CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Toelichting Lange Linden 27 Katwijk VA - Bestemmingsplan.pdf

Cuijk - commissie Ruimte 29 november 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: (ter vaststelling) Voorstel tot vaststelling Bestemmingsplan Lange Linden14.678 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

26

Figuur 9 Uitsnede gecumuleerde geurbelasting – Referentiesituatie 5.1.4 Geluid In het kader van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Op deze geluidsbronnen wordt navolgend ingegaan. Voorafgaand kan aangaande geluid gesteld worden dat met de oprichting van een logeeraccommodatie geen sprake is van een geluidsgevoelig object. Deze accommodatie wordt alleen in de weekenden en gedurende vakanties door wisselende gebruikers benut. Zij die komen logeren worden aldus niet langdurig aan eventueel geluid bloot gesteld. Ook bij het dagelijkse spelen is geen sprake van een langdurig verblijf van dezelfde personen. Om deze reden is de accommodatie vergelijkbaar met een recreatiewoning waarover het navolgende gesteld kan worden. Gezien de definitie van het begrip 'gevoelige objecten' in artikel 1 van het Activiteitenbesluit en uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een recreatiewoning in beginsel geen geluidgevoelig gebouw is in de zin van de Wgh. Uitspraak Raad van State 201708327/1/R6.

Vakantiewoningen die naar hun aard niet bestemd zijn voor bewoning in de zin van de Wet geluidhinder doch voor recreatief verblijf hoeven niet bij de besluitvorming te worden betrokken. ABRvS 30 mei 2000, nr. 199901166/1,Geluid, september 2000. Verder is er op de locatie sprake van een bestaande bedrijfswoning met als medegebruik logies, welk gebruik niet wijzigt. Wel dient beoordeeld te worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wegverkeer Gelet op de ruime afstand tot de weg Lange Linden van minimaal 130 meter, worden voor dit aspect geen belemmeringen voorzien. Ook de afstand tot de snelweg A73 van minimaal 800 meter is zodanig dat dit geen belemmeringen geeft. Een nader akoestisch onderzoek wegverkeer is niet benodigd.

27

Railverkeer Op een afstand van circa 800 meter is de spoorlijn Nijmegen-Cuijk gelegen. De spoorwegen met een geluidszone (het planologisch aandachtsgebied) langs een spoorweg staan op de geluidplafondkaart of de zonekaart. Deze geluidszone (planologisch aandachtsgebied) geldt alleen bij het ruimtelijk mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen. In de Regeling Zonekaart spoorwegen is per spoortraject de zonebreedte vastgesteld. Deze zonebreedte varieert van 25 tot maximaal 100 meter. Gelet op het feit dat geen nieuwe geluidsgevoelige bestemming wordt gerealiseerd en de afstand ruim buiten de maximale zone ligt, geeft dit geen belemmeringen. Industrielawaai Aan de overzijde van de Lange Linden is een industrieterrein gelegen. Om die reden is de locatie ook gelegen in de gebiedsaanduiding ‘geluidzone - industrie’. In de toelichting van het bestemmingsplan “Industrieterrein Haven Cuijk 2011” is gesteld; in verband met de aanwezigheid van inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder (kunnen) veroorzaken is voor het industrieterrein formeel een geluidzone vastgesteld bij Koninklijk Besluit d.d. 19 april 1991. Dit zoneringsbesluit maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan. Betreffende het aspect industrielawaai kan gesteld worden dat in de bestaande situatie reeds sprake is van een woning op de locatie.

Hiermee is reeds sprake van een gevoelig object waarmee in voornoemd zoneringsbesluit rekening is gehouden en waarmee ook de bedrijven reeds rekening dienen te houden. Aangenomen mag dus worden dat hieraan voldaan wordt en dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Recent is ook direct ten noorden van de locatie een industrieterrein bestemd. Hier wordt blijkens de toelichting bij dat bestemmingsplan voorzien in de mogelijkheid om ‘geluidarme’ bedrijvigheid te realiseren. De geluidarme bedrijvigheid zal hier voornamelijk bestaan uit bedrijven van maximaal categorie 1 en 2 met een maximale grootste richtafstand van 30 meter volgens de SBI-lijst uit de uitgave van VNG ‘Bedrijven en milieuzonering’. Onderhavige maatschappelijke bestemming is gelegen op een grotere afstand dan voornoemde 30 meter. De op te richten logeer- en recreatieaccommodaties zijn op een nog grotere afstand gelegen. Verder kan hier opgemerkt worden dat het destijds beoogde bedrijf zich niet hier gevestigd heeft. Er is dus enkel sprake van een bestemming. Inrichting Met de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een functie vergelijkbaar met maximaal een bedrijfscategorie-2 bedrijf met eveneens een maximaal aan te houden richtafstand voor geluid van 30 meter.

