07 Bijlage 6h - Bijlage 8 Archeologisch bureauonderzoek.pdf
Tekst van het document
Auteurs Auteurs: P. Kimenai & E.A.G. Ball
Archeologisch bureauonderzoek plangebied Grotestraat Zuid in Cuijk Status: concept BAAC Rapport V-17.0276
1
december 2017
Archeologisch bureauonderzoek
Colofon ISSN: Auteur(s): Cartografie: Redactie: Copyright:
1873-9350 P. Kimenai & E.A.G. Ball M. Leenders & J. van Gestel E.A.G. Ball & J.M.J. Willems BAAC bv te ‘s-Hertogenbosch
Redactie senior archeoloog : Accordering senior prospector/Senior Archeoloog:
E.A.G. Ball L.A. Tebbens & E.A.G. Ball
© BAAC, ’s-Hertogenbosch (2017) BAAC aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
BAAC bv Onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel.: (073) 61 36 219 Fax: (073) 61 49 877 E-mail: denbosch@baac.nl
1
Postbus 2015 7420 AA Deventer
Archeologisch bureauonderzoek
2
Inhoud
5
Samenvatting 1
Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Ligging van het gebied 1.3 Administratieve gegevens
9 9 9 11
2
Bureauonderzoek 2.1 Werkwijze 2.2 Landschappelijke ontwikkeling 2.3 Bewoningsgeschiedenis 2.3.1 Inleiding 2.3.2 Historie 2.3.3 Archeologie
133 133 133 133 199 199 20 299
3
Archeologische verwachting
433 433
4
Conclusie en aanbevelingen
497 497
5
Geraadpleegde bronnen
51
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
3
55 Overzicht van geologische en archeologische tijdvakken Archeologisch onderzoek binnen het plangebied Archeologisch onderzoek in de omgeving van het plangebied
Archeologisch bureauonderzoek
4
Samenvatting In opdracht van de Werkorganisatie Gemeenten Cuijk, Grave en Mill en Sint Hubert heeft onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Grotestraat Zuid te Cuijk. Aanleiding voor het onderzoek is het voornemen om het gebied opnieuw in te richten en geschikt te maken voor woningbouw. Hierbij bestaat een gerede kans dat de in het gebied aanwezige archeologische resten verstoord worden. Het doel van dit bureauonderzoek is het verwerven van informatie over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het plangebied aan de hand van bestaande bronnen. Met behulp van de verworven informatie wordt een specifieke archeologische verwachting opgesteld. Tijdens het onderzoek dienen de volgende onderzoeksvragen te worden beantwoord: 1.
2.
3. 4.
Zijn binnen het plangebied bekende archeologische waarden aanwezig? Zo ja, zijn er gegevens bekend over de omvang, ligging, aard en datering hiervan? Wat is de verwachte bodemopbouw in het gebied en zijn er gegevens bekend over bodemverstorende ingrepen in het verleden binnen het plangebied? Wat is de specifieke archeologische verwachting voor het gebied? In hoeverre worden archeologische resten bedreigd en is vervolgonderzoek nodig en zo ja, in welke vorm?
Tijdens het bureauonderzoek is aan de hand van bestaande bronnen een archeologische verwachting voor het plangebied opgesteld. Bij de inventarisatie van de archeologische waarden is gebruik gemaakt van gegevens van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) (ARCHIS 3) en de gemeentelijke archeologische beleidskaart. Relevante archeologische publicaties zijn bestudeerd. Met name voor de recentere archeologische periodes zijn diverse historische bronnen geraadpleegd. Er is gebruik gemaakt van het Actueel Hoogtebestand Nederland en oude kadastrale en topografische kaarten. Bouwdossiers zijn in deze fase van het onderzoek in overleg met opdrachtgever nog niet bekeken. De doorlooptijd van deze opdracht is daarvoor te kort. Literatuur over de geologie, geomorfologie en de bodemopbouw van het onderzoeksgebied is wel bestudeerd om op basis van locatiekeuze-theorieën een uitspraak te doen over de kans op aanwezigheid van archeologische resten. Daarnaast is dhr. T. van der Zanden van de Werkgroep Archeologie Cuijk (WAC) telefonisch bevraagd, wegens zijn specifieke gebiedskennis. Op basis van historisch kaartmateriaal is vastgesteld dat het gebied tussen de e e tweede helft van de 18 en de late 20 eeuw zich van grotendeels onbebouwd naar deels bebouwd ontwikkelde. Het gebied was in gebruik als akker- en weiland.
Dwars door het plangebied loopt de (voorloper van de huidige) Grotestraat, waarlangs zich enkele erven met daarop aanwezige gebouwen e bevonden. Deze situatie blijft zo tot, in het begin van de 20 eeuw, de Zuivelfabriek Lacto, het latere Nutricia, in het noorden van het plangebied, aan
5
e
de oostkant van de Grotestraat wordt gevestigd. In de tweede helft van de 20 eeuw vinden uitbreidingen van de zuivelfabriek plaats, die het noorden van het plangebied grotendeels bestrijken. Ten zuiden daarvan blijft de bebouwing beperkt tot enkele erven in het uiterste zuiden van het plangebied. In de jaren ’80 en ’90 vinden weer grootschalige bouwactiviteiten plaats, in de vorm van de bouw van het Merletcollege en het Formido-gebouw. Op basis van de bestudering van kaarten is het aannemelijk dat zich in het plangebied in de ondergrond nog de resten van erven en gebouwen bevinden uit de nieuwe tijd. Hoever het meest zuidelijk gelegen erf terug gaat in de tijd is vooralsnog onbekend. Bestudering van de archeologische gegevens die voor het plangebied en de omliggende zone beschikbaar zijn, heeft uitgewezen dat het plangebied zich in een archeologisch zeer interessant gebied bevindt. Het is bekend dat in Cuijk in de Romeinse tijd een urbane nederzetting (vicus) en een legerplaats (castellum) aanwezig waren. Deze complexen liggen beide ten noorden van het plangebied Grotestraat Zuid. Ten zuiden van de vicus bevindt zich een zeer uitgestrekt grafveld, gelegen langs de Romeinse weg van Nijmegen naar Tongeren. Beide (weg en grafveld) strekken zich in ieder geval uit tot in het plangebied.
De Romeinse weg loopt van noord naar zuid door het gehele plangebied; de omvang van het grafveld is niet exact bekend, maar mogelijk zijn begravingsclusters aanwezig tot in het zuiden van het plangebied, of zelfs ten zuiden daarvan. Behalve Romeinse resten zijn ook prehistorische, middeleeuwse en nieuwetijdse archeologische vindplaatsen binnen het plangebied aanwezig. Voor de late prehistorie zijn een graf uit de midden-ijzertijd en bewoningssporen uit de late bronstijd en/of ijzertijd vastgesteld in het noordelijk deel. Datzelfde geldt voor bewoningssporen uit de middeleeuwen en nieuwe tijd. In hoeverre deze sporen zich verder naar het zuiden voortzetten, is niet bekend. Eveneens in het noorden is een deel van een weg aangetroffen die tot in de nieuwe tijd wordt gedateerd, de opvolgende fasen van de Romeinse weg. Het tracé volgt het oude verloop van de Grotestraat, en kan door heel het plangebied heen worden verwacht. Op basis van het bureauonderzoek kan voor het gehele plangebied een hoge verwachting worden geformuleerd voor alle periodes (steentijd tot en met nieuwe tijd) en allerlei complextypen (o.a. nederzetting, begraving, economie, depot, infrastructuur).
