CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

07 Bijlage 6h - Bijlage 8 Archeologisch bureauonderzoek.pdf

Cuijk - commissie Ruimte 29 november 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: (ter bespreking) Voorstel inzake Ontwerpbestemmingsplan Grotestraat Zuid Bestemmingsplan Cuijk Centrum, locatie Merlet15.389 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

49

Weterings 2015 (2356771100). Ball 2006 (2034941100). 51 Stolk & Moesker 2013 (2283125100). 50

Archeologisch bureauonderzoek

38

aangetroffen. In de grafkuil is een flink aantal grafgiften aangetroffen, bestaande uit aardewerken, glazen, metalen en benen objecten.

Romeinse weg De Romeinse weg van Nijmegen naar Tongeren moet in Cuijk, tenminste gedeeltelijk, bij de huidige locatie van de Grotestraat liggen. Vanaf het noorden zou deze eerst bij Katwijk maar later in Cuijk zelf de Maas over steken, om daarna via het tracé van de huidige Grotestraat en verderop de Heerstraat, zijn weg naar Oeffelt te vervolgen. Via Beugen, Boxmeer, Groeningen en Vierlingsbeek leidt de weg naar het zuiden. Er zijn in en rondom Cuijk diverse waarnemingen van de e weg bekend. De eerste gedocumenteerde waarnemingen stammen al uit de 19 eeuw. Hermans beschrijft de Romeinse weg bij Cuijk in zijn Noordbrabants Oudheden.52 Een sleuf die hij op de locatie van het Hagelkruis, ten zuiden van het huidige onderzoeksgebied, liet graven leverde een goed beeld op van de weg. Deze bestond hier uit een 5,5 m breed grindpakket met een dikte van 43 cm aan de rand en 73 cm in het midden. Daaronder lag een 25 cm dikke laag leem. Even verderop was de weg volgens Hermans 6,5 m breed. Ook in meer recenter tijden zijn resten van de weg gedocumenteerd. In het centrum betreft het onderzoeken ter hoogte van perceel Grotestraat 68 en naast de Grotestraat ten zuiden van de Markt. Beide liggen ten noorden van het huidige onderzoeksgebied.

Begin december 2002 zijn op laatstgenoemde locatie grindbanen in het profiel herkend en is leem en grind uit het vermoede Romeinse wegdek verzameld.53 Binnen het huidige plangebied is een weg herkend tijdens de opgraving bij het bergbezinkbassin onder de huidige Grotestraat, door Archol in 2003.54 Hier is een verharde weg herkend die in de nieuwe tijd gedateerd kan worden. Daaronder bevindt zich een circa 120 cm dik pakket waarin op verschillende niveaus karrensporen te zien zijn. In dit pakket zijn Romeinse vondsten aangetroffen, maar ook jongere vondsten. Een eenduidig Romeins niveau in de karrensporen ontbreekt daar. Op basis van de ligging van grafmonumenten en graven en de oriëntatie van de karrensporen is mogelijk dat de Romeinse weg iets ten oosten van de sleuf moet worden gezocht. Een andere mogelijkheid is dat de weg hier grotendeels is opgenomen in de latere karrensporen, en dus daar niet meer herkenbaar was. Opvallend is wel dat de oriëntatie van de karrensporen iets afwijkt van de daar bovenop gelegen verharding. Tijdens het onderzoek door Diachron, direct ten zuiden hiervan zijn mogelijk resten van de weg aangetroffen.55 Hoewel de bodem behoorlijk verstoord was, is in het oostelijk deel van het onderzoeksgebied toch een pakket grind van circa 35 cm dik en minimaal 3,5 m breed herkend.

Het is niet waarschijnlijk dat het om dezelfde grindbaan gaat die noordelijker is herkend, aangezien het pakket daar een stuk hoger ligt. Tevens is de ligging anders. Helaas heeft het grindpakket geen vondsten opgeleverd, maar een datering in de Romeinse tijd is goed mogelijk. Verder naar het zuiden is de weg aangetroffen ter hoogte van de molen op de hoek Hapsebaan-Heerstraat, gelegen direct ten zuiden van het huidige plangebied. De maten die bij die waarneming zijn genomen, komen sterk overeen met die van Hermans.56 52

Hermans 1865. Informatie grotendeels naar Van der Heijden 2002. De verschillende meldingen van de Romeinse weg zijn hierin geïnventariseerd. 53 Mondelinge mededeling J. Koeling, vastgelegd in Ball (red.) 2006. 54 Ball 2006 (2034941100). 55 Stolk & Moesker 2013 (2283125100). 56 Dat profiel is in 2001 gedocumenteerd door Koeling en van der Zanden.

39

Een zeer tastbare waarneming van de Romeinse weg is in 2003 gedaan in Oeffelt. Hier werd in het kader van het tv-programma Spoorzoeker door een samenwerking van de R.O.B., RAAP en Archol een sleufje gegraven in een boomgaard waar eerder een grindsnoer was waargenomen.57 Vrijwel direct onder de bouwvoor is hier een grindpakket aangetroffen van circa 5,75 m breed en maximaal 20 cm dik. Uit de geringe dikte van het grindpakket is op te maken dat de weg door landbouwactiviteiten gedeeltelijk is opgenomen in de bovengrond. Aan de zijkanten waren in profiel, door bodemvormingsprocessen gemaskeerde, vage verkleuringen te zien. Mogelijk gaat het hier om de relicten van bermsloten die de weg geflankeerd hebben. Dergelijke greppels zijn langs dezelfde weg aan de overkant van de Maas waargenomen. Opvallend genoeg zijn bij de eerdere archeologische opgravingen aan de Grotestraat zelf geen waarnemingen van de Romeinse weg gedaan, noch bij het door Van Enckevort en Thijssen uitgevoerde onderzoek van de vicus, noch bij de onderzoeken van het grafveld door de W.A.C. en R.O.B. Zeer recentelijk (najaar 2017) is de Romeinse weg echter nog gedocumenteerd tijdens de begeleiding van rioleringswerkzaamheden in het centrum, direct onder de Grotestraat.