Aan deze richtafstand wordt ruim voldaan tot omliggende gevoelige bestemmingen, zijnde de gemengde bestemmingen ten oosten van de locatie. De aan- en afvoerbewegingen naar de locatie zullen voornamelijk met personenbusjes plaats vinden via de Lange Linden. Gelet op het aangrenzende industrieterrein verdwijnt het aantal verkeersbewegingen dat hiermee wordt gegenereert in het niet bij het bestaande aantal verkeersbewegingen over deze weg. Omliggende gevoelige objecten ondervinden aldus geen geluidshinder van onderhavige ontwikkeling. Het aspect geluid zal geen belemmering zijn voor de planvorming, nader akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk.

28

5.1.5 Externe veiligheid Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang te kijken naar gevaarleverende functies in of in de nabijheid van het plangebied. Daartoe moeten de risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten in beeld worden gebracht. Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van eenongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

29

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Beleidsvisie externe veiligheid gemeenten Land van Cuijk De gemeente Cuijk heeft samen met de gemeenten in het Land van Cuijk een regionale beleidsvisie externe veiligheid opgesteld. De beleidsvisie richt zich op het beheersen van externe veiligheidsrisico’s in de gemeenten Boxmeer, Cuijk, Grave, Mill en Sint Hubert en Sint Anthonis. De gemeenten hebben gekozen voor een gezamenlijke aanpak bij het opstellen van deze beleidsvisie omdat externe veiligheid veelal grensoverschrijdend is. Wanneer geen goede ruimtelijke scheiding van risico’s en risico-ontvangers wordt bereikt kunnen nieuwe knelpunten ontstaan. De gemeenten zetten daarom in op het maken van keuzes ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit en streven naar een logische en verantwoorde scheiding tussen de risicovolle activiteiten en kwetsbare groepen. Bij de verantwoording van het groepsrisico wordt een brede afweging van belangen van diverse beleidsvelden verwacht. Het integrale karakter van deze groepsrisicoverantwoording maakt dat nadrukkelijk afstemming moet plaatsvinden tussen de beleidsvelden ruimtelijke ordening, milieubeheer en de rampenbestrijding.

In de visie van de gemeenten in het Land van Cuijk moeten groepsrisicovraagstukken daarom integraal, dat wil zeggen in onderlinge afstemming tussen alle betrokken beleidsvelden, worden beoordeeld. Pas wanneer de verantwoording met de volwaardige inbreng van alle beleidsvelden heeft plaatsgevonden, kan sprake zijn van integrale besluitvorming. Voorwaarde om dit te bereiken is dat alle aspecten vroeg in het planvormingsproces worden meegenomen. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (art. 3.1 Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPGtankstations’, enz.. Inventarisatie Met behulp van de nationale risicokaart is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Een uitsnede van de risicokaart met het plangebied vindt u hieronder. Het plangebied is omcirkeld.

30

Figuur 10 Uitsnede risicokaart met plangebied (zwart omcirkeld). Uit de risicokaart blijkt, dat in de omgeving van het plangebied geen vaarwegen, spoorlijnen, buisleidingen of inrichtingen zijn gelegen, waarvan een risicocontour over het plangebied is gelegen. Het invloedsgebied van Oilwas Terminal Cuijk B.V. aan de Lange Linden 24 ligt niet over het plangebied, zie ook onderstaande foto van de Signaleringskaart EV.

Figuur 11 Uitsnede Signaleringskaart EV met plangebied (rood omlijnd). Wel is de planlocatie gelegen binnen het invloedsgebied van wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaats vindt. Het plangebied ligt deels binnen een afstand van 200 meter van de Langen Linden. De afstand tussen de A73 en het plangebied bedraagt circa 835 meter. Het invloedsgebied samenhangend met het vervoer van toxische stoffen over de A73 bedraagt 880 meter. Hiervoor dient toetsing aan het BEVT plaats te vinden.

31

Toetsing BEVT Relevante scenario’s i.r.t. het plangebied zijn een BLEVE en toxische stof. Een BLEVE kan veroorzaakt worden door een externe beschadiging, bijvoorbeeld een botsing of door het opwarmen van de tank als gevolg van een externe brand. Hierdoor scheurt de tank open. Het brandbare gas komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. De gevolgen voor objecten en mensen zijn afhankelijk van de afstand tussen de incidentlocatie en het plangebied, en het feit of personen binnen of buiten verblijven. Naarmate de afstand groter is zijn de gevolgen beperkter. Een giftige plas ontstaat doordat de tank van de tankwagen openscheurt na bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor stroomt een groot deel van de toxische stof in korte tijd uit. De stof verspreidt zich over de grond, dampt uit en vormt een giftige wolk. De wolk verspreidt zich snel met de wind mee. De gevolgen voor mensen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingsduur aan de gevaarlijke stof en het feit of men binnen of buiten verblijft. De kans dat ernstig letsel ontstaat wordt sterk gereduceerd als men binnen schuilt De afstand tussen de Lange Linden en het plangebied bedraagt ca.180 meter. Dit betekent dat er een reële kans bestaat dat in het plangebied aanwezige personen met een incident en de daarbij horende risico’s worden geconfronteerd.