Specifieke complexen waarvan op basis van eerder onderzoek nu al bekend is dat ze in het plangebied aanwezig zijn, betreffen: bewoningssporen uit de late bronstijd en/of ijzertijd begravingen uit de ijzertijd een uitgestrekt grafveld uit de Romeinse tijd een Romeinse weg (de weg van Nijmegen naar Xanten) opvolgers van de Romeinse weg bewoningssporen uit de volle middeleeuwen bewoningssporen uit de nieuwe tijd Hierbij dient te worden opgemerkt dat nog geen gedetailleerd beeld bestaat van de mate waarin de huidige bebouwing voor verstoring van de bodem heeft gezorgd. Het is wel aannemelijk dat sprake is van bodemverstoringen. Op basis van het bestuderen van de bouwdossiers kan meer inzicht worden verkregen in verstoringsdieptes, waardoor de archeologische verwachting van delen van het plangebied wellicht naar beneden kan worden bijgesteld. De gravende onderzoeken die (in de noordelijke helft van het plangebied) zijn uitgevoerd in het tracé van de Grotestraat en op de terreinen van Nutricia ten
Archeologisch bureauonderzoek
6
oosten én ten westen van de Grotestraat laten zien dat sporen daar nog goed geconserveerd zijn gebleven en dat sporen zoals paalsporen, kuilen, crematiegraven, crematieplaatsen, inhumatiegraven, grafmonumenten (kringgreppels en rechthoekige monumenten), wegtracés etc. aanwezig zijn. Onder bestaande bebouwing is vooralsnog uiteraard geen onderzoek verricht, maar er zijn wel sporen bekend uit meldingen. Op basis van deze verwachting adviseert BAAC bv allereerst om vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een bureauonderzoek naar bouwdossiers gevolgd door archeologische begeleidingen (sloopbegeleidingen, begeleiding grondwerk etc.) en, waar mogelijk, proefsleuvenonderzoeken, waarna bestaande vindplaatsen gewaard kunnen worden. Op plaatsen waar een proefsleuvenonderzoek praktisch niet mogelijk is adviseert BAAC bv archeologische begeleidingen onder protocol opgraven. Omdat bouwplannen tot op heden niet definitief zijn en verstoringsdiepten nog niet in kaart zijn gebracht is het echter nog niet mogelijk een advies op maat te geven waarin vervolgstrategieën per deelgebied zijn uitgewerkt.
7
Archeologisch bureauonderzoek
8
1
Inleiding
1.1
Onderzoekskader
In opdracht van de Werkorganisatie Gemeenten Cuijk, Grave en Mill en Sint Hubert heeft onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Grotestraat Zuid te Cuijk. Aanleiding voor het onderzoek is het plan om het gebied opnieuw in te richten, en geschikt te maken voor woningbouw. De minimale bodemverstoring bij de realisatie van de nieuwbouw is thans onbekend, maar bij woningbouw moet vaak rekening gehouden met een verstoringsdiepte van tenminste een meter beneden maaiveld. Bij eventuele onderkeldering zou de verstoringsdiepte vanzelfsprekend groter zijn. In alle gevallen bestaat een gerede kans dat eventueel aanwezige archeologische waarden verstoord of vernietigd worden. Het doel van dit bureauonderzoek is het verwerven van informatie over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het plangebied aan de hand van bestaande bronnen. Met behulp van de verworven informatie wordt een specifiek archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Tijdens het onderzoek dienen de volgende onderzoeksvragen te worden beantwoord: 1.
2.
3. 4.
Zijn binnen het plangebied bekende archeologische waarden aanwezig? Zo ja, zijn er gegevens bekend over de omvang, ligging, aard en datering hiervan? Wat is de verwachte bodemopbouw in het gebied en zijn er gegevens bekend over bodemverstorende ingrepen in het verleden binnen het plangebied? Wat is de specifieke archeologische verwachting voor het gebied? In hoeverre worden archeologische resten bedreigd en is vervolgonderzoek nodig en zo ja, in welke vorm?
Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 1 versie 4.0.
1.2
Ligging van het gebied
Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Cuijk aan de Grotestraat, en beslaat zowel de zone ten westen als ten oosten van die straat. Aan de noordkant wordt het plangebied begrensd door Het Zand; aan de zuidkant vormt de Hapsebaan de grens. De oppervlakte bedraagt ruim 8,8 ha. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
1
9
CCvD 2016.
Afbeelding 1.1 Ligging van het plangebied (bron: ANWB 2004).
Archeologisch bureauonderzoek
10
1.3
Administratieve gegevens
Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Kadastrale gegevens: Landgebruik Datum rapportage: BAAC-projectnummer: Coördinaten:
Kaartblad: Oppervlakte: Complextype: Datering: Onderzoeksmeldingsnummer: AMK-terrein: Type onderzoek: Opdrachtgever:
Bevoegde overheid: Uitvoerder:
Projectleider:
11
Noord-Brabant Cuijk Cuijk Grotestraat Zuid Gemeente Cuijk, kadastrale nummers 3806, 3953, 4199, 4215, 4704, 5192, 5520, 5521 Bebouwd 8-12-2017 V-17.0276 189.275 / 415.220 189.410 / 415.305 189.685 / 414.930 189.420 / 414.810 46A 8,8 ha Begraving, bewoning, infrastructuur Paleolithicum t/m nieuwe tijd 4578756100 N.v.t. Bureauonderzoek Werkorganisatie Gemeenten Cuijk, Grave en Mill en Sint Hubert Contactpersoon: M. van Zanten Gemeente Cuijk BAAC bv, vestiging 's-Hertogenbosch Graaf van Solmsweg 103 5222 BS 's-Hertogenbosch tel. 073-6136219 E.A.G. Ball
Archeologisch bureauonderzoek
12
2
Bureauonderzoek
2.1
Werkwijze
Tijdens het bureauonderzoek is aan de hand van bestaande bronnen een archeologische verwachting voor het plangebied opgesteld. Bij de inventarisatie van de archeologische waarden is gebruik gemaakt van gegevens van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) (ARCHIS 3) en de gemeentelijke archeologische beleidskaart. Relevante archeologische publicaties zijn bestudeerd. Met name voor de recentere archeologische periodes zijn diverse historische bronnen geraadpleegd. Er is gebruik gemaakt van het Actueel Hoogtebestand Nederland en oude kadastrale en topografische kaarten. Bouwdossiers zijn in deze fase van het onderzoek in overleg met opdrachtgever nog niet bekeken. De doorlooptijd van deze opdracht is daarvoor te kort. Literatuur over de geologie, geomorfologie en de bodemopbouw van het onderzoeksgebied is eveneens bestudeerd om op basis van locatiekeuze-theorieën een uitspraak te doen over de kans op aanwezigheid van archeologische resten. Daarnaast is dhr. T. van der Zanden van de Werkgroep Archeologie Cuijk (WAC) telefonisch bevraagd, wegens zijn specifieke gebiedskennis. In navolgende paragrafen worden de resultaten van het bureauonderzoek beschreven. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een synthese in de vorm van een specifieke archeologische verwachting voor het plangebied Grotestraat Zuid.
Een opsomming van de geraadpleegde literatuur en gebruikte kaarten is terug te vinden in de literatuurlijst. Voor een tabel met een overzicht van geologische en archeologische tijdvakken wordt verwezen naar bijlage 1. Hieronder wordt eerst ingegaan op de landschappelijke situatie in de regio en het plangebied. Daarna worden achtereenvolgens de historische en de archeologische bronnen die relevant zijn voor het plangebied Grotestraat Zuid gepresenteerd. Zij vormen de ingrediënten voor de specifieke archeologische verwachting die voor het plangebied geldt.
2.2
Landschappelijke ontwikkeling
Algemeen Het Land van Cuijk ligt op een geomorfologisch scharnierpunt in het rivierenlandschap van Zuid-Nederland. Ten zuiden van Cuijk bevindt zich een relatief nauw Maasdal, ingeklemd tussen de Peelhorst in het westen en de stuwwal van Nijmegen en het Maasterrassenlandschap in het oosten.2 Ten westen van het Land van Cuijk bevindt zich het Maaslandschap waarin de rivier zich in verhouding tot het zuidelijk deel makkelijker lateraal kan verplaatsen en minder aan één vaste rivierloop gebonden is. Het regime van de rivier verandert bij dit scharnierpunt van insnijdend (verticale erosie) in het zuiden naar aggraderend 2
Buitenhuis et al. 1991.
13
(laterale accretie) in het westen. In het geologische verleden heeft ook de Rijn een rol gespeeld bij de totstandkoming van het Land van Cuijk. Hieronder zal globaal de ontstaansgeschiedenis van het landschap rond het onderzoeksgebied beschreven worden. Geomorfologisch gezien ligt het Land van Cuijk in het oostelijke Maaslandschap van Noord-Brabant.3 Van der Beek & Isarin stellen dat, op grond van hun paleogeografische reconstructie, in het Land van Cuijk drie terrassen kunnen worden onderscheiden:4 het Laagterras, het X-terras en de huidige holocene dalvlakte. De ‘fluviatiele’ geschiedenis laat zich in dit gebied als volgt omschrijven: het laagterras is in het Pleniglaciaal (27.000-13.000 jaar BP) opgebouwd door de vlechtende Rijn en Maas. De riviervlakte is dan ongeveer 10 km breed. Tijdens het Pleniglaciaal begon tussen ca. 13.000 en 10.800 BP de erosie van het Laagterras (dat gevormd was in het Pleniglaciaal). De waterafvoer is geconcentreerd in een aantal meanderende hoofdgeulen die zich sterk insnijden. De overige geulen verkeren in een fase van verlanding. In het Bølling-Allerød Interstadiaal (ca. 13.000 tot 10.800 BP) en in de periodes wordt door een meanderend riviersysteem een leemlaag (de zgn. Laag van Wijchen) afgezet. Het X-terras wordt in de Late Dryas gevormd (ca.
