CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

04. Toelichting bp SH Lange Schoolstraat 2 - 26mei21.pdf

Mill - raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: BP Lange Schoolstraat 2 Sint Hubert31.972 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Resultaten Voor de uitwerking van een watertoets heeft waterschap Aa en Maas acht onderwerpen geformuleerd die als uitgangspunten voor de watertoets dienen: 1 voorkomen van vervuiling; 2 wateroverlastvrij bestemmen; 3 Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen (HNO); 4 vuil water en hemelwater scheiden; 5 hergebruik, infiltratie, buffering, afvoer; 6 waterschapsbelangen; 7 meervoudig ruimtegebruik; 8 water als kans. Bij het doorlopen van de digitale watertoets (www.dewatertoets.nl) op 18 januari 2021 is gebleken dat het ruimtelijk plan onder de korte procedure valt, omdat de verhardingstoename en/of -afkoppeling maximaal 2.000 m² bedraagt. Onderhavig bestemmingsplan leidt wel tot een toename in verhard oppervlakte maar blijft ruimschoots onder de grens van 2.000 m². Ook wordt de grondwaterstand niet veranderd. Voor het afvoeren van vuilwater worden de woningen aangesloten op het al aanwezige vuilwaterriool. Binnen de gemeente Mill en Sint Hubert dient het regenwater op eigen terrein opgevangen en geïnfiltreerd te worden.

Hierbij hanteert de gemeente Mill en Sint Hubert een bergingseis van 60 mm per vierkante meter voor al het nieuw verhard en bebouwd oppervlak en 30 mm voor onverhard oppervlak. Op basis van het huidige ontwerp is 271 m2 bebouwd en/of verhard oppervlak en 319 m2 onverhard. Dit komt neer op een bergingsopgave van 25.830 liter en wordt door middel van infiltratiekratten gerealiseerd (Dyka DUBO-rainsysteem of gelijkwaardig).

26 | 34

Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03

Met de nieuwbouw van de twee woningen wordt gebruik gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het (bodem)watersysteem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de (bodem)waterkwaliteit. Tot slot zijn met dit bestemmingsplan geen waterschapsbelangen in het geding. In het plangebied bevinden zich geen oppervlaktewateren en waterkeringen. Tevens liggen er geen ruimteclaims voor waterberging, de afvalwaterketen of aanleg van natte ecologische verbindingszones en beekherstel. Conclusie Als gevolg van de bouw van twee woningen zijn geen negatieve effecten te verwachten op de waterhuishouding of de riolering. Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.11

Bedrijven en Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies (zoals wonen en recreëren) anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: - het zoveel mogelijk beperken of voorkomen van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; - het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen verrichten. Toetsingskader De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting.

De publicatie geeft voor vele bedrijfstakken en installaties aan: - welke milieuonderwerpen een rol kunnen spelen; - welke gemiddelde afstanden tot de woonbebouwing 'passend' zijn. In de handreiking is een lijst opgenomen die inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Het instrument heeft een integrale benadering. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De milieucategorie wordt bepaald op de maatgevende (grootste) afstand. De VNG-publicatie is daarmee een onmisbaar hulpmiddel in de bestemmingsplanpraktijk. Resultaten In de omgeving van de het plangebied zijn diverse voorzieningen aanwezig. De juwelier aan de Pastoor Jacobsstraat 34, ‘café Broers’ aan de Pastoor Jacobsstraat 51, het voormalig café-zaal ‘De Oude Post’ en het technisch installatiebedrijf aan de Lange Schoolstraat 3A behoren tot de milieucategorie 1 met een grootste richtafstand van 10 m. Omdat de afstand van deze voorzieningen tot de nieuw te realiseren woningen groter is dan de richtafstand, zijn er vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmeringen voor de planontwikkeling. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

27 | 34

Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03

5 JURIDISCHE PLANOPZET 5.1

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De regels en verbeelding zijn opgesteld op basis van de landelijk geldende standaarden (SVBP 2012) en de gemeentelijke standaarden (Handboek digitale bestemmingsplannen gemeenten Land van Cuijk 2010).

5.2

Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Alle gronden binnen het plangebied hebben op de verbeelding een bestemming gekregen. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: - enkelbestemming ‘Tuin’; - enkelbestemming ‘Wonen’; - dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’; - gebiedsaanduiding ‘Luchtvaartverkeerzone - ihcs-zone’; - gebiedsaanduiding ‘Luchtvaartverkeerzone - ils-zone 7’; - gebiedsaanduiding ‘Luchtvaartverkeerzone - radarverstoringsgebied’. Voor de benamingen van de bestemmingen is aangesloten bij het bestemmingsplan Kom Sint Hubert en de gebiedsaanduidingen zijn overgenomen uit het bestemmingsplan Buitengebied Mill en Sint Hubert, Herziening 2018. De gronden binnen het plangebied hadden in het vigerende bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Detailhandel’. Om de twee woningen mogelijk te maken is de bestemming van deze gronden omgezet naar de enkelbestemming ‘Wonen’ en de enkelbestemming ‘Tuin’. De dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ en bijbehorend vergunningstelsel is in onderhavig bestemmingsplan ongewijzigd overgenomen. Daarnaast zijn de gebiedsaanduidingen ter bescherming van het luchtvaartverkeer toegevoegd.

5.3

Toelichting op de regels

De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: - hoofdstuk 1: Inleidende regels; - hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; - hoofdstuk 3: Algemene regels; - hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.

28 | 34

Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03

5.3.1

Inleidende regels

De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Artikel 1 Begrippen In dit artikel is een omschrijving gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 Wijze van meten In artikel 2 is een omschrijving gegeven van de te gebruiken wijze van meten.

5.3.2

Bestemmingsregels

De bestemmingsregels kennen een gelijke opbouw (voor zover van toepassing): een bestemmingsomschrijving, bouwregels, afwijking van de bouwregels, specifieke gebruiksregels en afwijking van de gebruiksregels. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen om omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven burgemeester en wethouders de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Artikel 3 Tuin De bestemming ‘Tuin’ wordt gebruikt om aan te geven waar geen bijbehorende bouwwerken gewenst zijn. De bestemming ‘Tuin’ ligt daarmee in dat gebied wat algemeen bekend staat als voortuin.

Er zijn drie typen bijbehorende bouwwerken die wel in de bestemming ‘Tuin’ gebouwd mogen worden: de uitbouw van de woning die ook bekend staat als erker, een carport en een luifel. Hiervoor gelden wel strikte regels om het ondergeschikte karakter van deze gebouwen te waarborgen. Artikel 4 Wonen Binnen deze bestemming zijn verschillende typen woningen toegestaan. Naast wonen maakt het bestemmingsplan onder voorwaarden een beroep aan huis mogelijk. Een bedrijf aan huis alsmede detailhandel of dienstverlening van ondergeschikte aard worden via een afwijking van het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning, onder voorwaarde, mogelijk gemaakt. Artikel 5 Waarde - Archeologie 2 Deze gronden zijn behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de (te verwachten archeologische) waarden van de gronden. Er geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m2.

