03. Toelichting en regels bestemmingsplan Beerseweg 26 Mill.pdf
Tekst van het document
Het aanleggen van een geluidscherm of geluidwal (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van financiële, stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidsbron en ontvanger is tevens onvoldoende doeltreffend. Het toepassen van een stiller wegdek (bronmaatregel) ontmoet overwegende bezwaren van financiële aard. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder.
Aangezien voor woning g01 (aan de Beerseweg) sprake is van een procedure hogere waarde, is een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels voor deze woning nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Ten zuiden van het plangebied is een transportbedrijf aanwezig. Door Tritium uit Neer is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd: rapport "Akoestisch onderzoek industrielawaai Beerseweg 26 te Mill" (19 februari 2020, 1905/278/RV-02). Het onderzoeksrapport is als bijlage 11 bijgevoegd.
48
Tritium concludeert dat:
Met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op de gevels van de drie nieuwe woningen kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan degeluidgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde behorende bij zowel stap 2 van het stappenplan uit de VNG-uitgave als het Activiteitenbesluit.
Met betrekking tot de maximale geluidniveaus (LAmax) op de gevels van de drie nieuwe woningen kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de geluidgrenswaarde van 70 dB(A) etmaalwaarde behorende bij zowel stap 2 van het stappenplan uit de VNG-uitgave als het Activiteitenbesluit.
Met betrekking tot indirecte hinder van het verkeer van en naar de inrichting kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.
Uit het vorenstaande blijkt dat er voor wat betreft het aspect geluid geen bezwaren zijn de beoogde juridisch-planologische procedure door te voeren.
5.1.5.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan. Het besluit Hogere Waarde is bijgevoegd als bijlage 2 bij de regels.
5.1.6
Luchtkwaliteit
5.1.6.1 Inleiding Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
5.1.6.2 Analyse Effecten plan op luchtkwaliteit In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
49
Onderhavig plan omvat drie woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig. Goed woon- en leefklimaat In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn daarom alleen de volgende criteria van toepassing:
40 µg/m3 jaargemiddelde concentratie NO2;
40 µg/m3 jaargemiddelde concentratie PM10;
25 µg/m3 jaargemiddelde concentratie PM2,5;
35 overschrijdingsdagen per jaar van de gemiddelde concentratie PM10.
Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving. In het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is door diverse bronbeheerders zoals gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat de Monitoringstool ingevoerd. Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat op deze locatie in de jaren 2018, 2020 en 2030 aan bovengenoemde grenswaarden (jaargemiddelde en overschrijdingsdagen) voor PM10 en NO2 wordt voldaan. Uit de monitoringstool volgt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
5.1.6.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.1.7
Volksgezondheid
5.1.7.1 Inleiding Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.
50
Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.
5.1.7.2 Veehouderijen Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen. Endotoxinen Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 endotoxine-eenheden per kubieke meter (EU/m³) voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode. Omdat thans nog een toetsingskader wordt voorbereid, wordt voor de beoordeling de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingkader 1.0" gehanteerd. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de relevante diersoorten vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 600 meter van veehouderijen plaatsvindt. Analyse Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 600 meter rondom het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect endotoxinen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van endotoxinen.
Geitenhouderijen Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
51
Analyse Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn echter geen geitenhouderijen met meer dan 100 geiten actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect geitenhouderijen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geitenhouderijen.
5.1.7.3 Hoogspanningsverbindingen De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Analyse Het plan leidt tot het toevoegen van woningen of andere functies waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Desalniettemin wordt opgemerkt dat er sprake is van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 1.900 meter, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt. Er is geen nader onderzoek nodig.
5.1.7.4 Conclusie Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.1.8
Milieueffectrapportage
5.1.8.1 Inleiding Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.
5.1.8.2 Analyse De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage genoemde ontwikkelingen. Er is derhalve geen nadere m.e.r.-beoordeling nodig.
52
Gelet op de resultaten van de hiervoor reeds uitgevoerde milieuanalyse, kan zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het plan geen significant nadelige milieugevolgen heeft. Een nadere motivering is niet noodzakelijk.
5.1.8.3 Conclusie Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.
5.2
Waarden
5.2.1
Aardkunde
5.2.1.1 Inleiding Aardkundige verschijnselen beschrijven de geschiedenis van het landschap en zijn van grote potentie voor de belevingswaarde. Op diverse plaatsen in Noord-Brabant zijn de aardkundige verschijnselen dermate waardevol, dat het wenselijk is om deze te beschermen. In de Interim Omgevingsverordening zijn daarom regels gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen binnen aardkundig waardevolle gebieden.