Middeleeuwen Uit de middeleeuwen kennen we uit het centrum en het gebied direct daar omheen een aantal belangrijke vondsten. De vroege middeleeuwen zijn in het archeologisch bestand nog enigszins ondervertegenwoordigd. Op een aantal plaatsen zijn wel scherven aangetroffen die wijzen op vroegmiddeleeuwse activiteit en zijn een aantal grafvondsten bekend die lijken te dateren op de overgang van de laat-Romeinse tijd naar de vroege middeleeuwen.58 Ter hoogte van de St. Martinuskerk is een brandkuil aangetroffen met daarin vroegmiddeleeuwse scherven.59 Zoals gezegd is over deze periode in Cuijk nog bijzonder weinig bekend. We mogen echter aannemen dat er in Cuijk in die periode één of meerdere nederzettingen hebben gelegen. De aanwezigheid van het Romeinse castellum en de Romeinse weg zullen in dit opzicht belangrijk zijn geweest. Op het terrein van de St. Martinuskerk, ten noorden van het huidige plangebied, zijn door Bogaers enkele hutkommen uit de Merovingische periode onderzocht.60 Het daar opgegraven aardewerk is ter plaatse gemaakt en duidt dus op de aanwezigheid van een productiecentrum. De bewoning op en rond het castellum-terrein in de vroege middeleeuwen zal uiteindelijk hebben geleid tot de politieke en religieuze functie die Cuijk in de volle en de late Middeleeuwen bekleedde.

Vondstmeldingen van Merovingisch en Karolingisch aardewerk en/of sporen uit archeologisch en niet archeologisch graafwerk zijn verder afkomstig van Overhage, van het bedrijventerrein de Beijerd en ‘t Riet en van ‘t Bijltje. Bij de Beierd en ’t Riet zijn onder andere een aantal hutkommen uit de Merovingsische periode opgegraven. Uit de vondstmeldingen en onderzoeksresultaten blijkt dat het huidige Cuijk in die periode intensief bewoond werd. Van het castellum-terrein kennen we een grote, tien meter brede gracht en een deel van een tufstenen muur, die waarschijnlijk een middeleeuwse motte omgeven hebben.61 Deze motteburcht, wordt in verband gebracht met de aanwezigheid van de heren van Cuijk. Na de vernietiging van de versterking in 1132 werd op het terrein een aantal elkaar opeenvolgende kerken gebouwd.

57

De weg is hier ontdekt door J. Roymans van RAAP. Monumentnr. 9389, gelegen op ca. 800 m ten westen van het plangebied. 59 2160823100. 60 Bogaers 1966, 133-134. 61 Van Enckevort, Thijssen & Graat 2002, 97. 58

Archeologisch bureauonderzoek

40

Mogelijk heeft er eerder echter ook al een kerk gestaan.62 In het gebied rondom de versterking en de latere kerken zijn op verschillende plaatsen sporen uit de e e e 11 , de 12 en de 13 eeuw aangetroffen. De resten van een gebouw met natuurstenen kelder in het centrum van Cuijk63 alsmede de gebouwen zoals die zijn aangetroffen op Groot Heiligenberg en de Beijerd en ‘t Riet zijn noemenswaardig. In het plangebied zelf zijn ook sporen uit de middeleeuwen aangetroffen. Bij onderzoek te Nutricia zijn sporen opgegraven die waarschijnlijk wijzen op bewoning uit de volle middeleeuwen.64 Het aangetroffen cluster sporen is destijds niet begrensd, dus het is niet te zeggen of het gaat om een geïsoleerd liggend erf of om een nederzetting met meerdere erven. Het aardewerk wijst erop dat de nederzetting in het plangebied tussen ca. 1050 en 1225 in gebruik was.

Nieuwe tijd Zowel binnen als buiten het plangebied zijn op verschillende plaatsen resten uit de nieuwe tijd aangetroffen. Het betreft vaak vondstmateriaal.65 In enkele gevallen zijn echter ook meeromvattende complexen aangetroffen. Onderstaande opsomming is niet uitputtend. Aan de Grotestraat ten noorden van het plangebied zijn naast uitbraaksleuven e van Romeinse bebouwing ook een waterput en een muur van een 19 -eeuws 66 gebouw aangetroffen. Bij een onderzoek dat ten noorden van het plangebied aan de Maasboulevard is uitgevoerd, zijn resten van een kadebeschoeiing uit de late middeleeuwen/ nieuwe tijd zijn blootgelegd.67 Bij het onderzoek binnen het plangebied, te Nutricia aan de oostzijde van de Grotestraat, zijn ook sporen en vondsten uit de nieuwe tijd aangetroffen. Mogelijk gaat het in het geval van twee grote sporen om leerlooierskuipen, maar geheel zeker is dat niet.68 Het aardewerk uit die opgraving duidt o.a. op de periode 1300-1600. De sporen behoren niet tot de erven die zich volgens het bestudeerde historische kaartmateriaal binnen het plangebied hebben bevonden. Zij zijn elders gelegen.

Tijdens de opgraving bij het bergbezinkbassin, binnen het plangebied, zijn uit subrecente tijden enkele sporen aangetroffen waarvan wordt vermoed dat het gaat om schatgraverskuilen.69 Uit lokale kranten zijn verschillende berichten e e bekend uit de 19 en het begin van de 20 eeuw, waarin deze ‘urnendelverij’ wordt genoemd (zie ook hierboven).

