CConstaterende datCapelle aan den IJssel
Koppel je AI →
Document · PDF

08.08 - Bijlage 3.3 - TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21b Het Nieuwe Rivium Motivering - ter vaststelling 2472355

Commissie Stadsontwikkeling en -Beheer 23 juni 2026, gemeente Capelle aan den IJsselBij agendapunt: Omgevingsplanwijziging Rivium, MER en monitoring MER, actualisatie parkeernormen 2025 en Beeldkwaliteitsplan Rivium32.809 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Figuur 5.2 Loopafstanden 400 meter vanaf de Parkshuttle haltes in het Rivium

54

Figuur 5.3 OV-circulatie ParkShuttle

Mobility as a Service (Maas) Er is een algemene ontwikkeling zichtbaar van bezit naar gebruik, met name in stedelijk gebied. Bij mobiliteit wordt vaak gesproken over ‘Mobility as a Service’ (MaaS). De letterlijke vertaling hiervan is ‘mobiliteit aanbieden als een dienst’. Via MaaS-platforms kan gebruik gemaakt worden van diensten zoals deelauto’s, deelfietsen en deelscooters. De verwachtingen over MaaS zijn hoog, het heeft immers de potentie om ketenmobiliteit verder te versterken. In het Rivium is dit onder andere vertaald in een mogelijke korting in de parkeernormen, die door de ontwikkelaars kan worden behaald wanneer zij binnen hun bouwplan mogelijkheden voor deelmobiliteit aanbieden. Dat dient in dat geval voor minimaal 10 jaar gegarandeerd te zijn, wat bijvoorbeeld kan blijken uit huur- en/of koopovereenkomsten met de gebruikers van deze voorzieningen. De exacte voorwaarden om een dergelijke korting op de parkeernormen te kunnen toepassen, zijn opgenomen in de vastgestelde parkeernormen voor Rivium. Dit onderwerp komt ook nader aan de orde in de actualisatie van de parkeernormen van het Rivium, die gelijktijdig met de omgevingsplanwijziging voor Het Nieuw Rivium wordt vastgesteld. Autoverkeer Rivium is vanaf drie zijden ontsloten voor het autoverkeer.

Ten noorden via de Abram van Rijckevorselweg en de Rivium Boulevard, in het zuiden via de Rivium Promenade en in het westen via het Toepad. Doorgaand verkeer door het plangebied is niet meer mogelijk op de Rivium Boulevard, door de verbinding tussen de Rivium 1e straat en de Rivium 4e straat middels een harde knip op te heffen. De blokken aan de noordzijde en zuidzijde van de knip worden bereikbaar gemaakt met een (deels) 55

eenrichtingsverkeer rondrijd systeem. Een dergelijke structuur ontmoedigt het doorgaande verkeer en leidt ertoe dat het wandelen en een reis met de fiets en/of het openbaar vervoer beter concurreert met de auto. Doorgaand verkeer is overigens nog wel mogelijk via de nieuwe westelijke ontsluiting via de Rivium Boulevard, Rivium 1e straat, Rivium Quadrant, Toepad en Rivium Promenade. Daarmee blijft de functie voor doorgaand (vracht)verkeer zoals van en naar Capelle-West en ’s-Gravenland in stand. In de onderstaande afbeelding is de toekomstige verkeersafwikkeling per auto weergegeven.

Figuur 5.4 Verkeersafwikkeling per auto

Zowel op de nieuwe westelijke ontsluiting als daarbuiten, vinden er infrastructurele wijzigingen plaats. Zo komt er een rotonde op het huidige kruispunt Rivium Quadrant – Toepad voor een veiligere situatie. Ook wordt voorrangssituatie op een aantal locaties gewijzigd ter bevordering van de doorstroming. Ook worden opstelstroken toegevoegd daar waar nodig en wordt de inrichting van wegen aangepast conform de toegewezen maximum snelheden. Een belangrijke aanpassing buiten het Rivium is een snelheidsverlaging op de Abram van Rijckevorselweg van 70 naar 50 km/uur. Dit is noodzakelijk vanuit akoestisch oogpunt, zie ook paragraaf 5.6. Afwikkeling autoverkeer In het uitgevoerde verkeersonderzoek (bijlage 33) is de verkeersgeneratie en -afwikkeling als gevolg van de transformatie van het Rivium inzichtelijk gemaakt. Daarbij is het beoogde programma van het Nieuwe Rivium met én zonder de hiervoor beschreven mobiliteitsaanpak onderzocht en vergeleken met de referentiesituatie (2035 zonder transformatie). In de onderstaande tabel zijn de 56

verkeersintensiteiten per wegvak weergegeven. In de figuur erna zijn de locaties van de verschillende meetpunten opgenomen. Tabel 5.1 Intensiteiten mvt/etmaal werkdag (afgerond op honderdtallen)

nr. Straatnaam

Omschrijving

2020

2035 Referentie

2035 VKA met MA

2030 VKA

13.200 8.800 6.200 1.300 3.400 0 6.100

15.900 10.400 7.900 1.900 2.500 100 8.300

15.200 0 3.800 5.400 12.400 3.500 8.700

17.900 0 4.900 6.400 14.200 4.500 10.100

59.100 44.700 2.700 14.500 5.900 8.700

68.000 49.000 2.900 16.600 9.000 10.900

65.500 46.300 2.900 19.500 6.900 6.300

67.500 46.200 2.900 19.900 7.800 6.900

Plangebied

1 2 3 4 5 6 7

Rivium Boulevard Rivium Boulevard Rivium Boulevard Rivium Quadrant Rivium 1e Straat Rivium 1e Straat Rivium Promenade

Abram v Rijckevorselweg - Rivium 1e straat Rivium 2e straat - Rivium 3e straat Rivium 4e straat - Rivium Promenade thv Rivium 1ste straat Rivium Westlaan - Rivium Boulevard Rivium Boulevard - Rivium Oostlaan Toepad - Rivium Boulevard

Buiten plangebied

8 N210-Abram v Rijckevorselweg Kralingseplein - Rivium Boulevard 9 N210-Abram v Rijckevorselweg Rivium Boulevard - IJsselmondselaan 10 IJsselmondselaan Abram v Rijckevorselweg - Wapitistraat 11 Van Beethovenlaan Abram v Rijckevorselweg - Haydnstraat 12 Toepad Kralingse Zoom - Rivium Quadrant 13 Schaardijk Schaardijk - IJsselmondselaan

Figuur 5.5 Exacte meetpunten per wegvak (thermometerpunten)