5.2.1.2 Analyse Voor onderhavig plan is het aardkundig waardevolle gebied van de Steilrand Mill van belang. Het aardkundig waardevolle gebied omvat de markante, tot 7 meter hoge steilrand tussen de Peelhorst en het Maasterrassengebied ten noordwesten en ten zuidoosten van Mill. In het gebied is ook een deel van de Peelhorst aan de hoge kant van de steilrand en een deel van het Pleistocene Maas-rivierenlandschap aan de lage kant opgenomen. Het gebied is relatief lang en smal: ongeveer 10 km in noordwest-zuidoost richting maar slechts 1 tot 2 km in zuidwest-noordoost richting. De steilrand vormt de grens tussen twee van de grote fysisch-geografische landschapseenheden van Noord-Brabant, namelijk de Peelhorst en het rivierenlandschap in het Maasdal. De helling van de steilrand is op meerdere plaatsen min of meer sterk afgegraven, waardoor ze daar veel steiler geworden is. Dit is bijvoorbeeld duidelijk te zien langs de Graafseweg ten noordwesten van Mill.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
53
Bij De Maurik is de steilrand tot bij de weg afgegraven, waardoor de van nature zacht oplopende terreinhelling is verdwenen. Het natuurlijke reliëf verloop van de steilrand is kwetsbaar voor uitgravingen van de steilrandhelling, waardoor de helling steiler gezet wordt en eventueel naar achter verplaatst. Een positief neveneffect is dat het hoogteverschil van de steilrand zelf nu zeer goed tot uiting komt Om de steilrand te beschermen zijn de volgende beschermregels opgenomen: 1. Reliëfverschilllen samenhangend met bovengenoemde verschijnselen mogen niet worden ver- of afgegraven of anderszins aangetast (ontgrondingen / ophogingen), dit geldt met name voor de steilrand maar ook voor de platen, die kwetsbaar zijn voor afgravingen; 2. Geen verdere uitbreiding zichtbelemmerende bebouwing, infrastructuur en bebossing toegestaan op de steilrand; 3. Patroon van geulen mag niet aangetast worden, geen uitbreiding onnatuurlijke beeklopen. Onderhavig plangebied ligt op de westrand van het aardkundig waardevolle gebied, waarbij het een hoogte heeft van circa 10,70 m +NAP. Het plangebied is hierin te klein om enkele reliëfverschilllen op te merken. Onderhavig planvoornemen omvat het slopen van de bestaande kippenschuren en de bouw van drie ruimte voor ruimte-woningen op dezelfde locatie.
Op het grootste deel van het plangebied zijn de mogelijk aardkundige waarden ten tijde van de bouw van de schuren reeds verstoord. De werkzaamheden van deze ontwikkeling hebben daar geen invloed op de hierboven genoemde beschermregels voor dit aardkundig waardevolle gebied. Het plangebied bevat een klein deel agrarische gronden. Deze gronden zijn beperkt geroerd door de agrarische activiteiten. Om deze reden is de gebiedsaanduiding 'overige zone - aardkundig waardevol gebied' weer opgenomen op de verbeelding.
5.2.1.3 Conclusie Het aspect aardkunde vormt geen planologische belemmering voor het plan.
54
5.2.2
Archeologie
5.2.2.1 Inleiding Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.
5.2.2.2 Analyse Onderhavig plangebied kent geen archeologische waarden en door de reeds aanwezige bebouwing zijn de gronden binnen het plangebied reeds geroerd. Er is derhalve geen onderzoeksplicht. Ondanks een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister.
5.2.2.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.2.3
Cultuurhistorie
5.2.3.1 Inleiding Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.
5.2.3.2 Analyse Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Het plan tast geen waardevolle elementen aan.
5.2.3.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
55
5.2.4
Natuurwaarden
5.2.4.1 Inleiding Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:
gebiedsbescherming;
soortenbescherming;
bescherming van houtopstanden.
5.2.4.2 Analyse Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant. Normaliter moet ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om de stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet toenemen. Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar. De Rijksoverheid heeft in januari 2020 de 'Handreiking woningbouw en Aerius' uitgebracht. De algemene conclusie is dat bij maximaal 50 laagbouwwoningen, gebouwd op zandgrond op minimaal 7 km afstand van een Natura 2000-gebied, de stikstofdepositie onder gemiddelde omstandigheden 0,00 mol/ha/jaar is. Voor projecten met een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar hoeft geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. In de andere gevallen op kortere afstand van een Natura 2000gebied en/of voor de bouw van meer woningen waarbij de depositie mogelijk hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar is alsnog een AERIUS berekening nodig. Onderhavig planvoornemen ligt op circa 10,1 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Oeffelter Meent'. Een AERIUS berekening is derhalve niet noodzakelijk. Gesteld kan worden dat de stikstofdepositie voor onderhavig project 0,00 mol/ha/jaar is.
56
Soortenbescherming Bij ontwikkeling van het initiatief kunnen natuurwaarden in het gebied verstoord worden. Staro Natuur en Buitengebied uit Gemert heeft een quickscan flora en fauna uitgevoerd om de effecten van het plan op beschermde soorten te bepalen: rapport "Quickscan flora en fauna Beerseweg 26 te Mill " (9 januari 2020, P19-0237). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 12. Op basis van dit onderzoek concludeert Staro Natuur en Buitengebied dat de voorgenomen plannen niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming, mits:
De bomen worden gekapt buiten het broedseizoen en wanneer geen broedgeval aanwezig is.
