03. Transitievisie Warmte Mill en Sint Hubert.docx
Tekst van het document
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT
[Company name]
Transitievisie Warmte Titel [Document subtitle] Mill en Sint Hubert
OP WEG NAAR EEN AARDGASVRIJE GEMEENTE
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT
Verantwoording Titel Opdrachtgever
Transitievisie Warmte Mill en Sint Hubert: Op weg naar een aardgasvrije gemeente Gemeente Mill en Sint Hubert
Auteur(s)
Eefje van Empel en Jannet Leeuwdrent
Technisch Adviseur
Rianne Raat
Aantal pagina’s
39
Datum
26 januari 2020
Status
Definitief
Australiëlaan 5 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com
Hogepad 85 7462 TB Rijssen T + 31 88 163 53 00 E dwa@dwa.nl
Wapenrustlaan 11 7321 DL Apeldoorn T +31 55 2000 253 E info@buroloo.nl
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT
Inhoudsopgave 1.
Inleiding ...........................................................................................3
1.1 Waarom de warmtetransitie? ..........................................................3 1.2 Een visie voor de regio Land van Cuijk .............................................3 1.3 Positie en doel van de Transitievisie Warmte ..................................4 1.4 Leeswijzer ........................................................................................4 2.
Uitgangspunten ...............................................................................5
3.
Samenwerken aan de warmtetransitie ...........................................7
3.1 De gemeente als regisseur: schakelen en verbinden .......................7 3.2 Samenwerking ..................................................................................7 4.
Alternatieven voor aardgas .............................................................9
4.1
De isolatieopgave ........................................................................9
4.2
Temperatuur van de warmtebron.............................................10
4.3
Wat zijn de alternatieven voor aardgas?...................................11
4.4
Hoe bepaal je welke techniek waar komt?................................14
5.
De transitieopgave in Mill en Sint Hubert .....................................15
5.1
Naar een aardgasvrij Mill en Sint Hubert ..................................15
5.2
De warmtevraag ........................................................................15
5.3
Besparingspotentie....................................................................15
5.4
Beschikbare bronnen in de gemeente.......................................16
5.5
Match bronnen en warmtevraag ..............................................17
5.6
Lokale kansen en beperkingen ..................................................18
5.7
Techniekkeuze naar gebied .......................................................19
6.
Vervolgstappen .............................................................................21
6.1
In drie stappen toewerken naar aardgasvrij gereed .................21
6.2
Starten met besparen..............................................................22
6.3
Technische en financiële haalbaarheid onderzoeken ...............23
6.4
Initiatieven ondersteunen en stimuleren..................................24
6.5
Kans op een aardgasvrije wijk voor 2030? ................................24
7.
Financieringsmogelijkheden..........................................................25
7.1
Een betaalbare transitie ..........................................................25
7.2
Betaalbaarheid van de warmtetransitie ..................................26
7.3
Financiering en kosten nog onduidelijk.....................................27
Bijlage I – Begrippenlijst ........................................................................28 Bijlage II – Toelichting warmtetechnieken ............................................32 Bijlage III – Kaart bouwjaren..................................................................37 Bijlage IV – Investeringen per alternatief ..............................................38 Bijlage V – Wat levert isoleren (naast milieuwinst) op?........................39
2
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT
1. Inleiding In 2016 ondertekende Nederland het Klimaatakkoord van Parijs. Vanaf dat moment werken we aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen, waaronder CO2. In 2030 dient de CO2 uitstoot met 49% teruggebracht te zijn ten opzichte van 1990 en in 2050 moet dit zelfs 95% zijn. Eén van de manieren om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen is het verminderen van het aardgasgebruik. Aardgas gebruiken we voor het verwarmen van ons huis, warm water en koken. De Rijksoverheid heeft als doel gesteld dat uiterlijk in 2050 alle gebouwen in Nederland van het aardgas af zijn. Deze overgang naar een aardgasvrije leefomgeving is onderdeel van de energietransitie. Het is de overgang van energiegebruik uit fossiele brandstoffen zoals aardgas, naar volledig duurzame energie uit zon, wind, water, bodem en biomassa.
1.1 Waarom de warmtetransitie? Voor u ligt de Transitievisie Warmte (TVW) van Mill en Sint Hubert. In deze visie beschrijven we de route naar een aardgasvrij Mill en Sint Hubert in 2050. Deze visie moet door alle gemeenten in Nederland uiterlijk in 2021 worden opgesteld en vormt het startpunt van de warmtetransitie. Het terugdringen van het aardgasgebruik heeft een positief effect op de uitstoot van broeikasgassen. Maar er zijn nog twee belangrijke redenen waarom Nederland in 2050 aardgasvrij moet zijn volgens de Rijksoverheid. Ten eerste is Nederland met lokaal opgewekte warmte minder afhankelijk van andere landen. Door te kiezen voor lokale bronnen houden we zelf de regie in handen. Ten tweede speelt de aardbevingsproblematiek in Groningen een rol. Door het aardgasgebruik in ons land terug te dringen, kan de aardgaswinning in Groningen verder worden afgebouwd.
Warmte- & energietransitie Binnen de energietransitie zijn twee sporen te onderscheiden. De energie die we in Nederland gebruiken is grofweg te verdelen in warmte en elektriciteit. Uiteraard hebben deze sporen wel raakvlakken. Zo kan elektriciteit ook worden omgezet in warmte. We spreken daarom van de warmtetransitie als we spreken over het toewerken naar aardgasvrije woningen en gebouwen. De energietransitie is een breder begrip en heeft betrekking op de gehele energievoorziening, en gaat dus zowel over warmte als elektriciteit.
1.2 Een visie voor de regio Land van Cuijk Ondanks dat deniveau transitie naarde aardgasvrij een opgave voor heel Op Op regionaal wordt energietransitie breedisbehandeld. Nederland enen daardoor grotendeels is, is regio Land van Cuijk gemeentewijkniveau kijken wegeneriek eerst naar dede warmtetransitie. uniek en vraagt de transitie om maatwerk. De regio Land van Cuijk bestaat Keuzes voor bepaalde bronnen van warmte kunnen de energievraag uitnamelijk de gemeenten Boxmeer, Cuijk, en Sintmeegenomen Hubert en Sintmoet nog beïnvloeden, maar Grave, als dat Mill gelijktijdig Anthonis. samen goed voor meer dan dertig kernen worden Deze wordtgemeenten de opgave zijn te groot. en wijken, waaronder Vierlingsbeek, Vianen, Escharen, Langenboom en Landhorst. Elk van die kernen en wijken heeft een eigen ontstaansgeschiedenis en een eigen karakter. Dat zien we terug in de verscheidenheid aan historische gebouwen en unieke musea, maar ook aan de afwisselende natuurgebieden. De inwoners van de regio Land van Cuijk zijn gastvrij en zorgen graag voor anderen en elkaar. De Transitievisie Warmte sluit aan op de kenmerken van de verschillende gemeentes en inwoners in de regio Land van Cuijk, en zoekt oplossingen die het beste zijn voor deze mooie regio.
3
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT
In deze Transitievisie Warmte voor de regio Land van Cuijk, en meer specifiek de gemeente Mill en Sint Hubert geven we richting aan hoe woningen en gebouwen in Mill en Sint Hubert in de toekomst verwarmd kunnen worden zonder aardgas. Daarnaast wordt er beschreven welke stappen hiervoor gezet moeten worden vóór 2030. Het gaat hierbij om uitgangspunten en potentiële oplossingen, niet om definitieve beslissingen. Bij het zetten van stappen focussen we dus niet op wijken. In het volgende hoofdstuk (uitgangspunten) gaan we in op de uitgangspunten die bepalen waar we wel willen starten.