De kans op een incident is erg klein als gevolg van veiligheidseisen rondom het vervoer van gevaarlijke stoffen en een beperkte transportfrequentie van deze stoffen over de Lange Linden. Groepsrisico Een beperkte verantwoording van de toename van het groepsrisico vanwege het plan is noodzakelijk. Voor het scenario BLEVE geldt vluchten als beste handelingsperspectief. Het plangebied wordt ontsloten op de Lange Linden. Vluchten in de richting van deze risicobron is ongewenst. In geval van een calamiteit kan vanuit de planlocatie echter ook naar het fietspad langs de Kraaienbergse plassen ten zuiden gevlucht worden. In geval aan deze zijde een hekwerk wordt gerealiseerd, zal hierin een poort aangebracht worden welke alleen vanuit de binnenzijde zonder hulpmiddelen te openen is. Voor het scenario toxisch geldt dat men binnen moet schuilen en ramen, deuren en ventilatie openingen moet sluiten. Een geïsoleerd gebouw biedt gedurende enkele uren bescherming tegen het binnen dringen van schadelijke stoffen. Gebouwen zijn voldoende aanwezig op het perceel. Conform art. 7 Bevt is een beperkte verantwoording van het groepsrisico toegevoegd in bijlage 6. Dit betreft de in samenwerking met de veiligheidsregio geschreven standaardverantwoording voor het scenario toxische wolk.

Aangaande het groepsrisico kan verder worden opgemerkt dat het bij het logeren gaat om kinderen in de leeftijd van 7 t/m 18 jaar. Kinderen tot 12 jaar zijn sterk verminderd zelfredzaam. Gelet op de doelgroep staan zij dan ook altijd en overal onder begeleiding. Dit geldt ook voor eventueel aanwezige kinderen in de verblijfsrecreatie, ook daar zijn ouders bij aanwezig. De aanwezigen worden geacht voldoende mobiel te zijn om zelfstandig te kunnen vluchten bij een calamiteit, mits tijdig gewaarschuwd door de begeleiding. Gewaarschuwd worden de personen (begeleiding) die verblijven in het plangebied direct door eigen waarneming, WAS sirene dan wel de inzet van NL-Alert. Verder wordt voorzien in een calamiteitenplan met instructies voor de begeleiders.

32

Conform art. 9 Bevt is de veiligheidsregio om advies gevraagd, dit advies van de brandweer is tevens opgenomen in de bijlagen. Beleidsvisie externe veiligheid Met voorgaande verantwoording van het groepsrisico past het plan tevens binnen de aanvullende kaders, zoals die zijn vastgelegd in de beleidsvisie externe veiligheid voor de gemeente Cuijk (Land van Cuijk 2012-2015). Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen beperkingen voor de omzetting naar een maatschappelijk bestemming. 5.1.6 Sociale veiligheid Onderhavig plan heeft geen invloed op de sociale veiligheid binnen de omgeving. 5.1.7 Water De gemeente Cuijk en haar waterpartners (waterschap Aa en Maas, provincie Noord-Brabant en waterleidingmaatschappij Brabant Water) hebben (gelijktijdig met de gemeenten Grave, Mill & Sint Hubert, Boxmeer en Sint Anthonis) een integraal waterplan opgesteld. De aanleiding hiervoor was de omslag in het denken en beleid rond water gedurende de afgelopen jaren: “In plaats van voort te borduren op het vertrouwde denken in waterbeheersing door technische ingrepen, is de nadruk komen te liggen op het aansluiten op de natuurlijke potenties van het landschap en het watersysteem (duurzaamheidprincipe).” Het waterplan heeft daarom de status van kaderstellend beleidsplan. Het plan is hierdoor een “parapluplan” voor andere gemeentelijke plannen waarin water een rol speelt.

