08.08 - Bijlage 3.3 - TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21b Het Nieuwe Rivium Motivering - ter vaststelling 2472355
Tekst van het document
In het omgevingsplan zijn daarom voorwaarden opgenomen waar bij de verdere planuitwerking aan moet worden voldaan. Hier wordt na de behandeling van de overige geluidbronnen nader op ingegaan. Voorwaarden omgevingsplan De voorwaarden om te komen tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zijn opgenomen in het gemeentelijke geluidbeleid. Deze voorwaarden zijn opgenomen in de regels van deze omgevingsplanwijziging, zodat daar bij de verdere planuitwerking rekening mee moet worden gehouden. Dit betreft de volgende voorwaarden: •
•
iedere woning moet over een geluidluwe gevel/ zijde beschikken, waar het geluid voldoet aan de standaardwaarde van alle geluidbronsoorten. Om geluidhinder en slaapverstoring te voorkomen is het zeer wenselijk dat geluidgevoelige ruimten, zoals woon- en slaapkamers, aan de geluidluwe zijde worden gesitueerd. als een woning over een buitenruimte beschikt (tuin, terras, balkon) dan is deze bij voorkeur gesitueerd aan de geluidluwe zijde.
Het akoestisch onderzoek doet daarnaast de volgende aanbevelingen. Deze zijn in de daarbij genoemde instrumenten geborgd: •
•
•
Om geluidhinder en slaapverstoring te voorkomen is het zeer wenselijk dat geluidgevoelige ruimten, zoals woon- en slaapkamers, aan de geluidluwe zijde worden gesitueerd. (Bbl en BKP+) Let erop dat in- en uitritten van parkeergarages de geluidluwe gevel niet verstoren. Situeer de in- en uitritten daarom niet aan de geluidluwe zijde van de gebouwen. (BKP+ en omgevingsplanwijziging) Beperk de factoren die het positieve effect van een geluidluwe zijde teniet kunnen doen, zoals geluid van andere bronnen dan verkeer (airco’s, warmtepompen, laden en lossen vrachtwagens, horeca.). (Bbl en BKP+)
Indirecte akoestische effecten van veranderend verkeer Door wijzigingen van verkeersstromen, kunnen ook op bestaande woningen akoestische effecten optreden. Om die reden zijn in het akoestisch onderzoek naar wegverkeer ook de wegvakken beschouwd in de directe nabijheid van het Rivium, waarop de effecten van het verkeer vanwege het plan het grootst is. Uit dit onderdeel van het onderzoek, blijkt dat de toename van geluid als gevolg van indirecte akoestische effecten, bij bestaande geluidgevoelige gebouwen ten hoogste 1 dB bedraagt. Wettelijk gezien is een toename van 1,5 dB nog toelaatbaar. Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van relevante indirecte akoestische effecten van het plan. Op de overige, verder weg gelegen wegvakken zal het effect van het extra verkeer vanwege de wijziging aan de wegvakken lager zijn en daarmee ook niet relevant. Industrielawaai Ten aanzien van industrielawaai is onderzoek verricht naar de geluidbelasting op de bouwvlakken van het nieuwe Rivium ten gevolge van een afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI), het geluidgezoneerde industrieterrein Stormpolder en een nabijgelegen windturbine (zie bijlage 22). Uit dat onderzoek blijkt het volgende. 82
AWZI De berekende geluidniveaus ten gevolge van de AWZI op de vergunningsposities voldoen aan de grenswaarden uit de vigerende vergunning. In de dag- en avondperiode wordt op alle toetspunten aan de standaardwaarde van respectievelijk 50 dB(A) en 45 dB(A) voldaan. In de nachtperiode wordt op meerdere posities niet voldaan aan de standaardwaarde van 40 dB(A). Deze overschrijdingen vinden tevens plaats op enkele gevels van het stedenbouwkundig ontwerp. Bij de verdere planuitwerking dient rekening gehouden te worden met de voorwaarden die opgenomen zijn in het omgevingsplan om aan de grenswaarden voor binnenniveaus (zoals voorgeschreven in het Bbl) te voldoen. Windturbine Het jaargemiddelde beoordelingsniveau Lden en Lnight ten gevolge van de windturbine op de toetspunten bij de bouwvlakken voldoen op enkele toetspunten niet aan de standaardwaarde van respectievelijk 47 dB(A) en 41 dB(A). Aangezien uit het onderzoek naar de cumulatie van geluid (verder in deze paragraaf) is gebleken dat het geluid van de windturbine niet maatgevend is voor de geluidbelasting op de beoogde blokken met geluidgevoelige gebouwen, zijn met dit omgevingsplan de standaardwaarden voor de betreffende windturbine vastgelegd conform de berekende waarden: respectievelijk 49 dB(A) en 42 dB(A). Hiermee is toepassing gegeven aan artikel 5.75 lid 2 Bkl.
Industrieterrein Stormpolder Het industrieterrein Stormpolder valt op basis van overgangsrecht nog onder de werking van de Wet geluidhinder. De komende jaren wordt de geluidzone die op basis van die wetgeving nog geldt voor het industrieterrein, omgezet naar GPP’s zoals bedoeld onder de Omgevingswet. Uit het onderzoek blijkt dat er op toetspunten gelegen binnen de geluidzone ‘Stormpolder’ enkele geluidniveaus berekend zijn die hoger liggen dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en in sommige van die gevallen ook hoger dan de maximaal vast te stellen hogere waarde van 55 dB(A) (conform de geldende wet- en regelgeving, artikel 55 lid 4 Wgh). Deze overschrijdingen treden op bij blok 11. Voor de gevels waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, worden hogere waarden vastgesteld tot de maximaal vast te stellen hogere waarde van 55 dB(A) met daarbij behorende voorwaarden. Het besluit hogere waarden industrieterrein Stormpolder is opgenomen als bijlage 43 bij deze motivering. Voor de gevels waarop een geluidbelasting als gevolg van industrieterrein Stormpolder is berekend van 56 d(A) zijn aanvullende maatregelen nodig, om aan de hogere waarde van 55 dB(A) te voldoen. In een separate notitie is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, aanvullend akoestisch onderzoek gedaan. Deze notitie is opgenomen als bijlage 47.
