Achterliggend document 1: De Handreiking Tijdelijke wet maatregelen covid-19 voor gemeenten van de VNG
Tekst van het document
Aanvullende uitzonderingsmogelijkheid voor gevaccineerden Artikel 58nc, tweede lid, van de Wpg biedt een grondslag om personen van de quarantaineplicht uit te zonderen die weliswaar in zeer hoogrisicogebied hebben verbleven, maar kunnen aantonen dat zij gevaccineerd zijn.
Artikel 58nc, tweede lid, van de Wpg 2. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de verplichting, bedoeld in artikel 58nb, eerste lid, voorts niet van toepassing is op personen die voor inreis hebben verbleven in een door Onze Minister aangewezen zeer hoogrisicogebied als bedoeld in artikel 58ea, eerste lid, aanhef en onderdeel b, indien zij middels een bewijs van vaccinatie tegen covid-19 dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden kunnen aantonen dat zij op het moment van inreizen gevaccineerd waren volgens bij die regeling te bepalen minimumeisen.
De wet geeft de minister de mogelijkheid om gevaccineerde personen uit zeer hoogrisicogebied uit te zonderen van de quarantaineplicht. De minister moet dan wel besluiten dat deze uitzondering
68
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
van toepassing is. Daarbij geldt dat de wet deze uitzonderingsmogelijkheid niet biedt voor gevaccineerde personen uit uitzonderlijk hoogrisicogebieden, maar alleen uit zeer hoogrisicogebieden. Aanvullende uitzonderingsmogelijkheid in Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 In artikel 58nc, derde lid, van de Wpg is tot slot de mogelijkheid opgenomen dat bij ministeriële regeling nog andere categorieën van personen kunnen worden aangewezen op wie de quarantaineplicht niet van toepassing is.
Artikel 58nc, derde lid, van de Wpg 3. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van personen worden aangewezen op wie de verplichting, bedoeld in artikel 58nb, eerste lid, eveneens niet van toepassing is.
Op dit moment zijn de aangewezen uitzonderingen opgenomen in artikel 6.19, vijfde lid, van de Trm. Deze lijst kan aangevuld worden. Ook voor deze uitzonderingen geldt dat zij in beginsel niet van belang zijn voor gemeenten, omdat personen voor wie vanwege een uitzondering geen quarantaineplicht geldt, zich daar dus ook niet aan hoeven te houden. Signalen van het belteam zullen dan ook geen betrekking hebben op deze personen, maar uitsluitend op personen voor wie de quarantaineplicht wel geldt. 11.4.3
Verplichtingen bij thuisquarantaine De verplichtingen die gelden voor inreizigers uit een zeer of uitzonderlijk hoogrisicogebied zijn opgenomen in artikel 58nb Wpg.
Artikel 58nb Wpg 1. Degene die het Europese deel van Nederland inreist en voor inreis heeft verbleven in een door Onze Minister aangewezen gebied in het buitenland of, indien door Onze Minister aangewezen, in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, gaat onverwijld na inreis gedurende een ononderbroken periode van een bij ministeriële regeling te bepalen aantal dagen in thuisquarantaine op zijn woonadres of het krachtens artikel 58ne opgegeven adres van een verblijfplaats. 2. Het bij ministeriële regeling te bepalen aantal dagen van de thuisquarantaine bedraagt ten hoogste 14 dagen. 3. In afwijking van het eerste lid, eindigt de periode van thuisquarantaine op het moment dat de betrokkene beschikt over een testuitslag waaruit blijkt dat hij zich na het verstrijken van een bij ministeriële regeling te bepalen aantal dagen na het moment van inreis heeft laten testen en op het moment van testen niet was geïnfecteerd met het virus SARS-CoV-2. De betrokkene bewaart de testuitslag gedurende het resterende aantal dagen van de periode, bedoeld in het eerste lid, en toont deze op verzoek aan een toezichthouder. 4.
Gedurende de periode van thuisquarantaine is de betrokkene in het kader van de op hem rustende verplichting tot het verlenen van medewerking aan een toezichthouder, bedoeld in artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gehouden om bereikbaar te zijn voor een toezichthouder. 5. De verplichting van het eerste lid is niet of niet langer van toepassing ingeval van en voor de duur van een noodsituatie als gevolg waarvan de betrokkene genoodzaakt is zich aan thuisquarantaine te onttrekken. 6. De verplichting van het eerste lid mag uitsluitend worden onderbroken ten behoeve van en voor de duur van het laten testen op infectie met het virus SARS-CoV-2.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
69
7. Bij ministeriële regeling worden nadere eisen gesteld aan de test, bedoeld in het derde lid, die in elk geval betrekking hebben op: a. de vaststelling van de identiteit van de geteste persoon; b. het type test dat is uitgevoerd; c. de wijze waarop de testuitslag wordt aangetoond. 8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het bepaalde in het eerste en derde lid. 9. Dit artikel laat de toepassing van artikel 35 onverlet.
De reiziger die het Europese deel van Nederland inreist vanuit een zeer of uitzonderlijk hoogrisicogebied, heeft de volgende verplichtingen: • De betrokkene moet na inreis een periode van (op dit moment73) tien dagen onafgebroken in thuisquarantaine, tenzij de betrokkene na (op dit moment74) vijf dagen een negatieve testuitslag kan laten zien (lid 1). • De betrokkene moet deze testuitslag bewaren tot het moment dat de betrokkene zonder (negatieve) testuitslag uit quarantaine had gemogen (lid 3). • De betrokkene moet de testuitslag op verzoek van een toezichthouder kunnen tonen tot het moment dat de betrokkene zonder (negatieve) testuitslag uit quarantaine had gemogen (lid 3). • De betrokkene is gedurende de periode van thuisquarantaine verplicht om bereikbaar te zijn voor een toezichthouder (lid 4). • Bij ministeriële regeling kunnen nog nadere regels worden gesteld over de quarantaineplicht (lid 8). Deze verplichtingen komen hierna aan de orde. Onafgebroken in thuisquarantaine De quarantaineplicht houdt in dat de betrokkene gedurende de duur van de op hem/haar rustende verplichting in de woning of de opgegeven verblijfplaats moet verblijven en zich niet buitenshuis mag begeven. De quarantaineplicht gaat in op de dag van inreis.
De precieze duur van de quarantaine wordt bij ministeriële regeling bepaald, maar is maximaal veertien dagen (zie artikel 58nb, tweede lid, van de Wpg). Bij inwerkingtreding van de wet is gekozen voor een termijn van tien dagen. Als de betrokkene dus op maandag Nederland is ingereisd, dan geldt de quarantaineplicht (op dit moment) in principe tot en met de woensdag in de volgende week. Donderdag (de 11e dag gerekend vanaf inreis) mag de betrokkene dan weer uit quarantaine. De quarantaineplicht houdt in dat de gekozen locatie niet mag worden verlaten. De betrokkene mag dus ook niet een korte wandeling maken of een luchtje scheppen, anders dan in of op een bij de woning behorende tuin, erf of balkon.75 Testuitslag bewaren en test aan toezichthouder kunnen tonen Als de betrokkene besluit om zich te laten testen om zo eerder (op dit moment: vijf dagen na inreis) uit quarantaine te kunnen, en de betrokkene krijgt een negatieve testuitslag, dan is de betrokkene verplicht om de testuitslag te bewaren en aan de toezichthouder te tonen tot aan het moment dat de quarantaineplicht zou zijn vervallen als de desbetreffende persoon geen (negatieve) testuitslag zou hebben (op dit moment: tien dagen na inreis). Op die manier kan de betrokkene bij een eventuele controle aantonen dat hij vroegtijdig uit quarantaine mag en dus niet de quarantaineplicht overtreedt.
