04. Toelichting bp SH Lange Schoolstraat 2 - 26mei21.pdf
Tekst van het document
Sint Hubert, Lange Schoolstraat 2 Toelichting bestemmingsplan
Gemeente Mill en Sint Hubert 26 mei 2021
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Sint Hubert, Lange Schoolstraat 2 Gemeente Mill en Sint Hubert
Toelichting bestemmingsplan Definitief 03 26 mei 2021 117826/21-008.191
117826 dhr. ir. R.F. Vromans dhr. ir. A.S. Van Beinum
dhr. ing. P.A.E. Adriaansen dhr. drs. M.J. Schilt dhr. ir. R.F. Vromans
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Stationsweg 5 Postbus 3465 4800 DL Breda +31 (0)76 523 33 33 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding en doel
5
1.2
Plangebied
5
1.3
Geldend bestemmingsplan
6
1.4
Leeswijzer
7
2
BESCHRIJVING PLANGEBIED
8
2.1
Huidige situatie
8
2.2
Gewenste situatie
8
3
BELEIDSKADER
10
3.1
Rijksbeleid
10
3.1.1 3.1.2 3.1.3
10 10 11
3.2
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Besluit ruimtelijke ordening
Provinciaal beleid
12
3.2.1 3.2.2
12
3.2.3
Brabantse omgevingsvisie Provinciale Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 - partiële herziening 2014 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
12 13
3.3
Gemeentelijke beleid
13
4
OMGEVINGSASPECTEN
15
4.1
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling
15
4.2
Bodem
16
4.3
Verkeer en parkeren
17
4.4
Geluid
18
4.5
Luchtkwaliteit
19
4.6
Externe veiligheid
19
4.7
Kabels en leidingen
20
4.8
Archeologie
21
4.9
Natuur 4.9.1 4.9.2
22 Gebiedsbescherming Soortenbescherming
23 24
4.10
Waterhuishouding en riolering
25
4.11
Bedrijven en Milieuzonering
27
5
JURIDISCHE PLANOPZET
28
5.1
Algemeen
28
5.2
Toelichting op de verbeelding
28
5.3
Toelichting op de regels
28
5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4
29 29 29 30
Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en Slotregels
6
UITVOERBAARHEID
31
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
31
6.2
Economische aspecten
31
6.3
Handhaafbaarheid
32
7
PROCEDURE
33
7.1
Ontwerpfase
33
7.1.1 7.1.2
33 33
7.2
Vooroverleg Ontwerpbestemmingsplan en inspraak
Vaststellingsfase
33
Laatste pagina
34
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
3
II
Verkennend bodemonderzoek
87
III
Akoestisch onderzoek bestemmingswijziging
37
IV
Soortgericht onderzoek naar vleermuis, huismus en gierzwaluw - VTW04
84
V
Stikstofdepositieberekeningen Pastoor Jacobsstraat 34 te Sint Hubert
14
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding en doel
De initiatiefnemer van onderhavig bestemmingsplan is voornemens om achter de huidige juwelier aan de Pastoor Jacobsstraat 34 te Sint Hubert twee woonkavels te realiseren. De gemeente Mill en Sint Hubert staat positief tegenover de planologische haalbaarheid en aanvaardbaarheid van het initiatief. Initiatiefnemer heeft daartoe besloten om de benodigde bestemmingsplanprocedure te doorlopen.
1.2
Plangebied
Het plangebied, gelegen binnen de kern Sint Hubert, is weergegeven op afbeelding 1.1.
Afbeelding 1.1 Locatie plangebied in Sint Hubert (plangebied binnen de rode lijnen)
5 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
1.3
Geldend bestemmingsplan
Voor het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan Kom Sint Hubert, dat is vastgesteld op 27 september 2012. Het bestemmingplan Kom Sint Hubert is een samenvoeging van 14 bestemmingsplannen die voor 2012 van kracht waren en geldt voor de gehele bebouwde kom van Sint Hubert. De twee nieuwe woningen liggen binnen de bestemming ‘Detailhandel’. De bouw van deze woningen is strijdig met het vigerende bestemmingsplan. De voor ‘Detailhandel’ aangewezen gronden zijn namelijk bestemd voor: - detailhandel; - één bedrijfswoning per bouwvlak; met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven. In deze bestemming is detailhandel de hoofdfunctie en is één bedrijfswoning toegestaan. De twee nieuwe woningen behoren niet tot de functie detailhandel, waardoor deze strijdig is met het vigerende bestemmingsplan. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede uit het bestemmingsplan Kom Sint Hubert weergegeven. De strijdigheden vinden plaats binnen de rode lijnen. Naast het vigerende bestemmingsplan Kom Sint Hubert is op 10 december 2020 het voorbereidingsbesluit Omzetten woningen vastgesteld door de gemeente Mille en Sint Hubert.
De huidige bestemmingsplannen bieden onvoldoende sturingsmogelijkheden voor de regulering van het omzetten van woningen tot onzelfstandige woonruimten. Op basis van nieuwe, nog vast te stellen, uitgangspunten zal een herziening van de bestemmingsplannen worden voorbereid in de vorm van een paraplubestemmingsplan ‘Omzetten woningen’. Onderhavig bestemmingsplan maakt geen onzelfstandige woonruimte mogelijk. Dit nieuwe bestemmingsplan voorziet in het omzetten van de bestemming detailhandel (gedeelte binnen de rode lijnen) in de bestemming wonen en tuin, waarmee de realisatie van de woningen planologisch mogelijk wordt gemaakt.
6 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
Afbeelding 1.2 Bestemmingsplankaart Kom Sint Hubert (plangebied binnen de rode lijnen)
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting bestaat uit 7 hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk 1, wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plangebied gegeven en wordt de gewenste situatie beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de relevante beleidskaders en in hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische planbeschrijving en hoofdstuk 6 beschrijft de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en de handhaafbaarheid hiervan. Hoofdstuk 7 beschrijft de procedure die dit bestemmingsplan heeft doorlopen.