Horecageluid Aanvullend op wegverkeerslawaai en industrielawaai is ook onderzoek gedaan naar horecageluid, waarmee gedoeld wordt op nieuwe terrassen en ook het Zalmhuis als bestaande horecagelegenheid. Terrassen Alle onderzochte terrassen binnen Rivium zijn in combinatie met de geplande woningbouw aan te merken als aanvaardbaar. Zalmhuis 83
Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat het muziekgeluid als gevolg van het Zalmhuis en het geluid van bijbehorende terrassen zonder meer te combineren zijn met de geplande woningbouw. Het parkeerterrein van het Zalmhuis bevindt zich direct naast blok 11. Woningbouw op de begrenzing van blok 11 zal maximale geluidniveaus ondervinden van ten hoogste 73 dB(A) in alle beoordelingsperioden. Hiermee wordt de bijbehorende normstelling overschreden. Om te voldoen aan de geluidregels uit het omgevingsplan, zullen daarom maatregelen nodig zijn. Oplossingen kunnen bestaan uit het aanhouden van een grotere afstand tussen woningbouw en parkeren. Een afstand van 25 m kan hierbij als minimum worden aangehouden. Maatregelen, zoals afschermingen, zouden de genoemde afstand kunnen beperken. Een alternatief bestaat uit het toepassen van dove gevels voor woningen op korte afstand van het parkeerterrein. Cumulatie van geluid Gelet op de overschrijding van (verschillende) standaardwaarden en grenswaarden, dient de aanvaardbaarheid van het gecumuleerd geluid beoordeeld te worden. Om die reden is in het onderzoek (bijlage 21) het gecumuleerd geluid berekend.
Daarbij zijn de volgende geluidbronnen meegenomen: • wegverkeer (rijkswegen en gemeentewegen); • industrie (de afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) en industrieterrein Stormpolder); • windmolen Kralingseveer; • scheepvaart over de Nieuwe Maas. Daaruit blijkt dat het gecumuleerde geluid op basis van het gemeentelijke geluidbeleid wordt gekwalificeerd als “tamelijk slecht” tot “slecht”. Daarbij is het geluid van wegverkeer bijna altijd maatgevend. Dit betekent dat bij gevels en buitenruimtes die geluidluw zijn vanwege het geluid van wegverkeer ook sprake is van aanvaardbaar gecumuleerd geluid. In verband met cumulatie van geluid zijn er daarom geen geluidbeperkende maatregelen nodig aanvullend aan de maatregelen die genoemd zijn onder het kopje wegverkeerslawaai. De enige uitzondering hierop is de oostzijde van blok 11, waar het geluid van industrieterrein Stormpolder maatgevend is. Deze is bovendien hoger dan de wettelijke standaardwaarde. Met het oog op deze geluidbron is een hogere waardenbesluit opgesteld met bijbehorende voorwaarden om tot een aanvaardbaar geluidklimaat te komen. In bijlage 47, waar in het kader van ETFAL nog aanvullend onderzoek is gedaan naar industrielawaai, is ook de doorwerking daarvan in het gecumuleerde geluidniveau in beeld gebracht.
Gezamenlijk geluid In geval van overschrijding van één of meer standaardwaarden en/of grenswaarden, dient in het omgevingsplan het gezamenlijk geluid vastgelegd te worden. Dit volgt uit artikel 5.78ad Bkl. In combinatie met de vereiste binnenwaarde, kunnen initiatiefnemer en bevoegd gezag dan bij de bouwactiviteit de benodigde geluidwering van die gevel bepalen (artikel 4.103 Bbl). Om die reden is in het uitgevoerde onderzoek (bijlage 21) ook het gezamenlijk geluid berekend voor de ontwikkelvelden die met deze omgevingsplanwijziging mogelijk worden. De berekende waarden zijn vastgelegd in de regels van dit omgevingsplan (artikel 22.2.5). Op basis hiervan kan bij de uitwerking 84
van de bouwplannen de geluidwering bepaald worden, die bij de aanvraag omgevingsvergunning getoetst zal worden. Gelet op het berekende gezamenlijk geluid, zullen extra geluidwerende maatregelen aan de gevel nodig zijn om te voldoen aan de vereiste binnenwaarde van 33 dB. In de fase van de omgevingsvergunningaanvraag kan door het bevoegd gezag van deze waarden voor het gezamenlijk geluid worden afgeweken, als door aanpassingen in de gebouwen of de omgeving, een hogere of lagere waarde voor het gezamenlijk geluid verondersteld kan worden. Conclusie Het omgevingsplan biedt de benodigde flexibiliteit voor de verdere ruimtelijke en programmatische uitwerking. In de planregels (artikel 22.2) is geborgd dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning aan de voor geluid opgenomen voorwaarden zal moeten worden voldaan, waarmee een akoestisch aanvaardbare situatie geborgd is. Gelet op de motivering in deze paragraaf, is het aspect geluid betrokken bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en wordt voldaan aan de relevante instructieregels.
5.7 Geur Toetsingskader Instructieregels Bij deze paragraaf zijn de instructieregels betrokken, volgend uit paragraaf 5.1.4.6 Bkl (geur). Uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening volgen geen instructieregels die voor het plangebied relevant zijn. Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over de verschillende Amvb’s van de Omgevingswet. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Onderzoek AWZI Aan de westzijde van het Rivium ligt de afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) Kralingseveer. Op basis van de vergunde situatie heeft de AWZI een geurcontour die over het plangebied Rivium ligt, zoals ook blijkt uit figuur 5.15.