5.3.3

Algemene regels

In de algemene regels zijn een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouw-, gebruiks- en afwijkingsregels en de algemene nadere eisen.

29 | 34

Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 7 Algemene bouwregels In deze bepaling zijn uitzonderingen voor ondergeschikte bouwonderdelen en maatvoeringen opgenomen. Verder zijn in deze bepaling parkeernomen opgenomen. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In deze bepaling is aangegeven wat onder strijdig gebruik van het bestemmingsplan wordt verstaan. Artikel 9 Algemene aanduidingsregels Ter bescherming van het luchtvaartverkeer zijn gebiedsaanduidingen opgenomen in het plangebied. De gebiedsaanduiding ‘Luchtvaartverkeerzone - ihcs-zone’, ‘Luchtvaartverkeerzone - ils-zone 7’ en ‘Luchtvaartverkeerzone - radarverstoringsgebied’ maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels In deze bepaling is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan.

Artikel 11 Algemene nadere eisen In deze bepaling is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om nadere eisen te stellen aan de plaats en de afmeting van de bebouwing. Het gaat hierbij om nadere eisen ten behoeve van een samenhangend stedenbouwkundig beeld, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de milieusituatie.

5.3.4

Overgangs- en Slotregels

Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Artikel 12 Overgangsrecht Uit oogpunt van behoorlijk bestuur dienen bestaande bebouwing en bestaand gebruik, welke afwijken van de in het bestemmingsplan opgenomen regels, te kunnen worden voortgezet. In deze bepaling geldt dit niet voor reeds met de vorige bestemmingsplannen strijdige situaties. De tekst van de bepaling is voorgeschreven in artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 13 Slotregel In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. Deze regels kunnen worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Kruising N264 Lange Schoolstraat Sint Hubert.

30 | 34

Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03

6 UITVOERBAARHEID In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke- en economische uitvoerbaarheid van het plan. Conform artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet onderzoek worden gedaan naar de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. Dit wil zeggen dat voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt door dit bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden en maatschappelijk uitvoerbaar zijn. Door initiatiefnemer is een participatieproces opgestart waarin de omwonende uit tabel 6.1 zijn meegenomen. Middels een brief met bijbehorende tekening is het voornemen kenbaar gemaakt. Met negen participanten is persoonlijk gesproken. Eén participant heeft per e-mail gereageerd en van vier participanten is geen reactie ontvangen. De tien participanten die hebben gereageerd hebben alleen te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen de ontwikkelingen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.

Tabel 6.1 Adressen participatieproces Adres

Adres

Pastoor Jacobsstraat 45

Lange Schoolstraat 4b

Pastoor Jacobsstraat 47

Lange Schoolstraat 11

Pastoor Jacobsstraat 49

Lange Schoolstraat 9

Pastoor Jacobsstraat 49a

Lange Schoolstraat 7

Pastoor Jacobsstraat 32

Lange Schoolstraat 5

Pastoor Jacobsstraat 32a

Lange Schoolstraat 3a

Pastoor Jacobsstraat 34

Lange Schoolstraat 3

6.2

Economische aspecten

Conform artikel 6.12. lid 1 Wro dient de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bouwplan gerealiseerd wordt. Volgens artikel 6.2.1. van het Bro wordt hier in ieder geval de bouw van één of meerdere hoofdgebouwen onder verstaan. Voor de ontwikkeling van het plangebied dient derhalve in principe een exploitatieplan te worden vastgesteld. Conform artikel 6.12. lid 2 Wro kan de gemeenteraad besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluiten begrepen gronden anderszins verzekerd is.

31 | 34

Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03

De initiatiefnemers en de gemeente Mill en Sint Hubert hebben een anterieure overeenkomst gesloten. Derhalve is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan conform artikel 6.12. lid 1 Wro vast te stellen. In de anterieure overeenkomst, zijn tevens afspraken vastgelegd betreffende eventuele planschade.

6.3

Handhaafbaarheid

Een belangrijk aspect in de uitvoering van het bestemmingsplan is van juridische aard. Het gaat hierbij om de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten te kunnen bewaren. Daarnaast is handhaving van belang uit het oogpunt van rechtszekerheid. Alle gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze aan het plan te worden gehouden. Met deze oogmerken is in het plan gestreefd naar een eenvoud van in het bijzonder de planregels. Door de toegankelijkheid en de leesbaarheid daarvan worden de mogelijkheden om toe te zien op de naleving vergroot.

32 | 34

Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03

7 PROCEDURE In dit hoofdstuk wordt de procedure van het plan beschreven. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de ontwerpfase en de vaststellingsfase van het plan.

7.1

Ontwerpfase

7.1.1

Vooroverleg

Artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat het gemeentebestuur bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Voor dit bestuurlijk vooroverleg heeft de gemeente Mill en Sint Hubert het voorontwerpbestemmingsplan digitaal beschikbaar gesteld aan de provincie Noord-Brabant en waterschap Aa en Maas. Naar aanleiding van opmerkingen uit het bestuurlijk vooroverleg is het bestemmingsplan verder aangevuld en aangescherpt. Het vooroverleg met de provincie geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen en het wettelijk vooroverleg met de provincie kan als afgerond worden beschouwd. Daarnaast heeft het waterschap akkoord gegeven op het plan via de watertoets voorafgaande aan de ter inzage legging.

7.1.2

Ontwerpbestemmingsplan en inspraak

Op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening wordt het ontwerpbestemmingsplan zes weken voor zienswijzen ter inzage gelegd en is het digitaal te bekijken op de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Dit is openbaar bekend gemaakt door het plaatsen van een publicatie in de Staatscourant. Eenieder is in de gelegenheid om een zienswijze in te dienen. Daarnaast is de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan op grond van art 3.8, lid 1, sub b Wro toegestuurd aan diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan de betrokken waterschapsbesturen en aan de besturen van bij het plan een belanghebbende gemeenten.

7.2

Vaststellingsfase

Deze fase gaat over de vaststelling van het bestemmingsplan. Na verwerking van de zienswijzen en mogelijke ambtelijke aanpassingen besluit de gemeenteraad over de vaststelling van het bestemmingsplan. Het vastgestelde bestemmingsplan wordt wederom zes weken ter inzage gelegd (aanvang beroepstermijn). Tegen het besluit tot vaststellen van het bestemmingsplan kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt in werking op de dag dat de beroepstermijn is afgelopen en er geen schorsingsverzoek (voorlopige voorziening) is ingediend. Wanneer geen beroep wordt ingesteld, is het bestemmingsplan na die zes weken onherroepelijk.