62

Mond. med. drs. E. Vreenegoor, vastgelegd in Ball 2006. Van Enckevort, Thijssen & Graat 2002, 97. 64 Kemme 2014 (2374259100). 65 Binnen het plangebied o.a. 2034941100; buiten het plangebied o.a. 2096201100, 2096218100, 2879676100. 66 2413357100, 2426682100. 67 2160823100. 68 Kemme 2014 (2374259100). 69 Ball 2006 (2034941100). 63

41

Archeologisch bureauonderzoek

42

3

Archeologische verwachting

Als de landschappelijke, historische en archeologische gegevens die tijdens het bureauonderzoek over het plangebied Grotestraat - Zuid zijn verzameld, worden gecombineerd kan op basis daarvan een specifieke archeologische verwachting worden opgesteld. In het onderstaande is deze archeologische verwachting per periode geformuleerd. Daarbij wordt waar mogelijk een specifieke verwachting per deelgebied gegeven.

Prehistorie Archeologisch onderzoek in en rond het plangebied heeft informatie opgeleverd voor de hele periode van mesolithicum tot en met ijzertijd. Paleolithische resten zijn vooralsnog niet aangetroffen, maar kunnen ook niet worden uitgesloten. Indien aanwezig bevinden deze resten zich op relatief grote diepte, onder de rivierduinafzettingen. De terrasranden en rivierduinafzettingen zijn al vanaf het mesolithicum een interessante vestigingsplaats, getuige de vuurstenen werktuigen die uit deze periode zijn aangetroffen. Dat zeker in het neolithicum, de bronstijd en de ijzertijd sprake was van bewoning in Cuijk blijkt o.a. uit de begravingen en bewoningssporen die rondom de St. Martinuskerk, ten noorden van het plangebied, zijn aangetroffen, maar ook ten zuiden daarvan. Binnen het plangebied is in eerdere onderzoeken bewoning en begraving vastgesteld in de vorm van nederzettingssporen uit de late bronstijd/ijzertijd en een inhumatiegraf uit de ijzertijd (afbeelding 3.1). Op basis van het bureauonderzoek is dus duidelijk geworden dat zich ten noorden en ten zuiden van het plangebied evenals daarbinnen prehistorische sporen bevinden. De landschappelijke ligging binnen het plangebied verschilt niet significant van de situatie ten noorden en ten zuiden daarvan. Voor het gehele plangebied wordt een hoge kans op de aanwezigheid van prehistorische sporen verondersteld.

De verwachting is dat het niveau waarop paleolithische resten aanwezig kunnen zijn, slechts bereikt zullen worden indien sprake is van onderkeldering. Voor het mesolithicum kan gedacht worden aan de aanwezigheid van resten van kampementen. Deze laten zich archeologisch vooral herkennen door vuursteenconcentraties met of zonder haardplaatsen. Ook voor het neolithicum kunnen archeologische sporen van bewoning worden verwacht. Tevens kunnen begravingen aanwezig zijn. Wel dient er rekening mee te worden gehouden dat dergelijke oude grondsporen door uitloging slecht zichtbaar kunnen zijn. Voor de bronstijd en de ijzertijd kan gedacht worden aan sporen van bewoning, agrarisch landgebruik en begravingen. Of met betrekking tot bewoning sprake is van geïsoleerd liggende erven of van bewoningsclusters zal moeten blijken. Met betrekking tot begravingen dient nog te worden vastgesteld of binnen het plangebied sprake is van een aaneengesloten grafveld, of dat zich hier verspreid liggende graven bevinden, of dat bij Nutricia sprake is van een geïsoleerd graf. De prehistorische sporen bevinden zich in de B-horizont of in de top van de Chorizont. De diepte daarvan zal binnen het plangebied variëren. Het is niet uit te

43

sluiten dat deze zich plaatselijk al vanaf circa 50-75 cm beneden maaiveld bevinden.

Op basis van het bovenstaande geldt voor het gehele plangebied een hoge verwachting voor de aanwezigheid van resten uit de prehistorie, van steentijd tot en met ijzertijd. Deze hoge verwachting geldt voor bewoningssporen, vondstconcentraties, sporen van agrarisch landgebruik en begravingen.

Afbeelding 3.1 Schematische weergave van vastgestelde vindplaatsen uit de prehistorie tot en met de middeleeuwen en het vermoede verloop van het Romeinse grafveld. Voor het hele gebied geldt een hoge verwachting voor alle periodes. Hier zijn slechts de bekende vindplaatsen weergegeven. Romeinse tijd Cuijk is in archeologisch opzicht vooral bekend van de Romeinse resten die er zijn aangetroffen. Ten noorden van het plangebied ligt een Romeinse vicus en het castellum. Van de vicus zijn aanwijzingen teruggevonden in de vorm van onder andere houten huizen, (gedeeltelijk) stenen gebouwen waaronder tempels en een mogelijk badhuis. Aanwijzingen voor de aanwezigheid van een militair fort e zijn aangetroffen in de vorm van grachten uit de 1 eeuw in de omgeving van de

Archeologisch bureauonderzoek

44

e

St. Martinuskerk, en uit de 4 eeuw twee min of meer parallelle spitsgrachten met daartussen een aarden wal en een muur met halfronde hoektorens.70 Ook een e stenen brug dateert uit de periode van het 4 -eeuwse castellum. Binnen het plangebied zijn vooralsnog geen grondsporen aangetroffen van Romeinse nederzettingen. De Romeinse weg van Nijmegen naar Tongeren moet in Cuijk, ten minste gedeeltelijk, bij de huidige locatie van de Grotestraat liggen. In en rond Cuijk zijn verschillende archeologische waarnemingen bekend waarbij de weg is herkend, waaronder in het plangebied. Het tracé van de Romeinse weg loopt dus door het plangebied Grotestraat Zuid. Het grafveld van Ceuclum strekte zich uit langs het tracé van de Romeinse weg aan de zuidzijde van de militaire en burgerlijke nederzetting. Het is duidelijk geworden dat in dit grafveld en met name ook in het plangebied Grotestraat Zuid zowel sprake is van crematie- als van inhumatiegraven. Het grafveld is e e e tenminste tussen de 1 en de 4 /5 eeuw in gebruik geweest. In ruimtelijke zin loopt het in ieder geval door tot ver in het huidige plangebied (afbeelding 3.1). Opvallend is dat ten oosten van de Romeinse weg geen begravingen lijken te zijn bijgezet. In ieder geval zijn daar tot op heden geen aanwijzingen voor gevonden.