7 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
2 BESCHRIJVING PLANGEBIED 2.1
Huidige situatie
Op het perceel Pastoor Jacobsstraat 34 is een juwelierszaak gesitueerd met een bedrijfswoning. Dit pand met bijbehorende gronden ligt in de kern van Sint Hubert ten westen van de kruising van de Pastoor Jacobsstraat en de Lange Schoolstraat. Het gehele kavel bestaat momenteel uit een woon-/winkelpand met bijbehorende aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen. De oost- en noordzijde het perceel is in gebruik als parkeerplaats met inritten aan de Lange Schoolstraat en Pastoor Jacobsstraat. De zuidzijde van het perceel is in gebruik als tuin en achtererf. Het plangebied van dit bestemmingsplan betreft een deel van het huidige perceel Pastoor Jacobsstraat 34 (zie afbeelding 2.1.). Het plangebied is nu in gebruik als tuin met daarin een zwembad en diverse vrijstaande bergingen met een inrit aan de Lange Schoolstraat.
2.2
Gewenste situatie
De initiatiefnemer is voornemens om aan de achterzijde van het woon/-winkelpand twee woonkavels te realiseren. Op deze twee woonkavels worden twee grondgebonden woningen (twee-onder-een-kap) ontwikkeld. Hiervoor worden de bestaande bergingen gesloopt. Deze twee-onder-een-kapwoningen zijn met de voorzijde georiënteerd op de Lange Schoolstraat waarbij de inritten en parkeerplaatsen aan de straatzijde liggen. De vorm van de woningen wordt getypeerd door een aan elkaar geschakelde bouwmassa van twee bouwlagen met daarboven een zadeldak. Op de begane grond wordt de bebouwing aangevuld met een uitbouw/garage met een volume van één bouwlaag voorzien van een plat dak. De vorm en situering van de woningen sluit aan bij het bestaande stedenbouwkundig beeld.
8 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
Afbeelding 2.1 Toekomstige twee woningen (plangebied binnen rode omkadering)
9 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
3 BELEIDSKADER 3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De drie hoofddoelen voor de middellange termijn (2028) zijn: 1 het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; 2 het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; 3 het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. De leidende gedachte in de SVIR is ruimte maken voor groei en beweging. De SVIR is de eerste rijksnota die de onderwerpen infrastructuur en ruimte integraal behandelt. In de SVIR richt het Rijk zich vooral op decentralisatie. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk hoofdwegennet en waterveiligheid en het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid worden meer aan provincies en gemeenten overgelaten.
Conclusie Het gaat bij het initiatief van dit bestemmingsplan uitsluitend om lokale ontwikkeling of wijzigingen, die geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau heeft. Er zijn geen nationale belangen in het geding. De initiatieven en wijzigingen conflicteren niet met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid, zoals vastgelegd in de SVIR.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de SVIR ten aanzien van de dertien daarin genoemde nationale belangen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan de versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Voor onderhavig bestemmingsplan is het nationale ruimtelijke belang ‘defensie’ van belang in verband met de nabijheid van het militaire luchtvaartterrein ‘Vliegbasis Volkel’ ten westen van de kern Mill. In het Barro zijn ter bescherming van het nationale ruimtelijke belang ‘defensie’ regels opgenomen ter borging van de Rijksbelangen die zijn opgenomen in het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen (SMT-2).
10 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
Het gaat hier om zaken als obstakelvrije vlakken in het verlengde van de start en landingsbaan, hoogtebeperkingen, voorkomen van verstoring van het landingssysteem, het radarverstoringsgebied en geluidsgevoelige bebouwing. De ontwikkeling van twee woningen zijn vanwege hun hoogte niet van invloed op de vliegbasis Volkel. Conclusie Het bestemmingsplan is niet in strijd zijn met het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen (SMT-2). Er is geen sprake van belemmering van de nationale belangen.
3.1.3
Besluit ruimtelijke ordening
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Deze regeling staat beschreven in artikel 3.1.6 Bro. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt via een bestemmingsplan. Zo bevat een dergelijk plan een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling en, indien het plan een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling.
Voor de Ladder is dus een onderzoek nodig dat uit drie stappen bestaat: 1 is sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'? 2 vindt de ontwikkeling plaats buiten bestaand stedelijk gebied? 3 als hier sprake van is, dan moet motivering plaats vinden volgens de Ladder: waarom kan niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte worden voorzien? De toepassing van de Ladder is mede bepaald door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). De ABRS heeft in een 'overzichtsuitspraak' op 28 juni 2017 op een rij gezet hoe de Ladder gebruikt moet worden. Hiermee wordt houvast geboden aan de rechtspraktijk. Is sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Voorliggend bestemmingsplan betreft het mogelijk maken van twee woningen. Het plangebied wordt als één woningbouwlocatie gezien aangezien de kavels direct tegen elkaar aan zijn gesitueerd. De ontwikkeling is gelet op deze omvang niet als ‘stedelijke ontwikkeling’ aan te merken. Derhalve hoeft de ‘ladder van duurzame verstedelijking’ niet verder te worden doorlopen.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde twee woningen vanwege hun omvang niet vallen onder een ‘stedelijke ontwikkeling’ Er wordt voldaan aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’, mede omdat het initiatief plaatsvindt in bestaand stedelijk gebied.