Verkeer binnen het plangebied met goed functionerende mobiliteitsaanpak Het onderzoek laat zien dat het verkeer niet groeit op de Rivium Boulevard-Noord ten opzichte van de referentiesituatie 2025. Op het zuidelijk deel van de Rivium Boulevard gaat de intensiteit als gevolg van de transformatie in combinatie met de mobiliteitsaanpak omlaag, aangezien er minder doorgaand verkeer door het Rivium heen rijdt. Er is wel een aanzienlijke groei te zien op het westelijk deel van de Rivium 1e straat en Rivium Quadrant. Ten tijde van de proefknip in de Rivium Boulevard in 2022 is dit ook waargenomen. Naar het zuidelijk deel van het Rivium en de Schaardijk neemt het verkeer de route via Rivium Boulevard, Rivium 1e straat en Rivium Quadrant. Op het Rivium Quadrant neemt het verkeer 57

toe ten opzichte van de referentiesituatie. Afwikkelingsberekeningen en verkeerssimulaties hebben aangetoond dat het verkeer ook met die berekende aantallen voldoende kan afwikkelen. De extra opstelstroken van en naar de Abram van Rijckevorselweg/Kralingse Plein en de nieuwe inrichting van de Rivium Boulevard en de Rivium 1e straat zorgen ervoor dat het verkeer goed blijft doorstromen in de spitsuren. Ook blijft het mogelijk om vanuit de blokken de ontsluitende route op te rijden zonder grote wachtrijvorming. Verkeer buiten het plangebied met goed functionerende mobiliteitsaanpak Buiten het plangebied veranderen de verkeersstromen door de transformatie van het Rivium en de aanpassing van de wegenstructuur ook. De verkeersberekeningen tonen aan dat ten opzichte van de referentiesituatie het verkeer op de Abram van Rijckevorselweg niet toeneemt en zelfs iets afneemt. Dit komt mede doordat het snelheidsregime op deze belangrijke ontsluitingsweg wordt verlaagd van 70 naar 50 km/uur. Dit heeft tot gevolg dat er in de omgeving andere oost-west routes worden genomen, waaronder de Jacques Dutilhweg in Rotterdam, die noordelijker aansluit op de A16. De gemeente Capelle aan den IJssel is in overleg met de gemeente Rotterdam over de grensoverschrijdende effecten van het planvoornemen.

De gemeente Rotterdam studeert daarnaast samen met Rijkswaterstaat op de afwikkeling van het verkeer in dit deel van Rotterdam in de nabije omgeving van het Rivium. De route van de Kralingse Zoom naar het zuidelijk deel van het plangebied via Toepad wordt minder aantrekkelijk gemaakt en trekt daardoor minder verkeer. Deze route is namelijk een alternatief voor het doorgaande verkeer door het Rivium en de gemeente Rotterdam wil niet dat deze route extra verkeer aantrekt. Verder is tijdens de proefknip gebleken dat het doorgaand verkeer toeneemt over de IJsselmondselaan. In het voorkeursalternatief uit het MER is het uitgangspunt gehanteerd dat de gemeente Rotterdam extra maatregelen gaat nemen om dit verkeer te weren. Er is een toename van verkeer op de Van Beethovenlaan van Capelle-West en ’s-Gravenland van en naar de Abram van Rijckevorselweg. Dit betreft vooral bestemmingsverkeer naar het zuidelijk deel van deze wijken dat voorheen de doorgaande route via de Rivium Boulevard gebruikte en dat de route (na transformatie) via de Rivium 1e straat/Rivium Quadrant/Toepad niet aantrekkelijk genoeg vindt. Dit verkeer verdeelt zich na de Van Beethovenlaan over meerdere wegen en geeft geen afwikkelingsproblemen op deze wegen in Capelle-West.

Verkeersafwikkeling bij een minder goed werkende mobiliteitsstrategie Bij een minder goed functionerende mobiliteitsstrategie is er meer autoverkeer van en naar het Rivium. Ook hier tonen simulatieberekeningen aan dat de verkeersafwikkeling nog steeds acceptabel is. Wel worden de wachtrijen voor de verkeerslichten langer en wordt het ook moeilijker om vanuit de blokken de ontsluitende wegen als de Rivium Boulevard en de Rivium 1e straat op te rijden. Verkeerssimulaties specifiek voor de Parkshuttle tonen aan dat met een voorrangssituatie voor de fietsoversteek van de metropolitane fietsroute (MFR) Rotterdam-Dordrecht er aanzienlijke wachtrijvorming optreedt voor de slagbomen van de Parkshuttle. Bij een fietsoversteek zonder voorrang is de doorstroming voor de auto’s beter maar is er nog steeds wachtrijvorming. De fietsers hebben meer moeite om over te steken in dit geval. Met het uitgangspunt om een ongelijkvloerse kruising te realiseren, wordt dit knelpunt opgelost.

58

Afwikkeling OV Zoals eerder in deze paragraaf beschreven aan de hand van de Mobiliteitsaanpak, gaat de transformatie van het Rivium gepaard met een uitbreiding van de ParkShuttle. Dat draagt bij aan het verschuiven van de modal split. Het verkeersmodel berekent circa 6.300 verplaatsingen met het OV per dag bij transformatie van het Rivium (VKA met mobiliteitsstrategie). Ten opzichte van de referentiesituatie is dit een aanzienlijke groei van het aantal passagiers. De aansluiting van de ParkShuttle op het bus- en metrostation Kralingse Zoom, zorgt voor een verdere afwikkeling van OV-reizigers. Afwikkeling fietsverkeer Vanwege de mobiliteitsmaatregelen zoals de lage parkeernorm en voldoende fietsparkeerplaatsen zal het fietsgebruik toenemen. Zoals eerder in deze paragraaf beschreven aan de hand van de Mobiliteitsaanpak, worden goede fietspaden langs de ontsluitende wegen in het Rivium voorzien met voldoende kwaliteit en comfort en deze sluiten goed aan op belangrijke fietsroutes in dit deel van de Metropoolregio. Parkeren Na transformatie kent het Rivium een zodanige mate van stedelijkheid en aanbod van alternatieven voor de auto dat voor het Rivium een andere gebiedstypering gehanteerd kan worden en daarmee ook andere bijbehorende parkeernormen dan voor de rest van de gemeente.

In dat licht zijn op 13 augustus 2021 de parkeernormen voor het Rivium door middel van een raadsbesluit vastgesteld. Deze normen zijn specifiek voor Rivium vastgesteld vanwege de omvorming van Rivium van werklocatie naar woonwerklocatie. Om diezelfde reden is het Rivium buiten de actualisatie van de gemeentelijke parkeernormen gehouden, zoals die zijn vastgesteld door de gemeenteraad op 6 oktober 2025. In plaats daarvan is voor het Rivium een eigen actualisatie van de parkeernormen opgesteld, die gelijktijdig met de vaststelling van deze omgevingsplanwijziging wordt vastgesteld. Daarmee wordt voorzien in een verdere aanvulling en actualisatie van de Nota Parkeernormen Rivium uit 2021. In de geactualiseerde versie, die samen met deze omgevingsplanwijziging wordt vastgesteld, zijn enkele functies toegevoegd die in de vorige versie ontbraken en is meer uitvoerig beschreven op welke manier met de parkeernormen moet worden gerekend. De parkeernormen die in de Nota Parkeernormen Rivium uit 2021 al waren opgenomen, zijn in deze versie niet aangepast. De minimale parkeernormen die in het Rivium gelden zijn (ook na de hierboven beschreven actualisatie) structureel lager dan de normen die voor de rest van Capelle aan den IJssel gelden.

Gecombineerd met het aanbieden van uitstekende alternatieven en het beperken van parkeermogelijkheden, wordt hiermee het autobezit, en daarmee autogebruik beperkt. Met de regeling van dit omgevingsplan worden de voor Rivium geldende parkeernormen van toepassing verklaard. Bij de uitwerking per bouwblok, zal rekening moeten worden gehouden met de realisatie van voldoende parkeergelegenheid. Bij de nieuwbouwblokken zullen de autoparkeerplaatsen inpandig worden gerealiseerd. Het uitgangspunt van de regeling is dat de parkeerbalans per blok sluitend is, maar dat er per blok wel dubbelgebruik kan worden toegepast door de bewoners, bezoekers van woningen en medewerkers en bezoekers van commerciële functies. Voor fietsparkeren zijn aparte normen opgenomen in de Nota Parkeernormen Rivium. Voor het fietsparkeren geldt dat het merendeel inpandig zal plaatsvinden. Slecht een klein deel van het fietsparkeren zal op straat in de buitenruimte plaatsvinden. Van de fietsparkeerplaatsen voor bezoekers zal 20% in de buitenruimte worden gerealiseerd.