33 | 34

Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03

Wanneer beroep is ingediend is het bestemmingsplan onherroepelijk als er door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak is gedaan over het ingestelde beroep.

34 | 34

Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03

Bijlage(n)

I BIJLAGE: VORMVRIJE M.E.R.-BEOORDELING

Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Bijlage I | Definitief 03

NOTITIE

Onderwerp Project Opdrachtgever Projectcode Status Datum Referentie Auteur(s)

Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Sint Hubert, Lange Schoolstraat 2 G.H.M Verlinden 117826 Definitief 11 februari 2021 117826/21-002.288 ing. P.A.E. Adriaansen drs. M.J. Schilt ir. R.F. Vromans

Paraaf

Bijlage(n)

-

Aan

Gemeente Mill en Sint Hubert Provincie Noord-Brabant

Kopie

1

L. Timmermans A. Bovée

VORMVRIJE M.E.R.-BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN ‘WONINGEN LANGE SCHOOLSTRAAT, SINT HUBERT’

Project

Bestemmingsplan ‘Woningen Lange Schoolstraat, Sint Hubert

1. Kenmerken van het project Omvang van het project (relatie met drempel D lijst)

Het project betreft de ontwikkeling van twee woningen aan de Lange Schoolstraat in Sint Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert. Er is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject conform categorie D11.2 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen). Er wordt niet voldaan aan een van de drempelwaarden uit kolom 2: een oppervlakte van 100 ha of meer; een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer. Het project voldoet niet aan een van de drempelwaarden. Er geldt daarom een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht.

Cumulatie met andere projecten

Er zijn in de directe omgeving van het plangebied geen plannen voor andere ontwikkelingen. Er is geen sprake van cumulatie.

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Stationsweg 5 | Postbus 3465 | 4800 DL Breda | +31 (0)76 523 33 33 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751

Project

Bestemmingsplan ‘Woningen Lange Schoolstraat, Sint Hubert

Gebruik natuurlijke hulpbronnen

n.v.t. (woningen worden gasloos opgeleverd)

Productie afvalstoffen

Er wordt regulier huis-, tuin-, en keukenafval, afval geproduceerd.

Verontreiniging en hinder

Relevante verontreiniging en hinder voor het milieu als gevolg van de woningen is niet aan de orde. Tijdens de realisatie van de woningen is er mogelijk enige hinder in de vorm van geluid en trillingen. Het (aannemers)bedrijf welke verantwoordelijk is voor uitvoering zal zich houden aan de algemene wet en regelgeving en de geldende milieuwetgeving, waardoor dit geborgd is.

Risico voor ongevallen

Dit aspect gaat voornamelijk over het risico van ongevallen in en bij bedrijfsprocessen, welke schadelijk kunnen zijn voor het milieu. In het geval van deze twee woningen zijn er geen processen die schadelijk kunnen zijn voor het milieu.

2. Plaats van het project Huidige grondgebruik

Het plangebied is nu in gebruik als tuin met daarin een zwembad en diverse vrijstaande bergingen met een inrit aan de Lange Schoolstraat.

Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied

Ter plaatse van het plangebied zijn geen natuurlijke hulpbronnen aanwezig.

Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu met in het bijzonder aandacht voor kwetsbare gebieden

In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen kwetsbare gebieden (gebieden die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied ligt op grote afstand (meer dan negen kilometer) van omliggende Natura 2000-gebieden. De ecologische waarden in het Natura 2000-gebied worden met de realisatie van de woningen niet aangetast, zoals aangetoond in de uitgevoerde AERIUS-berekening. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot voorkomende storende factoren op Natura 2000-gebied zoals verzuring, oppervlakteverlies, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring en bewuste verandering van soortensamenstelling. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op 110 m ten zuidwesten van het plangebied. Gezien het plangebied echter buiten de grenzen van het NNN ligt, is er geen sprake van directe negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN.

Milieueffecten van het project

Bodem: op de planlocatie is historisch- en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik. Verkeer en parkeren: binnen het plangebied worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om in de eigen behoefte te voorzien. Daarnaast is de extra verkeersaantrekkende werking van een dusdanige omvang dat de bestaande infrastructuur voldoende robuust is deze verkeerstromen op een veilige manier af te wikkelen. Geluid: door de ontwikkeling van het plangebied is er een toename van verkeer. Dit zorgt voor een toename in de geluidbelasting voor de omgeving. Het verkeer zal voornamelijk bestemmingsverkeer van bewoners en bezoekers zijn. In de directe omgeving van het plangebied is reeds sprake van dit type verkeer, de directe omgeving bestaat immers uit bestaand bebouwd gebied. De toename van verkeer is niet dusdanig dat er sprake is van significante effecten op de omgeving. Er zijn met betrekking tot geluid geen significante effecten. Ten gevolge van de Pastoor Jacobsstraat wordt voor 1 woning een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A) verwacht. Het toepassen van bronmaatregelen is niet doelmatig. Er wordt voor deze woning een hogere waarde aangevraagd.

Luchtkwaliteit: Voor woningbouwlocaties geldt dat deze ‘niet in betekende mate’ zijn wanneer het initiatief netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg. Met dit initiatief worden twee nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Hierdoor wordt ruimschoots voldaan aan de ‘niet in betekende mate’-grens.

2|3

Witteveen+Bos | 117826/21-002.288 | Definitief

Project

Bestemmingsplan ‘Woningen Lange Schoolstraat, Sint Hubert Het nieuwe bouwplan voldoet hiermee aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Er zijn met betrekking tot de luchtkwaliteit geen significante effecten. Flora en fauna: er is ten behoeve van het bestemmingsplan een ecologisch onderzoek uitgevoerd naar soorten. Door de bouw van twee nieuwe woningen wordt mogelijk een paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis verstoord. Daarnaast kunnen vleermuizen op vliegroutes mogelijk verstoord worden door werkzaamheden wanneer er met kunstlicht wordt gewerkt tijdens de actieve periode van vleermuizen. Tijdens de werkzaamheden worden maatregelen genomen om de paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis en de vliegroutes van vleermuizen niet te verstoren. Er zijn met betrekking tot flora en fauna geen significante effecten. Uit stikstofdepositieberekeningen blijkt dat het project in zowel de realisatie- als gebruiksfase géén stikstofdepositie op stikstofgevoelig habitat in Natura 2000-gebied tot gevolg heeft. Water: Voor het afvoeren van vuilwater worden de woningen aangesloten op het al aanwezige vuilwaterriool. Het regenwater van het nieuw verhard oppervlakte wordt geïnfiltreerd op eigen terrein. De ontwikkeling van het plangebied leidt tot een toename in verhard oppervlakte maar blijft ruimschoots onder de grens van 2.000 m². Compensatie is derhalve niet aan de orde.

Daarom zijn er voor het aspect water geen significante effecten.

3. Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect

Zoals voorgaand in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is besproken zijn er met dit plan nauwelijks tot geen negatieve effecten op de omgeving en het milieu. Tijdens de bouw van de woningen is niet uit te sluiten dat er op het gebied van geluid en trillingen geen effecten zijn richting de omgeving. Echter is met de regels uit het Bouwbesluit geborgd dat deze overlast zoveel als mogelijk wordt beperkt.

Grensoverschrijdend karakter

Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling en de lokale aard van eventuele effecten is er geen sprake van een grensoverschrijdend karakter.

Orde van grootte en complexiteit project

Het betreft een kleinschalig project van twee woningen. Gezien de beperkte complexiteit zijn er nauwelijks effecten te verwachten. De optredende effecten zijn middels maatregelen te mitigeren en lokaal van aard.

Waarschijnlijkheid effect

Het optreden van de effecten is zeer waarschijnlijk, maar door mitigerende maatregelen treden deze nauwelijks op.

Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect

Het plan is onomkeerbaar. Echter gezien de aard van het plan en dat er geen tot zeer beperkte effecten zijn op het milieu levert deze onomkeerbaarheid geen gevolgen op voor het milieu.

4. Conclusie

De toetsing van de potentiële effecten van voorgenomen ontwikkeling maakt duidelijk dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten. Er is geen noodzaak tot het opstellen van een MER of formele m.e.r.-beoordeling.

3|3

Witteveen+Bos | 117826/21-002.288 | Definitief

II BIJLAGE: VERKENNEND BODEMONDERZOEK

Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Bijlage II | Definitief 03

Verkennend bodemonderzoek

Pastoor Jacobsstraat 34, Sint Hubert Rapport

Verkennend bodemonderzoek

Pastoor Jacobsstraat 34, Sint Hubert Rapport

Opdrachtgever Witteveen+Bos Postbus 233 7400 AE Deventer

Verantwoording Documentnummer

3905-20086-04-RAP-MOZ-01-v1.0

Datum document

7 januari 2021

Opgesteld

Gecontroleerd

Vrijgegeven

G.D. Geijer MSc

ing. F. Broertjes

ing. F. Broertjes

Revisiebeheer Versie

Datum

Omschrijving

1.0

7 januari 2021

Eerste uitgave

Het auteursrecht van dit rapport berust bij Unihorn B.V. Het is niet toegestaan dit rapport voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd te gebruiken.

Versie 1.0 7 januari 2021

Inhoudsopgave 1.

2.

Inleiding .................................................................................................................................................... 3 1.1

Aanleiding en doel ....................................................................................................................... 3

1.2

Kwaliteitsborging ......................................................................................................................... 4

1.3

Leeswijzer ................................................................................................................................... 4

Vooronderzoek .......................................................................................................................................... 5 2.1

3.

Samenvatting vooronderzoek ...................................................................................................... 5

Onderzoeksopzet (hypothese en strategie) ............................................................................................... 6 3.1

Hypotheses ................................................................................................................................. 6

3.2

Strategie en opzet ....................................................................................................................... 6 Strategie bodem .......................................................................................................................... 6

4.

Veldwerkzaamheden ................................................................................................................................. 7 Locatie inspectie.......................................................................................................................... 7

5.

4.2

Veldonderzoek ............................................................................................................................ 8

4.3

Zintuiglijke waarnemingen ........................................................................................................... 8

4.4

Opmerkingen en afwijkingen op vigerende protocollen ............................................................... 8

Laboratoriumonderzoek ............................................................................................................................. 9 5.1

Bodem ......................................................................................................................................... 9 Grond .......................................................................................................................................... 9 Grondwater.................................................................................................................................. 9

6.

5.2

Asbest in grond ........................................................................................................................... 9

5.3

Toetsingskader ............................................................................................................................ 9

Analyseresultaten .................................................................................................................................... 10 6.1

Bodem ....................................................................................................................................... 10 Grond ........................................................................................................................................ 10 Grondwater................................................................................................................................ 10

6.2 7.

Asbest in grond ......................................................................................................................... 11

Conclusies en advies............................................................................................................................... 12 7.1

Conclusies ................................................................................................................................. 12 Bodem ....................................................................................................................................... 12 Asbest in grond ......................................................................................................................... 12

7.2

Toetsing hypothese(s) ............................................................................................................... 12 Bodem ....................................................................................................................................... 12

8.

7.3

Advies........................................................................................................................................ 12

7.4

Aanbevelingen m.b.t. Arbo technisch veilig werken (conform CROW 400) ............................... 12

7.5

Resumé onderzoeksresultaten .................................................................................................. 13

Referenties .............................................................................................................................................. 14

Pagina 1 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

Bijlagen A.

Toelichting op toetsingskaders

B.

Regionale ligging en locaties meetpunten

C.

Boorstaten

D.

Toetsingstabellen bodem

E.

Analysecertificaten bodem

F.

Analysecertificaat asbest

Pagina 2 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

1.

Inleiding In november heeft Unihorn B.V. opdracht gekregen van Witteveen+Bos voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van twee percelen nabij Pastoor Jacobsstraat 34, te Sint Hubert. In Figuur 1 is ligging van het projectgebied weergegeven met het rode kader.

Figuur 1

1.1

Ligging projectlocatie.

Aanleiding en doel Aanleiding voor het verkennend bodemonderzoek is het in augustus uitgevoerde historisch vooronderzoek [ref 9.] betreffende de projectlocatie uit Figuur 1. Het historisch vooronderzoek werd uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanprocedure en in het kader van beoogde bouwactiviteiten op de locatie, waarbij mogelijk grond vrij zal komen. In het historisch vooronderzoek werd, mede op basis van eerder op de nabijgelegen Pastoor Jacobsstraat uitgevoerd onderzoek [ref 8.], geconcludeerd dat er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd dient te worden op de projectlocatie. Doel van het onderzoek is om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) ter plaatse vast te leggen. Voor de eventuele afvoer van grond wordt advies gegeven ten aanzien van de hergebruiksmogelijkheden. Daarnaast wordt op basis van de analyseresultaten beoordeeld of conform de CROW 400 [ref 31.] veilig met de grond gewerkt kan worden.

Pagina 3 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

1.2

Kwaliteitsborging De werkzaamheden zijn uitgevoerd binnen het kader van ons kwaliteitssysteem. Unihorn B.V. heeft een zorgsysteem dat voldoet aan de volgende normen: 

NEN-EN-ISO 9001;

VGM Checklist Aannemers VCA versie 2008/5.1 (VCA**);

NEN-EN-ISO 14001.

