CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

03. toelichting vabp Mill Hertsweg 6.pdf

Mill - raadsvergadering 21 oktober 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: Bestemmingsplan Hertsweg 612.243 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Rondom de gehele luchthaven ligt een obstakelvrij vlak van 45 meter hoog met een straal van 4 kilometer rond de landingsdrempels, dat overgaat in een conisch vlak met een helling van 5% tot 145 meter over een afstand van 2 kilometer. Voor het plangebied geldt een maximale bouwhoogte van 64 meter boven NAP. Het planvoornemen voldoet aan deze hoogtebeperking. ILS De militaire vliegbasis Volkel beschikt over een Instrument Landing System (ILS) ten behoeve van het nauwkeurig uitvoeren van naderingen door vliegverkeer. Het plangebied is gelegen in het oplopende gebied met een zonder meer toelaatbare hoogte van 58,9 meter boven NAP. Het planvoornemen voldoet aan deze hoogtebeperking. Radarverstoringsgebied Het plangebied is eveneens gelegen in het radarverstoringsgebied behorende bij de radar die is gepositioneerd op de vliegbasis Volkel. Ter bescherming van eventuele verstoring van radarbeelden bedraagt de maximale bouwhoogte binnen dit verstoringsgebied maximaal 65 meter boven NAP. Het planvoornemen voldoet aan deze hoogtebeperking. Luchtvaartverkeerzone In het bestemmingsplan worden bovengenoemde beperkingen door middel van de aanduiding ‘luchtvaartverkeerzone’, gevolgd door de specifieke benaming van de zone, vastgelegd.

bestemmingsplan Mill, Hertsweg 6 - toelichting

28

4.1.8 Mer(beoordelings)plicht Besluit milieueffectrapportage Ingevolge het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet worden getoetst of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Vormvrije m.e.r.-beoordeling De specifieke activiteiten, die plaatsvinden binnen het plangebied, zijn niet opgenomen op de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.

Ook gezien de in deze toelichting beschreven aspecten in de paragrafen Milieuaspecten en Fysieke aspecten, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van significante effecten, die een m.e.r.(beoordelings)plicht noodzakelijk maken. 4.1.9 Conclusie Vanuit het aspect milieu bestaan geen bezwaren tegen het planvoornemen. Ook behoeven geen randvoorwaarden bij het planvoornemen in acht te worden genomen.

Hertsweg in zuidelijke richting

bestemmingsplan Mill, Hertsweg 6 - toelichting

29

4.2 Fysieke aspecten 4.2.1 Waterhuishouding Watertoets Water vormt een steeds belangrijker aspect bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Belangrijke thema's zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om in de toelichting bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze verantwoording wordt ook wel de watertoets genoemd. De watertoets vraagt niet alleen een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen hebben, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders. Het planvoornemen betreft de mogelijkheid tot het bouwen van een bedrijfswoning op een bestaand bedrijfsperceel. Op dat bedrijfsperceel is reeds het oprichten van bedrijfsbebouwing mogelijk.

Gezien het feit dat met de voorgenomen ontwikkeling het aantal vierkante meters verhard oppervlak slechts beperkt zal toenemen (minder dan 2.000 m²) en het plangebied valt buiten de ruimtelijk begrensde waterbelangen, is de verwachting dat Waterschap Aa en Maas geen of weinig inhoudelijke opmerkingen bij het planvoornemen zal hebben. Bij mail van 2 juli 2020 is dit vanuit de Digitale Watertoets bevestigd. Inmiddels is per 26 maart 2021 het beleid van het waterschap met betrekking tot de verhardingstoename gewijzigd. De voornaamste wijziging is een verlaging van de grens van 2.000 m2 naar 500 m2. Dit betekent er sindsdien ook bij een kleinere verhardingstoename een compensatieplicht geldt. Waterparagraaf Huidige situatie Het plangebied ligt momenteel braak. De gronden zijn plaatselijk begroeid met gras en struikgewas. Grootte plangebied: ca. 1.150 m² Onverhard oppervlak: ca. 1.150 m² Verhard oppervlak: ca. 0 m² Hemelwater Het hemelwater infiltreert ter plekke in de bodem. Afvalwater Van afvalwater is in de huidige situatie geen sprake.