Het is bekend dat binnen het grafveld sprake is van een zekere clustering, en dat er naast zones met begravingen ook zones zijn waarin niet, of vrijwel niet, werd begraven. Voor de Romeinse tijd dient binnen het plangebied in ieder geval rekening te worden gehouden met aanzienlijke hoeveelheden crematiegraven en inhumatiegraven . Daarbij kan sprake zijn van een grote variatie in de aard van de graven. Deels zal sprake zijn van eenvoudige crematiegraven, bestaande uit crematieresten (houtskool, verbrand bot), al dan niet vergezeld van enkele grafgiften. Er dient echter ook rekening te worden gehouden met begravingen met een uiterst geromaniseerd karakter, bijvoorbeeld met askisten en kistvormige constructies waarin de doden zijn bijgezet met veel en opmerkelijke grafgiften. Ook resten van grafmonumenten, zoals kringgreppels of meer monumentale structuren kunnen verwacht worden, alsmede sporen die aan het crematieritueel zijn toe te schrijven, zoals crematieplaatsen (ustrina). Voor inhumatiegraven geldt dat botmateriaal voor het grootste deel niet bewaard is gebleven. Wel kunnen lijk- en/of kistsilhouetten herkenbaar zijn, alsmede meer robuuste botdelen en tanden. De tot nu toe aangetroffen inhumatiegraven binnen het plangebied e dateren waarschijnlijk in de 4 eeuw. Intacte resten van het grafveld kunnen worden verwacht in de B-horizont en in de C-horizont.

Het niveau daarvan varieert binnen het plangebied, maar de resten kunnen zich al vanaf zo’n 50-75 cm beneden maaiveld aandienen. Behalve het grafveld is ook de Romeinse weg aanwezig binnen het plangebied. Hiervan zijn plaatselijk resten teruggevonden. Het verloop van de weg is binnen het plangebied niet exact bekend, maar het lijkt erop dat deze zich (plaatselijk) aan de oostkant van, of direct ten oosten van de huidige Grotestraat bevindt. De verwachting is dat (afhankelijk van eventuele verstoringen) nog grote delen van de weg intact in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Er dient rekening te worden gehouden met een grindpakket met een dikte van tenminste enkele tientallen centimeters, in diverse fasen. In dit pakket kunnen vondsten aanwezig zijn. Aan weerszijden van het grindpakket kan sprake zijn van bermgreppels.

70

Het castellum verloor aan het einde van de 1e of het begin van de 2e eeuw zijn militaire rol. In de 4e eeuw is waarschijnlijk opnieuw sprake van een castellum.

45

Op basis van het bovenstaande geldt een hoge verwachting voor de aanwezigheid van Romeinse infrastructuur en van resten behorende tot het Romeinse grafveld, met name (grote hoeveelheden) graven uit de 2e tot 4e eeuw. Voor bewoningssporen uit de Romeinse tijd kan eveneens een hoge verwachting worden uitgesproken. Het is zeker niet uitgesloten dat ook buiten de urbane nederzetting bewoning aanwezig was, bijvoorbeeld in de vorm van verspreid liggende of geclusterde boerderijen. Middeleeuwen In en rondom het plangebied zijn op enkele plekken middeleeuwse resten aangetroffen. Voor de vroege middeleeuwen beperken de resten zich veelal tot losse vondsten en kleine clusters sporen. Wel zijn ten westen van het plangebied aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van graven uit de laat-Romeinse tijd - vroege middeleeuwen. Over de volle middeleeuwen is in archeologisch opzicht meer bekend. Van het castellum-terrein kennen we bijvoorbeeld een brede gracht en een deel van een tufstenen muur, die waarschijnlijk een motte omgeven hebben. Binnen het huidige plangebied zijn sporen aangetroffen die waarschijnlijk wijzen op bewoning uit de volle middeleeuwen (afbeelding 3.1). Het aangetroffen cluster is destijds niet begrensd, dus het is niet te zeggen of het gaat om een geïsoleerd liggend erf of om een nederzetting met meerdere erven.

Het is aannemelijk dat zich op andere plekken binnen het plangebied ook middeleeuwse bewoningssporen bevinden. Sporen van begraving uit de vroege middeleeuwen zijn evenmin uitgesloten, mogelijk als opvolger van de vierdeeeuwse fase van het Romeinse grafveld. Evenals de sporen uit de prehistorie en de Romeinse tijd zijn de middeleeuwse sporen aangetroffen in de B-horizont en de top van de C-horizont, die zich plaatselijk vanaf zo’n 50-75 cm beneden maaiveld zouden kunnen manifesteren. Ook dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van een middeleeuwse weg.

