893. De rode lijn geeft het
414.250
414.250
414.500
414.750
415.000
415.250
415.500
de topografische kaart van
189.250
189.500
189.750
Cuijk, Merlet College
Ligging plangebied op historische kaart rond 1893 plangebied
N 0
500 m A-20.0350© BAAC
Opgraving
24
n Beleid
Over het algemeen zijn in Nederland op verschillende niveaus (landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk) archeologische (verwachtings-)kaarten opgesteld. Het huidige beleid, dat van toepassing is op het plangebied, is gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidskaart (afb. 2.7).34 Hierop is het gebied gekarteerd als ‘waarde – archeologie 5’. In het bijbehorende archeologisch beleidsplan is te lezen dat voor deze gebieden een hoge archeologische verwachting geldt. In het beleidsplan is vastgelegd dat voor ontwikkelingen met een oppervlakte groter dan 2500 m2 en een diepte groter dan 50 cm beneden maaiveld, een onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden noodzakelijk is. n Archeologische monumenten
In de directe omgeving van het plangebied ligt een terrein die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) als monument is aangemerkt (zwarte omlijning, afbeelding 2.7, tabel 2.1). Het gaat om AMK terrein 15716: terrein met sporen van bewoning uit het Midden- en Laat Neolithicum, de Brons- en IJzertijd, de Romeinse periode en de Vroege- en Late Middeleeuwen. Bovendien een Romeinse fortificatie en de Motte van de Heren van Cuijk. Wat verder weg, maar nog binnen straal van een kilometer ten opzichte van het plangebied, zijn nog twee monumenten te vinden. Het betreft de volgende monumenten: AMKterrein
Afstand tot plangebied
Status
Datering
Opmerkingen
9389
900 m west
hoge archeologische waarde
Romeinse tijd, vroege middeleeuwen
Grafveld uit de Romeinse tijd/vroege middeleeuwen.
13979
750 m noord
zeer hoge archeologische waarde, beschermd
Laat-Romeinse tijd
Resten van een brug uit de Romeinse tijd
15716
300 m noord
hoge archeologische waarde
midden neolithicum A-late middeleeuwen, Romeins
Terrein met sporen van bewoning uit het Midden- en Laat Neolithicum, de Brons- en IJzertijd, de Romeinse periode en de Vroege- en Late Middeleeuwen. Bovendien een Romeinse fortificatie en de Motte van de Heren van Cuijk.
Tabel 2.1 AMK-terreinen in de omgeving van het plange-
n Archeologische onderzoeken
bied.
Zoals al uit voorgaande paragrafen is gebleken, is binnen de bebouwde kom van Cuijk is in het verleden een groot aantal archeologische onderzoeken uitgevoerd (zie afb. 2.7). Deze variëren van kleinschalige booronderzoeken tot opgravingen. In Kimenai & Ball 2017 is een lijst opgenomen van onderzoeken die vlakbij het plangebied hebben plaatsgevonden. Het zou te ver voeren de resultaten van alle onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied (binnen een straal van 500 m) hier nog eens te bespreken. In Cuijk hebben sinds dit bureauonderzoek van 2017 meerdere onderzoeken plaatsgevonden. Geen daarvan bevonden zich in een straal van 500 m rondom het plangebied.35 Het eerstvolgende onderzoek is het boorproject voorafgaand aan de proefsleuven binnen plangebied Merlet College, in november 2020 (Archis zaakidentificatienummer 4756883100).
34 Archeologische beleidskaart gemeente Cuijk 2009. Voor het Maasdal is een regionale archeologische verwachtingskaart opgesteld. Het plangebied valt hier buiten. 35 archis.cultureelerfgoed.nl
25
Cuyk, Merlet College
! !
!
!
! !
! !
! ! !
! !
! ! !
!
!
! ! ! !
! !
!!
415500
!
! ! ! !
!
!
! !
!
! !! !!
!
!
!
189000
189500
190000
!
2158118100 ! ! ! 2788729100 ! 4564467100 2925253100 3121937100 3121929100 3979323100 ! 2921162100 ! ! 2034941100 28825341002875552100 2881108100 ! ! 2058342100 !! 3122358100 2051213100 !
dingen en archeologische monumenten, geprojecteerd
2415122100
op de archeologische beleids-
2179113100
kaart van de gemeente Cuijk.