bestemmingsplan Mill, Hertsweg 6 - toelichting

30

Grondwater De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) bevinden zich op circa 175 cm respectievelijk circa 245 cm onder maaiveld. Oppervlaktewater Binnen het plangebied of de directe omgeving daarvan is geen oppervlaktewater aanwezig. Waterbergingsopgave/Toekomstige situatie In de toekomstige situatie is binnen het plangebied sprake van de aanwezigheid van bedrijfsbebouwing met een bedrijfswoning en erfverharding. Het verhard oppervlak zal hierdoor toenemen. Uitgaande van een bebouwingspercentage van maximaal 70% mag maximaal circa 800 m² aan bebouwing worden opgericht. Wanneer daar ook nog verharding voor ontsluiting en parkeren bij komt, zal het verhard oppervlak zo’n 1.000 m² gaan bedragen. Grootte plangebied: ca. 1.150 m² Onverhard oppervlak: ca. 150 m² Verhard oppervlak: ca. 1.000 m² De toename van het verhard oppervlak bedraagt daarmee maximaal ca. 1.000 m². Gelet op de omvang en ligging van het bedrijfsperceel zal naar verwachting de feitelijke toename geringer zijn, maar meer bedragen dan 500 m². Dit betekent dat aan de compensatieplicht moet worden voldaan. Hemelwater Het afstromend hemelwater van het extra verhard oppervlak zal door middel van ondergrondse infiltratievoorzieningen op het eigen perceel worden geïnfiltreerd.

Daartoe zal een voorziening met een bergingscapaciteit van 60 mm per m² verhard en bebouwd oppervlak worden aangelegd. De voorziening zal bestaan uit ondergrondse infiltratiekratten/een ondergrondse infiltratie-unit. Het grondwater zit voldoende diep (GHG > 0,7 m onder maaiveld) om te kunnen infiltreren. Het hemelwater afkomstig van de daken van de bebouwing en de erfverharding zal naar deze ondergrondse voorziening worden geleid om te voorkomen dat hemelwater afstroomt naar openbaar gebied of aangrenzende percelen. Afvalwater Het afvalwater wordt geloosd op de onder de Hertsweg aanwezige riolering. De capaciteit van deze riolering is voldoende groot om het afvalwater van één extra woning te verwerken. Voor de nieuwe woning zal hiertoe een nieuwe huisaansluiting worden aangelegd op kosten van de initiatiefnemer. Grondwater Het planvoornemen heeft geen invloed op de grondwaterstand en de maaiveldhoogte. Oppervlaktewater Binnen het plangebied of de directe omgeving daarvan is geen oppervlaktewater aanwezig.

bestemmingsplan Mill, Hertsweg 6 - toelichting

31

Bouwmaterialen Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater wordt bij de bouw afgezien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals zink en koper) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen zoals goten en leidingen. Vergunningen In deze waterparagraaf is de waterbergingsopgave van het plangebied bepaald en ingevuld met een passend ontwerp voor hemelwater, grondwater en afvalwater. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen worden. 4.2.2 Archeologie Wettelijk kader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Zo ook navolgende bepaling omtrent de archeologische monumentenzorg.

De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeente Mill en Sint Hubert heeft eigen archeologiebeleid ontwikkeld. De gemeenteraad heeft in 2012 de Nota Archeologiebeleid en de archeologische beleidskaart vastgesteld. Archeologische waarden Conform beleid en bijbehorende beleidskaart archeologie ligt het plangebied in een zone van categorie 4 (hoge archeologische verwachting). De vrijstellingsdrempel is bij categorie 4 een bodemingreep met een oppervlakte van 250 m² en een verstoringsdiepte van 0,4 m beneden maaiveld. Vrijstelling kan worden verleend als één of beide drempels niet worden overschreden. Omdat nog geen concreet bouwplan beschikbaar is, kan nu nog niet worden beoordeeld of aan één van beide drempels wordt voldaan. De vraag of archeologisch onderzoek noodzakelijk is, kan nog in dit stadium nog niet beantwoord worden. In het vigerende bestemmingsplan zijn de archeologische categorieën vertaald in 3 dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’. Gebieden uit categorie 4 met een hoge archeologische verwachting vallen daarbij binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’.

