05. Toelichting Buitengebied Roijendijk 7 Mill.pdf - 2018.0314 Toelichting Buitengebied Ro.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Roijendijk 7 Mill’ Gemeente Mill en Sint Hubert NL.IMRO.0815.BPRoijendijk7-VA01
1
Colofon Bestemmingsplan: Buitengebied, Roijendijk 7 Mill Rapportnummer: 2018.0314 Status: Vastgesteld Datum: 30 september 2021 Projectlocatie Roijendijk 7 5451 ND Mill Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland Ing. A.F.J.A. van Dooren Senior Adviseur 06 – 181 917 81 arjan@reland.nl
© juli 2021 Reland
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.
2
Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding ......................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding ................................................................................................................................ 5
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied .............................................................................. 5
1.3
Vigerend bestemmingsplan ..................................................................................................... 6
HOOFDSTUK 2 Planbeschrijving ............................................................................................................ 8 2.1
Huidige situatie ....................................................................................................................... 8
2.2
Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................................... 8
2.3
Landschap ............................................................................................................................ 11
HOOFDSTUK 3 Beleidstoets ................................................................................................................ 12 3.1
Rijksbeleid ............................................................................................................................ 12
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ............................................................................ 12
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ................................................................... 13
3.1.3
Ladder voor duurzame ontwikkeling ................................................................................. 13
3.2
Provinciaal beleid.................................................................................................................. 14
3.3
Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 17
3.3.1
Structuurvisie Mill en Sint Hubert ‘In duurzaam perspectief’ ........................................ 17
3.3.2 Afspraken voor uitwerking en toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap (2 december 2015) ............................................................................................................................. 18 3.3.3
Bestemmingsplan ............................................................................................................. 19
HOOFDSTUK 4 Milieuhygiënische en planologische
verantwoording ................. 22
4.1
Mer-beroordeling .................................................................................................................. 22
4.2
Archeologie en cultuurhistorie .............................................................................................. 22
4.3
Flora en Fauna ..................................................................................................................... 23
4.3.1
Gebiedsbescherming .................................................................................................... 23
4.3.2
Soortenbescherming..................................................................................................... 24
4.4 4.4.1
Waterparagraaf ..................................................................................................................... 25 Beleidskader ..................................................................................................................... 25
4.5
Bodem .................................................................................................................................. 28
4.6
(Ondergrondse) infrastructuur .............................................................................................. 29
4.7
Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................. 29
4.8
Geurhinder ............................................................................................................................ 30
4.9
Akoestiek .............................................................................................................................. 33
4.10
Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 34
4.11
Externe veiligheid ................................................................................................................. 35
4.12
Verkeer en parkeren ............................................................................................................. 38
3
4.12.1
Mobiliteit ........................................................................................................................ 38
4.12.2
Parkeren ....................................................................................................................... 38
HOOFDSTUK 5 Juridische planopzet ................................................................................................... 39 HOOFDSTUK 6 Economische uitvoerbaarheid .................................................................................... 41 HOOFDSTUK 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................................. 42 HOOFDSTUK 8 Conclusie .................................................................................................................... 43
BIJLAGE I
Landschappelijke inpassing
BIJLAGE II
Quickscan flora en fauna
BIJLAGE III
Watertoets
BIJLAGE IV
Verkennend bodemonderzoek
BIJLAGE V
Nader onderzoek asbest in bodem
BIJLAGE VI
Geuronderzoek
BIJLAGE VII
Akoestisch onderzoek
BIJLAGE VIII
Omgevingsdialoog
BIJLAGE IX
Erfbeplantingsplan
BIJLAGE X
Bewijsstuk RvR-titel
4
HOOFDSTUK 1.1
1 Inleiding
Aanleiding De initiatiefnemer is eigenaar van het agrarisch bedrijf aan Roijendijk 7 te Mill en is voornemens om het agrarisch bedrijf te beëindigen. Met de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse bestaat de wens om een nieuwe invulling aan de locatie te geven. Men wil de bedrijfswoning omzetten naar een burgerwoning en een gedeelte van de bestaande bedrijfsbebouwing slopen en een gedeelte behouden als bijgebouwen bij de woning. Daarnaast wil de initiatiefnemer de kinderen de kans geven om ook op deze plek te kunnen blijven wonen door achter op het erf een nieuwe woning te realiseren. Een gedeelte van de bestaande (bedrijfs)bebouwing kan bij de nieuw te bouwen woning als bijgebouw geïntegreerd worden. Op termijn, wanneer de noodzaak zich voordoet, wil de initiatiefnemer via een mantelzorgconstructie bij de kinderen gaan wonen. De bestaande boerderij kan dan verkocht worden als zelfstandige woning, of eventueel gesplitst worden in twee woningen. Het planvoornemen voldoet niet aan het vigerende bestemmingsplan. Om de wensen mogelijk te maken dient dan ook een planologische procedure te worden doorlopen in de vorm van een wijziging van het geldende bestemmingsplan. Onderhavig document betreft de toelichting behorende bij dit nieuwe bestemmingsplan. In deze toelichting wordt de ontwikkeling beschreven en onderbouwd.
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op het perceel wat gelegen is aan Roijendijk 7, 5451 ND te Mill, in het buitengebied van de gemeente Mill & Sint Hubert. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Mill, sectie N, perceelnummer 321 en heeft een totale grootte van circa 16.035 m2. Op de luchtfoto in figuur 1 is de kadastrale situatie weergegeven.
Figuur 1. Kadastrale situatie.
