CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

05. Toelichting Buitengebied Roijendijk 7 Mill.pdf - 2018.0314 Toelichting Buitengebied Ro.pdf

Mill - raadsvergadering 30 september 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Roijendijk 713.339 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van zoveel mogelijk verhard oppervlak. Bij de nieuw te bouwen ruimte-voorruimte woning zal het grond- en hemelwater in het lokale watersysteem geïnfiltreerd worden en niet afgevoerd worden naar de rioolwaterzuivering. Categorie-A-watergangen dienen te worden aangegeven op de verbeelding Alle categorie-A-watergangen dienen te worden aangegeven op de verbeelding. Toevoeging water en waterhuishoudkundige voorzieningen aan bestemmingen in planregels Bij alle bestemmingen in de planregels dient rekening te worden gehouden met water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Met het opnemen van water en 27

waterhuishoudkundige voorzieningen in de verschillende relevante bestemmingsomschrijvingen, kan water op allerlei manieren in een plangebied worden toegepast. Om de flexibiliteit van de toepassing van water in een bestemmingsplan zo groot mogelijk te houden adviseert het waterschap 'water- en waterhuishoudkundige voorzieningen' in de verschillende bestemmingsomschrijvingen op te nemen. Hiermee kan onnodige vertraging van projecten worden voorkomen. Mogelijk noodzakelijke aanvullende ruimtelijke planprocedures hoeven immers niet te worden gevoerd, als voldoende rekening is gehouden met water in het bestemmingsplan. Voor overige ruimtelijke plannen dient een soortgelijke systematiek te worden gevolgd. Gebruik niet-uitlogende materialen Als laatste verzoeken wij u om bij de bouw af te zien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Hiermee worden bijvoorbeeld zink en koper in daken, gevels, goten en leidingen bedoeld.

4.5

Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijzing. Omdat met de voorgestane ontwikkeling (omzetten bedrijfs- naar burgerwoning en ontwikkelen Ruimte-voor-Ruimtewoning) langer dan twee uur kan worden verbleven op deze plek, is in het kader van het aspect bodem, sprake van een gevoelige bestemming. Volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ ligt er op het plangebied de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Groenblauwe mantel’. Geconcludeerd kan dan ook worden dat het gebruik van de gronden die van bestemming veranderen, een gevoeliger bodemgebruik betreft, dan op dit moment aanwezig is op de locatie. Er is op 26 augustus 2020 een bodemonderzoek conform de richtlijnen van de NEN 5740 en NEN 5707 uitgevoerd. Hieronder is de conclusie van dit onderzoek opgenomen. Het volledige rapport van dit onderzoek is te vinden in bijlage IV. Bij de veldwerkzaamheden is visueel nabij asbestinspectiegat ABG01 op het maaiveld asbestverdacht materiaal op het perceel waargenomen. In de bovengrond van ABG01 en ABG03 zijn bijmengingen met baksteen en puin waargenomen. In de bovengrond van ABG04 en ABG13 zijn sporen baksteen waargenomen. In de ondergrond van ABG04 zijn bijmengingen met baksteen aangetroffen.

In het uitgegraven materiaal van ABG01 is visueel asbestverdacht plaatmateriaal waargenomen. In ABG01 is een sterk verhoogde asbestconcentratie aangetoond. De concentratie overschrijdt de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. De grondmengmonsters (ABM2, ABM5 en ABM7) bevatten geen verhoogd gehalte aan asbest. Ter plaatse van ABG01 dient een nader asbest in bodem onderzoek uitgevoerd te worden om de ernst en omvang van de verontreiniging in beeld te brengen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met zink en som PCB. In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met xylenen en naftaleen.