1.3 Positie en doel van de Transitievisie Warmte In het Klimaatakkoord is afgesproken dat elke gemeente voor het eind van 2021 een TVW heeft opgesteld. Een TVW is een beleidsdocument dat een eerste richting geeft aan de aanpak van het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. In de TVW beschrijft de gemeente hoe zij toewerkt naar dit doel. De TVW is geen star document en wordt elke vijf jaar of zoveel eerder als nodig herzien. Dit geeft ook de mogelijkheid om nieuwe technieken te overwegen en te kiezen als die beter passen. Ook kunnen ervaringen uit wijken waar al is gestart in deze herziening worden meegenomen. Bij elke update wordt de planning voor de komende vijf jaar gemaakt, gekoppeld aan een lange termijn doorkijk naar 2050. Het document biedt bewoners en eigenaren perspectief en geeft de netbeheerder een indicatie van de te verwachten veranderingen in netbelasting.
1.4 Leeswijzer In het volgende hoofdstuk bekijken we de door de vijf gemeenten gezamenlijk opgestelde uitgangspunten. Deze zijn belangrijk voor het bepalen van de techniekkeuze per wijk. In hoofdstuk 3 gaan we in op het participatietraject van de warmtetransitie en de rol die de gemeente hierin heeft. In hoofdstuk 4 gaan we in op de alternatieven van aardgas: welke
TVW, WUP & RES Deze TVW maakt onderdeel uit van drie documenten die we in het kader van het nationale Klimaatakkoord moeten opstellen, namelijk de Regionale Energiestrategie (RES), de Transitievisie Warmte (TVW) en de Wijkuitvoeringsplannen (WUP).. In de RES komt de bovenregionale afstemming om warmtebronnen te verdelen tussen regio’s en gemeenten aan bod. Daarnaast geeft de RES aan hoe gemeenten kunnen samenwerken voor de opwekking van duurzame elektriciteit en bevat het inzicht in hoe de regio de energieproductiecapaciteit voor de regio kan realiseren. Voor wijken (of kleine kernen) waar de gemeente de komende 10 jaar aan de slag gaat, worden na de TVW wijkuitvoeringsplannen opgesteld. In de WUP’s staat in detail wanneer woningen precies van het aardgas af gaan, welke alternatieve warmtebron(nen) er zijn, wat de technisch-financiële aspecten zijn, wat afstappen van aardgas betekent voor bewoners en andere belanghebbenden. En er staat ook in hoe het participatieproces eruit ziet.
warmtebronnen zijn er nog meer, en wat kenmerkt deze bronnen? In hoofdstuk 5 nemen we u mee in de opgave voor Mill en Sint Hubert. We analyseren de warmtevraag en bronnen in de gemeente. Vervolgens bespreken we de oplossingsrichtingen per deelgebied. Hierbij bekijken we het mogelijke alternatief voor aardgas op basis van bouwjaar en woningdichtheid. In hoofdstuk 6 staan we stil bij de te doorlopen vervolgstappen op weg naar een aardgasvrije gemeente. Tot slot wordt de betaalbaarheid van de warmtetransitie voor de verschillende doelgroepen en mogelijke instrumenten om de financiering te verbeteren, besproken in hoofdstuk 7.
Voor de leesbaarheid is in bijlage I een begrippenlijst met daarin veel voorkomende begrippen opgenomen. 4
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT
2. Uitgangspunten Binnen de samenwerking in de regio Land van Cuijk zijn gezamenlijke uitgangspunten geformuleerd. De uitgangspunten voor de warmtetransitie die we in dit hoofdstuk presenteren, vormen de basis voor de transitie van de gemeente en zijn richtinggevend. Energie besparen staat voorop Er zijn verschillende technische mogelijkheden om te komen tot een aardgasvrij Mill en Sint Hubert in 2050. Hoe deze mix aan technische mogelijkheden er in 2050 uit komt te zien, weten we op dit moment nog niet precies. Isoleren is echter, ongeacht de techniekkeuze per woning, altijd een goede keuze. Hiermee brengen we de warmtevraag en de energierekening omlaag, hoeven we minder duurzame energie op te wekken en gaan we comfortabeler wonen. We gaan van start Om in 2050 aardgasvrij te zijn, moeten we nu starten. Alleen dan hebben inwoners en andere belanghebbenden voldoende tijd om op logische momenten over te stappen van aardgas op een duurzame warmtebron. We gaan van start met het aardgasvrijgereed maken van woningen: isoleren en het nemen van andere maatregelen zoals het koken op inductie. Daarnaast wordt er gestart met een aantal onderzoeken en worden meekoppelkansen in beeld gebracht.
Deze meekoppelkansen zijn mogelijkheden waarbij aangehaakt wordt op ontwikkelingen in de omgeving, zoals renovaties van corporatiewoningen en/of de openbare ruimte, vervanging van riolering, aanpassingen van het openbaar groen en klimaatadaptatie. Dit soort mogelijkheden kunnen kosten en overlast van de transitie verminderen. Door deze meekoppelkansen in beeld te brengen, onderzoeken uit te voeren en van inwoners te horen waar men
al aardgasvrij wil worden, kunnen tussen nu en vijf jaar een aantal gebieden worden aangewezen waar middels een (wijk)uitvoeringsplan concreet wordt toegewerkt naar een aardgasvrije omgeving. We kiezen voor haalbare technieken en luisteren naar bewoners Om te starten in een wijk, dorp of kern is het belangrijk dat het technisch en financieel uitvoerbaar is. We zetten daarom op de korte termijn in op bewezen technieken, waarbij de maatschappelijke en eindgebruikerskosten in balans zijn. Nu nog niet haalbare technieken (zoals waterstof) geven we daarom nu nog geen concrete plek in de warmtetransitie, maar nemen we wel mee in onze afwegingen. Elke vijf jaar, als de visie wordt herzien, kijken we welke nieuwe technieken in beeld zijn gekomen en welke woningen hier in de toekomst gebruik van zouden kunnen maken. De TVW is hiermee een langetermijnvisie, maar met voldoende momenten om tussendoor bij te sturen waar wenselijk of noodzakelijk. Daarnaast staan we als gemeente open voor goede ideeën van inwoners, maar moeten ook deze ideeën technisch en financieel uitvoerbaar zijn. Betaalbaar, betrouwbaar en goed voor de lokale economie Ons uitgangspunt is een energievoorziening die betaalbaar en toegankelijk is voor alle bewoners, ondernemers en andere gebruikers. Het streven daarbij is dat de woonlasten zoveel mogelijk gelijk blijven in vergelijking met het huidige aardgasverbruik.
Om dit mogelijk te maken moet er per techniek gekeken worden naar de meest wenselijke financieringsconstructie. Zodat de maatschappelijke en eindgebruikerskosten zoveel mogelijk in balans tot elkaar staan. Daarnaast dient de alternatieve warmtebron beschikbaar te zijn gedurende het hele 5
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT
jaar. Ons streven is dat de warmtetransitie een bijdrage levert aan de lokale economie. Door te kiezen voor lokale bronnen en lokale aannemers en leveranciers kunnen we de geldstromen die voortvloeien uit de warmtetransitie binnen de regio houden. Samenwerken Om alle gebouwen anders te gaan verwarmen, is samenwerking nodig. Samenwerken met onder meer de gebouweigenaren, het Waterschap Aa en Maas, woningcorporatie Mooiland, woningcorporatie Vierlingsbeek en netbeheerder Enexis. We willen er voor zorgen dat deze visie het startpunt is om over te gaan op uitvoering, dat we samen aan de slag kunnen. Daarom is het belangrijk in de visie samen te werken, zodat alle partijen de visie kennen en dragen. Alleen zo kunnen we het doel halen om in 2050 geheel aardgasvrij te zijn. De gemeente heeft in de samenwerking de regie en daarmee een sturende en vooral verbindende rol.
6
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT
3. Samenwerken aan de warmtetransitie 3.1 De gemeente als regisseur: schakelen en verbinden Alle inwoners, bedrijven, instellingen en andere partijen krijgen met de warmtetransitie te maken. De gemeente neemt de regie in het proces om de warmtetransitie met zowel deze partijen als de samenwerkingspartners te doorlopen. Want geen enkele partij kan deze transitie zelf en onafhankelijk van elkaar doorlopen. Haar rol is om te adviseren, informeren en partijen samen te brengen. Er zijn een aantal belangrijke keuzes die de gemeente daarbij maakt. Ten eerste bedenkt de gemeente hoe zij haar inwoners en andere stakeholders gaat betrekken bij het proces en welke mate van invloed zij aan de inwoners en de andere stakeholders gaat geven. Ten tweede bepaalt de gemeente in welk tempo de gebouwde omgeving aardgasvrij moet worden. Ten slotte beslist de gemeente in hoeverre zij de warmtetransitie integraal aanpakt en de warmtetransitie laat samenhangen met andere maatschappelijke opgaven. De Transitievisie Warmte geeft door antwoord te geven op voorgaande vragen de gezamenlijke focus en richting die nodig is om aan de slag te gaan. Het maakt keuzes inzichtelijk, borgt een zorgvuldige politieke besluitvorming en plaatst lopende en nieuwe initiatieven in een centraal kader.