10.800 tot 10.000 BP) en omvat een dalvlakte van een vlechtend riviersysteem met een breedte van zo’n 2,5 km. De Maas is in deze periode een vlechtende rivier. Door opvulling van de insnijdingen uit de Allerød-periode en laterale erosie ontstaat een nieuwe dalvlakte, die bij de vroeg-holocene insnijding werd omgevormd tot terras (het X-terras). De tweede helft van de Late Dryas, die koud en droog was, is de belangrijkste periode geweest voor verstuiving. Hierbij werd het rivierzand uit drooggevallen rivierbeddingen opgestoven door wind uit overwegend westelijke richting. In tegenstelling tot de rivierduinen aan de oostkant van de Maas in Noord-Limburg en in het Land van Maas en Waal, bereikten de rivierduinen in het Land van Cuijk niet zulke grote hoogten. Ook onder de oude kern van Cuijk en op diverse locaties daar omheen, zoals de hoge kop Het Zand in het noorden van het plangebied, is waarschijnlijk dergelijk rivierduinzand in deze periode opgestoven. Dit zand wordt gerekend tot de Afzettingen van Delwijnen van de Formatie van Kootwijk. In het Preboreaal (ca. 10.000 tot 9.000 BP) snijdt de Maas zich diep in haar bedding in. In de holocene dalvlakte stroomt sinds het vroeg-Preboreaal de meanderende Maas. In het huidige Land van Cuijk is dit dal maximaal 500 m breed.5 De Maas concentreert in deze periode haar waterafvoer in één geul.
Sinds het Preboreaal zal de Maas, net als tegenwoordig, periodiek hoogwaters hebben gekend, waarbij vooral de laag liggende gebieden onderliepen en de hogere delen en terrassen droog bleven. Uit het bovenstaande kunnen we het volgende constateren: de centrale landschapsvormende factoren in en rond het onderzoeksgebied zijn enerzijds de erosie van de zich insnijdende en lateraal verplaatsende hoofdgeulen door de tijd en anderzijds de afzetting van sediment buiten de geulen. Als toegevoegde landschapsvormende factor gelden de eolische afzettingen (rivierduinzanden) die tijdens de Late Dryas vanuit de vlechtende riviervlakte op de hogere terrasrestruggen werden afgezet, en die dus vaak de hoge gronden in de microregio vormen. Dergelijke hoge plaatsen vormden direct langs de Maas belangrijke woonlocaties, zowel in prehistorische als in historische tijden, die vaak ook bij hoogwater 3
Ibidem. Van der Beek & Isarin 1990. 5 Van der Beek & Isarin 1990, fig. 13. 4
Archeologisch bureauonderzoek
14
relatief veilig en droog waren. Eén en ander wordt geïllustreerd door foto’s, genomen tijdens de hoogwaters van 1920 en 1926. Delen van het centrum van Cuijk zijn dan nog droog, terwijl grote delen van het achterland onder water staan. Dat niet alle delen van de hoge gronden direct langs de Maas gespaard bleven tijdens hoogwater wordt aangetoond door foto’s van dezelfde overstromingsperioden ter hoogte van de huidige Markt. Daarop is duidelijk te zien dat delen zijn weggeslagen. Ook tijdens het onderzoek GrotestraatBergbezinkbassin is gebleken dat delen van hoger gelegen gronden ter hoogte van Het Zand zijn verspoeld. De Maas bleef dus tot relatief kort geleden het landschap beïnvloeden.
Gebiedsspecifiek Het oudste bewoningsniveau kan verwacht worden in de top van het hoog gelegen laat-pleniglaciale terras (figuur 2.2). Vermoedelijk ligt het plangebied op dit rivierterras. Dit niveau kan gebruikt en bewoond zijn geweest vanaf het laatpaleolithicum. Op het laat-pleniglaciale terras is tijdens het Bølling-Allerød interstadiaal de Laag van Wijchen afgezet, waarin zich lokaal door de verbetering van het klimaat een bodem kan hebben gevormd. In deze fase (laatpaleolithicum) kan het gebied ook bewoond zijn geweest. Plaatselijk is op het laat-pleniglaciale terras in het Preboreaal een tweede laag zandige klei afgezet, die eveneens tot de Laag van Wijchen wordt gerekend.
15
Afbeelding 2.1 Het plangebied geprojecteerd op de geomorfologische kaart (bron: Geomorfologische kaart van Nederland) . Gezien het tijdstip van afzetting kan het terrasniveau wederom bewoond zijn geweest vanaf het Vroeg-Holoceen (vroeg-mesolithicum). Ook is het waarschijnlijk dat ter plekke van het plangebied lage rivierduinen aanwezig zijn. Het plangebied ligt op basis van de hoogtekaart (figuur 2.3) en de bodemkaart (figuur 2.4) namelijk ten noorden van een vlechtende geul behorende tot het Laat-Pleniglaciaal terras. Aan de noordoostzijde van dergelijke vlechtende droog gevallen geulen dient rekening te worden gehouden met rivierduincomplexen. Uit het DINO-loket blijkt dat de omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een pakket fijn of matig fijn zand. Daaronder komt grof tot uiterst grof 6 zand met grind voor. De diepte waarop dit grove zand en grind voorkomt varieert sterk, van plaatselijk minder dan 1 m –mv tot meer dan 10 m –mv. Ten westen van de Grotestraat komt plaatselijk leem voor aan, of kort onder, de oppervlakte. Dit kan worden geïnterpreteerd als “Hochflutlehm” (overstromingsafzettingen, = Laag van Wijchen) op terrasafzettingen.
Op de geomorfologische kaart van Nederland (afbeelding 2.1) is het plangebied weliswaar niet gekarteerd, maar door extrapolatie van het omliggende, wel gekarteerde gebied kan worden aangenomen dat het plangebied in een zone met terraswelvingen (legenda-eenheid 3L28) ligt.7
Afbeelding 2.2 Lithogenetisch profiel, schematische weergave van het noordoostelijke deel van de gemeente Cuijk. Naar De Bont en Maas 2005, met aanpassingen door L. Tebbens (BAAC bv). Met de rode contour is globaal de ligging van het plangebied weergegeven. 8
Op de bodemkaart van Nederland is het plangebied vanwege de oorspronkelijke ligging buiten de bebouwde kom van Cuijk wel geclassificeerd (afbeelding 2.3). 6
DINOloket november 2017. Geomorfologische kaart van Nederland. 8 Bodemkaart van Nederland. 7
Archeologisch bureauonderzoek
16
Volgens de bodemkaart komen in het plangebied ooivaaggronden voor (Krd1), die zich hebben ontwikkeld in lichte zavel (Hochflutlehm). Ooivaaggronden zijn kalkrijke of kalkloze klei-, leem- of zavelgronden met een dunne humushoudende bovengrond (A-horizont tot 30 cm). Deze lichtbruin tot bruingrijs gekleurde Ahorizont ligt op een bruine, goed gehomogeniseerde en poreuze Bw-horizont. Daaronder bevindt zich de licht gekleurde en soms nog sterk textureel gelaagde ondergrond die nog weinig door bodemvorming is veranderd (C-horizont). De grondwaterstand is meestal laag. Het grootste deel van het terrein valt in een goed-ontwaterde zone die gekarteerd is onder grondwatertrap VIII. Dit wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand op meer dan 140 cm beneden maaiveld ligt. Voor het noordelijke deel van het terrein is geen grondwatertrap vastgesteld. In het uiterste oosten van het plangebied, ten oosten van de Grotestraat, is sprake van een dijk, waarvoor ook geen grondwatertrap is vastgesteld. Verwacht mag worden dat de grondwaterstand hier niet verschilt van het gebied ten westen van de dijk.