Verplichting om bereikbaar te zijn voor een toezichthouder In artikel 58nb, vierde lid, van de Wpg wordt de medewerkingsplicht, die op grond van artikel 73 74 75
70
Zie voor het actuele aantal dagen artikel 6.19, eerste lid, van de Trm. Zie voor het actuele aantal dagen artikel 6.19, tweede lid, van de Trm. Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 3 (MvT), p. 12.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
5:20, eerste lid, van de Awb geldt, in het concrete geval van de quarantaineplicht verduidelijkt. De betrokkene dient gedurende de periode van thuisquarantaine bereikbaar te zijn voor een toezichthouder. Dat houdt onder meer in dat de betrokkene de deur dient open te doen of op een andere wijze kenbaar dient te maken dat hij op het opgegeven adres aanwezig is, aldus de memorie van toelichting. Op die manier kan de toezichthouder constateren dat de betrokkene daadwerkelijk op het quarantaineadres verblijft en zich daarmee aan de quarantaineplicht houdt. Ook kan de medewerkingsplicht volgens de wetgever inhouden dat de betrokkene telefonisch bereikbaar is voor de toezichthouder.76 11.4.4
(Vroegtijdig) vervallen quarantaineplicht na negatieve test Op grond van artikel 58nb, derde lid, van de Wpg kan de quarantaineplicht vroegtijdig worden opgeheven indien de betrokkene na het verstrijken van een bij ministeriële regeling te bepalen aantal dagen na inreis (op dit moment: vijf dagen77) een test laat afnemen en negatief getest wordt. Indien de betrokkene zich eerder dan dat moment (bijvoorbeeld vanwege klachten op dag twee na inreis) laat testen, blijft de quarantaineplicht gewoon gelden.78 Ook bij een positieve test blijft de quarantaineplicht gelden.79 De betrokkene mag wel tijdelijk uit quarantaine voor het laten afnemen van een test (zie artikel 58nb, zesde lid, van de Wpg). De betrokkene is – als hij zich laat testen om eventueel eerder uit quarantaine te kunnen – verplicht om de testuitslag te bewaren en aan de toezichthouder te kunnen tonen (zie paragraaf 11.4.3). Het is overigens niet verplicht om de test te laten doen. De betrokkene kan er ook voor kiezen om de quarantaineperiode volledig in quarantaine te blijven. De quarantaineplicht eindigt van rechtswege. Er hoeft dus geen besluit te worden genomen over het beëindigen van de quarantaineplicht.
Die eindigt ofwel na afloop van de volledige quarantaineduur (op dit moment: tien dagen) of bij een negatieve uitslag van een test die na het verstrijken van het nader bepaalde aantal dagen is afgenomen (op dit moment: vijf dagen na inreis).
11.4.5
Tijdelijk vervallen quarantaineplicht bij noodsituatie In artikel 58nb, vijfde lid, van de Wpg is opgenomen dat de quarantaineplicht (tijdelijk) niet geldt bij een noodsituatie als gevolg waarvan de betrokkene genoodzaakt is zich aan de thuisquarantaine te onttrekken. Daarbij gaat het niet om alledaagse problemen die kunnen ontstaan door de quarantaine, zoals het moeten doen van boodschappen.80 Deze uitzondering is uitsluitend bedoeld voor een onvoorziene, acute situatie die met zich brengt dat de betrokkene uit quarantaine moet gaan (zoals: brand in huis, een opname in het ziekenhuis of huiselijk geweld).81
11.4.6
Ontheffingsmogelijkheid (indien geactiveerd; op 1 juni 2021 is dat nog niet het geval) De bevoegdheid van de burgemeester om ontheffing te verlenen voor de quarantaineplicht geldt alleen indien dit bepaald wordt in een ministeriële regeling. Op het moment van inwerkingtreding van de wet op 1 juni 2021 is die mogelijkheid niet benut. De burgemeester is op 1 juni 2021 dus ook nog niet bevoegd om ontheffing te verlenen. Deze paragraaf wordt pas relevant op het moment dat de ontheffingsbevoegdheid geactiveerd wordt. Op grond van artikel 58nc, vierde lid, van de Wpg kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat de burgemeester vanwege bijzondere omstandigheden ontheffing kan verlenen van de quarantaineplicht. De burgemeester heeft dus alleen de bevoegdheid om in een individueel geval een ontheffing te verlenen als dat in de ministeriële regeling is bepaald.
76 77 78 79 80 81
Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 3 (MvT), p. 12. Zie voor het actuele aantal dagen artikel 6.19, tweede lid, van de Trm. Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 3 (MvT), p. 18-19. Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 3 (MvT), p. 25-26. Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 7, vraag 79. Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 3 (MvT), p. 18; Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 7, vraag 96.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
71
Artikel 58nc, vierde lid, van de Wpg Bij ministeriële regeling kan voorts worden bepaald dat de burgemeester met het oog op bijzondere omstandigheden in een individueel geval ontheffing kan verlenen van het bepaalde bij of krachtens artikel 58nb, eerste lid, en artikel 58ne. Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Artikel 58e, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Bijzondere situatie De burgemeester kan – als dit in de ministeriële regeling wordt bepaald – slechts vanwege bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van de quarantaineplicht. Het gaat dan om een individuele uitzondering in een concreet geval. Volgens het amendement waarmee de ontheffingsmogelijkheid is toegevoegd aan de wet moet het gaan om een evident uitzonderlijke situatie waarbij het opleggen van de quarantaineplicht disproportionele gevolgen heeft en snelheid geboden is.82 Advies GGD De burgemeester zal voor de beslissing over de ontheffing advies moeten vragen aan de GGD (zie artikel 58e, derde lid, van de Wpg). Aspecten die in het advies aan de orde zouden kunnen komen, zijn bijvoorbeeld of er (grote) risico’s voor besmettingen zijn gelet op het zeer of uitzonderlijk hoogrisicogebied van waaruit de betrokkene inreist, wat de betrokkene van plan is te gaan doen, of de betrokkene bereid is zich (regelmatig) te laten testen en of het gaat om een uitzondering voor de gehele quarantaineperiode of slechts voor een gedeelte daarvan. Het gaat om een advies dat de burgemeester zwaar laat meewegen bij het nemen van de uiteindelijke beslissing. Denk dus ook aan de vergewisplicht voor de burgemeester, om te bekijken of de conclusie van de GGD logischerwijs volgt uit gemotiveerde overwegingen van de GGD en het advies zorgvuldig tot stand is gekomen.
Het ligt voor de hand dat bij een negatief advies van de GGD geen ontheffing wordt verleend, of dat de burgemeester dan door middel van voorschriften of beperkingen de risico’s voor de bestrijding van de epidemie afdoende kan wegnemen. In dat laatste geval is het aan te raden om de voorschriften of beperkingen weer aan de GGD voor te leggen en te vragen of de voorschriften of beperkingen voldoende zijn voor een positief advies. Als de GGD positief adviseert, zal de burgemeester ook steeds zijn eigen afweging maken.
