0.2 Collegebrief week 19 - 2025
Tekst van het document
4.2 IJsselgemeenten IJsselgemeenten kan maatwerk bieden zodat bijstandsklanten op basis van individueel ondernemerschap kunnen deelnemen aan een sociale coöperatie. Zo heeft IJsselgemeenten een aantal trajecten lopen gericht op zelfstandig ondernemerschap voor bijvoorbeeld statushouders. IJsselgemeenten kan geen ondersteuning bieden aan sociale coöperaties. Dit overstijgt de taken, kennis en kunde van IJsselgemeenten. 4.3 Ondernemersklankbord Capelle Vanuit het programma Economie wil de afdeling Economische Zaken (EZ) de toegang tot ondernemerschap toegankelijker maken. Dit is gericht op individueel ondernemerschap. Bij EZ zijn geen initiateven bekend tot coöperatief ondernemerschap. Het Ondernemersklankbord, bestaande uit Capelse ondernemers uit voornamelijk het MKB, helpt startende- ondernemers met advies bij bepaalde ondernemersvragen. Op dit moment (januari 2025) loopt er pilot waarbinnen maximaal 25 startende ondernemers een half jaar door het Ondernemersklankbord intensief worden begeleid. Kosten van dit ondersteuningstraject bedragen € 200,-, waaraan de gemeente Capelle € 100,- bijdraagt. Wanneer er een serieuze ondersteuningsvraag komt vanuit Capelle, dan kan met het Ondernemersklankbord worden overlegd of en welke ondersteuning mogelijk is.
4.4 Ondersteuning door de gemeente Afhankelijk van de aard van de activiteiten, kan een sociale coöperatie in aanmerkingen komen voor een subsidie op grond van de Algemene Subsidie Verordening. Ook kan de gemeente overwegen om ruimte beschikbaar te stellen voor de huisvesting van een sociale coöperatie. De gebiedsregisseurs kunnen de initiatiefnemers ondersteunen door hen te koppelen aan relevante organisaties, netwerken en personen. 4.5 Van Capellen Stichting De Van Cappellen Stichting heeft als hoofddoel het behartigen en ondersteunen van sociale, culturele en algemene belangen van de inwoners in de gemeenten Capelle, Krimpen en Zuidplas. Stichtingen en verenigingen kunnen subsidie aanvragen voor projecten in de categorieën kunst en cultuur, maatschappelijk en sociaal, ouderen, werk, jeugd, onderwijs. 4.6 Sociale coöperatie.nl Sociale cooperatie.nl is een platform dat begeleiding biedt aan mensen die een sociale coöperatie willen starten, met informatie over de eerste stappen, benodigde middelen en voorbeelden van bestaande initiatieven. 4.7 Landelijk Netwerk Sociaal Coöperatief Ondernemerschap Het Landelijk Netwerk Sociaal Coöperatief Ondernemerschap (LaNSCO) heeft als voornaamste taken het verbinden, ondersteunen en versterken van sociale coöperaties in Nederland.
Deze coöperaties bieden mensen met een uitkering de mogelijkheid om met behoud van uitkering te ondernemen en zo hun talenten en kwaliteiten in te zetten. 4.8 Movisie Movisie ondersteunt sociale coöperaties door het ontwikkelen van handboeken en stappenplannen voor het opzetten en beheren van coöperatieve bewonersbedrijven, met aandacht voor aspecten zoals bedrijfsvoering, financiën en marketing. Daarnaast faciliteert Movisie kennisdeling en netwerkvorming tussen sociale coöperaties en andere betrokken partijen.
5
4.9 Rabo Foundation De Rabo Foundation is het maatschappelijke fonds van de Rabobank en richt zich op het ondersteunen van kansengelijkheid en economische zelfstandigheid. Een van de taken is het verstrekken van leningen, donaties en investeringen aan sociale ondernemingen en coöperaties die bijdragen aan economische zelfredzaamheid. Ook biedt de Rabo Foundation trainingen en coaching aan ondernemers en organisaties die sociale impact maken.
5. Stand van zaken, conclusies en aanbevelingen ondernemen vanuit de bijstand in Capelle 5.1 Stand van zaken De gemeente Capelle heeft een samenwerking met het Regionaal Bureau Zelfstandigen (RBZ) Rotterdam. Op 31 december 2024 maakten drie Capelse ondernemers vanuit de bijstand gebruik van de Bbz. Zij worden begeleid door het RBZ Rotterdam, waar onze gemeente een samenwerking mee heeft. IJsselgemeenten kan het RBZ Rotterdam advies vragen over de activiteiten die een marginaal zelfstandige wil gaan uitvoeren. Om parttime ondernemen vanuit de bijstand mogelijk te maken heeft IJsselgemeenten de uitvoeringsrichtlijn Marginaal Zelfstandigen opgesteld. Op 31 december 2024 maakten zeven Capellenaren gebruik van de mogelijkheid om marginaal te ondernemen. Werkzaamheden die binnen het marginaal ondernemen worden verricht zijn: verkoop van producten op markten en online, krantenwijk, afnemen van enquêtes, muziekles, zorg en huishoudelijke hulp, coaching en kledingatelier. Het opzetten van een bewonersbedrijf was een actiepunt in de Gebiedsvisie Florabuurt, maar deze is komen te vervallen. Het initiatief voor een bewonersbedrijf lag namelijk niet bij de bewoners, maar bij de partners Havensteder en Pameijer.
Er blijkt onder de bewoners geen draagvlak te zijn voor een bewonersbedrijf en de sociale cohesie in de Capelse wijken blijkt vooralsnog onvoldoende om initiatieven tot een bewonersbedrijf te kunnen verwachten. Bij de gebiedsregisseurs, IJsselgemeenten en de afdeling Economische Zaken zijn geen initiatieven, wensen of ondersteuningsbehoeften van bewoners bekend voor de ontwikkeling van een sociale coöperatie. Mocht dat in de toekomst veranderen, dan zijn in deze notitie verschillende mogelijkheden tot ondersteuning benoemd, die dan nader verkend kunnen worden. De Adviesraad Sociaal Domein leek tijdens het tweede informeel gesprek niet eenduidig over het stimuleren van coöperatief ondernemerschap vanuit de bijstand. Enerzijds is er de wens dat de gemeente de ontwikkeling van sociale coöperaties stimuleert. Anderzijds wordt er gewezen op de risico’s voor betrokkenen, met nadruk op het gegeven dat een wisselend inkomen financiële problemen kan veroorzaken. Daarnaast heeft de Adviesraad de wens geuit dat marginaal ondernemers hun onkosten kunnen verrekenen met de omzet.