Het veldwerk is uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000, “Veldwerk bij milieu-hygiënische bodemonderzoek” [ref 25.]. Unihorn B.V. is voor “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” gecertificeerd door KIWA nv op basis van BRL SIKB 2000 en erkend door RWS Leefomgeving voor veldwerk conform de protocollen 2001 [ref 26.], 2002 [ref 27.], 2003 [ref 28.] en 2018 [ref 29.]. Het veldwerk is door erkende medewerkers uitgevoerd, zie Tabel 1. Tabel 1

Protocollen en erkende medewerkers.

Protocol

Werkzaamheden

Medewerker

Erkend

SIKB 1001 SIKB 2001

Monsterneming partijkeuringen sterneming partijkeuringen Plaatsen grondboringen en peilbuizen

SIKB 2018

Asbestgraafgaten

SIKB 2002

Peilbuis bemonsteren

SIKB 2003

Plaatsen slibboringen

M. Kaandorp G. van der Linden M. Kaandorp G. van der Linden M. van ‘t Veer R. Hoek D. Koopman M. Kaandorp G. van der Linden M. van ‘t Veer R. Hoek D. Koopman M. Kaandorp G. van der Linden M. van ‘t Veer R. Hoek D. Koopman M. Kaandorp R. Hoek

Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja In opleiding

De laboratoriumanalyses zijn uitgevoerd door SYNLAB Analytics & Services te Hoogvliet. Dit laboratorium is door de Raad van Accreditatie geaccrediteerd, conform NEN-EN-ISO\IEC-17025 onder nummer L 028. Inzake het uitgevoerde onderzoek is er tussen Unihorn B.V. en de opdrachtgever op geen enkele juridische, financiële, personele of andere wijze een relatie, die de onafhankelijkheid van het resultaat heeft kunnen beïnvloeden. Onderhavig onderzoek is op zeer zorgvuldige wijze uitgevoerd, maar is gebaseerd op het verrichten van een beperkt aantal grondboringen en het analyseren van een beperkt aantal monsters. Ondanks het feit dat Unihorn B.V. streeft naar een zo groot mogelijke representativiteit van het onderzoek, blijft het mogelijk dat er lokale afwijkingen in het asfalt, fundering en/of de bodem voorkomen.

1.3

Leeswijzer In hoofdstuk 1 is de inleiding weergeven, waartoe ook deze leeswijzer behoort. Hoofdstuk 2 toont de resultaten van het vooronderzoek, met hieruit voortvloeiend de onderzoeksopzet, beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 is een overzicht gegeven van de uitgevoerde werkzaamheden, hoofdstuk 5 beschrijft het laboratoriumonderzoek. In hoofdstuk 6 worden de analyseresultaten besproken en in hoofdstuk 7 zijn de conclusies verwoord, samen met aanbevelingen voor eventuele vervolgstappen. In hoofdstuk 8 zijn ten slotte de voor het onderzoek relevante normen en documenten opgenomen.

Pagina 4 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

2.

Vooronderzoek In augustus is een historisch vooronderzoek uitgevoerd ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie. Het vooronderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725 [ref 14.]. De belangrijkste punten zijn hieronder samengevat, het vooronderzoek is in zijn geheel bijgevoegd in bijlage G.

2.1

Samenvatting vooronderzoek In het vooronderzoek is het gebied belicht waarbinnen de onderhavige onderzoekslocatie is gelegen en het gedeelte van de aangrenzende percelen voor zover gelegen binnen 25 meter vanaf de grens van de onderzoekslocatie. Aanleiding van het historisch vooronderzoek is het opstellen van een hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. Huidige situatie De onderzoekslocatie betreft twee percelen, met daarop het adres Pastoor Jacobsstraat 34, te Sint Hubert. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Mill, sectie C, perceel 2019 en 2020, met een gezamenlijk oppervlak van 1948 vierkante meter. De locatie heeft een winkel- en woonfunctie en dient als vestiging voor een juwelier. Een deel van de locatie is verhard met elementen en dient als parkeerplaats. Conclusie In Figuur 2 is met het rode kader de begrenzing van perceel C2020 en C2019 aangegeven (samen 1948 m2). Het groene vlak symboliseert het recentelijk uitgevoerde onderzoek [ref 8.]. Het blauwe kader geeft het deel van de percelen C2020 en C2019 aan dat al eerder onderzocht is (636 m2). Daarbij zijn in het groene vlak twee boringen onder de elementen (151, 152), één peilbuis (152) en één grondboring (153) gezet. Van de percelen C2020 en C2019 is 1312 m2 (niet gekleurde deel) niet onderzocht.

Uit de resultaten blijkt dat de ondergrond (0,80-1,60 m-mv) ter plaatse van het onderzochte deel van de locatie verontreinigd is met diverse zware metalen en PAK, waarbij zink de tussenwaarde overschrijdt. Het grondwater is eveneens licht verontreinigd met zink. Geadviseerd wordt dan ook om het resterende deel van de locatie te onderzoeken middels een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740. Daarbij wordt de locatie ter plaatse van de bebouwing van huisnummer 34 op aangeven van de opdrachtgever buiten beschouwing gelaten, aangezien daar geen graafwerkzaamheden plaats zullen vinden.

Figuur 2

Ligging onderzoekslocatie en eerder uitgevoerd onderzoek.

Pagina 5 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

3.

Onderzoeksopzet (hypothese en strategie)

3.1

Hypotheses De opzet van het onderzoek is gebaseerd op de volgende uit het vooronderzoek naar voren gekomen aspecten. Bodem De ondergrond (0,80-1,60 m-mv) is verdacht op het voorkomen van zware metalen (met name zink) en PAK op basis van eerder uitgevoerd onderzoek. De bovengrond is verder verdacht op het voorkomen van PFAS, vanwege atmosferische depositie. Het grondwater is verdacht op een verontreiniging met zink. Asbest in grond In het eerder uitgevoerde onderzoek zijn geen asbestverdachte (puin)bijmengingen in de grond aangetroffen, de locatie is mede daarom niet verdacht op het voorkomen van asbest. Indien in de bodem toch een puinbijmenging wordt vastgesteld is er alsnog sprake van een verdenking voor een verontreiniging met asbest.

3.2

Strategie en opzet Strategie bodem Voor de opzet van het verkennend bodemonderzoek is uitgegaan van de NEN 5740 [ref 16.] ‘onderzoekstrategie diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming (VED-HE-NL)’, waarbij alle boringen tot de onderzijde van de verdachte laag (max 2,0 m-mv) worden uitgevoerd. Voorts wordt het aantal boringen, analyses en parameters (incl. PFAS) aangevuld zodat minimaal wordt voldaan aan de onderzoekstrategie voor een onverdachte locatie. Indien in de bodem een antropogene bijmenging (puin, etc.) wordt aangetroffen die als asbestverdacht wordt beoordeeld, dan wordt in het veld van deze verdachte bodemlaag een mengmonster samengesteld en wordt deze geanalyseerd op het voorkomen van asbest (NEN 5898 [ref 22.]).