11.5 Toezicht en handhaving quarantaineplicht voor gemeenten 11.5.1
Inleiding De quarantaineplicht brengt een juridisch afdwingbare verplichting met zich. Als de betrokkene zich niet houdt aan de quarantaineplicht door zich buiten de quarantainelocatie te bevinden, dan kan er in beginsel handhavend worden opgetreden. De burgemeester van de gemeente waar de betrokkene zijn (gekozen) woon- of verblijfplaats heeft, is bevoegd om handhavend op te treden.83 Als een inreiziger ervoor kiest om zijn quarantaine te vervullen in een hotelkamer of vakantiewoning, dan is de burgemeester van de gemeente waar die locatie zich bevindt, bevoegd om de quarantaineplicht te handhaven. Toezicht door de burgemeester is pas aan de orde op het moment dat er een melding komt van het belteam van het ministerie van VWS (stap 0; paragraaf 11.5.2). De burgemeester weet dan dat de persoon waar de melding betrekking op heeft, zich aan de quarantaineplicht moet houden. Naar aanleiding van de melding kan de gemeentelijke toezichthouder besluiten een onderzoek in te stellen (stap 1; paragraaf 11.5.3). De toezichthouder zal dan moeten vaststellen of de betrokkene zich aan de quarantaineplicht houdt, zo nodig de vraag moeten beantwoorden of er genoeg bewijs 82 83
72
Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 33, p. 1. Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 3 (MvT), p. 19.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
is dat de betrokkene zich niet aan de quarantaineplicht houdt en daarmee een overtreding begaat (stap 2; paragraaf 11.5.4). Als de toezichthouder vaststelt dat de betrokkene de quarantaineplicht heeft overtreden, kan een bestuurlijke boete worden opgelegd (stap 3; paragraaf 11.5.5). Als aanvulling op de bestuurlijke boete zou eventueel een last onder dwangsom opgelegd kunnen worden (stap 4; paragraaf 11.5.5).84 11.5.2
Stap 0: melding van het belteam aan gemeentelijke toezichthouder Het ministerie van VWS is belast met de monitoring van de quarantaineplicht. Dat houdt in dat er een belteam is dat namens het ministerie van VWS reizigers kort na inreis kan nabellen. Het belteam zal bellen met een herkenbaar nummer dat ook op de website van de Rijksoverheid zal worden gecommuniceerd.85 Er zal risicogestuurd worden gebeld. Dat wil zeggen dat gekeken wordt welke reizigers op dat moment het grootste risico zouden kunnen zijn voor de verspreiding van covid-19(-varianten). De leden van het belteam zijn geen toezichthouders en er geldt jegens hen dan ook geen medewerkingsplicht.86 Als het belteam bepaalde bevindingen doet op grond waarvan nader onderzoek wenselijk wordt geacht, kan het belteam een melding doen aan de burgemeester van de gemeente waar de quarantaineplaats van de betreffende persoon is gelegen.87 Daar kan bijvoorbeeld reden voor zijn indien uit het telefoongesprek blijkt dat iemand zich niet thuis bevindt. Bij geen gehoor zal er wel altijd eerst nog een aantal keer gebeld worden, voordat eventueel een melding wordt gegeven aan de burgemeester.88 Het belteam bepaalt niet of de betrokkene in overtreding is, maar selecteert uitsluitend de gevallen die als melding aan gemeenten zullen worden doorgegeven. Er kunnen verschillende redenen zijn om een melding te doen aan de burgemeester.
Het feit dat er een melding wordt doorgestuurd, is dus ook op zichzelf nog geen aanwijzing dat de betrokkene de quarantaineplicht daadwerkelijk overtreedt. Die overtreding moet zelfstandig door de gemeentelijk toezichthouder worden vastgesteld. Er wordt door het belteam niet aangegeven waarom een melding is gedaan aan de burgemeester van de gemeente.
11.5.3
De burgemeester van de gemeente waar de quarantaineplaats van de betrokkene is gelegen, zal na een melding de quarantaineverklaring van de betrokkene ontvangen. Daarop staan de gegevens die noodzakelijk zijn voor het toezicht en de handhaving van de quarantaineplicht. Op de website van de VNG zal een voorbeeld van de quarantaineverklaring worden opgenomen. Stap 1: onderzoek toezichthouder Ambtenaren van de gemeente die aangewezen zijn om toezicht te houden op de reguliere gemeentelijke regels (in bijvoorbeeld de APV) zijn op grond van artikel 64a Wpg ook aangewezen als toezichthouder voor de coronaregels. Deze toezichthouders kunnen op basis van een melding van het belteam een controle uitvoeren op de naleving van de quarantaineplicht, waarbij de bevoegdheden uit titel 5.2 van de Awb kunnen worden gebruikt. De toezichthouder heeft daarbij onder andere de bevoegdheid om: • elke plaats te betreden, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner (artikel 5:15, eerste lid, van de Awb); • inlichtingen te vorderen van de betrokkene of andere personen (artikel 5:16 Awb); en • inzage van een identiteitsbewijs te vorderen (artikel 5:16a Awb). De toezichthouder mag alleen gebruikmaken van zijn bevoegdheden voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van zijn taak (zie artikel 5:13 Awb). De inzet van de bevoegdheden moet dus proportioneel zijn.
De toezichthouder moet daarbij aan de betrokkene laten weten dat hij niet verplicht is om vragen van de toezichthouder te beantwoorden (cautie, zie ook artikel 5:10a, tweede lid, van de Awb), 84 85 86 87 88
Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 3 (MvT), p. 29. Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 6, vraag. 130. Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 3 (MvT), p. 27. Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 3 (MvT), p. 28. Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 6, vraag. 130.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
73
omdat diens verklaringen doorgaans het bewijs zullen zijn voor de boete, terwijl niemand gehouden mag worden tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen (zwijgrecht). Wel moet de betrokkene bereikbaar zijn voor de toezichthouder. De cautieplicht geldt overigens niet voor de enkele controle van de identiteit van de betrokkene (artikel 5:16a Awb). Daarnaast hoeft er geen cautie te worden gegeven aan andere personen dan de betrokkene zelf. De toezichthouder hoeft bijvoorbeeld aan de huisgenoot van de betrokkene geen cautie te geven voordat de toezichthouder vraagt of de betrokkene thuis is. In die situatie is immers geen sprake van de situatie dat iemand tegen zichzelf getuigt of een bekentenis aflegt. De toezichthouder heeft geen bevoegdheid om zonder toestemming van de eigenaar of bewoner de woning binnen te treden. In de memorie van toelichting is daarbij aangegeven dat binnentreden ook niet nodig zal zijn, omdat de betrokkene in het licht van de medewerkingsplicht bereikbaar dient te zijn voor de toezichthouder. Als de betrokkene niet aanwezig lijkt te zijn, kan dat volgens de wetgever het vermoeden vormen dat de quarantaineplicht niet wordt nageleefd.89 Zie daarvoor verder paragraaf 11.5.4.
In de memorie van toelichting is daarbij expliciet aangegeven dat de quarantaineplicht door gemeentelijke toezichthouders en de burgemeester gehandhaafd wordt en niet door de politie. De politie kan de gemeentelijke toezichthouders wel bijstand verlenen bij bijvoorbeeld (verwachte) agressie.90 Toezichtsbevoegdheden bij andere verblijflocatie Het onderzoek van de toezichthouder kan zich richten op een betrokkene die op het eigen woonadres verblijft. Het is echter ook goed mogelijk dat een inreiziger ervoor kiest om een hotelkamer of vakantiehuisje te huren om te voldoen aan de quarantaineplicht. In dat geval kan de toezichthouder bijvoorbeeld ook naar de receptie van het hotel/vakantiepark gaan om inlichtingen te vorderen (artikel 5:16 Awb), bijvoorbeeld over de aanwezigheid van de betrokkene. De toezichthouder kan daarnaast vanzelfsprekend ook bij de hotelkamer aankloppen of bij het vakantiehuisje aanbellen, of naar de kamer of het huisje bellen. 11.5.4
Stap 2: vaststellen eventuele schending quarantaineplicht De toezichthouder moet aan het einde van zijn onderzoek naar een mogelijke overtreding de vraag beantwoorden of er voldoende bewijs is voor de vaststelling dat de betrokkene zijn quarantaineplicht niet naleeft. Daarvoor moet de toezichthouder eerst beoordelen of er voldoende bewijs is dat de betrokkene niet op de quarantaineplaats verblijft of heeft verbleven en dus de quarantaineplicht heeft overtreden. Vervolgens moet er gekeken worden of er aanwijzingen zijn dat de betrokkene buiten de quarantaineplaats mocht verblijven (vanwege een test of vanwege een noodsituatie). Bewijs overtreding quarantaineplicht (niet aanwezig op quarantaineplaats) Een aantal vuistregels kan behulpzaam zijn bij het beantwoorden van de vraag of iemand de quarantaineplicht heeft overtreden. Die vuistregels komen hierna aan de orde. Er kan echter niet met zekerheid vooraf worden gezegd wanneer voldoende bewezen is dat een betrokkene de quarantaineplicht heeft overtreden. Dat zal de gemeente van geval tot geval, met inachtneming van alle relevante omstandigheden, moeten bepalen. De vuistregels zijn daarvoor dus niet bepalend.