Dat vraagt om schakelen en verbinden: tussen overheid, bewoners en bedrijven, tussen individuele en collectieve mogelijkheden, en tussen schaalniveaus van regio tot woning. Het doel van de warmtetransitie mag dan duidelijk zijn, de weg ernaar toe is dat niet. Transities verlopen niet lineair en vragen om flexibiliteit, maatwerk en veel van elkaar leren. Er is geen beste of kant-en-klare oplossing. Kennis en techniek ontwikkelen snel en er zijn veel
onbeantwoorde vragen, zowel op technisch als maatschappelijk vlak. dat we de diverse losse projecten bundelen om deze vervolgens te kunnen koppelen aan een gezamenlijke ambitie en een gedeeld belang. Dit schalen we vervolgens op, tot een visie voor de gemeente.
3.2 Samenwerking Omdat afstemming en samenwerking in de warmtetransitie belangrijk is, is er ook in de aanloop naar de Transitievisie Warmte samengewerkt met verschillende partijen. Niet alleen is er sprake van een samenwerking tussen de vijf gemeenten, ook andere partijen zijn bij het proces betrokken geweest. Zo hebben de gemeenten samen met woningbouwcorporatie Mooiland, de netbeheerder Enexis en het waterschap Aa en Maas tijdens een digitale sprintsessie nagedacht over de technische mogelijkheden per type woning en gebied. De woningcorporaties hebben veel woningen in het Land van Cuijk en daarmee een bijzondere positie in dit traject. De corporaties hebben veel kennis over hun woningen en al veel ervaring met het reduceren van CO2-uitstoot. Bovendien kunnen de corporaties een grote bijdrage leveren om de verduurzaming in buurten en wijken op gang te krijgen. Er zijn afspraken gemaakt om intensief met elkaar te gaan samenwerken. Mooiland gaat net als de gemeente de komende jaren inzetten op isoleren en besparen. Energiebesparing is een leidend principe in onze gedeelde warmtetransitie. We gaan de komende jaren samen optrekken in onze besparingsopgave, hiervoor worden afspraken gemaakt in een duurzaamheidsakkoord. Zo heeft Mooiland de ambitie om in 2030 een 7
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT gemiddeld woonbestand met label A te hebben. In bijlage VI staat een nadere uitwerking van de samenwerking. Veel alternatieven voor aardgas leiden tot een hoger verbruik van elektriciteit. Een verhoogd verbruik van elektriciteit kan gevolgen hebben voor het elektriciteitsnetwerk. Daarom is Enexis vanaf het begin betrokken bij deze TVW. Door onze kennis te bundelen en het gesprek aan te gaan willen we voorkomen dat er onnodige maatschappelijke kosten worden gemaakt. Warmte halen uit afvalwater of oppervlakte water is een alternatief voor aardgas. Indien deze technieken worden ingezet is het waterschap een belangrijke partner.
4. Alternatieven voor aardgas In Mill en Sint Hubert werken we toe naar een aardgasvrije toekomst, waarin we als het buiten koud is onze huizen comfortabel kunnen verwarmen. Maar hoe gaan we dat doen? Welke alternatieven zijn er voor aardgas? Hoeveel warmte is er eigenlijk nodig per woning en wat betalen we daarvoor?
4.1 De isolatieopgave De eerste stap die we zetten in de warmtetransitie is het verminderen van de warmtevraag. Dit is belangrijk, want voor alle warmte die we kunnen besparen hoeft geen duurzaam alternatief gevonden te worden. Isoleren staat centraal bij
De regierol ligt bij de gemeente en de gemeente wil deze rol ook nadrukkelijk pakken. De gemeente onderhoudt contacten met alle partijen. Nu deze Transitievisie Warmte is opgesteld, wordt hiermee het startsein afgegeven voor een verdere en intensievere samenwerking met reeds betrokken partijen en inwoners. Samen wordt de route naar een aardgasvrije gemeente in 2050 uitgestippeld. Een route die door onderlinge gesprekken en meer inzichten in de loop van de jaren steeds duidelijker wordt. We starten met het inkleuren van de aardgasvrijroute door gesprekken met de inwoners te voeren. Beginnend met gesprekken met de wijk- en dorpsraden en bestaande energiecoöperaties. Dit geeft de gemeente een beeld van wat er leeft, waarna er gericht op wijk of dorpsniveau aanvullende informatie verstrekt kan worden of gesprekken gevoerd kunnen worden.
Ondanks dat isoleren maandelijks geld kan opleveren, kan niet elke woning geschikt gemaakt worden voor een lage temperatuurverwarming. In oudere woningen moet soms zoveel gebeuren dat dit financieel niet langer opweegt tegen de baten. Dit geldt met name voor oudere huizen, waar de buitengevel volledig vervangen moet worden om een voldoende isolatiewaarde te bereiken. Vanaf 1992 is in het Bouwbesluit een eis opgenomen voor de isolatiewaarde van een nieuwbouwwoning. Bij woningen gebouwd voor 1992 varieert de isolatiewaarde aanzienlijk en moet deze per woning worden vastgesteld. In deze visie is daarom een onderscheid gemaakt bij een techniekkeuze tussen woningen gebouwd na 1992 en woningen gebouwd voor 1992. In realiteit hoeft deze grens niet zo scherp te zijn en zijn ook veel woningen gebouwd na 1980 geschikt voor lage temperatuurwarmte wanneer vloer, ramen en dak zijn geïsoleerd.
8
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT het verminderen van de warmtevraag. Isolatie zorgt voor besparing en is daarmee op termijn terug te verdienen. We beschouwen isoleren als een no-regretof ‘geen spijt’-maatregel. Welke alternatieve warmtebron er ook komt, het is altijd een maatregel die positief bijdraagt aan de warmtetransitie en de portemonnee. Hoeveel er per woning in isolatie geïnvesteerd kan worden, hangt sterk af van de soort woning en de renovaties die reeds hebben plaatsgevonden. Zo zijn woningen gebouwd vanaf de jaren ‘90 al behoorlijk energiezuinig. Maatregelen zoals extra isolatie om de energiezuinigheid van de woning te verbeteren hebben in die gevallen een relatief klein effect in vergelijking met het effect van de maatregelen bij oudere woningen. Woningen in de gemeente Mill en Sint Hubert zijn van verschillende bouwjaren. Een groot deel van de woningen is gebouwd in de periode voor 1975. De verwachting is dat een groot deel van deze woningen een grote isolatieopgave heeft. Door aan deze isolatieopgave te werken wordt er veel minder CO2 uitgestoten. Zoals zichtbaar is in Figuur 1.
4.2 Temperatuur van de warmtebron
Figuur 1: CO2 besparing per jaar door isolatiemaatregelen of de aanschaf van zonnepanelen, bron Milieu Centraal
Nadat de isolatie-opgave in kaart is gebracht, moet er bepaald worden welke alternatieve warmtebronnen er gebruikt gaan worden voor het verwarmen van de woningen. Een van de belangrijkste onderscheidende kenmerken om te bepalen of een warmtebron geschikt is voor het verwarmen van een woning, is de temperatuur. In figuur 2 zijn de beschikbare warmtebronnen grafisch uiteengezet ten opzichte van het temperatuurniveau. De temperatuur van een warmtebron bepaalt namelijk welke isolatie en warmteafgifte maatregelen de woning moet hebben. Hoge temperatuur (HT) warmtebronnen zijn vaak makkelijker in te passen in bestaande huizen; er hoeven minder aanpassingen plaats te vinden.