Pagina 6 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

4.

Veldwerkzaamheden Locatie inspectie Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt de locatie altijd geïnspecteerd. Bij de locatie inspectie is op de aanwezige schuur asbestverdacht golfplaatmateriaal waargenomen. De locatie van de schuur is opgenomen in Figuur 3. Een foto van de betreffende overhangende dakrand is opgenomen in Figuur 4, waarbij duidelijk een honingraat structuur zichtbaar is. Daar het dak geen regengoot heeft en een deel van de druipzone onder het asbestverdachte dak niet verhard is, is besloten om van de bovenste grondlaag (tot 5 cm-mv) ter plaatse een verzamelmonster samen te stellen. In het verzamelde materiaal is geen asbestverdacht materiaal of puinmateriaal waargenomen.

Figuur 3

Locatie schuur met asbestverdacht dak.

Figuur 4

Overhangende dakrand van de schuur, met zichtbare honingraat structuur.

Pagina 7 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

4.2

Veldonderzoek Verdeeld over de onderzoekslocaties zijn in totaal 10 boorpunten uitgevoerd. De uitgevoerde werkzaamheden zijn opgenomen in Tabel 2. Tabel 2

Overzicht uitgevoerde werkzaamheden.

Grondboring [1,5 m-mv] 01 t/m 05 + 07 + 09

Grondboring [2,0 m-mv] 08

Peilbuis

Verzamelmonster asbest

06

Asb-01

De boringen zijn boven de grondwaterspiegel uitgevoerd met de edelmanboor. In bijlage B is de situatietekening opgenomen met daarop aangegeven de boorlocaties. Het veldwerk is uitgevoerd door de heer M. Kaandorp op 3 december 2020, conform BRL SIKB 2000 en de geldende NEN-voorschriften van het Nederlands Normalisatie Instituut. Op 10 december 2020 is door de heer M. Kaandorp het grondwater uit de geplaatste peilbuis bemonsterd. De peilbuis is direct na plaatsing en voorafgaand aan de grondwatermonstername grondig gereinigd (afgepompt).

4.3

Zintuiglijke waarnemingen Grond Tijdens de uitvoering van het veldwerk is het opgeboorde bodemmateriaal op basis van zintuiglijke waarnemingen en velddetectiemethoden beoordeeld op afwijkingen, zoals de aanwezigheid van aardolieproducten en bodemvreemd materiaal (puin, asbest, kooldelen, e.d.). Er zijn geen bijzonderheden waargenomen. Uit de verrichte boringen blijkt dat de bodemopbouw tot de onderzochte diepte van circa 3,0 m-mv enkel uit zand bestaat. Tot circa een meter minus het maaiveld wordt een bijmenging van grind in het zand aangetroffen. De volledige boorstaten zijn weergegeven in bijlage C. Grondwater Ten tijde van de uitvoering van de veldwerkzaamheden is het grondwater op 1,5 m-mv vastgesteld. In het veld zijn verder de zuurgraad (pH), de geleidbaarheid (EC) en de troebelheid bepaald. In Tabel 3 zijn de gegevens van de veldmetingen van het grondwater weergegeven. Tabel 3 Peilfilter 06-1-1

Grondwaterbemonstering. Filterstelling [m-mv] 2,00 - 3,00

Grondwaterstand [m-mv] 1,5

pH 6,5

EC [μS/cm] 470

Troebelheid [NTU] 2,7

De gemeten zuurgraad (pH), elektrische geleidbaarheid (EC) en troebelheid (< 10 NTU) zijn voor grondwater als normaal te beschouwen.

4.4

Opmerkingen en afwijkingen op vigerende protocollen Het asbestonderzoek is indicatief van aard en voldoet niet aan de NEN 5707.

Pagina 8 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

5.

Laboratoriumonderzoek

5.1

Bodem Grond Op basis van de veldwaarnemingen, het vooronderzoek en de onderzoekstrategie zijn van de grond mengmonsters voor het standaardpakket A, inclusief PFAS, samengesteld. In Tabel 4 is de monsterselectie weergegeven. Tabel 4

Monsterselectie grond.

Monstercode

Deelmonster [m-mv]

Traject

Grondsoort

Visuele waarneming

Analysepakket 1)

MM01

06 09 04 01 05 09 07 03 06 08 02 01

0,00 - 0,50 0,05 - 0,50 0,06 - 0,50 0,00 - 0,50 0,75 - 1,00 0,50 - 1,00 0,50 - 1,00 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 1,00 - 1,50 1,00 - 1,50 1,00 - 1,50

Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand

sporen grind sporen grind sterk grindhoudend zwak grindhoudend sporen grind

A + PFAS

MM02

MM03

1)

A + PFAS

sporen grind zwak grindhoudend sporen roest

A + PFAS

matig grindhoudend

voor nadere informatie over de pakketsamenstellingen wordt verwezen naar het analysecertificaat.

Grondwater In Tabel 5 is de monstercode van het grondwateronderzoek uit de betreffende peilbuis opgenomen. Tabel 5

1)

5.2

Monsterselectie grondwater.

Monstercode

Peilbuis

06-1-1

06

Filterstelling [m-mv] 2,00 - 3,00

Analysepakket 1) B

voor nadere informatie over de pakketsamenstelling wordt verwezen naar het analysecertificaat.

Asbest in grond Vanwege het overhangende asbestverdachte golfplaten dak is de onderliggende onverharde bovengrond mogelijk verdacht voor de aanwezigheid van asbest. Er is een verzamelmonster gemaakt van de toplaag van deze druipzone (bovenste 5 centimeter). In Tabel 6 is het mengschema opgenomen. Tabel 6

Monsterselectie asbest in grond.

Monstercode Asb01 1)

5.3

Deelmonster [m-mv] Asb-01

Grondsoort

Zintuiglijke waarneming

Analyse-pakket 1)

Zand

-

NEN 5898

voor nadere informatie over de pakketsamenstelling wordt verwezen naar het analysecertificaat.

Toetsingskader Voor de bepaling of en in welke mate bodemverontreiniging aanwezig is, zijn toetsingswaarden opgenomen uit de Circulaire bodemsanering (2013). Voor het toetsen van de analyseresultaten aan deze toetswaarden maakt Unihorn B.V. gebruik van het toetsprogramma van Synlab dat is gevalideerd met behulp van de Bodem Toets en Validatie (BoToVa)-service van het ministerie. Een verdere toelichting op het toetsingskader en de toetsingswaarden is opgenomen in bijlage A.

Pagina 9 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

6.

Analyseresultaten

6.1

Bodem Grond In Tabel 7 zijn de analyseresultaten van de grondmonsters opgenomen. De analyseresultaten zijn daarnaast indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit, waarvan het resultaat eveneens in de tabel is opgenomen. De volledig getoetste resultaten, inclusief CROW 400 toetsing, zijn opgenomen in bijlage D, de analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage E. Tabel 7

Analyseresultaten grond.