Op basis van het bovenstaande geldt voor het plangebied Grotestraat Zuid een hoge verwachting voor de aanwezigheid van resten van middeleeuwse bewoning, agrarisch landgebruik, begraving en infrastructuur. Nieuwe tijd Zowel binnen als buiten het plangebied zijn op verschillende plekken resten uit de nieuwe tijd aangetroffen Binnen het plangebied zijn resten van een wegtracé aangetroffen. Tijdens hetzelfde onderzoek zijn uit subrecente tijden enkele sporen aangetroffen waarvan wordt vermoed dat het gaat om schatgraverskuilen. Bij het onderzoek binnen het plangebied, te Nutricia aan de oostzijde van de Grotestraat, zijn ook sporen en vondsten uit de nieuwe tijd aangetroffen, mogelijk leerlooierskuipen. De sporen behoren niet tot de erven die zich volgens het bestudeerde historische kaartmateriaal binnen het plangebied hebben bevonden. Op basis van historisch kaartmateriaal is vastgesteld dat het gebied tussen de e e tweede helft van de 18 en de late 20 eeuw zich van grotendeels onbebouwd naar deels bebouwd ontwikkelde (afbeelding 3.2). Op enkele percelen aan de huidige Grotestraat is bebouwing ingetekend, de vroegste daarvan in het zuidelijke deel van het plangebied. Resten van de historisch bekende erven kunnen nog in de bodem aanwezig zijn, maar het is aannemelijk dat zich in de

Archeologisch bureauonderzoek

46

late middeleeuwen-nieuwe tijd ook bebouwing in het plangebied heeft bevonden die we niet van kaarten kennen. Archeologische sporen uit de nieuwe tijd kunnen al vanaf vlak onder het maaiveld aanwezig zijn. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om muren of resten van het wegtracé dat al eerder is aangetroffen en zijwegen/paden van de Grotestraat (Weg van Cuijk naar St. Agatha’). Voor muurwerk geldt dat het waarschijnlijk vooral aanwezig is op de percelen waarop op de historische kaarten bebouwing is ingetekend. In andere delen van het plangebied is de aanwezigheid van muurwerk echter niet uitgesloten. Vanzelfsprekend is de mate waarin muurwerk nog aanwezig is in de bodem sterk afhankelijk van hoe diep de gebouwen gefundeerd zijn, hoe grondig gesloopt is en in hoeverre de resten door latere verstoringen zijn aangetast.

Concluderend geldt voor de percelen waarop op historische kaarten bebouwing is ingetekend een hoge verwachting voor de aanwezigheid van bewoningsresten uit de nieuwe tijd. Maar ook op terreinen waar op kaarten geen bebouwing staat weergegeven, zijn inmiddels sporen archeologisch aangetoond. In het plangebied geldt een hoge verwachting voor het aantreffen van resten van bewoning, infrastructuur en resten van economische activiteiten.

47

Afbeelding 3.2 Inrichting van het plangebied in de nieuwe tijd, op basis van de kadastrale kaart uit 1811-1832 geprojecteerd op de huidige topografie. Voor het hele gebied geldt een hoge verwachting voor de nieuwe tijd. Hier zijn slechts de erven en wegtracés (schematisch) weergegeven.

Archeologisch bureauonderzoek

48

4

Conclusie en aanbevelingen

In dit bureauonderzoek is getracht om op basis van de beschikbare landschappelijke, archeologische en historische gegevens een zo gedetailleerd mogelijk beeld te geven van de gebruiksgeschiedenis van het plangebied Grotestraat Zuid in Cuijk. Voor alle periodes van paleolithicum tot en met nieuwe tijd kan dan ook een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten worden uitgesproken. In het onderstaande worden de onderzoeksvragen die voor dit bureauonderzoek zijn opgesteld beantwoord. Vervolgens wordt een advies voor vervolgonderzoek opgesteld. In dit bureauonderzoek zijn geen bouwdossiers verwerkt, waardoor over specifieke verstoringen met betrekking tot bestaande bouw nog weinig uitspraken te doen zijn.

Beantwoording onderzoeksvragen De in hoofdstuk 1 geformuleerde onderzoeksvragen kunnen als volgt worden beantwoord:

1.

Zijn binnen het plangebied bekende archeologische waarden aanwezig? Zo ja, zijn er gegevens bekend over de omvang, ligging, aard en datering hiervan? Het archeologisch onderzoek binnen het plangebied heeft zich voornamelijk geconcentreerd in het noordelijk deel, in de zone rondom de huidige Nutriciafabriek. Uit dat gebied is een aantal waarnemingen bekend. Tijdens verschillende onderzoeken zijn (in chronologische volgorde) bewoningssporen uit de late bronstijd-ijzertijd, een inhumatiebegraving uit de midden-ijzertijd, begravingen en andere grafveld-gerelateerde sporen en een weg uit de Romeinse tijd, bewoningssporen uit de volle middeleeuwen en een wegtracé en grondsporen uit de nieuwe tijd aangetroffen. Daarnaast e e blijkt uit kaartmateriaal uit de tweede helft van de 18 tot en met de 20 eeuw dat zich op diverse plaatsen binnen het plangebied erven/percelen met bijbehorende bebouwing hebben bevonden. Omdat het wat het gravend archeologisch onderzoek aangaat in alle gevallen relatief kleinschalige onderzoeken betreft, is het lastig de verschillende vindplaatsen ruimtelijk te begrenzen. Toch kunnen op basis van de huidige vindplaatsen enkele algemene uitspraken worden gedaan:

49

•

De waarnemingen met betrekking tot bewoningssporen uit de late bronstijd-ijzertijd beperken zich vooralsnog tot een onderzoek dat ter hoogte van de Grotestraat is uitgevoerd. Op basis van waarnemingen ten noorden en ten zuiden van het plangebied, is het echter aannemelijk dat archeologische sporen van laat-prehistorische erven zich ook elders (verspreid) in het plangebied bevinden.