11 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Brabantse omgevingsvisie
Conform de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet heeft de provincie in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De Brabantse Omgevingsvisie benoemd onder andere dat de afgelopen decennia het op zorgvuldige wijze accommoderen van de groei van de bevolking, de economie en de mobiliteit centraal stond. In de komende decennia is de kernopgave het toekomstbestendig maken van de dorpen en steden. Transformatie van het stedelijk gebied wordt een belangrijke opgave. Het up-to-date houden van het bestaand stedelijk gebied is essentieel voor een duurzame, sociale en economische ontwikkeling van de steden en dorpen van Brabant. De komende 10 jaar staat Brabant voor de opgave om 120.000 woningen te bouwen. Hierbij wordt de uitbreidingsopgave steeds vaker binnen het bebouwd gebied gezocht (inbreiding in plaats van uitbreiding).
In de Brabantse Omgevingsvisie geeft de provincie aan te willen werken aan de Brabantse energietransitie. De provincie zet zich in voor de transitie van de woningvoorraad en andere gebouwen naar energieneutraal, te beginnen met energiebesparing. Conclusie De twee woningen dragen bij aan de woningbouwopgave waar Brabant voor staat en worden gerealiseerd binnen de dorpskern van Sint Hubert (inbreiding). Daarnaast worden de woningen minimaal gebouwd volgens de huidige geldende energienormen en draagt hierdoor bij aan de energietransitie van de woningvoorraad. Hiermee is het bestemmingsplan in lijn met de Brabantse Omgevingsvisie.
3.2.2
Provinciale Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 - partiële herziening 2014
Op 7 februari 2014 hebben Gedeputeerde Staten deze partiële herziening van de Structuurvisie vastgesteld, die op 19 maart 2014 in werking is getreden. In de Provinciale Verordening Ruimte Noord-Brabant zijn de structuren uit de structuurvisie opgenomen om deze provinciale belangen veilig te stellen. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040) alsmede een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. De Structuurvisie benoemd de ruimtelijke opgaven die voortkomen uit bijvoorbeeld de veranderingen in het klimaat, de toenemende concurrentie tussen economische regio's, de groeiende mobiliteit en de afnemende bevolkingsgroei. In de Structuurvisie benoemd de provincie Noord-Brabant vijf leidende principes: - meer aandacht voor de onderste lagen: het watersysteem, de bodemtypologie en de geomorfologie en de infrastructuur; - zuinig ruimtegebruik; - concentratie van verstedelijking: inbreiden, herstructureren en intensiveren; - zonering van het buitengebied; - grensoverschrijdend denken en handelen. Binnen de stedelijke structuur worden twee ontwikkelingsperspectieven onderscheiden: 1 stedelijk concentratiegebied (stedelijke regio’s): in het stedelijk concentratiegebied, inclusief de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, wordt de bovenlokale verstedelijkingsbehoefte opgevangen.
Enerzijds om de steden voldoende draagvlak te geven voor hun functie als economische en culturele motor, anderzijds om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan;
12 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
2
overig stedelijk gebied (landelijke regio’s): het overig stedelijk gebied, met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, voorziet in de opvang van de lokale verstedelijkingsbehoefte. Grootschalige verstedelijking is ongewenst en voor woningbouw geldt het principe ‘bouwen voor migratiesaldo-nul’.
Bij de opvang van de verstedelijkingsbehoefte wordt het accent sterker verlegd van nieuwe uitleg naar het bestaand stedelijk gebied, door in te zetten op herstructurering en onderhoud. Beheer en (her)ontwikkeling van de bestaande voorraad vragen specifieke aandacht. Er wordt ingezet op zorgvuldig ruimtegebruik door de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Conclusie Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt in bestaand stedelijk gebied. Hiermee is het bestemmingsplan in lijn met de Provinciale Structuurvisie Ruimtelijke Ordening.
3.2.3
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerste opmaat naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. Het bevat regels die betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. Op het plangebied zijn vier zaken uit de Interim omgevingsverordening van toepassing: - stedelijk gebied (artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling); - diep grondwaterlichaam (artikel 2.20 verbod onconventionele koolwaterstofwinning diep grondwaterlichaam; - stalderingsgebied (artikel 2.74 stalderen); - stedelijk gebied (artikel 2.72 verbod uitbreiding veehouderij). Artikel 3.42 stelt dat een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken en het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. De ontwikkeling van twee woningen in de kern van Sint Hubert ligt binnen stedelijk gebied. In hoofdstuk 4 van dit bestemmingsplan wordt aangetoond dat de ontwikkeling zorgt voor en veilige en gezonde leefomgeving.
Daarnaast worden door dit bestemmingsplan de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant niet aangetast. Artikel 2.20 en 2.74 zijn niet van toepassing op het project omdat er geen onconventionele winning van koolwaterstoffen en uitbreiding van stallen plaatsvinden. Daarnaast worden er geen veehouderijen uitgebreid binnen stedelijk gebied zoals bedoeld in artikel 2.72. Conclusie De ontwikkeling van twee woningen aan de Lange Schoolstraat is in lijn met de regels uit de Interim omgevingsverordening.
3.3
Gemeentelijke beleid
De gemeenteraad van Mill en Sint Hubert heeft op 29 september 2011 de Structuurvisie ‘In duurzaam perspectief’ gemeente Mill en Sint Hubert vastgesteld. Met de structuurvisie wil de gemeente duidelijk richting geven aan de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van het gehele gemeentelijk grondgebied. In de structuurvisie wordt ingegaan op de brede visie op de toekomst. Deze wordt samengevat in het volgende missiestatement:
13 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
De gemeente Mill en Sint Hubert wil zich ontwikkelen tot een eigentijdse en authentieke woon-, werk- en leefgemeente van hoogwaardige en duurzame kwaliteit, waar mensen thuis zijn in een gastvrije gemeenschap gelegen in een aangename landelijke en dorpse omgeving, die is geïnspireerd op de grote diversiteit aan natuur, landschap en cultuurhistorie. Voor het thema wonen benoemd de gemeentelijke structuurvisie dat de gemeente het negatieve migratiesaldo wil beperken door voldoende woningen te bouwen en een passend woningaanbod creëren, vooral voor jonge gezinnen. Door vernieuwing van de bestaande woningvoorraad en door de bouw van nieuwe, onderscheidende woonwijken kan Sint Hubert de eigen bevolking vasthouden, de vergrijzing opvangen en nieuwe doelgroepen aantrekken. Conclusie De realisatie van twee grondgebonden woningen draagt bij aan vernieuwing van de bestaande woningvoorraad en is geschikt voor jonge gezinnen. Hiermee is dit bestemmingsplan in lijn met de gemeentelijke structuurvisie.