59

Conclusie Op basis van het uitgevoerde verkeersonderzoek, de effecten die daaruit blijken en maatregelen die in dat verband worden getroffen, wordt geconcludeerd dat de mobiliteit voldoende onderzocht en verzekerd is. Ten aanzien van parkeren voorziet het omgevingsplan in regels (artikel 22.15) die bepalen dat bij de uitwerking van de bouwplannen in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Gelet op de motivering in deze paragraaf, is het aspect verkeer en parkeren betrokken bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en wordt voldaan aan de relevante instructieregels.

5.3 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Instructieregels Bij deze paragraaf zijn de instructieregels betrokken, volgend uit paragraaf 5.1.5.5 Bkl (cultureel erfgoed en werelderfgoed). Uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening volgen geen instructieregels die voor het plangebied relevant zijn. Beleidskader Provinciaal beleid De provincie draagt zorg voor het beschermen en bewaren van archeologische en cultuurhistorische waarden vanuit de gedachte dat het beschermen, benutten en beleefbaar maken van cultuur en erfgoed bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Naast deze beschermingstaken wil de provincie ook zorgen voor meer draagvlak onder de bevolking voor (de bescherming van) het archeologisch erfgoed. De verwachting is dat daardoor de baten van de archeologie beter opwegen tegen de kosten in tijd en geld, die de samenleving opbrengt voor archeologie. In de provincie Zuid-Holland is een groot aantal cultuurhistorische en archeologische waarden aanwezig. Deze zijn beschreven in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS). Daarin zijn, onder meer, historische molens, kastelen en landgoederen zichtbaar gemaakt, alsook erfgoedlijnen en cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Het behoud van de cultuurhistorische hoofdstructuur is van provinciaal belang.

Uit de CHS blijkt dat het plangebied ligt binnen de aanduiding 'redelijke tot hoge trefkans op archeologische sporen'. Dit betreffen gebieden met een redelijke tot hoge trefkans op archeologische sporen en/of de aanwezigheid van oude stads- en dorpskernen en woonheuvels. In de omgevingsverordening is ten aanzien van 'archeologie' het volgende bepaald: Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. Erfgoednota Capelle aan den IJssel Het beleid voor archeologie in de gemeente Capelle aan den IJssel is vastgelegd in de Erfgoednota Capelle aan den IJssel 2025. De voorloper daarvan, de Erfgoednota Capelle aan den IJssel, heeft de basis gevormd voor de nieuwe nota uit 2025 en is daarin geactualiseerd, aangevuld, geherstructureerd en van nieuwe actiepunten voorzien. De cultuurhistorisch waardevolle objecten en elementen zijn in het beleid vastgelegd in de als bijlage daarbij opgenomen archeologische kenmerkenkaart, monumentenlijst en waardenkaart. 60

Onderzoeksresultaten Archeologie In het gehele plangebied kunnen bewoningssporen uit de prehistorie, de Romeinse tijd, de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd voorkomen. Op de Archeologische Waardenkaart van de gemeente Capelle aan den IJssel (2010), is aan het plangebied een redelijk hoge tot zeer hoge verwachting toegekend, waarbij de zeer hoge verwachting geldt voor de Schaardijk en voor het gebied met een fossiele rivierarm in de ondergrond. Het plangebied kent een gemiddeld maaiveldhoogte van ten minste 3,0 meter +NAP. Aangezien de exacte ingrepen en locaties van deze ingrepen nog niet bekend zijn, is nu niet te stellen of de grond met archeologische verwachtingswaarden aangetast worden. Omdat er in Rivium sprake is van veengrond waarop gebouwd zal worden, zal er naar alle waarschijnlijkheid geheid gaan worden ten behoeve van fundatie van de nieuwbouw. Om verstoring van archeologische verwachtingswaarden te voorkomen, zijn overeenkomstig het voorgaande bestemmingsplan drie uiteenlopende regelingen opgenomen die een archeologische beoordeling (en mogelijk archeologisch onderzoek) voorschrijven. Voor ieder van deze 3 zones geldt deze verplichting bij overschrijding vanaf een bepaalde oppervlakte- en dieptemaat.

Voor dat deel van het bestemmingsplangebied met een fossiele rivierarm in de ondergrond (Waarde - Archeologie 1) geldt de regeling bij bouw- en grondwerkzaamheden die dieper reiken dan 2,0 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 vierkante meter beslaan. Voor de strook grond van 25 meter aan de binnenzijde van de rivierdijk (Schaardijk) met mogelijke bewoningssporen vanaf de 13e eeuw (Waarde - Archeologie 2) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,0 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 vierkante meter beslaan. Voor de rest van het bestemmingsplangebied (Waarde - Archeologie 3) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 2,0 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 200 vierkante meter beslaan. Cultuurhistorie Binnen het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van gemeentelijke en rijksmonumenten alsmede beschermde dorpsgezichten. Direct ten oosten van het plangebied aan de Schaardijk 482 bevindt zich een 18e-eeuwse boerderij die als rijksmonument is aangewezen. Als gevolg van de gebiedstransformatie wordt dit rijksmonument niet fysiek aangetast.

Het bevindt zich buiten het plangebied. Ook vindt er geen aantasting plaats van de ensemblewaarde van het monument doordat de functie van het Kralingseveer Park als groen scherm tussen Kralingseveer en Rivium worden gerespecteerd. Dit is ook relevant voor het historisch buurtschap Kralingseveer. Deze ondervindt door de afscherming geen sterke visuele hinder van de transformatie van het gebied. Met name de cultuurhistorische Schielands Hoge Zeedijk neemt in belevings- en gebruikswaarde toe door de ontwikkeling van het Nieuwe Maasplein en Waterfront. De reeds aanwezige cultuurhistorische waardevolle lijn elementen blijven behouden als gevolg van de herontwikkeling. Het gaat hier om de aanwezige Schaardijk en IJsseldijk, maar ook om de watergang ten oosten van het plangebied. Verder heeft de ontwikkeling ook geen negatieve effecten op cultuurhistorische waardevol ‘vlak’ de Nieuwe Maas. De Nieuwe Maas, met daarbij het Zalmhuis (terugverwijzend naar het historische Zalmhuis uit 1906) komt zelfs beter tot haar recht door de beoogde ontwikkelingen aan het Waterfront, 61

doordat de belevingsmogelijkheden worden vergoot. Het Zalmhuis behoudt haar bijzondere plek aan de rivier. Conclusie Onderzoek wijst uit dat er in het projectgebied geen cultuurhistorische waarden zijn die door de ontwikkeling aangetast kunnen worden. Ten aanzien van archeologie voorziet het omgevingsplan in regels (artikelen 14, 15 en 16) die bepalen wanneer bij bouwinitiatieven of andere ingrepen in de ondergrond archeologisch onderzoek nodig is. Gelet op de motivering in deze paragraaf, is het aspect cultuurhistorie en archeologie betrokken bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en wordt voldaan aan de relevante instructieregels.

5.4 Bodem Toetsingskader Instructieregels Bij deze paragraaf zijn de instructieregels betrokken, volgend uit paragraaf 5.1.4.5 Bkl (bodemkwaliteit) en vanuit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening paragraaf 7.3.5 (grondwaterkwaliteit) en artikel 7.41a (risico’s van klimaatverandering, specifiek het risico van bodemdaling). Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: •

• •

Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4).