•

Het feit dat tot op heden slechts één begraving uit de ijzertijd is aangetroffen bij het onderzoek te Nutricia wijst er op dat op deze locatie mogelijk geen sprake is van een groot aaneengesloten grafveld uit deze periode, maar wel van verspreid liggende graven of kleine groepen graven. Net als bij de bewoningssporen moet er voor het gehele plangebied rekening mee worden gehouden dat

dergelijke geïsoleerd liggende graven of groepen graven aanwezig kunnen zijn. Bovendien kunnen er op andere plaatsen binnen het plangebied wél grotere grafvelden aanwezig zijn.

2.

•

De begrenzing van de resten uit de Romeinse tijd lijkt vooralsnog duidelijker. De Romeinse weg volgt mogelijk hetzelfde tracé als de e e weg die op historische kaarten uit de 18 en de 19 eeuw is ingetekend. In hoeverre en waar de Romeinse niveaus van de weg binnen het plangebied nog intact aanwezig zijn, is niet bekend. Het is mogelijk dat het Romeinse niveau deels opgenomen is in latere gebruiksfases. Ook is het mogelijk dat zijwegen in het plangebied aanwezig zijn geweest. Het Romeinse grafveld beperkt zich voor zover nu bekend tot de zone ten westen van de Romeinse weg. Ten oosten daarvan zijn vooralsnog geen Romeinse graven aangetroffen, maar het is niet uitgesloten dat zij zich daar plaatselijk wel bevinden. Hoe ver het grafveld in westelijke richting doorloopt, is niet bekend. Evenmin weten we hoe ver het in zuidelijke richting doorloopt. Het is aannemelijk dat het grafveld zich verder zuidelijk uitstrekt dan tot nog toe gereconstrueerd is gezien het feit dat recentelijk ten zuiden van de parkeerplaats van Nutricia nog een graf is gevonden. Binnen de zone met begravingen langs de Romeinse weg kan sprake zijn van verschillende groepen graven, met daartussen zones waarin niet is begraven.

•

De bewoningssporen uit de volle middeleeuwen zijn bij het onderzoek aan de oostzijde van de Grotestraat binnen het plangebied aangetroffen. Ook hier kan het gaan om een geïsoleerd liggend erf, waarvan er binnen het plangebied nog meer kunnen liggen, maar het kan ook om een grotere nederzetting met meerdere erven gaan. Het is aannemelijk dat de zone langs de weg van tijd tot tijd bebouwd is geweest.

•

Het wegtracé uit de nieuwe tijd volgt waarschijnlijk het oorspronkelijke verloop van de Grotestraat, en is dus vrij nauwkeurig te begrenzen. De exacte breedte van de weg is niet vastgesteld.

Wat is de verwachte bodemopbouw in het gebied en zijn er gegevens bekend over bodemverstorende ingrepen in het verleden binnen het plangebied? Uit het bureauonderzoek is gebleken dat binnen het plangebied sprake is van lage rivierduinen op terrasafzettingen. Door de afzetting van rivierduinzand is sprake van een terrein waarin hogere en lagere delen elkaar afwisselen. De hoogte waarop de B of de C-horizont zich bevindt, varieert sterk. Plaatselijk kan de B of C-horizont zich al op zo’n 50-75 cm beneden het maaiveld bevinden, maar op andere plekken is dit mogelijk meer dan 100 cm. Door de beperkte doorlooptijd van het onderzoek zijn de bouwdossiers nog niet onderzocht. Door het bestuderen hiervan kan een beeld worden verkregen van de mate waarin de aanwezige bebouwing de bodem in het plangebied heeft verstoord. Uit het booronderzoek dat ten westen van de Grotestraat op het Nutriciaterrein is uitgevoerd, bleek de bodem hier plaatselijk 140 tot 160 cm beneden maaiveld verstoord. In hoeverre een vergelijkbare mate van verstoring geldt voor overige delen van het plangebied is niet te zeggen. De bouwdossiers kunnen hier meer duidelijkheid over verschaffen. Wel is duidelijk dat ter plaatse van het bergbezinkbassin de sporen goed geconserveerd waren, ondanks alle graafactiviteiten die er in het verleden

Archeologisch bureauonderzoek

50

hebben plaatsgevonden. Het bergbezinkbassin betekent heden een diepe verstoring, maar dat gebied is reeds onderzocht. Het is mogelijk dat ook op het door de R.O.B. opgegraven terrein nog archeologische sporen te verwachten zijn. Daar zijn sporen als randstructuren en inhumatiegraven, die zich mogelijk pas dieper als herkenbaar spoor manifesteren, namelijk niet opgetekend.

3. Wat is de specifieke archeologische verwachting voor het gebied? (indien mogelijk gespecificeerd naar aard, vindplaats(en) / periode(n))? De specifieke archeologische verwachting voor het gebied is beschreven in hoofdstuk 3. Samenvattend kan de archeologische verwachting als volgt worden omschreven: Periode

Verwachting

Toelichting

Prehistorie

Hoge verwachting

De hoge verwachting geldt voor alle periodes (steentijd-ijzertijd), voor de relevante complextypen voor het gehele plangebied. Eventueel aanwezige paleolithische resten zullen zich bevinden op relatief grote diepte.

Romeinse tijd

Hoge verwachting

De hoge verwachting geldt voor alle relevante complextypen en voor het gehele plangebied. Voor het grafveld geldt dat dit zich waarschijnlijk beperkt tot de zone ten westen van de Grotestraat. Bewoningssporen kunnen in het gehele plangebied aanwezig zijn. Het Romeinse wegtracé loopt van noord tot zuid door het plangebied. De aanwezigheid van zijwegen behoort tot de mogelijkheden.

Middeleeuwen

Hoge verwachting

De hoge verwachting geldt voor alle complextypen en voor het gehele plangebied.