14 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
4 OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een bestemmingsplan door middel van een integrale ruimtelijke benadering nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de consequenties van het plan voor de omgeving en omwonenden. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is van toepassing voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de bespreking van diverse omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen, en hiermee wordt de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond.
4.1
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling
Toetsingskader Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage die onder de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is het gevolg van de uitspraak van het Europese hof over de manier waarop de EU-richtlijn in de Nederlandse regelgeving was geïmplementeerd. De essentie van die uitspraak is dat altijd m.e.r. noodzakelijk is als belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2 'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn. In bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is daarom bedoeld als waarborg dat in dergelijke gevallen de m.e.r.(-beoordelingsplicht) niet over het hoofd wordt gezien. Het ten onrechte niet doorlopen van een m.e.r. doet immers geen recht aan de bedoeling van m.e.r. en is een risico in de procedure.
Resultaten In dit bestemmingsplan worden 2 woningen mogelijk gemaakt. Beoogde woningbouw valt onder categorie D11.2 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject). Hiervoor zijn grenswaarden opgenomen in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied van 2000 of meer woningen omvat (zie tabel 4.1). Dat betekent dat de bestemmingsplanwijziging onder de D-drempel valt en er een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld dient te worden.
15 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
Tabel 4.1 D-lijst van Besluit milieueffectenrapportage
D 11.2
Activiteiten
Gevallen
Plannen
Besluiten
de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen
in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of; 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer
de structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet
de vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet
Conclusie In bijlage I behorende bij de toelichting is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. De conclusie is dat de toetsing van de potentiële effecten van voorgenomen ontwikkeling op de verschillende milieuaspecten, waaronder bodem, geluid, luchtkwaliteit, flora en fauna, duidelijk maakt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten. Er is geen noodzaak tot het opstellen van een MER of formele m.e.r.-beoordeling.
4.2
Bodem
Toetsingskader De gemeente streeft naar een duurzaam bodembeheer. Een goede afstemming tussen het bodemgebruik en de aanwezige bodemeigenschappen en bodemkwaliteit is de basis van duurzaam bodembeheer. In het kader van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden vastgesteld of de voorgenomen vorm van bodemgebruik, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, ter plaatse mogelijk is en welke vervolgacties eventueel noodzakelijk zijn om dit mogelijk te maken. In de Wet bodembescherming (Wbb) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Resultaten Op de gronden van dit bestemmingsplan is historisch vooronderzoek uitgevoerd door Unihorn. Uit de resultaten blijkt dat de ondergrond (0,80-1,60 m-mv) ter plaatse van het onderzochte deel van de locatie verontreinigd is met diverse zware metalen en PAK, waarbij zink de tussenwaarde overschrijdt. Het grondwater is eveneens licht verontreinigd met zink. Vanuit het historisch vooronderzoek werd geadviseerd om het resterende deel van de locatie te onderzoeken middels een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740.
Vervolgens is door Unihorn dit verkennende bodemonderzoek uitgevoerd met als doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) ter plaatse vast te leggen. Dit verkennend bodemonderzoek en het historisch vooronderzoek is te vinden in bijlage II. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bodem ter plaatse over het algemeen niet verontreinigd is met de onderzochte parameters. Enkel in de ondergrond (0,50-1,0 m-mv) is een lichte verontreiniging met PAK aangetoond. De oorzaak voor de vastgestelde verontreiniging is vermoedelijk gelegen in het langdurige (menselijke) gebruik van de locatie. Daarnaast zijn de analyses getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit, waaruit blijkt dat de grond van zowel de boven- als diepere ondergrond (1,0-1,5 m-mv) in de klasse Altijd toepasbaar valt. De ondergrond van 0,5 tot 1,0 m-mv valt in de klasse Industrie.
16 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
In het grondwater ter plaatse is enkel een licht verhoogde concentratie barium gemeten. Een licht verhoogd gehalte aan barium wordt vaker in grondwater gemeten en kan als verhoogde achtergrondwaarde worden beschouwd. In de grond is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen. Opgemerkt moet worden dat de hoeveelheid verzameld monster niet voldoet aan de norm (NEN 5898). Dit is echter onvermijdelijk door het geringe volume van de verdachte grondlaag. Het asbestonderzoek is dan ook indicatief van aard. Wanneer asbest aanwezig is op het perceel dient dit op de juiste wijze afgevoerd te worden. Na mogelijke asbestverwijdering dient een formele asbestvrijgave verstrekt te worden alvorens daadwerkelijk gebouwd mag worden. Kan deze niet overlegd worden, dan zal na de sloop een actualiserend bodemonderzoek plaats moeten vinden om aan te tonen dat de sloopactiviteiten niet hebben geleid tot een (asbest)bodemverontreiniging. Op basis van de resultaten van dit onderzoek is er milieuhygiënisch gezien geen bezwaar tegen de geplande bestemmingsplanprocedure en de beoogde bouwactiviteiten op de locatie. Conclusie Op basis van de resultaten van het historisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek is de ontwikkeling van de twee woningen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt uitvoerbaar.