28

De resultaten van dit verkennend bodemonderzoek geven aanleiding tot het uitvoeren van een nader asbest in bodemonderzoek om de omvang vast te stellen rondom ABG01. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Nader onderzoek asbest in bodem Op 9 maart 2021 is er een nader onderzoek naar asbest in de bodem uitgevoerd. Doel van het onderzoek is om te bepalen of ter plaatse ABG01 sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Uit het nader onderzoek asbest in bodem blijkt dat op het maaiveld en in de grove fractie van het uitgegraven bodemmateriaal visueel geen asbestverdacht materiaal is waargenomen. In de geanalyseerde monsters van de fijne fractie zijn geen verhoogde concentraties aan asbest aangetoond. De bij het verkennend bodemonderzoek indicatief berekende sterk verhoogde concentratie aan asbestvezels wordt derhalve als een ‘toevalstreffer’ beschouwd (puntbron).

De resultaten van dit nader onderzoek naar asbest in de bodem tonen aan dat er ter plaatse ABG01 geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De bodem vormt voor het aspect asbest geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van het perceel. Opgemerkt wordt dat asbestverontreinigingen heterogeen verspreid voor in de bodem voorkomen. Dit wil zeggen dat de aan- of afwezigheid van asbest per kubieke meter kan verschillen. Tenslotte wordt geadviseerd om, bijvoorbeeld bij grondwerkzaamheden elders op het terrein, alert te blijven op de aanwezigheid van (plaatselijke) asbestverontreinigingen.

4.6

(Ondergrondse) infrastructuur Voor zover op basis van het bestemmingsplan en de risicokaart bekend, zijn er in het plangebied geen kabels of leidingen aanwezig die een mogelijke belemmering vormen voor het initiatief. Ten aanzien van de gewenste ontwikkeling bieden kabels en leidingen geen bezwaren voor de ontwikkeling.

4.7

Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden

29

verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. In het buitengebied kan dit een lint zijn met overwegend (agrarische) bedrijvigheid. Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In dit geval is de planlocatie gelegen in een buurtschap waar woonbestemming worden afgewisseld met (agrarische) bedrijvigheid waardoor er geen sprake van een rustige woonwijk. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom met 1 stap worden verkleind. In dit geval zijn in de directe omgeving van de planlocatie een aantal (agrarische) bedrijven gelegen. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de woning aan Roijendijk 7 en de grens van het bouwvlak waarbinnen het bedrijf is gelegen. Adres

Soort bedrijf

Minimumafstand 10 meter 100 meter 50 meter

Werkelijke afstand 60 meter 350 meter 175 meter

Voldaan

Akkerbouwbedrijf Betonfabriek Opslag grind

Milieucat. 2 4.1 3.2

Roijendijk 16 Roijendijk 30 Zuidelijke Bergseweg 12 Molendijk 24 Graafseweg 14

Vleeskalverhouderij Tuincenterum

3.2 2

50 meter 10 meter

270 meter 410 meter

Ja Ja

Ja Ja Ja

Uit bovenstaande tabel blijkt dat aan alle richtafstanden uit de VNG-publicatie kan worden voldaan. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt dan ook geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.

4.8

Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Met name de handreiking wet geurhinder en veehouderij geeft nadere invulling in het gebruik van de wet. Om te voorkomen dat de bestemmingswijziging een belemmering kan vormen voor de bedrijfsontwikkeling van omliggende (intensieve) veehouderijen is onderzocht of er hierdoor nieuwe geurgevoelige objecten ontstaan in dit agrarische gebied. Er worden vijf typen geurgevoelige objecten onderscheiden in de handreiking: a. Ruimte-voor-ruimte woning (of ander geurgevoelig object ): - gebouwd na 19 maart 2000 - op een kavel die op dat moment in gebruik was als veehouderij - waarbij de veehouderij (deels) buiten werking is gebracht, én - waarbij stallen (of andere bedrijfsgebouwen) zijn gesloopt b. Bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) bij een andere veehouderij c. Voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) die op of na 19 maart 2000 geen onderdeel meer was van een andere veehouderij d. Voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) die vóór 19 maart 2000 geen onderdeel meer was van een andere veehouderij e. Alle woningen (en andere geurgevoelige objecten) die niet onder a t/m d vallen

