03.14 - raad 13 november 2017 bestemmingsplan
Tekst van het document
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
32
4.3
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Nota parkeernormen Capelle aan den IJssel Op 14 december 2015 is het parkeerbeleid 2015 Capelle aan den IJssel door de gemeenteraad vastgesteld. De Gemeente Capelle aan den IJssel wil de vraag naar parkeergelegenheid goed blijven faciliteren, maar wel op een zodanige wijze dat de bereikbaarheid van de stad in zijn geheel als de verschillende delen daarvan (het centrum, de woonwijken, de bedrijventerreinen e.d.) kan worden gewaarborgd en de kwaliteit van de openbare ruimte behouden blijft. De gemaakte beleidsmatige afwegingen en keuzes hebben geresulteerd in het Parkeerbeleid 2015. In dit beleidsplan wordt onder meer benoemd dat de veroorzaker van de parkeervraag behorende bij een nieuw- of verbouwproject verantwoordelijk wordt gesteld voor het realiseren van de daartoe benodigde parkeerplaatsen. Daar zijn echter nieuwe, goede en heldere kaders voor nodig. Initiatiefnemers en bouwers moeten op voorhand weten waar ze op het gebied van parkeren aan moeten voldoen. Dit schept duidelijkheid naar alle partijen. Ook omwonenden en overige belanghebbenden hebben recht op deze duidelijkheid over waar ze aan toe zijn en wat ze kunnen verwachten bij deze nieuw- of verbouwplannen ten aanzien van parkeren. Deze Parkeernormen 2015 is een aanvulling op het Parkeerbeleid 2015 en vervangt de vorige Nota uit 2006.
Het beleid levert de kaders teneinde de uitkomsten voor het parkeervraagstuk aan de voorkant van het planproces te genereren en zo nodig te vertalen naar verplichtingen. Onderzoek In het kader van de beoogde transformatie is een verkeersonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Ontsluiting Het plangebied is gelegen aan de Mient en wordt vervolgens ontsloten via de Anzere op de Meeuwensingel of via de Dijk (Dorpsstraat). Vanaf de Meeuwensingel wordt ontsloten op de Rivierweg, Rembrandtsingel en Slotlaan op de N219 richting Rotterdam en Nieuwerkerk aan den IJssel. De Mient is een erftoegangsweg waar een snelheidsregime geldt van 30km/u waar de fietsers de rijbaan delen met het gemotoriseerde verkeer. Het gebied wordt tevens ontsloten door openbaar vervoer via de bushalte van lijn 37 op de Meeuwensingel. Op relatief korte afstand bevinden zich daarnaast twee metrohaltes: Slotlaan en Capelle Centrum. Verkeersgeneratie en afwikkeling In het deelgebied De Mient-Noord worden ten hoogste 25 nieuwe woningen gebouwd. Deze woningen genereren circa 25*6 = 150 mvt/etmaal. Deze woningen komen in de plaats van 12.450 m2 bvo bedrijfsbebouwing met een dagelijkse verkeersgeneratie van circa 550 mvt/etmaal.
Deze herontwikkeling betekent een afname van de verkeersgeneratie van circa 400 mvt/etmaal en heeft een zeer beperkte invloed en relatief positief effect op de verkeersafwikkeling op de Anzere en de aansluiting hiervan op de Meeuwensingel. Parkeren Voor de ontwikkeling van de woningen is een parkeernorm vastgesteld van 2 opstelplaatsen per terrein. Dit houdt in dat er voor de 25 woningen 50 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden op eigen terrein. In de openbare ruimte dient per woning 0,3 parkeerplaats voor bezoekers gerealiseerd te worden. Dit houdt in dat er ten behoeve van bezoekersparkeren 8 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden in de openbare ruimte bij realisatie van 25 woningen. Voor de overige functies zijn de parkeernormen uit de Nota parkeernormen Capelle aan den IJssel van toepassing.
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
33
4.4
Bedrijven en milieuhinder
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Onderzoek Het voorgenomen plan betreft de beoogde ontwikkeling van een mix van wonen en werken. Deels gaat het om bestaande bedrijvigheid. Het plangebied kan worden getypeerd als een gemengd gebied, de omgeving als rustig woongebied. In het plangebied zijn bedrijven uit categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegelaten.