Sloop van de stallen wordt uitgevoerd buiten de overwinteringsperiode van Alpenwatersalamander, dus tussen 15 april en 15 oktober.
Nader onderzoek wordt uitgevoerd naar verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in het voorjaar (tussen half mei en half juli) en het najaar (augustus t/m september). Indien verblijfplaatsen aanwezig zijn dient een ontheffing te worden verkregen voor het slopen van de gebouwen.
Bevindingen inspectie kerkuilkast Nesten van de kerkuil zijn onder de Wet natuurbescherming jaarrond beschermd. Om een eventuele overtreding van de Wet natuurbescherming te kunnen voorkomen, is door Staro geïnspecteerd of de binnen het plangebied aanwezige uilenkast in (nog) gebruik is. In de memo 'Bevindingen inspectie kerkuilkast' (30 maart 2021) zijn de bevindingen van de inspectie beschreven. De onderzoeksnotitie is bijgevoegd als bijlage 13. Vastgesteld is dat de nestkast niet door kerkuil wordt gebruikt en al geruime tijd niet is gebruikt. Zodoende is er geen sprake van een nest en valt de nestkast niet onder de bescherming van de Wet natuurbescherming. Aangezien de nestkast niet onder de bescherming van de Wet natuurbescherming valt, mag de kast zonder ontheffing van de Wet natuurbescherming worden weggehaald. Daarom is besloten de nestkast van de muur te halen om te voorkomen dat mogelijk alsnog een kerkuil de kast als nestplek in gebruik neemt. Op 23 februari 2021 is de nestkast door ecologen van Staro Natuur en Buitengebied van de muur gehaald. Vleermuizenonderzoek Op basis van de conclusies uit de Quickscan flora en fauna heeft Staro Natuur en Buitengebied uit Gemert een vleermuizenonderzoek uitgevoerd: rapport "Resultaten onderzoek vleermuizen; Beerseweg 26 te Mill" (29 september 2020, P20-0054).
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
57
Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 14. Staro Natuur en Buitengebied concludeert dat gedurende het onderzoek verscheidene foeragerende gewone dwergvleermuizen en een gewone grootoorvleermuis zijn waargenomen. De voorgenomen plannen hebben geen effect op het foerageergebied van deze vleermuizen. Wel wordt geadviseerd om de sloop van de stallen overdag uit te voeren, zodat er geen verstoring van kunstlicht op foeragerende dieren plaatsvindt tijdens de nachturen. Binnen het plangebied zijn geen vliegroutes en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is. Bescherming van houtopstanden Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.
5.2.4.3 Conclusie Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.3
Waterparagraaf
5.3.1
Inleiding
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).
5.3.2
Beleid
In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.
58
5.3.2.1 Nationaal niveau
Het Nationaal Waterplan Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
5.3.2.2 Provinciaal niveau
Het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Naast beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Bovendien dient het plan als structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening.
5.3.2.3 Waterschap Aa en Maas Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Aa en Maas. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in:
Het Waterbeheerplan 2016-2021 Dit plan maakt inzichtelijk wat het waterschap de komende jaren gaat doen. Het doel is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden. Het beheer van water door het waterschap bepaalt mede of mensen en dieren in Noordoost-Brabant leven in een veilige, schone en prettige omgeving.
Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is in de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen: 1. Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen nadere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
59
2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) 3. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig.
De beleidsnota ‘Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas’ De beleidsnota bevat acht uitgangspunten, die alle zijn gehanteerd bij het opstellen van voorliggend plan: 1. Wateroverlastvrij bestemmen 2. Hydrologisch neutraal ontwikkelen 3. Voorkomen van vervuiling 4. Gescheiden houden van schoon en vuil water 5. Doorlopen van de afwegingsstappen: "hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer" 6. Meervoudig ruimtegebruik 7. Water als kans 8. Waterschapsbelangen
5.3.3
Watersysteem
5.3.3.1 Bodem Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Er is sprake van een zandgrond. Uit de kaart met gevoeligheidsfactoren van het waterschap volgt dat de waterdoorlatendheid redelijk goed is (gevoeligheidsfactor 1).
5.3.3.2 Oppervlaktewater Binnen het plangebied en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig.
5.3.3.3 Grondwater De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied bedraagt minder dan 40 cm onder maaiveld (bron: bodemdata.nl). Deze grondwaterstand is relatief grofmazig en kan lokaal verschillen.
60
5.3.3.4 Waterschapsbelangen Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning.
5.3.4
Hemelwater
5.3.4.1 Verhard oppervlak Binnen onderhavig plangebied staat circa 1.850 m² bebouwing en is circa 560 m² terreinverharding aanwezig. Het overige deel van het plangebied is onbebouwd en verhard en in gebruik als tuin/grasland. Onderhavig planvoornemen omvat de sloop van de bedrijfsbebouwing en het verwijderen van een deel van de terreinverharding. Na realisatie van het project zal binnen het plangebied sprake zijn van circa 810 m² bebouwing en circa 800 m² verharding, tezamen 1.610 m² Hoewel er per saldo sprake is van een afname van het verhard oppervlak, is het noodzakelijk het hemelwater vanaf de verharde oppervlakken te bergen.