30

Vaste afstanden Op dit moment is de bedrijfswoning te kenmerken als een categorie b-object. In de gewenste situatie wordt de veehouderij beëindigd en wordt de woning gezien als een voormalige bedrijfswoning die geen onderdeel meer is van een veehouderij, zoals bedoeld onder categorie c. De nieuw te bouwen RvR-woning wordt als categorie aobject gezien. Hierover wordt in de handreiking het volgende gesteld: “Voor voormalige bedrijfswoningen (en andere geurgevoelige objecten) bij andere veehouderijen, gelden vaste afstanden, ook bij dieren met geuremissiefactoren, als de woning op of na 19 maart 2000 geen onderdeel meer uitmaakt van de veehouderij”. De afstand zoals deze is vastgelegd in de handreiking bedraagt ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Hier wordt in onderhavig geval ruimschoots aan voldaan. In artikel 5 van de Wgv zijn minimale afstanden opgenomen vanaf de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. Buiten de bebouwde kom dient deze afstand tenminste 25 meter te bedragen. De woning aan de Roijendijk 7 te Mill voldoet hier ruimschoots aan. Naast deze vaste afstand is tevens de geurbelasting van omliggende veehouderijen op de woning berekend.

Voorgrondbelasting Door middel van een V-Stacksberekening is inzicht verkregen in de voorgrondbelasting op de alle hoekpunten van de woning op de planlocatie. In de geurverordening van de gemeente Mill en Sint Hubert (vastgesteld 13 december 2007) is het gebied rond de Roijendijk 7 te Mill aangewezen als gebied waarvoor een andere maximale waarde voor geurbelasting van een individuele veehouderij geldt, zijnde 12,0 ouE/m3 voor geurgevoelige objecten in het buitengebied. De voor de voorgrondbelasting maatgevende veehouderij is de veehouderij aan de Krommedijk 30 te Mill. Om te bepalen wat de voorgrondbelasting op de hoekpunten van de woning aan de Roijendijk 7 is, is met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning een berekening uitgevoerd. Vanuit de vergunde emissiepunten van de veehouderij aan de Krommedijk 30 is berekend wat de voorgrondbelasting is op de hoekpunten van de woning. De resultaten hiervan zijn weergegeven in onderstaande figuur 10. Voor het daadwerkelijke outputbestand wordt verwezen naar bijlage VI.

31

Figuur 10. Berekende voorgrondbelasting op de hoekpunten van de bestaande en nieuwe woning aan de Roijendijk 7 te Mill.

Uit bovenstaande resultaten blijkt dat de voorgrondbelasting van de maatgevende veehouderij zich binnen de gestelde norm van 12 ouE/m3 bevind. Met betrekking tot de voorgrondbelasting geur kan worden gesproken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Achtergrondbelasting Naast de geurcontouren die de reikwijdte van de geurbelasting kunnen bepalen van één bedrijf is er ook een geurbelasting van alle bedrijven gezamenlijk, de zogenaamde achtergrondbelasting. Wanneer veel intensieve veebedrijven zich in de nabijheid van een projectlocatie bevinden kan de achtergrondbelasting zo hoog worden dat van een acceptabel woon- en leefklimaat niet meer gesproken kan worden. Met het verspreidingsmodel V-Stacks gebied is berekend wat de huidige achtergrondbelasting op de hoekpunten van de woning is. Hierbij is gebruik gemaakt van het actuele vergunde veebestand van de gemeente Mill en omliggende gemeenten. Hiervoor zijn 35 veehouderijbedrijven binnen een straal van 2 kilometer om de woning ingevoerd met de (default-) waarden afkomstig uit Web-BVB Noord-Brabant van 12 augustus 2020. De resultaten hiervan zijn weergegeven in onderstaande figuur 11. Voor de daadwerkelijke in- en outputbestanden wordt verwezen naar bijlage VI.