Het plan kent echter geen directe planologische doorwerking. De waterdoelen en streefbeelden dienen wel door te werken in ruimtelijke afwegingen. De locatie is gelegen in het streefbeeld landelijk. Het streefbeeld voor dit gebied is als volgt geformuleerd: “Peilbeheer en inrichting van het watersysteem is afgestemd op agrarisch gebruik met een aanvaardbare wateroverlast. De waterhuishoudkundige functie is agrarisch peilbeheer (GGORlandbouw). Het water is aantrekkelijk, helder en schoon. Langs een aantal waterlopen zijn extensieve vormen van recreatie mogelijk. Daarnaast is de (landelijke) waterberging opgave gerealiseerd en voldoen de gronden oppervlaktewaterkwaliteit aan de normen en doelstellingen uit de Europese Kaderrichtlijn Water.” Met de ontwikkeling wordt aansluiting gezocht bij het waterplan van de regio. Daarnaast zal rekening gehouden worden met het beleid van het waterschap Aa en Maas. Bij nieuwe plannen dient onderzocht te worden hoe omgegaan wordt met het schone regenwater. Hierbij worden de afwegingsstappen ‘hergebruik - infiltratie buffering - afvoer’ (afgeleid van de trits ‘vasthouden - bergen - afvoeren’) doorlopen. Hergebruik van regenwater wordt vooral overwogen bij grootschalige voorzieningen als scholen en kantoorgebouwen. Voor particuliere woningen wordt dit, ook gezien de landelijke ervaringen met grijswatersystemen, niet gestimuleerd.

Binnen grondwaterbeschermingsgebieden kunnen door de grondwaterbeheerder aanvullende kwalitatieve eisen gesteld worden in de Provinciale Milieu Verordening. Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. De waterbeheerder voor de planlocatie is het waterschap Aa en Maas. Het beleid van dit waterschap is erop gericht dat nieuwe ruimtelijke en/of stedelijke ontwikkelingen geen negatieve invloed hebben op de bestaande watersystemen. Hemelwa-

33

ter afkomstig van nieuwe erfverharding en te bouwen bouwwerken dient te worden afgekoppeld op een infiltratievoorziening. Met dit plan is er een toename in verharding. In totaliteit is de oprichting van 900 m2 gebouwen mogelijk. Hiermee is niet gezegd dat deze ook opgericht worden. Ook is deze oppervlakte reeds nagenoeg aanwezig. In geval deze oppervlakte gerealiseerd wordt, zal er een passende voorziening ter opvang van het hemelwater gerealiseerd worden met een omvang van 60 mm per m2 verhard en bebouwd oppervlak. Uitgaande van 900 m2 betekent dit in totaal een voorziening met een inhoud van 54 m3. Aangezien de bebouwing verspreid op de locatie gerealiseerd wordt, zal er op drie plaatsen een passende voorziening gerealiseerd worden. Bij de nieuw te bouwen logeergebouwen wordt gekozen voor een greppel met een voldoende inhoud op enkel meters van de gebouwen. De bestaande boerderijwoning is voorzien van regenpijpen, met onderaan een bocht van 90 graden. Dit hemelwater vloeit op enige afstand van de woning over de grond (tuin). Het water infiltreert volledig ter plaatse in de aanwezige zandbodem. Gelet op de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse van 160-180 cm is dit ook goed mogelijk. Ook de toepassing van greppels is goed mogelijk.

Figuur 12 Uitsnede bodematlas provincie Noord-Brabant – GHG Bij de realisatie van de gebouwen worden geen uitlogende materialen toegepast. Dit maakt dat er geen vervuiling van het grondwater plaats zal vinden, en alleen schoon hemelwater zal worden geïnfiltreerd. Waterhuishoudkundig leidt het plan niet tot negatieve effecten.

34

5.1.8 Natuur In Nederland zijn flora en fauna beschermd via gebiedsbescherming en via soortenbescherming. De eerste is in het bijzonder verankerd in de Natuurbeschermingswet (via de Vogel- en Habitatrichtlijn) en beschermde (staats)natuurmonumenten. Soortenbescherming komt vooral tot uitdrukking in de Wet natuurbescherming. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: ecologische hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter) nationaal belang. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van plantenen diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Planlocatie In navolgende figuur is een uitsnede weergegeven van de themakaart natuur en landschap uit de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant. Het plangebied ligt niet in de directe nabijheid van het NNN. De ontwikkeling heeft daarvoor dan ook geen gevolgen.

Figuur 13 uitsnede themakaart natuur en landschap Verordening ruimte Voor de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is een quickscan uitgevoerd door Exlan met de navolgende conclusie. Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke sta-

35

tus hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten.

Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling van de locatie geen onevenredige nadelige gevolgen zal hebben voor natuurwaarden. 5.1.9 Cultuurhistorie Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorisch erfgoed moet worden beschermd. Het gaat dan om erfgoed in brede zin; in cultuurlandschappelijke, stedenbouwkundige en bouwhistorische betekenis. Voorgaande is sinds 1 juli 2016 vastgelegd in de Erfgoedwet. De bestaande woonboerderij heeft geen cultuurhistorische waarden. Wel is de locatie gelegen in de regio Maasvallei en Beerse en Baardwijkse Overlaat. De regio Maasvallei ontleent zijn cultuurhistorische betekenis aan de landschappelijke zonering van laag-, midden- en hoogterras. De verschillen in inrichting en het gebruik van deze zones zijn nog redelijk goed herkenbaar in het huidige landschap. Bijzondere cultuurhistorische waarde heeft het Maasheggengebied, waarin de locatie niet is gelegen. Het voorgenomen initiatief heeft geen effect op dit cultuurhistorisch landschap.

Het gebied van de Beerse Overlaat weerspiegelt 700 jaar waterstaatgeschiedenis. Het gebied van de Beerse en Baardwijkse Overlaat bestaat uit een aaneenschakeling van laaggelegen gronden, omgeven door donken en oeverwallen van de Maas en door dekzandruggen. Het systeem van de Beerse Maas was het meest uitgebreide overlaatstelsel van ons land. De inrichting en het gebruik van het gebied waren geheel op deze functie afgestemd. De vele landschapselementen vertellen het verhaal van deze bijzondere vorm van waterbeheer. In de omgeving van onderhavige locatie is met de komst van het industrieterein en de uitbreiding van Cuijk al zodanig veel veranderd dat onderhavige beperkte ontwikkeling niet bepalend is voor deze cultuurhistorische waarde.

36

Tot slot kan vermeld worden dat het perceel niet behoord tot een beschermd stadsof dorpsgezicht zoals opgenomen in de Erfgoedwet. Tevens kan vermeld worden dat geen van de tot de inrichting behorende gebouwen valt onder de wettelijke monumentale bescherming. 5.1.10 Archeologie Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Het plangebied ligt deels binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’. De voor ‘Waarde - Archeologie 5’ aangewezen gronden zijn, behalve bestemd voor het bepaalde in de ter plaatse geldende bestemmingen, ook bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

In het vigerende bestemmingsplan zijn de volgende bouwregels gesteld; Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,5 m, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Binnen het plangebied mag totaal 900 m2 aan bebouwing gerealiseerd worden. Dit oppervlak mag gebouwd worden zonder nader onderzoek, waarbij binnen voornoemde dubbelbestemming feitelijk nog een aanzienlijk kleiner oppervlak wordt gerealiseerd. Concluderend kan gesteld worden dat een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is bij dit plan. In het toekomstige bestemmingsplan zal op de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ gehandhaafd blijven. Mochten er bij toekomstige werkzaamheden toch archeologische relicten of grondsporen worden gevonden op de locatie, dan zal dit – in overeenstemming met de wettelijke meldingsplicht ex artikel 5.10 van de Erfgoedwet – zo spoedig mogelijk worden gemeld bij onze minister.

5.1.11 Bedrijven en Milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten van bestaande en toekomstige bedrijvigheid om zodoende kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Op grond van de Wet milieubeheer zijn bedrijven en instellingen verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van bedrijfsvestigingen, wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen, anderzijds milieugevoelige functies als (bedrijfs)woningen, zorginstellingen, onderwijsinstellingen, kinderopvang e.d. Daarnaast is de milieuwetgeving van toepassing.

37

In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009), die voor het eerst in 1986 verscheen en daarna een aantal malen is geactualiseerd, is een omvangrijke lijst van bedrijven opgenomen, waarin per bedrijf voor een aantal aspecten de mate van ruimtelijk relevante hinderlijkheid is weergegeven. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandstap worden verlaagd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de omzetting naar een maatschappelijke bestemming ten behoeve van speelactiviteiten en logeren voor kinderen met gedragsproblemen. Dit is vergelijkbaar met bedrijvigheid in categorie 1 en 2 met een grootste richtafstand voor geluid van 30 meter.

De verblijfsrecreatie is een categorie 1 bedrijvigheid met een grootste richtafstand van 10 meter. Op het nog niet in gebruik zijnde bedrijventerrein direct ten noorden van het plangebied is ook enkel bedrijvigheid in de categoriëen en 1 en 2 toegestaan met eveneens een grootste richtafstand voor geluid van 30 meter. Op het industrieterrein ‘Haven Cuijk’ aan de overzijde van de Lange Linden is de bestemming ‘Bedrijf-1’ en ‘Bedrijf-2’ aanwezig. Binnen de eerste besteming is bedrijvigheid toegestaan in bedrijven in categorie 3.1 en 3.2, die zijn opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage bij deze regels) en/of daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen en risicovolle inrichtingen. Dergelijke bedrijven hebben een grootste richtafstand veelal voor geluid van 100 meter (cat. 3.2). De voor 'Bedrijf - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven in categorie 3.1 tot en met 4.2, die zijn opgenomen in de staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage bij deze regels) en/of daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven. Dergelijke bedrijven hebben een grootste richtafstand veelal voor geluid van 300 meter (cat. 4.2). Echter is in de regels ook gesteld: activiteiten die in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken zijn in principe toegestaan, met dien verstande dat de bij Koninklijk Besluit d.d.