5.3.4.2 Berekening bergingscapaciteit Voor de berekening van de bergingscapaciteit wordt de eerdergenoemde rekenregel toegepast: (1.610 x 1 x 0,06 =) 96,6 m³.
5.3.4.3 Ontwerp bergingsvoorziening Bij het ontwerp van de bergingsvoorziening zijn achtereenvolgens de volgende afwegingsstappen gehanteerd: 1. hergebruik; 2. infiltratie; 3. buffering; 4. afvoer. Voor onderhavig plan is gekozen voor infiltratie ter plaatse van het plangebied. De nieuw te creëren tuinen zijn voldoende ruim om te kunnen voorzien in de waterberging.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
61
5.3.5
Afvalwater
Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden. Het vuile afvalwater zal op de bestaande riolering in de Beerseweg en de Kolkweg geloosd worden.
5.3.6
Waterkwaliteit
Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden geen uitlogende materialen toegepast.
5.4
Beperkingen in verband met militair vliegveld Volkel
Het plangebied ligt op relatief korte afstand van het militaire vliegveld Volkel. Voor een goed functioneren van het vliegveld zijn middels het Luchthavenbesluit Volkel en het Barro beperkingen gelegd op het gebruik van en het bouwen in de omgeving. De beperkingen zijn vervat in: 1. een geluidzonering; 2. een obstakelbeheergebied; 3. een radarverstoringsgebied; 4. een vogelbeheersgebied; 5. een risicogebied vanwege de opslag van munitie. Daarnaast gelden er beperkingen als gevolg van het industrielawaai op het vliegveldterrein, zoals opgenomen in de Wet geluidhinder.
5.4.1
Geluidzonering
De geluidbelasting van het vliegverkeer is uitgedrukt in Kosteneenheden (Ke). In gebieden met een belasting lager dan 35 Ke is het toevoegen van geluidgevoelige objecten toegestaan. In gebieden met een hogere belasting is een nadere afweging nodig. Het plangebied ligt in een gebied waar de geluidbelasting lager is dan 35 Ke. Er zijn geen geluidstechnische belemmeringen. Het plan voldoet aan de voorwaarden van de geluidzonering.
62
5.4.2
Obstakelbeheergebied
Het obstakelbeheergebied bevat drie verschillende obstakelvlakken: 1. de funnel is gerelateerd aan de ligging van de start- en landingsbanen ter waarborging van veilige vliegprocedures voor startende en landende vliegtuigen. De funnel is opgebouwd uit een obstakelvrije rechthoek (strook) rond de start- en landingsbaan met aansluitend twee zijvlakken, waarvan de hoogte onder een hoek van 1,2° oploopt tot 45 meter. Het plangebied ligt binnen de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - funnel 3'. Ter plaatse van deze gronden geldt dat de bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedragen dan 40 meter + NAP. Onderhavig plangebied overschrijdt deze grenzen niet. Een nadere toetsing is niet nodig. 2. het Inner Horizontal and Conical Surface (IHCS) is eveneens gerelateerd aan de ligging van de start- en landingsbanen ter waarborging van veilige vliegprocedures voor startende en landende vliegtuigen. Dit wordt berekend vanaf elk van de landingsdrempels, ligt boven de omgeving van het luchtvaartterrein en sluit aan op de funnel. Het IHCS bestaat uit een horizontaal vlak op een hoogte van 64 meter boven NAP met een straal van 4 km rond de landingsdrempel, met aansluitend een conisch vlak waarvan de hoogte oploopt met een helling van 3,6° over een afstand van 2 km tot een hoogte van 164 meter boven NAP.
De hoogte van het maaiveld binnen het plangebied bedraagt circa 10,7 meter boven NAP. In het kader van het IHCS mag tot een hoogte van 74,7 meter gebouwd worden. Het bouwplan blijft daar ruim onder. 3. het Instrument Landing System-gebied (ILS) beschermt het goed functioneren van navigatiehulpmiddelen voor het nauwkeuriger uitvoeren van naderingen, ook onder slechtere weersomstandigheden. Dit gebied bestaat uit een rechthoekig deelgebied waar de maximaal toelaatbare hoogte 0 meter bedraagt, twee aansluitende deelgebieden waar de maximale hoogte 20 m bedraagt en twee trechtervormige deelgebieden in het verlengde van de landingsbaan waarin de toelaatbare hoogte over een afstand van 6 km oploopt tot een hoogte van 70 meter. Het plangebied ligt in het deelgebied waar de hoogte maximaal 89,6 meter mag bedragen. Het bouwplan blijft daar onder. Het project voldoet aan de voorwaarden van het obstakelbeheergebied.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
63
5.4.3
Radarverstoringsgebied
Het militaire vliegveld beschikt over een radarsysteem. Radarsystemen dienen 'vrij zicht' te hebben om goed te kunnen functioneren. Objecten in de omgeving kunnen leiden tot een verstoring van het radarbeeld. Het radarverstoringsgebied is vastgelegd in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) en wordt gevormd door:
een cirkel met een straal van 15 km gemeten vanaf de positie van de radar. De maximale hoogte van bouwwerken wordt hier bepaald door elke denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf het punt op de top van de radarantenne (49 meter boven NAP), oplopend met 0,25 graden tot een punt op 15 kilometer afstand op een hoogte van 114 meter boven NAP;
aanvullend voor windmolens buiten deze 15 kilometercontour een cirkel met een straal van 75 km gemeten vanaf de positie van de radar. Voor de tippen van de wieken van windturbines geldt hier een maximale hoogte van 114 meter boven NAP.