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Daarnaast geldt het uitgangspunt dat de bodemkwaliteit door eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In het kader van de herontwikkeling van Rivium is bodemkwaliteitsonderzoek uitgevoerd om dit inzichtelijk te maken. Onderzoeksresultaten Milieukundige bodemkwaliteit IDDS heeft in 2022 in opdracht van de gemeente Capelle aan de IJssel een verkennend milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd om de bodemsituatie te actualiseren. Het onderzoek is opgenomen in 62

bijlage 35 bij deze motivering. Uit dit onderzoek blijkt dat de leeflaag indicatief voldoet aan de achtergrondwaarden (met een enkele uitschieter) en niet ernstig is verontreinigd. Deze leeflaag heeft een dikte van circa 1,5 meter. In lagere delen van de ondergrond bevindt zich havenslib dat hier in de vorige eeuw is gestort. Dit slib kent een dusdanige mate van verontreiniging, dat het roeren van deze laag van de ondergrond (bijvoorbeeld door ondergrondse delen van gebouwen of als gevolg van heiwerkzaamheden of funderingswerkzaamheden) maatregelen getroffen moeten worden zoals opgenomen in het (raam)saneringsplan ‘Rivium Zuid Capelle aan den IJssel’ (bijlage 36). In het aangebracht zandpakket (gelegen onder de grondwaterspiegel) zijn slechts licht verhoogde gehaltes aan minerale olie aangetoond. Uitzondering hierop zijn de zandmonsters afkomstig van de smeerzone waar vermoedelijk vermenging heeft plaatsgevonden tussen de sliblaag en het zand tijdens de aanleg. Hier zijn afhankelijk van de mate van versmering matig tot sterk verhoogde gehaltes aan de voor slib kenmerkende parameters aangetoond. De locatie van het slib en van het zandpakket is weergegeven in Figuur 5.6.

Figuur 5.6 Locatie van verontreinigde sliblaag in ondergrond

Met de artikelen 22.5 en 22.6 uit dit omgevingsplan, is geborgd dat bij een omgevingsplanactiviteit bouwwerken en de omgevingsplanactiviteit aanleggen wordt voldaan aan de maatregelen zoals voorgeschreven in het (raam)saneringsplan voor gronden ter plaatse van het slib en het zandpakket. Daarbij wordt verwezen naar de maatregelen zoals geborgd in paragraaf 7.2 en 7.3 van het Raamsaneringsplan Rivium Zuid Capelle aan den IJssel.

63

Ook het gebruik van gronden als tuin is in beide zones enkel onder voorwaarden mogelijk, wat eveneens in de artikelen 22.5 en 22.6 is geborgd. Eventuele grond die wordt aangevoerd moet voldoen aan de kwaliteit van de leeflaag. Deze is gelijk aan de bodemkwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. Bodemdaling De bodem ter plaatse van het plangebied bestaat tot 15 m-mv uit een kleipakket met een veenlaag van maximaal 3 meter dik. Tot 50 m-mv bestaat de bodem vervolgens uit een zandpakket met lokaal klei en veenlagen van maximaal 2 meter dik (Grondprofiel 3D voxel data | stadsatlas.capelle.nl). Klei en veenlagen zijn gevoelig voor bodemdaling. Er zijn verschillende oorzaken voor bodemdaling in deze lagen, waaronder verdichting als gevolg van toegenomen bouwmassa. Wanneer de bouwmassa gefundeerd wordt op de zandlagen beperkt dit de gevolgen wat betreft bodemdaling. Uit de klimaateffectatlas blijkt dat voor het hele plangebied een beperkte (3-10 cm) bodemdaling wordt verwacht tot 2100, onafhankelijk van het klimaatscenario. Dit is weergegeven in de figuren hierna. Dit kan betekenen dat er in het gebied maar beperkte bodemdaling mogelijk is, maar dat kan op basis van deze gegevens niet met zekerheid worden gesteld.

Figuur 5.7 Uitsnede klimaateffectatlas bodemdaling scenario laag (bron: Klimaateffectatlas, online beschikbaar via Kaartviewer - Klimaateffectatlas)

Figuur 5.8 Uitsnede klimaateffectatlas bodemdaling scenario hoog (bron: Klimaateffectatlas, online beschikbaar via Kaartviewer - Klimaateffectatlas)

64

De locatie bevindt zich op een zelling van havenslib. Het slib is opgespoten in de jaren '60-'70. De verwachting is dat dit slib inmiddels volledig ingeklonken is en niet voor verdere bodemdaling zal zorgen. Om zekerheid te hebben over het effect van de plannen op bodemdaling kan bij nadere uitwerking van de plannen met het oog op de fundering aanvullend onderzoek naar de geotechnische eigenschappen van de bodem uitgevoerd worden. Conclusie Deze omgevingsplanwijziging is in overeenstemming met instructieregels voor bodem wanneer rekening gehouden wordt met de maatregelen uit het (raam)saneringsplan wanneer in de dieper gelegen verontreinigingen wordt gewerkt. Om dit te borgen, voorziet dit omgevingsplan in regels ( artikel 22.5 en artikel 22.6). Bij uitwerking van de plannen zal waar nodig rekening gehouden moeten worden met de mogelijkheid van bodemdaling. Gelet op de motivering in deze paragraaf, is het aspect bodem betrokken bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en wordt voldaan aan de relevante instructieregels.

5.5 Ecologie Toetsingskader Instructieregels Bij deze paragraaf zijn de instructieregels betrokken, volgend uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening artikel 7.41aa (toekomstbestendig bouwen van woningen, specifiek het versterken van de biodiversiteit) en artikel 7.45ca (kansen voor biodiversiteit). Uit het Bkl volgen geen instructieregels die voor het plangebied relevant zijn. Sinds 1 januari 2024 wordt voor het aspect ecologie rekening gehouden met de Omgevingswet, de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Het voormalige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht is daarin ongewijzigd. De bescherming van gebieden en bepaalde dier- en plantensoorten is geregeld in hoofdstuk 11 van de Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal). Het uitgangspunt van de wet is de natuur te beschermen, en het behouden en herstellen van biologische diversiteit zonder de lasten te verhogen. Naast de nationale regelgeving is er ook regionale regelgeving waarbij de provincie binnen haar grondgebied zorgt voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend ecologisch netwerk, het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen.

De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Het realiseren van een project of activiteit, dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, moet vanuit de specifieke zorgplicht (artikel 11.6 Bal; zie het onderstaande kader) beoordeeld worden in hoeverre deze activiteit verslechterend of significant verstorend gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. De kern van de bescherming van inheemse soorten is dat de gunstige ‘staat van instandhouding’ (SvI) van in het wild levende planten- en diersoorten wordt beschermd en behouden. Deze bescherming volgt ook direct uit de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn die verder met soorten is aangevuld met voor Nederland bijzondere en bedreigde soorten. Een activiteit mag geen blijvende negatieve invloed 65

hebben op de staat van instandhouding van soorten (SvI). Het beschermingsregime van soorten en verbodsbepalingen is hiermee niet gewijzigd. Beleidskader Natuurkansenkaart Op 27 september 2016 heeft de gemeenteraad van Capelle aan den IJssel de Natuurkansenkaart vastgesteld. In de natuurkansenkaart geeft de gemeente Capelle aan den IJssel richting aan de integratie van ecologie bij ruimtelijke ontwikkelingen en voor het groen- en waterbeheer. Daarnaast zijn er ook projecten opgenomen om natuur binnen de gemeente verder te versterken. In de Natuurkansenkaart zijn drie natuurstrategieën ontwikkeld: 1) Netwerknatuur, 2) Streekeigen natuurparels en 3) Natuur door de wijk. De Netwerknatuur bestaat uit (Deel)kerngebieden, verbindingszones en stapstenen. De (Deel)kerngebieden en verbindingszones zijn enerzijds afkomstig van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en anderzijds afkomstig van de robuuste groenstructuur die is aangegeven in de Groenvisie. Alle wijken, met uitzondering van het ’sGravenweggebied, zijn onderdeel van een stapsteen van de netwerknatuur. Voor de strategie ‘Netwerknatuur’ wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen natuur: Water- & Moerasnatuur en Bos- & Parknatuur. Daarnaast worden de natuurtypen uitgewerkt in een Programma van eisen voor (deel)kerngebieden, stapstenen en verbindingszones.