5
Het plangebied is gelegen aan de Roijendijk 7 en maakt onderdeel uit van buurtschap ‘Bruggen’. Bruggen is een gehucht dat 500 meter ten noordoosten van bebouwde kom van Mill gelegen is. Het bestaat uit een aantal monumentale boerderijen met een 18 eeeuws uiterlijk. Op het gebied van functies bestaat het gehucht voornamelijk uit woningen afgewisseld met enkele (agrarische) bedrijven. Enkele van deze agrarische bedrijven betreffen intensieve veehouderijen. De omgeving kenmerkt zich door een open agrarisch landschap afgewisseld met bospartijen.
1.3
Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied zijn de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Mill en Sint Hubert’ (vastgesteld 20-6-2013) en ‘Buitengebied Mill en Sint Hubert, Herziening 2018’ (vastgesteld 26-9-2019) vigerend. Tevens is op 10-12-2020 het voorbereidingsbesluit ‘omzetten woningen’ vastgesteld. In onderhavig initiatief is geen sprake van woningsplitsing waardoor dit voorbereidingsbesluit geen invloed heeft op het plan. Conform de bestemmingsplannen rust er op het plangebied de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Groenblauwe mantel’. Daarnaast rust er op een gedeelte van het perceel de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’, ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waterstaat – Regionaal waterbergingsgebied’. Tevens is er een bouwvlak aangegeven zoals weergegeven wordt in figuur 2 en 3. Tot slot zijn er een aantal functieen gebiedsaanduidingen in het bestemmingsplan opgenomen: -
Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij’ Gebiedsaanduiding ‘luchtvaartverkeerzone – ihcs-zone’ Gebiedsaanduiding ‘luchtvaartverkeerzone – ils-zone 7’ Gebiedsaanduiding ‘luchtvaartverkeerzone – radarverstoringsgebied’ Gebiedsaanduiding ‘overige zone – aardkundig waardevol gebied’ Gebiedsaanduiding ‘overige zone – bebouwingsconcentratie 2’ Gebiedsaanduiding ‘overige zone – beperkingen veehouderij’ Gebiedsaanduiding ‘overige zone – groenblauwe mantel’ Gebiedsaanduiding ‘overige zone – reserveringsgebied waterberging’ Gebiedsaanduiding ‘overige zone – leefgebied dassen’ Gebiedsaanduiding ‘overige zone – zone landschap, leefomgeving en gezondheid’ Gebiedsaanduiding ‘overige zone – extensiveringsgebied vervallen’
6
Figuur 2. Uitsnede bestemmingsplan Bouwvlak rood omkaderd.
'Buitengebied
Mill
en
Sint
Hubert'.
Figuur 3. Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Mill en Sint Hubert, Herziening 2018'. Bouwvlak rood omkaderd.
7
HOOFDSTUK 2.1
2 Planbeschrijving
Huidige situatie In de huidige situatie is er sprake van een agrarisch bedrijf gericht op het houden van zoogkoeien, vleeskalveren en vleesstieren. Het erf ter plaatse van de Roijendijk 7 in Mill bestaat uit een karakteristieke langgevelwoonboerderij en 3 bedrijfsgebouwen die als stallen dienen. Een groot deel van het perceel is in gebruik als agrarisch grasland. Daarnaast bestaat een deel van de gronden om de woning uit tuin en erfverharding.
Figuur 4. Huidige situatie plangebied.
In figuur 4 is de overzichtssituatie weergegeven en is aangegeven welke stallen behouden blijven en welke stallen (gedeeltelijk) gesloopt zullen worden. Naast de bestaande woning zal de meest oostelijk gelegen stal en een gedeelte van de middelste zal behouden blijven. Na de sloop zal er (238,8+160=) 398,8 m2 aan bijgebouwen bij de woning worden betrokken. In de volgende paragraaf zal dieper op de voorgenomen ontwikkeling in worden gegaan.
2.2
Voorgenomen ontwikkeling De concrete wens van de initiatiefnemer is om het erf in twee ruimtelijke eenheden te splitsen, oftewel het oude erf wordt opgedeeld in twee nieuwe erven. Op het noordelijke erf wordt de bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning en wordt de meest noordelijke stal en een gedeelte van de middelste schuur als bijgebouw bij de woning betrokken. Het behouden deel van de middelste schuur wordt op korte termijn gebruikt ten behoeve van de opslag van voer e.d. voor het bij de woonbestemming horende
8
hobbymatig houden van dieren. In de toekomst kan het gebouw mogelijk als mantelzorgwoning in gebruik genomen worden en bij het zuidelijke perceel betrokken worden. Daarnaast wordt op het zuidelijke erf een Ruimte-voor-Ruimte woning met bijgebouw gerealiseerd. De nieuwe woning is een schuurwoning welke ‘ondergeschikt’ is aan de woonboerderij. Vandaar gekozen is de nieuwe woning juist achter de rooilijn (t.o.v. de Rodenweg) van de boerderij aan Roijendijk 7 te schuiven. Daarnaast staat de woning niet direct aan de Rodenweg (immers de weg buigt hier af) en wordt de afstand tot de straat in het veld minder ervaren. Vanwege de bezonning in de tuin en de geringe zichtbaarheid van het bijgebouw vanaf de Rodenweg is gekozen om het bijgebouw ten noorden van de hoofdwoning te positioneren. Hierdoor is de verharding en het functionele gedeelte van het erf voor auto’s en entree geconcentreerd nabij de Rodenweg. Daarnaast blijft het zicht op het achterland over de boomgaard behouden (er komen immers geen auto’s en bebouwing in de zichtlijn). Het huidige erf met het nieuwe perceel wordt gescheiden door een hoogstamfruitboomgaard met haag. De bestaande schuur is middels de inrit aan de achterkant van de boerderij te bereiken. Mocht in de toekomst de boerderij verkocht worden en de middelste schuur bij de RvR-woning betrokken worden is de schuur te bereiken via een pad op het zuidelijke erf.