Deze dubbelbestemming wordt in voorliggend bestemmingsplan gecontinueerd. Op basis van de dubbelbestemming zal bij een concreet bouwplan bepaald worden of archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

bestemmingsplan Mill, Hertsweg 6 - toelichting

32

4.2.3 Cultuurhistorie Kader Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. De provincie ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft de provincie haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Prominent op de CHW is het provinciaal cultuurhistorisch belang. Het gaat hierbij om erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. De CHW geeft verder de meest recente erfgoedinformatie van het rijk, met archeologische en bouwkundige monumenten, met archeologische verwachtingswaarden en met beschermde stads- en dorpsgezichten. Cultuurhistorische waarden Het plangebied is onderdeel van regio ‘Peelrand’. De Peelrand bestaat uit een ring van middeleeuwse dorpen op enige afstand van het voormalige veengebied van De Peel. Deze oude dorpen worden gekenmerkt door akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Enkele kastelen, diverse kloosters en de Peel-Raamstelling verlenen het gebied extra cultuurhistorische betekenis.

De ontwikkelingsstrategie voor de regio is gericht op: ✓ behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio ✓ de cultuurhistorische waarden van de Peelrand in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Het planvoornemen is dermate beperkt van aard en omvang dat dit niet van invloed is op bovengenoemde cultuurhistorische waarden. Het planvoornemen betreft de invulling van een onbebouwd terrein binnen bestaand bebouwd gebied en heeft daarmee geen invloed op de structuur van landgoederen in het omliggende buitengebied. De in de omgeving van het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden beperken zich verder tot de historische geografie. Aan de tracés van de Vorleweg en de spoorlijn Boxtel-Wesel is daarbinnen een redelijk hoge respectievelijk zeer hoge waarde toegekend. Het planvoornemen laat genoemde tracés ongemoeid. De cultuurhistorische waarden zijn niet in het geding.

bestemmingsplan Mill, Hertsweg 6 - toelichting

33

4.2.4 Flora en fauna Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Daarmee is de integratie van de Natuurbeschermingswet (Nbw), de Flora- en faunawet (Ffw) en de Boswet een feit. In de Wnb is zowel de gebiedsbescherming als de soortenbescherming geregeld. Bij gebiedsbescherming gaat het om aangewezen natuurgebieden en bij soortenbescherming gaat het om de bescherming van vogels en andere diersoorten en planten. In verband met de uitvoerbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en dan met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Er mogen geen mogelijkheden worden geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarvan op voorhand redelijkerwijs kan worden ingezien dat in het kader van de Wnb geen ontheffing zal worden verleend. In het kader van de gebiedsbescherming moet getoetst worden in hoeverre het planvoornemen significante effecten heeft op natuurgebieden in de omgeving. In ieder geval moet daarbij gekeken worden naar de effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Op basis van de geldende bestemmingsregeling zijn de gronden binnen het gehele plangebied al te benutten als bedrijfsperceel.

Bij het opstellen van de geldende bestemmingsregeling is reeds geoordeeld dat geen soorten aanwezig zijn die het gebruik voor bedrijfsdoeleinden in de weg staan. Ook het oprichten van bedrijfsbebouwing is al mogelijk. Het planvoornemen laat de geldende gebruiks- en bouwmogelijkheden in stand en voegt daar enkel de mogelijkheid aan toe een deel van de bebouwing bij het bedrijf te gebruiken als bedrijfswoning. Voor de effecten van het gebruik en de bebouwing conform de bestemming ‘Bedrijventerrein’ op eventueel aanwezige soorten heeft dit geen gevolgen. Deze effecten worden niet noemenswaardig anders. Uiteraard wordt tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wnb met betrekking tot de algemene zorgplicht in acht genomen. Gebiedsbescherming Het plangebied of de directe omgeving daarvan maakt geen deel uit van het NNN of Natura 2000-gebieden. Het bosgebied aan de westzijde van de Vorleweg en de bospercelen aan weerszijden van de Antillenweg ten zuiden van het plangebied zijn wel onderdeel van het NNN, maar liggen op circa 100 m of meer van het plangebied. Binnen een straal van 11 km van het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden aanwezig. Op 11 km of meer ligt het Natura 2000-gebied “Oeffelter Meent”.