85
Figuur 5.15 Vergunde geurcontour AWZI Kralingseveer (vergunning 2008)
Voor het inzichtelijk maken van de geurbelasting van de AWZI op de gewenste stedelijke ontwikkeling van Rivium is uitgegaan van de vigerende vergunning van de AWZI. Vergunningvoorschrift 2.1 stelt dat ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting de berekende geurimmissieconcentratie ter plaatse van aaneengesloten woonbebouwing en lintbebouwing of andere geurgevoelige gebouwen niet hoger is dan 1 ge/m3 (0,5 ouE/m3) als 98-percentiel en ter plaatse van woningen op een industrieterrein niet hoger is dan 2 ge/m3 (1,0 ouE/m3) als 98-percentiel. Het planvoornemen om het Rivium te wijzigen in een gemengd gebied met onder andere woningen, bevindt zich ten oosten van de AWZI. Uit uitgevoerd geuronderzoek (bijlage 9) blijkt dat bij aaneengesloten woonbebouwing en lintbebouwing of andere geurgevoelige gebouwen de geurimmissie hoger is dan 1 ge/m3 (0,5 ouE/m3) als 98-percentiel. Hierdoor is de woningbouw in Rivium (gedeeltelijk) niet mogelijk bij de Parkblokken (links), Marktplein (links), de Stadsblokken Noord (links), de Stadsblokken zuid (links), en Maasplein wanneer wordt uitgegaan van de maximale geuremissies van de AWZI in de vergunde situatie. Naar aanleiding hiervan heeft het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) samen met de gemeente, DCMR en provincie mogelijke maatregelen onderzocht om de geurhinder te verminderen.
In dit onderzoek (Olfasense, 2022, zie MER paragrafen 5.4 en 7.3.4.3) is een inventarisatie en doorrekening gemaakt van bronmaatregelen om te komen tot een situatie waarbij er (nagenoeg) geen overschrijding meer optreedt van de geurnorm ter plaatse van de nieuwe woonbebouwing.
86
Hierbij is gekeken naar onder andere de halvering van de noodslibopslag, afdekking tanks en afvoer van ventilatielucht via de centrale schoorsteen. Ook is een vermindering van de geuremissie van de schoorsteen onderzocht, alsmede een verhoging van de schoorsteen en de verplaatsing van de schoorsteen op het terrein van de AWZI. Op basis van deze inventarisatie is gebleken dat het mogelijk is een maatregelenpakket op de AWZI uit te voeren waarmee de geurcontour significant wordt beperkt. De te treffen maatregelen zijn vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst tussen HHSK, gemeente Capelle aan den IJssel en provincie Zuid-Holland. De vastgelegde maatregelen omvatten: • • •
Beluchtingscircuit voorzien van afdekking en afzuiging; Aanpassen luchtbehandeling; Realiseren slibverladingshal.
Ook met het treffen van deze maatregelen, waarmee de geurcontour verkleind kan worden en de AWZI duurzaam kan blijven functioneren, blijft er nog een zekere mate van overlap van de geurcontour met voorgenomen ontwikkelingen. De geurcontour ligt aan de oost- en zuidzijde van de AWZI over gronden waar transformatie wordt beoogd. Aan de noordzijde van de AWZI valt de geurcontour over bestaande kantoorgebouwen die niet transformeren. Bij de in Figuur 5.16 rood weergegeven delen blijft de geurbelasting gelet op de onderzoeksresultaten en rekening houdend met de overeengekomen maatregelen dusdanig hoog dat geurgevoelige gebouwen hier in het omgevingsplan zijn uitgesloten. In de zone in geel weergegeven zijn geurgevoelige gebouwen wel mogelijk, maar onder voorwaarden. Tevens is in het omgevingsplan de waarde van 0,5 ouE/m3 op een geurgevoelig gebouw (buiten deze beide zones) vastgelegd voor het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk (de AWZI). Dit laatste betreft de borging dat de maatregelen aan de AWZI waarvan in het onderzoek is uitgegaan, ook worden getroffen, om zo de voorgeschreven waarde te behalen. Overigens moet figuur 5.16 als indicatief worden beschouwd. Op de verbeelding van dit omgevingsplan zijn de grenzen van beide zones (waar woningen uitgesloten en waar woningen onder voorwaarden mogelijk zijn) exact vastgelegd zoals deze met het HHSK zijn overeengekomen.
Daarnaast is met artikel 6.5.2 van dit omgevingsplan de mogelijkheid opgenomen om, onder voorwaarden, meer schoorstenen te realiseren en tot een grotere hoogte, wanneer dit als maatregel wordt gedaan om de mate van geurhinder in te perken.
87
Figuur 5.16 Contouren (indicatief) zoals vastgelegd in omgevingsplan met voorwaarden t.a.v. geurgevoelige objecten
Zalmhuis Naast de behandeling van het aspect geur als gevolg van instructieregels, is dit aspect ook beschouwd vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dat licht is aandacht besteed aan de horeca-activiteiten van het Zalmhuis. Met deze activiteiten is ook een geurcomponent gemoeid, die beschouwd is met het oog op ontwikkelveld 11 dat zich op korte afstand daarvan bevindt. In de huidige situatie bevinden zich twee hogere kantoorpanden die respectievelijk ruim 27 meter (Rivium Promenade 134) en ongeveer 25 meter (Rivium Promenade 178) van het emissiepunt van het horecagebouw zijn gelegen. In het onderhavige geval wordt gebruik gemaakt van een afzuiginstallatie die bovendaks emitteert. In de nieuwe situatie kunnen er geurgevoelige gebouwen op kortere afstand komen te liggen. De geursituatie is dan aanvaardbaar te maken als de kookdampen via een ontgeuringsinstallatie bovendaks worden afgevoerd. Dit is vergelijkbaar met situaties die veelvuldig in een centrumgebied en elders voorkomen en daarmee passend in een hoogstedelijk gemengd gebied.
88
Conclusie Door het nemen van de noodzakelijke maatregelen aan de AWZI én de borging van maatregelen in dit omgevingsplan (artikel 22.4, 22.8 en 22.9) kunnen de bedrijfsvoering van de AWZI en de transformatie van het Rivium naast elkaar plaatsvinden. Voor het Zalmhuis zullen zo nodig passende afspraken moeten worden gemaakt. Gelet op de motivering in deze paragraaf, is het aspect geur betrokken bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en wordt voldaan aan de relevante instructieregels. Overigens heeft deze conclusie uitsluitend betrekking op het aspect geurhinder zoals onderzocht voor in het Bkl aangewezen activiteiten en daarnaast specifiek het Zalmhuis. Geurhinder als gevolg van reguliere bedrijven maakt onderdeel uit van de motivering in paragraaf 5.8 die hierna volgt.