Het plangebied ligt op een afstand van 7.250 meter tot het radarsysteem, dus op minder dan 15 km. De hoogte van bouwwerken binnen het plangebied mag maximaal 31,60 meter boven NAP (ofwel 42,30 meter boven maaiveld) bedragen. Het bouwplan blijft daar ruimschoots onder. Het project voldoet aan de voorwaarden van het radarverstoringsgebied.
5.4.4
Vogelbeheersgebied
Ten aanzien van het voorkomen van een ongewenste vogelaantrekkende werking in de nabijheid van de luchthaven gelden in een straal van circa 6 km buiten de vliegbasis beperkingen voor het oprichten van bepaalde installaties en het uitvoeren van bepaalde werken die een vogelaantrekkende werking kunnen hebben. Het project omvat geen installaties of werken (zoals grote waterpartijen) die een vogelaantrekkende werking hebben. Het project voldoet aan de voorwaarden van het vogelbeheersgebied.
5.4.5
Risicogebied vanwege de opslag van munitie
Vanwege de opslag van munitie zijn er in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) risicocontouren (A-, B- en C-zone) vastgelegd waarbinnen bepaalde activiteiten gelimiteerd of niet toegestaan zijn. In de zones gelden diverse beperkingen ten aanzien van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten.
64
Het plangebied ligt buiten de risicocontouren van de munitieopslag. Het project voldoet aan de voorwaarden van het risicogebied vanwege de opslag van munitie.
5.4.6
Industrielawaai
De geluidbelasting van het industrielawaai is uitgedrukt in een 50 dB(A)- en een 55-dB(A)contour. In gebieden met een geluidbelasting lager dan 50 dB(A) is het toevoegen van geluidgevoelige objecten toegestaan. In het gebied tussen 50 dB(A) en 55 dB(A) is een ontheffing mogelijk, op basis van een nadere afweging. Een hogere geluidbelasting dan 55 dB(A) op geluidgevoelige objecten is niet toegestaan. Het plangebied ligt in een gebied waar de geluidbelasting lager is dan 50 dB(A). Er zijn geen geluidstechnische belemmeringen. Het plan voldoet aan de voorwaarden van de geluidzonering industrielawaai.
5.5
Molenbiotoop
Het plangebied bevat gedeeltelijk de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop', door de aanwezigheid van de molen aan de Molenstraat 'De Korenbloem'. Er dient rekening te worden gehouden met de molenbiotoop. De in het plangebied toegevoegde woningen mogen geen nadelige gevolgen hebben voor de windvang en silhouetwerking van de molen. Binnen de zone gemeten van 100 meter vanaf de molen tot een afstand van 500 meter gemeten vanaf de molen, mogen geen hogere bouwwerken worden gebouwd dan door middel van de onderstaande formule wordt bepaald:
H=X/75+0,2*Z, waarin: 1. H = de toelaatbare bouwhoogte in meters (gemeten vanaf het peil ter plaatse van de molen); 2. X = de afstand in meters vanaf het bouwwerk tot de wieken van de molen; 3. Z = askophoogte (helft van de vlucht van de wieken + belthoogte).
Met een askophoogte van 16,3 m zou de maximale bouwhoogte van de dichtstbijzijnde woning 8,6 meter zijn. Ter plaatse van het gedeelte van het plangebied waarover de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' valt is nieuwe bebouwing opgenomen. Ter plaatse van deze bebouwing wordt de maximale toegestane bouwhoogte echter maar zeer gering overschreden.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
65
Daarnaast zijn er in de zone tussen de molen en het plangebied al meerdere gebouwen met soortgelijke bouwhoogten aanwezig waardoor de windvang en het aanzicht niet wezenlijk wijzigen. De nieuwe bebouwing heeft geen nadelige gevolgen voor de windvang en silhouetwerking van de molen.
66
HOOFDSTUK 6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling betreft twee aspecten. Ten eerste moet het realiteitsgehalte van de plannen worden aangetoond: is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling. Ten tweede moet de financiële uitvoerbaarheid worden onderbouwd: zijn alle kosten die de gemeente moet maken ten behoeve van het initiatief gedekt.
6.1
Kostenverhaal
Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro). In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht, omdat de gemeente en grondeigenaar een (anterieure) overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is niet vereist.