89 90
74
Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 3 (MvT), p. 28-29. Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 3 (MvT), p. 43.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Schematisch gezien gaat het om de volgende vijf vuistregels:
Vuistregel 1 (constatering buiten verblijfplaats)
• Betrokkene wordt buiten verblijfplaats waargenomen • Betrokkene heeft daarvoor geen (goede) reden gegeven
Vuistregel 2 (betrokkene niet op verblijfplaats)
• Betrokkene doet niet open op de verblijfplaats • Andere aanwezige op verblijfplaats verklaart dat de betrokkene niet op verblijfplaats is
Vuistregel 3 (geen gehoor)
• Twee maal bezoek • Briefje achterlaten • Eenmaal bellen • Geen gehoor
Vuistregel 4 (bewijs door bezoek/bellen en overige omstandigheden)
• Bezoek en/of bellen • Overige omstandigheden die wijzen op overtreden quarantaineplicht
Vuistregel 5 (quarantaine op andere locatie)
• Quarantaine op andere locatie (geen woning) • Eenmaal bezoek • Eenmaal bellen • Aanvullend bewijs (van bijvoorbeeld beheerder)
Deze vuistregels worden hierna uitgewerkt. Vuistregel 1: waarneming betrokkene buiten quarantaineplaats: • Als de toezichthouder waarneemt dat de betrokkene buiten de quarantaineplaats verblijft, mag als vuistregel worden aangenomen dat er voldoende bewijs is van ene overtreding. • Daarbij moet wel nog gekeken worden of de betrokkene zich buiten de verblijfplaats mocht ophouden (zie later in deze paragraaf).
Vuistregel 2: verklaring aanwezige op verblijfplaats betrokkene: • De toezichthouder gaat langs bij de quarantaineplaats, waar een andere persoon dan betrokkene open doet en deze persoon verklaart dat de betrokkene niet daar aanwezig is maar zich op dat moment elders ophoudt.91
Vuistregel 3: De toezichthouder gaat tweemaal langs en belt eenmaal telefonisch en krijgt geen contact met de betrokkene: • De toezichthouder gaat tweemaal langs (met minstens twee uur tussen de controles), maar treft niemand thuis aan. • De eerste keer laat de toezichthouder een briefje achter waarin de toezichthouder aan de betrokkene laat weten langs te zijn geweest en verzoekt om zo spoedig mogelijk contact op te nemen. • De toezichthouder stuurt na de eerste controle tevens een sms aan de betrokkene met dezelfde mededeling. • De toezichthouder heeft gebeld op het opgegeven telefoonnummer van de betrokkene, maar krijgt geen gehoor.
91
Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 7, vraag 98.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
75
Vuistregel 4: De toezichthouder gaat langs bij de quarantaineplaats en/of belt telefonisch en er zijn andere feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene zich niet aan de quarantaineplicht houdt: • De toezichthouder onderneemt een of meer van de onder vuistregel 3 beschreven acties, en er zijn aanvullende omstandigheden, zoals: • de betrokkene verklaart (nadat hij de cautie heeft gekregen) dat hij zich niet aan de quarantaineplicht houdt.
Vuistregel 5: Als de betrokkene op een andere locatie verblijft, zoals in een hotelkamer of vakantiehuisje, is de toezichthouder éénmaal langsgegaan maar heeft ook aanvullend bewijs verzameld van de beheerder van die plaats: • De toezichthouder gaat langs, maar treft de betrokkene niet aan. • De toezichthouder heeft gebeld op het opgegeven telefoonnummer van de betrokkene, maar krijgt geen gehoor of er is geen goede verklaring waarom de betrokkene niet op de opgegeven locatie was. • De toezichthouder heeft aan de (medewerker van de) beheerder van de verblijfslocatie inlichtingen gevorderd waaruit blijkt dat de betrokkene zich niet op de quarantaineplaats bevindt (zoals: geen reservering bekend in het systeem, verblijf buiten de hotelkamer, etc.) of er zijn andere omstandigheden die erop wijzen dat de betrokkene de quarantaineplicht schendt. De betrokkene verklaart bijvoorbeeld zich niet aan de quarantaineplicht te houden (en doet deze uitspraak nadat de toezichthouder heeft aangegeven dat de betrokkene geen antwoord hoeft te geven op de vragen van de toezichthouder), of anderen verklaren dat de betrokkene zich niet aan de quarantaineplicht houdt.
Uiteindelijk zal het aan de bestuursrechter zijn om een oordeel te geven over het bewijs. Het gaat hier dus uitdrukkelijk om vuistregels. Uiteindelijk moet de toezichthouder zelf aan de hand van alle feiten en omstandigheden afwegen of er sprake is van een overtreding van de quarantaineplicht. Het is van belang om alle toezichtshandelingen goed vast te leggen. Dat houdt in dat de toezichthouder precies noteert wanneer hij bij de quarantaineplaats is langsgegaan, wanneer en naar welk telefoonnummer hij heeft gebeld, wat er ter plaatse is waargenomen of wat er in het telefoongesprek is gezegd. De toezichthouder kan dit direct in het handhavingsbesluit opnemen of daarvan een apart rapport of proces-verbaal opmaken. Aangezien de boete minder dan €340 euro bedraagt, is de lichte procedure van toepassing en kunnen de feiten ook in het boetebesluit zelf worden opgenomen (zie artikel 5:53 Awb). Let op: cautie Ook is het van belang dat de toezichthouder zich in een vroeg stadium realiseert dat er een bestuurlijke boete opgelegd zou kunnen worden. Op het moment dat de toezichthouder de betrokkene om een (schriftelijke of mondelinge) verklaring vraagt, moet de toezichthouder die betrokkene erop wijzen dat hij/zij geen antwoord hoeft te geven op vragen van de toezichthouder (cautie; zie artikel 5:10a, tweede lid, van de Awb).
Deze cautieplicht geldt alleen voor vragen aan de betrokkene zelf (en niet bijvoorbeeld voor diens huisgenoot) en geldt niet voor het vaststellen van de identiteit van de betrokkene. Aanwijzingen dat de betrokkene buiten de quarantaineplaats mocht verblijven? Vervolgens moet de toezichthouder nagaan of er omstandigheden zijn die maken dat de betrokkene (tijdelijk) uit quarantaine mocht. De vraag is dan of: • er aanwijzingen zijn dat de betrokkene zich in een noodsituatie bevond en daardoor zich aan de quarantaineplicht heeft mogen onttrekken; of • de betrokkene bij de teststraat was om zich te laten testen op infectie met het virus SARS-CoV-2 (of onderweg naar of van de teststraat was); of • de betrokkene een negatieve testuitslag kan laten zien van een test die is uitgevoerd na een bepaald aantal dagen (op dit moment: vijf dagen na inreis), waardoor de quarantaineplicht al was vervallen.