Voor het plangebied is een specifieke Staat van Bedrijfactiviteiten - De Mient gehanteerd. Bedrijven uit deze categorieën zijn goed inpasbaar in de woonomgeving. Bedrijven tot categorie 3.1 zijn alleen toegestaan met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid alleen als deze bedrijven naar aard en omvang geacht kunnen worden te behoren tot categorie 2. De in het plangebied aanwezige bedrijven met een hogere milieucategorie zijn aangeduid met een specifieke functieaanduiding. In het plangebied betreft dit uitsluitend een hoveniersbedrijf dat zich naar verwachting zal vestigen op De Mient. Ter plaatse van de beoogde woningen zal derhalve sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd wordt dat in het plangebied en ter plaatse van de omliggende woningen ook in de toekomstige situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.5
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
34
Onderzoek en conclusie Ter plaatse van de percelen Mient 1-7 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 2) Uit het onderzoek zijn lichte verontreinigingen aangetoond in grond en grondwater. De aangetoonde gehalten geven echter geen aanleiding tot het uitvoeren van een vervolgonderzoek, dan wel het treffen van saneringsmaatregelen. De locatie wordt op basis van deze resultaten geschikt geacht voor de beoogde woonbestemming. Bij grondverzet is het over het algemeen geen veiligheidsklasse van toepassing; op het westelijke locatiedeel dient bij grondverzet in de toplaag tot 0,5 m-mv de regelgeving van de basisklasse te worden gehanteerd. Aanbevolen wordt om na de sloop van de panden een actualisatie onderzoek uit te voeren, waarbij enerzijds ruimte is voor onderzoek onder de gesloopte panden en anderzijds voor onderzoek naar vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCl) nabij de chemicaliënkluizen.
4.6
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.
-5 Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10 per jaar ter plaatse van kwetsbare
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
35
-6
en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de -6 10 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare -6 objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Besluit externe veiligheid buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Onderzoek In de directe omgeving van het plangebied vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoor, de weg, het water of door buisleidingen.
Volgens de professionele risicokaart zijn er op grotere -6 afstand van het plangebied risicovolle inrichtingen gelegen. De invloedsgebieden en PR 10 contouren liggen niet over het plangebied.
Figuur 4.2 Risicobronnen in de omgeving van het plangebied (bron: professionele risicokaart)
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
36
Conclusie De benoemde risicobronnen zijn op dusdanige afstand gelegen dat deze niet van invloed zijn op de externe veiligheidssituatie in het plangebied. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
4.7
Kabels en leidingen
Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.8
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergegeven. Tabel 4.2
Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet 2 2 meer dan 100.000 m bij één ontsluitingsweg en 200.000 m bij twee ontsluitingswegen.
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
37
Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op maximaal 25 woningen en herontwikkeling van het bestaande bedrijventerrein (afschaling milieucategorie) en leidt niet tot een toename van de verkeersgeneratie (zie bijlage 4). Dit aantal van 25 woningen valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.9
Water
Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte Hoogheemraadschapsbeleid Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan 2016-2021 'Met mensen en water', de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers. Het waterbeheerplan bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard. Met het nieuwe Waterbeheerplan staat het HHSK voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Per 1 januari 2016 is de geactualiseerde Keur in werking getreden. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben.
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
38
Gemeentelijk beleid De gemeente Capelle aan den IJssel heeft in samenwerking met het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard onder andere het 'deelwaterplan Middelwatering en Oostgaarde' opgesteld. Het waterplan beschrijft een samenhangend strategisch beleid voor het beheer van het watersysteem voor Middelwatering. Met het (gehele) waterplan streeft de gemeente naar een robuust watersysteem van voldoende kwaliteit met een aantrekkelijke uitstraling dat aansluit bij de natuurlijke omstandigheden op en om het grondgebied van de gemeente Capelle aan den IJssel. Voor de verschillende waterthema's wordt in het deelwaterplan een korte beschrijving gegeven van de hoofd- en subdoelstellingen, zoals verwoord in het visiehoofdstuk van het deelwaterplan. Vervolgens wordt toegelicht hoe deze doelstellingen binnen het deelgebied zijn doorvertaald in een streefbeeld en welke oplossingsrichtingen worden aangereikt om hieraan verder invulling te gaan geven. Specifieke maatregelen voor de periode 2010 - 2015 die hieruit volgen zijn opgenomen in kaders. Hierbij is een onderverdeling gemaakt tussen: Inspanningen die vallen onder reguliere werkzaamheden en autonome ontwikkelingen; Maatregelen die worden gerealiseerd door mee te liften met ruimtelijke ontwikkelingen; Overige 'extra' maatregelen, die in het kader van dit waterplan worden verlangd.
Een nadere beschrijving van de maatregelen, inclusief prioritering en kostenverdeling zijn opgenomen in het deelwaterplan. Huidige situatie Algemeen Het plangebied ligt binnen het peilgebied Capelle a/d IJssel. Aangezien het plangebied deel uitmaakt van reeds bestaand bebouwd gebied, hoeft het peil niet te worden aangepast. Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit klei op veengrond. Er is sprake van grondwatertrap II. Dat wil zeggen dat de gemiddeld laagste grondwaterstand 50 tot 80 cm onder maaiveld ligt en dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand 40 cm onder maaiveld ligt. Waterkwantiteit Aan de west- en noordzijde van het plangebied ligt een hoofdwatergang, met aan beide zijden een beschermingszone van 5 m. Watersysteemkwaliteit en ecologie In algemene zin kan er worden geconcludeerd dat er in Capelle aan de IJssel sprake is van een te voedselrijk watersysteem met plaatselijk te lage zuurstofgehalten. Het doorzicht is echter doorgaans groter dan 40 cm en er is geen sprake van een te hoog chlorofyl-a gehalte. De voedselrijkdom komt vooral tot uiting in de plaatselijk hoge bedekking van kroos. Veiligheid en waterkeringen De Dorpstraat aan de zuidzijde van het plangebied is een primaire waterkering met een kern- en beschermingszone (zie figuur 4.3).