Naast de robuuste water- en groenstructuren zijn er binnen de gemeente Capelle aan den IJssel zeer specifieke, relatief kleine gebieden of landschapselementen die bijzondere natuurwaarden herbergen of kansrijk zijn voor realisatie van bijzondere streekeigen natuur. De parels kunnen onderdeel zijn van netwerknatuur, maar kunnen ook afzonderlijk gelegen zijn. In de Groenvisie is een differentiatie gemaakt in de groenkenmerken per wijk. Op basis hiervan is de strategie ‘Natuur door de wijk’ ontwikkeld. Hierin is een onderscheid gemaakt in een zevental wijktypen. Elke wijk heeft immers eigen natuurwaarden en kansen voor natuur. Dit is aanvullend aan de Netwerknatuur en specifiek per wijk. Per wijktype is aangegeven op welke wijze natuur in de wijk kan worden versterkt. De ambities zijn samengevat in de onderstaande Natuurkansenkaart. Het plangebied is gelegen binnen de stapsteen ‘Water- en Moerasnatuur & Bos- en Parknatuur’. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied komen geen natuurparels voor. Het Rivium wordt binnen de Natuurkansenkaart getypeerd als bedrijventerrein. Kansen voor versterking zijn het toepassen van groene daken, inpassen van kasten voor gierzwaluw in muren, heggen en lijnvormige beplantingselementen met een dichte ondergroei aanbrengen en aansluiten bij de bomenstructuur van het Bomenbeleidsplan.

66

Figuur 5.9 Natuurkansenkaart

De beoogde ontwikkeling is relevant voor ecologie (flora en fauna en natuurgebieden), omdat er met de ontwikkeling werkzaamheden nodig zijn wat effect kan hebben op de flora en fauna (kopje soortenbescherming onder onderzoeksresultaten) en daarnaast ook sprake is van emissie wat mogelijk beschermde natuurgebieden (kopje gebiedsbescherming onder onderzoeksresultaten) aantast.

Onderzoeksresultaten Soortenbescherming De eerste stap in het onderzoek naar beschermde soorten betrof het uitvoeren van een ecologische quickscan door Waardenburg Ecology. Met het uitvoeren van deze quickscan, bestaande uit een oriënterend veldonderzoek en bronnenonderzoek, zijn de mogelijke gevolgen van de herontwikkeling van het Rivium op beschermde soorten in het kader van de Omgevingswet beoordeeld. De quickscan is opgenomen in bijlage 26. Op grond van de quickscan wordt geconcludeerd dat de uit te voeren activiteit in het plangebied (mogelijk) schadelijke gevolgen heeft voor algemeen voorkomende soorten amfibieën, vissen en kleine grondgebonden zoogdieren. De voorgenomen activiteit is voor deze soorten een vergunningvrij geval volgens de omgevingsverordening van provincie Zuid-Holland. Uit de quickscan volgt dat voor diverse soorten conform een ecologisch werkprotocol moet worden gewerkt, om op die manier negatieve effecten te voorkomen. Een vergunning voor die soorten is in dat geval niet nodig. In de quickscan kon geen uitsluitsel worden gegeven over de gevolgen van de activiteit in het plangebied voor een aantal beschermde soorten, wat aanleiding gaf tot het uitvoeren van nader soortenonderzoek naar deze specifieke soorten. Dit betrof vleermuizen, steenmarter, slechtvalk, boomvalk, ransuil, sperwer, gierzwaluw, huismus en glad biggenkruid. 67

Naar aanleiding van de bevindingen uit de quickscan is als tweede stap een nader soortenonderzoek uitgevoerd om de (mogelijke) effecten op de genoemde soorten te kunnen bepalen. Voor dat onderzoek is – met het oog op mogelijk jaarrond beschermde nesten van de slechtvalk en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen – een plan van aanpak opgesteld dat besproken is met het bevoegd gezag (Omgevingsdienst Haaglanden). In navolging daarop is het nader soortenonderzoek uitgevoerd (bijlage 37). Uit dat soortenonderzoek blijkt dat er in het plangebied geen sprake is van de volgende, onderzochte soorten en dat er als gevolg daarvan ook geen effecten op deze soorten verwacht worden: • groeiplaatsen van glad biggenkruid; • verblijfplaatsen van steenmarter; • nestplaatsen van slechtvalk, sperwer, boomvalk en ransuil; • nesten van huismus en gierzwaluw. Uit hetzelfde onderzoek blijkt verder dat er wel beschermde verblijfsplaatsen van vleermuizen in het gebied zijn aangetroffen, namelijk: • gewone dwergvleermuis: zomer-, kraam- en paarverblijven; • ruige dwergvleermuis: één zomerverblijf, meerdere paarverblijfplaatsen, paarterritoria; • daarnaast is een verblijfplaats vastgesteld van een niet nader geïdentificeerde vleermuis die op twee momenten is waargenomen in een vleermuiskast.

Daarnaast is binnen het onderzoeksgebied sprake van essentieel foerageergebied voor gewone en de ruige dwergvleermuizen. Van essentiële vliegroutes is geen sprake. Alle verblijfplaatsen van gewone en ruige dwergvleermuis die zijn aangetroffen zijn beschermd onder de Omgevingswet. Omdat nog niet in detail bekend is welke ingrepen wanneer en waar worden uitgevoerd, omvat het uitgevoerde onderzoek nog geen locatiespecifieke effectbeoordeling. Bij de verdere uitwerking van de plannen en voorafgaand aan feitelijke ingrepen, zal daarom meer gedetailleerd vleermuizenonderzoek worden uitgevoerd. Daarmee wordt dan in een locatiespecifieke effectbeoordeling voorzien en kunnen toegespitste maatregelen worden beschreven. Zo nodig zal naar aanleiding van dat latere onderzoek een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit moeten worden aangevraagd. De verwachting is dat, met inachtneming van adequate mitigerende en compenserende maatregelen, een eventueel benodigde vergunning zal worden verleend en dat het plan derhalve uitvoerbaar is. Gebiedsbescherming De aangevraagde activiteit is relevant voor gebiedsbescherming omdat er mogelijk effecten op beschermde gebieden komen door de ontwikkeling. Ten aanzien van gebiedsbescherming zijn zowel Natura 2000gebieden als het Natuurnetwerk Nederland relevant. Deze onderwerpen worden in de volgende paragrafen toegelicht.

Natura 2000-gebieden Als op voorhand uitgesloten kan worden dat een plan significante gevolgen heeft voor Natura 2000gebieden, dan is het in overeenstemming met de Omgevingswet. Wat betreft stikstofdepositie is daar sprake van als uit de berekening met AERIUS Calculator nergens een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden vanwege het plan wordt berekend, of als met een voortoets op basis van objectieve informatie uitgesloten wordt dat berekende toenames van stikstofdepositie vanwege het plan significante gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plan kan dan wat betreft stikstofdepositie en Natura 2000 in overeenstemming met de Omgevingswet vastgesteld worden.