6.2
Gemeentelijke grondexploitatie
De gemeente heeft geen gronden in het plangebied in eigendom. Alle kosten en risico's van de planontwikkeling, -voorbereiding en -uitvoering zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke grondexploitatie wordt dus niet belast door voorliggend ruimtelijk plan. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
67
68
HOOFDSTUK 7 JURIDISCHE ASPECTEN 7.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend. Het bestemmingsplan bestaat uit:
de toelichting;
de planregels;
de verbeelding.
De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen. De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.
7.2
Planregels
De indeling van de planregels is als volgt. Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 3
Algemene regels
Hoofdstuk 4
Overgangsregels
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Begrippen (artikel 1) In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
69
Wijze van meten (artikel 2) In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
Wonen (artikel 3) De gronden die bestemd zijn als 'Wonen' zijn primair bedoeld voor wonen, daarnaast onder andere ook voor parkeervoorzieningen op eigen terrein. In woningen zijn naast het wonen ook beroepsmatige activiteiten rechtstreeks toegestaan met een beperkt oppervlak. Hoofdstuk 3
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel (artikel 4) In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Algemene bouwregels (artikel 5) Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen. Dit artikel bevat tevens de verplichting tot het voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij een verwijzing is opgenomen naar het relevante beleidsdocument. Algemene gebruiksregels (artikel 6) In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt en regels met betrekking voor aan huis gebonden beroep. Algemene aanduidingsregels (artikel 7) Ter plaatse van het plangebied gelden enkele gebiedsaanduidingen. In dit artikel zijn de planregels bij die gebiedsaanduidingen opgenomen. Het betreffen regels ter bescherming van de aardkundige waarden, regels ter bescherming van vliegbasis Volkel en regels ter bescherming van de aanwezige molenbiotoop. Algemene afwijkingsregels (artikel 8) In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten, afmetingen en percentages.
70
Algemene wijzigingsregels (artikel 9) In dit artikel is een algemene wijzigingsregel opgenomen ten behoeven van het verwijderen van de aanduiding 'overige zone - aardkundig waardevol gebied'. Overige regels (artikel 10) De overige regels bevatten een algemeen toetsingskader voor verwijzingen naar andere wettelijke regelingen er zijn regels opgenomen inzake de parkeernormen. Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht (artikel 11) Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is. Slotregel (artikel 12) Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
71
72
HOOFDSTUK 8 PROCEDURE Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure. De voorziene procedurestappen zijn: 1. Omgevingsdialoog 2. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 3. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan 4. Vaststelling door gemeenteraad 5. Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan
8.1
Omgevingsdialoog
De initiatiefnemer heeft de omwonenden geïnformeerd en hen in de gelegenheid gesteld te reageren op het voornemen. Het verslag van deze omgevingsdialoog is als bijlage 15 opgenomen. De bewoner van Beerseweg 26 is positief over het voornemen om de vervallen kippenstallen te slopen en alle asbest te saneren en in plaats daarvan 3 woningen te realiseren in de gepresenteerde opzet. Van andere omwonenden zijn geen reacties ontvangen op het plan.
8.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de provincie Noord-Brabant en Waterschap Aa en Maas. De provincie heeft in een reactie aangegeven dat het plan in overeenstemming is met de provinciale belangen. Het Waterschap geeft aan dat het planvoornemen leidt tot een afname van het verhard oppervlak en er geen bijzondere waterbelangen in of rondom het plangebied spelen. Het plan geeft het Waterschap geen aanleiding om een zienswijze in te dienen. Wel is een tekstuele aanpassing met betrekking tot de nieuwe oppervlaktegrens van 500 m2 doorgevoerd. Deze tekstuele aanpassing heeft geen gevolgen voor voorliggend plan.
8.3
Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van dinsdag 16 maart 2021 tot en met maandag 26 april 2021 ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen op het plan ontvangen.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
73
8.4
Vaststelling bestemmingsplan
Naar aanleiding van enkele ambtshalve wijzigingen (aanpassing oppervlaktegrens Waterschap, toevoeging reactie en bijlage Veiligheidsregio, toevoeging notitie kerkuilkast en toevoeging bodemsaneringsplan en inmiddels verkregen beschikking van de Provincie) is het bestemmingsplan op 8 juli 2021 gewijzigd vastgesteld.