5.8 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Bij nieuwe ontwikkelingen dient voldoende afstand in acht genomen te worden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Voor het bepalen van deze afstand wordt de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) gebruikt. Deze publicatie geeft voor vele bedrijf categorieën, opslagruimten en installaties aan welke milieuaspecten (geur, stof, geluid en/of gevaar) een rol kunnen spelen en biedt een handreiking ten aanzien van welke gemiddelde afstanden tot woonbebouwing vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties 'passend' zijn. In de publicatie zijn bedrijfsactiviteiten ingedeeld in zes categorieën, variërend van lichte tot zeer zware milieuhinder. Per milieucategorie zijn richtafstanden tot hindergevoelige functies opgenomen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in twee gebiedstypen: een rustige woonwijk en een gebied met een menging van functies. In de tabel hierna zijn deze richtafstanden weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur. Tabel 5.6 Richtafstanden per milieucategorie
Milieucategorie
Richtafstanden in 'rustige woonwijk'
1 2 3 4 5 6
10 meter 30 meter 50-100 meter 200-300 meter 500-1.000 meter 1.500 meter
Richtafstanden in 'gemengd gebied' 0 meter 10 meter 30-50 meter 100-200 meter 300-700 meter 1.000 meter
De VNG-publicatie is geen wet, maar wel een algemeen aanvaarde richtlijn voor de toepassing van milieuzonering in een ruimtelijk plan. Niettemin gaat de publicatie uit van richtafstanden, die in algemene zin bepaald zijn op basis van gemiddelde productieprocessen. Dat betekent dat bij de toepassing van de publicatie altijd ook de feitelijke situatie ter plaatse in ogenschouw moet worden genomen. Onderzoeksresultaten De wijze waarop bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen, zich na de transformatie van het
89
Rivium tot elkaar verhouden, is behandeld in een separate notitie. Deze is opgenomen in bijlage 38 bij deze motivering. De notitie gaat in op de bedrijvigheid in het Rivium zelf, waarmee zowel bestaande bedrijvigheid als bedrijvigheid in de te ontwikkelen delen wordt bedoeld. De notitie motiveert daarnaast dat de RWZI en de windturbine op het Rivium en het gezoneerde industrieterrein Stormpolder (betoncentrale in de gemeente Rotterdam, met geluidcontour deels over het Rivium) op deze plek niet aan de orde komen. Deze vormen van bedrijvigheid zijn immers in de paragraaf ‘Geluid’ (5.6) en ‘Geur’ (5.7) reeds behandeld. De huidige planologische regeling voor het Rivium staat overal categorie 3.1 bedrijven toe, maar dit wordt met deze omgevingsplanwijziging herzien om het Nieuwe Rivium als gemengd gebied mogelijk te maken. Met de omgevingsplanwijziging wordt de algemeen toegestane milieucategorie op de percelen waarop de functie (voorheen: bestemming) bedrijf behouden blijft, teruggebracht naar maximaal categorie 2. Daarnaast blijven met specifiek opgenomen aanduidingen de bedrijfsactiviteiten van de AWZI, de windturbine en een drietal bestaande groothandelsbedrijven (zie bijlage 38) toegestaan, aangezien de algemeen toegestane mogelijkheid van maximaal categorie 2 voor deze bedrijvigheid niet toereikend is.
Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de toegestane milieucategorieën vallen de volgende situaties te onderscheiden. • Bedrijven (maximaal categorie 2) op voldoende afstand van ontwikkelvelden De percelen waar conform de huidige regeling een bedrijfsbestemming opgenomen blijft, waarvan de maximaal toegestane milieucategorie is teruggebracht naar maximaal milieucategorie 2, bevinden zich grotendeels op een afstand van meer dan 10 m van de ontwikkelvelden. Op basis van de genoemde richtafstanden wordt de toegestane bedrijvigheid (maximaal categorie 2) op die percelen acceptabel geacht. • Bedrijven (maximaal categorie 2) op kortere afstand tot ontwikkelvelden Op een aantal locaties bevindt het functievlak ‘Bedrijven’, waar bedrijven tot maximaal categorie 2 zijn toegestaan, zich op een kortere afstand tot de ontwikkelvelden dan de bijbehorende richtafstand van 10 m (binnen het gebiedstype gemengd gebied). Dit is aan de orde bij de bouwblokken 1a en 3 (zie figuur 5.17), waar de functievlakken van het ontwikkelveld en de bedrijvigheid direct aan elkaar grenzen. Uit een inventarisatie van de huidige bedrijfsactiviteiten op de aangrenzende bedrijfspercelen is gebleken dat deze percelen in gebruik zijn als kantoor. Kantoren zijn ingeschaald als milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 m in gemengd gebied.
Dit maakt dat de huidige bedrijfsvoering op deze bedrijfspercelen niet belemmerd wordt door de beoogde herontwikkeling op de naastgelegen ontwikkelvelden 1a en 3. Op het moment dat zich op deze bedrijfspercelen nieuwe bedrijven vestigen, passend binnen de maximaal toegestane categorie 2, hebben zij in hun bedrijfsvoering rekening te houden met de (dan) vastgestelde bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de naastgelegen ontwikkelvelden, volgend uit deze omgevingsplanwijziging. In de praktijk laat dit zich in het algemeen zonder problemen naast elkaar combineren, of is hinder goed te voorkomen door het maatregelen te treffen in de bedrijfsvoering van een dergelijk nieuw bedrijf. 90
Figuur 5.17 Situaties waar bedrijvigheid (max. cat. 2) direct naast ontwikkelvelden is toegestaan (in rood aangeduid)
•
Bedrijven (maatwerk categorie 3.1) nabij ontwikkelvelden Uit bijlage 38 blijkt verder dat drie bestaande bedrijven van categorie 3.1 zijn gelegen binnen een afstand van 30 meter van locaties waar woningen (en andere nieuwe functies) mogelijk worden gemaakt. De richtafstand uit de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering voor een gemengd gebied wordt daarmee niet behaald. De VNG-richtafstanden vormen echter een hulpmiddel bij de beoordeling en er kan gemotiveerd van worden afgeweken indien sprake blijft van een aanvaardbare ruimtelijke situatie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is beoordeeld dat woningbouw op deze locaties in beginsel mogelijk is. Indien bij de vergunningaanvraag voor de woningen blijkt dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn, kunnen voorschriften (bij de vergunning voor de woningen) of maatwerkvoorschriften (ten behoeve van de betreffende bedrijven) worden gesteld teneinde een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen en de bedrijfsvoering van de bestaande bedrijven te beschermen. Gelet op het voorgaande vormt de aanwezigheid van de drie bedrijven op voorhand geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
•
Bedrijven binnen de ontwikkelvelden Binnen de ontwikkelvelden wordt gebruikt gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten ‘functiemenging’. De in deze Staat opgenomen activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving dat zij in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend. Voor categorie B geldt wel dat de activiteiten bouwkundig gescheiden van woningen en andere gevoelige functies moeten plaatsvinden.