19 april 1991, nr 91.003612 vastgestelde geluidzonering niet wordt overschreden. Deze categorieën van inrichtingen, zoals bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder zijn aangewezen in artikel 2.4 van het “Inrichtingen- en vergunningenbesluit Wet milieubeheer”. Het dichtstbij gelegen industrieterrein met een maximale richtafstand van 30 meter is gemeten tussen de respectievelijke bouwvlakken op een ruimere afstand gelegen. De afstand tot aan de gevel van gevoelige gebouwen op onderhavige locatie zal in de praktijk nog groter zijn. De bouwvlakken van het industrieterrein ‘HavenCuijk’ zijn op een minimale afstand van circa 165 meter gelegen. Hiermee wordt enkel niet voldaan aan de maximale richtafstand tot de dichtstbij gelegen bestemming ‘Bedrijf -2’ waar een categorie 4.2 bedrijf is toegestaan. Echter dient ook dit bedrijf te voldoen aan de in 1991 vastgestelde geluidzonering. Aangezien de woonboerderij op onderhavige locatie destijds al aanwezig was, mag aangenomen worden dat hieraan voldaan wordt. Voor bedrijven in de omgeving geldt dan ook dat zij reeds rekening diende te houden met de woning op de locatie. Voor deze bedrijven wijzigt er niets met onderhavige wijziging. Bij het logeren gaat het evenals bij de verblijfsrecreatie om kortdurend verblijf van wisselende groepen. Deze accommodaties zijn dan ook niet geluidgevoelig.

38

Verder kan gelet op het gegeven dat er veel verschillende functies naast elkaar aanwezig zijn, het gebied aangemerkt worden als een gemengd gebied. Op basis hiervan kunnen de genoemde richtafstanden met 1 stap verlaagd worden. Tenslotte is er ook op de eigen locaties sprake van geluidsproductie en daarmee een lagere gevoeligheid voor geluid. De maximale richtafstand wordt hiermee 200 meter tot de toegestane categorie 4.2 bedrijven. Daarmee wordt nog net niet voldaan aan deze richtafstand, maar gelet op het feit dat op onderhavige locatie ook geluid wordt geproduceerd door spelende kinderen en het gegeven dat zij niet langdurig op de locatie verblijven, en het feit dat de activiteiten al 5 jaar zonder problemen op onderhavige locatie plaats vinden, kan het voorgestane gebruik toegestaan worden. Voor de eigen inrichting geldt dat het toekomstige bestemmingsvlak ‘Maatschappelijk’ op een voldoende afstand van omliggende gevoelige bestemmingen gelegen is, voor zover er sprake is van gevoelige objecten op de respectievelijke industrieterreinen in de directe omgeving. Concluderend geldt dat richtafstanden uit Bedrijven en Milieuzonering geen belemmering zijn voor de voortgang van het plan.

5.1.12 Mobiliteit De gemeente Cuijk heeft de Nota Parkeernormen auto en fiets Gemeente Cuijk vastgesteld als opvolger van de Parkeernota 2007 – 2015 “Slim Parkeren”, welke op 3 augustus 2019 inwerking is getreden. Gekeken naar deze nota geldt in het buitengebied bij een vrijstaande woning een parkeernorm van 2,4. Het bedrijf breidt uit naar een bvo van maximaal circa 700 m2 exclusief de woning, waarvoor meer parkeerplaatsen nodig zijn. Kijkend naar genoemde nota en het gegeven dat het gebruik deels gaat om logeren van maximaal 20 kinderen gaat, is dit gebruik voor logeren het best vergelijkbaar met een kinderdagverblijf waar het ook in hoofdzaak om het brengen en halen van kinderen gaat. Deze heeft een parkeernorm in het buitengebied van 1,5 per 100 m2 bvo. Gelet op een bvo van circa 700 m2 betekent dit 10,5 parkeerplaatsen. Samen met de woning dienen er op het perceel dus minimaal 12,9 parkeerplaatsen aanwezig te zijn. In de huidige praktijk worden de kinderen gehaald met drie eigen busjes, waarvoor dus ook maar drie parkeerplaatsen benodigd zijn. Mochten in de toekomst de maximaal 20 kinderen die kunnen logeren toch gebracht en gehaald worden door de ouders, dan wordt er maar kortstondig geparkeerd en komen de ouders niet tegelijkertijd.