Het aspect bodem vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
4.3
Verkeer en parkeren
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient de mogelijke verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de bestaande functies in beeld worden gebracht. Toetsingskader Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ op grond van artikel 3.1 Wro. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is van toepassing voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet het bevoegd gezag de diverse belangen voor de lokale situatie dus onderling afwegen. Resultaten Het plangebied is gelegen aan de Lange Schoolstraat te Sint Hubert. Dit betreft een 30 km/pu weg welke fungeert als wijkontsluitingsweg. De twee woningen krijgen een eigen inrit aan de Lange Schoolstraat en de Lange Schoolstraat is van voldoende capaciteit om het verkeer van deze twee nieuwe woningen af te wikkelen. Voor het plangebied geldt tevens dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn. De gemeente Mill en Sint Hubert heeft geen nota parkeernormen, maar maakt gebruik van de parkeerkencijfers van het CROW. Op basis van de CROW-publicatie zijn de twee woningen in Sint Hubert te typeren als ‘niet stedelijk’. Voor twee-onder-een-kap koopwoningen in de ‘Schil centrum’ binnen de categorie ‘niet stedelijk’ moeten gemiddeld 2 parkeerplaatsen per woning worden gerealiseerd.
Dit resulteert in een parkeerbehoefte van 4 parkeerplaatsen (2 x 2 = 4). Binnen de woonkavels is voldoende ruimte om per woning 2 parkeerplaatsen te realiseren. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat binnen het plangebied voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd wordt en dat een goede ontsluiting van het plan is gewaarborgd. Vanuit verkeer en parkeren zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
17 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
4.4
Geluid
Wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh), de Wet milieubeheer (Wm) en onderliggende besluiten en regelingen. Deze paragraaf is een verkorte weergave van het akoestisch onderzoek. Het volledige akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage III. Toetsingskader Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling met woningen, geluidsgevoelige gebouwen en nieuwe wegen dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de Wet geluidhinder (Wgh) en dat er, op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Indien van toepassing dient aanvullend te worden aangetoond dat voldaan wordt aan het gemeentelijk geluidbeleid. De Wgh is alleen van toepassing binnen de wettelijk vastgestelde zone van een weg. Een akoestisch onderzoek in het kader van de Wgh is daarom noodzakelijk wanneer de ontwikkeling plaatsvindt binnen een zone van een weg en waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling met geluidsgevoelige bestemmingen. De geluidsbelasting dient per gezoneerde weg te worden getoetst aan de wettelijke grenswaarden.
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient op grond van de Wro, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, het akoestische klimaat inzichtelijk te worden gemaakt bij onder andere: - nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen nabij bestaande wegen; - bestaande geluidsgevoelige bestemmingen nabij nieuwe wegen; - bestaande geluidsgevoelige bestemmingen als gevolg van de verkeersgeneratie van de ruimtelijke ontwikkeling. Aangetoond dient te worden dat er geen sprake is van onaanvaardbare negatieve effecten op het woon- en leefklimaat als gevolg van de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. De te realiseren woningen aan de Lange Schoolstraat zijn gesitueerd binnen de geluidzones van enkel de N264. De Lange Schoolstraat is een 30 km/u weg en heeft derhalve geen wettelijke zone. Resultaten Ten hoogte van de nieuwe te realiseren woningen ligt de N264, welke 2x1 rijstroken heeft. De zonebreedte van deze weg bedraagt 250 m. De te realiseren woningen liggen binnen de zonebreedte van de N264. Ter bepaling van de geluidbelastingen vanwege de te onderzoeken wegen is een akoestisch rekenmodel opgesteld voor het peiljaar 2030. In de rekenmodellen zijn de relevante objecten en wegen ingevoerd. De modellering is conform het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat op de gevel van de woning die het dichtst bij de N264 gesitueerd wordt een overschrijding plaatsvindt van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidbelasting inclusief aftrek bedraagt maximaal 51 dB. Deze overschrijding valt onder de maximale te ontheffen waarde van 63 dB. Voor deze woning wordt een hogere waarde aangevraagd. Op de gevel van de zuidelijkste woning is de maximaal berekende waarde 47 dB, waarmee voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De Lange Schoolstraat is een 30 km/uur weg en wordt daarom niet getoetst aan de kaders die gesteld zijn in de Wgh. Wel is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een berekening gemaakt van de geluidsbelasting als gevolg van de Lange Schoolstraat. Uit deze berekening kan worden geconcludeerd dat de geluidsbelasting op de nieuw te ontwikkelen geluidgevoelige objecten lager of gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zoals die is gesteld in de Wet geluidhinder. Uit de gecumuleerde geluidbelastingen kwam naar voren dat de N264 maatgevend is en dat de invloed van de Lange Schoolstraat nihil is. In de Lange Schoolstraat zijn alle berekende geluidbelastingen kleiner of gelijk aan 48 dB.
Om die reden kan er worden geconcludeerd dat er naast de N264 geen andere relevante bronnen aanwezig zijn Voor de gecumuleerde geluidbelasting wordt er daarom gerefereerd naar de resultaten van de N264.