68

Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde beschermde gebied ligt op ongeveer 6,5 kilometer afstand. Dit betreft het 'Boezems Kinderdijk' met een omvang van 331 hectare en aangewezen als vogelrichtlijngebied (zie de afbeelding hierna). De instandhoudingsdoelstellingen hebben betrekking op het behoud van broedvogels en diverse nietbroedvogels. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft de Biesbosch op circa 17 kilometer afstand.

Boezems Kinderdijk

Biesbosch Figuur 5.10 Projectlocatie (rode cirkel) in relatie tot Natura 2000-gebieden (bron: natura2000.nl)

De voorgenomen activiteit leidt niet tot aanvullend ruimtebeslag in en rond Natura 2000-gebieden en grijpt niet in op het regionale grondwater of watersystemen waar enig Natura 2000-gebied onderdeel van is. Hierdoor is geen sprake van storingsfactoren als verdroging of vernatting. Ook is geen sprake van permanente aanpassingen aan de ruimtelijke inrichting van Natura 2000-gebieden. Er doen zich daarom geen storingsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering voor. Ook storingsfactoren als veranderingen door populatiedynamiek en bewuste soortensamenstelling doen zich niet voor. De werkzaamheden zijn tijdelijk en lokaal en de afstand van de Natura 2000-gebieden tot het plangebied is dusdanig groot dat indirect negatieve effecten door geluid, licht, trillingen en optische verstoring op voorhand uitgesloten kunnen worden. Dit als gevolg van het gegeven dat emissies van geluid, licht en trillingen, door tussenliggend landgebruik als (snel)wegen en woonkernen, in combinatie met de afstand, ter plaatse van geen enkel Natura 2000-gebied nog waarneembaar zijn. Daarmee blijven alleen nog de mogelijke storingsfactoren verzuring en vermesting door atmosferische stikstofdepositie over, waarvoor geldt dat significant negatieve effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden.

Om de effecten als gevolg van stikstofdepositie van de herontwikkeling van het Rivium in kaart te brengen, is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Daarin is zowel onderzoek gedaan naar de gebruiksfase als naar de aanlegfase. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 24. Dit onderzoek omvat de navolgende onderdelen. - Gebruiksfase Voor de gebruiksfase is de stikstofdepositie berekend voor het rekenjaar 2040 (het eerste volledige jaar na realisatie van de laatste fase is 2041, maar AERIUS Calculator rekent niet verder dan 2040). De stikstofdepositie is daarbij berekend voor uitsluitend het projecteffect van het VKA met MobiliteitsAanpak.

69

De stikstofdepositie is berekend binnen het gebied waar effecten als gevolg van het plan kunnen worden verwacht. Naast de wijzigingen aan de wegen binnen het plangebied, ontstaan er op de bestaande wegen in de omgeving van het plangebied ook wijzigingen in de verkeersomvang, de zogenaamde netwerkeffecten. Deze netwerkeffecten zijn meegenomen in de berekening. Figuur 5.11 geeft weer tot waar in de omgeving netwerkeffecten in het onderzoek zijn meegenomen.

Figuur 5.11 Wegvakken in het rekenmodel stikstofdepositie

- Aanlegfase Tijdens de werkzaamheden voor de transformatie van het Rivium wordt divers, brandstof aangedreven, materieel ingezet. Verbrandingsemissies van dit materieel zorgen voor (tijdelijke) stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het stikstofonderzoek voor de aanlegfase maakt eveneens onderdeel uit van het onderzoek zoals opgenomen in bijlage 24.

De transformatie zal plaatsvinden in twee fasen. Volgens de huidige planning start fase 1 in 2027 en zal deze fase naar verwachting ongeveer negen jaar duren. Deze fase wordt direct mogelijk gemaakt in het Omgevingsplan. Fase 2 wordt in dit omgevingsplan nog niet mogelijk gemaakt. Om die reden wordt de aanlegfase hiervan op een later moment berekend, wanneer er meer zicht is op de fasering van fase 2.

70

Figuur 5.12 is aangegeven welke deelgebieden behoren tot fase 1 en welke tot fase 2.

Figuur 5.12 Overzicht relevante habitats en fasering aanlegfase Rivium

71

Voor de aanlegfase van het project is de AERIUS-berekening uitgevoerd met de emissies van mobiele werktuigen conform het basisniveau zoals vastgesteld in het Convenant SEB. De ambities van de gemeente liggen overigens hoger dan dat niveau, waar het gaat om de inzet van elektrisch of in ieder geval moderner (en dus schoner) materieel. De keuze om het stikstofonderzoek te baseren op het genoemde basisniveau, moet gezien worden als ‘worst-case-scenario’. - Resultaten Uit de stikstofberekeningen die via AERIUS Calculator zijn uitgevoerd, blijkt er voor zowel de gebruiksals aanlegfase sprake van een geringe toename aan stikstofdepositie binnen nabijgelegen Natura 2000gebieden.

Concreet gaat het om extra stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Biesbosch. De berekende mate van stikstofdepositie is weergegeven in tabel 5.2. Tabel 5.2 Berekende deposities op Natura 2000-gebied Biesbosch in mol/ha/jr

Leefgebied/habitat Leefgebied 08 Nat, matig voedselrijk grasland Leefgebied 11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied

Aanlegfase

Gebruiksfase

-

0,01

0,01

0,01

Omdat negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet uitgesloten kunnen worden op basis van uitsluitend deze rekenresultaten, is een vervolg aan het onderzoek gegeven met een ecologische voortoets. - Ecologisch voortoets De volgende en laatste stap uit het stikstofonderzoek is dat voor de berekende mate van stikstofdepositie een voortoets is uitgevoerd. Ook dit onderdeel van het onderzoek is opgenomen in bijlage 24. Hierin is aan de hand van een ecologische toets beoordeeld of de berekende depositietoename kan leiden tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebied Biesbosch.

De berekende effecten van de gebruiksfase zijn groter dan die van de aanlegfase, zowel qua omvang als qua effectgebied. Bovendien zijn de effecten van de gebruiksfase van blijvende aard, in tegenstelling tot de (kleinere) effecten als gevolg van de aanlegfase. Bij de ecologische beoordeling zijn de effecten van de gebruiksfase daarom als maatgevend beschouwd en nader onderzocht. Uit de voortoets blijkt dat de berekende extra depositie met zekerheid niet zal leiden tot effecten op Natura 2000 en wel om de volgende redenen: -

-

De extra depositie is vele duizenden malen kleiner dan de nauwkeurigheid in waarmee de achtergronddeposities en kritische deposities zijn bepaald. De extreem kleine hoeveelheid extra stikstof kan niet leiden tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie en ook geen veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Met het reguliere maai- en begrazingsbeheer wordt jaarlijks duizenden keer meer stikstof per hectare afgevoerd dan de transformatie van Rivium toevoegt. Periodieke overstromingen van het effectgebied met voedselrijk rivierwater vormen een natuurlijk fenomeen dat veel meer stikstof toevoegt dan de berekende depositie.

72

-

-

-

De berekende extra depositie is verwaarloosbaar in de totale mineralenhuishouding van een rietmoeras of agrarisch grasland op zeer voedselrijke zeeklei die regelmatig overstroomt en heeft geen enkel effect op de (on)geschiktheid van het effectgebied voor beide vogelsoorten. Het Beheerplan, de Gebiedsanalyse en de Natuurdoelanalyse geven eveneens aan dat extra stikstofdepositie geen negatieve effecten heeft voor de beide vogelsoorten in dit Natura 2000gebied. Het Beheerplan en de Gebiedsanalyse geven aan dat in veel hexagonen met Lg11 er naast grasland ook een oppervlakte bos in het hexagon ligt. Deze bomen zorgen voor een terreinruwheid waardoor in AERIUS een hogere depositie aan dit hexagon wordt toegekend dan de omringende hexagonen zonder bomen. Deze zeer geringe depositie van 0,01 mol/ha/jr komt echter niet op het grasland terecht maar in het bos.