76
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Als de toezichthouder de betrokkene alsnog te spreken krijgt, kan hij informeren wat de reden was om niet op de quarantaineplaats te verblijven. Daarbij moet de toezichthouder wel altijd eerst aangeven dat de betrokkene niet verplicht is om antwoord te geven (cautie; zie artikel 5:10a Awb). Ook kan de toezichthouder aan de betrokkene vragen de testafspraak te overleggen. Het is aan de toezichthouder om te beoordelen wat passend en nodig is voor het onderzoek naar de (eventuele) overtreding van de quarantaineplicht. 11.5.5
Stap 3: handhaving van de quarantaineplicht via bestuurlijke boete Algemeen Op het moment dat de toezichthouder voldoende bewijs heeft verzameld dat de betrokkene zijn quarantaineplicht heeft geschonden, zal er in beginsel gehandhaafd worden met een bestuurlijke boete. De bestuurlijke boete voor de overtreding van de quarantaineplicht bedraagt €339,-. Daarmee gaat het om een boete waarvoor de zogenaamde ‘lichte procedure’ geldt. In dat geval hoeft er van de overtreding geen apart rapport of proces-verbaal te worden opgemaakt, maar kunnen alle toezichtshandelingen en feiten worden opgenomen in het boetebesluit zelf (zie artikel 5:53, tweede lid, van de Awb). Daarbij komt dat het niet verplicht is om voor het opleggen van de bestuurlijke boete aan de overtreder een zienswijze te vragen (zie artikel 5:53, derde lid, van de Awb). Dat mag vanzelfsprekend wel. De gemeente zou er dan bijvoorbeeld voor kunnen kiezen het voorgenomen boetebesluit of alleen de daarin opgenomen feiten ter vaststelling van de overtreding aan de betrokkene voor te leggen en hem/ haar in staat stellen om naar keuze mondeling of schriftelijk te reageren.
Inhoud en motivering van de bestuurlijke boete Als door of namens de burgemeester wordt overgegaan tot het opleggen van een bestuurlijke boete, moeten de volgende punten in ieder geval in het besluit opgenomen worden: • De gegevens van de betrokkene en de constatering dat deze persoon als overtreder aangemerkt wordt. • Het overtreden voorschrift (artikel 58nb, eerste lid, van de Wpg) en de bevoegdheidsgrondslag van de bestuurlijke boete (artikel 58v Wpg). • De feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de quarantaineplicht is overtreden en de data waarop de constateringen zijn gedaan. • Waaruit blijkt dat de betrokkene niet op het quarantaineadres heeft verbleven? • Zijn er aanwijzingen waaruit blijkt dat er sprake was van een noodsituatie (artikel 58nb, vijfde lid, van de Wpg) of dat de betrokkene een test aan het doen was (artikel 58nb, zesde lid, van de Wpg)? • De reden waarom de overtreding verwijtbaar is (artikel 5:41 Awb). • De hoogte van de boete (€339,-). • Of er een zienswijze gevraagd en gegeven is, wat eventueel de inhoud daarvan is en waarom dat geen reden is om af te zien van de boete. • Dat er geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Awb bekend zijn op grond waarvan de boete gematigd zou moeten worden.
• Een belangenafweging op grond van het algemene beoordelingskader uit artkel 58b, tweede lid, van de Wpg (geschiktheid, proportionaliteit, subsidiariteit, grondrechten; zie verder paragraaf 3.5). Dat kan in het geval van de bestuurlijke boete voor overtreding van de quarantaineplicht kort, aangezien de wetgever door invoering van de quarantaineplicht deze afweging al heeft gemaakt. Deze punten komen terug in het model voor een bestuurlijke boete. Voor het laatste punt is een tekstvoorstel gedaan. Het model is opgenomen in de bijlage van de Handreiking en op de website van de VNG. Aandachtspunten en bijzondere waarborgen bestuurlijke boete De bestuurlijke boete is een punitieve sanctie. Bij het opleggen van de bestuurlijke boete zal dus voldaan moeten worden aan de voorwaarden die gelden voor het opleggen van punitieve sancties
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
77
(uit o.a. de Awb en artikel 6 EVRM). Dit houdt voor de bestuurlijke boete voor overtreding van de quarantaineplicht onder andere het volgende in: • De toezichthouder moet de betrokkene meedelen dat hij niet verplicht is om antwoorden te geven op de (mondelinge en schriftelijke) vragen van de toezichthouder (de cautie; zie artikel 5:10a, tweede lid, van de Awb). • De toezichthouder moet nagaan of er bijzondere omstandigheden aan de orde zijn op grond waarvan de bestuurlijke boete niet in de volle omvang zou kunnen worden opgelegd (zie artikel 5:46, derde lid, van de Awb). • De toezichthouder moet nagaan of de overtreding aan de overtreder kan worden verweten (zie artikel 5:41 Awb). Dat zal bij overtreding van de quarantaineplicht doorgaans het geval zijn als geen sprake is van een wettelijk geregelde (tijdelijke) uitzondering. 11.5.6
Eventueel stap 4: handhaving van de quarantaineplicht via last onder dwangsom Algemeen Op het moment dat de betrokkene de quarantaineplicht heeft overtreden, wordt in beginsel een bestuurlijke boete opgelegd (zie stap 3). Als de betrokkene zich daarna – ondanks de boete – opnieuw onttrekt aan de quarantaineplicht (of er redelijke aanwijzingen zijn dat de betrokkene dit zal doen), dan kan door of namens de burgemeester besloten worden om ook een last onder dwangsom op te leggen. Dit houdt in dat de betrokkene zich vanaf de oplegging van de last zal moeten houden aan de quarantaineplicht. Doet de betrokkene dit niet, dan wordt een dwangsom verbeurd. De last onder dwangsom is daarmee een aanvullend instrument om alsnog aanpassing van het gedrag van de betrokkene te bewerkstelligen. Als een betrokkene aan de toezichthouder al duidelijk aangeeft zich niets van de quarantaineplicht te zullen aantrekken, kan ook besloten worden om – naast een boete – direct een last onder dwangsom op te leggen. Dit zal echter wel alleen in uitzonderingsgevallen de aangewezen weg zijn. Inhoud en motivering van de last onder dwangsom Als door of namens de burgemeester wordt overgegaan tot het opleggen van een last onder dwangsom, moeten de volgende punten in ieder geval in het besluit opgenomen worden: • De gegevens van de betrokkene.
• Het overtreden voorschrift (artikel 58nb, eerste lid, van de Wpg) en de bevoegdheidsgrondslag van de last onder dwangsom (artikel 58u, vierde lid, van de Wpg). • De feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de quarantaineplicht is overtreden en de data waarop de constateringen zijn gedaan. • Waaruit blijkt dat de betrokkene niet op het quarantaineadres heeft verbleven? • Zijn er aanwijzingen waaruit blijkt dat er sprake was van een noodsituatie (artikel 58nb, vijfde lid, van de Wpg) of dat de betrokkene een test aan het doen was (artikel 58nb, zesde lid, van de Wpg)? • De last. Waaraan moet de betrokkene concreet voldoen? • De maximaal te verbeuren dwangsom. • De dwangsom die per overtredingseenheid (per dag, dagdeel, etc.) wordt verbeurd. • Of er een zienswijze gevraagd en gegeven is, wat eventueel de inhoud daarvan is en waarom dat geen reden is om af te zien van de last onder dwangsom. • Of er eerder een bestuurlijke boete is opgelegd en – als dat niet het geval is – waarom er geen bestuurlijke boete is opgelegd. • Een belangenafweging op grond van het algemene beoordelingskader uit artkel 58b, tweede lid, van de Wpg (geschiktheid, proportionaliteit, subsidiariteit, grondrechten; zie verder paragraaf 3.5).