5.2 Conclusies Met de uitvoeringsrichtlijn Marginaal Zelfstandigen is voldaan aan het voornemen uit het meerjarenbeleidskader werk en inkomen om ‘werken op bescheiden schaal als zelfstandige’ mogelijk te maken. Met deze notitie is ook de verkenning afgerond ‘naar de mogelijkheden van een sociale coöperatie’. De wens van de Adviesraad Sociaal Domein dat marginaal ondernemers hun onkosten kunnen verrekenen met de omzet kan niet worden ingewilligd. Een bijstandsuitkering voor levensonderhoud is een aanvulling op de eigen middelen. Volgens de Participatiewet is bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten. In de uitvoeringsrichtlijn Marginaal Zelfstandigen heeft IJsselgemeenten opgenomen dat in bijzondere
6
situaties maatwerk mogelijk is. Indien dit aan de orde is wordt het opgenomen in een besluit. Er is dan sprake van buitenwettelijk begunstigend beleid. Een sociale coöperatie is primair gericht op participatie van mensen met een uitkering. Het maken van winst staat niet voorop. Een sociale coöperatie zal voor het voortbestaan vaak afhankelijk zijn van financiële steun van de gemeente. 5.3 Advies Gezien de risico’s die verbonden zijn aan ondernemerschap zoals de wisselde en veelal beperkte inkomsten en de verplichtingen van ondernemerschap, wordt afgeraden ondernemen vanuit de bijstand als gemeente actief te stimuleren. Dit geldt zowel voor individueel ondernemen als voor ondernemen in een samenwerkingsverband. Voor het opzetten van een sociale coöperatie ligt het initiatief bij bewoners. Gezien er in Capelle geen initiatieven van bewoners hiertoe zijn is het advies om nu geen activiteiten op te zetten om sociale coöperaties te kunnen ondersteunen. Mocht er een ondersteuningsvraag komen met een serieus plan, dan kan bekeken worden hoe deze groep potentiële ondernemers het best geholpen kan worden. Geraadpleegde documenten -
Besluit bijstandsverlening zelfstandigen: wetten.nl - Regeling - Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 - BWBR0015711 (overheid.nl) Beleidsregels Zelfstandigen Capelle aan den IJssel 2020 | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl) Handboek coöperatief bewonersbedrijf. Zo doe je dat! Movisie. September 2018. Handreiking Verrekenen inkomsten uit parttime ondernemerschap: Het verschil tussen pto en ondernemen via het Bbz | Divosa Sociale coöperatie: anders denken en doen. Het kantelen begint langs de randen. Estejé, Janssen en Kuiper. Februari 2015 Uitvoeringsrichtlijn Marginaal Zelfstandigen. IJsselgemeenten.
7
Kadernota 2026
22 januari 2025
VRR Kadernota 2026
1
Inhoud 1. Inleiding................................................................................................................................................... 3 2. Indeling van de programmabegroting ................................................................................................ 3 3. Baten ....................................................................................................................................................... 4 3.1 Gemeentelijke bijdragen ................................................................................................................ 4 3.2 Bijzondere Doeluitkering Rampenbestrijding (BDUR)............................................................... 9 3.3 Opbrengsten uit ambulanceritten ............................................................................................... 10 4. Lasten ................................................................................................................................................... 11 4.1 Personeel ....................................................................................................................................... 11 4.2 Indexering van de lasten ..............................................................................................................
13 4.3 Investeringen en kapitaallasten .................................................................................................. 14 4.4 Ontwikkeling Begroting ................................................................................................................ 15 5. Eigen vermogen .................................................................................................................................. 16 5.1 Weerstandsvermogen .................................................................................................................. 16 5.2 Liquiditeitspositie ........................................................................................................................... 16 5.3 Reserves en voorzieningen ......................................................................................................... 16 6. Beleidsontwikkelingen ........................................................................................................................ 17 7. Procedure ............................................................................................................................................. 19
VRR Kadernota 2026
2
1. Inleiding Voor u ligt de kadernota 2026. De kadernota vormt het startpunt van het proces van begroting en verantwoording. Kadernota
Programmabegroting
Begrotingswijzigingen
Jaarrekening
Deze kadernota geeft de financiële en beleidsmatige kaders aan voor de programmabegroting van het jaar 2026. Vanaf hoofdstuk 2 wordt u eerst meegenomen in de indeling en de financiële kaders van de begroting. In hoofdstuk 6 vindt u de beleidsmatige kaders.
2. Indeling van de programmabegroting De indeling van de begroting 2026 voldoet aan het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV). Daarnaast houdt het, waar van toepassing, rekening met de Wet- en regelgeving Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de specifieke bepalingen zoals vastgelegd in de Financiële Verordening van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. Wijzigingen als gevolg van het jaarverslag (en de jaarrekening) 2024 en wijzigingen in de begroting voor het jaar 2025 worden in de begroting 2026 verwerkt. Eveneens worden de uitkomsten van de toetsing van de omvang en noodzaak van de reserves en voorzieningen verwerkt. De begroting 2026 bestaat uit drie programma’s: • programma Ambulancezorg; • programma Brandweerzorg; • programma Risico & Crisisbeheersing. In dit programma is ook de GHOR opgenomen; Daarnaast worden er verschillende paragrafen opgenomen in de begroting, conform de regelgeving van de BBV. Dit gaat o.a. om de paragraaf bedrijfsvoering, overhead en weerstandsvermogen en risicobeheersing.