In figuur 5 is het overzicht van de nieuwe situatie opgenomen. In bijlage I is een vergrote versie opgenomen.
Figuur 5. Overzicht voorgenomen ontwikkeling.
Een gedeelte van de bebouwing (3 spantvakken = circa 160 m²) wenst de initiatiefnemer nog te gebruiken voor het hobbymatig houden van dieren. Dit zal plaatsvinden in een gedeelte van het middelste bedrijfsgebouw. Later wil de initiatiefnemer de bebouwing met drie spantvakken mogelijk inzetten voor een mantelzorgwoning en deze bebouwing bij het perceel van de nieuwe RvR-woning betrekken. Die noodzaak bestaat nu nog niet waardoor dit nog niet hoeft te worden vastgelegd. Om dit in de toekomst mogelijk te 9
kunnen maken, moet de grens tussen de twee woonbestemmingen worden verlegd zodat de bebouwing van de mantelzorgwoning komt te vallen in de woonbestemming van de RvR-woning. Voorwaarde voor de wijziging is dat het gezamenlijk oppervlak aan bijgebouwen van beide percelen samen, blijft voldoen aan het maximum zoals opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan (door wijziging mag op het perceel van de bestaande woning dan niet ineens meer bebouwd worden). In figuur 6 is de nieuwe juridische situatie indicatief weergegeven. In het nieuwe bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de achterste schuur onderdeel wordt van de woonbestemming van de nieuwe woning. Deze situatie is in figuur 7 weergegeven.
Figuur 6. Beoogde juridische situatie.
Figuur 7. Juridische situatie na toepassing wijzigingsbevoegdheid.
10
2.3
Landschap Het terrein wordt ingericht als boerenerf, waarbij zicht vanaf de Roderweg en Roijendijk op het landelijk gebied zoveel mogelijk gewaarborgd blijft. Het boerenerf kent typische landschappelijke elementen, zoals boomgaard, hagen, landschapsbomen en houtsingels. De bestaande woning kent reeds een omhaagde tuin en een omhaagde boomgaard. Deze wordt gerespecteerd en blijft behouden. Achter de boomgaard ligt een kippenren en groentetuin. Deze wordt omhaagd met een gemengde haag (zogenaamde ‘mussenheg’) Een duidelijke eindmarkering van het boerenerf, met een meerwaarde voor de lokale biodiversiteit met in het bijzonder kleine vogels. De uiterste hoeken worden gemarkeerd door een landschapsboom. Zoals eerder vermeld staat tussen de bestaande bebouwing en nieuwe RvR-woning een omhaagde boomgaard met inheemse hoogstamfruitbomen. De onderbegroeiing bestaat uit botanisch weidegras. Dit kan terrein kan beheerd worden door kleindieren of enkele keren per jaar worden gemaaid en afgevoerd. De RvR-woning wordt met de buren gescheiden door een houtsingel. Dit vormt de rugdekking voor de nieuwe woning met bijgebouw. De tuin wordt omhaagd door een gemengde haag en met één landschapsboom, zodat het erf een éénheid vormt met de ruimte rondom de bestaande groentetuin en kippenren.
11
HOOFDSTUK
3 Beleidstoets
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie wordt een samenhangende visie gegeven op het Nederlands Rijk tot 2040. Kernwoorden in het SVIR zijn concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De belangrijkste verandering is het terugtreden van de Rijksoverheid op het gebied van ruimtelijke ordening. Lagere overheden, waaronder provincies en gemeenten krijgen een grotere rol volgens het principe ‘decentraal, tenzij…’. De gebruiker moet weer centraal komen te staan. Het Rijksbeleid richt zich daarom op het vereenvoudigen van de regelgeving en heeft dertien Rijksbelangen benoemd waar het Rijk de verantwoordelijkheid houdt. Het Rijk verwacht dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor zal de bestuurlijke druk afnemen en ontstaat ruimte voor regionaal maatwerk. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Het Rijk versterkt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit. Het Rijk heeft drie streefdoelen geformuleerd waaraan 13 nationale belangen zijn gekoppeld. Het Rijk heeft voor heel Nederland twee nationale doelen gesteld (nummer 4 en nummer 8).
Daarin wordt gesteld dat efficiënt gebruik van de ondergrond van belang is (zorgvuldig ruimtegebruik) en het verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. De overige doelen en belangen zijn geografisch weergegeven in de Nationale hoofdstructuur. Het plangebied is gelegen binnen een van de aanvullende doelen van deze Nationale Hoofdstructuur. Het plangebied is namelijk gelegen binnen het radar verstoringsgebied. Hierdoor gelden er aanvullende regels binnen het plangebied ten opzichte van ontwikkelingen. Conclusie Met de realisatie van de Ruimte-voor-Ruimtewoning, de herbestemming van de bedrijfswoning en het slopen van de overtollige bebouwing dienen de regels met betrekking tot zorgvuldig ruimtegebruik in acht te worden genomen. De provincie en de gemeente Mill en Sint Hubert hebben in die lijn beleidsregels vastgesteld waarbinnen mogelijkheden zijn om een Ruimte-voor-Ruimtewoning te ontwikkelen en de herbestemming te voltrekken. Wanneer de ontwikkeling conform die regels wordt gerealiseerd is deze in overeenstemming met de SVIR. Voor een deel vindt er hergebruik van de bebouwing plaats en wordt de overtollige bebouwing gesaneerd, daarnaast wordt er een Ruimte-voor-Ruimte woning opgericht. De woning zal door de landschappelijke- en stedenbouwkundige inpassing in relatie staan tot de omgeving.