9
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT
Figuur 2: Bronnen onderverdeelt van lage temperatuur (LT) naar hoge temperatuur (HT)
Bij lage temperatuur (LT) warmtebronnen moet de warmteafgifte infrastructuur intensiever worden aangepast en moet de woning goed geïsoleerd zijn. Denk daarbij aan vloerverwarming en boilervaten voor het warme tapwater. Omdat er vaak onvoldoende HT-warmtebronnen voor handen zijn, is het een logische keuze om te beginnen met het toepassen van LT-warmtebronnen in nieuwere gebouwen die al een betere isolatiegraad hebben.
40
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT
4.3 Wat zijn de alternatieven voor aardgas? Technisch gezien zijn er drie oplossingsrichtingen om van het aardgas af te stappen in de gebouwde omgeving: individuele oplossingen, warmtenetten of duurzame gassen. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om twee technieken te combineren. We spreken dan over een hybride alternatief voor aardgas. Elke techniek maakt gebruik van andere bronnen en heeft unieke eigenschappen die bepalen waar welke techniek in te zetten is. De technieken die mogelijk kunnen zijn in de regio Land van Cuijk worden hier besproken. In bijlage II wordt een uitgebreide toelichting gegeven per techniek. Individueel Woningeigenaren die op een individuele oplossing over gaan, kiezen voor een alternatief voor aardgas dat in of rondom de woning wordt gerealiseerd. Ze zijn hiermee niet afhankelijk van wat hun buren doen en kunnen op een voor hen wenselijk moment overstappen van aardgas op een duurzamere techniek. Individuele oplossingen zijn een elektrische warmtepomp, houtpelletketels en innovatieve oplossingen. (Elektrische) warmtepomp – een (elektrische) warmtepomp maakt gebruik van omgevingswarmte (lucht-, bodem- of water) die ze middels elektriciteit naar een temperatuur van ongeveer 35 graden brengen. De warmtepomp is hiermee een veel gekozen individuele oplossing voor goed geïsoleerde woningen.
Wanneer er door een warmtepomp warmte uit de bodem wordt gehaald, gebeurt dit middels bodemlussen die warmte uit de bodem onttrekken. Warmte uit de lucht wordt middels een buitenunit een soort grote omgekeerde ventilator - aan de lucht onttrokken. Omdat elektrische warmtepompen gebruik maken van omgevingswarmte die overal voorkomt, zijn warmtepompen in elke gemeente te gebruiken. Een aandachtspunt is echter dat ze alleen geschikt zijn voor goed geïsoleerde
woningen. De techniek is daarom niet geschikt voor alle woningen in de regio Land van Cuijk. Hybride warmtepomp – een alternatief voor de volledig elektrische warmtepomp is een hybride warmtepomp. Dit is een warmtepomp die naast een traditionele gas cv-ketel wordt gehangen. Hierbij verwarmt de warmtepomp de woning het grootste deel van het jaar, maar wordt de woning tijdens de koudste dagen verwarmd door de gas cv-ketel. Daarnaast zorgt deze gas cv-ketel voor de verwarming van het water. Deze techniek is in principe voor elke woning waar voldoende ruimte naast de cv-ketel aanwezig is geschikt, mits er voor 2050 voldoende duurzaam gas aanwezig is om in deze gasvraag te voorzien. Houtpelletketels - in houtpelletketels worden speciale houtpellets verbrand. De ketels staan der discussie omdat de duurzaamheid ervan beperkt is als het hout niet uit de regio komt, het lang duurt voordat de CO2 die vrijkomt bij verbranding weer is opgenomen door de natuur en ze de luchtkwaliteit beïnvloeden. Houtpelletketels kunnen daarom alleen in bepaalde woningen in het buitengebied van de regio Land van Cuijk worden ingezet. Innovatieve oplossingen - naast de genoemde oplossingen wordt er nu nog gewerkt aan andere oplossingen zoals een volledig elektrische warmtepomp die geschikt is voor slechter geïsoleerde huizen of het terugwinnen van warmte uit melk bij melkveebedrijven.
Deze en andere technieken worden de komende jaren in de gaten gehouden en indien relevant in een volgende versie van de Transitievisie Warmte meegenomen.
11
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT Warmtenetten Warmtenetten zijn collectieve netwerken van warm water waarmee woningen en andere gebouwen verwarmd worden. Warmtenetten komen voor in verschillende temperaturen, namelijk hoge temperatuur (> 70 C), midden temperatuur (tussen 40 C en 70 C) en lage temperatuur (< 40 C). Of een warmtenet geschikt is als alternatief voor aardgas, hangt af van de bebouwingsdichtheid in een gebied en of er voldoende warmte-afnemers zijn. Het afzetgebied van een warmtenet wordt bepaald door de hoeveelheid warmte die een bron kan leveren, de temperatuur van de bron en de kosten van het verkrijgen van warmte uit de bron. Mogelijke bronnen voor warmtenetten zijn restwarmte, geothermie en aquathermie. Restwarmte - bij industriële processen ontstaat er soms warmte die een bedrijf zelf niet meer nuttig kan gebruiken. Deze restwarmte kan een warmtenet van warmte voorzien. Voorwaarde hierbij is dat er altijd een alternatieve bron beschikbaar moet zijn, mocht het bedrijf weggaan. De temperatuur van een warmtenet op restwarmte is afhankelijk van de temperatuur van de bron. In de regio Land van Cuijk komen niet veel geschikte restwarmtebronnen voor. Alleen in Boxmeer en Cuijk liggen er mogelijk goede kansen. In de andere gemeenten komen er geen of nauwelijks bedrijven voor met restwarmte geschikt voor een warmtenet.
Geothermie – warmte afkomstig uit de bodem en aarde kan middels verschillende technieken een woning van warmte voorzien. Met geothermie in de warmtetransitie bedoelt men meestal het gebruik van warmte uit diepe aardlagen die gebruikt kan worden voor de verwarming van water in een warmtenet. In diepe aardlagen (dieper dan 500 meter) wordt de aarde niet langer verwarmd door de zon, maar door de kern van de aarde. Warmte met geothermie als bron heeft een hogere temperatuur en een grote potentie, maar de winning brengt ook hoge kosten met zich mee. Deze techniek is hierdoor alleen geschikt voor gebieden met een
hoge bebouwingsdichtheid en voldoende warmte-afnemers. En daarmee mogelijk alleen interessant voor delen van Boxmeer en Cuijk. Ondiepere vormen van bodemwarmte zoals een warmte-koude opslag (WKO) zijn in principe wel binnen alle vijf de gemeenten mogelijk, mits de bodemgesteldheid dit toelaat. Hierbij wordt de bodem gebruikt als opslag van warmte in de zomer en als opslag van kou in de winter. Deze warmte en kou kan vervolgens via een warmtenet naar goed geïsoleerde woningen en bedrijven gevoerd worden. Omdat dit een lage temperatuur betreft, is deze techniek niet voor alle woningen geschikt. Aquathermie - is een overkoepelende term voor warmte uit oppervlakte(TEO), afval- (TEA) en drinkwater (TED). Warmte uit drinkwater ontstaat bij het afkoelen van drinkwater, voordat het in het net gaat. Warmte uit oppervlaktewater en afvalwater kan direct uit de bron (rivier, rioolwaterzuivering) worden gewonnen. De warmte van deze drie bronnen zorgt voor de verwarming van een lage temperatuur warmtenet. Voor bronnen met een lagere temperatuur, zoals de Maas, kan vaak een kleiner warmtenet gerealiseerd worden. Dat betekent dat deze techniek ook voor kleinere kernen geschikt kan zijn. Een warmtenet op aquathermie is daarom voor een aantal kernen binnen de regio Land van Cuijk een geschikte optie, waaronder voor Grave en Cuijk.
Alleen in de gemeente Sint Anthonis en Mill en Sint Hubert liggen weinig kansen voor aquathermie.