2373643100 4894623100 4723242100
3122390100 2374259100 ! ! !
! !
Afbeelding 2.7 Archismel-
415500
!
2772439100 ! 2145263100 2295381100 ! 2283125100 2010487100 ! ! 2921624100 2950899100 4763540100 ! ! 2921154100 !2178539100 2019527100 ! ! 2881440100 2881951100 2356771100 2275033100
415000
415000
4578756100 4756883100
2367999100 2353628100 !
2921251100 ! 4756883100 4924082100 2056852100
2305505100 2295357100 2423911100
!
!
2682934100 3032715100
414500
414500
4015667100 2467628100 2467611100
2880200100 !
189000
2769037100 ! 189500
!
190000 !
plangebied
!
!
AMK-terrein !
vondstlocatie !
onderzoeksgebieden met zaakidentificatienummer
!
! !
!
!
!
! ! !
! !
!
! !
!
!
!
!
0
250 m A-20.0350© BAAC
Opgraving !
26
De bekendste archeologische resten uit het centrum van Cuijk stammen uit de Romeinse tijd. Cuijk was in een groot deel van de Romeinse tijd een belangrijk regionaal centrum. De nederzetting uit die periode heette Ceuclum, zoals vermeld staat op de Tabula Peutingeriana, een middeleeuwse kopie van een Romeinse wegenkaart. De vicus uit de Romeinse tijd ligt enkele honderden meters ten noorden van het huidige plangebied.36 Behalve de militaire en burgerlijke gebouwen uit de Romeinse tijd zijn in en nabij het huidige centrum van Cuijk ook grote hoeveelheden begravingen uit die periode bekend. Voor de inkadering van dit onderzoek is het relevant om het Romeinse grafveld van vicus Ceuclum nog kort te benoemen (zie resultaten hoofdstuk 3 en conclusie hoofdstuk 5): n Ligging van het grafveld37
36 Kimenai & Ball 2017, 34-35. 37 Gebaseerd op Kimenai & Ball 2017. 38 Geraeds 2006. 39 Kemme 2014 (2374259100), Ball 2006 (2034941100). 40 Ball & Heirbaut 2005 (2051213100). 41 Het is dan ook de vraag of we hier met slechts één groot grafveld, of meerdere kleinere en ruimtelijk gescheiden grafvelden te maken hebben.
27
Het grafveld van Ceuclum strekte zich uit langs het tracé van de Romeinse weg aan de zuidzijde van de militaire en burgerlijke nederzetting en loopt in ieder geval door tot vlakbij het plangebied. Het heeft daarmee een lengte van tenminste zo’n 500 m. Het is echter niet uitgesloten dat het grafveld zich nog veel verder uitstrekt, al dan niet aaneengesloten en daarom tot in, of zelfs voorbij plangebied Merlet College reikt. Direct ten zuiden van het Nutriciaparkeerterrein is namelijk recentelijk nog een graf opgegraven (zie hieronder), maar op zo’n anderhalve kilometer verder in zuidelijke richting zijn eveneens begravingen aanwezig. Tijdens het onderzoek op de locatie Messemaker, direct ten zuiden van de bebouwde kom van Cuijk, zijn eveneens aanwijzingen voor Romeinse begravingen aangetroffen.38 Hieruit blijkt dat groepen graven zich ook nog ten zuiden van het nu bekende grafveldareaal zullen bevinden, al behoren zij mogelijk tot andere grafvelden/grafgroepen. Archeologisch onderzoek binnen plangebied Merlet College kan een aanmerkelijke bijdrage leveren aan de kennis van het grafveld.
Opvallend is dat het grafveld op verschillende plaatsen ten westen van de huidige Grotestraat is waargenomen, maar niet bij onderzoek dat ten oosten daarvan is uitgevoerd.39 Het lijkt er dus op dat toen het grafveld in gebruik was, er sprake was van een duidelijke begrenzing van de zone waar begraven kon/mocht worden. Het is niet duidelijk of deze begrenzing al dan niet fysiek in het landschap aanwezig was. Uit onderzoek is gebleken dat zich binnen het grafveld tussen de zones met begravingen ook anders ingerichte of lege zones bevinden. Bij een verkennend onderzoek naast de huidige Markt, middenin het bekende areaal van het grafveld, zijn in de vijf daar gegraven proefsleuven een aanzienlijke hoeveelheid losse vondsten, een aantal paalsporen, een ondiepe kuil en een greppel gekarteerd.40 Graven zijn hier echter vooralsnog niet aangetroffen.41
Cuyk, Merlet College
2.2.4
Archeologische verwachting
Het bureauonderzoek uit 2017 heeft geresulteerd in een gespecificeerde archeologische verwachting van een onderzoeksgebied waartoe ook het Merlet College behoord. Samenvattend kan de archeologische verwachting als volgt worden omschreven42:
Tabel 2.2 Verwachtingsschema.