Afbeelding 2.3 Uitsnede van de bodemkaart van Nederland. Ter plekke van het plangebied worden ooivaaggronden verwacht, die zich hebben ontwikkeld in lichte zavel (uiterst siltige tot zwak zandige klei). De blauw gestippelde lijnen geven de mogelijke locaties van de restgeulen aan (bron: Bodemkaart van Nederland). Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, afbeelding 2.4) is te zien dat het plangebied relatief hoog ligt. Van noord naar zuid loopt het terrein enigszins op (van ongeveer 11,5 m +NAP tot circa 12,2 m +NAP), evenals van west naar oost.
17
Afbeelding 2.4 Ligging van het plangebied op de AHN (bron: AHN via PDOK).
Archeologisch bureauonderzoek
18
2.3 Bewoningsgeschiedenis 2.3.1 Inleiding Uit het tot nu toe uitgevoerde onderzoek blijkt dat het Maasdal bij Cuijk een zichtbare, continue gebruiks- en bewoningsgeschiedenis kent vanaf het laat9 paleolithicum/mesolithicum. De aantrekkingskracht van Cuijk en omgeving is gebaseerd op de gunstige morfologische ligging op een knooppunt van land- en waterwegen, zoals een oversteekplaats in de Maas en de overgang van een ingesneden rivierdal naar een breed uitwaaierend riviersysteem. Uit het laatpaleolithicum en het mesolithicum (35.000 – 5300 v. Chr.) zijn binnen de gemeente Cuijk diverse vuurstenen artefacten en enkele haardkuilen bekend van rondtrekkende jagers en verzamelaars. Uit het neolithicum (5300 tot 2000 v.C.) zijn zowel tijdelijke jacht- en/of verzamelaarskampementen als nederzettingslocaties bekend. Bekende vindplaatsen liggen onder andere in de microregio Linden, Cuijk-De Nielt (kuilen, aardewerk en bewerkt vuursteen) en in het centrum van Cuijk (grafheuvels en vlakgraven met Klokbekeraardewerk). In deze periode werden boerderijen gebouwd, akkers aangelegd en heeft men gronden voor het houden van vee. De invloed van de mens op de natuur was destijds nog bescheiden. Gedurende de bronstijd en de ijzertijd (2000 tot 12 v.C.) ontstonden grootschaligere nederzettingsarealen met daarbij akkers en grafvelden in de vorm van grafheuvels of grafvelden.
In de vroege en midden-bronstijd werd vooral begraven in grafheuvels en vlakgraven met inhumaties en crematies. In de late bronstijd en ijzertijd werden de doden vooral gecremeerd, waarna de verbrande resten met of zonder een urn in de grond begraven werden. De invloed van de mens op het landschap wordt in deze periode duidelijk zichtbaar. Voorbeelden van nederzettingen uit deze perioden zijn onder andere aangetroffen bij de Heeswijkse Kampen, De Nielt, Groot Heiligenberg en Vossenhol. Bewoningsresten zijn ook ontdekt bij onderzoek aan de Grotestraat, zelfs in het plangebied. Crematiegraven uit de late bronstijd en de ijzertijd kennen we onder meer uit onderzoek bij de St. Martinuskerk en van diverse locaties in de Heeswijkse Kampen. Bovendien is een inhumatiegraf uit de middenijzertijd op het terrein van Nutricia aangetroffen (zie hieronder). Gedurende de Romeinse tijd (12 v.C. tot 450 n.C.) lag Cuijk, destijds bekend onder 10 de naam Ceuclum, in de Romeinse grensprovincie Germania Inferior. Ceuclum lag langs de weg die Tongeren over Blerick met Nijmegen verbond en aan de weg e naar Xanten die langs de Niers liep. Ceuclum bestond in de loop van de 1 eeuw, e tot en met ten minste een deel van de 3 eeuw uit een vicus. Mogelijk was in de eerste eeuw een militair fort aanwezig. In de vierde eeuw is een castellum (militaire legerplaats) gebouwd evenals een brug over de Maas.
Tijdens archeologisch onderzoek zijn behalve de resten van het castellum en de brug ook onder andere een badhuis en tempels aangetroffen. Van het vroegmiddeleeuwse Cuijk wordt verondersteld dat het bestaat uit e e verspreid liggende gebouwen rond het verlaten Castellum. In de 12 /13 eeuw heeft het centrum van Cuijk zich ontwikkeld tot een burcht waar de heren van Cuijk zetelden. Bij opgravingen in andere centrumlocaties zijn uit deze periode de resten van een tufstenen keldermuur gevonden. Op basis hiervan mag worden aangenomen dat het bewoningscentrum zich concentreerde rond het centraal kerkelijke en bestuurlijke machtscentrum, waarbinnen de handel op de Maas een belangrijke rol speelde. In de nieuwe tijd (1500-1850 na Chr.) en in de nieuwste 9
Koeling 2002. Van Berkel en Samplonius 2006.
10
19
tijd (vanaf 1850 na Chr.) ontwikkelt Cuijk zicht tot regionaal agrarisch industrieel centrum. Belangrijke activiteiten zijn de leerbewerking en de vleesverwerking. Hieronder wordt dieper ingegaan op enkele kaarten en archeologische bronnen die relevant zijn voor het plangebied.
2.3.2 2.3.2 Historie Om een beeld te vormen van het historisch gebruik van het plangebied vormt historisch kaartmateriaal een goed uitgangspunt. Het kaartmateriaal dat voor het e plangebied voorhanden is, gaat terug tot de tweede helft van de 18 eeuw. Op de Topografische kaart van het Nederambt van het Land van Cuijk uit circa 1760 is het plangebied grotendeels leeg (afbeelding 2.5). De voorloper van de Grotestraat is uiteraard wel aanwezig, evenals een erf in het uiterste zuiden van het plangebied. Dit erf strekt zich deels ten zuiden van het plangebied uit. Het lijkt erop dat de zone ten westen van de Grotestraat in gebruik is als bouwland, terwijl ten oosten weilanden liggen.
Afbeelding 2.5 Het plangebied op de Topografische kaart van het Nederambt van het Land van Cuijk uit circa 1760 (bron: Collectie kaarten en tekeningen van het Streekarchief Brabant-Noordoost, rayon Land van Cuijk, te raadplegen via BHIC). De Tranchotkaart (afbeelding 2.6) is opgesteld in 1804. Hierop is centraal in het plangebied een westelijke aftakking van de Grotestraat ingetekend. In het noorden van het plangebied is een geïsoleerd liggend erf aan de weg weergegeven. In het zuiden is een klein cluster van bebouwing weergegeven, waarschijnlijk bestaande uit twee of drie erven. De bewoning die op de kaart uit circa 1760 is weergegeven, blijkt uitgebreid te zijn. Daarnaast zijn diverse wegen aangegeven vanaf de Grotestraat, die samenkomen bij het Hagelkruis direct ten westen van het plangebied. De rest van het plangebied is in gebruik als bouw- of weiland.
Archeologisch bureauonderzoek
20
Afbeelding 2.6 Plangebied op een uitsnede van de Tranchotkaart (bron: Tranchot et al., uitgave 1967). Van niet veel later dan de Tranchotkaart dateert de eerste kadastrale kaart. Op deze kaart, opgesteld in de periode 1811-1832, is te zien dat de huidige Grotestraat is weergegeven als de ‘Weg van Cuijk naar St. Agatha’. Het gebied ten oosten van deze weg is, net als op de voorgaande kaarten, onbebouwd. Wel zijn daar nu perceelsgrenzen aangegeven. In het noorden is te zien dat de grens van het plangebied samenvalt met een voorloper van Het Zand, genaamd de Lanestraat. De begrenzing van onderhavig plangebied in het westen is duidelijk e terug te zien in de perceelsindeling die in het eerste deel van de 19 eeuw bestond. Ten westen van de Grotestraat is op enkele percelen bebouwing aanwezig. Het gaat om vier percelen met elk meerdere gebouwen (afbeelding 2.7 en tabel 2.1). De bebouwing in het zuiden was ook al terug te zien op de kaart uit 1760 en de Tranchotkaart, maar is verder uitgebouwd. De bebouwing in het noorden is in 1760 nog niet aanwezig, maar is op de Tranchotkaart wel ingetekend. Centraal in het plangebied is een doodlopende zuidwestelijke aftakking van de Grotestraat opgetekend.
21
Afbeelding 2.7 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de kadastrale kaart uit het begin van de negentiende eeuw (Kadasterkaart 1811-1832).