De ontwikkeling is hiermee in lijn met de SVIR. Door de ligging binnen het radar verstoringsgebied gelden er restricties binnen het plangebied voor de realisatie van
12
hoge bouwwerken zoals windmolens, hier dient in de toekomst rekening mee gehouden te worden.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, maar daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'jamits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. In dit geval wordt geen gebruik gemaakt van kaderstellende uitspraken ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen waarbij Nationale belangen gemoeid zijn. De bepalingen in het geldende bestemmingsplan ter bescherming van vliegveld Volkel worden overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit initiatief.
3.1.3
Ladder voor duurzame ontwikkeling De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4, efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik. De Ladder is er voor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de Ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en zelfs in sommige gevallen kwantitatief kan zijn. Planologische gebruikswijzigingen zonder een toename van bouwmogelijkheden kwalificeren in deze niet als Ladderplichtige stedelijke ontwikkelingen.
De gebruikswijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning kwalificeert in dit geval dus niet als een ladderplichtige stedelijke ontwikkeling. Ook de realisatie van één enkele Ruimte-voor-Ruimtewoning is niet Ladderplichtig. De Ladder rekent een ontwikkeling van woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen als een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is, dit is voor de ontwikkeling van één woning dus niet het geval. De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet relevant voor dit plan.
13
3.2
Provinciaal beleid In de structuurvisie is het provinciale belang voor de verschillende gebieden en functies in de provincie Noord-Brabant aangegeven. Deze provinciale belangen worden geborgd door de regels die opgenomen zijn in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant. Deze regels zijn concreet en geven mogelijkheden voor ontwikkelingen in het buitengebied van Noord-Brabant. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25 oktober 2019 en geconsolideerd op 1 maart 2020. Onderliggend plan is getoetst aan deze omgevingsverordening. Allereerst gelden er voor ieder plan de algemene regels uit artikel 3 uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel 3 voorziet in een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (3.5), zorgvuldig ruimtegebruik (3.6), meerwaardecreatie (3.8) en kwaliteitsverbetering van het landschap (3.9). De Interim omgevingsverordening maakt onderscheid in een aantal instructieregels voor gemeenten voor bepaalde thema’s, namelijk: Stedelijke ontwikkeling en erfgoed; Natuur en stiltegebieden; Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging; Basiskaart Landelijk gebied; Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen. Om deze instructieregels voor gemeenten duidelijk weer te geven voor locaties, zijn er bijbehorende kaarten opgesteld.
Ook voor de beleidsbeoordeling van onderhavig plangebied en bijbehorende ontwikkeling zijn deze kaarten van belang. Onderhavig plangebied is volgens de structurenkaart binnen de hoofdzone ‘landelijk gebied’ gelegen waardoor de ‘basiskaart landelijk gebied’ van belang is. De overige kaarten zijn voor deze ontwikkeling niet relevant.
Figuur 8. Uitsnede structurenkaart. Plangebied aangegeven met rode tag.
14
Uit figuur 8 blijkt dat het plangebied gelegen is binnen de groenblauwe mantel van het landelijk gebied. Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel: a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken; b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; c. borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. In hoofdstuk 2 en in bijlage I zijn de huidige landschappelijke waarden beschreven en wordt toegelicht waarop onderhavig planvoornemen deze waarden versterkt door middel van een inpassingsplan. Daarnaast zal in hoofdstuk 4 de invloed van de beoogde ontwikkeling op de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden beschreven en afgewogen worden. Daarnaast is het plan binnen aardkundig waardevol gebied gelegen. Een bestemmingsplan van toepassing op Aardkundig waardevol gebied: a. is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken zoals beschreven in de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant; b.
stelt regels ter bescherming van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. De planlocatie is gelegen binnen een gebied wat aangeduid is als aardkundig waardevol gebied. Uit de aardkundig waardevolle gebiedenkaart van de Provincie Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie binnen het gebied ‘Steilrand Mill’ is gelegen. Dit gebied bestaat uit de overgang van de hoge Peelrand via een steilrand naar de lage Maasterrassen van het Pleistocene Maas-rivierenlandschap. Dit hoogteverschil is met name ten zuiden van de planlocatie zichtbaar. Ontwikkelingen binnen deze gebieden zijn mogelijk als de betreffende aardkundige waarden door de bodemroeringen niet aangetast worden. De bestaande woning met erf en de nieuwe RvR-woning liggen binnen het oude bouwvlak. Door de agrarische activiteiten is het hoogte verschil binnen het huidige bouwvlak niet meer te herkennen. Om de waarden niet aan te tasten is ervoor gekozen om de ontwikkeling van de ruimte-voor-ruimte woning binnen het reeds verstoorde gebied, het huidige bouwvlak, plaats te laten vinden. Het bijbehorend bouwwerk van de RvRwoning zal echter op een afstand van 7 meter buiten het bestaande bouwvlak gesitueerd worden. Op de beoogde locatie van het bijgebouw is het reliëf/hoogteverschil behorende bij de Steilrand Mill niet waarneembaar.