VRR Kadernota 2026
3
3. Baten 3.1 Gemeentelijke bijdragen Bezuinigingen De financiële situatie van gemeenten in Nederland staat onder druk. Veel gemeenten zijn dan ook bezig met mogelijke maatregelen die de verwachte tekorten moeten opvangen. Bij brief van 18 juli hebben de colleges van B&W van de deelnemende gemeenten (m.u.v. de gemeente Maassluis) aan het bestuur van de gemeenschappelijke regeling van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond verzocht om met scenario’s te komen, waarbij sprake is van enerzijds 5% en anderzijds 10% verlaging van de gemeentelijke bijdragen voor 2025 en verder. Op basis hiervan is binnen het bestuur gesproken over mogelijke bezuinigingsscenario’s. In de vergadering van het Algemeen Bestuur van 19 februari 2025 is besloten dat voor 2026 definitief 4% bezuinigd moet worden. Dit zal in de gemeentelijke bijdrage van 2026 verwerkt worden. . De Algemeen Directeur heeft de opdracht gekregen om de bezuiniging in te vullen en het Algemeen Bestuur hier periodiek over te informeren. Hierbij is aangegeven dat de bezuinigingen niet ten koste mogen gaan van de brandweerzorg. Indexering gemeentelijke bijdragen De gemeentelijke bijdrage dient ter dekking van de kosten voor de basistaak van de VRR. Het indexeringspercentage dat gebruikt wordt voor het opstellen van de begroting is vastgesteld door de colleges van Burgemeester en Wethouders van alle deelnemende gemeenten.
De indexatie voor 2026 bedraagt 2,2%. Dit is een gewogen indexering die bestaat uit een indexatie voor de looncomponent die voor 80% meeweegt en een indexatie voor component van de overige kosten (op basis van de prijs overheidsconsumptie) die voor 20% meetelt. Deze is als volgt opgebouwd:
Indexatie 2026
Component lonen
Component Totaal index overige kosten 2026
Indexaties
2,00%
3,00%
Weging
80%
20%
2,20%
Naast de indexatie voor 2026 zelf van 2,2% is er nog een inhaalindexatie van 3% over de jaren 2023-2025. De totale index voor 2026 bedraagt afgerond dan 5,2%. Dit is als volgt opgebouwd: Opbouw indexatie Indexatie 2026 Correctie 2025 Correctie 2024 Correctie 2023 Totaal accres
VRR Kadernota 2026
2,20% 0,04% 1,24% 1,74% 5,22%
4
Kostenverdeelsystematiek Op 8 december 2021 heeft het Algemeen Bestuur ingestemd met de nieuwe kostenverdeelsystematiek voor de deelnemende gemeenten. Het aantal inwoners per gemeente is niet langer de basis voor het bepalen van de primaire bijdrage. Vanaf 2023 is dat het evenredig aandeel van de gemeente in het Gemeentefonds voor het subcluster Crisisbeheersing en Brandweer. Op dit besluit zijn nadere uitwerkingsvoorstellen gemaakt waarmee het Algemeen Bestuur in december 2022 heeft ingestemd: - De uitkering in het subcluster Crisisbeheersing en Brandweer vanuit het Gemeentefonds wordt jaarlijks geactualiseerd en daarmee ook de verdeelsleutel per gemeente. - De bijdrage die Rotterdam aan de Gezamenlijke Brandweer betaalt voor de reguliere brandweerzorg in het Europoort gebied wordt jaarlijks aangepast aan de bijdrage zoals opgenomen in de begroting van de Gezamenlijke Brandweer. - De berekening van de verhouding voor de kostenverdeelsleutel wordt gebaseerd op de meicirculaire van twee jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar. Voor de nieuwe kostenverdeelsystematiek is een ingroeitraject afgesproken die loopt tot en met 2026. Hierbij is een uitzondering gemaakt voor Goeree Overflakkee. Deze gemeente komt boven de gemaximaliseerde ingroei van € 4,25 per inwoner uit. Daarom is afgesproken om de ingroeiperiode te verlengen voor deze gemeente tot en met 2028.
Op basis van bovenstaande wordt voor 2026 de kostenverdeelsleutel geactualiseerd. Dit gebeurt aan de hand van de meicirculaire 2024 voor de verdeling van het subcluster Crisisbeheersing en Brandweer in het gemeentefonds en de begroting 2025 van de Gezamenlijke Brandweer. Dit leidt tot een aantal verschillen in de verdeelsleutel ten opzichte van de verdeelsleutel die in 2025 geldt. Bedragen subcluster meicirculaire 2024 Albrandswaard Barendrecht Capelle aan den IJssel Goeree-Overflakkee Krimpen aan den IJssel Lansingerland Maassluis Nissewaard Ridderkerk Rotterdam Schiedam Vlaardingen Voorne aan Zee Totaal
VRR Kadernota 2026
1.929.093 3.719.191 6.089.796 5.352.389 2.324.250 4.752.778 3.033.806 7.489.106 3.957.907 80.866.217 8.542.980 7.362.454 6.160.113 141.580.081
5
In onderstaande tabel zijn de verdeelsleutels naast elkaar gezet waarbij de laatste kolom wordt gebruikt voor de kostenverdeelsleutel in de kadernota 2026.