18 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
Aangezien het om de bouw van een beperkt aantal woningen gaat en er al een geluidsreducerend wegdek aanwezig is voor de N264 is het verder verbeteren van de akoestische reductie niet effectief en zal niet leiden tot een financieel doelmatige maatregel. Het treffen van overdrachtsmaatregelen binnen stedelijk gebied stuit eveneens op overwegende bezwaren vanuit financieel oogpunt, stedenbouwkundige inpassing en in het kader van veiligheid (zicht). Conclusie Voor de realisatie van de twee woningen wordt een hogere waarde aangevraagd. Deze hogere waarde wordt gelijktijdig met onderhavig bestemmingsplan vastgesteld. Vanuit het aspect geluid zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.5
Luchtkwaliteit
Bepaalde bestemmingen in een ruimtelijk plan kunnen (extra) gevoelig zijn voor luchtverontreiniging. Daarom moeten de nieuwe planologische mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt beoordeeld worden op de effecten op de luchtkwaliteit. Dit volgt enerzijds uit luchtkwaliteitsnormen (grenswaarden) en anderzijds is de ‘goede ruimtelijke ordening’ een randvoorwaarde. Er moet sprake zijn van een ruimtelijk aanvaardbare situatie. Toetsingskader In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. In artikel 5.16 is vastgelegd dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: - er is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden; - de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft ten minste gelijk; - het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht; - de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en in ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. Resultaten Voor woningbouwlocaties geldt dat deze ‘niet in betekende mate’ zijn wanneer het initiatief netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, regeling niet in betekende mate bijdragen). Met dit bestemmingsplan worden twee nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Hierdoor wordt ruimschoots voldaan aan de ‘niet in betekende mate’-grens. Conclusie De ontwikkeling van dit bestemmingsplan valt onder de regeling NIBM. De luchtkwaliteit wordt niet in betekenende mate aangetast en een luchtkwaliteitsonderzoek is niet noodzakelijk. Daarnaast is er reeds sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken in de leefomgeving.
19 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
De gemeenten in het Land van Cuijk, waar gemeente Mill en Sint Hubert ook onder valt, hebben in de Beleidsvisie Externe veiligheid afgesproken om veiligheidsrisico’s te toetsen aan de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RNVGS). Toetsingskader Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.
Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Groepsrisico Het groepsrisico is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloed gebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. Resultaten Binnen het plangebied bevinden zich geen risicobronnen. Voor de inventarisatie van de risicobronnen in de omgeving van het plangebied is gebruik gemaakt van de risicokaart. Daaruit blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen liggen. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast zijn er in de directe omgeving geen risicobronnen aanwezig waarvan de plaatsgebonden risicocontour of de risicocontour van het groepsrisico tot in het plangebied reiken.
De N246 is een lokale transportroute voor gevaarlijke stoffen maar maakt geen onderdeel uit van het Basisnet. De N246 heeft geen PR-contour maar vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen (brandbare vloeistoffen) heeft de N246 een plasbrandaandachtsgebied. Objecten voor verminderd zelfredzame personen zijn niet toegestaan binnen het plasbrandaandachtsgebied tot 30 m vanaf de rand van de weg. De afstand van het plangebied tot aan de rand van de N246 is groter dan 30 m. Dit plan vereist dan ook geen nader onderzoek op het gebied van externe veiligheid. Conclusie Het voornemen van dit bestemmingsplan leidt niet tot een toename in het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. Vanuit de aspect externe veiligheid zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.7
Kabels en leidingen
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen en verbindingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. De leidingen en verbindingen zijn te verdelen in drie typen: 1 buisleidingen met een externe veiligheidszone; 2 bovengrondse hoogspanningslijnen;
20 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
3
overige leidingen.
De eerste twee type leidingen zijn in ieder geval planologisch relevant. Voor de overige leidingen bepaalt bevoegd gezag of deze planologisch relevant zijn. Voorbeelden van planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: - gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen en goederen; - aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; - defensiebrandstoffen; - warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Toetsingskader Voor elk van de drie typen leidingen en verbindingen is het wettelijk gezien anders geregeld: 1 voor buisleidingen geldt een wettelijke verplichting. Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang; 2 voor bovengrondse hoogspanningsleidingen geldt een advies van het Rijk. Hoe omgegaan moet worden met bovengrondse hoogspanningslijnen bij ruimtelijke plannen heeft het rijk aangegeven in haar ‘Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen’ uit 2005 met kenmerk SAS/2005183118; 3 voor de overige leidingen bepaalt bevoegd gezag of deze planologisch relevant zijn. Gewone nutsleidingen zijn meestal niet relevant. Maar voor sommige leidingen is het toch wenselijk deze in het bestemmingsplan op te nemen.
Bijvoorbeeld omdat ze van groot maatschappelijk belang zijn en er grote problemen ontstaan als de leiding niet meer werkt. Resultaten Binnen het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Vanuit het aspect planologische kavels en leidingen zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.8
Archeologie
Voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan dient inzicht te zijn verkregen in bekende en te verwachten archeologische waarden in het plangebied en omgeving, en wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden. Toetsingskader De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2021 een overgangsregeling opgenomen. De Erfgoedwet regelt onder andere de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd indien er sprake is van een hoge trefkans of indien het plangebied niet is gekarteerd.
21 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
Resultaten De gemeente Mill en Sint Hubert heeft archeologiebeleid ontwikkeld. De gemeenteraad heeft op 10 mei 2012 de Nota Archeologiebeleid en de archeologische beleidskaart vastgesteld. Op basis van de archeologische beleidskaart geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting (categorie 4). Voor deze gebieden geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m². Aangezien de uitbreiding onder de norm van 250 m² blijft, is geen archeologisch onderzoek uitgevoerd.
Afbeelding 4.1 Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Mill en Sint Hubert (plangebied: rode contour)
Conclusie Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan ligt volgens de archeologische beleidskaart in categorie 4. Ter bescherming van de archeologische waarden is de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 2’ opgenomen. Voor deze dubbelbestemmingen geldt een vergunningenstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Door deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m². Aangezien de uitbreiding onder de norm van 250 m² blijft, is geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Vanuit het aspect archeologie zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.9
Natuur
De Wet natuurbescherming (Wnb) ziet toe op het behoud en de versterking van de biodiversiteit. Het gaat hierbij om gebiedsbescherming (Natura 2000), soortenbescherming en houtopstanden (buiten de bebouwde kom voormalige Boswet). De gebiedsbescherming van het Natuurnetwerk Nederland volgt uit het Barro en de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Voor houtopstanden binnen de bebouwde kom geldt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het gemeentelijk bomenbeleid als (wettelijk) kader.