Periode
Verwachting
Toelichting
Prehistorie
Hoge verwachting
De hoge verwachting geldt voor alle periodes (steentijd-ijzertijd), voor de relevante complextypen voor het gehele plangebied uit het bureauonderzoek.43 Eventueel aanwezige paleolithische resten zullen zich bevinden op relatief grote diepte.
Romeinse tijd
Hoge verwachting
De hoge verwachting geldt voor alle relevante complextypen en voor het voor het gehele plangebied uit het bureauonderzoek.44 Voor het grafveld geldt dat dit zich waarschijnlijk beperkt tot de zone ten westen van de Grotestraat. Bewoningssporen kunnen in het gehele plangebied aanwezig zijn. Het Romeinse wegtracé loopt van noord tot zuid door het plangebied. De aanwezigheid van zijwegen behoort tot de mogelijkheden.
Middeleeuwen
Hoge verwachting
De hoge verwachting geldt voor alle complextypen en voor het voor het gehele plangebied uit het bureauonderzoek.45
Nieuwe tijd
Hoge verwachting
De hoge verwachting geldt voor alle relevante complextypen en voor het gehele plangebied uit het bureauonderzoek.46 In het bijzonder dienen de erven die op kaartmateriaal vanaf de tweede helft van 18e eeuw te zien zijn, genoemd te worden.
Ter plaatse van het voormalige schoolgebouw is waarschijnlijk sprake van verstoring op grote schaal. Ondiepe sporen zullen waarschijnlijk zijn verdwenen. Diepere sporen kunnen nog wel aanwezig zijn. De verwachting kan voor dit deel van het plangebied worden bijgesteld naar laag. Het booronderzoek uit 202047 lijkt dit gegeven ter plaatse van de voormalige bebouwing te bevestigen. In het zuiden van het plangebied bestaat de bodem echter uit dekzand met op sommige plekken een deels intacte bodem waarin bovendien houtskool is aangetroffen. Daarom moet hier rekening gehouden worden met de eventuele aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten.48
42 43 44 45 46 47 48
Opgraving
28
Kimenai & Ball 2017, 55. Kimenai & Ball 2017. Kimenai & Ball 2017. Kimenai & Ball 2017. Kimenai & Ball 2017. Exaltus 2020. Van den Berg 2020, 10.
2.3
Onderzoeksvragen
In het programma van eisen (PvE) is het doel en de vraagstelling geformuleerd49: “Het doel van het proefsleuvenonderzoek is het bevestigen of uitsluiten van de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied, om de opgestelde archeologische verwachting te toetsen en eventueel aan te vullen. Indien archeologische resten aanwezig blijken is het doel om deze vrij te leggen, te documenteren, veilig te stellen, te ontsluiten (rapporteren) en toegankelijk te maken. Archeologische sporen worden doelgericht onderzocht om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden.” Deze onderzoeksvragen zijn als volgt in het PvE geformuleerd: “De belangrijkste vraagstelling betreft het toetsen van de archeologische verwachting. De vraagstelling is vertaald in een serie onderzoeksvragen: 1 Welke en hoeveel vindplaatsen zijn in het onderzoeksgebied te herkennen? 2 Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: a.
de ligging (inclusief diepteligging)
b.
de geologische en/of bodemkundige eenheid
c.
de omvang (inclusief verticale dimensies)
d.
het type en de functie van de sites of off-site-patronen
e.
de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia)
f.
Wat is, indien aanwezig, de ouderdom van de cultuurlaag?
g.
de vondst- en sporendichtheid
h.
de stratigrafie voorzover aanwezig
i.
de ouderdom, periodisering, typochronologische classificatie
j.
wanneer zijn de vindplaatsen in onbruik geraakt?