Gemeente
Verdeelsleutel Verdeelsleutel Verdeelsleutel Verdeelsleutel Verdeelsleutel 2024 conform 2024 2025 conform 2025 2026 conform Verdeelsleutel herijking o.b.v. aangepast herijking o.b.v. aangepast herijking obv 2026 meicirculaire i.v.m. meicirculaire i.v.m. meicirculaire 2022 ingroeitraject 2023 ingroeitraject 2024
Albrandswaard Barendrecht Capelle aan den IJssel Goeree-Overflakkee Krimpen aan den IJssel Lansingerland Maassluis Nissewaard Ridderkerk Rotterdam (excl. GB) Schiedam Vlaardingen Voorne aan zee Totaal
1,51% 2,94% 4,89% 4,14% 1,87% 3,67% 2,27% 5,89% 3,12% 52,52% 6,61% 5,68% 4,88% 100,00%
1,39% 2,72% 4,57% 3,44% 1,68% 3,80% 2,01% 5,70% 2,76% 55,00% 6,37% 5,75% 4,64% 99,82%
1,51% 2,94% 4,78% 4,11% 1,83% 3,66% 2,33% 5,86% 3,09% 52,73% 6,59% 5,72% 4,86% 100,00%
1,45% 2,83% 4,67% 3,62% 1,75% 3,73% 2,17% 5,78% 2,93% 53,86% 6,48% 5,73% 4,75% 99,75%
1,49% 2,86% 4,69% 4,12% 1,79% 3,66% 2,34% 5,77% 3,05% 53,25% 6,58% 5,67% 4,74% 100,00%
1,49% 2,86% 4,69% 3,80% 1,79% 3,66% 2,34% 5,77% 3,05% 53,25% 6,58% 5,67% 4,74% 99,68%
Ontwikkelagenda Conform het besluit van het Algemeen Bestuur zal de totale bijdrage in het kader van de ontwikkelagenda tot en met 2026 stapsgewijs toenemen. In 2026 wordt de laatste tranche van € 1.129k. (is afgerond € 1,4 mln. incl. indexering) toegevoegd. Deze tranche is onderdeel van de gemeentelijke bijdrage. Ontwikkelagenda - Toename per jaar Omschrijving Oorspronkelijk bedrag Indexatie Totaal (* € 1000)
2024
2025 2.576 305 2.881
2026 1.887 367 2.254
1.129 249 1.379
Totale gemeentelijke bijdrage basiszorg Het bestuur heeft in de vergadering van februari 2024 besloten dat in 2026 een bezuiniging doorgevoerd wordt van 4% van de gemeentelijke bijdrage. Dit komt neer op ongeveer € 4.5 mln. euro. De totale gemeentelijke bijdrage voor 2026 neemt met € 7,6 mln. toe ten opzichte van 2025. Deze toename bestaat uit € 6,2 mln. door de indexatie van de kosten en afgerond € 1,4 miljoen zijnde de 4e en tevens laatste tranche van de ontwikkelagenda. De gemeentelijke bijdrage 2025 bedraagt € 123.281.692. Hierin is de korting die de gemeente Goeree Overflakkee krijgt in het kader van het ingroeitraject, verwerkt. Deze korting bedraagt in 2025 totaal € 317.172. De bijdrage wordt vervolgens gecorrigeerd met de bezuiniging van € 3,4 mln. Om de bijdrage voor 2026 te bepalen, worden vervolgens de indexatie 2026 (€ 6,2 mln.) en de tranche ontwikkelagenda 2026 (afgerond € 1,4 mln.) opgeteld bij de gecorrigeerde bijdrage 2025. Tenslotte wordt in het kader van de ingroei van de kostenverdeelsystematiek de korting
VRR Kadernota 2026
6
van Goeree Overflakkee van 2026 nog in mindering gebracht op de totale bijdrage. Dit ziet er dan als volgt uit: Totaal bijdrage 2025 (incl. ingroei Goeree Overflakkee) Bezuiniging Indexatie 2026 Tranche ontwikkelagenda Ingroei Goeree Overflakkee Totaal bijdrage 2026 (incl. ingroei Goeree Overflakkee)
123.281.692 -4.544.751 6.174.321 1.378.525 -105.724 126.184.063
De totale korting voor Goeree Overflakkee bedraagt in 2026 dan € 422k. In 2027 en 2028 zal deze korting worden afgebouwd in 2 gelijke stappen. Dit betekent dat in 2027 de korting nog € 211k. bedraagt en in 2028 er geen korting meer is. Andere mutaties in de gemeentelijke bijdrage worden nu niet voorzien voor de jaren na 2026.
VRR Kadernota 2026
7
In de volgende tabel is de ontwikkeling van de verdeling van de gemeentelijke bijdragen 2024-2028 neergezet, exclusief de DVO’s, op basis van: - de afspraken over de kostenverdeelsleutel. - de geactualiseerde kostenverdeelsleutel op basis van de meicirculaire 2024 - de verwerking van de bezuiniging van 4%. - de indexatie van de gemeentelijke bijdrage en de tranches van de ontwikkelagenda (tot en met 2026). - de ingroeiperiode (2027 en 2028) in het kader van het ingroeitraject van de nieuwe kostenverdeelsystematiek van de bijdrage van de gemeente Goeree Overflakkee.
Gemeente
Albrandswaard Barendrecht Capelle aan den IJssel Goeree-Overflakkee Krimpen aan den IJssel Lansingerland Maassluis Nissewaard Ridderkerk Rotterdam (excl. GB) Schiedam Vlaardingen Voorne aan zee Totaal
Verdeelsleutel 2025
1,45% 2,83% 4,67% 3,62% 1,75% 3,73% 2,17% 5,78% 2,93% 53,86% 6,48% 5,73% 4,75% 99,75%
Bijdrage 2025 excl DVO+ na herijking
1.796.896 3.500.047 5.774.696 4.459.756 2.165.892 4.610.909 2.679.849 7.140.853 3.618.702 66.575.524 8.006.721 7.083.801 5.868.046 123.281.692
Verdeelsleutel 2026 conform herijking obv meicirculaire 2024
Verdeelsleutel 2026
1,49% 2,86% 4,69% 4,12% 1,79% 3,66% 2,34% 5,77% 3,05% 53,25% 6,58% 5,67% 4,74% 100,00%
1,49% 2,86% 4,69% 3,80% 1,79% 3,66% 2,34% 5,77% 3,05% 53,25% 6,58% 5,67% 4,74% 99,68%
Bijdrage 2026 excl DVO+ na herijking
1.880.521 3.625.547 5.936.463 4.794.727 2.265.729 4.633.110 2.957.419 7.300.541 3.858.252 67.421.784 8.327.880 7.177.077 6.005.010 126.184.063
Bijdrage Verdeel Bijdrage 2027 Verdeel 2028/2029 excl sleutel excl DVO+ (geen sleutel DVO+ (geen 2027 herijking meer) 2028/2029 herijking meer) 1,49% 2,86% 4,69% 3,96% 1,79% 3,66% 2,34% 5,77% 3,05% 53,25% 6,58% 5,67% 4,74% 99,84%
1.880.521 3.625.547 5.936.463 5.006.175 2.265.729 4.633.110 2.957.419 7.300.541 3.858.252 67.421.784 8.327.880 7.177.077 6.005.010 126.395.511
1,49% 2,86% 4,69% 4,12% 1,79% 3,66% 2,34% 5,77% 3,05% 53,25% 6,58% 5,67% 4,74% 100,00%
1.880.521 3.625.547 5.936.463 5.217.623 2.265.729 4.633.110 2.957.419 7.300.541 3.858.252 67.421.784 8.327.880 7.177.077 6.005.010 126.606.959
VRR Kadernota 2026 8
Meerjarenraming Dienstverleningsovereenkomsten (DVO’s) Naast de bijdrage voor de basiszorg zijn er gemeenten die separate afspraken hebben gemaakt over aanvullende dienstverlening. Als deze afspraken voor 2026 worden verlengd dan zullen deze in de begroting worden opgenomen. Een aantal gemeenten hebben in het kader van preventie afspraken gemaakt over de inzet van wijkbrandweermannen. De kosten voor 1 wijkbrandweerman voor 2026 zullen naar verwachting uitkomen op ruim € 84k. per jaar (incl. indexering). De gemeente Voorne aan Zee heeft afspraken rondom cultureel erfgoed en de kazerne van Oudenhoorn. Deze kosten zullen naar verwachting uitkomen op ruim € 23k. in 2026. De gemeente Rotterdam heeft afspraken in het kader van de inzet van Strandwachten, Wet administratieve bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Toezicht Controle en Handhaving (TCH). Op basis van de verwachte kosten in 2024 en de indexatie zullen deze kosten in 2026 uitkomen op € 667k. voor de strandwachten en € 705k. voor Wabo/TCH. Beide bedragen zijn inclusief de indexatie. Op basis van de huidige gegevens worden de volgende DVO’s verwacht: Gemeente
Omschrijving
Albrandswaard Barendrecht Capelle aan den IJssel Ridderkerk Rotterdam
Wijkbrandweer Wijkbrandweer Wijkbrandweer Wijkbrandweer Strandwachten WABO/TCH Wijkbrandweer Wijkbrandweer Wijkbrandweer Cultureel erfgoed Kazerne Oudenhoorn
Schiedam Vlaardingen Voorne aan Zee Totaal
DVO's 2026 84.231 84.231 85.087 84.231 666.885 704.953 155.324 85.087 84.231 22.758 725 2.057.742
3.2 Bijzondere Doeluitkering Rampenbestrijding (BDUR) De BDUR bestaat uit meerdere bijdragen. • Een lumpsumbijdrage die het Rijk verstrekt aan de veiligheidsregio’s voor de uitvoering van wettelijke taken • Een bijdrage voor het CBRN-peloton. • Een bijdrage voor de professionalisering van de Crisisbeheersing en informatievoorziening. Elk jaar maakt het ministerie van Justitie en Veiligheid de bijdragen bekend via een brief. De BDUR-bijdrage waar rekening mee gehouden wordt voor de begroting 2026 en de meerjarenraming is op basis van de brief van het ministerie van november 2024. In de laatste brief geeft het ministerie van Justitie en Veiligheid aan dat op grond van het Hoofdlijnenakkoord en de uitwerking van het regeerprogramma vanaf 2026 het budget wordt gekort met 10%. De gesprekken hierover lopen op dit moment nog. De verwachting is dat met de voorjaarsnota van 2025 er meer duidelijkheid kan worden gegeven over de uitwerking hiervan.
VRR Kadernota 2026 9
Voor 2025 bedraagt de totale BDUR voor de veiligheidsregio € 18.679.649. Dit is als volgt opgebouwd: Brede doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR) BDuR regulier Bijdrage CBRN Extra middelen crisisbeheersing Extra middelen informatievoorziening Totaal BDuR (bedragen € 1.000)
2025 14.971 175 2.716 818 18.680
In dit bedrag is nog niet de indexatie 2025 verwerkt. De hoogte hiervan wordt in juni 2025 bekend gemaakt. Voor de begroting 2026 zal vooralsnog van dit bedrag worden uitgegaan met een indexatie voor 2025 van 2,5% en voor 2026 van 2,2%, conform het indexeringspercentage dat gebruikt wordt voor het opstellen van de begroting en is vastgesteld door de colleges van Burgemeester en Wethouders van alle deelnemende gemeenten.
3.3 Opbrengsten uit ambulanceritten In Nederland zijn alle zorgverzekeraars gezamenlijk verantwoordelijk voor de inkoop van Ambulancezorg. Voor de inkoop wordt door de minister een landelijk macrobudget vastgesteld. De onderhandelingen over de regionale zorginkoop afspraken vinden jaarlijks plaats. Deze onderhandelingen starten ongeveer een halfjaar voor het begrotingsjaar. Dit betekent dat de onderhandelingen over het budget 2026 naar verwachting in het vierde kwartaal 2025 worden afgerond. Bij het opstellen van de begroting 2026 zullen de financiële uitgangspunten van het begrotingsjaar 2025 worden gebruikt. Na het vaststellen van het wettelijk budget met de zorgverzekeraars zal het definitieve budget via de begroting(swijziging) worden aangepast. Het financieringsstelsel van de ambulancezorg maakt onderscheid tussen bekostiging en financiering. Met bekostiging wordt het budget bedoeld zoals dat jaarlijks door zorgverzekeraars beschikbaar wordt gesteld op basis van beleidsregels die de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) vaststelt. Met financiering wordt de manier bedoeld waarop het budget via facturatie beschikbaar wordt gesteld. De facturatie van de ritten vindt plaats aan zorgverzekeraars of rechtstreeks naar de patiënt. Wanneer we weten bij welke zorgverzekeraar de patiënt verzekerd is, zenden we de factuur rechtstreeks naar de zorgverzekeraar.
Als dit niet bekend is gaat de factuur naar de patiënt.