Mengmonster MM01

Boring 06 09 04 01 05 09 07 03 06 08 02 01

MM02

MM03

1)

Traject [m-mv] 0,00 - 0,50 0,05 - 0,50 0,06 - 0,50 0,00 - 0,50 0,75 - 1,00 0,50 - 1,00 0,50 - 1,00 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 1,00 - 1,50 1,00 - 1,50 1,00 - 1,50

Grondsoort Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand

>AW

>T

BBK 1)

>I

Altijd toepasbaar

PAK

Industrie

Altijd toepasbaar

Besluit bodemkwaliteit

Resultaten De bovengrond ter plaatse van de onderzochte locatie bestaat uit grindhoudend zand. Er zijn in de bovengrond geen achtergrondwaarde overschrijdingen gemeten voor zowel de parameters uit het standaardpakket als uit het PFAS pakket (MM01). De bovengrond is indicatief altijd toepasbaar. Uit de analyse van het mengmonster van de ondergrond tot 1,0 m-mv komt een achtergrondwaarde overschrijding met PAK naar voren (MM02). De ondergrond is daarom indicatief toepasbaar in de klasse industrie. De gemeten waarden PFAS overschrijden de achtergrondwaarde niet. In de diepere ondergrond laag tot 1,50 m-mv zijn geen achtergrondwaarde overschrijdingen gemeten (MM03), de diepere ondergrond is dan ook indicatief altijd toepasbaar. Grondwater De analyseresultaten van de grondwatermonsters zijn opgenomen in Tabel 8. De volledig getoetste resultaten zijn opgenomen in bijlage D, de analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage E. Tabel 8 Peilfilter 06-1-1

Analyseresultaten grondwater. Filterstelling [m-mv] 2,00 - 3,00

>S

>T

>I

Barium

-

-

Uit de analyseresultaten blijkt dat in het grondwater een (lichte) streefwaarde-overschrijding voor barium gemeten is. Licht verhoogde concentraties met barium komen vaker voor in grondwater en de gemeten overschrijding kan in dit geval dan ook als een verhoogde achtergrondwaarde beschouwd worden.

Pagina 10 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

6.2

Asbest in grond In Tabel 9 zijn de resultaten van het asbestonderzoek weergegeven. De volledige resultaten zijn opgenomen in bijlage F. Tabel 9

Analyseresultaten asbest in grond.

Monstercode Asb011) 1)

Boring Asb-01

Diepte [m-mv] 0-0,05

Grondsoort Zand

Gewogen asbestgehalte Serpentijn [mg/kgds] [mg/kgds] <2 <2

Amfibool [mg/kgds] <2

Het aangeleverde analysemonster voldoet niet aan de minimaal vereiste hoeveelheid volgens de NEN5898.

Vanwege de aanwezigheid van een golfplaat dak van asbestverdacht materiaal, is een verzamelmonster genomen van de onbedekte bovengrond in de druipzone van het dak (bovenste 5 centimeter). Uit de analyse van het monster blijkt dat er in de onderzochte grondlaag geen asbest aangetoond is. Opgemerkt moet worden dat de hoeveelheid verzameld monster niet voldoet aan de norm (NEN 5898). Dit is echter onvermijdelijk door het geringe volume van de verdachte grondlaag. Het asbestonderzoek is dan ook indicatief van aard.

Pagina 11 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

7.

Conclusies en advies

7.1

Conclusies Bodem Uit de analyseresultaten blijkt dat de bodem ter plaatse over het algemeen niet verontreinigd is met de onderzochte parameters. Enkel in de ondergrond (0,50-1,0 m-mv) is een lichte verontreiniging met PAK aangetoond. De oorzaak voor de vastgestelde verontreiniging is vermoedelijk gelegen in het langdurige (menselijke) gebruik van de locatie. Daarnaast zijn de analyses getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit, waaruit blijkt dat de grond van zowel de boven- als diepere ondergrond (1,0-1,5 m-mv) in de klasse Altijd toepasbaar valt. De ondergrond van 0,5 tot 1,0 m-mv valt in de klasse Industrie. Opgemerkt wordt wel dat dit een indicatieve toetsing betreft, aangezien het onderzoek niet conform het Besluit bodemkwaliteit is uitgevoerd. In het grondwater ter plaatse is enkel een licht verhoogde concentratie barium gemeten. Een licht verhoogd gehalte aam barium wordt vaker in grondwater gemeten en kan als verhoogde achtergrondwaarde worden beschouwd. Asbest in grond In de grond is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen. Opgemerkt moet worden dat de hoeveelheid verzameld monster niet voldoet aan de norm (NEN 5898). Dit is echter onvermijdelijk door het geringe volume van de verdachte grondlaag. Het asbestonderzoek is dan ook indicatief van aard.

7.2

Toetsing hypothese(s) Bodem De hypothese verdachte locatie kan deels gehandhaafd worden. In de ondergrond is een lichte verontreiniging met PAK aangetoond. De verwachte verontreinigingen met zware metalen, en dan met name zink, zijn echter niet gemeten. Zink is daarnaast ook niet aangetoond in het grondwater. Er zijn zoals verwacht geen asbestverdachte bijmengingen aangetoond in de bodem. Vanwege een mogelijk uit asbesthoudend materiaal bestaand dak is een deel van de onbedekte bovengrond echter alsnog als asbestverdacht aangemerkt. In het verzamelde grondmonster is analytisch geen asbest aangetoond. Vanwege het analyseresultaat en het ontbreken van asbestverdachte bijmengingen kan de hypothese niet-asbestverdacht gehandhaafd worden.

7.3

Advies Op basis van de resultaten van dit onderzoek is er milieuhygiënisch gezien geen bezwaar tegen de geplande bestemmingsplanprocedure en de beoogde bouwactiviteiten op de locatie.

7.4

Aanbevelingen m.b.t. Arbo technisch veilig werken (conform CROW 400) Op basis van de resultaten van het onderzoek is er bij grondwerkzaamheden geen veiligheidsklasse (CROW 400) van toepassing. Hierover dient een Hoger Veiligheidskundige echter een uitspraak te doen. De verantwoordelijkheid voor het hanteren van de juiste veiligheidsklasse ligt uiteindelijk bij de uitvoerende aannemer.

Pagina 12 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

7.5

Resumé onderzoeksresultaten De resultaten van de tabellen in de voorgaande hoofdstukken zijn in Tabel 10 tekstueel samengevat. Tabel 10

Samenvatting resultaten per deellocatie. Bodem

Asbest in grond

Advies

Hypothese conclusie

Ondergrond verdacht. Hypothese aangenomen, ondergrond licht verontreinigd met PAK.

Onverdacht. Hypothese aangenomen.