Omdat het planvoornemen daarnaast ook niet voorziet in het opstarten van activiteiten, die een grotere impact kunnen hebben op natuurgebieden in de wijdere omgeving (op een bestaand bedrijventerrein wordt één extra bedrijfswoning toegevoegd), mag aangenomen worden dat het planvoornemen geen nadelige gevolgen heeft voor de gebiedsbescherming.

bestemmingsplan Mill, Hertsweg 6 - toelichting

34

Stikstofdepositie Voor veel projecten geldt een vergunningsplicht (gebiedsbescherming Natura 2000) of een uitgebreidere motivatieplicht om aan te tonen dat een project geen effect heeft op Natura 2000 gebieden. Een omgevingsvergunning kan alleen verleend worden als er aangetoond is dat van de bijbehorende stikstofemissie geen effect te verwachten valt op Natura 2000 gebieden. De depositie van stikstof in het natuurgebied mag niet boven de 0,00 mol N/ha/jaar uitkomen. Het planvoornemen betreft de mogelijkheid een extra bedrijfswoning te realiseren op een bestaand bedrijventerrein. Door de Rijksoverheid is de “Handreiking woningbouw en AERIUS” (januari 2020) uitgegeven. In deze handreiking is een overzicht van de ‘Indicatieve depositie (mol/ha/jaar) als functie van de afstand tussen de woningen en het natuurgebied’ opgenomen. Uit dit overzicht blijkt onder meer dat de indicatieve depositie van 50 woningen op een afstand van 10 km tot het natuurgebied 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Daar vanuit gaande kan worden gesteld dat ook de depositie van 1 extra woning op een afstand van 11 km tot het natuurgebied niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar zal bedragen. Op 15 oktober 2020 is Aerius geactualiseerd, het betreft een jaarlijkse actualisatie van de rekenmethodiek. Het kan daardoor voorkomen dat de afstanden in de “Handreiking woningbouw en Aerius”, niet meer overeenkomen.

Het ministerie van BZK bekijkt op dit moment of nader onderzoek noodzakelijk is. Vooralsnog wordt ervanuit gegaan dat, nu het slechts één woning betreft op een afstand van 11 km tot natuurgebied, de depositie ondanks de nieuwe rekenmethodiek niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar zal bedragen 4.2.5 Verkeer en parkeren De woning wordt ontsloten via de Hertsweg. Op basis van CROW-publicatie “Toekomstbestendig parkeren” bedraagt de verkeersgeneratie van 1 woning circa 8 motorvoertuigbewegingen/weekdagetmaal. De capaciteit van de Hertsweg is voldoende groot om deze beperkte hoeveelheid extra verkeersbewegingen te kunnen verwerken. Conform de parkeernorm, zoals die is vastgelegd in het bestemmingsplan “MillZuid”, zijn bij de extra bedrijfswoning ten minste 2 parkeerplaatsen noodzakelijk. Bij de ontwikkeling van het bedrijfsperceel Hertsweg 6 zal op eigen terrein voor voldoende parkeergelegenheid conform de vastgelegde parkeernorm, voor zowel de bedrijfsbebouwing als de bedrijfswoning worden gezorgd. Voor het parkeren hoeft dan geen gebruik te worden gemaakt van de openbare ruimte.

bestemmingsplan Mill, Hertsweg 6 - toelichting

35

4.2.6 Duurzaamheid Duurzaam ontwikkelen Duurzame ontwikkeling is te zien als een ontwikkelingsproces, waarbij gestreefd wordt naar het tot stand brengen van een duurzame samenleving. Dit gebeurt door in alle stadia van een planproces kansen en mogelijkheden te benutten voor het realiseren van een hoge ruimtelijke kwaliteit in combinatie met een zo laag mogelijke milieubelasting, en deze in de tijd weten te handhaven, zodat ook toekomstige generaties daarin delen. Ook de gemeente Mill en Sint Hubert heeft in haar beleidsdoelstellingen duurzaamheid opgenomen en wenst deze structureel in ontwikkelingsplannen op te nemen. Met het planvoornemen wordt nauw aangesloten bij voorgaande uitgangspunt. Er is geen sprake van onnodig nieuw ruimtebeslag. Het planvoornemen maakt de bouw van een woning mogelijk op een bestaand bedrijfsperceel, waardoor voor die woning geen nieuw woonperceel hoeft te worden gecreëerd. Daarnaast zal bij de bouw van de bedrijfswoning en bijbehorende bedrijfsbebouwing, alsmede de inrichting van het perceel zoveel mogelijk gebruikt worden gemaakt van duurzame materialen en technieken. 4.2.7 Conclusie Vanuit de fysieke aspecten bestaan geen bezwaren tegen het planvoornemen.