Uit de aardkundig waardevolle gebiedenkaart blijkt dat de maaiveldhoogte ter plaatse van het plangebied (zowel binnen als buiten het bestaande bouwvlak) min of meer gelijk is waardoor de bouw van het bijgebouw niet leidt tot aanpassingen van het hoogteverschil. Voorgenomen ontwikkeling tast de bestaande aardkundige waarden dus niet aan. Binnen het landelijk gebied is ruimte voor een menging van functies. Zo zijn hier naast agrarische ontwikkelingen tevens ontwikkelingen op het gebied van natuur, recreatie, wonen en bedrijvigheid mogelijk. De voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied betreft het staken van een rundveehouderij, de bijbehorende sanering van overtollige
15
bebouwing en het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning met daarbij de realisatie van een Ruimte-voor-Ruimte woning met bijgebouw. Binnen het landelijk gebied kan een bestemmingsplan, volgens artikel 3.69 ‘afwijkende regels wonen (in landelijk gebied)’ van de Interim omgevingsverordening NoordBrabant, voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; overtollige bebouwing wordt gesloopt. Met de ontwikkeling wordt de voormalige bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Hierbij wordt een deel van de bedrijfsbebouwing behorende bij het rundveebedrijf gesaneerd. Er vindt geen splitsing in meerdere woonfuncties plaats. Met het omzetten van de voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning, wordt de (voormalige) rundveehouderij gesaneerd. Naast het omzetten van bestaande bedrijfswoningen naar burgerwoningen wordt onder bepaalde voorwaarden ook nieuwvestiging van woningen in het landelijk gebied mogelijk gemaakt door de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
In artikel 3.80 ‘ruimte-voor-ruimte’ is namelijk beschreven dat een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in een Ruimte-voor-Ruimtekavel ten behoeve van de bouw van één woning, indien: er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit; de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen ‘Verstedelijking afweegbaar’. De Ruimte-voor-Ruimtewoning wordt ontwikkeld op de locatie aan de Rodenweg ongenummerd. Hiervoor wordt een Ruimte-voor-Ruimtetitel gebruikt die vrijkomt bij de sanering van een intensieve veehouderij elders in de Provincie Brabant, welke staat voor de bedoelde winst van de omgevingskwaliteit. De locatie is gelegen in een bebouwingscluster in het buurtschap ‘Bruggen’ in de buurt van de kern van Mill. In hoofdstuk 4 wordt aangetoond dat het een planologisch aanvaardbare plek betreft. De woning zal landschappelijk worden ingepast conform het inrichtingsplan zoals beschreven in hoofdstuk 2 en bijlage I. Het toevoegen van één woning geeft door de gekozen situering in de bocht van een weg welke voor bestemmingsverkeer is bedoeld geen aanzet voor een stedelijke ontwikkeling.
De ontwikkeling van de Ruimte-voorRuimtewoning op deze plek voldoet hiermee aan de voorwaarden behorende bij artikel 3.80 van de Interim omgevingsverordening ruimte. Het provinciaal beleid vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.
16
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie Mill en Sint Hubert ‘In duurzaam perspectief’ In de ‘Structuurvisie Mill en Sint Hubert In duurzaam perspectief’ schetst de gemeente Mill en Sint Hubert haar visie op het ruimtelijke beleid voor de toekomst. Dit wordt gedaan door eerst een algemeen streefbeeld te presenteren om vervolgens per gebied een visie op te stellen. De visie wordt vormgegeven aan de hand van drie hoofdthema’s: samenleving, economie en duurzaamheid. Zo is ook voor het buurtschap Bruggen een visie opgesteld. Tijdens de zware slag om Mill in de tweede wereldoorlog is een groot deel van de boerderijen volledig verwoest. In 1941 is het merendeel van de prachtige oude boerderijen in traditionele stijl herbouwd, waardoor het buurtschap een bijzonder stukje cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigt. Het is de bedoeling de hoge cultuurhistorische waarde in de toekomst meer toeristisch-recreatief te benutten: Bruggen als cultuurhistorische bezienswaardigheid en pleisterplaats op een kruispunt van fietsen wandelroutes door Landschapspark Raamvallei. De landschappelijke kwaliteit vormt een belangrijk ‘kapitaal’ van Mill en Sint Hubert. De gemeente heeft plannen opgesteld om deze kwaliteiten te behouden en verbeteren. Ruimte die in de vorm van bedrijfskavels vrijkomt na vertrek van agrarische bedrijven moet niet zondermeer alleen voor wonen benut worden.
Wie in het buitengebied wil wonen heeft een verantwoordelijkheid voor het behoud en de versterking van het landschap. Daarnaast wil de gemeente bij ingrepen in de bebouwde omgeving de kwaliteit voorrang geven. Zorgvuldig ruimtegebruik en aandacht voor de verschijningsvorm staan daarbij voorop. Bij dit alles ligt de nadruk op het behouden en versterken van het landelijke karakter van het landelijk gebied. De omzetting van het agrarische bedrijf naar een burgerwoning is mogelijk binnen de kaders van de structuurvisie. Voorwaarde hieraan is dat er bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het behoud en verbetering van het landschap. Door hergebruik van de bedrijfswoning en een deel van de bijgebouwen is sprake van zorgvuldig gebruik. Daarnaast zal een deel van de oude bebouwing in de toekomst bij de nieuw te realiseren Ruimte-voor-Ruimte woning betrokken worden. Bij het ontwerp van de Ruimte-voorRuimte woning dient rekening te worden gehouden met de verschijningsvorm zodat deze passend is binnen de bestaande bebouwing van het buurtschap Bruggen. Ook zal deze landschappelijk ingepast worden. Voorgenomen ontwikkeling past binnen de visie en doelen die opgesteld zijn in de ‘Structuurvisie Mill en Sint Hubert In duurzaam perspectief’.