12
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT Duurzaam gas Via bestaande of nieuwe gasnetten kunnen duurzame en hernieuwbare gassen worden vervoerd. De toekomstige beschikbaarheid van deze hernieuwbare gassen is nog grotendeels onbekend. Zo zijn duurzame gassen op dit moment schaars. Er zijn drie vormen van duurzaam gas: biogas, groengas en waterstofgas. Een overzicht van de verschillende soorten gassen en de bijbehorende specificaties van deze gassen is gegeven in Figuur 3. Biogas – biogas en groengas worden beide van biomassa zoals mest, groente-, fruit- en tuinafval en slib gemaakt. Door deze biomassa te vergisten, ontstaat biogas: een gas van goede maar andere kwaliteit dan aardgas. Dit gas kan daardoor niet worden gemengd met aardgas, waardoor het niet aan onze bestaande gasnetwerken kan worden toegevoegd. Biogas is daarom een gas dat niet snel in wordt gezet om woningen te verwarmen. Alleen daar waar een gasleiding makkelijk afgesloten kan worden van het hoofdnetwerk en zo een eigen netwerk kan vormen is biogas een geschikte oplossing. Op vakantieparken is dit vaak het geval en zou biogas mogelijk een geschikt alternatief zijn. Groengas – als biogas opgewaardeerd wordt het groengas genoemd. Dit is een gas dat wel met aardgas gemengd kan worden en dus in ons bestaande gasnet ingevoerd kan worden.
Om groengas op grote schaal te produceren, is er veel biomassa nodig en dient er een grote vergistingsinstallatie te worden geplaatst. Wanneer wordt besloten op grote schaal in te zetten op groengas, dient rekening gehouden te worden met mogelijke toekomstige veranderingen in de landbouwsector, waardoor het aanbod aan biomassa kan afnemen. Daarnaast speelt de vraag of groengas regionaal wordt toebedeeld of dat dit, net als aardgas, over heel Nederland wordt verdeeld. Het is echter een techniek die naar
alle waarschijnlijkheid voor een aantal oudere en minder goed te isoleren woningen in de regio Land van Cuijk in de toekomst zeker in beeld komt. Waterstofgas – waterstofgas is een product dat ontstaat door een molecuul water te splitsen in een waterstofdeeltje en een zuurstofdeeltje. Voor het splitsen van water is veel energie nodig. Veel waterstof dat nu wordt geproduceerd, is daarom nog niet duurzaam. We spreken daarbij van grijze waterstof. Dit is waterstof die met behulp van aardgas wordt geproduceerd en waarbij CO2 in de atmosfeer terechtkomt. Als deze CO2 wordt opgevangen en onder de grond wordt opgeslagen, spreken we van blauwe waterstof. Waterstof is echter pas echt een duurzame bron wanneer deze niet met aardgas maar met duurzaam opgewekte elektriciteit wordt gecreëerd. Op dit moment wordt hier hard aan gewerkt, maar deze techniek is niet op grote schaal beschikbaar. Of en in welke mate waterstofgas beschikbaar komt voor de gebouwde omgeving, is dan ook nog niet bekend. Als het beschikbaar komt voor de gebouwde omgeving, is dit naar verwachting voor een aantal woningen dat echt niet op een andere manier verwarmd kan worden.
Figuur 3: Overzicht van de verschillende soorten gas en het verschil hiertussen
13
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT
4.4 Hoe bepaal je welke techniek waar komt? In tegenstelling tot aardgas, dat bijna elke woning in Nederland gebruikt, ziet onze toekomstige warmtevoorziening eruit als een mix aan warmtetechnieken. In de basis zal gelden dat hoge temperatuurbronnen schaars zijn en daar worden ingezet waar de woningen niet zonder deze bronnen kunnen. Daar waar woningen goed geïsoleerd zijn, kunnen lagere temperatuur bronnen worden gekozen. Welke techniek waar kan worden ingezet hangt daarom af van zowel de beschikbare bronnen als de energievraag, maar ook de bebouwingsdichtheid van een gebied heeft hier invloed op. 1. Woning- en wijktypologie – aspecten als hoogbouw/laagbouw en de woningdichtheid bepalen of een individuele of collectieve techniek voor de hand ligt. 2. Bouwjaar en isolatiegraad – het bouwjaar van een woning geeft vaak inzicht in de mate van isolatie en daarmee de geschiktheid voor HT of LT. De bouwjaren voor de gebouwen in de gemeente Mill en Sint Hubert zijn weergegeven in Bijlage III. Hetzelfde kan gezegd worden over energielabels; deze geven accurater weer wat de isolatiewaarde is. Echter is niet van alle woningen in Nederland het energielabel bekend. 3. Beschikbare bronnen – er moet gekeken worden welke bronnen er in de omgeving beschikbaar zijn.
Zo is de potentie voor thermische energie uit oppervlaktewater sterk afhankelijk van de aanwezige hoeveelheid oppervlaktewater en stroomsnelheid en verschilt per gebied de mogelijkheid voor geothermie.
5. De transitieopgave in Mill en Sint Hubert 14
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT
5.1 Naar een aardgasvrij Mill en Sint Hubert De gemeente Mill en Sint Hubert is op weg om in 2050 aardgasvrij te zijn, in lijn met de nationale doelstelling. Om deze doelstelling te behalen, moeten we de warmtevraag omlaag brengen en woningen anders gaan verwarmen. In dit hoofdstuk gaan we in op wat deze transitieopgave voor Mill en Sint Hubert inhoudt en welke bronnen er binnen de gemeente aanwezig zijn om in warmte te voorzien.
Figuur 4: Warmtevraag gemeente Mill en Sint Hubert, per buurt.
5.2 De warmtevraag Mill en Sint Hubert telt circa 10.900 inwoners die wonen in circa 4600 woningen. Deze woningen zijn verspreid over Mill, Sint Hubert, Langeboom, Wilbertoord en een relatief groot buitengebied. Alle
woningen, scholen kantoren en andere gebouwen in de gemeente hebben een gezamenlijke warmtevraag van 0,3 miljoen GJ. Dit is de vraag naar warmte van alle gebouwen, inclusief kantoorpanden, winkels en scholen maar exclusief de proceswarmte gebruikt door de industrie. De proceswarmtevraag maakt geen onderdeel uit van de Transitievisie Warmte. De warmtevraag is per buurt weergegeven in Figuur 4.
5.3 Besparingspotentie In deze Transitievisie Warmte zoeken we naar het meest optimale pakket aan energiemaatregelen. Dat wil zeggen een combinatie van isolatie en een bijpassende warmtevoorziening. Minder energie gebruiken is altijd de eerste en belangrijkste stap. De komende jaren zullen er daarom op grote schaal woningen geïsoleerd moeten worden. Sommige woningen zijn al goed geïsoleerd of nog goed te isoleren en daardoor geschikt te maken voor lage temperatuur warmtebronnen. Andere woningen zijn mogelijk niet goed te isoleren om ze geschikt te maken voor bijvoorbeeld lage temperatuur warmtebronnen. Dat betekent niet dat daar geen grote besparingspotentie is. Vaak is dat juist wel het geval. De besparingspotentie - dat wat je kunt besparen door te isoleren - verschilt sterk per buurt. In wijken gebouwd tussen 1940 en 1975 is vaak de meeste winst te behalen door te isoleren. Woningen die vanaf de jaren ’80 werden gebouwd, hebben tijdens de bouw een zekere mate van isolatie meegekregen, volgens de toen geldende bouwnormen. Woningen van na 2005 zijn dusdanig goed geïsoleerd dat het over het algemeen niet zinvol is om extra isolatie toe te voegen. Kijkend naar de bouwjaren levert inzetten op isolatie in Mill Centrum bijvoorbeeld een grotere besparing op dan wanneer er wordt geïsoleerd in Brugse Berg.
Dit betekent echter niet dat er in de jongere wijken geen maatregelen genomen dienen te worden op het gebied van isolatie. Daar waar isolatie mogelijk is, is het altijd verstandig om dit te doen. 15
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT Warmtepotentieel vs. vraag
Voor het deel van de warmtevraag dat we door isolatie en zuinigere installaties niet terug kunnen dringen moet een alternatief voor aardgas worden gevonden. In hoofdstuk vier zijn de verschillende technische mogelijkheden voor aardgas beschreven. Welke techniek waar ingezet kan worden hangt echter sterk af van de beschikbare bronnen in de gemeente.