3 Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat? 4 is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaat(sen)? 5 Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio en Cuijk aanscherpen? Licht toe 6 Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving? 7 Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving? 8 Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is de reden voor de afwezigheid van archeologische resten?
49 Van den Berg 2020, 22.
29
Cuyk, Merlet College
9 Komen de resultaten van het onderzoek overeen met de archeologische verwachtingszone in het gemeentelijk beleid? 10 Heeft het huidige onderzoek consequenties voor de verwachtingskaart en de daaraan gekoppelde gemeentelijke beleidsadvieskaart? n Gaafheid en conservering van de vindplaatsen
11 Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? 12 In welke mate is het onderzoeksgebied verstoord? n Landschap en bodem
Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaatsen in historische perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: 13 Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied? 14 Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of nondepositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? 15 Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het onderzoeksgebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden? 16 In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein?” n Het PvE benadrukt dat voor dit onderzoek vragen uit de NOaA 2.0 relevant
zijn voor: -
“Periode: Romeinse tijd
-
Complextype: Bewoning
-
Onderwerp: Bewoning, Ontstaan en ontwikkeling van het (cultuur) landschap, Langetermijn perspectief, Mens-materiële cultuurrelaties”
Opgraving
30
2.4
Werkwijze
2.4.1
Veldwerk50
Het onderzoeksgebied heeft een totaaloppervlak van ca. 3204 m2.51 Voor het proefsleuvenonderzoek is uitgegaan van een dekkingsgraad van 10%, dus 320 m2 verdeeld over drie proefsleuven (tabel 2.3 en afb. 2.8). Het puttenplan is gebaseerd op een gelijke verspreiding binnen het onderzoeksgebied en infrastructurele beperkingen in de uitvoering (kabels, leidingen met eis voorzorgsmaatregel). Op voorhand is het plan voorgelegd aan en goedgekeurd door de opdrachtgever en bevoegd gezag. Tabel 2.3 Proefsleuven, vlakken en oppervlakte.
Werkput
Aantal vlakken
Oppervlak (m2)
1
1
80 (4 x 20 m)
2
1
80 (4 x 20 m)
3
1
160 (4 x 40 m)
Een uitgebreide beschrijving van de gehanteerde methoden en technieken is na te lezen in het programma van eisen. De methodologische hoofdlijnen en meest relevante onderzoeksmethoden voor het veldwerk zijn als volgt te formuleren: Vlakken zijn in aanwezigheid van de senior KNA-Archeoloog mechanisch laagsgewijs aangelegd met een gladde bak (afb. 2.9). Er is één opgravingsvlak aangelegd, naar bevinding van de senior KNA archeoloog. Bij de ontgraving is het vlak én stort afgezocht met een metaaldetector. Er is altijd een digitale vlaktekening gemaakt, ook wanneer geen grondsporen of structuurresten zichtbaar waren. Deze vlaktekening is altijd in het veld aanwezig geweest. Alle sporen, verstoringen en bodemverkleuringen zijn ingetekend en beschreven op de vlaktekeningen. Sporen zijn gecoupeerd en uitgewerkt naar inzicht van de senior KNA archeoloog en in voldoende mate om de onderzoeksvragen zo goed mogelijk te kunnen beantwoorden. Coupes zijn gefotografeerd. In de proefsleuven zijn profielkolommen om de 10 meter getekend en gefotografeerd. Spoorvondsten (in dit geval voornamelijk monsters) zijn per spoorvulling verzameld. Metaalvondsten zijn individueel ingemeten en verzameld. Vlakvondsten zijn in vakken van 4 bij 5 meter verzameld.
50 Gebaseerd op Van den Berg 2020. 51 Van den Berg 2020, 25. 52 CCvD 2018. 53 PvE: Van den Berg 2020; PvA: Emaus 2020.
31
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd volgens de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA)52, het PvE en het PvA.53 De opgravingsdocumentatie bevindt zich momenteel bij de BAAC-vestiging te ’s-Hertogenbosch. Te zijner tijd zal dit worden overgedragen aan het Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant.
Cuyk, Merlet College
Afbeelding 2.8 Puttenplan.
415.000
189.500
415.000
189.400
!
301
!
!
202
2
3 !
!
302
414.900
414.900
!
201
303
102
1
414.800
101
414.800
!