Conclusie

Bovengrond niet verontreinigd met onderzochte parameters en indicatief altijd toepasbaar. Ondergrond tot 1,0 m-mv licht verontreinig met PAK en indicatief toepasbaar in klasse industrie. Diepere ondergrond (1,0-1,5 m-mv) niet verontreinigd en indicatief Altijd toepasbaar. Grondwater licht verontreinigd met barium.

Geen asbest aangetoond.

Milieuhygiënisch geen bezwaar tegen de beoogde werkzaamheden. Basishygiëne in acht nemen conform de CROW 400.

Pagina 13 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

8.

Referenties Bronnen historisch onderzoek [ref 1.]

ArcGIS Online;

[ref 2.]

Bodemloket;

[ref 3.]

Streetsmart by Cyclomedia;

[ref 4.]

Toptijdreis;

[ref 5.]

Dinoloket;

[ref 6.]

Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG);

[ref 7.]

Bodemkwaliteitskaart: Omgevingdienst Brabant Noord;

[ref 8.]

Milieukundig verhardingsonderzoek, inclusief indicatief funderingsonderzoek, Verkennend bodem- en asbestonderzoek, inclusief PFAS, Unihorn B.V., 14 mei 2020, kenmerk 3905-20086-01-RAP-MOZ-01-v1.0;

[ref 9.]

Historisch onderzoek Pastoor Jacobsstraat 34, Sint Hubert, 11 augustus 2020, kenmerk 3905-20086-02-RAP-MOZ-01-v1.0.

Normatief en wetgevend De volgende documenten zijn onmisbaar voor de leesbaarheid van dit document. Bij gedateerde verwijzingen is alleen de aangehaalde versie van toepassing. Bij ongedateerde verwijzingen is de laatste versie van het document (met inbegrip van wijzigings- en correctiebladen) waarnaar is verwezen van toepassing. [ref 10.] NEN 5104 Geotechniek, Classificatie van onverharde grondmonsters, Nederlands Normalisatie Instituut. [ref 11.] NEN 5707 Bodem — Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 12.] NEN 5717 Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 13.] NEN 5720 Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 14.] NEN 5725 Bodem — Landbodem — Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 15.] NTA 5727 Bodem — Monsterneming en analyse van asbest in waterbodem en baggerspecie, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 16.] NEN 5740 Bodem - Landbodem, Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 17.] NPR 5741 Bodem, Boorsystemen en monsternemingstoestellen

voor grond, sediment en grondwater, die worden toegepast bij bodemverontreinigingsonderzoek, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 18.] NEN5742 Bodem, Monsterneming van grond en sediment ten behoeve van de bepaling van metalen, anorganische verbindingen, matig-vluchtige organische verbindingen en fysisch-chemische bodemkenmerken, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 19.] NEN 5743 Bodem, Monsterneming van grond en sediment voor de bepaling van vluchtige verbindingen, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 20.] NEN 5896 Kwalitatieve analyse van asbest in materialen met polarisatiemicroscopie, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 21.] NEN 5897, Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat, Nederlands Normalisatie Instituut [ref 22.] NEN 5898, Bepaling van het gehalte aan asbest in grond, waterbodem, bouw- en sloopafval en granulaat, Nederlands Normalisatie Instituut;

Pagina 14 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

[ref 23.] Het stoffenpakket: https://www.sikb.nl/doc/ongestructureerd-2016-12-03/standaard%20stoffenpakket.pdf [ref 24.] Advieslijst voor PFAS, versie 12 juli 2019: https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/vragen/grond-baggerspecie-pfas-veldwerk-analyse-toetsing/faq/welke-pfas-verbindingen-geanalyseerd/; [ref 25.] Beoordelingsrichtlijn (BRL) 2000 Veldwerk milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer; [ref 26.] Protocol 2001, Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer; [ref 27.] Protocol 2002, Het nemen van grondwatermonsters, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer; [ref 28.] Protocol 2003, Veldwerk bij milieuhygiënisch Waterbodemonderzoek, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer; [ref 29.] Protocol 2018, Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer; [ref 30.] CROW 210, Richtlijn omgaan met vrijgekomen asfalt - teerhoudendheid, onderzoek en selectieve verwijdering, uitgeven door het CROW (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek); [ref 31.] CROW 400, Werken in en met verontreinigde bodem, Richtlijn voor veilig, zorgvuldig en

risicogestuurd werken, uitgeven door het CROW (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek); [ref 32.] Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Staatscourant Jaargang 2013 Nr. 16675, 27 juni 2013 [ref 33.] Regeling bodemkwaliteit, Regeling van 13 december 2007, nr. DJZ2007124397 [ref 34.] AS 3000, Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer [ref 35.] Activiteitenregeling Milieubeheer; [ref 36.] Activiteitenbesluit Milieubeheer; [ref 37.] Wet bodembescherming; [ref 38.] Besluit bodemkwaliteit; [ref 39.] Besluit asbestwegen milieubeheer, Besluit van 8 september 2000, houdende regels voor wegen waarin asbestbevattend materiaal is verwerkt (Besluit asbestwegen Wms) [ref 40.] Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie; [ref 41.] Bemonstering PFAS-verbindingen in grond en grondwater, Het Expertisecentrum PFAS, juli 2019; Literatuur [ref 42.] Statistische analyse relatie puin in bodem en de aanwezigheid van asbest, TNO rapport 2018 R10825, TNO, 15 augustus 2018

Pagina 15 van 15

Bijlage A Toelichting op toetsingskader

A.1

Toetsing in het kader van de Wet bodembescherming Met de inwerkingtreding van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit is binnen de Wet bodembescherming sprake van zogenaamde Achtergrondwaarde (AW-waarde) en Interventiewaarde (I-waarde). De genoemde toetsingswaarden zijn wettelijk vastgesteld voor een zogenaamde standaardbodem en worden per te onderscheiden grondsoort gecorrigeerd op basis van het percentage aan lutum (deeltjes kleiner dan 2 µm) en organische stof. De Achtergrondwaarden geven het concentratieniveau aan waaronder sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. Indien de Achtergrondwaarde wordt overschreden, anders dan vanwege natuurlijke oorzaken, is er sprake van een bodemverontreiniging. De Interventiewaarden geven het concentratieniveau aan waarboven, afhankelijk van de omvang van de verontreiniging, sprake kan zijn van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Binnen het kader van de Wet Bodembescherming is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien de gemiddelde concentratie in 25 m3 grond of in 100 m3 grondwater (bodemvolume) de interventiewaarde overschrijdt. Het gemiddelde van de Achtergrondwaarde en de Interventiewaarde (=Tussenwaarde) geeft het concentratieniveau aan, waarbij sprake is van verhoogde, maar in het algemeen niet potentieel onaanvaardbare risico’s voor mens en milieu.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=44368f3f-f37d-44b4-bd1c-38b4c04ea906