VRR Kadernota 2026 10
4. Lasten 4.1 Personeel CAO VRR Voor de personele salarislasten voor 2026 wordt gerekend met de lopende cao. De huidige cao voor de veiligheidsregio’s loopt tot en met 31 juli 2025. De laatste salarisverhoging van 6,4% ging in op 1 mei 2024. Op het moment van schrijven van deze kadernota zijn de onderhandelingen voor een nieuwe cao Veiligheidsregio’s net begonnen. Voor de cijfers in deze kadernota en de begroting gebruiken we het salarisniveau van 2025 volgens de huidige cao. Dit wordt geïndexeerd voor 2025 met het indexpercentage voor lonen van 4,8% en voor 2026 met het indexpercentage van 2%. Als er bij het opstellen van de begroting nieuwere informatie beschikbaar is, zullen de meest actuele gegevens worden gebruikt. CAO Ambulance Voor het personeel in de ambulancesector geldt de cao ambulancezorg. Hiervoor is in 2023 een cao afgesloten die loopt tot en met 31 januari 2025. Deze cao zal input zijn voor de inkoopafspraken met de zorgverzekeraars. Personeel Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren (Wnra) Met de komst van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren op 1 januari 2020 is het arbeidsvoorwaardenregime van de gemeentelijke sector geregeld in de cao Gemeenten/cao Samenwerkende gemeentelijke organisaties.
Voor de veiligheidsregio’s is met ingang van 1 januari 2022 de Werkgeversvereniging Samenwerkende Veiligheidsregio’s ingesteld die namens de besturen van de veiligheidsregio’s onderhandelt met de werknemersorganisaties en bindende afspraken maakt over arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de veiligheidsregio’s. Het onderwerp Wet normalisering rechtspositie ambtenaren is een bespreekpunt op het onderhandelingsoverleg met de vakbonden. Op grond van artikel 11.2 Aanpassingswet Wnra is de Wnra niet op het personeel van Veiligheidsregio’s van toepassing, maar uitgesteld tot een nader bij koninklijk besluit te noemen tijdstip. De verwachting is dat er tot 2026 geen wijziging op dit punt zal plaatsvinden. Werkgevers en vakbonden hebben een verschillend standpunt over de overgang naar de Wnra. Daarnaast heeft dit onderwerp op dit moment ook geen prioriteit bij het Ministerie. Deze ligt op de “Bouwsteen verplichtend karakter”.
VRR Kadernota 2026 11
Bouwsteen verplichtend karakter Wegens normering conform Europese regelgeving en jurisprudentie staan de brandweervrijwilligers al geruime tijd nadrukkelijk ter discussie, omdat ze onvoldoende onderscheidend zijn van de beroepskrachten. Het onderscheid tussen vrijwilligers en beroeps moet aangescherpt worden. Landelijk is tot een denkrichting gekomen die bestaat uit 4 met elkaar samenhangende bouwstenen, waarvan de eerste bouwsteen “Verplichtend karakter” is. Dit betekent o.a. dat een vrijwilliger te allen tijde werkt op basis van vrijwilligheid en niet kan worden verplicht om taken uit te voeren of aanwezig te zijn op een bepaald moment. Verder zijn vormen van kazernering en consignatie van vrijwilligers niet meer aan de orde. Landelijk is in kaart gebracht wat de consequenties van deze eerste bouwsteen zijn waarbij het uitgangspunt is om vanuit een landelijke aanpak te komen tot een vergoeding vanuit het Rijk voor deze consequenties. De meerkosten worden op landelijk niveau ingeschat op € 35 miljoen per jaar. Voor de VRR komt het uit op een bedrag van € 3,5 miljoen. Het Veiligheidsberaad heeft voor deze eerste bouwsteen “Verplichtend karakter” een implementatieplan opgesteld. Om over te gaan tot implementatie van dit plan moet eerst aan een aantal randvoorwaarden voldaan worden door het ministerie.
De randvoorwaarden zijn: - De benodigde financiën dienen structureel beschikbaar te zijn. Omdat het hier om een stelselwijziging gaat, zijn de Veiligheidsregio’s van mening dat deze kosten voor rekening komen van het ministerie. - Alle 25 veiligheidsregio’s verbinden zich op bestuurlijk niveau aan de uitgangspunten van het voorliggende implementatieplan. - De huidige arbeidstijdenwetgeving maakt het vrijwel onmogelijk om parttime beroepsmedewerkers met een fulltime hoofdcontract te kunnen kazerneren, waardoor het omzetten van gekazerneerde vrijwilligers naar gekazerneerde parttime beroepsmedewerkers geen begaanbaar pad lijkt. Een belangrijke randvoorwaarde voor implementatie is dat deze juridische belemmeringen worden weggenomen. - Vrijwilligers moeten buiten de Wnra blijven, zodat er meer mogelijkheden zijn om aan het vrijwilligerschap invulling te geven. Dit onderwerp is een structureel bespreekpunt op de agenda van het Veiligheidsberaad. 2e loopbaanbeleid veiligheidsregio’s en DOOR010 Binnen de cao van de veiligheidsregio’s zijn afspraken gemaakt over medewerkers in een bezwarende functie. Operationeel brandweerpersoneel dat na 1 januari 2006 in dienst is gekomen, kan dit beroep 20 jaar uitoefenen. In die 20 jaar worden de brandweerlieden voorbereid op een tweede loopbaan (2e loopbaanbeleid). Veel brandweermensen willen en kunnen echter langer doorwerken dan 20 jaar.
Daarom wordt er landelijk gewerkt aan een herijking van het 2e loopbaanbeleid en worden er in dit kader diverse onderzoeken uitgevoerd. Een oplossing op korte termijn is niet in zicht. De veiligheidsregio heeft daarom een nieuw plan (“DOOR010”) opgesteld waarbij brandweermensen langer kunnen doorwerken in hun eigen functie. Dit plan is in september 2024 goedgekeurd door het algemeen bestuur. Voor de verwachte kosten van het 2e loopbaanbeleid is de afgelopen jaren een bestemmingsreserve gevormd. De mutaties van deze reserve voor de komende jaren zullen worden herijkt, omdat de verwachting is dat er meer medewerkers gebruik zullen maken van DOOR010 en minder van het 2e loopbaanbeleid. VRR Kadernota 2026 12
Verlofsparen Begin 2022 is een cao in werking getreden, waarin de mogelijkheid van verlofsparen is opgenomen. Verlofsparen houdt in dat medewerkers bovenwettelijke vakantie-uren kunnen sparen en vervolgens inzetten op een manier die aansluit bij hun persoonlijke levens- en carrièreplanning. Op grond van de financiële regelgeving is hiervoor een voorziening gevormd. Op basis van de gespaarde uren in 2022-2024 zal bekeken worden hoe hoog de dotatie voor de begroting van 2026 zal zijn. Functioneel Leeftijdsontslag (FLO) Op basis van veranderingen in de regelgeving in 2023 is begin 2024 een nieuwe berekening gemaakt van de verwachte kosten voor FLO. Daarbij is naar voren gekomen dat de eerste jaren de lasten lager zijn dan eerder was aangenomen, maar dat de lasten in latere jaren juist hoger zijn. Om de lasten in deze latere jaren te egaliseren is in 2024 een bestemmingsreserve gevormd. De actualisatie van de berekening voor de FLO-kosten voor 2025 en verder wordt gemaakt door een extern bureau en is naar verwachting eind februari 2025 gereed. Op basis van de uitkomsten weten wij wat de consequenties zijn en die zullen wij verwerken in de begroting 2026.
4.2 Indexering van de lasten Voor de materiele lasten wordt rekening gehouden met een stijging van 3%. Dit is gebaseerd op het indexeringspercentage voor de consumentenprijsindex welke ook is opgenomen in de brief van de Werkgroep verbetering financiële sturing gemeenschappelijke regelingen over de indexeringen.
VRR Kadernota 2026 13
4.3 Investeringen en kapitaallasten Bij het opstellen van de begroting 2026 en de meerjarenraming wordt uitgegaan van de meest actuele investeringsplanning 2025-2028. Deze is op basis van de huidig bekende gegevens als volgt:
2025 Investeringen (*€ 1000)
17.967
2026
2027
12.098
2028
18.169
9.268
De kapitaallasten bestaan uit de afschrijvingen en de rente. De afschrijvingen worden gebaseerd op de reeds geactiveerde activa waarover nog wordt afgeschreven de komende jaren, en de afschrijvingen op de geplande investeringen. Voor de berekening van de rente op kapitaallasten wordt gerekend met de te verwachten reële rente op de leningen. Voor de huidige leningen is dit gebaseerd op de leningsvoorwaarden die reeds zijn afgesproken. Voor de nieuwe leningen wordt een inschatting gemaakt van de hoogte van de rente. De omvang van nieuw af te sluiten leningen wordt gebaseerd op een prognose van de balans waarbij de geplande investeringen en de verwachte exploitatieresultaten een belangrijke factor zijn. Door de gestegen rente is de afgelopen jaren ook rente ontvangen op de uitgezette middelen in het kader van schatkistbankieren. Dit wordt ook voor de komende jaren verwacht en zal worden meegenomen in de begroting 2026. Bij de overname van de ambulancedienst zijn er leaseverplichtingen meegekomen die in 2028 aflopen. Hierin is ook een rentecomponent opgenomen die wordt meegenomen in de kapitaallasten. Op basis van de huidig bekende gegevens ontwikkelen de kapitaallasten zich als volgt waarbij de rente het saldo is van de rentelasten enerzijds en de rentebaten anderzijds: Kapitaallasten Afschrijvingen Rente Totaal kapitaallasten (* € 1000)
2025 10.247 175 10.421
2026 11.406 365 11.771
2027 12.145 574 12.719
2028 11.481 767 12.248
VRR Kadernota 2026 14
4.4 Ontwikkeling Begroting In deze paragraaf wordt inzicht gegeven in de raming op hoofdlijnen 2024-2029 op basis van de ontwikkelingen zoals in deze kadernota zijn aangegeven. Voor het programma Ambulancezorg is uitgegaan van het meeste actuele begrotingsvoorstel 2025 aan de zorgverzekeraars. Meerjarenontwikkeling 2025-2029 Programma's Programma Ambulancedienst Programma BRW Programma R&C Overhead Totaal lasten (* €1.000) Programma Ambulancedienst Programma BRW Programma R&C Overhead Totaal baten (* € 1.000) Resultaat voor bestemming (* €1.000) Toevoeging bestemmingsreserve Onttrekking bestemmingsreserve Resultaat na bestemming (* € 1.000)
1e BW 2025 63.754 104.575 15.685 32.725 216.739 68.512 130.884 17.570 82 217.049 310 -864 1.741 1.187
2026
2027
2028
2029
73.556 107.870 14.380 34.670 230.475 78.445 135.443 16.740 85 230.713 238 -1.034 796 -
73.556 108.318 14.380 34.670 230.923 78.445 135.654 16.740 85 230.924 -859 859 -
73.556 108.531 14.380 34.670 231.136 78.445 135.866 16.740 85 231.136 -619 618 -
73.556 108.531 14.380 34.670 231.136 78.445 135.866 16.740 85 231.136 -619 619 -
In 2026 wordt een resultaat na bestemming van per saldo 0 verwacht. De jaren daarna is de begroting in evenwicht. Incidentele baten en lasten (incl. mutaties 1e BW 2025 bestemmingsreserves) Totale lasten begroting 216.739 Lasten opvang ontheemden Oekraine 400 Totaal incidentele lasten 400 Totaal Structurele lasten 216.339 Totale baten begroting 217.049 Baten opvang ontheemden Oekraine 400 Totaal Incidentele baten 400 Totaal structurele baten 216.649 Resultaat (* € 1.000) 310 Toevoeging aan reserve -864 Onttrekking aan reserve 1.741 Begrotingssaldo na bestemming 1.187 Waarvan incidentele baten en lasten (saldo) 877 Structureel saldo (* € 1.000) 310
2026
2027
2028
2029
230.475
230.923
231.136
231.136
230.475 230.713
230.923 230.924
231.136 231.136
231.136 231.136
230.713 238 -1.034 796 -238 238
230.924 -859 1.091 232 232 -
231.136 -619 700 82 82 -
231.136 -619 1.183 564 564 -
VRR Kadernota 2026 15
5. Eigen vermogen 5.1 Weerstandsvermogen Jaarlijks worden de geraamde risico’s (met een financiële consequentie) geactualiseerd. Voor de begroting 2026 worden deze risico’s wederom herijkt. Dit betekent dat, bij de berekening van het weerstandsvermogen, ook in de begroting 2026 met een zo actueel mogelijke raming van de financiële implicatie kan worden gewerkt. Bij het opstellen van de begroting 2026 zal goed gekeken worden welke risico’s opgenomen worden in de risicoparagraaf en wat de mogelijke beheersmaatregelen voor deze risico’s zijn. Voor het vaststellen van de weerstandscapaciteit heeft het bestuur op 11 september 2024 besloten om de norm voor de weerstandsratio aan te passen. Bij gemeenschappelijke regelingen staan gemeenten garant voor de financiële tekorten die ontstaan door hogere uitgaven, financiële risico’s of andere onvoorziene omstandigheden van de gemeenschappelijke regeling. Het aanhouden van een algemene reserve zorgt voor (financiële) stabiliteit van de gemeenschappelijke regeling. Het is wél van belang om deze niet onnodig groot te maken om te voorkomen dat het geld stilligt en hierdoor niet door de deelnemende gemeenten/andere stakeholders ingezet kan worden. De norm voor de weerstandsratio is daarom aangepast naar een bandbreedte tussen de 0,5 – 0,8.