6.000
In deze paragraaf wordt daarom een toelichting gegeven op de beschikbare bronnen in de gemeente. Waarbij Figuur 5 het totaal aan beschikbare bronnen weergeeft. De zwarte lijn in het figuur geeft hierbij de totale warmtevraag van Mill en Sint Hubert weer. Wanneer deze lijn wordt geraakt betekent dit dat er in potentie voldoende warmte van deze bron aanwezig is om alle woningen in de gemeente van warmte te voorzien. De theoretische potentie van de warmtebronnen is uitgedrukt in woningequivalenten. Een woningequivalent is een inschatting van de hoeveelheid warmte-energie die nodig is om een gemiddelde Nederlandse woning van ruimteverwarming en warm water te voorzien. De warmte die vanuit bodemlussen en WKO gewonnen kan worden heeft in theorie een hoge potentie, maar kan in de praktijk een stuk minder worden ingezet vanwege de lage temperatuur. Voor diepe geothermie is de grond geschikt, maar zijn er te weinig woningen om deze warmtebron te realiseren.
Woningequivalenten
5.4 Beschikbare bronnen in de gemeente
7.000
5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 TEO
TEA
restwarmte bodemlus
Potentie warmtebronnen
WKO
diepe geothermie
biogas
biomassa
Totaal weq in Mill en Sint Hubert
Figuur 5: Theoretische warmtepotentie in de gemeente Mill en Sint Hubert. Lichte kleur = theoretisch gezien onbeperkt
Bodemlussen en warmte- en koudeopslag hebben potentie In een groot deel van Mill en Sint Hubert is bodemenergie mogelijk. In de gemeente is er potentie voor bodemlussen. Vanwege de benodigde afstand die deze systemen vereisen zijn deze vooral geschikt voor woningen in het buitengebied. Ook warmte-koudeopslagsystemen (WKO) zijn geschikte systemen in Mill en Sint Hubert. WKO installaties of bodemlussen zijn op de meeste plekken in de gemeente toegestaan. Beperkte potentie voor biomassa Biomassa is beperkt beschikbaar. De aanwezige biomassa kan worden gebruikt in houtpelletkachels, maar vanwege de uitstoot van fijnstof en de beperkte beschikbaarheid van biomassa slechts bij enkele woningen. Beperkte potentie voor aquathermie (TEO, TEA) De kansen voor aquathermie in Mill en Sint Hubert zijn beperkt. Wel is het mogelijk dat er lokaal kansen ontstaat om oppervlaktewater te koppelen 16
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT aan een WKO om zo een aantal woningen of bedrijven van warmte te voorzien. Beperkte potentie voor restwarmte In de gemeente is restwarmte volgens de grafiek niet aanwezig. Dit betekend echter niet dat er geen mogelijkheden zijn. Op lokale schaal kan blijken dat er wel kleine restwarmtebronnen aanwezig zijn die mogelijk benut kunnen worden. Onzekerheid bij de inzet van groengas Biogas of groen gas kan een belangrijke rol gaan spelen in een deel van de warmtevraag in Mill en Sint Hubert. Op dit moment is er theoretisch gezien voldoende biomassa aanwezig in de gemeente om de hele gemeente van groen gas te voorzien. Hierbij wordt er echter geen rekening gehouden met de biomassa die door boeren zelf wordt gebruikt. Het voorzien in een gedeelte van de warmtevraag middels biogas of groen gas lijkt daarom waarschijnlijker. Hierbij dient de kanttekening gemaakt te worden dat we nog niet weten hoe duurzaam gas over het land verdeeld gaat worden en in welke mate bedrijven het gas gebruiken. Geen potentie voor geothermie In een onderzoek naar de potentie van verschillende warmtebronnen in Mill en Sint Hubert is gebleken dat de bodemgesteldheid in de gemeente niet geschikt is voor diepe geothermie.
Daarnaast valt zowel ondiepe als diepe geothermie af vanwege de te lage bebouwingsdichtheid in de kernen, waardoor de techniek financieel niet uitvoerbaar is. Waterstofgas nog niet marktrijp Waterstofgas een alternatief voor aardgas dat op dit moment nog niet marktrijp is, maar waarvan we de toekomst niet met zekerheid kunnen voorspellen. De gemeente Mill en Sint Hubert zet daarom voorlopig niet in
op waterstof, maar geeft de voorkeur aan groen gas. Elke vijf jaar wordt bekeken of van deze transitielijn afgeweken dient te worden.
5.5 Match bronnen en warmtevraag In theorie kan de warmtevraag van de gemeente Mill en Sint Hubert worden ingevuld door de potentiële hoeveelheid beschikbare warmte uit de gemeente (zie Figuur 5). Dit is echter grotendeels warmte van lage temperatuur. Veel mogelijkheden voor een hoge temperatuur collectief zijn er niet. De gemeente blijft daarom op de korte (en mogelijk lange) termijn afhankelijk van gas. Om te inventariseren welke gebieden zich lenen voor een kleinschalig collectief mocht dit in de toekomst beschikbaar komen en welke gebieden zich lenen voor lage temperatuuroplossingen is Tabel 1 opgesteld. In Tabel 1 is een aantal aspecten per buurt weergegeven dat richting geeft aan de warmtetransitie. De buurten zijn aflopend gerangschikt op aantal woningequivalenten per buurt. Een woningequivalent is een inschatting van de hoeveelheid warmte-energie die nodig is om een gemiddelde Nederlandse woning van ruimteverwarming en warm water te voorzien. De buurten met de grootste aantallen woningen zullen ook de hoogste warmtebehoefte hebben. Deze staan bovenaan. Het bouwjaar van de woningen is kenmerkend voor de mate van isolatie. Voor woningen met matige tot slechte isolatie, zou het meest voor de hand liggende zijn, na afdoende isolatie, aan te sluiten op een hoge temperatuur warmtenet.
Aansluiten op een warmtenet met lagere temperatuur is voor deze woningen vaak economisch gezien niet rendabel. Een andere mogelijkheid voor deze woningen is het inzetten van individuele warmtebronnen. De mate van stedelijkheid geeft de bebouwingsdichtheid in een buurt aan:
17
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT
Weinig stedelijk (500-1000) Niet stedelijk (<500).
Hoe stedelijker de buurt, hoe haalbaarder het is om te kiezen voor een collectieve aanpak richting het aardgasvrij maken van de woningen. Gezien de lage bebouwingsdichtheid in de gemeente is een grootschalig collectief warmtenet niet rendabel te maken. Een weinig stedelijk gebied biedt mogelijk kansen voor een kleinschalig collectief.
gemeente teveel verspreid en staan oud en nieuw in elke kern. Hierdoor is het lastig om een systeem te bepalen dat werkt voor alle diverse woningen. Figuur 6 laat de gemeente Mill en Sint Hubert zien, maar er zijn geen collectieve kansen weergegeven. Kansen komen vooral voort uit lokale initiatieven. Door gesprekken aan te gaan met de inwoners blijkt waar energie zit om aan de slag te gaan of waar er mogelijk kansen liggen om aan te sluiten op leeds lopende trajecten of andere maatschappelijke vraagstukken.
Tabel 1: Karakterisering buurten gemeente Mill en Sint Hubert cijfers PBL en CBS (2020) Percentage Woning woningen Buurtnaam equivalenten Stedelijkheid voor 1945 Mill-Centrum 1339 Weinig 19 Mill-West 715 Weinig 4 Langenboom 676 Weinig 8 Sint Hubert 481 Weinig 9 Bedrijventerrein Het Spoor 362 Weinig 14 Wilbertoord 358 Weinig 2 Brugse Berg 339 Niet 0 Verspreide huizen Langenboom 332 Niet 22 Verspreide huizen Meren-De Gagel 280 Niet 27 Verspreide huizen Sint Hubert 248 Niet 35 Mill-Zuid 172 Niet 18 Verspreide huizen Achterdijk-Roijendijk 170 Niet 34 Verspreide huizen Wilbertoord 102 Niet 30 Bedrijventerrein De Meeren 17 Niet 33 Verspreide huizen Groespeel 12 Niet 67
Percentage Percentage woningen woningen Percentage tussen 1945- tussen 1975- woningen 1975 1991 na 1991 52 4 15 55 23 12 27 35 25 14 60 8 17 4 49 35 30 25 1 56 39 39 20 8 43 11 6 27 16 10 56 11 8 31 17 5 38 11 8 20 27 7 33 0 0
De in tabel 1 weergegeven opdeling in isolatiegraad, is gebaseerd op de verwachte isolatie bij een woning uit een bepaalde categorie bouwjaren. De daadwerkelijke isolatie van een huis kan hier echter van afwijken.