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
39
Figuur 4.3 Primaire waterkering met kern- en beschermingszone (bron: HHSK op de kaart) Afvalwaterketen en riolering Naar verwachting is het bestaande bedrijventerrein voorzien van een gemengd rioolstelsel. Toekomstige situatie Algemeen Het bestemmingsplan maakt herontwikkeling van het bestaand bedrijventerrein naar een woon-werkgebied mogelijk. Bodem en grondwater De ontwikkeling vindt plaats in een reeds verhard gebied. De ontwikkeling is niet van invloed op de bodem en het grondwater. Waterkwantiteit Er vindt geen toename van verharding plaats. Het plangebied is reeds verhard. Naar verwachting neemt het verhard oppervlakte juist af. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De kern- en beschermingszone van de primaire waterkering liggen over de zuidelijke punt van het plangebied heen. Hier is reeds bebouwing aanwezig. In de kern- en beschermingszone gelden beperkingen ten aanzien van nieuwe bouwwerken en werkzaamheden.
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
40
Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend Hoogheemraadschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het Hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het Hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur".
Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Specifieke afspraken met betrekking De Mient-Noord In het kader van ontwikkeling van de zelfbouwkavels in De Mient-Noord zijn met Hoogheemraadschap specifieke afspraken gemaakt. Hierna is weergegeven waaraan initiatiefnemers rekening mee moeten houden. Algemeen Voor het oprichten van bebouwing en het uitvoeren van werkzaamheden in de zone van vijf meter langs de watergang aan de Meeuwensingel en in de zone van één meter langs de watergang aan de Anzere is een watervergunning nodig van het Hoogheemraadschap. De genoemde afstand is gemeten vanaf de boveninsteek van de watergang. Onder boveninsteek wordt het punt bedoeld, waar het talud van de watergang overgaat in het horizontale maaiveld. Beschoeiing De huidige beschoeiing langs de watergangen Meeuwensingel en Anzere is verouderd en zal voorafgaand aan de uitgifte van de kavels door de gemeente worden vervangen. Na overdracht van de kavel is de initiatiefnemer van een zelfbouwkavel eigenaar van de beschoeiing. Daarmee is meen vervolgens verantwoordelijk voor het onderhoud. Vervanging of vernieuwing van de beschoeiing moet worden afgestemd met het Hoogheemraadschap.
Vlonders en terrassen Het realiseren van vlonders en terrassen boven de watergang is mogelijk als de watergang 3 meter of breder is op de waterlijn. Dit is bij de watergang(en) langs de zelfbouwkavels het geval. Voor het realiseren van vlonders moet worden voldaan aan de voorwaarden van algemene regel nummer 10 behorende bij de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard. Indien aan de voorwaarden wordt voldaan, is geen vergunning nodig en kan worden volstaan met een melding. De betreffende watergangen zijn eigendom van het Hoogheemraadschap. Indien de vlonder boven het eigendom van het hoogheemraadschap wordt aangebracht, wordt hiervoor jaarlijks precario in rekening 2 gebracht. Het bedrag wordt periodiek geïndexeerd en bedraagt voor 2017 € 3,45 per m met een minimum van € 55,35 per vlonder.
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
41
Bebouwing Het onderhouden van de betreffende watergangen aan de Meeuwensingel en de Anzere vindt door het Hoogheemraadschap plaats vanaf het water en vanaf de waterkant. Het betreft niet de waterkant aan de zijde van De Mient – Noord. Het is daarom mogelijk om tot aan de boveninsteek van de watergang te bouwen. Het is ook mogelijk om direct op de oeverlijn te bouwen. Initiatiefnemers doen dit dan tot aan de beschoeiing of als vervanging van de beschoeiing. Hier moet de initiatiefnemer de gemeente altijd over informeren. De gemeente compenseert in overleg met het Hoogheemraadschap het eventueel ontstane waterbergingsverlies. Voor het bouwen tot aan de watergang is een watervergunning nodig van het hoogheemraadschap. Regenwaterafvoer Initiatiefnemers zijn verplicht om het regenwater vanaf de kavel zelf op de watergang af te voeren. Het afvoeren van regenwater op de watergang moet worden gemeld bij het Hoogheemraadschap. Gelet op klimaatveranderingen heeft het de voorkeur om het regenwater zoveel mogelijk op of via de eigen kavel te verwerken of (vertraagd) af te voeren. Bijvoorbeeld met een groen dak, opvang via een regenton of met behulp van infiltratie in de bodem. Overige informatie Voor het in behandeling nemen van de vergunningaanvraag worden door het Hoogheemraadschap leges in rekening gebracht. De proceduretermijn is maximaal 8 weken.
Water en Waterstaat in het bestemmingsplan In het bestemmingsplan is het oppervlaktewater in het plangebied bestemd als 'Water'. Voor waterkeringen (kernzone) inclusief de beschermingszones geldt een zogenaamde dubbelbestemming, deze hebben de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' toebedeeld gekregen. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
4.10
Ecologie
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (voorheen Flora- en faunawet, Boswet en Natuurbeschermingswet 1998) en het beleid van de provincie ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. Beleid en normstelling Wet natuurbescherming Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
42
Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb.
De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming provincie Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis,
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
43
dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Gemeentelijk beleid De Groenvisie 'Groene lijnen naar de toekomsti' is op 19 september 2011 door de gemeenteraad vastgesteld en heeft als input gediend voor de structuurvisie 2030. Deze visie laat zien hoe Capelle aan den IJssel er op het gebied van groen voor staat en geeft een antwoord op de vraag: "hoe zorgen wij ervoor dat die groene kwaliteit blijft, meeontwikkelt en sterker wordt?" De hoofddoelstelling van de Groenvisie is het in standhouden, verbeteren en nieuw ontwikkelen van groenvoorzieningen die bijdragen aan een veelzijdig, gevarieerde, gezonde en prettige leefomgeving voor mens, dier en plant. De visie wijst de hoofdgroenstructuur van Capelle aan den IJssel aan. Deze bestaat uit de dragers 'landschap en cultuurhistorie', 'ecologie' en 'cultuurlijk groen'. De hoofdstructuur krijgt optimale aandacht op het gebied van inrichting, beheer en onderhoud. De Groenvisie geeft daarnaast uitgangspunten voor de thema's ontwerp, inrichting, beheer en onderhoud, bomen, ecologie, duurzaamheid en milieu en communicatie en participatie. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000.
Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Nationaal Natuurnetwerk. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt circa 5 km ten zuidoosten van het plangebied en betreft het Vogelrichtlijngebied Boezems Kinderdijk. Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn.
Figuur 4.4 Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: interactieve atlassen provincie Zuid-Holland) Vanwege de afstand tot beschermde natuurgebieden en het feit dat het een herontwikkeling betreft kunnen negatieve effecten als gevolg van areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding, verstoring en vermesting/verzuring op voorhand worden uitgesloten. Significant negatieve effecten op de natuurlijke waarde en kenmerken van het Natura 2000-gebied treden niet op. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
44
Soortenbescherming De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van een quick scan (zie bijlage 3). De conclusies van de quick scan zijn als volgt: het gebied heeft potentie voor vaste rust- en verblijfsplaatsen (broedplaatsen) voor huismus; het gebied heeft potentie voor vaste rust- en verblijfsplaatsen (najaarsverblijven) van gebouwbewonende vleermuizen; voor overige strikt beschermde plant- en diersoorten heeft het gebied geen potenties; in het gebied komen waarschijnlijk algemenere plan- en diersoorten voor met een lichte beschermingsstatus (zoals algemene broedvogels). Dat betekent dat nader onderzoek noodzakelijk is. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Nader onderzoek naar beschermde soorten is noodzakelijk. Indien deze streng beschermde soorten daadwerkelijk aanwezig blijken te zijn, dienen maatregelen te worden getroffen om overtreding van de wet te voorkomen. Het bestemmingplan biedt voldoende ruimte/mogelijkheden om deze maatregelen, zoals aanbieden vervangende verblijfplaatsen, te nemen. Naar alle waarschijnlijkheid vormt de Wet natuurbescherming dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Dit moet blijken uit het nog uit te voeren nader onderzoek. Het bestaande structurele groen is in dit bestemmingsplan voorzien van een passende groenbestemming.
Het bestemmingsplan is hiermee in lijn met de gemeentelijke Groenvisie.
4.11
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader Verdrag van Malta De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Gemeentelijk beleid De gemeente Capelle aan den IJssel heeft op 20 september 2010 een archeologisch beleid en beleidsinstrumenten vastgesteld, waaronder de Archeologische Waardenkaart Capelle aan den IJssel (AWK) en de Nota Archeologie. In de nota is onder andere de voorwaarde opgenomen, dat bestemmingsplannen voorzien moeten zijn van een archeologieparagraaf, planregels en een archeologische verbeelding. Het archeologisch beleid van de gemeente waarborgt een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Doel van het archeologisch beleid is (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
45
Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden binnen een te ontwikkelen plangebied vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Onderzoek Bewoningsgeschiedenis De bewoningsgeschiedenis van Capelle aan den IJssel hangt nauw samen met de landschapsontwikkeling van het kust- en rivierengebied. Aan het einde van de laatste ijstijd (rond 12.000 jaar voor Christus) ontstonden langs de toenmalige rivieren reeksen van zandlichamen. Het zijn rivierduinen ('donken') waarvan het zand afkomstig was van de drooggevallen en later uitgewaaide rivierbeddingen. Mogelijk zijn er rivierduinafzettingen aanwezig in de ondergrond, ter hoogte van het kasteelterrein onder de rivierdijk. Ongeveer 10.000 jaar geleden, aan het begin van het Holoceen, steeg de zeespiegel als gevolg van een klimaatverbetering. Hierdoor ontstonden er ook bewoonbare plekken langs rivieren en geulen.
Naar verwachting zijn er in de ondergrond dergelijke stroomgordelafzettingen uit de periodes rond 4500 en 2500 voor Christus aanwezig. Zowel rivierduinafzettingen als prehistorische rivieroevers zijn in de nabije omgeving van Capelle aan den IJssel (Alblasserwaard, IJsselmonde en Rotterdam) volop benut door de mens om de rijke en gevarieerde omgeving te exploiteren. Het gaat om jagers, verzamelaars en vissers uit de Midden-Steentijd, gevolgd door de eerste, beginnende boerengemeenschappen vanaf 5000 voor Christus uit de Nieuwe Steentijd. In het derde millennium voor Christus ontstond een meer gesloten kust met strandwallen. Het landschap erachter verzoette, er ontstonden moerassen waarin veen werd gevormd. De beginnende veenvorming zette zich ook in de Bronstijd onverminderd voort. Het gebied van Capelle aan den IJssel wordt nagenoeg één groot moeras, waardoor de bewoningsmogelijkheden voor de mens zeer beperkt werden. De eerste, daadwerkelijk in Capelle aan den IJssel aangetroffen archeologische resten dateren uit de Late Bronstijd/Vroege IJzertijd. Het gaat om enkele vondsten van aardewerken potten en een greppel, die bij opgravingen zijn aangetroffen in de directe omgeving van het kasteelterrein 't Slot'. Uit hetzelfde gebied zijn vondsten bekend uit de Late IJzertijd en de Romeinse tijd.
Direct ten westen van het kasteelterrein werd bij opgravingen een dam die ingegraven was in een kreekbedding aangetroffen. In de dam waren drie houten duikers aangelegd. Dam met duikers dateren uit de Romeinse tijd. Bij de opgravingen in deze zone werden verder nog verschillende geulen en geulfasen gekarteerd, met daarin spoelhout, grind en fragmenten aardewerk uit de IJzertijd en Romeinse tijd. Alle bewoningssporen zijn gekoppeld aan geul- en oeversituaties. Waarschijnlijk gaat het om een veenwatertje via welke het hooggelegen veengebied afwaterde naar de Nieuwe Maas. Nabij de monding zal in de Romeinse tijd langs de oevers al klei zijn afgezet, afkomstig van de zich ontwikkelende Hollandsche IJssel. In de loop van de 3e eeuw na Christus stopte de bewoning: het gebied wordt verlaten. De politieke situatie kan hierbij een rol hebben gespeeld, maar evenzeer kan vernatting van het landschap een rol hebben gespeeld. Het gebied wordt ontgonnen vanaf de 10e-12e eeuw, Het gaat om een strookvormige verkaveling met boerderijen gegroepeerd in bewoningslinten; in dit geval lag het bewoningslint vermoedelijk ter plaatse van 's-Gravenweg, even ten noorden van het plangebied. Uit deze periode zijn uit Capelle slechts enkele, verspreide vondsten bekend, daterend uit de 11e-12e eeuw.
Ontginningsnederzettingen uit de 10e-12e eeuw, zoals aangetroffen in Gouda, Rotterdam en Spijkenisse, ontbreken (nog) in Capelle aan den IJssel.
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
46
Als gevolg van overstromingen in de 12e eeuw gingen grote delen van de ontginningen ten onder. Ze werden afgedekt met een kleilaag. In Capelle aan den IJssel reikte deze kleilaag vanaf de rivier tot enkele kilometers noordwaarts. Al spoedig was men volop bezig om het verloren gegane gebied opnieuw in cultuur te brengen, onder meer door de aanleg van dijken langs de rivier. De dijk en de directe omgeving ervan werd ook vestigingsplaats voor nieuwe nederzettingen, zoals Capelle. Rond 1280 is hier sprake van een parochiekerk; het is de eerste schriftelijke vermelding van Capelle. De kerk gaat mogelijk terug op een kleine, houten ontginningskapel, die al voor 1122 'onder aen die yseldyck' moet zijn gesticht door de Utrechtse geestelijkheid van de Sint-Salvator of Oudmunsterkerk. Capelle dankt naar alle waarschijnlijkheid zijn naam aan deze eerste kapel. Omstreeks 1275 bouwde Dirk Traveys van Moordrecht, op de plaats van het huidige kasteeleiland, het eerste stenen huis van Capelle. Het gaat in eerste instantie om een eenvoudig huis van 4 bij 8 meter met twee woonlagen en een met leien gedekt zadeldak. Traveys bouwde dit huis vermoedelijk naast een houten boerderij. Rond 1285 werd het stenen huis uitgebreid met een donjon (versterkte woontoren) van 10 bij 15 meter. Het geheel kwam op een omgracht eiland te liggen. In de loop der tijd is het complex diverse malen verbouwd.
In 1612 werd een compleet nieuw slot gebouwd. Ook schijnt toen de tweede, buitenste gracht te zijn gerealiseerd. In 1798 werd het complex gesloopt en ontstond het eiland met dubbele omgrachting. Ten noorden van dit kasteelterrein lag in de Middeleeuwen een omgrachte boerderij (moated site). Ten westen van het kasteelterrein zijn onder meer resten aangetroffen van nog een boerderij. De archeologische gegevens vanaf de 14e eeuw en later zijn echter in het algemeen vrij schaars. Ze worden aangevuld door en maken plaats voor de historische informatie, die laat zien dat Capelle aan den IJssel vooral leefde van landbouw en visserij. In de 18e-19e eeuw werd in het gebied ten noordwesten van de tegenwoordige Ringvaart turf gegraven als brandstof. Het veengebied verdween voor een groot deel en er ontstonden plassen. Vanaf de 17e eeuw vindt bedijking van de polders plaats en wordt hard gewerkt aan het droogleggen van de veenplassen, ontstaan als gevolg van het turfsteken in het gebied. Het plangebied bestrijkt de voormalige Middelmolenspolder. De Middelmolenspolder had twee molens die een belangrijke rol hebben gespeeld bij het drooghouden van de noordelijke polders. Al vroeg was er op het Capelse grondgebied ook sprake van industriële bedrijvigheid: touwslagerij, kleiwinning in de uiterwaarden voor de baksteenproductie, houtvlotters, scheepsbouw, glasblazerij et cetera.
In het plangebied bevond zich in ieder geval steenbakkerij De Oude Plaats, ter hoogte van het huidige Plantsoen. De resten van de steenovens zijn nog zichtbaar op foto's daterend uit het begin van de 20e eeuw en houden zich naar verwachting nog steeds in de bodem schuil. Aan de dijk, in het verlengde van de 'Hooge Boezem', stond verder korenmolen 'De Hoop'. Op een ets van Rademaker uit 1632 is al een molen op deze plaats weergegeven. De molen werd in 1918 gesloopt. Het is nog onduidelijk of (resten van) de fundering van de molen zich nog in het dijklichaam bevinden. Van een dijkdorp met de buurtschappen Keten en Oude Plaat en een bewoningslint langs 's-Gravenweg groeide Capelle aan den IJssel ten slotte uit tot een moderne stad. Vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw werden wijk na wijk gebouwd. De wijk Middelwatering werd aangelegd in de jaren zestig, en vormde zo de aanleiding tot de bovengenoemde opgravingen om en nabij het kasteelterrein. Archeologische verwachting In het gehele plangebied kunnen bewoningssporen uit de prehistorie, Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd voorkomen. Het plangebied grenst aan de zuidkant aan de rivierdijk. Vooral op en aan de rivierdijk kunnen bewoningssporen aanwezig zijn vanaf ongeveer de 13e eeuw.
Op de AWK van de gemeente Capelle aan den IJssel is aan de dijk, met een strook ter weerszijden ervan, een zeer hoge archeologische verwachting toegekend.
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
47
Figuur 4.5
Archeologische waardenkaart
Op basis van de archeologische waardenkaart geldt voor het hele plangebied een omgevingsvergunningplicht voor bouw- en graafwerkzaamheden. Afhankelijk van de toegekende verwachtingswaarde geldt een onderzoeksplicht vanaf een bepaalde diepte onder het maaiveld of oppervlakte. Deze omgevingsvergunningplicht is opgenomen in de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie - 2' en 'Waarde - Archeologie - 3'. Waarde - Archeologie - 2 Voor het gebied grenzend aan de rivierdijk geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,0 meter 2 beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 m beslaan. Waarde - Archeologie - 3 Voor het binnendijks gelegen gebied geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,0 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 200 m2 beslaan. Conclusie Het bestemmingsplan houdt voldoende rekening met het aspect archeologie.
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
48
4.12
Cultuurhistorie
Toetsingskader Monumentenwet en Erfgoedwet De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2019 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet; De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet.
Modernisering Monumentenzorg In 2009 is door het rijk een nieuwe visie op de monumentenzorg geformuleerd genaamd Modernisering Monumentenzorg (MoMo). Eén van de pijlers in deze visie is het belang laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Hierbij zal een verschuiving plaatsvinden van objectgerichte bescherming naar een gebiedsgerichte aanpak. In het verlengde van deze pijler is een ander doel in de visie geformuleerd, namelijk het opstellen van een visie op erfgoed. De visie, Visie Erfgoed en Ruimte (VER) 'Kiezen voor Karakter', is gericht op het verbinden van de zorg voor het cultureel erfgoed met andere ruimtelijke ontwikkelingsopgaven op het gebied van onder meer economie, veiligheid en duurzaamheid. De visie zet overheden, initiatiefnemers, eigenaren, ontwikkelaars en ruimtelijk ontwerpers er toe aan om de waarde van het cultureel erfgoed in te zetten bij de ontwikkeling van gebieden. De Visie Erfgoed en Ruimte 'Kiezen voor Karakter' is aanvullend aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, waarin het kabinet de unieke cultuurhistorische waarde van nationaal belang planologisch borgt.
Visie Erfgoed en Ruimte De Visie Erfgoed en Ruimte 'Kiezen voor Karakter' is de vervanging voor de in 2009 verlopen 'Nota Belverdere', waarin een visie is gegeven op de wijze waarop met de cultuurhistorische kwaliteiten van gebieden en objecten in de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling in Nederland kan worden omgegaan. Daarnaast is met ingang van 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangepast. Hierin is opgenomen dat in het bestemmingsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden. Gemeentelijke beleidsnota cultureel erfgoed 'Bakens in de tijd' De gemeentelijke beleidsnota cultureel erfgoed fungeert als kadernota voor de gebieden waarin cultureel erfgoed volgens de gangbare indeling te onderscheiden is. Cultuurhistorie in brede zin is de samenbundeling van: bouwkunst en stedenbouwkundige structuren; archeologie; landschappelijke structuren en elementen.
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
49
Onderzoek In het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. De rivierdijk en Molenvliet 'Water de Mient' zijn wel van cultuurhistorische waarden. Deze elementen worden niet aangetast en positief bestemd. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het plan.
4.13
Duurzaamheid
Toetsingskader Duurzaamheidsagenda 2015-2018 Samen met allerlei partijen werkt de gemeente met de Duurzaamheidsagenda 2015-2018 aan een duurzaam Capelle. Inhoudelijk staat energie de komende jaren centraal. Daarbij gaat het zowel om minder energie verbruiken als om het opwekken van duurzame energie. De komende jaren werken huishoudens en bedrijven, maar ook de gemeentelijke organisatie en andere organisaties aan 5% energiebesparing en 5% duurzame opwekking van energie. Naast het besparen van energie en het opwekken van duurzame energie gaat duurzaamheid ook over een schone leefomgeving. Werk maken van duurzaamheid vergt investeringen, maar levert op termijn ook geld en werkgelegenheid op en draagt bij aan de lokale economie. Naast de samenwerking met allerlei partijen blijft de gemeente de komende jaren ook zelf aan duurzaamheid werken. Eén van de spelregels van de tien van De Mient uit het gebiedspaspoort is “het initiatief is van nu”: dit betekent dat duurzaamheid vanzelfsprekend onderdeel uitmaakt van een initiatief op De Mient. Conclusie Het bestemmingsplan voldoet aan de duurzaamheidsagenda 2015-2018.
4.14
Overige sectorale aspecten
4.14.1 Beleid bed and breakfast De Bed and Breakfast sector in Nederland is de laatste jaren sterk gegroeid. Gemeenten krijgen steeds vaker verzoeken voor het starten van een B&B-activiteit binnen een woonfunctie. De gemeente Capelle aan den IJssel vormt geen uitzondering op deze landelijke tendens. Om aan de vraag te kunnen voldoen, heeft de gemeenteraad op 12 december 2012 Bed and Breakfastbeleid vastgesteld. Voorgesteld wordt om de voorwaarden waaronder een Bed and Breakfast toelaatbaar is op te nemen in de bestemmingsplannen die worden herzien. Op die manier kan middels een binnenplanse afwijking een vergunning verleend worden voor een Bed and Breakfast. Een bed and breakfast is een voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt, als toeristisch-recreatieve activiteit, ondergeschikt aan de betreffende bestemming, aan maximaal 8 personen (4 kamers), met een maximum verblijfsduur van 6 weken. Onder een bed and breakfast-voorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid. In principe kan er overal binnen de gemeentegrenzen een Bed and Breakfast opgericht worden. Echter de voorwaarden beperken de locatie waar een Bed and Breakfast daadwerkelijk mogelijk is/ gerealiseerd kan worden.
Zo dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein (voldoende = voldoen aan de parkeernorm van 1 parkeerplaats per kamer). Het bevoegd gezag kan hier gemotiveerd van afwijken. Conclusie In voorliggend bestemmingsplan is de mogelijkheid voor bed and breakfast opgenomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
50
4.14.2 Prostitutiebeleid Op 4 juli 2000 heeft de gemeenteraad naar aanleiding van het voorstel inzake het prostitutiebeleid en het aanvullen van de Algemeen Plaatselijke Verordening, het prostitutiebeleid voor de gemeente vastgesteld. Besloten is seksinrichtingen geen bestemming binnen woongebieden te geven en het maximum aantal vergunningen te stellen op één. Een “nulbeleid” was gelet op het rijksbeleid niet toegestaan. Conclusie Voor het plangebied is een verbod voor seksinrichtingen opgenomen. Locaties voor seksinrichtingen zijn in de gemeente specifiek aangewezen. Hiermee past het bestemmingsplan binnen de kaders van het prostitutiebeleid.
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
51
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische plantoelichting
Wettelijk kader
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde standaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van belang voor bestemmingsplannen.