17
Figuur 9. Uitsnede Visiekaart uit de Structuurvisie ‘Mill en Sint Hubert in duurzaam perspectief. Plangebied aangegeven met cijfer 9.
3.3.2
Afspraken voor uitwerking en toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap (2 december 2015) In 2010 is de regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte (destijds art. 2.2, nu artikel 3.2) in werking getreden. In het RRO van januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. In 2014 – 2015 is de regeling geëvalueerd en zijn aanbevelingen opgesteld voor bijstelling van het afsprakenkader. Het bijgestelde afsprakenkader is in het RRO van 2 december 2015 vastgesteld. De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie: -
categorie 1: geen inspanning; categorie 2: een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer; categorie 3: de beschreven forfaitaire methode, waarbij uitgegaan wordt van minimaal 20% van de grondwaardevermeerdering.
Uit de bijlage behorend bij het beleidsdocument ‘Afspraken voor uitwerking en toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap (2 december 2015)’ blijkt dat het realiseren van een RvR-woning tot categorie 1 wordt gerekend. Voor deze ontwikkeling bestaat derhalve geen inspanningsverplichting. Daarnaast wordt het wijzigen van de bestemming agrarisch bedrijf in de bestemming wonen of wonen met VAB-aanduiding tot categorie 2 gerekend mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5.000 m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500 m2
18
voormalige bedrijfsbebouwing resteert. Onderhavige ontwikkeling voldoet aan deze voorwaarden waardoor voorgenomen bestemmingswijziging tot categorie 2 wordt gerekend. De benodigde tegenprestatie bestaat uit een landschappelijke inpassing van het perceel. Het landschappelijk inpassingsplan is weergegeven in figuur 5 en bijlage I.
3.3.3
Bestemmingsplan Om voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is er in de regels van het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Om de agrarische bestemming naar een woonbestemming om te zetten moet aan de voorwaarden uit artikel 7.7.7 worden voldaan: 7.7.7 Wijzigen naar Wonen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen' voor zover het de voormalige agrarische bedrijfswoning betreft, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Wijziging is uitsluitend toegestaan ter plaatse van het bouwvlak. De wijziging vindt uitsluitend plaats ter plaatse van het bouwvlak. Aan deze voorwaarde kan worden voldaan. b. Het agrarisch bedrijf ter plaatse is beëindigd en agrarisch hergebruik is niet langer mogelijk. De bedrijfsmatige vorm van agrarische activiteiten wordt beëindigd. Gezien de gevoeligheid van de omgeving is het niet te veronderstellen dat ter plaatse een volwaardige agrarisch bedrijf kan functioneren. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. c. Het bouwvlak wordt verwijderd en het bestemmingsvlak ‘Wonen’ bestaat uit de voormalige agrarische bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken, tuinen, erven en verhardingen en de wijziging vindt gelijktijdig plaats met wijziging van de overige gronden, waarbij deze worden bestemd overeenkomstig de aangrenzende bestemmingen. Aan deze voorwaarde wordt voldaan d.
De voormalige bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt, waarbij geldt dat 60% van de te slopen voormalige bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken tot maximaal 400 m². In totaal blijft na sloop circa (239+160=) 399 m² oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken behouden. Voor de nieuwe woning is 150 m² aan bijgebouwen mogelijk (conform bestemmingsplanregeling in combinatie met vergunningsvrij). De oppervlakte aan behouden bijgebouwen is dus passend binnen de maximaal mogelijke gezamenlijke oppervlakte van (400+150=) 550 m2. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. e. De woning mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering/bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven. Aangezien er sprake is van de toevoeging van twee burgerwoningen dient te worden getoetst of voorgenomen ontwikkeling invloed heeft op de bedrijfsvoering/bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven. Uit paragraaf 4.7 en 4.8 blijkt dat de afstand tot omliggende (agrarische) bedrijven voldoende groot is en voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een onevenredige
19
beperking voor de bedrijfsvoering/bedrijfsontwikkeling. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. f. De woning dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat. Uit hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat bij de omzetting naar burgerwoning vanuit milieuhygiënisch oogpunt gesproken kan worden van een verantwoord woon- en leefklimaat. g. Bij wijziging naar de bestemming ‘Wonen’ mag een aanduiding voor een bestaande nevenfunctie en/of verbrede landbouw worden opgenomen, als ondergeschikte nevenfunctie bij de woonfunctie, waarbij de volgende voorwaarden gelden: Er is geen sprake van een nevenfunctie. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. h. De wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied, waarbij wordt getoetst aan de gemeentelijke investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit zoals die geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. De beëindiging van de rundveehouderij en de omzetting naar een woonbestemming zal leiden tot een verbetering van de omgevingskwaliteit doordat overtollige verbouwing gesloopt wordt en toekomstige uitstoot van geur en emissie wordt uitgesloten.