32

Figuur 11. Berekende achtergrondbelasting op de hoekpunten van de bestaande en nieuwe woning aan de Roijendijk 7 te Mill.

Op basis van de berekende achtergrondbelasting vanuit 35 veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer (maximaal 7,5 ouE/m3) op de hoekpunten van de bestaande en beoogde woning aan de Roijendijk 7 te Mill wordt ruimschoots aan de toetswaarde van 20,0 ouE/m3 uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant voldaan. Tevens kan volgens de normen uit de gemeentelijke geurgebiedsvisie een ‘acceptabel’ woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Conclusie Aan de hand van de resultaten uit het geuronderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: 1. Op de beoogde woning aan de Roijendijk 7 te Mill wordt, met een worst case voorgrondbelasting die maximaal 2,3 ouE/m3 , overal ruimschoots voldaan aan de gemeentelijke norm van 12,0 ouE/m3. De maximale geurbelasting op de bestaande woning bedraagt 2,7 ouE/m3 waarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd; 2. Op basis van de berekende achtergrondbelasting vanuit 36 veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer (maximaal 7,5 ouE/m3) op de hoekpunten van de bestaande en beoogde woning aan de Roijendijk wordt ruimschoots aan de toetswaarde van 20,0 ouE/m3 uit de Interim omgevingsverordening NoordBrabant voldaan. Tevens kan een ‘acceptabel’ woon- en leefklimaat worden gegarandeerd; 3.

Aan de vaste afstanden vanuit de meest dichtbij gelegen veehouderij tot aan de locatie Roijendijk 7 te Mill en aan de gevel-gevel afstand wordt voldaan. Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat in de omgeving van de Roijendijk 7 te Mill niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt en een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden.

4.9

Akoestiek In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, aangetoond 33

dient te worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect akoestiek. Wanneer dat aan de hand is dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met een uitzondering van: − −

Wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

In dit geval wordt binnen de invloedssfeer van de wegen Roijendijk, Rodenweg en Zuidelijke Bergseweg, wegen met een maximum snelheid van 60 km/uur, een nieuw geluidsgevoelig object toegevoegd. Er is dan ook een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieronder is de conclusie van dit onderzoek opgenomen. Het volledige rapport van dit onderzoek is te vinden in bijlage VII. Op basis van de beschikbaar gestelde verkeersgegevens is een rekenmodel opgezet waarmee de geluidsniveaus op de beoogde woning aan de Roijendijk 7 te Mill is berekend als gevolg van het verkeer van de omliggende wegen. Uit de resultaten blijkt dat ter hoogte van de gevels voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In het Bouwbesluit 2012 is opgenomen dat, in situaties waarin een hogere waarde voor wegverkeerslawaai is verleend, de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie (GA,k) minimaal gelijk moet zijn aan het verschil tussen de geluidbelasting door de weg (excl. aftrek volgens artikel 110g Wgh) en 33 dB. Ter plaatse van de woning bedraagt de geluidbelasting zonder aftrek van artikel 110 g ten hoogste 48 dB(A). Met een gevelwering, welke tenminste 20 dB(A) bedraagt, zal het binnenniveau ten hoogste 28 dB(A) bedragen. Met een standard gevelwering kan derhalve worden voldaan aan het binnenniveau van 33 dB.

Ten aanzien van de buitenruimte en het verblijf in de tuin dan wel terras kan verondersteld worden dat er een aanvaardbare geluidskwaliteit heerst rondom de woning. Hierdoor kan worden verondersteld dat het aspect geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen beperking vormt voor de beoogde woning aan de Roijendijk 7 te Mill.

4.10

Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d) een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. 34

De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de Regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging (het 3% criterium: de realisatie van < 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg). Daarom kan gesteld worden dat de ontwikkeling niet in betekende mate van invloed is op de kwaliteit van de lucht. Om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat is de achtergrondwaarde voor fijnstof en stikstofdepositie bepaald met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). In tabel 1 zijn de achtergrondwaarden en de normen weergegeven. Tabel 1: Achtergrondwaarden en normen op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland ter plaatse van het plangebied.