22 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
Voor het onderdeel natuur is een ecologische QuickScan uitgevoerd om de mogelijke effecten van de herinrichting van de N264 (hoofdproject) te bepalen op: - beschermde gebieden (Natura 2000) in het kader van de Wet natuurbescherming; - beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming; - het Natuurnetwerk Nederland (NNN), in Noord-Brabant het Natuurnetwerk Noord-Brabant (NNB). Ten aanzien van de gebiedsbescherming geldt dat deze beoordeling integraal ook geldt voor onderhavig bestemmingplan. Ten aanzien van de soortenbescherming geldt dat de QuickScan een toetsing geeft van de werkzaamheden (grondwerk, herinrichting van de weg) binnen de begrenzing van het hoofdproject en de directe omgeving. De werkzaamheden in onderhavig bestemmingsplan wijken af van de werkzaamheden van het hoofdproject. Deze werkzaamheden zijn daarom in de genoemde QuickScan niet getoetst. Om die reden is aanvullend onderzoek uitgevoerd waarin de werkzaamheden die plaats vinden in het kader van dit bestemmingsplan aanvullend getoetst worden op QuickScan niveau. Het tweede relevante onderzoek dat heeft plaatsgevonden is het soortenonderzoek dat volgde op de QuickScan. Dit betreft soortgericht onderzoek naar huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Deze twee onderzoeken zijn in één rapportage opgenomen en te vinden in bijlage IV.
Daarnaast dient in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) onderbouwd te worden dat het project zowel in de aanlegfase (tijdelijke effecten) als de gebruiksfase (permanente effecten) niet leidt tot emissies van stikstofhoudende stoffen waarbij de instandhoudingsdoelstellingen voor beschermde soorten in Natura 2000-gebieden in gevaar komen. Om dit aan te tonen zijn stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd en zijn de resultaten verwerkt in een notitie (bijlage V). Voor uitvoering van dit bestemmingsplan worden geen houtopstanden gekapt. Op dit aspect wordt daarom ook niet verder ingegaan. De conclusies van de verschillende onderzoeken zijn hieronder opgenomen.
4.9.1
Gebiedsbescherming
Natura 2000 Het plangebied ligt op grote afstand (meer dan negen kilometer) van omliggende Natura 2000-gebieden. Als gevolg van deze afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden kan worden uitgesloten dat effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht (’s avonds en ’s nachts werken), trilling of optische verstoring optreden binnen de betreffende Natura 2000-gebieden als gevolg van het voornemen. Stikstofdepositie De woningen worden gasloos in gebruik genomen waarbij voor de verwarming gebruik wordt gemaakt van elektriciteit of andere hernieuwbare energiebronnen. Om die reden vindt er geen emissie naar de lucht plaats van stationaire bronnen. De effecten van wegverkeer op Natura 2000-gebieden wordt conform de SRM2-rekenmethodiek enkel tot een straal van 5 km om de bron berekend. Het dichtstbijzijnde natuurgebied Oeffelter Meent ligt op 9 km afstand van het natuurgebied. Doordat het project niet leidt tot een project- dan wel een netwerkeffect waarbij binnen deze afstand van 5 km van een natuurgebied invloed plaatsvindt, kunnen effecten ten gevolge van wegverkeer in de gebruiksfase bij voorbaat worden uitgesloten. Uit de berekeningen voor de aanlegfase blijkt dat de maximale berekende stikstofdepositiebijdrage 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Dit betekent dat de aanlegfase niet leidt tot een stikstofdepositie op 1 of meerdere Natura 2000-gebieden.
Significante negatieve effecten op beschermde soorten kunnen om die reden op voorhand worden uitgesloten. Het project is vrijgesteld van vergunningplicht in het kader van de Wnb.
23 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
Natuurnetwerk Noord-Brabant Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Door natuur te verbinden blijft diversiteit behouden en verkleint de kans op uitsterven van soorten. Het Noord-Brabantse deel van dit natuurnetwerk wordt in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant aangeduid als Natuur Netwerk Brabant (NNB). Bij de beoordeling van effecten op het NNB dient op grond van artikel 3.16 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ook te worden gekeken naar effecten van ingrepen buiten het NNB, maar dan alleen voor zover het effecten betreft die niet het gevolg zijn van de verspreiding van stoffen in de lucht of het water. Het gaat hierbij dan ook enkel om directe effecten die een negatief effect kunnen hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB (geluid, licht (’s avonds en ’s nachts werken), trilling of optische verstoring. Het plangebied grenst niet aan een NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde perceel waarop de beheertypen droog bos met productie (N16.03), dennen-, eiken- en beukenbos (N15.02), beek en bron (N03.01), zand- en kalklandschap (N01.04) en vochtig bos met productie (N16.04) aanwezig zijn ligt op 110 m ten zuidwesten van het plangebied.