Het totaal mogelijk te realiseren aantal van 13 parkeerplaatsen op het perceel (bouwvlak) van 0,5 hectare, zie situatieschets blad 5 in bijlage 1, zal ook dan afdoende zijn. Het gebruik voor recreatieve doeleinden is enigszins vergelijkbaar met de parkeernormen voor horeca, meer specifiek een Hotel 3*. Deze heeft een parkeernorm in het buitengebied van 6,8 parkeerplaatsen per 10 kamers. De gebouwen zijn niet volledig te benutten voor recreatieve doeleinden en kamerverhuur, mede daar er daarnaast ten alle tijden sprake dient te blijven van een maatschappelijk gebruik. Uitgegaan is van maximaal een gebruik voor recreatieve doeleinden van 500 m2. Uitgaande van een gemiddelde kameroppervlak van 25 m2 zijn dit maximaal 20 kamers hetgeen betekent maximaal 13,6 parkeerplaatsen. Ook hiertoe is het te realiseren aantal van 13 parkeerplaatsen toereikend. Het bedrijf is reeds op de locatie gevestigd. De verkeersbewegingen ten behoeve van dit bedrijf zijn dus ook reeds deels aanwezig. De uitbreiding van het bedrijf betekent dat het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied beperkt zal

39

stijgen. Kijkend naar de Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ van CROW gelden bij een kinderdagverblijf in het buitengebied een verkeersgeneratie van maximaal 39,9 per 100 m2 bvo. Gelet op een bvo van circa 700 m2 betekent dit een totale verkeersgeneratie van 279,3 bewegingen. Als gesteld worden de kinderen gehaald met eigen busjes, waarmee de verkeersgeneratie aanzienlijk beperkter zal zijn en dus grotendeels reeds bestaand. Voor een 3* hotel gaat een verkeersgeneratie van maximaal 20,9 verkeersbewegingen per 10 kamers. Uitgaande van maximaal 20 kamers is dit een verkeersgeneratie van maximaal 41,8 bewegingen. Dit is aanzienlijk minder dan die voor een kinderdagverblijf. Het aantal verkeersbewegingen verdwijnt daarbij in zowel de bestaande als toekomstige situatie in het niet bij het aantal bewegingen over de omliggende wegen gelet op de aanwezigheid van een groot industrieterrein in de directe nabijheid. Concluderend kan gesteld worden dat er voor het aspect mobiliteit geen problemen te verwachten zijn. 5.1.13 Feitelijke belemmeringen Voorafgaand aan het grondverzet voor de oprichting van een gebouw zal een zogenaamde Klic-melding plaatsvinden om duidelijkheid te verkrijgen over de eventueel aanwezige kabels en leidingen. 5.1.14 Landschappelijke inpassing De aanwezige beplanting rond de locatie blijft geheel behouden.

Door de aanwezige bomen zullen de nog mogelijk op te richten gebouwen bij de woonboerderij niet overheersend zijn. Aangezien sprake is van een categorie 3 ontwikkeling in relatie tot de verlangde kwaliteitsverbetering in de Verordening ruimte, is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Mede gelet het aanwezige ruime groen is de locatie hiermede afdoende ingepast. 5.1.15 Wet natuurbescherming Binnen de inrichting wordt geen vee gehouden. Enkel is sprake van emissie afkomstig van de verkeersbewegingen en de werkzaamheden bij de bouw. Hiertoe zal bij de aanvraag om een omgevingsvergunning bouwen een aeriusberekening worden bijgevoegd. Aangenomen wordt dat het initiatief geen significante gevolgen heeft voor omliggende beschermde natuurgebieden en dat een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming inzake gebiedsbescherming niet noodzakelijk is. Het voorgenomen initiatief leidt niet tot significant negatieve effecten. Zie hiertoe ook de uitgevoerde quickscan in de bijlagen. 5.1.16 Plan-MER Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is daarom de milieueffectrapportage (m.e.r.) wettelijk verankerd.

M.e.r. is een procedure met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er zijn drie aanleidingen die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. Bepalend hierbij is de activiteit (of zijn de activiteiten) waarop het plan betrekking heeft.