Conclusie Gelet op de motivering in deze paragraaf, is het aspect bedrijven en milieuzonering betrokken bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
91
De afwaardering van (maximaal) milieucategorie 3.1 naar milieucategorie 2 is toegepast om betere voorwaarden te creëren voor het Nieuwe Rivium als gemengd woon-werk-gebied. Voor bestaande bedrijven met een categorie hoger dan 2, voorziet de omgevingsplanwijziging in maatwerk om deze bestaande bedrijfsvoering voort te kunnen blijven zetten. Tevens is gemotiveerd dat de bedrijfsmogelijkheden die dit omgevingsplan biedt, verenigbaar zijn met de overige functies die het plan eveneens mogelijk maakt.
5.9 Luchtkwaliteit Toetsingskader Instructieregels Bij deze paragraaf zijn de instructieregels betrokken, volgend uit paragraaf 5.1.4.1 Bkl (kwaliteit van de buitenlucht). Uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening volgen geen instructieregels die voor het plangebied relevant zijn. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met de kwaliteit van de buitenlucht. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet in een aantal situaties worden getoetst aan omgevingswaarden voor lucht. In een beperkt aantal gevallen is onderzoek nodig. Onderzoeksresultaten Voor de beoogde transformatie van het Rivium is onderzoek gedaan naar de effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 23. De ontwikkeling zorgt namelijk voor extra verkeersgeneratie en er moet getoetst worden of de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De gemeente Capelle aan den IJssel is aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof waardoor getoetst moet worden of de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de kwaliteit van de buitenlucht. Voor de ontwikkeling van het Rivium-gebied moet worden voldaan aan de wettelijke rijksomgevingswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5.
Wettelijke rijksomgevingswaarden Als gevolg van de transformatie van het Rivium vindt geen overschrijdingen van de jaargemiddelde NO2-rijksomgevingswaarde plaats. In de onderstaande tabel zijn de rekenresultaten weergegeven.
92
Tabel 5.7 Maximale concentraties in het VKA (2030) t.o.v. rijksomgevingswaarden Maximale concentraties langs de weg Studiegebied
NO2 jaargemiddeld 3
PM10 jaargemiddeld 3
PM2,5 jaargemiddeld 3
PM10/PM2,5 etmaal
[μg/m ]
[μg/m ]
[μg/m ]
[dagen]
Rijksomgevingswaarden
40
40
25
35 / -
VKA
34,4 (17,6)*
18,2 (17,0)
9,2 (9,1)
6/-
Maximale planbijdrage Om de maximale planbijdrage te bepalen, is de referentiesituatie vergeleken op basis van de maximale planbijdrage langs de wegen op de beoordelingspunten uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. In de tabel hieronder zijn de maximale planbijdragen langs de weg weergegeven. Tabel 5.8 Gemiddelde concentraties langs de weg Maximale bijdrage t.o.v. referentie situatie Studiegebied
VKA
NO2 jaargemiddeld
PM10 jaargemiddeld
PM2,5 jaargemiddeld
[μg/m3]
[μg/m3]
[μg/m3]
2,4
0,4
0,1
Uit het onderzoek blijkt dat op een aantal punten in het studiegebied de jaargemiddelde concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 toenemen. Voor de concentratie van NO2 wordt een maximale bijdrage tussen +1,2 en +2,4 μg/m3 berekend. Een dergelijke bijdrage wordt als ‘in betekende mate’ aangemerkt. Voor de concentraties van PM10-, en PM2,5 wordt een bijdrage tussen de -1,2 en +1,2 μg/m3 als ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) gedefinieerd. De ontwikkeling draagt voor het aspect luchtkwaliteit bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat ter plaatse de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof onder de grenswaarden liggen. Met de ontwikkeling wijzigt dit niet. Het onderzoek toont aan dat maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit niet vereist zijn, aangezien de vastgestelde rijksomgevingswaarden niet overschreden worden. Conclusie Gelet op de motivering in deze paragraaf, is het aspect luchtkwaliteit betrokken bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en wordt voldaan aan de relevante instructieregels.
5.10 Omgevingsveiligheid Toetsingskader Instructieregels Bij deze paragraaf zijn de instructieregels betrokken, volgend uit paragraaf 5.1.2 Bkl (waarborgen van de veiligheid) en uit paragraaf 7.3.2 (omgevingsveiligheid) van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. 93
De Omgevingswet regelt alle aspecten van de fysieke leefomgeving, inclusief het milieuthema externe veiligheid. Op de Omgevingswet zijn vier AmvB’s en één ministeriële regeling gebaseerd: •
•
• • •
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal staan algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving, waaronder milieubelastende activiteiten. In het Bal staan maatregelen om de externe veiligheidsrisico’s van een activiteit te beperken. Ook staan hier een aantal vaste afstanden in voor activiteiten. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Op het gebied van externe veiligheid noemt hoofdstuk 5 de instructieregels bij het opstellen van een omgevingsplan. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het Bbl regelt voor externe veiligheid dat er aanvullende bouwkundige eisen gelden in voorschriftengebieden. Omgevingsbesluit. Het Omgevingsbesluit bevat onder andere regels over bevoegdheden, advisering en procedures (o.a. mer). Omgevingsregeling. De Omgevingsregeling bevat onder andere regels over de aanwijzing van locaties, gegevens en bescheiden, aanvraagvereisten, BBT-documenten en rekenmethodieken.