Esri Nederland, Community Map Contributors 189.400
189.500
Cuijk, Merlet College Puttenplan
plangebied onderzoeksgebied !
locatie profiel
N 0
50 m
puttenplan A-20.0350© BAAC
Opgraving
32
Afbeelding 2.9 Impressie van het veldwerk bij aanvang van de werkzaamheden.
2.4.2
Uitwerking
Na afloop van het veldwerk is onder leiding van de projectleider de uitwerking gestart. De digitale veldtekeningen zijn hiertoe verwerkt tot kaarten en op basis hiervan zijn de sporen geanalyseerd. De vondsten zijn gewassen, gedroogd en gedetermineerd. De betrokken materiaalspecialisten zijn aangegeven in tabel 2.4. Vervolgens is onderhavig rapport opgesteld, waarin de resultaten van het proefsleuvenonderzoek beschreven zijn. Naar aanleiding van de resultaten zijn een waardering van de archeologische waarden en een advies met betrekking tot vervolgonderzoek opgesteld. Alle afbeeldingen in deze rapportage zijn door BAAC gemaakt, tenzij anders vermeld. Tabel 2.4 Betrokken mate-
materiaal
specialist
riaalspecialisten.
Steen
P. Kubistal
Handgevormd aardewerk
S. van As
Gedraaid aardewerk
A. Kenada
Dierlijk bot
J. Aal
Metaal
M. Hendriksen
33
Cuyk, Merlet College
Afbeelding 3.1 Profiel 101.
Afbeelding 3.2 Profiel 201.
Opgraving
34
3
Resultaten
3.1
Bodemopbouw
3.1.1
Bodemprofielen proefsleuf 1
Ter hoogte van profiel 101, in het zuidenwesten van het onderzoeksgebied, is onder een verstoorde bovenlaag (ca. 0,64 m – mv; ca. 11,2 + NAP) een dik pakket van zandige leem aangetroffen dat door bodemkundige processen is verbruind (afb. 3.1).54 Dit pakket wordt naar beneden toe lichter. Vanaf ca. 11 m + NAP gaat die laag diffuus over naar een gele C-horizont die op sommige plekken leemrijker is dan op andere plekken (zandiger). Dit niveau is het niveau (ca. 10,7 à 10,6 m + NAP) waarop een archeologisch spoor is herkend. Van zuid naar noord loopt het niveau van het sporenvlak iets op (naar ca. 10,75 m + NAP). In het noorden van proefsleuf 1 is de bodemopbouw nagenoeg gelijk. De verstoorde bovengrond is hier zeer lokaal iets minder dik, maar de verstoorde bovengrond reikt hier nagenoeg tot hetzelfde niveau. Aan de oostkant van de put is de bodem lokaal verstoord door plant-/ boomgaten.
3.1.2
54 In dit niveau zijn bij het verdiepen van het vlak vanaf ca. 11 m + NAP herhaaldelijk archeologische indicatoren aangetroffen. Deze variëren van veel houtskoolinsluitsels, vergruisde verbrande (antropogene maar ondetermineerbare) leembrokjes tot enkele fragmenten aardewerk en botfragmenten. Dit profiel is overeenkomstig met de bevindingen van Exaltus (2020, bv. boring 10) in deze hoek van het onderzoeksgebied.
35
Bodemprofielen proefsleuf 2 en 3
In de noordelijke proefsleuven 2 en 3 is de bovengrond steeds tot net op of onder 11,4 m + NAP recentelijk verstoord (afb. 3.2). Onder dit verstoringspakket van ca. 30 à 40 cm is vaak nog een dun zandig en mangaanrijk bruin leempakket te zien dat op sommige plekken in proefsleuf 3 wat kleiiger is. Wegens het ontbreken van bodemvorming in deze natuurlijke laag, lijk het er op dat een groot deel van het oorspronkelijke profiel is afgetopt. Dit pakket manifesteert zich bovenop een dik gelamineerd pakket van zand, leem en klei laagjes (vanaf ca. 11,2 m + NAP). Deze gelaagdheid duidt op rivierafzettingen, met verschillende mate van activiteit waarbij, afhankelijk van de stromingsenergie, verschillende soorten sedimenten konden worden afgezet. Vanaf ca. 10,6 m + NAP is in het zuiden van proefsleuf 2 een pakket scherp grof zand aangesneden (bedding). In put 2 en 3 zijn de bodemlagen qua archeologische resten schoon. Hier zijn geen verspoelde archeologische resten aangetroffen.