Archeologisch bureauonderzoek
22
In de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels is per perceel informatie opgenomen onder meer over wie de eigenaar is en wat het grondgebruik is. Hieruit blijkt de volgende informatie: kadastraal nummer 421 422 423 424 425 426 427 428 472 473 474 475 476 477 478 479 480 481 482 483 484 485 486 489
eigenaar
beroep
gebruik
Gemeente van de Gereformeerden Gemeente van de Gereformeerden Johannes Jansen Johannes Jansen Johannes Jansen Antoon Keunen Erven Hermanus Thijssen Hendrik W. Woeldeeren David Snoeck David Snoeck David Snoeck David Snoeck David Snoeck Arnoldus van Lottum David Snoeck J.L.M. Cavellier J.L.M. Cavellier J.L.M. Cavellier J.L.M. Cavellier De Roomse Armen Cuijk J.L.M. Cavellier Gerardus M. Verhoeven Jan Schik J.L.M. Cavellier
-
moestuin
-
pastorie, schuur en erf
arbeider arbeider arbeider smid predikant rentenier rentenier rentenier rentenier rentenier bouwman rentenier zilversmid molenaar -
huis en erf moestuin bouwland bouwland bouwland bouwland moestuin huis en erf schuur boomgaard bouwland bouwland hakhout opgaande gebouwen huis, schuur en erf moestuin bouwland bouwland bouwland bouwland hooiland bouwland
Tabel 2.1 Informatie uit Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels kadastrale kaart 1811-1832. e
Op de bonnekaart uit het begin van de 20 eeuw (afbeelding 2.8) is te zien dat de situatie aan de westkant van de Grotestraat nog niet veel veranderd is ten e opzichte van die in het begin van de 19 eeuw. De bebouwing is niet uitgebreid. Wel is de perceelsindeling enigszins aangepast. Tevens is te zien dat de vertakking e van de Grotestraat die in het begin van de 19 eeuw nog doodlopend was, nu is doorgetrokken. Aan de oostkant van de Grotestraat is in het noordelijk deel thans wel bebouwing zichtbaar, in de vorm van zuivelfabriek Lacto. Lacto e (afbeelding 2.10), opgericht in 1907, was in het begin van de 20 eeuw één van de twee grote zuivelfabrieken in Cuijk. Iets verder naar het noorden, aan het huidige Maasveld, werd in 1904 de Stoomzuivelfabriek St. Maarten opgericht (afbeelding 2.9).11 Lacto heette vanaf 1924 Nutricia, waarvan de fabrieken tot op de dag van vandaag staan op de plek waar ooit Lacto was gevestigd. Verder naar het oosten is op de bonnekaart te zien dat sprake was van een helling. Het terrein loopt hier af richting de Maas.
11
FAD Heemkundegroep 2015.
23
Afbeelding 2.8 Het plangebied, geprojecteerd op de Bonnekaart uit het begin van de 20e eeuw (bron: topotijdreis). De situatie verandert in de decennia hierna weinig. Het plangebied blijft grotendeels onbebouwd. Wel verandert het stratenplan ten westen van de Grotestraat. In de jaren ’60 van de vorige eeuw zijn op de plek van de huidige Nutriciafabriek enkele straten ingetekend (afbeelding 2.11).
Archeologisch bureauonderzoek
24
Afbeelding 2.9 Zuivelfabriek St. Maarten aan het huidige Maasveld (bron: http://www.thuisinbrabant.nl/object?id=brabantcloud_bhic_bhic-dc3fc860-950b11e1-bca0-3860770ffe72-78468c40-45f9-11e3-9532-d7ec733adbb0).
Afbeelding 2.10 Zuivelfabriek Lacto (vanaf 1924 Nutricia geheten) aan de Grotestraat (bron: http://www.thuisinbrabant.nl/object?id=brabantcloud_bhic_bhic-dc3fc860-950b11e1-bca0-3860770ffe72-f3663ab0-45f9-11e3-8c9d-8f5a16768262).
25
Afbeelding 2.11 Het plangebied, geprojecteerd op de topografische kaart van 1962 (bron: topotijdreis). In het begin van de jaren ’70 wordt de Nutriciafabriek uitgebreid met gebouwen ten noorden van deze straten (afbeelding 2.12). Aan het eind van het decennium heeft het fabrieksterrein een dusdanige omvang aangenomen dat de straten die in de jaren ’60 waren aangelegd, alweer het veld moeten ruimen. Afgezien van de Nutriciafabriek blijft het plangebied grotendeels onbebouwd. Wel verandert het stratenplan rondom het plangebied drastisch, en dit heeft ook gevolgen voor het stratenplan binnen het plangebied. Direct ten oosten en ten zuiden van het plangebied worden respectievelijk de Maasboulevard en de Hapsebaan aangelegd. De Grotestraat, die tot dan toe direct aansloot op de huidige
Archeologisch bureauonderzoek
26
Odiliadijk, wordt in westelijke richting verlegd, en aangesloten op de Hapsebaan. Hierdoor ontstaat ruimte voor de Maasboulevard. In het zuiden van het plangebied wordt tevens een nieuwe weg aangelegd die de Grotestraat aansluit op de kruising Maasboulevard/Hapsebaan. De bebouwing die tot dan toe in dit deel van het plangebied aanwezig was, verdwijnt grotendeels.
Afbeelding 2.12 Het plangebied, geprojecteerd op de topografische kaart uit 1978 (bron: topotijdreis). Aan het einde van de jaren ’80 wordt in het zuidwesten van het plangebied het Merletcollege gebouwd (afbeelding 2.13). Aan het eind van de jaren ’90 wordt ook de zuidoosthoek van het plangebied volgebouwd, met het gebouw waar thans de Formido is gevestigd (afbeelding 2.14).
27
Afbeelding 2.13 Het plangebied, geprojecteerd op de topografische kaart uit 1988 (bron: topotijdreis).
Archeologisch bureauonderzoek
28
Afbeelding 2.14 Het plangebied, geprojecteerd op de topografische kaart uit 1999 (bron: topotijdreis).
2.3.3 Archeologie Inleiding Zowel het centrum als het buitengebied van Cuijk is rijk aan archeologische vondsten. In en rondom Cuijk kennen we sporen en artefacten die dateren vanaf het laat-Paleolithicum tot en met de postmiddeleeuwse periode. Met name vindplaatsen uit de metaaltijden en de Romeinse tijd zijn talrijk. Rondom het hier behandelde plangebied spelen vooral Romeinse en middeleeuwse vindplaatsen
29
een rol, maar ontbreekt het bepaald niet aan sporen en vondsten uit de prehistorie. Het centrum van Cuijk is archeologisch voornamelijk bekend geworden door verschillende opgravingscampagnes, door de meldingen die voortkomen uit schatgraverij en door de oplettendheid van lokale archeologen bij bouwwerkzaamheden.
Afbeelding 2.15 Archismeldingen en archeologische monumenten, geprojecteerd op de archeologische beleidskaart van de gemeente Cuijk.
Beleid
Archeologisch bureauonderzoek
30
Over het algemeen zijn in Nederland op verschillende niveaus (landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk) archeologische (verwachtings-)kaarten opgesteld. Het huidige beleid, dat van toepassing is op het plangebied, is gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidskaart (afbeelding 2.15).12 Hierop is het gebied gekarteerd als ‘waarde – archeologie 5’. In het bijbehorende archeologisch beleidsplan is te lezen dat voor deze gebieden een hoge archeologische verwachting geldt. In het beleidsplan is vastgelegd dat voor 2 ontwikkelingen met een oppervlakte groter dan 2.500 m en een diepte groter dan 50 cm beneden maaiveld, een onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden noodzakelijk is.
Archeologische monumenten In de directe omgeving van het plangebied liggen drie terreinen die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) als monument zijn aangemerkt (afbeelding 2.15, tabel 2.2). Twee ervan liggen ten noorden van het plangebied; één ligt ten westen daarvan. Het betreft de volgende monumenten: AMKAMKterrein 9389
Afstand tot plangebied 800 m west
13979
450 m noord
15716
direct ten noorden
Status
Datering
Opmerkingen
hoge archeologische waarde
Romeinse tijd, vroege middeleeuwen LaatRomeinse tijd
Mogelijk grafveld uit de Romeinse tijd/vroege middeleeuwen. Resten van een brug uit de Romeinse tijd
midden neolithicum A-late middeleeuwen, Romeins
Terrein met sporen van bewoning uit het Midden- en Laat Neolithicum, de Brons- en IJzertijd, de Romeinse periode en de Vroege- en Late Middeleeuwen. Bovendien een Romeinse fortificatie en de Motte van de Heren van Cuijk.
zeer hoge archeologische waarde, beschermd hoge archeologische waarde
Tabel 2.2 AMK-terreinen in de omgeving van het plangebied. Archeologische onderzoeken Binnen de bebouwde kom van Cuijk is in het verleden een groot aantal archeologische onderzoeken uitgevoerd. Deze variëren van kleinschalige booronderzoeken tot opgravingen. In bijlage 2 is een lijst opgenomen van onderzoeken die binnen het plangebied zijn uitgevoerd. In bijlage 3 staan de onderzoeken die binnen een straal van 500 m rondom het plangebied, ten westen van de Maas, hebben plaatsgevonden. Het zou te ver voeren de resultaten van alle onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied (binnen een
12
Archeologische beleidskaart gemeente Cuijk 2009. Voor het Maasdal is een regionale archeologische verwachtingskaart opgesteld. Het plangebied valt hier echter net buiten.
31
straal van 500 m) hier te bespreken. Hieronder wordt per periode daarom een selectie van de belangrijkste onderzoeken besproken.13
Prehistorie Het huidige centrum van Cuijk is gelegen op relatief hoge ruggen aan de oever van de Maas. Deze ruggen zijn al vanaf het mesolithicum in gebruik. Tijdens opgravingen onder leiding van Bogaers in de jaren ’60 zijn enkele mesolithische vuurstenen werktuigen gevonden.14 De vroegste grondsporen dateren wat later, vanaf het midden- of laat-neolithicum. In het laat-neolithicum werden één of meerdere begravingslocaties ingericht rondom de plek waar thans de St. Martinuskerk staat, op enkele honderden meters ten noorden van het huidige plangebied. Bogaers heeft meerdere vlakgraven en grafheuvels uit het laatneolithicum en de bronstijd opgetekend.15 Zeker één graf kan op basis van de vondsten tot de laat-neolithische klokbekercultuur worden gerekend. Het terrein rondom de huidige St. Martinuskerk bleef ook in de bronstijd en de ijzertijd als begraafplaats in gebruik. Uit de bronstijd is door Bogaers tenminste één grafheuvel herkend waarvan de centrale bijzetting twee over elkaar geplaatste potten uit de late midden-bronstijd bevatte.16 In dezelfde periode dateert Bogaers een aantal vlakgraven die op deze plek zijn aangetroffen. Uit de ijzertijd zijn crematiegraven herkend. Meer recent zijn ook binnen het huidige plangebied sporen van begraving uit de ijzertijd aangetroffen.
In het noordoosten van het plangebied, ten oosten van de Grotestraat (afbeelding 2.16), is tijdens een onderzoek door BAAC op het terrein van Nutricia een aardewerken schaal aangetroffen met daarbij restanten van menselijke tanden.17 Het betreft onverbrande resten, waaruit kan worden opgemaakt dat de aangetroffen schaal is bijgezet in een inhumatiegraf, waarbij van het menselijke botmateriaal alleen de tandkapsels bewaard zijn gebleven. Op basis van het aardewerk dateert het graf waarschijnlijk in de periode ca. 450-325 v.Chr. Andere aan nederzettingen gerelateerde sporen uit deze periode zijn onder andere aangetroffen op het terrein van de St. Martinuskerk. Ze bestaan o.a. uit plattegronden van tenminste twee zogenaamde spiekers.18 Binnen het huidige plangebied zijn tijdens het onderzoek ten behoeve van het aanleggen van een bergbezinkbassin in de Grotestraat (zie afbeelding 2.16) nederzettingssporen uit de late bronstijd/ijzertijd aangetroffen.19 Het betreft hier kuilen en paalsporen, waaruit geen plattegronden kunnen worden gereconstrueerd. Circa 1 km ten zuiden van het huidige plangebied zijn tijdens het onderzoek op de locatie Messemaker ook bewoningssporen uit de ijzertijd aangetroffen.20 Deze sporen bestaan onder andere uit afvalkuilen, paalsporen en greppels.
Romeinse tijd De bekendste archeologische resten uit het centrum van Cuijk stammen uit de Romeinse tijd. Cuijk was in een groot deel van de Romeinse tijd een belangrijk regionaal centrum. De nederzetting uit die periode heette Ceuclum, zoals 13
De tiencijferige nummers in voetnoten zijn zaakidentificatienummers uit Archis, en zijn terug te vinden in de genoemde bijlagen. Als bij de verwijzing geen zaakidentificatienummer staat ligt het betreffende onderzoek buiten de straal van 500 m rondom het plangebied. Deze onderzoeken zijn wegens hun belang voor de verwachting in het plangebied toch meegenomen. 14 Bogaers 1966 (3120470100); Koeling 2002. 15 Bogaers 1966, 123 (3120470100). 16 Bogaers 1966, 123 (3120470100). 17 Kemme en Ball 2014 (in Kemme 2014), 30-32 (2374259100). 18 Bogaers 1966, 123-124 (3120470100); Koeling 2002, 19. 19 Ball 2006, 29 (2034941100). 20 Geraeds 2006.
Archeologisch bureauonderzoek
32
vermeld staat op de Tabula Peutingeriana, een middeleeuwse kopie van een Romeinse wegenkaart.21 Cuijk was gelegen aan de Romeinse weg tussen Nijmegen en Tongeren. Volgens Haalebos moet deze weg bij Cuijk hebben gekruist met de weg die langs de rivier de Niers naar Xanten liep.22 Het kruispunt van wegen, gecombineerd met de mogelijkheid om hier de Maas over te steken, moet deze locatie een belangrijke strategische betekenis hebben gegeven. De vicus uit de Romeinse tijd ligt enkele honderden meters ten noorden van het huidige plangebied. Bij de opgravingen rondom de St. Martinuskerk zijn twee e grachten uit de 1 eeuw n.Chr. aangetroffen.23 Mogelijk gaat het hier om resten van een militair fort (castellum), al is de interpretatie van die resten zeker niet definitief. Bij opgravingen aan de Grotestraat zijn resten van langwerpige houten huizen aangetroffen die aan de vicus kunnen worden toegeschreven. De huizen waren haaks op de Romeinse weg georiënteerd. In de gebouwen zijn duidelijke aanwijzingen gevonden van werkplaatsen voor metaalbewerking. e
e
Het mogelijke castellum verloor aan het eind van de 1 of begin van de 2 eeuw zijn militaire rol. De vicus kwam in deze periode echter tot bloei. Of de vermoede militaire betekenis van Cuijk totaal verdween, is niet bij alle onderzoekers geheel duidelijk. Bogaers noemt in dit verband een eventuele aanwezigheid van een militaire politiepost, een statio, ten tijde van de bloeiperiode van de burgerlijke e e nederzetting. Waarschijnlijk aan het eind van de 1 of aan het begin van de 2 eeuw werd op het terrein van het vermoede (voormalige?) fort een circa 6 m brede grindweg aangelegd.24 Aan weerskanten van die weg werden in de loop e van de 2 eeuw rechthoekige stenen gebouwen opgericht die worden geïnterpreteerd als Gallo-Romeinse tempels. Ook andere, niet-religieuze, gebouwen in de vicus kunnen geheel of gedeeltelijk in steen zijn opgetrokken. Eén en ander wordt duidelijk gemaakt door een monumentale kalkstenen kelder zoals die is aangetroffen op het terrein van Grotestraat 12-14.25 Een laatste belangrijk bouwwerk dat in verband met de vicus genoemd moet worden, is het vermoede badhuis. Tijdens het onderzoek van de percelen Grotestraat 18-22 zijn de restanten van een groot, aan de binnenkant bepleisterd, gebouw met stenen fundering en een pannendak aangetroffen.26 De muren van het gebouw waren gedeeltelijk uit tufsteen opgetrokken en de vloer was gemaakt van beton.