2019 2025 Norm

Totale concentratie (µg/m³) NO2 14.30 11.67 40

Totale concentratie (µg/m³) PM10 18.34 16.81 40

Totale concentratie (µg/m³) PM2,5 12.13 10.62 25

Uit tabel 1 blijkt dat nu en in de toekomst de concentraties stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) ruim beneden de norm liggen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied nu en in de nabije toekomst aanvaardbaar is. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van de realisatie van één Ruimte-voor-Ruimtewoning valt onder de in de Regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De ontwikkeling is dan ook niet in betekenende mate van invloed op de kwaliteit van de lucht. De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland tonen daarnaast aan dat de achtergrondwaarden nu en in de toekomst ruim beneden de norm blijven. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied aanvaardbaar is.

4.11

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering

35

In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 1

36

In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing

590 m.

560 m.

620m.

Figuur 12. Uitsnede risicokaart. Plangebied rood omcirkeld.

Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart (zie figuur 12) blijkt dat het plangebied in geen enkele plaatsgebonden risicocontour is gelegen. In onderstaande tabel is de risicocontour behorende tot de risicovolle inrichtingen in de omgeving en de afstand van het plangebied tot deze inrichtingen weergegeven. Inrichting Propaantank 8 m3 Propaantank 18 m3 Propaantank 3,5 m3

Adres Krommedijk 27 Graafseweg 41 Graafseweg 30

Risicocontour 12 meter 25 meter 12 meter

Werkelijke afstand 560 meter 590 meter 620 meter

37

Uit voorgaande tabel blijkt dat de planlocatie niet binnen de risicocontouren van nabijgelegen risicovolle inrichtingen gelegen is. Dit aspect vormt dus geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Risicovol transport In de nabijheid van de planlocatie vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorlijnen of waterwegen plaats. Buisleidingen In de nabijheid van de planlocatie zijn geen buisleidingen aanwezig. Conclusie Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen in risicocontouren (PR 10-6 contour en invloedsgebied) van inrichtingen, buisleidingen en transportroutes. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen op circa 560 meter en betreft een bovengrondse tank. In de directe omgeving bevinden zich geen buisleidingen of infrastructuur waarover risicovol transport plaatsvind. In het kader van de externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief.

4.12

Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

4.12.1

Mobiliteit Ter plaatse van de Roijendijk 7 wordt een bedrijfswoning omgezet tot burgerwoning, een stal gesloopt en een Ruimte-voor-Ruimtewoning gerealiseerd. Conform de verkeersgeneratiecijfers van het CROW zal in de beoogde situatie (toevoeging van één vrijstaande woning in weinig stedelijk gebied) de verkeersgeneratie met 7,8 - 8,6 motorvoertuigen per etmaal toenemen. Verwacht wordt dat de Rodenweg, de weg die de twee percelen ontsluit, de toegenomen verkeersgeneratie in de beoogde situatie kan verwerken. De Rodenweg wordt in de huidige situatie voornamelijk door bestemmingsverkeer gebruikt waardoor het toevoegen van een wooneenheid niet tot mobiliteitsproblemen zal leiden.

4.12.2

Parkeren Conform de parkeernormen van het CROW dienen er bij vrijstaande woningen in het buitengebied van niet stedelijk gemeenten 2,0 - 2,8 parkeerplaatsen beschikbaar te zijn. Parkeren dient hierbij te geschieden op eigen terrein. Aangezien er een nieuwe vrijstaande woning wordt toegevoegd dienen er op het perceel 2,0 – 2,8 extra parkeerplaatsen toegevoegd te worden. Voor onderhavig plan betekent dit dat ter plaatse van het plangebied in totaal 6 parkeerplaatsen benodigd zijn. De kavel behorende bij de ontwikkeling is voldoende groot om te voorzien in deze parkeerbehoefte. Bij eventuele toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zal aangetoond moeten worden dat er op het perceel van de nieuwe woning voldoende ruimte is voor parkeren voor de RvR-woning en de mantelzorgwoning samen. Het aspect ‘parkeren’ levert geen problemen op voor onderhavig plan.