Beleidskader Naast de landelijke wetgeving op het gebied van externe veiligheid, is er onder de Omgevingswet ruimte gelaten voor provinciale en lokale beleidskeuzes. In de provincie Zuid-Holland geldt de ZuidHollandse Omgevingsverordening. De provincie Zuid-Holland heeft in deze Omgevingsverordening meerdere eisen omtrent het groepsrisico (GR) en verschillende risicovolle milieubelastende activiteiten (MBA’s) vastgelegd. Onder de Omgevingswet is het kwantitatief bepalen van het GR niet altijd meer een verplichting. De provincie Zuid-Holland heeft in haar Omgevingsverordening vastgelegd dat het GR berekend moet worden wanneer een ontwikkeling het potentieel geeft om een verhoogd GR te veroorzaken. Van een verhoogd GR is sprake wanneer de oriëntatiewaarde overschreden wordt. Onderzoeksresultaten In het kader van het omgevingsplan is onderzoek gedaan naar het aspect omgevingsveiligheid (zie bijlage 25). Het planvoornemen maakt geen nieuwe of uitbreiding van bestaande risicovolle MBA’s in het kader van externe veiligheid mogelijk. In het plangebied worden onder andere 5.000 woningen en kantoren ontwikkeld. Daarnaast worden bijbehorende (commerciële) voorzieningen en mogelijk een kinderdagverblijf of basisschool gerealiseerd.
Om deze reden zijn de functies die het planvoornemen mogelijk maakt relevant in het kader van externe veiligheid en zijn de bestaande risicovolle MBA’s in de omgeving van het plangebied beschouwd. Deze zijn onderzocht aan de hand van de Signaleringskaart. Voor het plangebied zijn de volgende risicovolle MBA’s relevant in het kader van externe veiligheid: • • • • •
Autosnelweg A16 (afrit 25 Centrum – knooppunt Ridderkerk-Noord) N210 Vaarweg Nieuwe Maas (corridor Rotterdam - Duitsland) Windturbine Tankstations aan de N210: o Tango Capelle aan den IJssel Zuid o Go Café – Rivium Noord
Over de A16 constateert het onderzoek dat de PR 10-6-contour wel over het plangebied maar niet over het planvoornemen (de te transformeren delen van het Rivium) ligt. Het planvoornemen ligt eveneens
94
buiten brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied van de snelweg. De A16 is daarmee geen relevante risicobron voor de beoogde transformatie. Voor de N210 is op basis van een lokale beleidsbeslissing het groepsrisico in beeld gebracht. Daaruit blijkt dat de ontwikkeling van het planvoornemen niet zorgt voor een significant hoger groepsrisico ten opzichte van de bestaande situatie. De hoogte van het groepsrisico blijft 1,4 maal de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat het groepsrisico voornamelijk wordt veroorzaakt door de bestaande bebouwing. Deze bebouwing ligt direct langs de N210 bij de afrit aan de noordzijde van het plangebied. De groepsrisicoberekening laat eveneens zien dat het planvoornemen op voldoende afstand (+/- 60 meter) van de weg ligt, omdat het groepsrisico niet toeneemt ondanks een andere invulling. Voor de Nieuwe Maas constateert het onderzoek dat PR 10-6-contour op de oeverlijn en daarmee niet over het plangebied valt. De Nieuwe Maas heeft wel een brand- (30 meter), explosie- (200 meter) en gifwolkaandachtsgebied (300 meter, nog niet officieel vastgelegd in het Bkl). Het explosieaandachtsgebied valt deels over het planvoornemen. Binnen dit aandachtsgebied worden geen zeer kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt. In dat geval zou een voorschriftengebied verplicht zijn geweest om in het omgevingsplan vast te leggen.
De school die in het Nieuwe Rivium mogelijk wordt gemaakt en die als zeer kwetsbaar gebouw moet worden aangemerkt, is specifiek mogelijk gemaakt in blok 2 en bevindt zich zodoende ver buiten het betreffende aandachtsgebied. Andere zeer kwetsbare gebouwen of locaties zijn specifiek uitgesloten. Wel worden er binnen het explosieaandachtsgebied van de Nieuwe Maas (beperkt) kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt, zoals kantoren en woningen. Hiervoor is het aan het bevoegd gezag om een afweging te maken over het al dan niet opnemen van een voorschriftengebied. Op basis van de toetsing van het groepsrisico, die mede met het oog op de provinciale instructieregels is uitgevoerd, blijkt dat de ontwikkeling van het plangebied niet resulteert in een significante toe- of afname van het groepsrisico (<0,01 maal de oriëntatiewaarde). Het vaststellen van een voorschriftengebied (en daarmee extra maatregelen) wordt op basis van de onderzoeksresultaten niet van toegevoegde waarde geacht. Om die reden is daaraan bij deze omgevingsplan geen toepassing gegeven. De windturbine staat binnen het plangebied, maar buiten het planvoornemen. De generieke PR 10-6contour bedraagt 198 meter. Aangezien de te transformeren delen van het Rivium zich buiten deze contour bevinden, vormt de windturbine met het oog op omgevingsveiligheid geen relevante, milieubelastende activiteit.