Gezien het plangebied echter buiten de grenzen van het NNN ligt, is er geen sprake van directe negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. Vervolgstappen zijn daardoor niet nodig. Conclusie Onderhavig bestemmingsplan heeft geen effect op Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Vanuit het aspect gebiedsbescherming zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.9.2
Soortenbescherming
Vleermuizen Verblijfplaatsen Binnen het onderzoeksgebied (en daarmee het plangebied) en de aanliggende woningen en bomen zijn geen aanwijzingen voor kraam-, zomer, winterverblijfplaatsen voor vleermuizen. Voor deze functies zijn geen verdere maatregelen of een ontheffingsaanvraag nodig. Binnen het onderzoeksgebied van de N264 zijn 5 paarverblijfplaatsen aanwezig van gewone dwergvleermuis. Direct ten noorden van het plangebied gaat het om 1 paarverblijfplaats in het pand van de juwelier (Pastoor Jacobsstraat 34). Als gevolg van het ontstaan van geluid en trilling gedurende de bouwen van de nieuwbouwwoningen, is een verstoring van de verblijfplaats in het pand van de juwelier niet uit te sluiten. De bouw van de nieuwe woningen heeft zodoende een mogelijke overtreding van de Wnb tot gevolg. Verstoring wordt voorkomen door buiten de paarperiode (en de aangrenzende milde-winter periode) trilling- en geluidveroorzakende werkzaamheden uit te voeren, bijvoorbeeld het gebruik van zwaar materieel (betonwagens, sloopwerkzaamheden). Deze periode loopt van 15 augustus tot en met februari. Foerageergebied Het onderzoeksgebied wordt op verschillende locaties door gewone dwergvleermuizen en een enkele laatvlieger gebruikt als foerageergebied. Dit is echter altijd door relatief weinig individuen (3 of minder) en van korte duur.
In de directe en wijdere omgeving van het onderzoeksgebied is een veelvoud aan minstens even geschikte foerageergebieden aanwezig. De foerageergebieden binnen het onderzoeksgebied (en daarmee het plangebied) zijn dan ook niet essentieel. De optredende effecten van de nieuwbouw zijn bovendien tijdelijk. Voor deze functies zijn geen verdere maatregelen of een ontheffingsaanvraag nodig.
24 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
Vliegroutes In het onderzoeksgebied is een essentiële vliegroute aanwezig voor gewone dwergvleermuis ter hoogte van de N264/Pastoor Jacobstraat 24A en 34: dit is een hop-over. De bomen bij deze hop-over zijn essentiële elementen voor gewone dwergvleermuis om de N264 over te steken. Het aantasten (kappen) van deze elementen is een overtreding van de Wnb. Dit is in het kader van de plannen voor de nieuwbouw niet aan de orde, want in het kader van dit project worden geen bomen gekapt. Wel kunnen vleermuizen op deze route mogelijk verstoord worden door werkzaamheden wanneer er met kunstlicht wordt gewerkt tijdens de actieve periode van vleermuizen. Het verstoren van een vliegroute (en daarmee tevens indirect aantasten van het leefgebied) van vleermuizen is onder de Wnb verboden. Deze vorm van verstoring is echter te voorkomen door werkzaamheden uit te voeren bij daglicht (tussen een uur na zonsopkomst en een uur voor zonsondergang) in de werkbare periode (maart - augustus). Waar verlichting nodig is wordt aanbevolen gebruik te maken van efficiënt lichtbeheer.
Verlichting dient te worden beperkt door: - gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting; - het kunstmatig licht enkel daar te richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht) en dit zo te doen dat deze weg van het foerageergebied schijnt; - gebruikt te maken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bundel één bepaalde kant en weg van het foerageergebied op richten; - gebruik te maken van aangepaste armaturen die verstrooiing van licht minimaliseren; - het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing te beperken; - voor en na de werkzaamheden het gebruik van kunstverlichting te beperken tot enkel verlichting ter beveiliging van opslagterreinen. Ook hiervoor gelden de bovenvermelde restricties. Huismus Nesten van huismussen zijn jaarrond beschermd. Er zijn 23 nestlocaties van huismus aangetroffen in het onderzoeksgebied voor de N264. Voor dit bestemmingsplan geldt dat 7 nestlocaties binnen een afstand van 50 m van de Pastoor Jacobstraat liggen. Verstoring van huismussen op de nestlocaties en het daaromheen liggende functionele leefgebied is uitgesloten. Verdere maatregelen of een ontheffingsaanvraag voor huismus zijn niet nodig. Gierzwaluw Binnen het onderzoeksgebied zijn geen nestlocaties van gierzwaluw aanwezig.
De meest nabij gelegen nestlocaties bevinden zich op ruimte afstand van het plangebied (95 m). Alle overige waarnemingen betroffen overvliegende exemplaren, of groepen gierzwaluwen hoog vliegend in groepen. Het onderzoeksgebied (en daarmee het plangebied) en de aanliggende woningen hebben geen functie voor gierzwaluw. Verdere maatregelen of een ontheffingsaanvraag voor gierzwaluw zijn niet nodig. Conclusie Tijdens de werkzaamheden worden maatregelen genomen om de paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis en de vliegroutes van vleermuizen niet te verstoren. Vanuit het aspect soortenbescherming zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.10
Waterhuishouding en riolering
De voorgenomen ontwikkeling kan effecten hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zowel kwantitatief als kwalitatief. In Nederland is daarom de watertoets een verplicht onderdeel van elke ruimtelijke ontwikkeling. De watertoets is een procesinstrument waarbij de waterbeheerders in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling, zodat verschillende aspecten van ‘water’ een goede plaats krijgen in de planvorming.
25 | 34
Witteveen+Bos | 117826/21-008.191 | Definitief 03
Toetsingskader Sint Hubert ligt binnen het beheersgebied van waterschap Aa en Maas. Het waterschap Aa en Maas is zowel waterkwantiteit- als waterkwaliteitsbeheerder. Waterbeheerplan 2016-2021 In het Waterbeheerplan (WBP) beschrijft het waterschap Aa en Maas haar doelstellingen voor de periode 2016 – 2021 en de wijze waarop deze doelstellingen bereikt moeten worden. Hiermee geeft het waterschap invulling aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening water Noord-Brabant om een waterbeheerplan op te stellen. In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende programma’s: - veilig en bewoonbaar; - voldoende water en robuust watersysteem; - schoon water; - gezond en natuurlijk water; - het leveren van maatschappelijke meerwaarde. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger.