CConstaterende datCapelle Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

03.14 - raad 13 november 2017 bestemmingsplan

Commissie Stadsontwikkeling en -Beheer 31 januari 2022, gemeente Capelle Ad IjsselBij agendapunt: Plannen De Mient Midden30.412 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Capelle aan den IJssel De Mient BESTEMMINGSPLAN

Capelle aan den IJssel

De Mient

bestemmingsplan

identificatie

planstatus

identificatiecode:

datum:

status:

NL.IMRO.0502.BP17DeMient-4001

24-01-2017 16-05-2017 25-09-2017

concept ontwerp vastgesteld

projectnummer:

050200.20160850 opdrachtleider:

Delftseplein 27b

aangesloten bij:

RBOI - Rotterdam postbusbv150 Delftseplein 27b 3000 AD Rotterdam Postbus 150 T: 010-20 18 555 3000 AD Rotterdam telefoon (010) E-mail: 201 85info@rho.nl 55 E-mail: info@rboi.nl

© Rho Adviseurs bv Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

3

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding en doel

7

1.2

Leeswijzer

7

Hoofdstuk 2

Ruimtelijke en functionele analyse

9

2.1

Ligging plangebied

9

2.2

Vigerend bestemmingsplan

9

2.3

Huidige situatie

10

2.4

Gewenste ontwikkeling

13

Hoofdstuk 3

Beleidsmatige verantwoording

17

3.1

Inleiding

17

3.2

Rijksbeleid

17

3.3

Provinciaal en regionaal beleid

19

3.4

Gemeentelijk beleid

25

3.5

Conclusie

28

Hoofdstuk 4

Sectorale aspecten

29

4.1

Milieueffectrapportage (m.e.r.)

29

4.2

Geluid

30

4.3

Verkeer en parkeren

32

4.4

Bedrijven en milieuhinder

33

4.5

Bodem

33

4.6

Externe veiligheid

34

4.7

Kabels en leidingen

36

4.8

Luchtkwaliteit

36

4.9

Water

37

4.10

Ecologie

41

4.11

Archeologie en cultuurhistorie

44

4.12

Cultuurhistorie

48

4.13

Duurzaamheid

49

4.14

Overige sectorale aspecten

49

Hoofdstuk 5

Juridische plantoelichting

51

5.1

Wettelijk kader

51

5.2

Opzet van de bestemmingsregeling

51

5.3

Toelichting op de inleidende regels

52

5.4

Toelichting op de bestemmingen

53

5.5

Toelichting op de algemene regels

56

5.6

Toelichting op het overgangsrecht en slotregels

57

5.7

Vergunningvrij bouwen

57

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

4

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

59

6.1

Economische uitvoerbaarheid

59

6.2

Exploitatieplan

59

Hoofdstuk 7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

61

7.1

Inspraak en wettelijk vooroverleg

61

7.2

Zienswijzen

63

Bijlagen bij de toelichting

65

Bijlage 1

Akoestisch onderzoek

67

Bijlage 2

Verkennend bodemonderzoek Mient 1-7

69

Bijlage 3

Quick scan flora en fauna

71

Bijlage 4

Verkeersonderzoek

73

Bijlage 5

Nota van beantwoording wettelijke (voor)overlegreacties en zienswijzen + ambtshalve wijzigingen

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

75

Toelichting

6

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

7

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding en doel

Aan de zuidkant van Capelle aan den IJssel tussen de Dorpsstraat en de Meeuwensingel ligt De Mient, een locatie waar in de jaren '60 en '70 een bedrijventerrein is gerealiseerd en die sindsdien ingesloten is komen te liggen tussen woongebieden. De gemeente heeft voor het gebied in een intensief co-creatie proces met aanwezige bedrijven, omwonenden en overige belanghebbenden een toekomstvisie in de vorm van het gebiedspaspoort opgesteld. In de toekomst zal De Mient geleidelijk veranderen in een woon-werkgebied dat ruimte biedt aan creatieve ondernemers en bewoners. Bestaande kwaliteiten, zoals het industriële en stoere karakter van het gebied, worden waar mogelijk behouden en versterkt. Zelfbouw en organische gebiedsontwikkeling zijn de pijlers van de aanpak. De gemeente wenst daarom voor De Mient een bestemmingsplan op te stellen dat de transformatie van het gebied in een stroomversnelling brengt. Het voorliggende bestemmingsplan vormt de opmaat tot de realisatie van een aantrekkelijk woon-werkklimaat door menging van functies toe te staan. In De Mient-Noord is daarbij ook woningbouw mogelijk. In De Mient - Midden en - Zuid is woningbouw op dit moment nog niet mogelijk.

1.2

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 komt de ruimtelijke analyse van het plangebied aan de orde. Hoofdstuk 3 geeft een samenvatting van het actuele beleidskader dat relevant is voor het plangebied. Hierbij wordt ingegaan op het rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 worden de relevante milieuaspecten en de overige onderzoeken beschreven. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de gekozen planvorm en de juridische regeling. Hoofdstuk 6 en 7 gaan ten slotte in op de economische respectievelijk de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

8

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

9

Hoofdstuk 2

2.1

Ruimtelijke en functionele analyse

Ligging plangebied

Het bestemmingsplangebied 'De Mient' wordt begrensd door:  in het noorden: de Meeuwensingel;  in het oosten: Anzere en de woonpercelen langs Arica;  in het zuiden: de woonpercelen langs Arica en de Dorpsstraat;  in het westen: de watergang Mient; Zie figuur 2.1 voor de ligging van het plangebied.

Figuur 2.1 Ligging plangebied

2.2

Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt tot het inwerkingtreden van het onderhavige plan het bestemmingsplan 'Middelwatering'. Dit bestemmingsplan is op 6 juli 2015 vastgesteld. Aan de aanwezige bedrijfspercelen is in dit plan de bestemming 'Bedrijf' toegekend. Op deze gronden zijn bedrijven toegestaan uit ten hoogste milieucategorie 3.1 van de bij dit plan behorende 'Staat van Bedrijfsactiviteiten'.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

10

2.3

Huidige situatie

Ontstaansgeschiedenis De eerste in Capelle aan den IJssel aangetroffen archeologische resten zijn gevonden in de directe omgeving van kasteelterrein 't Slot' aan de rivier en dateren uit omstreeks 700 voor Christus. Alle bewoningssporen zijn in het gebied gekoppeld aan de variërende geul- en oeversituaties. Het veengebied werd ontgonnen in een strokenverkaveling met boerderijen gegroepeerd in bewoningslinten vanaf de 10e - 12e eeuw. Als gevolg van overstromingen in de 12e eeuw gingen grote delen van de ontginningen ten onder. Al spoedig bracht men het verloren land opnieuw in cultuur, onder meer door de aanleg van dijken langs de rivier. Tevens werd een dam in de Hollandsche IJssel gelegd om het peil van de rivier te verlagen, zodat het laag genoeg was om het Hollandse veengebied te ontwateren. De dijk en de directe omgeving ervan werd een vestigingsplaats voor nieuwe nederzettingen zoals Capelle. Omstreeks 1275 werd het eerste stenen huis van Capelle op de plaats van het huidige kasteeleiland gebouwd. In de loop van de tijd is het complex diverse malen verbouwd. In 1612 werd een compleet nieuw slot gebouwd. In 1798 werd het complex gesloopt en ontstond het huidige eiland met dubbele omgrachting. De nabijgelegen Mient en de Middelwetering waren belangrijke watergangen in het gebied die voor de ontwatering zorgden.