Cuyk, Merlet College
189.425
189.450
189.475
Afbeelding 3.3 Sporenkaart van dit proefsleuvenonder-
414.900
414.900
zoek.
2823
414.850
414.850
414.875
414.875
3823
414.825
414.825
1820
1001
189.425
189.450
189.475
Cuijk, Merlet College Allesporenkaart kuil natuurlijke laag
N
natuurlijke verstoring recente verstoring
0
25 m A-20.0350© BAAC
Opgraving
36
3.2
Sporen
3.2.1
Inleiding
In het plangebied zijn slechts drie spoornummers uitgedeeld (afb. 3.3 – 3.5, tabel 3.1). Hiervan is één spoor archeologisch relevant: een kuil, spoor 1001, te proefsleuf 1. Dit spoor bevindt zich in het zuidwesten van het terrein. De overige sporen zijn niet archeologisch relevant: in put 1 zijn drie grote plantkuilen aangetroffen. In put 2 en 3 zijn recente verstoringen aangetroffen die duidelijk verband houden met het schoolgebouw dat kortgeleden werd gesloopt. Tabel 3.1 Aard spoor naar
aard spoor
aantal
datering
aantal en datering.
Kuil
1
Romeinse tijd, 1e of begin 2e eeuw. Ua-69099: 1947 ± 28 BP
Natuurlijk spoor
3
n.v.t
Recent
2
n.v.t.
3.2.2
Kuil S1001
n Vorm, afmetingen, opvulling
Kuil S1001 is aangetroffen in het zuiden van proefsleuf 1, in het zuidwesten van het plangebied. De kuil toont zich in het vlak rechthoekig van vorm, met afgeronde hoeken (afb. 3.5a). Het spoor is 1,6 m lang en 1 m breed. In het vlak zijn twee vullingen te onderscheiden, waarvan de vulling langs de rand veel houtskoolinsluitsels en verbrande leembrokken bevat. De kuil is 30 cm diep en heeft een vlakke bodem. Net als langs de insteek is de bodem van de kuil houtskoolrijker dan de kern. Op de bodem is een derde vulling te onderscheiden, vanwege de asgrijze kleur van de vulling (afb. 3.5b). De natuurlijke grond langs de insteek vertoont wat verkleuring. De grond is hier iets roder, wat een aanwijzing is voor verhitting in de kuil. n Interpretatie
Vanwege de relatief korte afstand ten opzichte van de Grotestraat (ca 150 m), waarlangs zich ter hoogte van Merlet College mogelijk een grafveld bevind, en vanwege de opvulling van de kuil, werd bij aantreffen van het spoor rekening gehouden met een graf, of een grafveld-gerelateerd spoor. Tegelijkertijd kon een functie als houtskoolmeiler niet uitgesloten worden. Daarop is het spoor per vulling en segment bemonsterd en gezeefd om deze hypothese te toetsen. Tot slot werd een houtskoolmonster verzameld voor een koolstofdatering (14C).55 n Zeefresidu
55 Het houtskool is geselecteerd door botanisch specialist dr. Radek Grabowski. Hiervoor is een geschikt twijgfragment geselecteerd van maximaal drie jaar oud.
37
Bij het zeven zijn geen botfragmenten in het residu aangetroffen, waardoor een functie als grafkuil vervalt. Vanwege de specifieke (vlakke, relatief ondiepe) vorm van de kuil wordt een houtskoolmeiler vermoed, eerder dan een “gewone” afvalkuil met verbrande resten van een kookvuur. Het residu bevatte uitsluitend houtskool- en verbande leemfragmenten. De houtskoolresten vormden een mogelijk aanknopingspunt tot een verdere herleiding van de functie van het spoor.
Cuyk, Merlet College
Afbeelding 3.4 Sporenkaart
189430
van proefsleuf 1.
414830
414830
414820
414820
189430
Cuijk, Merlet College Proefsleuf 1 Profiel Sporenkaart Kuil Natuurlijke bodem Natuurlijk spoor © BAAC
Opgraving
38
n Quickscan houtskool (dr. R. Grabowski)
Deze paragraaf betreft een quickscan van de houtskoolresiduen van vier monsters uit spoor S1001. Het doel van de scan is om te beoordelen of een houtskoolanalyse informatie kan opleveren over de functie van het spoor. Een expliciete vraag is of het om een houtskoolmeiler gaat, of een grafveld gerelateerde, houtskoolrijke kuil. De monsters bevatten verschillende hoeveelheden houtskool: vnr. 6, vulling 1; ca. 100 fragmenten in de >2mm fractie. vnr. 7, vulling 2; ca. 200 fragmenten vnr. 8, vulling 2; >200 fragmenten vnr. 10, vulling 3; ca. 75 fragmenten Eik (Quercus sp) is de enige, tot nu toe, aangetroffen boomsoort. Bij de quickscan blijken fragmenten van stamhout dominant te zijn. Daarnaast laten meerdere fragmenten redelijk smalle jaarringen zien, wat een aanwijzing kan zijn voor bomen die óf in een dicht bos hebben gestaan, óf meerdere jaren onder stress hebben gegroeid (te droog, te nat, gesnoeide bomen, etc.). Uit deze quickscan is de functie van het spoor niet te herleiden. Eik is namelijk de algemeenste boomsoort waarvan houtskool in meilers werd geproduceerd. Helaas is eik ook één van de algemeenste boomsoorten in crematiegraven.56 Een uitgebreid houtskoolonderzoek zou mogelijk, in bepaalde mate, een bijdrage kunnen leveren aan de herleiding van de functie van dit spoor, maar niet zonder integratie met andere datasets.
Daarnaast blijft de bewijsvoering voor de functie van de kuil vrij indirect. Bij een dergelijk onderzoek wordt de samenstelling (qua soorten) van het monster precies beschreven. Daarnaast wordt beoordeeld welke delen van de bo(o)m(en) gebruikt zijn geweest. Er wordt dan gekeken naar kwalitatieve sporen die de toestand van het hout vóór en tijdens verkoling kunnen belichten (bijvoorbeeld tekens van gebruik van vers of dood hout). Dit onderzoek gaat echter niet de functie van het spoor volledig ophelderen. Om dit te doen zouden de resultaten van het houtskoolonderzoek en andere data over het spoor - zoals de afmetingen, vorm, vullingsmorfologie, tekens van in situ vuurgebruik, etc. - vergeleken moeten worden met relevante, eerder opgegraven, soortgelijke kuilen uit de omgeving waarvan de functie duidelijker was. n Datering
Tandem Laboratories uit Uppsala heeft een monster van geschikt houtskool gedateerd. Dit genereerde een meest waarschijnlijke datering in de 1e eeuw of begin 2e eeuw na Chr. (afb. 3.6): 1947 ± 28 BP. Deze uitkomst geeft een gekalibreerde datering tussen 32 v. Chr. en 201 na Chr. (95,4% waarschijnlijkheid). Afb. 3.6 laat zien dat binnen deze range de meest waarschijnlijke uitkomst tussen 59 en 120 na Chr. ligt.
56 Zie bijvoorbeeld Deforce & Haneca 2012. Zie ook de analyse van het houtskool van grafveld Helmond Kranenbroek, door K. Häninnen en C. Vermeeren (BIAX) in: Van As & Van der Linde 2018, 96-97.
39
Cuyk, Merlet College
Afbeelding 3.5 a) Vlakfoto van spoor 1001. b) Coupe van spoor 1001.
Afbeelding 3.6 De resultaten van de koolstofdatering van houtskoolfragmenten uit kuil S1001.
Opgraving
40
Tabel 3.2 Resultaat van de 14C
Labnumber
Sample
δ13C‰ V-PDB
14C BP
SD 1σ
analyse.