5.6 Lokale kansen en beperkingen
Figuur 6: Lokale kansen en beperkingen komen voort uit lokale initiatieven
Voor Mill en Sint Hubert geldt dat de gemeente diverse kleine(re) kernen omvat. Voor een rendabel collectief systeem is de bebouwing binnen de 18
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT
5.7 Techniekkeuze naar gebied De woningtypes en bouwjaren in Mill en Sint Hubert zijn divers. Er is daarom niet één alternatief voor aardgas aan te wijzen als meest geschikt. In 2050 worden de gebouwen in Mill en Sint Hubert naar verwachting dan ook verwarmd middels een mix aan warmtebronnen en technieken. Voor inwoners van sommige wijken of buurten betekent dit dat deze techniek gelijk is aan de techniek van de buren. In andere wijken of buurten – daar waar veel verschillende type woningen naast elkaar staan – is het logisch dat de techniek kan verschillen met de techniek die je buren gebruiken. Gebaseerd op het bouwjaar van de woningen, aanwezigheid van bronnen en bebouwingsdichtheid hebben we de mogelijke bronnen en technieken in kaart gebracht. Tabel 2 geeft een overzicht per buurt. Buurten met woningen gebouwd na 1992 In 1992 is het bouwbesluit ingevoerd. Dit houdt in dat woningen gebouwd na deze periode aan een bepaalde isolatienorm moesten voldoen. Deze woningen zijn daarom grotendeels geschikt te maken voor lage temperatuur verwarming. In de nieuwste wijken en buurten van de gemeente zijn warmtepompen daarom een mogelijke oplossing. Een luchtwarmtepomp waarbij warmte uit de lucht onttrokken wordt, lijkt voor de individuele woningen de meest logische keuze wanneer sprake is van beperkte ruimte rondom de woning.
Voor nieuwere woningen met grote tuinen en in het buitengebied, is een bodemwarmtepomp mogelijk een geschiktere oplossing. Buurten met woningen gebouwd tussen 1975 en 1992 Deze woningen hebben op dit moment een hoge warmtevraag. Een hoge temperatuur techniek ligt daarom voor de hand. Isolatie is mogelijk, maar om te isoleren tot label A is kostbaar. Wanneer er echter veel gelijksoortige woningen naast elkaar voorkomen kan gezamenlijk de
isolatieopgave worden aangepakt, waardoor de kosten omlaag gaan en een lage temperatuur oplossing mogelijk wordt. In dit geval is een warmtepomp een wenselijke optie. Blijkt dat isoleren te kostbaar is, dan ligt hier een hybride warmtepomp met duurzaam gas op dit moment het meest voor de hand. Buurten met oude, veelal vooroorlogse woningen In buurten, wijken of straten met veel oude woningen, zoals de oude kern van Mill staan woningen die veelal lastig geïsoleerd kunnen worden. Omdat spouwmuren soms ontbreken en een aantal panden een monumentale status heeft is isoleren tot label A (bijna) niet mogelijk of erg kostbaar. Dit geldt uiteraard ook voor de vooroorlogse woningen die verspreid door de gemeente staan. Wel kan er met isoleren veel energie bespaard worden. Deze woningen hebben voor een comfortabel klimaat wel behoefte aan een hoge temperatuur oplossing. Bij gebrek aan warmtenet mogelijkheden, ligt het gebruik van duurzaam gas, waar mogelijk in combinatie met een hybride warmtepomp, in deze gebieden op de korte termijn het meest voor de hand. Buurten met een mix aan bouwjaren Mill-West is een voorbeeld van een wijk waar een mix aan bouwjaren voorkomt. In zo’n wijk is het waarschijnlijk dat een mix aan verschillende oplossingen het eindbeeld in 2050 vormt. Warmtepompen, hybride warmtepompen en gasketels komen hier waarschijnlijk allemaal voor.
Er kan natuurlijk wel voor een gezamenlijke aanpak worden gekozen. Bijvoorbeeld door isolatiemateriaal of warmtepompen gezamenlijk in te kopen.
19
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT Buitengebied In het buitengebied staan woningen veelal verder uit elkaar. Afhankelijk van het bouwjaar en het huidige energielabel van de woning, dient hier een keuze gemaakt te worden voor een techniek. Naast warmtepompen, hybride warmtepompen en duurzaam gas zijn hier vaak nog meer technieken mogelijk. Zo zijn er allerlei innovaties om op boerderijen warmte te creëren. Bijvoorbeeld middels de ECO2000 die warmte uit melk haalt. Daarnaast behoren pelletketels tot de mogelijkheid in het buitengebied, mits hier een goed koolstoffilter op zit en er lokaal hout wordt gebruikt. Bedrijventerrein De panden op de bedrijventerreinen zijn veelal relatief nieuw. Daarnaast ontstaan op bedrijventerreinen soms mogelijkheden om een warmtenet te realiseren doordat bedrijven vaak zowel een warmte als koude vraag hebben. Een WKO systeem zou hierbij een mogelijkheid kunnen zijn. Individueel aan de slag kan uiteraard ook. Een warmtepomp is hierbij de meest geziene oplossing.
Tabel 2: Overzicht voorkeurstechnieken per buurt
Buurten Mill en Sint Hubert Mill-Centrum, Mill-West, Langeboom, Sint Hubert, Wilbertoord, Burgse Berg, MillZuid Bedrijventerrein Het Spoor en bedrijventerrein de Meeren Buitengebieden
Voorkeurstechniek Na 1992: warmtepomp (lucht) 1975-1992: warmtepomp (lucht) of hybride warmtepomp Voor 1975: (hybride) warmtepomp of duurzaam gas Maatwerk: mogelijk een warmtenet, afhankelijk van de beschikbare restwarmte, WKO systeem of individueel (warmtepomp) (Hybride) warmtepompen, duurzaam gas en mogelijk innovatieve oplossingen
20
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT
6. Vervolgstappen 6.1 In drie stappen toewerken naar aardgasvrij gereed In hoofdstuk 2 is aangegeven dat we nog geen startwijken aanwijzen. Oftewel op de korte termijn worden inwoners niet verplicht om hun woning aardgasvrij te maken. In plaats daarvan werken we de komende jaren toe naar het aardgasvrij gereed maken van de gebouwde omgeving in Mill en Sint Hubert. Dit doen we in drie stappen die parallel lopen aan elkaar:
Besparen We verlagen de CO2 uitstoot door het isoleren van woningen en het nemen van energiebesparende maatregelen te stimuleren.
Onderzoeken Om een beter beeld te krijgen van de technisch en financieel haalbare mogelijkheden richten we ons de komende jaren op een aantal onderzoeken om zo de potentie van groen gas beter in beeld te brengen.
Inwoners betrekken De warmtetransitie moeten we gezamenlijk doorlopen. De gemeente gaat daarom het gesprek aan met de inwoners en staat open voor nieuwe ideeën.