Door de uitvoering van de voorgestelde maatregelen voor de afkoppeling van het hemelwater en de inachtneming van de zorgplicht met betrekking tot flora en fauna heeft het planvoornemen geen negatieve effecten op de fysieke aspecten.

Hertsweg in noordelijke richting

bestemmingsplan Mill, Hertsweg 6 - toelichting

36

4.3 Economische aspecten 4.3.1 Kostenverhaal In het geval van een aangewezen bouwplan conform artikel 6.2.1 Bro, waarvan met de voorziene bouw van een woning sprake is, dient een exploitatieplan opgesteld te worden. Hiervan kan worden afgezien indien kostenverhaal anderszins verzekerd is. Dat laatste is bij de bouw van de woning aan de Hertsweg aan de orde. Tussen de betrokken initiatiefnemer en de gemeente Mill en Sint Hubert is een anterieure overeenkomst gesloten, waarin onder meer het kostenverhaal en bijdrage ruimtelijke ontwikkeling zijn geregeld. De kosten van de daadwerkelijke uitvoering van het planvoornemen worden door de initiatiefnemer gedragen. Voor de gemeente Mill en Sint Hubert zijn aan het planvoornemen verder geen kosten verbonden. 4.3.2 Planschade Op grond van artikel 6.1 Wro kennen Burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden ten gevolge van onder meer een wijziging van het bestemmingsplan, op aanvraag een tegemoetkoming in die schade toe. Daarbij geldt dat het moet gaan om schade die redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en die niet reeds voldoende anderszins is verzekerd. Naar verwachting zal in onderhavig geval geen sprake zijn van planschade.

Mocht toch sprake zijn van planschade, dan komt deze op basis van de overeenkomst voor rekening van de initiatiefnemer. 4.3.3 Conclusie Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische uitvoerbaarheid van het project voldoende is gegarandeerd. Het planvoornemen leidt niet tot extra kosten voor de gemeente Mill en Sint Hubert.

Door bedrijfsbebouwing omsloten plangebied

bestemmingsplan Mill, Hertsweg 6 - toelichting

37

5

JURIDISCHE VERANTWOORDING

5.1 Flexibiliteit bij realisering bedrijfswoning Voor de te realiseren woning is nog geen concreet bouwplan beschikbaar. In dit bestemmingsplan worden de kaders vastgelegd, waaraan het ontwerp voor de woning moet voldoen. Binnen deze uitgangspunten is nog de nodige flexibiliteit aanwezig voor de daadwerkelijke uitwerking van een ontwerp voor de woning.

5.2 Algemene opzet planregels Op basis van de Wet ruimtelijke ordening, bepaalt een drietal zaken de opzet en inrichting van de planregels, te weten: ✓ de digitale raadpleegbaarheid; ✓ de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012); ✓ de Woningwet. De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan in de regels teruggelezen worden welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan.

5.3 Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding zijn aangegeven: de grens van het plangebied; ✓ de bestemming van de in het plangebied gelegen gronden: ‘Bedrijventerrein’; ✓ de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’; ✓ de gebiedsaanduidingen ‘geluidzone - luchtvaart 35 - 40 Ke’, ‘luchtvaartverkeerzone - funnel 3’, ‘- ihcs – zone’, ‘- ils - zone 5’ en ‘- radarverstoringsgebied’ ✓ de aanduiding ‘bouwvlak’; ✓ de aanduidingen ‘bedrijven tot en met categorie 3.1’, ‘bedrijfswoning’, ‘maximum bebouwingspercentage (%)’, ‘minimum bebouwingspercentage (%)’, ‘maximum bouwhoogte (m)’ en ‘nokrichting’. Het bouwvlak geeft de begrenzing weer waarbinnen (bedrijfs)gebouwen opgericht mogen worden. De bedrijfswoning mag deels daarbuiten worden gebouwd, binnen de aanduiding ‘bedrijfswoning’.

bestemmingsplan Mill, Hertsweg 6 - toelichting

38

5.4 Toelichting op de regels De regels zijn conform de SVBP 2012 als volgt opgebouwd: ✓ inleidende regels, met de gebruikte ‘begrippen’ en ‘wijze van meten’; ✓ bestemmingsregels, met de regels voor de binnen het plangebied gelegen bestemming en dubbelbestemming; ✓ algemene regels, met een overzicht van de algemene bouw- en gebruiksregels, de algemene aanduidingsregels en de algemene afwijkingsregels; ✓ overgangs- en slotregels, met de regels over het overgangsrecht en de wijze van aanhalen van het plan.