Wel is het met het oog op de windturbine zaak om de PR 10-6-contour in het omgevingsplan vast te leggen, aangezien hier geen kwetsbare gebouwen, zeer kwetsbare gebouwen en/of kwetsbare locaties gerealiseerd mogen worden. Deze contour ligt over het terrein van de AWZI, waar dergelijke gebouwen anders mogelijk zouden zijn. Het omgevingsplan sluit deze gebouwen en locaties daarom specifiek uit binnen de betreffende contour. De beide tankstations aan de N210 zijn in het onderzoek opgenomen aangezien bij beide tankstations de aanduiding veiligheidszone – lpg is opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan. Uit het onderzoek blijkt echter dat de verkoop van LPG bij beide tankstations niet meer aan de orde is. Deze tankstations hebben zodoende geen PR 10-6 per jaar contour en aandachtsgebieden en worden om die reden niet meer als relevant beschouwd voor de beoogde transformatie van Rivium. Conclusie Gelet op de afweging die is gemaakt met het oog op de Nieuwe Maas, is de keuze gemaakt om hiervoor geen voorschriftengebied op te nemen. Met het oog op de windturbine op het terrein van de AWZI is met het oog op het aspect omgevingsveiligheid een regeling opgenomen in artikel 22.10. 95
Gelet op de motivering in deze paragraaf, is het aspect omgevingsveiligheid betrokken bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en wordt voldaan aan de relevante instructieregels.
5.11 Windhinder Toetsingskader Voor het aspect windhinder bestaat geen wettelijk kader, maar de gemeente hanteert hiervoor het Toetsingskader hoogbouw dat begin 2025 is vastgesteld. Daaruit vloeit voort bij welke bouwplannen het aspect windhinder onderzocht moeten worden en welke kwantitatieve criteria daarbij gehanteerd worden. Het toetsingskader schrijft dergelijk onderzoek voor bouwplannen vanaf categorie M (Medium, d.w.z. hoogbouw tot 50 m). Het hoogbouwbeleid stelt in algemene zin dat een aangenaam windklimaat het uitgangspunt is. Daarbij kan windhinder (>5 m/s) op sommige plekken acceptabel zijn. Windgevaar (>15 m/s) is altijd onwenselijk. In het BKP+ is nader ingezoomd op het Nieuw Rivium en zijn de ambities vastgelegd op het gebied van het beoogde windklimaat. Daarbij is rekening gehouden met de functies van verschillende plekken (zoals openbaar gebied en binnentuinen). Ook is daarbij rekening gehouden met ambities op het gebied van schaduw, zon en geluid, aangezien deze aspecten samen met wind soms om onderling tegenstrijdige keuzes of maatregelen vragen en dus van invloed kunnen zijn op een reëel ambitieniveau.
Onderzoeksresultaten Aangezien windhinderonderzoek verplicht is vanaf hoogbouwcategorie M uit het Toetsingskader hoogbouw en er in het Nieuwe Rivium sprake is van hoogbouw tot en met categorie XL, is voor de transformatie van het Rivium windhinderonderzoek uitgevoerd (bijlage 29). De eisen zoals die voor het Nieuwe Rivium in paragraaf 7.2.3 van het BKP+ zijn vastgelegd hierover, luiden als volgt: • •
•
•
Voor het gehele Rivium mag de kans op windgevaar (windstoten >15 meter per seconde) niet meer dan 0,05 procent per jaar bedragen. Op bepaalde locaties wordt windhinder (5 meter per seconde) geaccepteerd, dit is aangegeven op de onderstaande kaart. Windgevoelige functies worden niet geplaatst in zones met een windhinderkans van 10-20 procent. Het stimuleren van luchtverversing en lichte luchtbeweging op binnenplaatsen wordt aangemoedigd. Dit wordt bereikt door de juiste vormgeving van bebouwing en de inrichting van het terrein. Windluwe plekken worden gecreëerd op specifieke locaties (nader beschreven in BKP+).
Bij deze eisen hoort de windkwaliteitsklassekaart zoals opgenomen in de volgende figuur.
96
Figuur 5.18 Windkwaliteitsklassekaart zoals vastgelegd in BKP+
In het uitgevoerde windhinderonderzoek is het stedenbouwkundig model getoetst aan deze eisen. Uit het onderzoek volgt dat het plan op een aantal punten gunstige resultaten laat zien, te weten: • • • • •
Met enkele uitzonderingen op het noorden van het Marktplein heerst voornamelijk klasse A/B op Rivium Boulevard, er is dus genoeg ruimte voor de activiteiten zitten en slenteren. De meeste binnenterreinen genieten een goed windklimaat, grotendeels klasse A. Op Rivium Promenade heerst grotendeels klasse C, hoger dan de in de ambitie vastgestelde klasse D. De Rivium Oostlaan en Rivium Westlaan genieten een zeer rustig windklimaat, met name klasse A. Het schoolplein heeft een windklimaat van klasse A. Dit is zeer geschikt voor de functie.
Grote delen van het plangebied voldoen daarmee aan de gestelde eisen. Tegelijkertijd somt het onderzoek ook een aantal specifieke locaties en aandachtspunten op waar het plan nog niet voldoet aan de gestelde eisen. Daarvan moet worden opgemerkt dat het onderzoek nog een zeker abstractieniveau kent en dat bij de uitwerking van de latere bouw- en inrichtingsplannen bij uitstek gestuurd kan worden op het uiteindelijke windklimaat door de detaillering van de bouwplannen en aan de gebouwen en/of in het openbaar gebied te treffen maatregelen. Voorbeelden van elementen die van invloed zijn op het 97
windhinderklimaat en die dus ingezet kunnen worden voor verbetering, zijn setbacks, luifels, de locatiekeuze van entrees of het aanbrengen van vegetatie. Voor de punten die in het onderzoek nog niet voldoen aan de gestelde eisen, beschrijft het rapport verschillende mogelijkheden om ter plaatse tot verbetering te komen. Gelet op de nu berekende resultaten en de verbetering die nog behaald kan worden bij de uitwerking van bouw- en inrichtingsplannen, concludeert het onderzoek dat de gestelde eisen uit het BKP+ haalbaar worden geacht. Gelet op het bovenstaande is in het omgevingsplan een regeling opgenomen (artikel 22.11) dat in de fase van de omgevingsvergunning voor het bouwen aangetoond moet worden dat met het bouwplan voldaan wordt aan de gestelde eisen uit het BKP+ ten aanzien van windhinder. Conclusie Met de borging van het aspect windhinder in de planregels (artikel 22.11) en het BKP+ is zeker gesteld dat bij de daadwerkelijke transformatie die maatregelen getroffen worden die nog nodig zijn om het gewenste windklimaat te behalen. Gelet op de motivering in deze paragraaf, is het aspect windhinder betrokken bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.12 Bezonning Toetsingskader Voor het aspect bezonning bestaat geen wettelijk kader, maar de gemeente hanteert hiervoor het Toetsingskader hoogbouw dat begin 2025 is vastgesteld. Daaruit vloeit voort bij welke bouwplannen de effecten op bezonning onderzocht moeten worden en welke kwantitatieve criteria daarbij gehanteerd worden. Uit het Toetsingskader hoogbouw volgt dat voor alle hoogbouwcategorieën (d.w.z. vanaf 15 m bouwhoogte) bezonningsonderzoek verplicht is, waarbij het te onderzoeken gebied bestaat uit een gebied met 3x de straal van de (hoogste) bouwhoogte. Wanneer niet (volledig) aan de vereisten uit het Toetsingskader hoogbouw kan worden voldaan, biedt het toetsingskader ook de mogelijkheid om hier gemotiveerd van af te wijken. Die ruimte wordt geboden voor die ontwikkelingen waarvan de maatschappelijke voordelen opwegen tegen de kwantitatieve afwijking van de norm. Om willekeur te voorkomen, voorziet het Toetsingskader in een drietal afwegingscriteria, op basis waarvan deze afweging moet worden gemaakt. Naast het effect op de bestaande omgeving, richt het Toetsingskader hoogbouw zich ook op het uitvoeren van een zonstudie op het projectgebied (de nieuwe woningen). Via een zonkwaliteitskaart, kunnen daarnaast belangrijke verblijfsplekken aangewezen worden, waar een minimaal aantal zonuren geldt bij de beoordeling van de bezonning.