Dat kan in het geval van de last onder dwangsom voor overtreding van de quarantaineplicht kort, aangezien de wetgever deze afweging bij de invoering van de quarantaineplicht al heeft gemaakt. Deze punten komen ook terug in het model voor een last onder dwangsom. Dit model is opgenomen in de bijlage van de Handreiking en op de website van de VNG. Aandachtspunten De last onder dwangsom moet in het kader van de quarantaineplicht gezien worden als laatste stap op het moment dat een betrokkene de quarantaineplicht – ondanks de (dreiging van een)
78
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
bestuurlijke boete – schendt.
11.6 Mandateren bevoegdheden handhaving quarantaineplicht Het is op grond van artikel 10:3, eerste lid, van de Awb mogelijk dat de burgemeester zijn bevoegdheid om een bestuurlijke boete (artikel 58v Wpg) of een last onder dwangsom (artikel 58u, vierde lid, van de Wpg) op te leggen, mandateert aan (bijvoorbeeld) een toezichthouder. In de bijlage van de Handreiking is om die reden een model-mandaatbesluit opgenomen. Dit model wordt ook op de website van de VNG geplaatst.
11.7 Mogelijkheid tot samenwerking tussen gemeenten/veiligheidsregio De wetgever heeft aan gemeenten expliciet de mogelijkheid gelaten om onderling regionale afspraken te maken (bijvoorbeeld binnen het regionaal beleidsteam van de veiligheidsregio) over het toezicht en de handhaving van de quarantaineplicht. Op die manier kunnen gemeenten samenwerken om het toezicht en de handhaving van de quarantaineplicht te regelen. Als gemeenten kiezen voor deze wijze van samenwerking, moet verzekerd worden dat het toezicht op de quarantaineplicht uitgevoerd wordt door personen die in een van de gemeenten met het toezicht op algemeen verbindende voorschriften belast zijn. Deze personen zijn door de minister van VWS aangewezen als toezichthouder van de coronamaatregelen en kunnen dat toezicht in alle (samenwerkende) gemeenten uitvoeren.92 Als de toezichthouders zelf de handhavingsbesluiten in mandaat zullen nemen, moeten deze toezichthouders wel het mandaat krijgen van alle burgemeesters van de samenwerkende gemeenten.
11.8 Rechtsbescherming bij quarantaineplicht Rechtsbescherming bij de quarantaineplicht vindt enerzijds plaats via een verzoekschriftprocedure waarin de betrokkene gedurende de quarantainetermijn de eigen quarantaineplicht aan de rechter kan voorleggen. Daarnaast kan de betrokkene bij een handhavingsbesluit (bestuurlijke boete of last onder dwangsom) in bezwaar en (hoger) beroep bij de bestuursrechter, en daar eventueel een voorlopige voorziening vragen. Verzoekschriftprocedure In artikel 58nd Wpg is een systeem van rechtsbescherming neergelegd, waarbij de betrokkene zijn eigen quarantaineplicht snel kan voorleggen aan de burgerlijke rechter. Bij deze procedure is de gemeente waar de betrokkene de quarantaineplicht vervult geen partij. Artikel 58nd Wpg 1. De in artikel 58nb, eerste lid, bedoelde persoon kan de burgerlijke rechter schriftelijk verzoeken om opheffing van de ten aanzien van hem geldende verplichting om in thuisquarantaine te gaan op de grond dat deze verplichting niet op hem van toepassing is. 2. Het verzoekschrift wordt ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen wiens rechtsgebied de woon- of verblijfplaats, bedoeld in artikel 58nb, eerste lid, van de indiener van het verzoekschrift is gelegen. Voor de behandeling van het verzoekschrift wordt geen griffierecht geheven. Artikel 46 is van overeenkomstige toepassing.
92 Zie artikel 1 aanhef en onder a van het Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2020, kenmerk 1793063-215168-WJZ, houdende aanwijzing van ambtenaren voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van hoofdstuk Va van de Wet publieke gezondheid in verband met de bestrijding van de epidemie van covid-19, Stcrt. 2020, 66366.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
79
3. In aanvulling op artikel 278, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevat het verzoekschrift het e-mailadres en telefoonnummer waarop de verzoeker bereikbaar is en eventuele bewijsstukken die het verzoek ondersteunen. 4. Voordat op het verzoekschrift wordt beslist, hoort de rechter de indiener van het verzoekschrift door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel, tenzij de indiener niet beschikbaar was op het door de rechter vastgestelde tijdstip waarop het horen plaatsvindt. Artikel 41, derde lid, is van toepassing. 5. De rechter beslist zo spoedig mogelijk op het verzoek, doch uiterlijk binnen drie dagen te rekenen vanaf de dag na die van het indienen van het verzoekschrift. Tegen de beslissing van de rechter staat geen voorziening open.
De betrokkene kan zijn quarantaineplicht voorleggen aan de rechter door een verzoekschrift in te dienen bij de voorzieningenrechter van de rechtbank die is gelegen binnen het arrondissement van het woonadres van de betrokkene of het opgegeven adres van de verblijfplaats (lid 1). De rechter zal de betrokkene zo spoedig mogelijk door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel (bijvoorbeeld: Skype) horen. Deze wijze van horen is dwingend voorgeschreven en is dus niet optioneel. Het is mogelijk dat van horen wordt afgezien indien de betrokkene niet bereikbaar is op het door de rechter vastgestelde tijdstip van horen.93 De rechter dient – gelet op de spoed – zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen drie dagen na indiening van het verzoekschrift op het verzoek te beslissen. Daarbij merkt de wetgever op dat de Algemene termijnenwet niet van toepassing is. Dat houdt in dat de rechter op een verzoekschrift dat vrijdag is ingediend, uiterlijk maandag moet beslissen.94 Gemeenten worden niet actief op de hoogte gesteld van verzoekschriftprocedures, en zijn daarbij ook geen partij. Toezichthouders moeten er daarom op bedacht zijn dat betrokkenen kunnen aangeven dat zij een verzoekschriftprocedure zijn gestart. Zo lang de rechter niet heeft beslist dat de quarantaineplicht niet (langer) geldt, is de betrokkene gehouden zich aan de quarantaineplicht te houden.
Juridisch gezien kan er – ondanks de verzoekschriftprocedure – een boete worden opgelegd bij overtreding van de quarantaineplicht. Het is aan de toezichthouder om een afweging te maken of het opleggen van een boete, voorafgaand aan de beslissing van de rechter, voor de hand ligt of niet. De toezichthouder kan daarbij ook aangeven dat de betrokkene desnoods bezwaar kan maken tegen de boete op het moment dat de rechter beslist dat de quarantaineplicht niet voor de betrokkene geldt. Rechtsbescherming bij handhaving Tegen een besluit om een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom op te leggen staan de mogelijkheden van bezwaar (artikel 7:1, eerste lid, van de Awb) en beroep (artikel 8:1 Awb) open. Hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hangende bezwaar of beroep kan een voorlopige voorziening worden gevraagd. Dat ligt vooral bij een last onder dwangsom in de rede.