Nieuwe tijd

Hoge verwachting

De hoge verwachting geldt voor alle relevante complextypen en voor het gehele plangebied. In het bijzonder dienen de erven die op kaartmateriaal vanaf de tweede helft van 18e eeuw te zien zijn, genoemd te worden.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat nog geen beeld bestaat van de mate waarin de huidige bebouwing voor verstoring van de bodem heeft gezorgd. Het is wel aannemelijk dat van een zekere mate van verstoring sprake is. Op basis van het bestuderen van de bouwdossiers kan meer inzicht worden verkregen in verstoringsdieptes, waardoor de archeologische verwachting van delen van het plangebied wellicht naar beneden kan worden bijgesteld.

4. In hoeverre worden archeologische resten bedreigd en is vervolgonderzoek nodig en zo ja, in welke vorm? In het plangebied is woningbouw gepland. Omdat de bodem voor

51

woningbouw vaak tot zeker 100 cm beneden maaiveld geroerd wordt, bestaat er een gerede kans dat de aanwezige archeologische resten, indien nog bewaard gebleven, hierdoor verstoord worden. Omdat nog niet bekend is hoe het gebied precies ingericht zal worden, kunnen op dit moment geen zones worden aangewezen waarin geen onderzoek noodzakelijk is. Bovendien zijn de bouwdossiers vooralsnog niet bekeken, waardoor tot op heden niet is geïnventariseerd in hoeverre verstoringen als gevolg van vroegere bouwactiviteiten binnen het plangebied aanwezig zijn en welke invloed zij gehad hebben. Aan de hand hiervan kunnen waarschijnlijk delen worden geselecteerd waarvoor de archeologische verwachting naar beneden dient te worden bijgesteld.

Advies voor vervolgonderzoek Om meer inzicht te krijgen in de aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied is vervolgonderzoek noodzakelijk. Op basis van deze verwachting adviseert BAAC bv om eerst vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een bureauonderzoek naar de bouwdossiers, om diepe en ingrijpende verstoringen in kaart te brengen. Aan de hand van dit onderzoek kan de archeologische verwachting voor delen van het plangebied wellicht naar beneden worden bijgesteld. Waar mogelijk kunnen proefsleuvenonderzoeken worden uitgevoerd om de vindplaatsen te waarderen. Op plaatsen waar een proefsleuvenonderzoek praktisch niet mogelijk is adviseert BAAC bv archeologische begeleidingen onder protocol opgraven. Omdat bouwplannen tot op heden niet definitief zijn en verstoringsdiepten nog niet in kaart zijn gebracht is het echter nog niet mogelijk een advies op maat te geven waarin vervolgstrategieën per deelgebied zijn uitgewerkt. Bovenstaand advies dient beoordeeld te worden door de bevoegde overheid (gemeente Cuijk) en leidt tot een selectiebesluit. Dit betekent niet dat reeds gestart kan worden met bodemverstorende activiteiten of de daarop voorbereidende activiteiten. BAAC bv wil er daarom op wijzen dat men bij bodemverstorende activiteiten altijd alert dient te zijn op de aanwezigheid van archeologische waarden (zoals vondstmateriaal en grondsporen).

Bij het aantreffen van deze waarden dient men hiervan melding te maken bij de minister (in de praktijk de RCE) conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016.

Archeologisch bureauonderzoek

52

5

Geraadpleegde bronnen Archeologisch Beleidsplan Gemeente Cuijk, 2009.. Ball, E.A.G. en E.N.A. Heirbaut, Heirbaut 2005: Inventariserend Onderzoek in het plangebied Markt, Leiden (Archolrapport 38). Ball, E.A.G. (red.), (red.) 2006: Dood en begraven langs de Romeinse weg. Het onderzoek van een grafveld uit de Romeinse tijd bij Cuijk – Grotestraat Bergbezinkbassin, Leiden (Archol-rapport 40). Beek, H. van der en R.F.B. Isarin, Isarin 1990: Paleogeografische

ontwikkelingen in het Land van Cuijk gedurende het LaatWeichselien en Holoceen, Utrecht (ongepubliceerd verslag van een doctoraal veldwerk, studie Fysische Geografie, Universiteit Utrecht). Berkel van, G. en K. Samplonius, Samplonius 2006: Nederlandse plaatsnamen herkomst en historie, Utrecht. Bogaers, J.E., J.E. 1966: Opgravingen te Cuijk, 1964-1966, in

Nieuwsbulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 19, *65-72. Bogaers, J.E., J.E. 1967: Enige opmerkingen over het Nederlands gedeelte van de limes van Germania Inferior (Germania Secunda),

Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 17, 99-114. Bont, C.H.M. de en G.J. Maas, 2005. Tussen Grave en Gennep en Arcen en Velden. Archeologische verwachtingen langs de borden en in het winterbed van de Maas in het stuwpand Grave en het stuwpand Sambeek vanuit fysisch- en historisch-geografisch perspectief, Alterra-rapport 1174, Wageningen. Buitenhuis, A., S.J. Kluiving, G.W. de Lange, R.W. de Waal en H.P. Wolfert, 1991: Geomorfologische gesteldheid van Midden en Oost Noord-Brabant, (Staring Centrum-Rapport 121). Centraal College van Deskundigen (CCvD), (CCvD) 2016: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Landbodems, versie 4.0, SIKB, Gouda. Elbers, J. et al., al 1992: Fidelis - Verslag van een grafveldonderzoek aan de Grotestraat te Cuijk, Cuijk. Enckevort, H. van en J.K. Haalebos, Haalebos 2002: Een kalkstenen kelder, in: Van Enckevort en Thijssen (red)., Cuijk. Een regionaal centrum in de Romeinse tijd, Utrecht (Archeologische Berichten Nijmegen 5), 3840.