In het BKP+ is nader ingezoomd op het Nieuw Rivium en zijn de ambities vastgelegd op het gebied van bezonning. Daarbij is rekening gehouden met de functies van verschillende plekken (zoals openbaar gebied en binnentuinen). Ook is daarbij rekening gehouden met ambities op het gebied van windhinder en geluid, aangezien deze aspecten samen met bezonning soms om onderling tegenstrijdige keuzes of maatregelen vragen en dus van invloed kunnen zijn op een reëel ambitieniveau. 98
Onderzoek Aangezien bezonningsonderzoek verplicht is voor alle hoogbouwcategorieën uit het Toetsingskader hoogbouw, is voor de transformatie van het Rivium bezonningsonderzoek uitgevoerd (bijlage 29 en bijlage 39). De eisen zoals die voor het Nieuwe Rivium in paragraaf 7.2.1 van het BKP+ zijn vastgelegd hierover, luiden als volgt: Bezonning •
Voor het Rivium gelden de afwegingscriteria zoals genoemd in het Toetsingskader hoogbouw.
Zongebieden •
Er is ten minste 4 uur bezonning in de periode van 21 juni tot 21 september in circa de helft van het oppervlak (Marktplein, het Rivium Park en het Maasplein, collectieve buitenruimtes)
Collectieve buitenruimtes •
Collectieve buitenruimtes, toegankelijke maaivelden, verhoogde maaivelden en daken, moeten voldoen aan dezelfde norm. 50 procent van het totale oppervlak moet dagelijks minimaal 4 uur zonlicht ontvangen. In het binnengebied van Campus, blok 1, is minimaal 2 uur zonlicht per dag vereist tussen 12:00 en 17:00 uur.
Zonplekken •
Specifieke zonplekken moeten dagelijks minimaal 4 uur zonlicht ontvangen tussen 12:00 en 19:00 uur, in de periode van 21 juni tot 21 september. Deze zonplekken bevinden zich op: o Gebouwhoeken aan de oostzijde van de Rivium Boulevard; o De 1e, 2e, 3e en 4e straat; o Het Maasplein (bij het horecaterras).
Ochtendzonplekken •
In aanvulling hierop moeten bepaalde ochtendzonplekken tussen 8:00 en 11:00 uur minstens 1 uur zonlicht krijgen in dezelfde periode.
Buitenspeelplaats school •
De buitenspeelplaats van de school heeft een sunspot waar tussen 19 februari en 21 oktober dagelijks minimaal 4 uur zonlicht beschikbaar moet zijn, van 8:00 tot 16:00 uur.
Groengebieden in de omgeving •
Voor het park bij Kralingseveer is een beperkte afname van zonlicht toegestaan tussen 19 februari en 21 oktober, waarbij rekening wordt gehouden met de bouwvolumes in de omgeving.
99
Figuur 5.19 Indicatie van zonnige gebieden en specifieke sunspots of kritische plekken (bron BKP+ Rivium)
In het uitgevoerde bezonningsonderzoek is het stedenbouwkundig model getoetst aan deze eisen. Uit het onderzoek volgen de volgende conclusies. Het onderzoek (bijlage 29) laat zien dat over het algemeen op het zuidelijke deel van het plangebied aan de bezonningsambities wordt voldaan. Op de noordelijke delen is de dichtheid groter, waardoor er minder zon tot het maaiveld en daarmee tot de binnenterreinen kan toetreden. Een uitzondering is de noordelijke ochtend zonplek, die juist erg goed presteert, en het binnenterrein van blok 1. Ook het schoolplein voldoet aan de ambitie. Het grootste aandachtspunt zijn de binnenterreinen. Door de typologie van plint en torens rond een binnenterrein kan er in blokken 2 t/m 7 onvoldoende zon binnentreden. Hier kan de gestelde ambitie alsnog worden behaald wanneer in meer collectieve buitenruimte wordt voorzien op daken, waarmee per bouwblok een groter oppervlak bereikt wordt met een minimum van 4 uur zon. Over de ochtendzonplekken wordt in het onderzoek nog geconcludeerd dat de middelste ochtendzonplek niet kan voldoen aan de ambitie. Naar aanleiding van het onderzoek is in het BKP+ daarom voor een andere, vergelijkbare locatie gekozen voor deze ochtendzonplek, waar wel aan de ambitie wordt voldaan. Ook de effecten op het Kralingseveer Park en bestaande woningen in de omgeving zijn onderzocht (bijlage 39).
Voor de woningen zijn de eisen uit het Toetsingskader Hoogbouw gehanteerd (herziene 100