38

HOOFDSTUK

5 Juridische planopzet

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing. Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Verbeelding De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend. Regels De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken. • Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten; • Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik. • Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. • Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen. Wijze van bestemmen Met de regels is aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied Mill en Sint Hubert, herziening 2018'. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: • 'Wonen', waarbij één woning per bestemmingsvlak aanwezig mag zijn. De nieuwe woning dient binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden.

39

In voorliggend bestemmingsplan zijn de dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen overgenomen uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Mill en Sint Hubert, herziening 2018'. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

40

HOOFDSTUK

6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is. De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst. Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

41

HOOFDSTUK

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedurestappen zijn: 1. Omgevingsdialoog 2. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 3. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan 4. Vaststelling door gemeenteraad 5. Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan

procedure.

De

voorziene

1. Omgevingsdialoog In het kader van de procedure heeft de initiatiefnemer de omgeving op 16 januari 2020 op de hoogte gesteld van de plannen via een omgevingsdialoog. Een verslag daarvan is als bijlage VIII aan dit plan toegevoegd. 2. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat het gemeentebestuur bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Indien er belangen van toepassing zijn dan wordt ter zijner tijd het verslag van dit overleg als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. 3. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan Op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan zes weken voor zienswijzen ter inzage gelegd en was het plan digitaal te bekijken op de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Dit wordt openbaar bekend gemaakt door het plaatsen van een publicatie in het Gemeenteblad en de Staatscourant. Eenieder is in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft tot en met 5 juli 2021 voor zes weken ter inzage gelegen.

Er zijn geen zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan ingediend. 4. Vaststelling door gemeenteraad De gemeenteraad zal besluiten over de vaststelling van het bestemmingsplan. Na eventuele aanpassing van het bestemmingsplan met inachtneming van aangebrachte wijzigingen wordt het vastgestelde bestemmingsplan wederom 6 weken ter inzage gelegd (aanvang beroepstermijn). 5. Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan Belanghebbenden die tijdig een zienswijze hebben ingediend kunnen beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarnaast kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen wijzigingen die zijn aangebracht bij de vaststelling van het bestemmingsplan.

42

HOOFDSTUK

8 Conclusie

De gewenste ontwikkeling van het herbouwen van de woning ter plaatse van de Roijendijk 7 te Mill is strijdig met het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Mill en Sint Hubert’. Binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Groenblauwe mantel’, is het omzetten naar een burgerwoning met gedeeltelijk behoud van de bijgebouwen en de realisatie van de Ruimte-voor-Ruimte woning niet direct toegestaan. In het bestemmingsplan is in artikel 7.7.7 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee het initiatief kan worden toegestaan. Door aan een aantal voorwaarden te voldoen kan het college van B & W de gronden wijzigen naar de bestemming ‘Wonen’ zodat de burgerwoning en Ruimte-voorRuimte woning gerealiseerd kan worden. Tegen de voorgenomen ontwikkeling bestaan uit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren. Ter plaatse van het plangebied is de bedrijfswoning reeds aanwezig en de toevoeging van de Ruimte-voor-Ruimte woning past ruimtelijk-functioneel bij de aanwezige bebouwing in de omgeving. Daarnaast bestaan er, buiten de strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan, gezien de aard en schaal van het initiatief, vanuit het geldend beleid geen belemmeringen. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten en de benodigde voorzieningen, als riolering en overige kabels en leidingen zijn reeds in het plangebied aanwezig.

Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade wordt toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren. Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar en haalbaar is.

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=41f79991-552a-47d3-9e0f-63bcf6274fcb