Significant negatieve effecten op de Natura 2000-instandhoudingsdoelen voor de Biesbosch kunnen op grond van het voorgaande met zekerheid worden uitgesloten, ook in cumulatie met andere projecten. Het stikstofonderzoek is tot slot ook voorgelegd aan de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH). Deze omgevingsdienst is namens de provincie het bevoegd gezag op het gebied van een Natura 2000activiteit. In die hoedanigheid is ODH in de gelegenheid gesteld om het stikstofonderzoek (inclusief voortoets) te beoordelen. Uit de reactie blijkt dat ODH de conclusie uit de voortoets onderschrijft en dat geconcludeerd kan worden dat de wijziging van het omgevingsplan, gelet op de huidige wet- en regelgeving, de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied niet zal aantasten. De reactie van ODH is als bijlage 46 opgenomen bij deze motivering.

Natuurnetwerk Nederland Het ruimtelijk beleid voor het NNN, is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied en het effectief functioneren van de ecologische verbindingszones. De bescherming van deze waarden vindt plaats door toepassing van een specifiek afwegingskader: het zogenaamde ‘nee, tenzij’-regime dat verankerd is in de provinciale omgevingsverordening. Dat betekent dat nieuwe plannen en projecten niet zijn toegestaan (‘nee’) als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, ‘tenzij’ daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In de volgende figuur is het plangebied ten opzichte van het NNN weergegeven. Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van het NNN. Wel grenst deze aan de Nieuwe Maas, NNN-gebied waarvoor niet de provincie, maar het rijk verantwoordelijk is. In de nabije omgeving zijn de NNN-gebieden Polder Esch, Eiland van Brienenoord, Stormpoldervloedbos en De Zaag gelegen.

73

Stormpoldervloedbos

De Esch

De Zaag Eiland v Brienenoord

Figuur 5.13 Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (bron: Provincie Zuid-Holland)

Er is geen sprake van areaalverlies als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling en de NNNdoelstellingen worden niet belemmerd. De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN worden niet aangetast. Negatieve effecten op het NNN als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zijn daarom uitgesloten. Houtopstanden Voor het onderdeel Houtopstanden is onderzocht of de bescherming van houtopstanden, zoals bedoeld in de Ow, binnen het project van toepassing is. Hiervoor is gebruik gemaakt van de Groene Kaart (2014) en de bomenverordening (2013) van de gemeente Capelle aan den IJssel. Op grond van de aard van de ingreep en ligging ten opzichte van de bebouwde kom houtopstanden is bepaald of en welke vervolgstappen nodig zijn. Het plangebied is gelegen binnen de gemeente Capelle aan den IJssel. In de gemeente geldt dat voor het kappen van een boom of meerdere bomen aangegeven op de groene kaart een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand aangevraagd moet worden. In enkele gevallen geldt een uitzondering. Er zijn geen uitzonderingen van toepassing op de bomen in het plangebied. Meerdere bomen zijn in het plangebied aangewezen als structuurbomen of overige beschermde groene kaart bomen (zie figuur hieronder).

74

Figuur 5.14 Uitsnede Groene Kaart van de gemeente Capelle aan den IJssel

Er zijn ook bomen in het plangebied die niet beschermd zijn. Voor de kap van verschillende bomen in het plangebied dient dan ook een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit ‘vellen van een houtopstand’ aangevraagd te worden. Natuurinclusiviteit Voor de voorgenomen ontwikkelingen liggen er vooral ook kansen om de biodiversiteit te versterken. Met name het realiseren en behouden van groene verbindingen tussen stapstenen kan hierin een grote rol spelen. Daarnaast ligt er een grote kans voor natuurinclusief bouwen in de nieuwbouw. Hierbij kan vooral door het plaatsen van nestkasten voor vogels en vleermuizen veel winst behaald worden. Ook het toevoegen van besdragende struiken, bloemrijke bermen, natuurvriendelijke oevers en ruigte draagt bij aan het verzorgen van schuilplaatsen en voedsel voor verschillende soorten dieren. Het is daarbij belangrijk om te kiezen voor gebiedsnatuurlijke inheemse soorten om de aanwezige biodiversiteit zo goed en natuurlijk mogelijk te bedienen.

75

Algemene richtlijnen/uitgangspunten van het natuurinclusief bouwen (en beheren) in het Rivium zijn: • Alleen inheemse/ingeburgerde plantensoorten toepassen; • Verbinding tussen groen/blauw netwerk creëren (groene stapstenen); • Voorkeur voor intensieve groene daken voor maximale biodiversiteit op binnenhof en lagere niveaus; • Daken tot 40 meter hoog zo veel mogelijk inrichten als extensief groen dak met kruidachtigen; • Lokaal elementen toevoegen zoals vleermuiskasten en nestkasten; • Verlichting en beheer afstemmen op medegebruik van dieren; • Waterhuishouding afstemmen op planten. Dat hier bij de verdere planuitwerking ook invulling aan wordt gegeven, is geborgd in de regels van dit omgevingsplan (artikel 9.4.6). Daarin is geregeld dat bij een omgevingsvergunning bouwwerken wordt getoetst aan de criteria uit paragraaf 8.2 van het BKP+ over natuurinclusief bouwen. Conclusie Deze omgevingsplanwijziging is in overeenstemming met de instructieregels op het gebied van natuur en biodiversiteit. Gelet op de bevindingen uit de quickscan moet voor diverse soorten rekening worden gehouden met het werken volgens ecologische werkprotocollen. Ten aanzien van vleermuizen zal bij de verdere uitwerking van de plannen en voorafgaand aan feitelijke ingrepen meer gedetailleerd vleermuizenonderzoek moeten worden uitgevoerd.

Zo nodig zal naar aanleiding van dat latere onderzoek een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit moeten worden aangevraagd. Ook vanuit het onderdeel gebiedsbescherming is de transformatie van het Rivium uitvoerbaar. De berekende mate van stikstofdepositie die optreedt in zowel de aanleg- als de gebruiksfase, leidt op basis van de uitgevoerde voortoets niet tot significant negatieve effecten op de Natura 2000instandhoudingsdoelen voor de Biesbosch. Daarnaast is geen sprake van areaalverlies van NNN. Voor het kappen van de aanwezige bomen dient een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit vellen van een houtopstand’ te worden aangevraagd. Ten aanzien van natuurinclusiviteit is in de regels van het omgevingsplan een koppeling gelegd (artikel 9.4.6) met de ambities uit het BKP+, waaraan in de fase van de omgevingsvergunning voldaan moet worden bij de planuitwerking. Gelet op de motivering in deze paragraaf, is het aspect ecologie betrokken bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en wordt voldaan aan de relevante instructieregels.

5.6 Geluid Toetsingskader Instructieregels Bij deze paragraaf zijn de instructieregels betrokken, volgend uit paragraaf 5.1.4.2 Bkl (geluid door activiteiten) en paragraaf 5.1.4.2a Bkl (geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen). Uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening volgen geen instructieregels die voor het plangebied relevant zijn. 76

In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals genoemd in Tabel 5.3. Een overschrijding is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden. Tabel 5.3 Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort

In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht: 1. bij vervangende nieuwbouw maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde en het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde mag niet wezenlijk toenemen; 2. bij functiewijziging maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde (transformatie); 3. bij zeehaven gebonden activiteiten maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde; 4. bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen; 5. bij een niet-geluidgevoelige gevel. Een overschrijding van de grenswaarden is alleen mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarden te voldoen. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel. Bij het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan. Geluid door activiteiten Een omgevingsplan houdt rekening met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan).

Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in

77

Tabel 5.4.

78

Tabel 5.4 Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw

Voor een activiteit op een in het omgevingsplan aangewezen bedrijventerrein, kunnen de waarden uit

79

Tabel 5.4 met 5 dB worden verhoogd voor geluidgevoelige gebouwen op datzelfde bedrijventerrein. In een omgevingsplan kunnen andere waarden (ook hogere) worden opgenomen als in ieder geval wordt voldaan aan de binnenwaarden volgens Tabel 5.5. Tabel 5.5 Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten

Geluid door windturbines en windparken Een omgevingsplan houdt rekening met geluid door windturbines op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het Bkl voorziet in op te nemen standaardwaarden, maar biedt hiervoor mogelijkheden om hogere of lagere waarden op te nemen in het omgevingsplan. Met die mogelijkheid wordt niet per definitie voldaan aan de instructieregel dat het omgevingsplan voorziet in aanvaardbaar geluid. Dat zal in dat geval gemotiveerd moeten worden op basis van de overwegingen die ertoe hebben geleid om een andere standaardwaarde op te nemen. Beleidskader De gemeente Capelle aan den IJssel heeft beleid op basis waarvan voor het aspect geluid kan worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Die beleidsregels zijn opgenomen in het ‘Afwegingskader Hogere grenswaarden Procedure Wet geluidhinder 2011’. Dit betreft beleid dat nog is opgesteld op basis van de Wet geluidhinder, die met de Omgevingswet grotendeels is komen te vervallen (het aspect industrielawaai tot vaststelling van GPP’s daargelaten). Voor het beoordelen van de akoestische onderzoeken en het voorschrijven van maatregelen, hanteert de gemeente Capelle aan den IJssel vooralsnog de waarden en maatregelen zoals genoemd in dit beleid. De belangrijkste voorwaarden uit het beleid zijn: •

•

•

Iedere woning moet over een geluidluwe gevel/ zijde beschikken, waar het geluid voldoet aan de standaardwaarde van alle geluidbronsoorten. Om geluidhinder en slaapverstoring te voorkomen is het zeer wenselijk dat geluidgevoelige ruimten, zoals woon- en slaapkamers, aan de geluidluwe zijde worden gesitueerd. Als een woning over een buitenruimte beschikt (tuin, terras, balkon) dan is deze bij voorkeur gesitueerd aan de geluidluwe zijde. Het geluid in de buitenruimte mag de standaardwaarde van alle geluidbronsoorten met hooguit 5 dB overschrijden. Het gecumuleerde geluid moet in beeld worden gebracht, maar de gemeente Capelle aan den IJssel heeft daar geen regels aan gekoppeld. In het beleid is aangegeven dat de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid per aanvraag wordt beoordeeld. Om die reden wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid beschouwd in samenhang met de eis van een geluidluwe gevel. Naast de eis dat het geluid bij deze geluidluwe gevel moet voldoen aan de standaardwaarde van alle geluidbronsoorten, wordt de eis toegevoegd dat het gecumuleerde geluid op geluidluwe gevels niet hoger mag zijn dan 55 dB. Zo wordt de geluidluwe gevel (en de daaraan grenzende woon- en slaapkamer) voldoende beschermd tegen geluid van buiten en zijn geen maatregelen nodig om het gecumuleerde geluid op overige gevels te beperken.

Bij hoog gecumuleerd geluid op die overige gevels kunnen wel extra geluidsisolerende maatregelen nodig zijn om aan wettelijke binnenwaarden te voldoen.

80

Onderzoeksresultaten Om de aanvaardbaarheid van de beoogde situatie op het gebied van geluid te beoordelen, is onderzoek uitgevoerd naar verkeerslawaai (bijlage 21). Ook is onderzoek uitgevoerd naar industrielawaai (bijlage 22) en horecageluid (bijlage 27). In deze paragraaf volgt een samenvatting van de resultaten en een motivering op welke wijze de regels van het omgevingsplan een aanvaardbaar geluidniveau borgen. Wegverkeerslawaai Het geluid ten gevolge van rijkswegen en gemeentewegen is in beeld gebracht op de grenzen van de bouwvlakken en ter indicatie op een voorlopig ontwerp van de nieuwbouw. Bij het onderzoek naar het gecumuleerde geluid is naast wegverkeer ook het geluid van industrieterreinen, scheepvaart en de windturbine Kralingseveer meegenomen. Uit het onderzoek is gebleken dat het geluid van rijkswegen en gemeentewegen op de randen van alle bouwvlakken hoger is dan de wettelijke standaardwaarde. Vanwege de rijkswegen wordt ook de wettelijke grenswaarde overschreden. Bron- en overdrachtsmaatregelen In het onderzoek is een analyse uitgevoerd van mogelijke bron- en overdrachtsmaatregelen om het geluid van wegverkeer te beperken. De enige geluidbeperkende maatregelen die kan worden getroffen is een snelheidsverlaging op de Abram van Rijckevorselweg (van 70 naar 50 km/uur).

In het MER wordt daarnaast nog gesproken van een snelheidsverlaging op de Rivium 1e straat (van 50 naar 30 km/uur). Deze straat is al als 30 km/uur weg ingericht, zodat geen maatregel meer nodig is. Andere denkbare maatregelen stuiten op uiteenlopende bezwaren, bijvoorbeeld vanuit financieel, verkeerskundig of stedenbouwkundig oogpunt. Ook na het treffen van de bovengenoemde maatregelen wordt de standaardwaarde overschreden. Voor de rijkswegen wordt bij bijna alle bouwvlakken ook de grenswaarde overschreden. Aangezien het niet mogelijk is om met bron- en overdrachtsmaatregelen het geluid verder te reduceren, zijn maatregelen op gebouwniveau nodig om te zorgen voor een aanvaardbare akoestische situatie. Gebouwmaatregelen Bij gebouwmaatregelen moet in eerste instantie gedacht worden aan een goede vorm, locatie en oriëntatie van de bouwblokken, zodat op natuurlijke wijze geluidluwe zijden ontstaan. Als dat niet toereikend is, kunnen op gebouwniveau aanvullende maatregelen worden getroffen. Afschermende borstweringen en afsluitbare loggia’s zijn daar voorbeelden van. Deze maatregelen zijn nodig om binnen het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te realiseren. De gemeente Capelle aan den IJssel heeft beleid opgesteld op basis waarvan voor het aspect geluid kan worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Die beleidsregels zijn opgenomen in het ‘Afwegingskader Hogere grenswaarden Procedure Wet geluidhinder 2011’. Omdat dat document is gebaseerd op de terminologie en wettelijk toegestane waarden van de Wet geluidhinder, hebben wij deze regels ‘vertaald’ naar het wettelijke kader van de Omgevingswet, die per 1 januari 2024 in werking is getreden. Ter indicatie is het geluid bepaald op de gevels van een voorlopig stedenbouwkundig ontwerp. Daaruit is gebleken dat afscherming door de gebouwen ervoor zorgt dat het geluid niet op alle gebouwgevels hoger is dan de grenswaarde voor rijkswegen. Door de vele hoogte-accenten in het huidige ontwerp blijft bij nagenoeg alle gebouwen sprake van een overschrijding van de wettelijke standaardwaarde. 81

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17080074/2