93 94
80
Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 3 (MvT), p. 20. Kamerstukken II 2020/21, 35 808, 3 (MvT), p. 20-21.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Model bestuurlijke boete quarantaineplicht
AANGETEKEND
Bezoekadres
[naam] [adres of verblijfplaats]
Postadres
Datum: Ons kenmerk: Uw kenmerk: Contact:
Telefoon: Fax: E-mail: Onderwerp:
Bestuurlijke boete overtreden quarantaineplicht
Geachte heer, mevrouw, Artikel 58nb lid 1 van de Wet publieke gezondheid (hierna: Wpg) bepaalt dat degene die het Europese deel van Nederland inreist en voor inreis heeft verbleven in een aangewezen hoogrisicogebied direct na inreis een aangewezen aantal dagen in thuisquarantaine moet op zijn woonadres of adres van een verblijfplaats dat is opgegeven op de quarantaineverklaring (hierna: de quarantaineplicht). Op grond van artikel 6.19 lid 1 van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 (hierna: Trm) bedraagt de quarantaineduur op dit moment in principe tien dagen. U heeft in een aangewezen (zeer of uitzonderlijk) hoogrisicogebied verbleven en moest daardoor van [datum] tot en met [datum] in thuisquarantaine. Dat blijkt uit de gegevens op uw quarantaineverklaring. [Naam toezichthouder], aangewezen als toezichthouder, heeft echter vastgesteld dat u in voormelde periode niet heeft voldaan aan de quarantaineplicht van artikel 58nb lid 1 Wpg. Ik leg u daarvoor een bestuurlijke boete van €339,- (driehonderdnegenendertig euro) op. Overwegingen Voorop staat dat op dit moment sprake is van een wereldwijde crisis als gevolg van de covid-19-epidemie. Ten behoeve van de bestrijding van de epidemie is het noodzakelijk om vergaande maatregelen te treffen. De maatregelen zoals neergelegd in de Wpg en de Trm zijn op nationaal niveau vastgesteld.
De quarantaineplicht is noodzakelijk geacht om invoer van covid-19(-varianten) uit hoogrisicogebieden naar Nederland tegen te gaan. De invoering van de quarantaineplicht is door de wetgever getoetst aan de beginselen die genoemd zijn in artikel 58b lid 2 Wpg en wordt dus noodzakelijk en evenredig geacht. De burgemeester van de door u opgegeven woon- of verblijfplaats is verantwoordelijk voor de handhaving van de quarantaineplicht. Degene die dit besluit heeft ondertekend, is als toezichthouder op grond van artikel
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
81
10:3 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gemandateerd om boetebesluiten te nemen voor overtreding van de quarantaineplicht. Wettelijk kader In bijlage 1 zijn de voor dit besluit relevante bepalingen uit de Wpg, de Trm en de Awb opgenomen. Constatering van de overtreding Op [datum/data] heeft toezichthouder [naam toezichthouder] de volgende feiten en omstandigheden geconstateerd waaruit blijkt dat u zich niet aan de quarantaineplicht heeft gehouden: 1. Constateringen op woon- of verblijfadres [Invullen feiten en omstandigheden met precieze tijdstip waarop de twee controles hebben plaatsgevonden] 2. Telefonisch contact Op [datum en tijdstip] heeft de toezichthouder contact gezocht met het telefoonnummer dat u heeft opgegeven op de quarantaineverklaring. U nam niet op/u nam op en gaf, nadat de toezichthouder u gemeld had niet tot antwoorden verplicht te zijn, het volgende aan [samenvatting van gesprek invullen]. De toezichthouder heeft hiervan de volgende telefoonnotitie gemaakt. 3. Overige feiten en omstandigheden [Eventueel: overige feiten en omstandigheden invullen] Op grond van bovenstaande constateringen acht ik bewezen dat u artikel 58nb lid 1 Wpg heeft overtreden. Ik merk u daarbij aan als overtreder. Er is mij geen rechtvaardigingsgrond als bedoeld in artikel 5:5 Awb bekend.
Zienswijze Aangezien het gaat om een bestuurlijke boete van minder dan €340,- ben ik niet verplicht u om een zienswijze te vragen (zie ook artikel 5:53 lid 3 Awb). OF U bent in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. U bent daarbij gewezen op het feit dat u op grond van artikel 5:10a Awb niet verplicht bent om te verklaren over de overtreding of om vragen te antwoorden. U heeft geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid en ik zie dan ook geen aanleiding om af te zien van het opleggen van de bestuurlijke boete. OF U bent in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. U bent daarbij gewezen op het feit dat u op grond van artikel 5:10a Awb niet verplicht bent om te verklaren over de overtreding of om vragen te antwoorden. Op [datum] heeft u een zienswijze ingediend. [Zienswijze kort samenvatten en motiveren waarom de zienswijze er niet toe leidt dat van het opleggen van de bestuurlijke boete wordt afgezien.] Besluit opleggen bestuurlijke boete Ik leg u, [naam overtreder], een bestuurlijke boete op van €339,- (driehonderdnegenendertig euro). De hoogte van de boete volgt uit artikel 58v lid 2 Wpg en is dus wettelijk vastgelegd. Deze overtreding kan u volledig worden verweten, omdat uit de quarantaineverklaring duidelijk blijkt dat u zich aan de quarantaineplicht moet houden en welke verplichtingen daarbij komen kijken.
Een noodsituatie als bedoeld in artikel 58nb lid 5 Wpg heeft zich niet voorgedaan. Daarnaast heeft u niet aangegeven dat u uw quarantaineplicht heeft onderbroken ten behoeve van het laten testen op infectie met het virus SARS-
2
82
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
CoV-2 als bedoeld in artikel 58nb lid 6 Wpg/U heeft aangegeven dat u uw quarantaineplicht heeft onderbroken ten behoeve van het laten testen op infectie met het virus SARS-CoV-2 als bedoeld in artikel 58nb lid 6 Wpg. Uit de volgende omstandigheden blijkt echter dat deze uitzondering niet opgaat: [omstandigheden invullen]. Vanwege de ernst van de overtreding en het risico dat een dergelijke overtreding met zich meebrengt voor de bestrijding van covid-19, ben ik van oordeel dat het opleggen van een bestuurlijke boete voldoet aan het evenredigheidsbeginsel en de voorwaarden die zijn genoemd in artikel 58b lid 2 Wpg. Er zijn mij bovendien geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5:46 lid 3 Awb bekend op grond waarvan ik de bestuurlijke boete zou moeten matigen. Betaling Het bedrag van €339,- moet u binnen zes weken na bekendmaking van dit besluit overmaken naar bankrekeningnummer [IBAN invullen] ten name van [naam rekening], onder vermelding van [kenmerk]. Als u niet (tijdig) betaalt, zullen er invorderingsmaatregelen getroffen kunnen worden. Overige bepalingen Als u de quarantaineplicht, ondanks deze bestuurlijke boete, blijft overtreden, kan ik ook besluiten om op grond van artikel 58u lid 4 Wpg een last onder dwangsom op te leggen om te zorgen dat u deze overtreding zal staken en gestaakt zal houden.
Hoogachtend, de burgemeester van [XXX] namens deze,
3
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
83
Bezwaar Bent u het niet eens met dit besluit dan kunt u binnen zes weken na verzending van dit besluit bezwaar maken tegen dit besluit op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bezwaarschrift moet worden ondertekend en het dient ten minste de volgende gegevens te bevatten: -de naam en het adres van de indiener; -de dagtekening; -een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht; -de gronden van het bezwaar. U dient tevens een kopie van het besluit bij te voegen, en, wanneer u zich laat vertegenwoordigen, een schriftelijke machtiging. Het correspondentieadres is: [correspondentieadres toevoegen]. Voor de volledigheid wijs ik u erop dat het indienen van een bezwaarschrift geen opschortende werking heeft. Wanneer u dit wenst kunt u een voorlopige voorziening verzoeken bij de rechtbank. Voorlopige voorziening Indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het vereist, kunt u, op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, nadat u een bezwaarschrift hebt ingediend, de Voorzieningenrechter van de rechtbank in [rechtbank invullen] verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen. Het correspondentieadres is: [adresgegevens rechtbank].