74
BIJLAGEN TOELICHTING Bijlage 1
Beeldkwaliteitplan
Bijlage 2
Inrichtingsschets
Bijlage 3
Beplantingsplan
Bijlage 4
Verkennend en aanvullend bodemonderzoek
Bijlage 5
Nader asbest onderzoek
Bijlage 6
Saneringsplan
Bijlage 7
Beschikking bodemsanering
Bijlage 8
Advies Veiligheidsregio
Bijlage 9
Geuronderzoek
Bijlage 10
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Bijlage 11
Akoestisch onderzoek industrielawaai
Bijlage 12
Quickscan flora en fauna
Bijlage 13
Notitie inspectie kerkuilkast
Bijlage 14
Nader vleermuisonderzoek
Bijlage 15
Verslag omgevingsdialoog
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
75
76
REGELS
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
77
78
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
plan
het bestemmingsplan Beerseweg 26, Mill met identificatienummer NL.IMRO.0815.BPBuBeerseweg26-VA01 van de gemeente Mill en Sint Hubert 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen 1.3
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
aan huis gebonden bedrijf
een bedrijf of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid gericht op consumentenverzorging, geheel of gedeeltelijk door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van woonfunctie, kan worden uitgeoefend. 1.6
aan huis gebonden beroep
een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend. 1.7
aardkundige waarden en kenmerken
waarden en kenmerken van een gebied die vanwege geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen danwel anderszins vanwege de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de bodem, van algemeen belang zijn vanuit aardkundig oogpunt.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
79
1.8
afhankelijke woonruimte
een bijbehorend bouwwerk bij een (bedrijfs)woning dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met deze (bedrijfs)woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is. 1.9
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.10
bestaand(e situatie)
a. ten aanzien van bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkintreding van het plan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning; b. ten aanzien van gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkintreding van het plan. 1.11
bedrijf
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen. 1.12
bedrijfsmatig
in uitoefening van een bedrijf. 1.13
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak. 1.14
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met een zelfde bestemming. 1.15
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
80
1.16
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.17
bouwgrens
de grens van een bouwvlak. 1.18
bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd. 1.19
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.20
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.21
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.22
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.23
erfbeplanting
afschermende (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bouwvlak van een agrarisch bedrijf of binnen of direct aansluitend aan een ander bedrijf of een woning. 1.24
escortbedrijf
de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend zoals escortservices en bemiddelingsbureaus.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
81
1.25
functie
doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan. 1.26
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.27
geluidsgevoelige objecten en terreinen
geluidsgevoelige objecten en terreinen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. 1.28
hoofdgebouw
een gebouw dat op een bouwperceel, door zijn constructie, bouwmassa, ruimtelijke uitstraling en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste bouwwerk is aan te merken; 1.29
huishouden
één of meer personen die in vast verband samen leven en waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling en onderlinge verbondenheid. 1.30
kelder
een geheel of gedeeltelijk ondergronds gelegen ruimte, die grotendeels is gesitueerd onder een bijbehorend bovengronds bouwwerk. 1.31
mantelzorg
het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband. 1.32
onderkomen
een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn bestemming onttrokken, vaar- of voertuig, ark of caravan, voor zover dat/die niet als een bouwwerk is aan te merken, alsook een tent. 1.33
perceelsgrens
grens van een bouwperceel. 1.34
prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding.
82
1.35
raamprostitutie
een seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de prostituee/prostitué tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. 1.36
rijbak
een onoverdekte voorziening bedoeld voor het berijden, africhten en laten bewegen van paarden. 1.37
seksinrichting
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.38
straatprostitutie
het door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze ingaan op het aanbod van prostitutie, uitnodigen dan wel aanlokken. 1.39
waterhuishoudkundige voorzieningen
voorzieningen, die het waterhuishoudkundige belang dienen, zoals watergangen, waterlopen, kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang of waterloop. 1.40
werk
een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde. 1.41
windmolen
bouwwerk bedoeld voor het opwekken van elektriciteit door middel van wind(energie). 1.42
wonen
het gehuisvest zijn in (een) woning(en). 1.43
woning
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
83
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
2.1
Algemeen
2.2
afstand tot de zijdelingse perceelsgrens
de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk. 2.3
bebouwd oppervlak van een bouwperceel
het gezamenlijk oppervlak van op een bouwperceel van de gebouwen en van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die een overdekte ruimte vormen tenminste 1 m boven peil. 2.4
bebouwingspercentage
het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming. 2.5
bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.6
goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.7
hoogte van een windmolen
vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windmolen. 2.8
tiphoogte van een windmolen
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een wiek van de windmolen. 2.9
inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
84
2.10
oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.11
peil
a. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
2.12
Ondergeschikte bouwdelen
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
85
86
HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 3.1
Wonen
Bestemmingsomschrijving
a. wonen; b. aan huis gebonden beroepen; c.
terras, tuinen, erven en terreinen;
d. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen; e. groenvoorzieningen; f.
water, waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen voor infiltratie;
g. nutsvoorzieningen; h. extensief recreatief medegebruik met bijbehorende voorzieningen.
3.2
Bouwregels
3.2.1
Algemeen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. Per bestemmingsvlak is niet meer dan één woning toegestaan. b. De afstand van gebouwen tot de zijdelingse en achterste bestemmingsgrenzen mag niet minder bedragen dan 2 m. c.
De afstand van gebouwen tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder bedragen dan 15 m.
3.2.2
Woningen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. Nieuwe woningen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden opgericht; b. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 4 m. c.
De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m.
d. De inhoud van een woning mag niet meer bedragen dan 750 m³, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte', waar de inhoud niet meer mag bedragen dan 1.000 m³; e. In afwijking van het bepaalde onder d mag de inhoud van een woonboerderij meer bedragen indien de voormalige stalgedeelten binnen dezelfde bouwmassa bij het woongedeelte worden getrokken.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
87
3.2.3
Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m. b. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m. c.
De gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m².
d. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd. e. De afstand van vrijstaande bijbehorende bouwwerken tot de woning mag niet meer bedragen dan 25 m.
3.2.4
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de voorgevellijn mag niet meer bedragen dan 1 m. b. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevellijn mag niet meer bedragen dan 2 m. c.
De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, achter de voorgevellijn mag niet meer bedragen dan 3 m.
3.3
Afwijken van de bouwregels
3.3.1
Afwijken algemeen
a. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in: 1. lid 3.2.1 onder b voor het bouwen op een kortere afstand tot de bestemmingsgrenzen mits dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. 2. lid 3.2.1 onder c voor het bouwen van gebouwen op een afstand minder dan 15 m tot de weg mits dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast; 3. lid 3.2.2 onder d voor het bouwen van woningen met een inhoud tot maximaal 850 m³, mits dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is; 4. lid 3.2.4 onder a voor het bouwen van erf- en terreinafscheidingen met een hoogte van 2 m vóór de voorgevellijn mits dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
88
5. lid 3.2.4 onder c voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hogere hoogte tot maximaal 8 m, mits dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is. 6. lid 3.2.3 onder c voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken, tot maximaal 250 m2, mits dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is en er sprake is van substantiële verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, waarbij wordt getoetst aan de gemeentelijke investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit zoals die geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. b. De afwijking onder a sub 3 gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied, waarbij wordt getoetst aan de gemeentelijke investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit zoals die geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.
3.4
Specifieke gebruiksregels
3.4.1
Voorwaardelijke verplichting landschap
a. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting' mogen de gronden behorende bij een perceel uitsluitend worden bebouwd en/of in gebruik worden genomen of zijn ten behoeve van de bestemmingsomschrijving conform artikel 3.1 en 3.2 indien alle voorzieningen en natuur- en landschapselementen zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels voor het betreffende perceel zijn gerealiseerd, worden beheerd en in stand worden gehouden. b. In afwijking van het bepaalde onder a mag een andere landschappelijke inrichting worden gerealiseerd, onder voorwaarde dat de inrichting van het terrein niet wezenlijk verandert en de landschappelijke inrichting door de gemeente is goedgekeurd.
3.4.2
Voorwaardelijke verplichting bouwen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 3.2 is het ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - voorwaarde bouwen' alleen toegestaan een woning te bouwen, te gebruiken en in stand te houden onder de voorwaardelijke verplichting dat er voldaan wordt aan de eisen zoals gesteld in het besluit hogere grenswaarde zoals opgenomen in bijlage 2 bij de regels.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
89
3.5
Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1
Afwijken nevenfuncties bij woonfunctie
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.1 voor het uitoefenen van ondergeschikte nevenfuncties bij de woonfunctie, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De woonfunctie op het perceel dient als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar te blijven. b. De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner. c.
Nevenfuncties zijn enkel toegestaan binnen het bouwvlak tot een maximale oppervlakte van 250 m2.
d. De volgende nevenfuncties zijn toegestaan: 1. dagrecreatieve voorzieningen; 2. verblijfsrecreatie in de vorm van kleinschalig kamperen, waarbij de totale omvang niet meer mag bedragen dan 25 kampeermiddelen uitsluitend in of aansluitend aan het bouwvlak danwel het bestemmingsvlak 'Wonen', in de bestemming 'Agrarisch' en/of 'Agrarisch met waarden - Groenblauwe Mantel'; alsmede maximaal 75 m² aan algemene voorzieningen binnen het bouwvlak; 3. verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van recreatieve nachtverblijven; 4. ondergeschikte horeca waarbij de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 50 m²; 5. kleinschalig logeren als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij geldt dat:
de omvang van de activiteit niet meer mag bedragen dan 100 m².
het aantal logeerplaatsen niet meer mag bedragen dan 5.
de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.
e. De omvang van de nevenfunctie dient zodanig te zijn dat sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de woonfunctie. f.
Ondergeschikte horeca is toegestaan waarbij de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 50 m².
g. Buitenopslag ten behoeve van nevenfunctie is niet toegestaan. h. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. i.
De nevenfunctie mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben.
j.
De
nevenfunctie
mag
geen
onevenredige
beperking
opleveren
bedrijfsvoering/bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven.
90
voor
de
k.
Er dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan.
l.
Er mag geen sprake zijn van milieuhygiënische belemmeringen.
m. Reclame-uitingen in de vorm van vlaggenmasten en/of reclameborden ten behoeve van de nevenfunctie zijn buiten het bouwvlak toegestaan, waarbij de volgende voorwaarden gelden: 1. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 8 m. 2. De breedte mag niet meer bedragen dan 2 m. 3. De reclame-uitingen zijn stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar. n. De afwijking gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied.
BESTEMMINGSPLAN BEERSEWEG 26, MILL | VASTGESTELD
91
92
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS Artikel 4
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.