40

De activiteit die uitgevoerd wordt komt niet voor in onderdeel C of D van de bijlage behorend bij het Besluit milieueffectrapportage. Het doorlopen van een m.e.r. procedure is niet van toepassing. 5.1.17 Volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid is door het ondersteuningsteam geactualiseerd (versie 30 april 2018). Het ondersteuningsteam is een samenwerkingsverband van partners vanuit de drie omgevingsdiensten in Noord-Brabant, de GGD, de provincie Noord-Brabant en enkele gemeenten: - Provincie Noord-Brabant; - Omgevingsdienst Brabant Noord; - Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant; - Omgevingsdienst Zuidoost Brabant; - Team Gezondheid, Milieu en Veiligheid, GGD’en Brabant; - Gemeente Bernheze; - Gemeente Someren; - ABG-gemeenten (Alphen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen). In deze update van de handreiking is het stappenplan, waarmee besloten kan worden of een beoordeling of advisering door de GGD gewenst is, aangepast ten opzichte van de eerdere versie. De volgende aspecten worden in het opgenomen stroomschema (zie ‘Stappenplan 2.0’) meegenomen in de afweging of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is: 1.

voor varkens en pluimveebedrijven: endotoxine richtafstand (= afstand waarbinnen naar alle waarschijnlijkheid de gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine wordt overschreden); 2. toename in emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak; 3. de wijze waarop met geurbelasting wordt omgegaan voor een aanvaardbaar woon-/leefklimaat; 4. bij meerdere bedrijfsmatig gehouden diersoorten, de aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij; 5. geitenhouderij binnen een straal van 2 kilometer van een gevoelige bestemming; of pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer van een gevoelige bestemming; of overige veehouderijen binnen een straal van 250 meter liggen woon- of verblijfsruimten van derden; 6. de aanwezigheid van mestbe- en verwerking; 7. ongerustheid bij omwonenden. Na doorlopen van het stappenschema blijkt dat alle aspecten met nee beantwoord kunnen worden. Advisering door de GGD wordt niet geadviseerd.

41

6 UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wro rust op de gemeente de verplichting tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan, is opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Met onderhavig bestemmingsplan is er geen sprake van een bouwplan op grond van de Bro. Voor de herziening van het bestemmingsplan zullen leges in rekening worden gebracht, en er zal een overeenkomst inzake planschade gesloten worden. Daarmee is verzekerd dat alle plangebonden kosten worden verhaald op de initiatiefnemer. De kosten voor de realisering van het project, alsook de kosten voor de bijbehorende planologische procedures zijn volledig voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente Cuijk hoeft geen gelden te reserveren. Op grond van artikel 6.12, lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening behoeft voor deze ontwikkeling geen exploitatieplan te worden vastgesteld. De gemeentelijke kosten zijn anderszins verzekerd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij het opstellen van het plan is een omgevingsdialoog gevoerd, waarbij het plan is voorgelegd aan de direct omwonenden. Een verslag van deze dialoog is opgenomen in de bijlagen. Hierbij zijn geen bezwaren naar voren gebracht. In het kader van het wettelijk vooroverleg is het plan opgestuurd naar het waterschap, de brandweer en de provincie Noord-Brabant. De reacties van deze instanties zijn verwerkt in onderhavige toelichting en verdere stukken. In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld. Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro ter inzage gelegen van 4 oktober 2021 tot en met 14 november 2021. Tijdens deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend.

42

7 JURIDISCHE PLANTOELICHTING 7.1 Opbouw Voorliggend plan bestaat uit een toelichting, verbeelding en planregels. De verbeelding en de regels vormen de juridische basis van het plan. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsook de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met de daarbij horende randvoorwaarden. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft geen juridische status, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan alsmede bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

7.2 Herziening De herziening heeft betrekking op de omzetting van de bestemming ‘Gemengd’ en het bijbehorende bouwvlak, naar de bestemming ‘Maatschappelijk’. Hiermee wordt de uitbreiding van de bestaande activiteiten en de oprichting van gebouwen mogelijk gemaakt. Ter garandering van de sloop van de bestaande schuur aan de zuidoostzijde van het perceel, is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. De bestemmingsplanwijziging is noodzakelijk om de wijziging positief te bestemmen. De gemeente kan medewerking verlenen aan de wijziging middels een herziening van het bestemmingsplan. Aan de hand van onderhavig onderbouwing kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen initiatief niet leidt tot negatieve effecten in de omgeving. Het initiatief voldoet aan de thans vigerende Wet- en regelgeving.

43

8 BIJLAGEN Bijlage 1

Situatieschets

Bijlage 2

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 3a

Regio Maasvallei

Bijlage 3b

Beerse en Baardwijkse Overlaat

Bijlage 4

Omgevingsdialoog

Bijlage 5a

Landschappelijk inpassingsplan

Bijlage 5b

Berekening kwaliteitsverbetering

Bijlage 6a

Advies veiligheidsregio

Bijlage 6b

Verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch

Bijlage 7

Quickscan

44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=b0cc3e6d-8389-42ee-802a-c1abefeb8e14