Het is met name de vondst van een tufstenen apsis en enkele delen van stevig geconstrueerde afwateringsgoten die de opgravers doen vermoeden dat het hier om de restanten van een badhuis gaat.27 Recentelijk (najaar 2017) zijn eveneens mogelijke resten van een badhuis aangetroffen tijdens een archeologische begeleiding van rioleringswerkzaamheden. Daarbij zijn ook de resten van muurschilderingen aangetroffen. e
Uit het archeologisch onderzoek in het centrum van Cuijk blijkt dat het in de 2 e en tenminste een deel van de 3 eeuw was uitgegroeid tot een urbaan centrum, dat in de regio een centrale functie had.28 Zo kan bijvoorbeeld uit de restanten van religieuze gebouwen en uit enkele losse vondsten geconcludeerd worden dat 21
Voor de Romeinse naam van Cuijk zijn ook Cudiacum, Ceudiacum en Ceucium voorgesteld. Haalebos 2002a, 21 naar Bogaers 1967, 110, noot 41. Zie ook Bogaers 1966, 124. 22 Haalebos 2002a, 21. 23 Bogaers 1966, 124-125 (3120470100). 24 Bogaers 1966, 126 (3120470100). Haalebos 2002b, 37. Bogaers spreekt van een 8 meter brede grindweg. 25 Van Enckevort en Haalebos 2002, 39 (3122000100). 26 Van Enckevort en Thijssen 1998, 40-42. 27 Van Enckevort en Thijssen 1998, 159-160. 28 Hiddink (1991) spreekt in dit verband van een rural centre.
33
in het Romeinse Cuijk zowel door lokale lieden als door mensen uit een groter gebied aan verering werd gedaan. Er wordt geschat dat de nederzetting Ceuclum een oppervlakte van tussen de 6 en de 10 ha besloeg.29 De zuidgrens van de vicus zou op ongeveer 200 meter of mogelijk iets minder ten noorden van de huidige Markt gezocht moeten worden en 300 tot 350 meter ten noorden van het huidige plangebied. De noordgrens lag mogelijk ter hoogte van de Lage Weidjes.30 Het feit dat Cuijk in de Romeinse tijd zeker een militair belang heeft gehad, blijkt e wel uit het feit dat in de 4 eeuw een castellum aanwezig was. Hierin zijn tenminste twee bouwfasen onderscheiden. Het fort moet ongeveer 31 trapeziumvormig zijn geweest. De buitengrens werd gevormd door twee min of meer parallelle spitsgrachten, die mogelijk ook recentelijk tijdens een rioolbegeleiding zijn herkend. Binnen de grachten was in eerste instantie een houten en aarden wal opgeworpen. In een latere bouwfase is aan de buitenkant van de wal een muur gebouwd met op verschillende plaatsen halfronde 32 uitspringende torens en vermoedelijk ook hoek- en poorttorens. Aan de oostzijde van het castellum heeft in de laat-Romeinse tijd een stenen brug over de Maas gelegen, waarvan de geschiedenis na verschillende oude en nieuwere meldingen door middel van een bijzonder onderzoek, boven water is gehaald.
De vermoede eerste bouwfase van deze brug dateert rond 340, de laatste bouwfase e 33 rond de jaren ‘90 van de 4 eeuw.
Romeins grafveld Behalve de militaire en burgerlijke gebouwen uit de Romeinse tijd zijn in en nabij het huidige centrum van Cuijk ook grote hoeveelheden begravingen uit die periode bekend.
Ligging Het grafveld van Ceuclum strekte zich uit langs het tracé van de Romeinse weg aan de zuidzijde van de militaire en burgerlijke nederzetting, en loopt in ieder geval door tot ver in het huidige plangebied. Het heeft daarmee een lengte van tenminste zo’n 500 m. Het is echter niet uitgesloten dat het grafveld zich nog veel verder uitstrekt, al dan niet aaneengesloten. Direct ten zuiden van het Nutriciaparkeerterrein is recentelijk nog een graf opgegraven (zie hieronder), maar op zo’n anderhalve kilometer verder in zuidelijke richting zijn eveneens begravingen aanwezig. Tijdens het onderzoek op de locatie Messemaker, direct ten zuiden van de bebouwde kom van Cuijk, zijn namelijk eveneens aanwijzingen voor Romeinse 34 begravingen aangetroffen. Hieruit blijkt dat groepen graven zich ook nog ten zuiden van het nu bekende grafveldareaal zullen bevinden, al behoren zij mogelijk tot andere grafvelden/grafgroepen. Archeologisch onderzoek binnen het huidige plangebied kan een aanmerkelijke bijdrage leveren aan de kennis van het grafveld.
29
Van Enckevort en Thijssen 1998, 158. Zie afbeelding 1. pag. 154 in Van Enckevort en Thijssen 1998. 31 Haalebos 2002c, 84. 32 Bogaers 1966, 130. De laatste twee typen torens zijn echter tot op heden in Cuijk niet teruggevonden. 33 Goudswaard, Kroes en van der Beek 2000. 34 Geraeds 2006. 30
Archeologisch bureauonderzoek
34
Afbeelding 2.16 Ligging van de vicus en het (bekende deel van het) grafveld (raster), met daarbij afgebeeld de onderzoeken die in het verleden binnen het plangebied zijn uitgevoerd. De rode sterren geven de locaties van Romeinse graven aan die tijdens het onderzoek van BAAC in 2012 zijn gevonden.
35
Opvallend is dat het grafveld op verschillende plaatsen ten westen van de huidige Grotestraat is waargenomen, maar niet bij onderzoek dat ten oosten daarvan is uitgevoerd.35 Het lijkt er dus op dat toen het grafveld in gebruik was, er sprake was van een duidelijke begrenzing van de zone waar begraven kon/mocht worden. Het is niet duidelijk of deze begrenzing al dan niet fysiek in het landschap aanwezig was. Uit onderzoek is gebleken dat zich binnen het grafveld tussen de zones met begravingen ook anders ingerichte of lege zones bevinden. Bij een verkennend onderzoek naast de huidige Markt, middenin het bekende areaal van het grafveld, zijn in de vijf daar gegraven proefsleuven een aanzienlijke hoeveelheid losse vondsten, een aantal paalsporen, een ondiepe kuil en een greppel 36 37 gekarteerd. Graven zijn hier echter vooralsnog niet aangetroffen.
Gebruiksperiode Uit de datering van de tot nu toe onderzochte graven blijkt dat het grafveld e e e tenminste tussen de 1 en de 4 /5 eeuw in gebruik is geweest. Dit kan betekenen e dat het zowel gebruikt is om overledenen bij te zetten uit het mogelijke 1 e eeuwse castellum en de 4 -eeuwse opvolger daarvan, als overledenen uit de vicus. Of dit ook daadwerkelijk is gebeurd, is niet met zekerheid te zeggen. Hoe dan ook moet het aantal begravingen aanzienlijk zijn geweest, de schattingen lopen in de duizenden.
Onderzoek en waarnemingen op het grafveld Slechts enkele relatief kleine delen van het grafveld uit de Romeinse tijd aan de Grotestraat zijn tot nu toe opgegraven. Andere delen zijn uit oude en minder oude meldingen bekend. Vooral de gebieden tussen de schouwburg en de Markt en rondom de huidige Nutriciagebouwen zijn vondstrijk. Delen van het grafveld zijn ten prooi gevallen aan schatgravers, of zijn door niet archeologisch grondwerk beschadigd of verdwenen. Zo is bekend dat bij de uitbreiding van een bedrijfshal bij Nutricia meerdere crematiegraven zijn gevonden in funderingssleuven.38 De sporen die ‘urnendelvers’ hebben achtergelaten zijn op e de verschillende onderzochte terreinen zichtbaar. Met name in de 19 en het e begin van de 20 eeuw worden er aanzienlijke hoeveelheden vondsten gedaan in de tuinen van bewoners van Cuijk. Het gaat dan vooral om aardewerk en spijkers, maar ook om glaswerk, wat munten, een olielampje en metaalvondsten als 39 messen. De vele krantenberichten uit die periode spreken boekdelen. In zijn 40 Noordbrabants Oudheden vermeldt C.R. Hermans in 1865:
‘De inwoners vonden die voorwerpen (Romeinsche oudheden) in hunne tuinen toevallig bij het planten of rooijen van boomen, het maken van aardappelkuilen of het graven van wit zand, waneer zij daar door de teelaarde, ter diepte van ongeveer eene el, waren doorgedrongen.’ en:
35
Kemme 2014 (2374259100), Ball 2006 (2034941100). Ball & Heirbaut 2005 (2051213100). 37 Het is dan ook de vraag of we hier met slechts één groot, of meerdere kleinere en ruimtelijk gescheiden grafvelden te maken hebben. 38 2921624100 39 Deze berichten zijn geïnventariseerd en weergegeven in Fidelis, Elbers et al. 1992. Dergelijke dubieuze praktijken beperken zich niet tot de 19e en begin 20e eeuw. 40 Hermans 1865, overgenomen uit Elbers et al. 1992. 36
Archeologisch bureauonderzoek
36
‘de Romeinen hebben hier hun lijken in urnen bijgezet, van keizer Augustus tot Valentinianus I en dus van Chr. geboorte tot het jaar 375.’ Dergelijke activiteiten hebben natuurlijk schade toegebracht aan het grafveld. De archeologische opgravingen die ter plaatse van het grafveld zijn uitgevoerd hebben echter veel bruikbare informatie opgeleverd. Het onderzoek van de Werkgroep Archeologie Cuijk (W.A.C.) heeft vooral in de noordelijke helft van het bekende areaal van het grafveld plaatsgevonden. Op twee verschillende locaties zijn daar graven gekarteerd. Op het perceel van Grotestraat 68 zijn in 1989 twee crematiegraven onderzocht. Eén van de crematies ging vergezeld van een munt uit 70 na Chr.41 Een veel uitgebreider onderzoek op het perceel van Grotestraat 90-92 leverde een schat aan gegevens op.42 Dit onderzoek is uitgevoerd op enkele honderden 2 meters ten noorden van het huidige plangebied. Op een terrein van circa 600 m konden zeker 30 crematiegraven en een aantal ‘losse’ Romeinse vondsten worden onderzocht.43 Het gaat om urnbegravingen, bijzettingen van crematie in kuilen zonder brandstapelresten (crematierestendepot) en grafkuilen waarin ook brandstapelresten zijn gedeponeerd. In veel graven waren bijgiften van aardewerk geplaatst. Veel zeldzamer zijn bijgiften van metaal en glas. In dat opzicht is graf 9 bijzonder.