Figuur 7: Overzicht van de drie stappen richting aardgasvrij gereed
Samenvattend zijn dit de stappen die binnen de gemeente Mill en Sint Hubert nu gezet kunnen worden om de transitie richting aardgasvrij te beginnen. No-regret(geen spijt)-maatregelen Door in te zetten op maximaal isoleren van woningen en gebouwen, kunnen uiteindelijk complete buurten (langzamerhand) transitiegereed worden gemaakt. Dit zijn maatregelen waar nu al mee kan worden gestart. Naast het isoleren van woningen gaat dit ook om het creëren van bewustwording bij inwoners en het informeren over te nemen maatregelen in de woning zoals koken op inductie en vloerverwarming. Onderzoeken technieken met hoge potentie Het is van belang om een onderzoek te starten naar de haalbaarheid van de inzet van groen gas in delen van de gemeente. Omdat groen gas een brandstof is die over een lange afstand vervoerd kan worden is het wenselijk om te kijken of dit onderzoek in samenwerking met de verschillende omliggende gemeenten kan worden uitgevoerd. Op deze manier kan er een beter beeld verkregen worden van de toekomstige groen gas potentie in de regio. Door op de korte termijn te starten met een onderzoek naar de reële potentie kan de opgave van de gemeente beter in beeld worden gebracht en kan er, wanneer blijkt dat er voldoende potentie is, gestart worden met een vervolgtraject waarin wordt verkend hoe dit groen gas in de regio geproduceerd zou kunnen worden. 21
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT Benut het sociaal kapitaal Verduurzaming van de gebouwde omgeving begint niet altijd met beslissingen van bovenaf. Soms hebben buurtbewoners bijvoorbeeld zelf al initiatieven ontwikkeld om hun woningen te verduurzamen. Het is belangrijk om op de hoogte te zijn van zulk soort initiatieven, en ze maximaal te ondersteunen, of juist te stimuleren als ze er nog niet zijn. Het gesprek aangaan met de dorpsraden is een goede eerste stap om de inwoners bij de warmtetransitie te betrekken. Vervolgens kan deze mate van betrokkenheid en informeren langzaam worden uitgebreid afhankelijk van waar de behoefte ligt bij de inwoners.
6.2 Starten met besparen De komende jaren gebruiken we om inwoners te informeren over de opgave die eraan komt en bieden we handvatten om toe te werken naar een woning die aardgasvrij gereed is. Naarmate meer inzichten worden verkregen over de financiële kant van de warmtetransitie en de technische mogelijkheden wordt deze route en het bijbehorende handelingsperspectief steeds verder aangescherpt. Een overzicht van de handelingsperspectieven per bouwjaar/isolatie van de woning en per techniek is gegeven in Figuur 8 en Figuur 9. Naast het isoleren van een woning zijn er nog allerlei andere maatregelen die bijdragen aan het aardgasvrij gereed maken. Dit gaat onder andere om koken op inductie of het aanleggen van vloerverwarming. Door deze stappen op natuurlijke momenten te nemen – bijvoorbeeld als de keuken of vloer toe is aan vervanging – kunnen de extra kosten van deze maatregel laag worden gehouden. Daarnaast kunnen inwoners die al wel toe zijn aan het aardgasvrij maken van hun woning op de korte termijn al een (hybride) warmtepomp aanschaffen.
Welke maatregelen je in welke woning zou kunnen nemen staat in onderstaande tabel weergegeven. Ook is hier een onderscheid gemaakt in no-regret maatregelen en aanvullende maatregelen. De no-
Bouwjaar
NA 2000
1992 – 2000
1975 – 1992
1940 – 1975
VÓÓR 1940
& MONUMENT LT
LT
LT/MT
MT/HT
HT
Isoleren Vloerverwarming, Zonnepanelen Inductie-koken
Isoleren HR+++ glas Vloerverwarming Zonnepanelen Inductie-koken
Isoleren HR++ glas Zonnepanelen Inductie-koken
Isoleren HR++ glas Zonnepanelen Inductie-koken
Isoleren HR++ glas Zonnepanelen Inductie-koken
HR+++ glas Warmtepomp Mechanische ventilatie
Vloerisolatie Warmptepomp Mechanische ventilatie
HR+++ glas Vloerisolatie (hybride) Warmtepomp Vloerverwarming
Vloer/gevel /dak isolatie Hybride Warmtepomp Vloerverwarming
Hybride warmtepomp
Gewenste temperatuur
No-regret maatregelen
Aanvullende maatregelen
Figuur 8: Handelingsperspectief per bouwjaar/isolatie van de woning
22
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT regretmaatregelen zijn altijd een goed idee, de aanvullende maatregelen hangen af van je woning en de uiteindelijk wenselijke techniek. Daarnaast kunnen inwoners met al hun vragen terecht bij het energieloket. Het centrale energieloket voor Noordoost Brabant is Brabant Woont Slim. Inwoners kunnen hier terecht met alle vragen over het verduurzamen van hun woningen.
Techniek
Warmtepomp
HT warmtenet
LT warmtenet (incl. WKOsysteem)
Hybride warmtepomp met duurzaam gas
6.3 Technische en financiële haalbaarheid onderzoeken Het vaststellen van de Transitievisie Warmte is een van de eerste stappen in de warmtetransitie. Omdat we nog aan het begin van de transitie staan, is veel onduidelijk. Hoe komen de financieringsconstructies er bijvoorbeeld uit te zien en welke collectieve oplossingen zijn er nu daadwerkelijk binnen de gemeente aanwezig. De komende jaren benutten we om hier meer duidelijkheid over te krijgen. De financieringsconstructies worden door de Rijksoverheid bedacht, maar de technische mogelijkheden worden binnen de gemeente verder onderzocht. Voor Mill en Sint Hubert gaat dit met name over de beschikbaarheid van groen gas in de toekomst. Hoeveel woningen zouden hiermee verwarmd kunnen worden? Hoe realistisch is het dat dit gas in de regio blijft? Wat gebeurt er als de biomassa stromen minder worden? Waar kunnen en willen we een vergister plaatsen? De komende periode gebruiken we om een inzicht te krijgen in dergelijke vragen om zo een beter beeld te kunnen schetsen van de financiële en technische haalbaarheid nu en in de toekomst. Op deze manier kunnen we in de volgende versie van de Transitievisie gericht keuzes maken in welke technieken waar en op welke termijn ingezet kunnen worden.
Isolatie
Ten minste label B
Isoleren waar mogelijk
Ten minste label B
Isoleren waar mogelijk
Type warmtesysteem Warmtepomp (lucht of bodem)
Afleverset
Afleverset Warmtepomp
Inductie-koken Vloerverwarming
Inductie-koken
Inductie-koken Vloerverwarming
Mechanische ventilatie Zonnepanelen
Zonnepanelen Vloerverwarming
Mechanische ventilatie
HR gasketel Warmtepomp
Noodzakelijke maatregelen
Aanvullende maatregelen
Zonnepanelen Mechanische ventilatie Vloerverwarming
Figuur 9: Handelingsperspectief per techniek
23
TRANSITIEVISIE WARMTE MILL EN SINT HUBERT
6.4 Initiatieven ondersteunen en stimuleren De gemeente wil bestaande, maar ook nieuwe initiatieven de ruimte geven om met goede ideeën te komen. Mogelijk zijn er groepen inwoners die op de korte termijn al aardgasvrij willen worden of inwoners die voor hun dorp of wijk een goed idee hebben. Omdat we nog geen keuze maken met waar we beginnen, ontstaat de ruimte om dit soort initiatieven te ondersteunen, mits het een uitvoerbaar idee betreft. Hoe dit ondersteunen er precies uit komt te zien, verschilt per initiatief.
6.5 Kans op een aardgasvrije wijk voor 2030? Kortom, we zetten op de kortere termijn in op de drie peilers: starten met besparen, technische en financiële haalbaarheid onderzoeken en initiatieven ondersteunen en stimuleren. Dat betekent dat we geen wijk aanwijzen die voor 2030 aardgasvrij wordt, maar wel de mogelijkheid houden om voor 2030 in een wijk, of een deel ervan, te beginnen. Dat kan het geval zijn als uit onderzoek een technische en financieel haalbare techniek naar voren komt voor een specifiek gebied, of als inwoners zelf graag collectief aan de slag willen. Ook houden we daarmee de mogelijkheid open voor het toepassen van, nog te ontwikkelen, innovaties. Wanneer we in een gebied aan de slag willen, zal dat altijd starten met een gesprek met de inwoners en wordt er een wijkuitvoeringsplan opgesteld. Ook wordt dat meegenomen in de herziening van de Transitievisie Warmte die elke 5 jaar plaatsvindt.