53

Enckevort, H. van en J. Thijssen, Thijssen 1998: De Romeinse vicus Ceuclum. Archeologisch onderzoek aan de Grotestraat in Cuijk, Westerheem 47, 154-163. Enckevort, H. van, J. Thijssen en G. Graat, Graat 2002: De late middeleeuwen, in: Van Enckevort en Thijssen (red)., Cuijk. Een regionaal centrum in de Romeinse tijd, Utrecht (Archeologische Berichten Nijmegen 5), 96-102. FAD Heemkundegroep, 2015: 2015 Melkproducten fabriek St Maarten in

Cuijk, 1904 – 1975, Cuijk. Geraeds, J., J 2006: Archeologisch onderzoek Messemaker te Cuijk, waarderende fase, Eindhoven (Grontmij rapport 181268/EHV/GAR202). Goudswaard, B., R.A.C. Kroes en H.S.M. van der Beek, Beek 2000: The Late Roman bridge at Cuijk, Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, volume 44, 2000-01, 439-554. Haalebos, J.K., J.K. 2002a: Het oudste fort, in: Van Enckevort en Thijssen (red.), Cuijk. Een regionaal centrum in de Romeinse tijd, Utrecht (Archeologische Berichten Nijmegen 5), 21-24. Haalebos, J.K., J.K. 2002b: De tempels, in: Van Enckevort en Thijssen (red.), Cuijk. Een regionaal centrum in de Romeinse tijd, Utrecht (Archeologische Berichten Nijmegen 5), 36-38. Haalebos, J.K., J.K. 2002c: De laatantieke castella, in: Van Enckevort en Thijssen (red.), Cuijk. Een regionaal centrum in de Romeinse tijd, Utrecht (Archeologische Berichten Nijmegen 5), 81-88. Heijden, P. van der, der 2002: Het wegennet rond Cuijk, in: Van Enckevort en Thijssen (red.), Cuijk. Een regionaal centrum in de Romeinse tijd, Utrecht (Archeologische Berichten Nijmegen 5), 42-47. Hermans, C.R., C.R. 1865: Noordbrabants Oudheden, ‘s-Hertogenbosch. Hessing, W., en T. van der Zanden, Zanden 2002: Na de dood, in: Van Enckevort en Thijssen (red.), Cuijk. Een regionaal centrum in de Romeinse tijd, Utrecht (Archeologische Berichten Nijmegen 5), 4863.

Hiddink, H.A, H.A 1991: Rural centres in the Roman settlement system of Northern Gallia Belgica and Germania Inferior, in: N. Roymans en F. Theuws (red.), Images of the past. Studies on ancient societies in North-Western Europe, Amsterdam (Studies in pre- en protohistorie 7), 201-233. Kemme, A.W.A., A.W.A. 2014: Cuijk, Nutricia. Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P), Archeologische Begeleiding en Opgraving, ’s-Hertogenbosch (BAACrapport A-12.0247).

Archeologisch bureauonderzoek

54

Koeling, J., J 2002: Cuijk in de prehistorie, in: Van Enckevort en Thijssen (red.), Cuijk. Een regionaal centrum in de Romeinse tijd, Utrecht (Archeologische Berichten Nijmegen 5), 14-19. Lippok, F.E., F.E 2013: Een Romeins Grafveld aan de Grotestraat te Cuijk (niet-gepubliceerde afstudeerscriptie Saxion HBO Archeologie). Stolk, M. & T.P. Moesker, Moesker 2013: Archeologisch onderzoek Cuijk, Grotestraat. Een Romeins graf en een Romeinse weg, Amsterdam (Diachron notitie 119). Weterings, P., P. 2015: Romeinse graven in Cuijk. Archeologische

Begeleiding conform protocol Opgraven (AB-O) Grotestraat 91, ’s-Hertogenbosch (BAAC-rapport A-11.0449).

Geraadpleegde kaarten Archeologische beleidskaart gemeente Cuijk, Cuijk 2009, Past2Present. Bodemkaart van Nederland 1:50.000, 1975. Blad 46 west/oost Vierlingsbeek. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. ANWB, 2004: Topografische atlas Gelderland (1:25.000), ANWB, Den Haag Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000. 1985. Blad 46 west/oost Vierlingsbeek. Stichting voor Bodemkartering/ Rijks Geologische Dienst, Wageningen/Haarlem. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2010: Archeologische Monumentenkaart (AMK) en Centraal Archeologisch Archief (CAA), geraadpleegd via Archis. Kadasterkaart (minuutplan en OAT), OAT) 1811-1832, te raadplegen de Beeldbank van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl. Topografische kaart van het Nederambt van het Land van Cuijk, Cuijk, Collectie kaarten en tekeningen van het Streekarchief BrabantNoordoost, rayon Land van Cuijk, ’s-Hertogenbosch. Topotijdreis, Topotijdreis Tijdreis over 200 jaar topografie, http://www.topotijdreis.nl. Müller--Miny, uitgave Tranchot, J.J., F.C.F. Freiherr von Müffling & H. Müller 1967. Kartenaufnahme der Rheinlande 1803-1820: de Tranchotkaart

van het gebied tussen Maas en Rijn, Nederlands gedeelte. Publikationen der Gesellschaft für Rheinische Geschitskunde, Maastricht.

Geraadpleegde websites

55

AHN, 2010: Actueel Hoogtebestand Nederland. Verkregen via www.ahn.nl. DINOloket, DINOloket Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond, https://www.dinoloket.nl, november 2017. Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC), 2011. Historische informatie van Noord-Brabant. Verkregen in november 2017 via www.bhic.nl.

Archeologisch bureauonderzoek

56

Bijlagen

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

57

Geologische en archeologische tijdvakken Archeologisch onderzoek binnen het plangebied Archeologisch onderzoek in de omgeving van het plangebied

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=20ac525b-bcbc-4594-b626-3377ecd6c3f9