Deze watergangen, alsmede hun naamgeving, zijn nog steeds in het gebied aanwezig. Verder stond aan de dijk, aan het einde van de Mient, korenmolen 'De Hoop'. De molen uit omstreeks 1632 werd in 1918 gesloopt. Bedrijvigheid vond van oorsprong voornamelijk plaats tussen het Slot en de Mient. Lange tijd is hier steenbakkerij De Oude Plaats actief geweest, die een belangrijke werkgever was voor de bewoners van het gebied.

Figuur 2.2 Ontwikkeling De Mient Van een dijkdorp met de buurtschappen Keten en Oude Plaats, en een bewoningslint langs de 's-Gravenweg, groeide Capelle aan den IJssel ten slotte uit tot een moderne stad. De wijk Middelwatering-Oost werd aangelegd in de jaren zestig. De Mient vormde toen met de scheepswerf een industrieel gebied aan de dijk. Na het faillissement van de scheepswerf zijn er ten oosten van de Mient, op het Vuykterrein, woningen gerealiseerd. Hiermee wordt sindsdien de hele Mient omringd door woonbuurten (figuur 2.2). Ruimtelijke structuur Het Vuykterrein, waarin het plangebied zich bevind, bestaat tegenwoordig uit bedrijventerrein De Mient aan de westzijde en een woongebied aan de oostzijde. Het bedrijventerrein bevindt zich enkel tussen woongebieden en de Hollandsche IJssel zonder enige relatie met de rivier. De scheepswerven zijn verdwenen en hebben plaats gemaakt voor wonen en groenvoorzieningen. Bedrijventerrein De Mient wordt omgeven door woongebieden. Deze zijn onder te verdelen in drie delen die corresponderen met de buurten Oude Plaats, Meeuwenbuurt en Vuykterrein (zuid-)oost.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

11

Oude Plaats, ten westen van het plangebied, bestaat uit vooroorlogse grondgebonden woningen en de Meeuwenbuurt bestaat ter hoogte van het plangebied uit zeslaagse gestapelde woningen uit de jaren '60. Het woongedeelte van buurt Vuykterrein grenst voornamelijk aan de oostzijde van het plangebied, maar steekt aan de zuidzijde ook in het plangebied. Dit 'Vuykterrein-Oost' is gebouwd tussen 1980 en 1990 en bestaat voornamelijk uit rijwoningen.

Figuur 2.3 'Harde' en 'zachte' scheiding bedrijventerrein door middel van water en groen Ruimtelijk is er veel gedaan om bedrijventerrein De Mient gescheiden te houden van de omliggende woongebieden. Zo grenst het aan nagenoeg alle zijdes aan waterlichamen, waarvan de breedste aan de west- en noordzijde van het plangebied liggen. De westelijke watergang is de oude boezem De Mient, waaraan het plangebied zijn naam ontleent. Tevens ligt het bedrijventerrein los van zijn omgeving door middel van verdichte houtwallen, die soms vergezeld gaan met een laanstructuur in de woonbuurt aan de overzijde van de watergang (figuur 2.3). Met name tussen de woningen op het Vuykterrein en de bedrijfsbebouwing op de Mient is de overgang minder goed vormgegeven. Slechts een smalle watergang scheidt het bedrijventerrein van de naastgelegen woningen.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

12

Figuur 2.4 Deelgebieden De Mient Het plangebied heeft grotendeels een industrieel karakter en is onder te verdelen in drie delen: een noordelijk-, midden- en zuidelijk gedeelte (figuur 2.4). Deze onderverdeling is naast op de infrastructuur met name gebaseerd op mogelijke ontwikkelfasen. De Mient Noord bestaat uit éénlaagse panden, Midden uit voornamelijk drielaagse panden en Zuid varieert binnen zijn aaneengeschakelde volume tussen twee - en drie bouwlagen. De Mient Noord en – Midden bestaan voornamelijk uit bedrijfspanden uit de jaren '60, terwijl De Mient Zuid ook gedeeltelijk in de jaren 80 is gerealiseerd. Het drielaagse volume van De Mient Zuid betreft een stedenbouwkundig hoekaccent van het bedrijventerrein, waarmee de rand van het bedrijventerrein aan de dijk geaccentueerd word (figuur 2.5).

Figuur 2.5 Hoekaccent Bedrijventerrein De Mient vanaf de dijk

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

13

Functionele structuur Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit een gemengd bedrijventerrein met over het algemeen bedrijven uit ten hoogste milieucategorie 2 In de loop van de jaren hebben op het bedrijventerrein enkele functieveranderingen plaatsgevonden. Sommige van deze functies zijn strijdig met het vigerende bestemmingsplan Middelwatering.

2.4

Gewenste ontwikkeling

De Mient zal de komende jaren geleidelijk veranderen naar een woonwerkgebied, dat ruimte biedt aan creatieve ondernemers en bewoners (figuur 2.5). Er is daarvoor plek voor behoud van bestaande bedrijvigheid en er komt veel ruimte voor nieuwe woon- en werkfuncties. De eerste fase van de transformatie vindt plaats in De Mient - Noord. Zowel wonen, werken als een combinatie van beiden is hier mogelijk. Dit gebied is in het voorliggende plan bestemd voor 'Gemengd'. De Mient Midden en Zuid zijn vooralsnog bestemd voor 'Bedrijf'. Een transformatie naar de bestemming 'Gemengd' is hier op den duur ook mogelijk. Hierna volgen per deelgebied een beschrijving van de gewenste ontwikkelrichting, de uitgangspunten voor toekomstig gebruik, de ruimtelijke consequenties hiervan en de stedenbouwkundige randvoorwaarden.

Figuur 2.5 Planontwikkeling De Mient Deelgebieden De Mient - Noord In De Mient - Noord (het gebied tussen de weg de Mient en de Meeuwensingel) ligt de nadruk op zelfbouwkavels voor particulieren. Een grote mate van vrijheid vormt het uitgangspunt bij de herontwikkeling. Uit de overleggen met de toekomstige bewoners is gebleken dat een bepaalde mate van regels en rechtszekerheid gewenst is. De uitkomsten hiervan zijn geborgd in het voorliggende bestemmingsplan. Naar verwachting komt in De Mient - Noord de nadruk te liggen op de woonfunctie. Dit neemt niet weg dat ook bedrijfsmatig gebruik mogelijk is. Zowel in uitstraling als gebruik. Bepaalde stedenbouwkundige uitgangspunten worden in het bestemmingsplan opgenomen.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

14

De Mient - Midden en - Zuid De Mient - Midden en De Mient - Zuid vormen het overige deel van het gebied. Aangezien de gemeente geen eigenaar is van een groot deel van deze deelgebieden, is de mate van invloed beperkt. Door een breder gebruik van de percelen in het vooruitzicht te stellen worden eigenaren en ondernemers gestimuleerd om wel tot investeringen over te gaan en bij te dragen aan de kwalitatieve verbetering van het gebied zodat de ambities voor De Mient gerealiseerd kunnen worden. Een transformatie naar wonen is ook in dit gebied onder voorwaarden mogelijk. Dit bestemmingsplan maakt deze transformatie echter nog niet mogelijk. Uitgangspunten toekomstig gebruik Uitgangspunt voor De Mient is een gemengd gebied waarbij een combinatie van wonen en werken steeds het uitgangspunt is. In het gebiedspaspoort staat over het mengen van de functies wonen en werken het volgende beschreven: "Woonwerkgebied is een breed begrip. Deze functiemenging kan op verschillende manieren worden uitgevoerd. Binnen een gebouw (kantoor aan huis), binnen een kavel (bedrijf in de tuin), binnen een blok (bedrijvigheid in de plint) of binnen een wijk. De openbare ruimte speelt een belangrijke rol in de overgang van functies.

Binnen De Mient zijn vooralsnog alle vormen van functiemenging mogelijk, met uitzondering van zware bedrijvigheid." Daarnaast is opgenomen dat er ruimte wordt geboden aan woningen met een extra ruimte. Deze extra ruimte (ondergeschikt aan de woning) kan ook worden gebruikt voor andere functies dan wonen. Wenselijke functies Vooral (kleinschalige) functies die goed mengen met een woonfunctie zijn passend in het gebied. Het gebruik heeft bij voorkeur een relatie met en een positieve invloed op de rest van het gebied. Wonen en bedrijven tot en met milieucategorie 2 zijn voor zover deze hier aan bijdragen toegestaan. Daarom wordt in het bestemmingsplan gebruik gemaakt van een specifieke Staat van Bedrijfsactiviteiten (zie ook paragraaf 4.4). Het wonen wordt mogelijk gemaakt in De Mient - Noord. Indien initiatieven in de deelgebieden Midden en Zuid leiden tot een transformatie naar woningbouw zal hiervoor een aparte ruimtelijke procedure worden doorlopen. Hiermee behoudt de gemeente de mogelijkheid om deze ontwikkeling te sturen. Kleinschalige kantoren zijn passend binnen de ambities voor De Mient. Hetzelfde geldt voor commerciële dienstverlening. De functie commerciële dienstverlening ligt dicht tegen de bestaande bestemming 'Bedrijf' aan en heeft een directe relatie met de gewenste functie 'werken". Daarnaast is een combinatie met de functie wonen goed mogelijk.

Deze functie wordt daarom direct mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan. Niet wenselijke functies De Mient is niet geschikt voor alle functies. Het gaat om functies die niet goed mengen met de woonfunctie of waar elders een geschiktere locatie voor is. Zware bedrijvigheid (boven milieucategorie 2) is niet wenselijk. Maatschappelijke functies in het gebied zijn om meerdere redenen niet wenselijk. De Mient is in de gebiedsvisie Centraal Capelle niet aangewezen als locatie voor wijkoverstijgende voorzieningen of voorzieningen voor de directe omgeving. Deze voorzieningen zijn vanwege de vaak verkeersaantrekkende werking, parkeerbehoefte en mogelijke overlast voor de omgeving niet wenselijk en daarmee niet passend in een gemengd woonwerkgebied. Daarnaast is vestiging van maatschappelijke functies onvoldoende om een aanjager te zijn om een gebouw of perceel te herontwikkelen en een stevige kwalitatieve impuls aan het gebied te geven.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

15

Detailhandel en horeca vinden wij slechts passend in de bestaande winkelcentra en als versterking van het stadshart. Daar is op De Mient geen sprake van. Daarnaast is bij horeca en detailhandel vaak sprake van een behoorlijke parkeerbehoefte en een verkeersaantrekkende werking. Zoals eerder beschreven vinden wij dit niet passend in een gemengd woonwerkgebied. Slechts bepaalde vormen van ondergeschikte detailhandel en lichte horeca, ondersteunend/ondergeschikt aan een hoofdfunctie bedrijvigheid of wonen, zijn wel passend op De Mient. Deze functies zijn na afwijking mogelijk. Ruimtelijke consequenties De Mient is nu in gebruik als bedrijventerrein, maar zal de komende jaren geleidelijk veranderen in een woonwerkgebied dat ruimte biedt aan creatieve ondernemers en bewoners. Bestaande bedrijvigheid kan behouden blijven en er komt daarnaast veel ruimte voor nieuwe woon- en werkfuncties. De herontwikkeling start in het gebied tussen de weg de Mient en de Meeuwensingel: De Mient - Noord. Dit gebied komt als eerste beschikbaar voor herontwikkeling. In dit gebied wordt door de gemeente zelfbouw mogelijk gemaakt. Het verhogen van de levendigheid van het gebied en de verbinding met de omliggende woonwijken staat voorop. Door het toevoegen van woonfuncties wordt een betere overgang tussen De Mient en de omliggende wijken gerealiseerd.

Daarnaast zorgt wonen ervoor dat er op De Mient ook in de avonduren en weekenden beweging is. De Mient is straks een uniek woonwerkgebied met een stoere, industriële en robuuste uitstraling. Ook wordt De Mient welstandsvrij. Dit betekent dat er geen eisen worden gesteld aan vorm, kleur, detaillering en materiaalgebruik van de bebouwing. Vanwege de geschiedenis van De Mient is het echter een vereiste dat initiatiefnemers zich laat inspireren door de kenmerken van het plangebied: stoer, industrieel en robuust. Een betere verbinding met de omliggende woonwijken uit zich onder andere in het beter beleefbaar maken van de historische watergang de Mient en de aanleg van een langzaamverkeersroute tussen de Hollandsche IJssel en het stadshart over de Mient.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

16

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

17

Hoofdstuk 3

3.1

Beleidsmatige verantwoording

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het voor het plangebied relevante vigerende beleidskader. Paragraaf 3.2 besteedt aandacht aan het rijksbeleid. Het provinciaal en regionaal beleid wordt weergegeven in paragraaf 3.3 en het gemeentelijk beleid in paragraaf 3.4. Paragraaf 3.5 omvat de conclusies ten aanzien van het beleidskader voor het plangebied.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld. De structuurvisie vervangt onder meer de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, de Structuurvisie Randstad 2040 en de Mobiliteitsaanpak. Verschillende nationale belangen zijn opgenomen in de AMvB Ruimte, die met de structuurvisie in procedure is gebracht. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en op de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de structuurvisie maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijke en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen.

De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio's rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden. Conclusie Door het nationale karakter van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de kleine schaal van onderhavig plan, heeft dit bestemmingsplan nauwelijks raakvlakken met dit nationaal beleid. Er kan geconcludeerd worden dat het onderhavige plan in overeenstemming is met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

18

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro bevat inhoudelijke regels van de rijksoverheid waaraan de ruimtelijke onderbouwing van bestemmingsplannen moeten voldoen. Het Barro bevat regels over Project Mainportontwikkeling Rotterdam (Maasvlakte II), Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie (militaire terreinen, munitie, militaire luchtvaart), en Erfgoed (Unesco). In verband met de ligging van het plangebied nabij de Hollandsche IJssel dient op grond van artikel 2.1.3 van het Barro bij de vaststelling van dit bestemmingsplan rekening gehouden te worden met het voorkomen van belemmeringen voor:  de doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte;  de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart;  het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten;  de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten, en  het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg. Om nadelige invloeden op het functioneren van de vaarweg te voorkomen en/of te beperken is conform artikel 2.1.2 Barro een vrijwaringszone (vrijwaringszone - vaarweg) opgenomen. De vrijwaringszone bij vaarwegen wordt gemeten vanaf de begrenzingslijn van de rijksvaarweg, zoals opgenomen in de legger.

De vrijwaringszone is het gebied van 25 meter vanaf de begrenzingslijn van de vaarweg (25 meter vanuit de oever). Conclusie Ten zuiden van het plangebied ligt de Hollandsche IJssel als onderdeel van de Grote Rivieren. De zone van de vaarweg ligt net binnen het plangebied maar de ontwikkeling heeft geen effecten op de Hollandsche IJssel. Het plangebied heeft voor het overige ook geen raakvlakken met de regels uit het Barro. 3.2.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling is duurzame verstedelijking het uitgangspunt. Hiertoe wordt de ladder voor duurzame verstedelijking gevolgd die is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6. lid 2 Bro). De ladder bestaat uit de volgende drie treden: a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; c.

indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. Conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking is geïmplementeerd in de provinciale Verordening Ruimte. Toetsing aan de ladder komt daarom aan de orde in paragraaf 3.3.3. Geconcludeerd wordt dat voldaan wordt aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

19

3.3

Provinciaal en regionaal beleid

3.3.1 Visie Ruimte en Mobiliteit (2014) De provincie heeft de taak om op (boven)regionaal niveau te sturen op de inrichting en de ruimtelijke kwaliteit van verschillende functies. Dat doet zij met de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening ruimte 2014, het Programma Ruimte, en het Programma Mobiliteit. De Actualisering 2016 van de VRM is op 14 december 2016 vastgesteld door Provinciale Staten en op 12 januari 2017 in werking getreden. Ruimte voor de gebruikers van stad, land en infrastructuur Met de Visie Ruimte en Mobiliteit richt de provincie zich op het op orde brengen, beter benutten en verder opwaarderen van de bovenlokale netwerken, landschapsstructuren en verstedelijkingspatronen. De huidige fysieke situatie en de lopende en beoogde projecten in het mobiliteitsnetwerk vormen het vertrekpunt voor de provincie. De behoefte van de gebruikers staat centraal in het provinciale beleid voor ruimte en mobiliteit. Het aanbod moet zijn afgestemd op hun vraag. De provincie biedt een uitnodigend perspectief aan markt, samenleving en mede-overheden, ook nu investeringsmiddelen schaars zijn. 4 rode draden In de VRM zijn 4 thema's te onderscheiden: 1. beter benutten en opwaarderen van wat er is; 2. vergroten van de agglomeratiekracht; 3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; 4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Conclusie Het plan geeft mede invulling aan rode draad 1 en 3. Het verouderde bedrijventerrein wordt gefaseerd getransformeerd naar een aantrekkelijk woon-werkgebied. Het gebied wordt ruimtelijke opnieuw ingepast waardoor de omgeving wordt opgewaardeerd. De Visie Ruimte en Mobiliteit staat de vaststelling van dit bestemmingsplan daarom niet in de weg. 3.3.2 Programma Ruimte (2014) In het Programma Ruimte is door de provincie het strategische beleid uit de visie doorvertaald naar operationeel beleid en is aangegeven welke mix aan instrumenten de provincie voornemens is om in te zetten en aan wil bieden om deze doelen te realiseren. Het volgende operationele doel kan relevant zijn voor het plangebied.  Beter benutten bestaande stads- en dorpsgebied: De provincie zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Indien een gemeente hier een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestaand stads- en dorpsgebied. Conclusie Met het plan wordt een bestaand stedelijk gebied opgewaardeerd. Daarnaast is de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Het Programma Ruimte staat de vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

20

3.3.3 Verordening Ruimte (2014) De Verordening ruimte Zuid-Holland is vastgesteld in samenhang met de Visie ruimte en mobiliteit en het Programma ruimte. Met de verordening richt de provincie zich op doorwerking van een deel van het ruimtelijk beleid. De verordening bevat daarom regels voor bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen. Ten aanzien van voorliggend bestemmingsplan zijn de volgende artikelen relevant. Artikel 2.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking lid 1 Ladder voor duurzame verstedelijking Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd; b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of c. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die, 1. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld, 2. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1 van toepassing is, en 3.

zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare. Lid 2 Bestaand stads- en dorpsgebied Onder bestaand stads- en dorpsgebied als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Lid 3 Toepassing ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau Gedeputeerde Staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie als motivering of gedeeltelijke motivering dat de stedelijke ontwikkeling voldoet aan het eerste lid. Toetsing De ontwikkeling voorziet in een transformatie van bestaand bedrijventerrein naar een woon-werkgebied. In het bestemmingsplan worden maximaal 25 woningen mogelijk gemaakt. Derhalve is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die getoetst moet worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

Lid 1 onder a Voor de toepassing van de eerste trede van de ladder moet worden nagegaan of de beoogde nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele, regionale behoefte. Deze behoefte moet bovendien zowel kwantitatief als kwalitatief worden uitgesplitst. Voor het bepalen van de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte zijn provinciale prognoses en regionale afspraken leidend. Hiervoor zijn drie rapporten relevant. Daarop is hierna ingegaan.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

21

 Woningbehoefteraming 2016 (WBR) Uit de actuele provinciale woningbehoefteraming blijkt dat er in de stadsregio Rotterdam behoefte is aan meer dan 57.000 woningen tot 2030. In Capelle aan den IJssel wordt uitgegaan van een behoefte van circa 1350 woningen tot 2030. Deze actuele woningbehoefteraming komt ruim 1.000 woningen hoger uit dan de raming uit 2013. De regionale opgave wordt hierop afgestemd en moet naar boven bijgesteld worden om in de behoefte te kunnen voorzien. Gelet op de actuele raming sluit het toevoegen van woningen in Capelle aan den IJssel aan op de actuele behoefte.  Dat spreken we af!, Woningmarktstrategie en Woonvisie Regio Rotterdam 2014-2020 (2014) De gemeenten en de woningcorporaties in de regio Rotterdam hebben afspraken gemaakt om de bouw van woningen af te stemmen op de vraag van de inwoners. Kwantitatieve behoefte Het woningbouwprogramma bouwt voort op het Verstedelijkingsscenario van de Stadsregio Rotterdam uit 2010. Dit programma is herzien op basis van de laatste ontwikkelingen op de woningmarkt. Door de crisis op de woningmarkt was het nodig flink te schrappen in de lijst met plannen voor nieuwbouwwoningen die in 2010 was opgesteld. Toen gingen de gemeenten in de stadsregio nog uit van 65.000 nieuw te bouwen woningen tot 2020. Zij hebben die planvoorraad nu verlaagd tot 39.000 woningen.

Inmiddels zijn 11.000 van deze woningen in de periode tot 2013 al gebouwd, waardoor nog een planvoorraad van 28.000 woningen tot 2020 resteert. In die periode zullen overigens ook 6.000 woningen worden gesloopt. Tot 2030 is sprake van bevolkingsgroei in alle (deel)gemeenten. Er wordt in de subregio een absolute teruggang verwacht van de leeftijdsgroepen tussen de 20 en 50 jaar en een toename van de groep 75+. Kwalitatieve behoefte Het grootste deel van de planvoorraad van 28.000 woningen in de periode 2013-2020 bestaat uit woningen in het suburbaan grondgebonden woonmilieu (8.500 woningen). Dit is een woonmilieu waar nog steeds behoefte aan is binnen de regio. Daarna volgt het tevens gewenste rustig-stedelijke woonmilieu, goed voor ruim 5.000 woningen. Het aandeel van dit woonmilieu is ten opzichte van de vorige afspraken toegenomen; toen lag dat aandeel in feite nog iets te laag. Geconcludeerd kan worden dat er binnen de gemeente Capelle aan den IJssel een regionale behoefte is naar het type woningen, dat binnen het plangebied gerealiseerd gaat worden. Lid 1 onder b De locatie betreft een tranfsormatielocatie binnen bestaand stedelijk gebied. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursvolgorde voor verstedelijking. Lid 1 onder c De locatie is passend multimodaal ontsloten. Dit is mede aangetoond in paragraaf 4.3.

Artikel 2.1.2 Kantoren Lid 1 Kantorenlocaties Een bestemmingsplan kan voorzien in nieuwe kantoren, op gronden: a. binnen de invloedsfeer van de concentratielocaties voor kantoren met treinhalte, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op Kaart 1 Kantoren; b. binnen de begrenzing van de concentratielocaties voor kantoren zonder treinhalte, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op Kaart 1 Kantoren, of c. binnen de begrenzing van de scienceparken, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op Kaart 1 Kantoren, mits passend in het profiel van het sciencepark.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

22

Lid 2 Uitzonderingen Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het opnieuw bestemmen van een vigerende kantoorbestemming voor zover passend in een actuele regionale visie die is aanvaard door gedeputeerde staten; b. kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto vloeroppervlak van 1.000 m² per vestiging; c. kantoren met een lokaal verzorgingsgebied; d. bedrijfsgebonden kantoren met een bruto vloeroppervlak dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak van het bedrijf en e. functiegebonden kantoren bij een luchthaven, een haven of een veiling. Toetsing Het plangebied is niet aangewezen als concentratielocatie voor kantoren. In het plangebied worden dan ook geen zelfstandige kantoren mogelijk gemaakt. Wel zijn bedrijfsgebonden kantoren toegestaan. Hiervoor wordt aangesloten op regel in artikel 2.1.2 lid 2 onder d van de Verordening. Artikel 2.1.3 Bedrijven Lid 1 Hoogst mogelijke milieucategorie Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein, laat bedrijven toe uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een onherroepelijk bestemmingsplan of het Programma ruimte.

Lid 3 Functiemenging Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan in beperkte mate voorzien in nieuwe woningen, bedrijfswoningen en andere functies op delen van een bedrijventerrein, voor zover dit niet in strijd is met het eerste lid. Lid 4 Transformatie Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bestaand bedrijventerrein als bedoeld in het eerste lid of het tweede lid en dat gehele of gedeeltelijke transformatie naar een andere bestemming dan bedrijven mogelijk maakt, verantwoordt in de toelichting op welke wijze binnen de regio compensatie van bedrijventerrein zal plaatsvinden. Lid 5 Achterwege blijven van compensatie Compensatie als bedoeld in het vierde lid, kan achterwege blijven, indien: 1. het een bestaand niet-watergebonden bedrijventerrein met ten hoogste milieucategorie 3 en een oppervlakte van minder dan 1 hectare betreft, of; 2. regionale afstemming heeft plaatsgevonden en hieruit is gebleken dat na transformatie voldoende bedrijventerrein in de regio beschikbaar zal blijven afgezet tegen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Toetsing Het plan voorziet mede in het aanpassen van de algemene toelaatbare milieucategorie van 3.1 naar 2. Dit is noodzakelijk om de beoogde transformatie naar aantrekkelijk woon-werkgebied mogelijk te maken.

Met het plan wordt ruimte geboden aan organische ontwikkeling en functiemenging vanuit een oogpunt van betere benutting en kwaliteitsverbetering van het bestaand stads- en dorpsgebied. In de plantoelichting is aangegeven dat de transformatie noodzakelijk is omdat sprake is van een verouderd bedrijventerreinen die in de loop der jaren middenin het stedelijk gebied is komen te liggen. Daarmee is het mogelijk om af te wijken van de regels voor de hoogst mogelijke milieucategorie.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

23

Het bestemmingsplan maakt gedeeltelijke transformatie mogelijk. Compensatie van bedrijventerrein is echter niet aan de orde. Met het plan wordt beoogd om een woonwerkgebied te realiseren. Binnen het plangebied blijft binnen de bestemming 'Gemengd' bedrijvigheid (tot en met categorie 2) - naast overige functies zoals wonen - mogelijk. Artikel 2.1.4 Detailhandel Lid 1 Detailhandel binnen de centra Een bestemmingsplan voorziet uitsluitend in nieuwe detailhandel op gronden: a. binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken; b. binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk c. binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie. Lid 3 Uitzonderingen buiten de centra Het eerste lid is niet van toepassing op een bestemmingsplan dat voorziet in de volgende nieuwe detailhandel: a. detailhandel in goederen die qua aard of omvang van de aangeboden goederen niet of niet goed inpasbaar is in de centra: 1. detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen; 2. detailhandel in volumineuze goederen; 3.

meubelbedrijven met een omvang van minimaal 1.000 m2 bruto vloeroppervlak, inclusief in ondergeschikte mate een assortiment woninginrichting en stoffering, alsmede detailhandel in de volumineuze woongoederen: keukens, badkamers, vloeren, zonwering en jacuzzi’s, voor zover de ontwikkeling plaatsvindt binnen de bedrijventerreinen met PDV-locaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op Kaart 2 Detailhandel; 4. tuincentra met een omvang van minimaal 1.000 m2 bruto vloeroppervlak; 5. bouwmarkten met een omvang van minimaal 1.000 m2 bruto vloeroppervlak; b. kleinschalige detailhandel: 1. in de vorm van een gemakswinkel; 2. bij sport-, culturele, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen, benzinestations, alsmede andere locaties met veel bezoekers of passanten, met een assortiment dat aansluit op de aard van deze voorzieningen of locaties; 3. als leerwerkplaats bij beroepsonderwijs, met een assortiment dat aansluit op de aard van de onderwijsinstelling; 4. bij een agrarisch bedrijf, met een assortiment van producten uit eigen teelt, of 5. ondergeschikt aan een beroep aan huis of aan een ambachtelijk of dienstverlenend bedrijf, met een assortiment dat aansluit op de hoofdbestemming; c. ondergeschikte detailhandel in ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf; d.

afhaalpunten voor niet-dagelijkse artikelen op bedrijventerreinen, kantoorlocaties en brandstofverkooppunten; e. kringloopwinkels. Toetsing Het plangebied voorziet niet in nieuwe detailhandel. Wel is in het plangebied binnen de bestemming 'Gemengd' en 'Bedrijf' een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het toestaan van kleinschalige detailhandel bij een bedrijf. Dit is opgenomen in artikel '4.4.1 Detailhandel'. Voor het toestaan van kleinschalige detailhandel worden de uitzonderingsmogelijkheden gehanteerd zoals genoemd in artikel 2.1.4 lid 3 onder b tot en met e van provinciale Verordening Ruimte. Hiermee voldoet het plan aan artikel 2.1.4 van de Verordening Ruimte.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

24

Artikel 2.2.1 Lid 1 Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard of schaal niet past binnen het gebied (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard en schaal niet past binnen het gebied (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied ook aandacht is besteed aan de overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Toetsing Op de kwaliteitskaart is het plangebied aangewezen als stads- en dorpsgebied. De beoogde ontwikkeling voorziet in een ruimtelijke opwaardering. De ruimtelijke consequenties en de stedenbouwkundige uitgangspunten zijn beschreven in paragraaf 2.4. Het plan voldoet hiermee aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen). Conclusie Het bestemmingsplan is in lijn met de Verordening Ruimte. 3.3.4 Woonvisie Zuid-Holland 2011-2020 Op 12 oktober 2011 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Woonvisie Zuid-Holland 2011-2020 vastgesteld. Sinds 2008 is het beleidsveld wonen sterk in beweging. De woningmarkt en daarmee ook de noodzakelijke doorstroming is nagenoeg tot stilstand gekomen. Woningen staan langer te koop en prijzen dalen. Ondanks de crisis is tot 2010 doorgebouwd, daarna is de nieuwbouw gestagneerd. De crisis op de woningmarkt is niet in zijn geheel te wijten aan de economische recessie. Onderzoek toont aan dat de woningmarkt structureel is veranderd. Aan de vraagkant is kwaliteit belangrijker geworden. Ook veranderen demografische voorspellingen. In sommige landelijke regio's van Zuid-Holland daalt de bevolkingsomvang. Anticiperend beleid is nodig evenals een verbreding van de focus van alle woonpartners: van alleen woningen bouwen naar verbeteren van de leefomgeving.

De voornaamste ambitie op het gebied van wonen is dat woningen passend zijn voor de huishoudens die ze bewonen. Passend betekent dat:  Voldoende woningen aansluiten bij de sociaaleconomische situatie van bewoners, zo mogelijk ook voor een volgende levensfase (levensloopbestendig);  Woonmilieus passen bij de wensen van bewoners, bijvoorbeeld qua bereikbaarheid, voorzieningen, levensloopbestendigheid, dichtheid, relatie met groen;  Woningen en woonmilieus duurzaam (People, Planet, Profit) zijn, nu en in de toekomst;  Woonmilieus passen binnen de ruimtelijke visie. Met dat uitgangspunt in het achterhoofd zijn vijf ambities geformuleerd: 1. Regionale verscheidenheid behouden en benutten; 2. Provincie stelt kaders voor de lange termijn; regionaal vindt uitwerking plaats; 3. Voldoende goed woningaanbod voor iedereen; 4. Niet meer woningen plannen dan nodig zijn;

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

25

5.

Toevoegingen en impulsen dragen bij aan een verbetering van de leefbaarheid.

Conclusie De Woonvisie doet geen specifieke uitspraken over de locatie. De ontwikkelingen in de markt laten echter zien dat de uitgangspunten al weer gedeeltelijk achterhaald zijn. De ontwikkeling voldoet daarom wel aan de ambities gesteld door de provincie. 3.3.5 Verstedelijkingsscenario Stadsregio 2010-2020 Op 13 oktober 2010 heeft de Stadsregio het verstedelijkingsscenario “Op weg naar een gezonde woningmarkt” vastgesteld. Daarin is een beeld geschetst van de opbouw van de woningvoorraad op basis van een analytische indeling van negen woonmilieus (Rosetta indeling): landelijk, dorps, exclusief suburbaan, grondgebonden suburbaan, compact suburbaan, rustig stedelijk, levendig stedelijk, exclusief stedelijk en hoogstedelijk. Met deze benadering is getracht om de regionale opgave te formuleren en om met gemeenten, corporaties en marktpartijen het gesprek aan te kunnen gaan over vormen van woningbouw die iets toevoegen aan het regionale aanbod. Over het algemeen komt een behoefte naar voren aan meer woningen in zeven van de negen woonmilieus: grootstedelijk, rustig en exclusief stedelijk, grondgebonden en exclusief suburbaan, landelijk en dorps. Het overschot zit in de levendig-stedelijke milieus en de compact-suburbane milieus. Voor de gemeente Capelle aan den IJssel is er een overschot aan compact suburbaan en een tekort aan grondgebonden suburbaan, landelijk en dorps wonen.

Conclusie Op grond van het handelingskader ruimtelijke kwaliteit van de provincie Zuid-Holland is hier sprake van “Inpassen” waarbij artikel 2.2.1 onder a van de Verordening van toepassing is. De voorgenomen transformatie naar een aantrekkelijk woon-werkgebied is conform het provinciaal beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie 2030-Parkstad naast economische motor De gemeente Capelle aan den IJssel heeft op 10 juni 2013 een nieuwe structuurvisie vastgesteld. De structuurvisie 2030 biedt een kader voor toekomstige ontwikkelingen. Het doel van deze structuurvisie is het weergeven van de toekomstige inrichting van de gemeente in 2030. De structuurvisie dient als leidraad en toetsingskader voor toekomstige plannen en is voorzien van een (wettelijk verplicht) uitvoeringsprogramma. In de structuurvisie is de ambitie vastgelegd dat Capelle aan den IJssel in 2030 een aantrekkelijke en duurzame parkstad is met een gedifferentieerd woonaanbod en veel groen en water. Het karakter van de Parkstad wordt bepaald door de groene randen van de stad, de groene hoofdstructuren in de stad en het groen en water midden in de woongebieden. Er is behoefte aan centrale wijkfuncties met een goed basisaanbod aan winkels en dienstverlening in elke wijk. Zorg, onderwijs en basisgezondheidszorg zijn op wijkniveau gebundeld. Dergelijke centra zijn meer dan een plaats om boodschappen te doen. Dit zijn ook de plaatsen in de wijk waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. De wijkvoorzieningen zijn een aanvulling op het stedelijk niveau. In de structuurvisie komen de ruimtelijke claims vanuit wonen, economie, verkeer en vervoer, buitenruimte, sport, recreatie, welzijn, onderwijs en zorg samen.

Daarbij worden de hoofdlijnen geformuleerd en afwegingen en keuzen gemaakt.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

26

Herstructurering en woonkwaliteit Voor het plangebied is de visie op herstructurering en woonkwaliteit relevant. De Mient is op de kaart (her)ontwikkellocaties aangeduid als een van de projecten. In de de structuurvisie wordt aangegeven dat de huidige (volgroeide) stad vraagt om onderhoud en om gerichte kwaliteitsimpulsen zoals het toevoegen van groen, voorzieningen, andere woningtypen, etc.Herstructurering van de bestaande omgeving is een nieuwe uitdaging waarbij diverse belangen spelen. Hoewel de opgaven kleiner zijn dan bij nieuwbouwprojecten uit de ‘groeiperiode’, zijn ze ingewikkelder. Economie Bedrijventerrein De Mient is in de loop der tijd ingesloten door woonwijken. Hierdoor is de aantrekkelijkheid om te ondernemen op deze locatie onder druk komen te staan. Om te voorkomen dat in de toekomst achteruitgang optreedt bij het ondernemen wordt voor De Mient daarom ingezet op herstructurering waarbij werken, zij het in de lichtere milieu categorieën mogelijk moet zijn. De Mient Noord is op de kaart bedrijfslocaties aangeduid als toekomstig woon-werkgebied. Verder wordt in de structuurvisie aangegeven dat de bereikbaarheid van de locatie in de huidige situatie niet optimaal is. De potentie van het terrein lijkt naar de toekomst beperkt. Daarom zijn studies verricht naar de mogelijkheden van een functiewijziging voor dit gebied, van bedrijventerrein naar woonwerkgebied.

De Structuurvisie biedt in 2020 plaats aan een grondgebonden woonmilieu met lichte vormen van bedrijvigheid die passen bij het wonen. De bedrijven, die zich om milieutechnische redenen moeizaam verhouden met wonen, zullen moeten worden verplaatst naar het Hoofdweggebied of het Rivium. Daarnaast zal de bebouwing zodanig moeten worden vormgegeven dat de omliggende gebieden/woonwijken geen overlast hebben van de bedrijvigheid (reductie van verkeersoverlast). Conclusie Het plan is in lijn met de gemeentelijke structuurvisie. 3.4.2 Gebiedsvisie Centraal Capelle De gebiedsvisie Centraal Capelle is op 14 maart 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. De gebiedsvisie vormt het kader voor de ruimtelijke ontwikkeling voor het centrumgebied en werkt aan een belangrijke opgave: een vernieuwing van het centrumgebied Centraal Capelle. De ambities in de Structuurvisie 2030 worden in de gebiedsvisie Centraal Capelle concreet gemaakt. Ook worden in de gebiedsvisie cruciale keuzes gemaakt waarover al jaren gesproken wordt, zoals de bereikbaarheid van het centrum. Met deze gebiedsvisie kunnen diverse locaties waar voor nu en voor de langere termijn een ontwikkeling wenselijk is met een concrete visie in samenhang en in hoog tempo (her)ontwikkeld worden. De gebiedsvisie is bedoeld om andere partijen te stimuleren en uit te nodigen tot initiatieven die aansluiten bij de ambities in de gebiedsvisie.

De insteek is om ontwikkeling door andere partijen mogelijk te maken. Door als gemeente het voortouw te nemen in een ambitieuze aanpak wordt de interesse vanuit de markt verder aangewakkerd en geconcretiseerd en ontstaat het vertrouwen en de energie bij derden om te investeren. Om te voorkomen dat de gemeente 'vernieuwt om het vernieuwen' geeft de gemeente de volgende uitgangspunten mee voor de verbetering van Centraal Capelle: 1. Versterk het Capelse karakter; 2. Benut wat er al is; 3. Biedt ruimte aan initiatieven.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

27

Conclusie Het plangebied is op de routekaart aangeduid als 'ontwikkellocatie' (zie figuur 3.1). Voor ontwikkellocaties zijn zogenoemde gebiedspaspoorten opgesteld. Hier wordt in volgende paragraaf op ingegaan. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in lijn is met de gebiedsvisie Centraal Capelle.

Figuur 3.1 Uitsnede Routekaart 3.4.3 Gebiedspaspoort De Mient Het gebiedspaspoort De Mient is een uitwerking van de gebiedsvisie Centraal Capelle en is op 14 maart 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Daarnaast heeft de gemeenteraad besloten om in afwijking van het Welstandsbeleid 2013 de ontwikkellocatie De Mient welstandsvrij te maken. Het gebiedspaspoort vormt het ruimtelijke kader voor de ruimtelijke ontwikkeling voor De Mient. Het gebiedspaspoort beschrijft de ambitie voor De Mient, waarbij het verhogen van de levendigheid en het verbeteren van de verbinding met de omliggende woonwijken voorop staat. Voor de locatie zijn twee belangrijke uitgangspunten opgenomen: 1. vrijheid bieden zodat er een grote diversiteit aan initiatieven voor de herontwikkeling ontstaat; 2. mogelijkheden bieden voor zelfbouw: initiatiefnemers de kans geven om in dit gebied hun creativiteit en ondernemerschap tot een bijzonder resultaat te brengen. Om een richting aan initiatieven te geven, heeft de gemeente 10 eenvoudige regels opgesteld. Conclusie Het bestemmingsplan is in lijn met het gebiedspaspoort De Mient.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

28

3.4.4 Woonvisie 2013-2020 Parkstad naast economische motor Op 10 juni 2013 is door de gemeenteraad de Woonvisie 2013-2020 vastgesteld. Het beleidsveld wonen is de komende jaren erg dynamisch. Er spelen vele ontwikkelingen. Zo is dankzij de economische crisis de woningmarkt vastgelopen en veranderd in een kopersmarkt. De financieringsmogelijkheden van consumenten zijn beperkt, de wet- en regelgeving wijzigt. Binnen deze wispelturige context waarvan het voor zowel de markt als de overheid moeilijk is in te schatten welke koers gevaren moet worden, probeert de gemeente Capelle aan den IJssel via de Woonvisie enig houvast te creëren en van Capelle aan den IJssel een Parkstad te maken met een gevarieerde woningvoorraad waar vanzelfsprekend voor iedereen plaats is. In de woonvisie ligt de nadruk op actief beheer en vernieuwing. Dit betekent dat aandacht moet uitgaan naar het versterken van de Capelse woonmilieus door de woonmilieubalans te herstellen. In de stadsregio is afgesproken om woonmilieus waarvan een overschot is (compact-suburbaan) te verminderen en schaarse woonmilieus toe te voegen (landelijk, dorps en exclusief). Hoewel de woningvoorraad binnen Capelle aan den IJssel voornamelijk uit kwalitatief goede jonge woningen bestaat, is een deel kwetsbaar. Het zijn kleine, goedkope en relatief oude woningen die in concentraties in elkaars nabijheid staan.

Deze woningen zullen de komende jaren scherp in de gaten moeten worden gehouden om te voorkomen dat achteruitgang optreedt. Hierbij kan worden gedacht aan goed onderhoud van de openbare ruimte, sociale en fysieke ingrepen al dan niet in combinatie met de ontwikkeling van een gebied. In de woonvisie is De Mient als een project voor woningbouw aangeduid. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Woonvisie. 3.4.5 Welstandsnota Op 11 november 2013 is de Welstandsnota vastgesteld. In de Welstandsnota wordt aangegeven aan welke welstandscriteria bouwplannen worden getoetst en op welke accenten in bepaalde gebieden of bij bijzondere objecten specifiek wordt gelet. Bij besluit van 14 maart 2016 is door de gemeenteraad het plangebied welstandsvrij verklaard. Conclusie De welstandsnota is niet van toepassing op het plangebied.

3.5

Conclusie

Het plan is in overeenstemming met het beleid van de verschillende overheden.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

29

Hoofdstuk 4

4.1

Sectorale aspecten

Milieueffectrapportage (m.e.r.)

Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:  de kenmerken van de projecten;  de plaats van de projecten;  de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is indien (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2);  de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer;  een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat;  een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De beoogde ontwikkeling betreft een transformatiegebied met een oppervlakte van circa maximaal 25 woningen. De beoogde ontwikkeling overschrijdt de drempelwaarden niet.

2

9.000 m en

Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de navolgende paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

30

4.2

Geluid

Toetsingskader Geluidzone industrielawaai Een geluidzone wordt vastgesteld rond industrieterreinen waar inrichtingen zijn gevestigd die 'in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken' zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Dergelijke bedrijven worden in de volksmond ook wel 'grote lawaaimakers' genoemd. Op grond van de wet behoort tot de geluidzone het gebied tussen het industrieterrein zelf en de buitengrens van de zone. Het industrieterrein zelf maakt dus geen deel uit van de zone. Buiten een geluidzone mag de geluidsbelasting als gevolg van het betreffende industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Voor het gezoneerde industrieterrein zelf en daarop aanwezige of geprojecteerde woningen gelden geen geluidnormen. Grenswaarden voor nieuwe gevoelige functies Binnen de geluidzone zijn woonbestemmingen en andere geluidsgevoelige bestemmingen slechts aanvaardbaar indien de geluidsbelasting aan de gevel aan de wettelijke grenswaarden voldoet. Voor nieuwe geluidsgevoelige functies, zoals woningen, geldt een wettelijke voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Voor nieuwe woningen die binnen de geluidzone liggen is in het algemeen de vaststelling van een hogere waarde tot 55 dB(A) mogelijk.

Op grond van de momenteel vigerende Wet geluidhinder kan het bevoegd gezag de betreffende hogere grenswaarden vaststellen indien blijkt dat maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ondervinden van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Wegverkeerslawaai Langs alle wegen met uitzondering van 30 km/h wegen en woonerven bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidsbelasting aan de gevel vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidsbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden. Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het jaargemiddeld geluidsniveau. In de Wgh zijn verschillende grenswaarden opgenomen voor nieuwe woningen, bestaande woningen langs nieuwe wegen en de reconstructie van een weg. De voorkeursgrenswaarde bedraagt voor alle gevallen 48 dB en de maximale hogere grenswaarde varieert van 53 dB (bijvoorbeeld bij een nieuwe weg en/of nieuwe woning in buitenstedelijk gebied) tot maximaal 68 dB (in het geval van een vervangende nieuwbouw langs een bestaande weg in stedelijk gebied). Dit is nader uitgewerkt in tabel 4.1. Tabel 4.1

Grenswaarden Wet geluidhinder voor wegverkeerslawaai bij woningen

Cumulatie

Rho adviseurs voor leefruimte

050200.20160850

31

Bij het vaststellen van hogere grenswaarden of het motiveren dat een hogere gecumuleerde geluidbelasting (Lcum) dan 50 dB(A) wordt geaccepteerd, is cumulatie van belang. In het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 is aangegeven welke bronnen hierbij moeten worden meegenomen en volgens welke methode moet worden gecumuleerd. Onderzoek en conclusie Het plangebied ligt binnen de geluidzone van het industrieterrein IJsseldijk. Vanwege de ligging binnen 1 deze zone is akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 1). Uit het onderzoek volgt dat de geluidbelasting ten gevolge van de Meeuwensingel aan de noordzijde van het plangebied weliswaar hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, echter niet hoger dan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 63 dB. Voor deze woningen dient een hogere waarde te worden vastgesteld. Ten gevolge van het industrieterrein IJsseldijk is de geluidbelasting op het plangebied niet hoger dan 55 dB(A). Daarmee is woningbouw overal mogelijk. Wel dienen hogere waarden te worden vastgesteld.

Figuur 4.1 Geluidzone industrieterrein IJsseldijk (bron: provincie Zuid-Holland, Staat van Zuid-Holland, kaart Geluidshinder) Alleen voor de toekomstige woningen binnen de geluidzone van de Meeuwensingel en belast door het wegverkeerslawaai van meer dan 48 dB is sprake van cumulatie met geluid ten gevolge van industrieterrein IJsseldijk. De gecumuleerde geluidbelasting in evenwel altijd lager dan 55 dB, hetgeen niet hoger is dan de ten hoogste toelaatbare geluidbelastingen van 63 dB voor wegverkeerslawaai en 55 dB(A) voor industrielawaai. Cumulatie leidt dus niet tot een onacceptabel woon- en leefklimaat. De herontwikkeling van het bedrijventerrein wordt niet belemmerd door wegverkeers- en/of industrielawaai.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11082867/1