Dit graf bevatte enkele stuks aardewerk, een glazen ribkom en balsamarium,44 bronzen beslag van een vergaan houten kistje, enkele losse fragmentjes brons, een tweedelige verzilverde spiegel en een aantal metalen spelden in een kokertje. De vondsten wijzen erop dat de overleden persoon een vrouw geweest moet zijn. Een analyse van de crematieresten om dit te bevestigen heeft echter (nog) niet plaats gevonden. De graven die tijdens dit onderzoek zijn aangetroffen kunnen overwegend gedateerd worden in het derde e kwart van de 1 eeuw, waarmee ze in de vroegere gebruiksfase van het grafveld te plaatsen zijn. Ook recentelijk heeft de W.A.C. nog een graf gedocumenteerd langs de e Grotestraat, ditmaal uit de 2 eeuw.45 Het terrein onder de huidige parkeerplaats van Nutricia, gelegen in de noordelijke helft van het huidige plangebied, is in 1989 door de Rijksdienst voor Oudheidkundig bodemonderzoek (R.O.B.)46 opgegraven.47 Op een terrein van 2 ongeveer 1200 m zijn 42 crematiegraven aangetroffen (afbeelding 2.16).48 Het gaat in een aantal gevallen om crematierestendepots in een grafkuil, al dan niet met grafgiften. In andere graven waren brandstapelresten gedeponeerd. De bijgiften bestaan ook hier weer vooral uit aardewerken vaatwerk. Daarnaast zijn enkele munten, ijzerbeslag, messen, spijkers, bewerkt bot en glaswerk gevonden.
Opvallend is een grote onregelmatige kuil, ongeveer drie meter lang, met een 41
Elbers et al. 1992. Elbers et al. 1992. 43 Ook werden een aantal postmiddeleeuwse beerputten, waterputten, een paalspoor, verstoringen en sporen van de ‘urnendelverij’ gevonden. Elbers et al. 1992. 44 Een balsamarium is een zalfpotje/-flesje. 45 Mond. med. T. van der Zanden. 46 De R.O.B. is tegenwoordig bekend onder de naam RCE (Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed). 47 Het nieuwe Nutriciagebouw, dat op slechts enkele meters naast het hier besproken terrein ligt, is gebouwd op het grafveld. Dit gedeelte is nooit onderzocht. J. de Wit uit Grave heeft hier tijdens de bouw echter de inventarissen van een onbekend aantal Romeinse graven verzameld. Zij bevinden zich momenteel in zijn collectie. 48 (2019527100) Het onderzoek blijft tot op de dag van vandaag grotendeels ongepubliceerd, maar is wel verschenen als scriptie van F. Lippok (2013). De vlaktekeningen zijn met toestemming van de R.O.B. door E. Ball bestudeerd. Overige informatie afkomstig uit Hessing & Van der Zanden 2002. 42
37
houtskoolrijke vulling en crematieresten in een klein gedeelte van het spoor. Wellicht betreft dit een kuil waar brandstapelafval in is gedeponeerd, of mogelijk het restant van een ustrina (crematieplaats). Eén van de meest opzienbarende graven is een kuil waarin de resten van de dode zijn bijgezet in een kistvormige e constructie van zes tegulae (dakpannen). Een dergelijk graf was ook al in de 19 eeuw in het grafveld gevonden. Op basis van het vondstmateriaal is de groep graven die tijdens dit onderzoek is aangetroffen voornamelijk te dateren aan het e e einde van de 2 eeuw en mogelijk het begin van de 3 eeuw na Chr. Hoewel de graven verspreid over het hele opgegraven terrein liggen, bevindt de grootste concentratie zich aan de oostkant, dus aan de kant van de Grotestraat. Noch aan de westelijke, noch aan de oostelijke kant kan op basis van deze opgraving de begrenzing van het grafveld worden vastgesteld. Het grafveld is hier waarschijnlijk minimaal 35 meter breed. Omdat tijdens het onderzoek van de R.O.B. destijds maar één opgravingsvlak is aangelegd, is het niet ondenkbaar dat diepere sporen er niet (allemaal) zijn opgegraven. Zo is het opvallend dat er tijdens de opgraving geen randstructuren bij de graven zijn opgetekend, terwijl die in twee naastgelegen onderzoeken wél zijn waargenomen, maar op wat diepere niveaus.
Dat geldt ook voor de inhumatiegraven die bij naastgelegen bergbezinkbassin zijn opgetekend, die voornamelijk pas op een dieper niveau zichtbaar werden. Meer recent (2012) is door BAAC een begeleiding uitgevoerd rondom de locatie waar de R.O.B. in de jaren ’80 heeft opgegraven.49 De werkzaamheden behelsden het graven van een aantal smalle leidingsleuven, waardoor geen grotere delen zijn opengelegd. Desalniettemin zijn resten aangetroffen die aan het Romeinse grafveld kunnen worden toegeschreven. In de sleuven zijn drie crematiegraven en e een kringgreppel herkend. Van de graven is er één te dateren in de late 2 of in e e de 3 eeuw. Een ander graf kan niet vroeger zijn dan 2 -eeuws. Het derde graf is wegens gebrek aan vondstmateriaal niet te dateren. De kringgreppel is waarschijnlijk een randstructuur van een graf uit de Romeinse tijd. Een nauwkeurigere datering is hieraan niet te geven. Eén van de graven lag ten zuiden van de opgraving van de R.O.B., waardoor duidelijk is dat deze groep graven verder naar het zuiden doorloopt. Direct ten noorden van deze locatie zijn twee onderzoeken uitgevoerd: een opgraving door Archol en een kleinschalig proefsleuvenonderzoek door Diachron.
Het onderzoek door Archol beslaat circa 500 m2, gelegen op de plek van de huidige Grotestraat.50 Tijdens het onderzoek zijn vijf crematiegraven, enkele begeleidende randstructuren (kringgrepels), een crematieplaats (ustrina) en tien inhumatiegraven aangetroffen. De crematiegraven en de crematieplaats zijn e gedateerd in de eerste helft van de 2 eeuw. In één van de graven is een tufstenen askist, afgedekt met twee tegulae, aangetroffen. Dit kan als een zeer bijzondere vondst worden getypeerd. Niet minder bijzonder is de vondst van een crematieplaats, waarin de askist was ingegraven. Hiervan zijn in de regio vrijwel geen parallellen te vinden. De tien inhumatiegraven dateren (waarschijnlijk) in de e 4 eeuw. Botmateriaal was in de meeste graven niet bewaard gebleven. Wel zijn in vijf gevallen lijk- en/of kistsilhouetten herkend. Afgezien van enkele munten die in drie van de graven zijn meegegeven, zijn geen grafgiften aangetroffen. De inhumatiegraven werden overwegend pas op een dieper niveau herkend, omdat de kuilen ervan geen verbrandingsresten bevatten. In het zuiden aansluitend aan de door Archol onderzochte locatie is door Diachron een kleinschalig onderzoek uitgevoerd.51 Hierbij is één crematiegraf