Ua-69099
A-20.0350 Cuijk vnr. 8
-24.9
1947
28
n Vergelijking met Helmond – Kranenbroek
Verdere context van een vindplaats rondom spoor 1001 ontbreekt, maar tegelijkertijd moet de nabije locatie van het grafveld onder/ naast de huidige Grotestraat meegewogen worden.57 Enerzijds is het mogelijk dat het spoor een houtskoolmeiler betreft in de periferie van Ceuclum. Andere vergelijkingen zijn bekend van de periferie van grafveld Helmond – Kranenbroek. In het westen van die vindplaats, net buiten de zone met inheems - Romeinse graven, zijn verschillende soortgelijke houtskoolrijke kuilen aangetroffen (spoor 15.1, 5.1, 5.2 en 13.51).58 Ook deze sporen zijn voornamelijk rechthoekig en zo’n 1,5 tot 2 meter lang (afb. 3.6). Ook hier zijn de kuilen op de bodem vlak en ook vrij ondiep, maar op deze vindplaats is de bovenlaag van het oorspronkelijke bodemprofiel dan ook fors verstoord. De kuilen zijn hier geïnterpreteerd als behorend tot het grafveld. Deze kuilen zijn in duidelijke ruimtelijke relatie met het grafveld gevonden en hebben waarschijnlijk te maken met het grafritueel. In de kuilen is rood-bruin zand waarneembaar, een duidelijke indicatie van verhitting ter plaatse. Net als bij S1001, is het niet uit te sluiten dat het om kuilen voor de productie van houtskool gaat.59 60 Afbeelding 3.6 Vergelijkbare kuilen uit Helmond – Kranenbroek.60 Boven spoor 5.1 en onder spoor 15.1.
57 In hoofdstuk 2 staat vermeld dat het grafveld zich mogelijk ver ten zuiden van vicus Ceuclum uitstrekt, grofweg langs de Grotestraat. De huidige Grotestraat ligt 150 m van kuil S1001. De Grotestraat is in de jaren ’60 echter verlegd. Oorspronkelijk lag deze op ca 200 m afstand. Het huidige tracé van de Grotestraat kan het grafveld hebben doorsneden. 58 Van As & Van der Linde 2018, 50-52. 59 Van As & Van der Linde 2018, 50. 60 Van As & Van der Linde 2018, 52.
41
Cuyk, Merlet College
Opgraving
42
4
Vondstmateriaal
Tijdens het veldwerk zijn tweeëntwintig vondsten verzameld onder zes vondstnummers (5465 g). Het vondstmateriaal bestaat uit twee fragmenten aardewerk, één vuursteen, tien stenen, één metaalfragmentje en één botfragment. Tevens zijn uit een houtskoolrijke kuil zes zeefmonsters genomen om te onderzoeken kuil S1001 een grafkuil is. Dit resulteerde in een residu met uitsluitend houtskool en verband leem. Eén monster uit deze kuil is opgestuurd voor 14C-onderzoek. Afgezien van de kuilinhoud, zijn alle vondsten bij de aanleg van het vlak verzameld en zijn alle vondsten afkomstig uit de natuurlijke lagen. In kuil S1001 is behalve houtskool en verbrand leem geen vondstmateriaal aangetroffen. Tabel 4.1 Materiaalcatego-
Materiaal
Aantal
Gewicht (g)
Datering
rieën.
Handgevormd aardewerk
1
2,2
late bronstijd, vroege ijzertijd
Verbrand leem
7
29,4
prehistorie - middeleeuwen
Gedraaid aardewerk
1
7,6
late middeleeuwen
Steen
10
5334,7
prehistorie
Vuursteen
1
72,9
neolithicum/ bronstijd
Metaal
1
4
romeinse tijd, middeleeuwen
Bot
1
14
prehistorie – nieuwe tijd
4.1
Aardewerk prehistorie/ vroeg Romeins
Er is één fragment handgevormd aardewerk aangetroffen onderin de verbruiningshorizont (laag 1810), vlak naast kuil S1001. Het gaat om een kleine handgevormde scherf die op de breukrand en binnenzijde zwart uitgeslagen is. Op basis van de poreuze breukranden en de verkleuring lijkt de scherf secundair met vuur in aanraking te zijn geweest. Het aardewerk is gemagerd met potgruis en (weinig) kleine grind- of kwartskorrels. De scherf dateert vermoedelijk uit de vroege ijzertijd, of mogelijk uit de late bronstijd. Bovenin de C-horizont zijn zeven fragmenten verbrand leem aangetroffen (laag S1820). Deze fragmentjes zijn niet nader te determineren of te dateren.
4.2
Aardewerk middeleeuwen/ nieuwe tijd
Er is één scherf gedraaid aardewerk aangetroffen (vondstnummer 2), hoog in de verbruiningslaag van proefsleuf 1 (laag 1810). Het gaat om een wandscherf van Duits steengoed, met zoutglazuur uit het Rijnland (waarschijnlijk Langerwehe of Raeren). De scherf dateert tussen 1450 en 1550 na Chr.61