5.5 Handhaafbaarheid In onderhavig bestemmingsplan wordt het planvoornemen van een bestemmingsregeling voorzien, die is afgestemd op de bestemmingsregeling voor Mill-Zuid van de gemeente Mill en Sint Hubert. Bij het opstellen van die regeling is reeds de nodige aandacht besteed aan de handhaafbaarheid daarvan. Door voor het plangebied aan te sluiten bij deze regels, is de handhaafbaarheid van de regeling voldoende gewaarborgd.

Plangebied tussen Hertsweg 8 en 4

bestemmingsplan Mill, Hertsweg 6 - toelichting

39

6

PROCEDURE

6.1 Omgevingsdialoog In het kader van de procedure heeft de initiatiefnemer de omgeving op 22 maart 2021 op de hoogte gesteld van de plannen via een omgevingsdialoog. Een verslag daarvan is als bijlage bij dit plan beschikbaar.

6.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg plegen met andere betrokken overheden en overheidsdiensten, zoals naburige gemeenten, het waterschap, en de diensten van het Rijk en de provincie. De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen. 6.2.1 Provincie Noord-Brabant In dit kader is het ontwerpbestemmingsplan door de gemeente digitaal aangemeld bij de provincie Noord-Brabant door invulling van het e-formulier. De provincie geeft aan dat het plan in overeenstemming is met de provinciale belangen. 6.2.2 Waterschap Aa en Maas In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan door de gemeente voorgelegd aan waterschap Aa en Maas. Het waterschap geeft aan dat het planvoornemen leidt tot een verhardingstoename van circa 1.000 m2. Dit wordt gecompenseerd door middel van de aanleg van infiltratiekratten. Verder spelen er geen bijzondere waterbelangen in het gebied. Het waterschap heeft, op basis van het huidige beleid, dan ook geen inhoudelijke opmerkingen bij het plan.

Omdat in de toelichting wordt beschreven dat de hemelwaterberging dient te geschieden op eigen terrein, wordt, om te verzekeren dat deze voorzieningen ook daadwerkelijk worden aangelegd en in stand gehouden, gebruik te maken van een voorwaardelijke verplichting in de planregels. In het plan is de suggestie van het waterschap overgenomen en is aan de regels een voorwaardelijke verplichting voor waterberging opgenomen. 6.2.3 Veiligheidsregio Brabant Noord De Veiligheidsregio Brabant Noord is ook in de gelegenheid gesteld op het voorontwerpbestemmingsplan te reageren. De veiligheidsregio geeft aan dat voor de ontwikkeling het aspect externe veiligheid niet relevant is. Daarnaast heeft de veiligheidsregio ook gekeken naar de mogelijkheden voor de reguliere brandbestrijding. De veiligheidsregio heeft in deze fase geen op- of aanmerkingen. Een nader advies is dus niet noodzakelijk.

bestemmingsplan Mill, Hertsweg 6 - toelichting

40

6.3 De te volgen procedure Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure: Ontwerp: ✓ publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro. Een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeenteraad Vaststelling: ✓ vaststelling door de Raad ✓ mogelijkheid reactieve aanwijzing ✓ publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn Inwerkingtreding: ▪ na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan) Beroep: ▪ beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

6.4 Ter inzage legging Het ontwerpbestemmingsplan is conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd in het gemeentehuis en digitaal raadpleegbaar gesteld (van 13 juli tot en met 23 augustus 2021). Binnen deze termijn zijn geen zienswijzen tegen het plan ingekomen.

bestemmingsplan Mill, Hertsweg 6 - toelichting

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=6b968d17-b9a3-4411-9b3a-c8726290f022