4
84
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
BIJLAGE 1: Wettelijk kader Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 5:5 Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke sanctie op voor zover voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond. Artikel 5:10a 1. Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. 2. Voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Artikel 5:40 1. Onder bestuurlijke boete wordt verstaan: de bestraffende sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom. 2. Deze titel is niet van toepassing op de intrekking of wijziging van een aanspraak op financiële middelen. Artikel 5:41 Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. Artikel 5:46 1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd. 2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. 3.
Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. 4. Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing. Artikel 5:53 1. Dit artikel is van toepassing indien voor de overtreding een bestuurlijke boete van meer dan € 340 kan worden opgelegd, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. 2. In afwijking van artikel 5:48 wordt van de overtreding steeds een rapport of proces-verbaal opgemaakt. 3. In afwijking van afdeling 4.1.2 wordt de overtreder steeds in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Artikel 10:3 lid 1 Een bestuursorgaan kan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet. Wet publieke gezondheid (Wpg) Artikel 58b lid 2
5
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
85
De bij of krachtens dit hoofdstuk toegekende bevoegdheden worden slechts toegepast voor zover die toepassing: a. gelet op de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid noodzakelijk is; b. in overeenstemming is met de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat; en c. gelet op het in het eerste lid genoemde doel de uitoefening van grondrechten zo min mogelijk beperkt en aan dat doel evenredig is. Artikel 58nb 1.Degene die het Europese deel van Nederland inreist en voor inreis heeft verbleven in een door Onze Minister aangewezen gebied in het buitenland of, indien door Onze Minister aangewezen, in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, gaat onverwijld na inreis gedurende een ononderbroken periode van een bij ministeriële regeling te bepalen aantal dagen in thuisquarantaine op zijn woonadres of het krachtens artikel 58ne opgegeven adres van een verblijfplaats. 2.Het bij ministeriële regeling te bepalen aantal dagen van de thuisquarantaine bedraagt ten hoogste 14 dagen. 3.In afwijking van het eerste lid, eindigt de periode van thuisquarantaine op het moment dat de betrokkene beschikt over een testuitslag waaruit blijkt dat hij zich na het verstrijken van een bij ministeriële regeling te bepalen aantal dagen na het moment van inreis heeft laten testen en op het moment van testen niet was geïnfecteerd met het virus SARS-CoV-2.
De betrokkene bewaart de testuitslag gedurende het resterende aantal dagen van de periode, bedoeld in het eerste lid, en toont deze op verzoek aan een toezichthouder. 4.Gedurende de periode van thuisquarantaine is de betrokkene in het kader van de op hem rustende verplichting tot het verlenen van medewerking aan een toezichthouder, bedoeld in artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gehouden om bereikbaar te zijn voor een toezichthouder. 5.De verplichting van het eerste lid is niet of niet langer van toepassing ingeval van en voor de duur van een noodsituatie als gevolg waarvan de betrokkene genoodzaakt is zich aan thuisquarantaine te onttrekken. 6.De verplichting van het eerste lid mag uitsluitend worden onderbroken ten behoeve van en voor de duur van het laten testen op infectie met het virus SARS-CoV-2. 7.Bij ministeriële regeling worden nadere eisen gesteld aan de test, bedoeld in het derde lid, die in elk geval betrekking hebben op: a. de vaststelling van de identiteit van de geteste persoon; b. het type test dat is uitgevoerd; c. de wijze waarop de testuitslag wordt aangetoond. 8.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het bepaalde in het eerste en derde lid. 9.Dit artikel laat de toepassing van artikel 35 onverlet. Artikel 58v 1.
De burgemeester is bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens artikel 58nb, eerste lid. 2. De op grond van het eerste lid op te leggen bestuurlijke boete bedraagt € 339. Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 (Trm) Artikel 6,19 [voeg meest recente versie toe]
6
86
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Model last onder dwangsom
AANGETEKEND
Bezoekadres
[naam] [adres of verblijfplaats]
Postadres
Datum: Ons kenmerk: Uw kenmerk: Contact:
Telefoon: Fax: E-mail: Onderwerp:
Last onder dwangsom overtreden quarantaineplicht
Geachte heer, mevrouw, Artikel 58nb lid 1 van de Wet publieke gezondheid (hierna: Wpg) bepaalt dat degene die het Europese deel van Nederland inreist en voor inreis heeft verbleven in een aangewezen hoogrisicogebied direct na inreis een aangewezen aantal dagen in thuisquarantaine moet op zijn woonadres of adres van een verblijfplaats die is opgegeven op de quarantaineverklaring (hierna: de quarantaineplicht). Op grond van artikel 6.19 lid 1 van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 (hierna: Trm) bedraagt de quarantaineduur op dit moment in principe tien dagen. Ik stel vast dat u kennelijk in een aangewezen (zeer of uitzonderlijk) hoogrisicogebied heeft verbleven en daardoor van [datum] tot en met [datum] in thuisquarantaine heeft moeten gaan. Dat blijkt uit de gegevens op uw quarantaineverklaring. [Naam toezichthouder], aangewezen als toezichthouder, heeft echter geconstateerd dat u niet heeft voldaan aan de quarantaineplicht. Ik leg u daarom een last onder dwangsom op. Het doel van mijn besluit is om u de overtreding te laten beëindigen en om herhaling van de overtreding te voorkomen. In dit besluit staat wat u moet doen om aan het besluit te voldoen. Als u deze overtreding niet beëindigt en beëindigd houdt, zal u een dwangsom verbeuren. Overwegingen Voorop staat dat op dit moment sprake is van een wereldwijde crisis als gevolg van de covid-19-epidemie.
Ten behoeve van de bestrijding van de epidemie is het noodzakelijk om vergaande maatregelen te treffen. De maatregelen zoals neergelegd in de Wpg en de Trm zijn op nationaal niveau vastgesteld. De quarantaineplicht is noodzakelijk geacht om invoer van covid-19(-varianten) uit hoogrisicogebieden naar Nederland tegen te gaan. De invoering van de quarantaineplicht is door de wetgever getoetst aan de beginselen die genoemd zijn in artikel 58b lid 2 Wpg en wordt dus noodzakelijk en evenredig geacht.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
87
De burgemeester van de door u opgegeven woon- of verblijfplaats is verantwoordelijk voor de handhaving van de quarantaineplicht. De toezichthouder is op grond van artikel 10:3 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gemandateerd om een last onder dwangsom op te leggen bij overtreding van de quarantaineplicht. Wettelijk kader In bijlage 1 zijn de voor dit besluit relevante bepalingen uit de Wpg, de Trm en de Awb opgenomen. Constatering van de overtreding Op [datum/data] heeft de toezichthouder [naam toezichthouder], de volgende feiten en omstandigheden geconstateerd waaruit blijkt dat u zich niet aan de quarantaineplicht heeft gehouden: 1. Constateringen op woon- of verblijfadres [Invullen feiten en omstandigheden met precieze tijdstip waarop de twee controles hebben plaatsgevonden] 2. Telefonisch contact Op [datum en tijdstip] heeft de toezichthouder contact gezocht met het telefoonnummer dat u heeft opgegeven op de quarantaineverklaring. U nam niet op/u nam op en gaf het volgende aan [samenvatting van gesprek invullen]. De toezichthouder heeft hiervan de volgende telefoonnotitie gemaakt. 3. Overige feiten en omstandigheden [Eventueel: overige feiten en omstandigheden invullen] Op grond van bovenstaande constateringen acht ik bewezen dat u artikel 58nb lid 1 Wpg heeft overtreden door u niet aan de quarantaineplicht te houden. Ik merk u daarbij aan als overtreder.