Daarnaast is onderhavige ontwikkeling getoetst aan de gemeentelijke investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit en kan onderhavige ontwikkeling ingedeeld worden in categorie 2 waarbij het perceel landschappelijk ingepast dient te worden. In hoofdstuk 2.2 en bijlage I is het landschappelijk inpassingsplan verder uitgewerkt. Aan deze voorwaarde kan worden voldaan. i. De verwezenlijking, het behoud en het beheer van (het zoekgebied voor) een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding ‘zoekgebied ecologische verbindingszone’/ 'overige zone - zoekgebied ecologische verbindingszone' en/of in een zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen ter plaatse van de aanduiding ‘zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen’/ 'overige zone - zoekgebied ecologische verbindingszone' mag niet worden belemmerd of worden aangetast. Er is geen sprake van deze zones. Deze voorwaarde is niet van toepassing voor onderliggend initiatief. j. De wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied, waarbij wordt getoetst aan de gemeentelijke investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit zoals die geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.
De beëindiging van de rundveehouderij en de omzetting naar een woonbestemming zal leiden tot een verbetering van de omgevingskwaliteit doordat overtollige verbouwing gesloopt wordt en toekomstige uitstoot van geur en emissie wordt uitgesloten. Daarnaast is onderhavige ontwikkeling getoetst aan de gemeentelijke investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit en kan onderhavige ontwikkeling ingedeeld worden in categorie 2 waarbij het perceel landschappelijk ingepast dient te worden. In 20
hoofdstuk 2.2 en bijlage I is het landschappelijk inpassingsplan verder uitgewerkt. Aan deze voorwaarde kan worden voldaan. k. Er dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan. Met het ontwerp is rekening gehouden met een zorgvuldige landschappelijke inpassing. In hoofdstuk 2.2 en bijlage I is deze verder toegelicht.
21
HOOFDSTUK
4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording
4.1
Mer-beroordeling Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Binnen het plangebied wordt één woningbouwmogelijkheid toegevoegd. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Ook het saneren van de rundveestal en het herbestemmen van een bedrijfswoning naar een burgerwoning komt niet voor in bijlage C, waardoor voor beide ontwikkelingen geen m.e.r. procedure doorlopen hoeft te worden. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r.
kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om “bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”. Aangezien in dit geval sprake is van een gebied dat aanzienlijk kleiner is dan 100 ha en het plan aanzienlijk minder dan 2.000 woningen omvat, is geen sprake van een m.e.r.beoordelingsplicht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Aanvullend op het voorgaande is op 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. In dit geval zou de herziening van de gronden kunnen vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Het voorliggende initiatief betreft slechts de nieuwbouw van één Ruimte-voorRuimtewoning. Daarnaast wordt er een rundveestal gesaneerd en de bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Een dergelijk kleinschalig initiatief betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage.
Als gevolg hiervan hoeft voor de ontwikkeling van de woning geen milieueffectrapport te worden opgesteld en hoeft ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Daarnaast is onderhavig plan getoetst aan de Nota 22
Archeologiebeleid Mill en Sint Hubert. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze ruimtelijke onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. Op het plangebied ligt ter plaatse van de bestaande woning de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. In het algemeen geldt hier een onderzoeksplicht voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 0,4 meter. Op dit gedeelte van het perceel zal geen nieuwbouw plaatsvinden. Daarnaast ligt op het oostelijk deel van het perceel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Hierbij geldt in het algemeen een onderzoeksplicht voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 0,4 meter. Op dit gedeelte van het perceel zal eveneens geen nieuwbouw plaatsvinden. Op het deel van het perceel waar de rundveestal gesaneerd en de Ruimte-voor-Ruimte woning gerealiseerd wordt is geen dubbelbestemming archeologie aanwezig. Voorgenomen ontwikkeling is dus uitgezonderd van archeologisch onderzoek. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
De in het geldende bestemmingsplan opgenomen dubbelbestemmingen voor archeologie worden in het nieuwe bestemmingsplan overgenomen. Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform het vigerende bestemmingsplan en de cultuurhistorische waardenkaart heeft het plangebied geen aanduidingen die eventuele historische facetten beschermen. Bij de omzetting van de bedrijfswoning naar een burgerwoning zullen de karakteristieke eigenschappen van de langgevelboerderij behouden blijven. Ook zijn er geen monumenten binnen het plangebied aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.3
Flora en Fauna
4.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Brabant (NNB). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) Ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora-
23
en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Conclusie In de conclusie is onderscheid gemaakt in het Natuur Netwerk Brabant en Natura 2000gebieden. Natuur Netwerk Brabant Uit het onderzoek blijkt dat de plangebieden buiten de begrenzing van het NNB is gelegen. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door verspreiding van stoffen in lucht of water. Gezien de aard van de ingreep (sloop van de rundveestal en de oprichting van een nieuwe woning) en de afstand van 80 meter tot het dichtstbijzijnde NNB-gebied is er geen negatief effect te verwachten. Natura 2000-gebied Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Oeffelter Meent’ is met circa 10,7 kilometer op relatief grote afstand gelegen (bij Natura 2000-gebied moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Gezien de afstand (groter dan 10 kilometer) en de beperkte aard van de ingreep zijn op voorhand significant negatieve effecten uit te sluiten.
4.3.2
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Het wijzigen van de bestemming brengt de voorkomende planten- en diersoorten niet in gevaar. Daarnaast is het planvoornemen om binnen het plangebied een deel van de aanwezige bebouwing en verharding te slopen. Bij ruimtelijke planvorming en ingrepen is het verplicht om een toetsing aan de natuurwetgeving uit te voeren. De rundveestallen op het perceel zouden als verblijfsplaats voor dieren kunnen fungeren. Aangezien de stallen gedeeltelijk worden gesloopt, dient vóór de sloop te worden vastgesteld of dit een negatief effect heeft op eventueel aanwezige dier- en plantensoorten. Daarom heeft Agrifirm Exlan op 13 juli 2020 een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als seperate bijlage II bijgevoegd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Het voornemen zal naar verwachting geen negatief effect hebben op staat van instandhouding van beschermde soorten.
Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen 24
onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Het aspect Natuur vormt dus geen belemmering voor onderhavig plan.
4.4
Waterparagraaf Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. Werden in het verleden het water en de waterlopen voornamelijk gevormd en veranderd naar de wensen van inrichters en gebruikers, blijkt de laatste jaren steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek zoals verdrogingsverschijnselen en hogere afvoeren van rivieren. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.
4.4.1
Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Gemeente Mill en Sint Hubert 2019-2023, het Provinciaal plan van Noord-Brabant, het Waterbeheersplan 2016-2021 van waterschap Aa en Maas, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Waterschap Aa en Maas Waterbeheerplan 2016-2021 De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het Waterbeheerplan en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied met voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het Waterschap een aantal
25
uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd.
De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². De gemeente Mill en Sint Hubert heeft in aanvulling op het beleid van waterschap Aa en Maas bepaald dat al het hemelwater binnen een plangebied op eigen terrein dient te worden verwerkt. Voor de bedrijfswoning verandert er niets aan de bestaande situatie en gelden er geen eisen aan de berging van hemelwater. Voor de berekening van de bergingscapaciteit voor de nieuwe woning wordt de rekenregel uit de Brabant Keur gehanteerd. Voor het ontwerp betekent dat: toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m). In het plangebied geldt een gevoeligheidsfactor van 1,0. De totale benodigde compensatie (in m³) bedraagt daarmee 400 m² x 1,0 x 0,06 m = 24 m³. Binnen het plangebied is ruim voldoende onverhard terrein aanwezig om hieraan te kunnen voldoen.
De Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Tot slot is de Digitale Watertoets van het Waterschap Aa en Maas uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het planvoornemen diverse waterbelangen raakt. Reserveringsgebied voor waterberging Het plan ligt in een reserveringsgebied voor waterberging. Dit is een gebied dat mogelijk in de toekomst noodzakelijk is om wateroverlast uit regionale watersystemen tegen te gaan. Grootschalige kapitaalintensieve functies zijn in dergelijke gebieden niet toegestaan, omdat deze ten koste kunnen gaan van het waterbergend vermogen van 26
een reserveringsgebied. Hierbij gaat het om activiteiten met over het algemeen een groot ruimtebeslag die, wanneer eenmaal gevestigd, moeilijk verplaatsbaar zijn, schadegevoelig zijn en ten koste gaan van de (potentieel beschikbare) ruimte voor waterberging. Als kan worden aangetoond dat de geschiktheid van het gebied voor waterberging niet verloren gaat, niet tot hogere realisatiekosten voorwaterberging leidt, of bij de inrichting voldoende rekening is gehouden met hogere inundatiekansen, dan zijn er toch bouwmogelijkheden. Echter is in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Mill en Sint Hubert, Herziening 2018, regionale waterberging Grave’ (vastgesteld 06-02-2020) ter plaatse van dit reserveringsgebied voor waterberging de gebiedsaanduiding ‘overige zone – op te heffen waterbergingsgebied’ opgenomen. Dat houdt in dat ter plaatse van de aanduiding 'op te heffen waterbergingsgebied' de voor die gronden ingevolge de moederplannen geldende aanduiding 'Waterstaat - Regionaal waterbergingsgebied' en de bijbehorende planregels worden ingetrokken. Gezien het feit dat het waterwingebied opgeheven is, heeft het planvoornemen geen negatieve invloed op dit waterbelang. Vertraagde afgevoerd op een leggerwatergang of een ander oppervlaktewater Als er sprake is van afvoer naar een nabijgelegen leggerwatergang / overig oppervlaktewater, mag deze alleen vertraagd plaatsvinden.
Hierbij mag de afvoernorm (afvoercoëfficiënt) die voor de locatie geldt niet worden overschreden, om overbelasting van het watersysteem te voorkomen. Het water uit een bergingsvoorziening kan via een uitstroomvoorziening (bijvoorbeeld een pijp) vertraagd worden afgevoerd naar oppervlaktewater. De waterafvoer vanuit de bergingsvoorziening mag deze norm niet overschrijden. Voor een uitstroomvoorziening in het talud van een A-watergang dient een watervergunning te worden aangevraagd. Het hemelwater wordt binnen het plangebied op eigen terrein verwerkt waarbij er geen sprake is van afvoer naar een nabijgelegen leggerwatergang of overig oppervlaktewater. Lozing van hemelwater op een gemengd stelsel Gestreefd wordt om hemelwater of grondwater dat nu nog via de vuilwaterriolering naar de rioolwaterzuivering wordt afgevoerd, gescheiden af te voeren en te infiltreren/terug te brengen in het lokale watersysteem (afkoppelen grondwater en/of verhard oppervlak). Het gescheiden aanbieden tot aan de perceelgrens op het gemengde stelsel is op basis van het Bouwbesluit wenselijk, daarbij alvast anticiperend op een toekomstige ombouw van bestaande gemengde vuilwaterstelsels naar gescheiden stelsels. Bij nieuwbouwgebieden dient geen grond- of hemelwater te worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering, oftewel niet-aankoppelen. Dit grond- of hemelwater wordt in het plangebied verwerkt.