5.2
Opzet van de bestemmingsregeling
Verbeelding Eisen aan de verbeelding Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden. Voorts zijn de volgende eisen van toepassing: de ondergrond waarop de verbeelding is gebaseerd, geeft informatie over de actuele (kadastrale) situatie; op de verbeelding wordt met de bestemming en de aanduidingen aangegeven of, en zo ja welke bebouwing is toegestaan; op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen; de volgorde van de bestemmingen in het renvooi komt overeen met de volgorde zoals van de regels (alfabetisch). De bestemming wordt door middel van hoofdletters aangeduid, zoals 'B' voor 'Bedrijf'. Verder geldt het volgende: hoofdgebouwen mogen (uitsluitend) binnen het op de verbeelding aangeduide 'bouwvlak' worden opgericht tenzij anders is aangegeven.
maatvoeringsaanduidingen zoals de minimum en maximum bouwhoogte worden aangegeven door middel van een matrix bij het bouwvlak; ten slotte kunnen er op de verbeelding aanduidingen, zoals een plangrens of een gebied met gebiedsaanduiding worden aangegeven. Verantwoording planvorm en de gehanteerde bestemmingen Het nieuwe bestemmingsplan Mient is opgesteld op basis van de gebiedsvisie Centraal Capelle en het gebiedspaspoort De Mient. Het plan heeft de vorm van zowel een gedetailleerd eindplan als een flexibel ontwikkelplan. Voor alle bestemmingen geldt evenwel dat de nodige flexibiliteit is ingebracht door middel van de opname van (algemene) afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden.
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
52
In De Mient – Noord ligt de nadruk op flexibele zelfbouwkavels voor particulieren in een woonwerkomgeving. De basis voor de regeling is bepaald op basis van het gebiedspaspoort. De gronden zijn daarom bestemd voor 'Gemengd'. De bedrijfspercelen op De Mient – Midden en De Mient - Zuid zijn overeenkomstig de vigerende bestemming bestemd voor 'Bedrijf', aangezien de gemeente geen eigenaar is van een groot deel van deze gronden en de invloed beperkt is. Daarnaast zijn voor deze percelen door de eigenaren (vooralsnog) geen concrete plannen voor herontwikkeling ingediend. Wel is de algemene milieucategorie voor het gehele gebied verlaagd naar maximaal milieucategorie 2 en wordt een breder gebruik van de percelen gestimuleerd door het toestaan van ondergeschikte functies naast de bedrijfsfunctie. Een transformatie naar wonen is in dit plan niet mogelijk, maar kan in een later stadium (buiten dit bestemmingsplan) worden gerealiseerd. Tot slot zijn de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Water' opgenomen voor de openbare gebieden en waterpartijen.
Regels Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde: In de Inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald; In de Bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven; De Algemene regels bevatten een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelbepaling of de algemene gebruiksregels); De Overgangs- en slotregels ten slotte geven overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Ook bij de opstelling van een bestemmingsbepaling (Hoofdstuk 2 van de regels) moet een vaste volgorde gebruikt worden: Een bestemmingsregel behoeft niet alle voorgeschreven elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels. Daarnaast is in het Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling.
Tot slot dienen de regels zoveel mogelijk aan te sluiten bij de modelregels voor bestemmingsplannen die onder andere ook voor andere bestemmingsplannen in de gemeente Capelle aan den IJssel zijn gehanteerd.
5.3
Toelichting op de inleidende regels
Begrippen (Artikel 1) De begrippen die in het bestemmingsplan gebruikt worden zijn in dit artikel gedefinieerd. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel maakt duidelijk hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.
Rho adviseurs voor leefruimte
050200.20160850
53
5.4
Toelichting op de bestemmingen
Het hoofdstuk Bestemmingsregels bevat de regels die specifiek gelden voor de bestemmingen in dit plan. Algemeen Bouwvlak De (hoofd)gebouwen dienen binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken te worden gebouwd. De bouwvlakken mogen geheel worden bebouwd, tenzij een maximum bebouwingspercentage is aangegeven. Binnen de bestemming 'Gemengd' mogen buiten het bouwvlak bijbehorende bouwwerken worden opgericht. Bouw- en goothoogte In de bouwregels van de bestemming 'Bedrijf' is of op de verbeelding is aangegeven wat de maximum goot- en bouwhoogte is. Voor de bestemming 'Gemengd' geldt - met uitzondering van kavel M3-02 - een maximum bouwhoogte van 10 m indien het gebouw met een plat dak wordt gerealiseerd en een maximum goot- en bouwhoogte van 6 m respectievelijk 11 m indien het gebouw wordt gerealiseerd met een dak. Daarop gelden nog twee uitzonderingen. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' geldt in afwijking van het bovenstaande een maximum goot- en bouwhoogte van 3 m respectievelijk 6 m. Daarnaast is voor enkele zelfbouwkavels binnen het bouwperceel een scheiding opgenomen waarbinnen de maximum bouwhoogte 4 m bedraagt. Hieronder volgt per bestemming een toelichting. Bedrijf (Artikel 3) Toegestane functies Binnen deze bestemming zijn bedrijven uit categorie 1 en 2 van de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - De Mient' algemeen toegestaan.