Daarnaast is besloten om bij de risico analyse uit te gaan van de netto risico’s en deze op te splitsen naar de drie grootste stakeholders (Gemeenten, het Rijk en de zorgverzekeraars).
5.2 Liquiditeitspositie Met de liquiditeitsplanning is de organisatie in staat om voor de komende jaren de vermogensbehoefte op de kapitaalmarkt in te schatten. De investeringen hebben daarbij een grote impact. Op basis van de actuele investeringsprognose zal worden bekeken in hoeverre voor het jaar 2026 extra vreemd vermogen nodig is. Op basis van de huidige verwachtingen wordt rekening gehouden met een aan te trekken langlopende lening van €5 mln.
5.3 Reserves en voorzieningen De ‘Nota reserves en voorzieningen’ is de leidraad bij de waardering van de voorzieningen en (bestemmings-)reserves voor de begroting 2026.
VRR Kadernota 2026 16
6. Beleidsontwikkelingen Algemeen Het jaar 2026 is het laatste jaar van het VRR-meerjarenbeleidsplan waarin de ontwikkelagenda centraal staat. Vanuit de ontwikkelagenda krijgt de VRR extra middelen, zodat de VRR de basis weer op orde heeft. Hiermee is zij voorbereid op de nieuwe ontwikkelingen die voortkomen uit de verdere digitalisering van de maatschappij, de klimaat- en energietransitie en verdere verstedelijking en kan de VRR zich nu en in de toekomst onverminderd inzetten voor de veiligheid van de inwoners van Rotterdam-Rijnmond. In 2024 hebben de colleges van B&W van de deelnemende gemeenten aan het bestuur van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond gevraagd om de beschikbare middelen voor 2025 en verder nog efficiënter en effectiever in te zetten en met voorstellen voor bezuinigingen te komen. In de vergadering van het Algemeen Bestuur van 19 februari 2025 is besloten dat voor 2026 definitief 4% bezuinigd moet worden. Dit zal in de gemeentelijke bijdrage van 2026 verwerkt worden. De Algemeen Directeur heeft de opdracht gekregen om de bezuiniging in te vullen en het Algemeen Bestuur hier periodiek over te informeren. Hierbij is aangegeven dat de bezuinigingen niet ten koste mogen gaan van de brandweerzorg. Professionalisering bevolkingszorg Binnen crisisbeheersing zijn de taken voor bevolkingszorg als volgt gedefinieerd: -
Crisiscommunicatie verzorgen. Opvang en verzorging van de bevolking. Voorbereiden van de nafase ten behoeve van de getroffen gemeente(n). Coördineren van het informeren van verwanten van slachtoffers. Adviseren van het Regionaal Operationeel Team. Coördineren van de registratie van slachtoffers en schade(gevallen).
Zowel op landelijk als regionaal niveau is er de wens om dit proces verder te versterken en te werken aan een toekomstbestendige bevolkingszorg die ook nieuwe soorten crises aankan. Om hieraan invulling te geven is op verzoek van de bestuurlijke portefeuillehouder voor bevolkingszorg in Rotterdam-Rijnmond het programma Versterking en doorontwikkeling Bevolkingszorg gestart. Dit programma heeft als ambitie: “Het versterken van Bevolkingszorg door het realiseren van een hoogwaardige en toekomstbestendige gemeentelijke crisisorganisatie in onze regio om zo blijvend passende zorg aan en met de inwoners te kunnen leveren. Hierbij werken de gemeenten binnen RotterdamRijnmond op regionaal niveau samen waar het kan en wordt op lokaal niveau versterkt waar het moet. Bevolkingszorg is en blijft daarbij een volwaardige partner van de hulpdiensten binnen de steeds veranderende maatschappelijke context. “ Deze ambitie wordt gerealiseerd aan de hand van vier doelstellingen die eerder al in het beleidsplan van de VRR als belangrijke thema’s zijn benoemd: 1. Betere regionale samenwerking en coördinatie 2. Robuustere meer hybride organisatievorm 3. Sterkere kolom Bevolkingszorg 4. Duidelijkere positie en proces crisiscommunicatie Het programma zal ook regionale invulling geven aan de adviezen uit het landelijke project Uniform Kwaliteitsniveau Bevolkingszorg.
In een later stadium zal deze taakuitbreiding voor besluitvorming worden voorgelegd aan het bestuur.
VRR Kadernota 2026 17
Doorontwikkeling GHOR Op basis van onderzoek is vastgesteld, dat de GHOR voor uitdagingen staat die niet binnen de huidige formatie kunnen worden opgevangen Deze uitdagingen zijn cruciaal om het openbaar bestuur goed in positie te brengen en te houden tijdens een crisis. Ze zijn ontstaan door veranderingen in wet- en regelgeving en verantwoordelijkheden binnen het veiligheids- en gezondheidszorgdomein. Er zal extra aandacht worden besteed aan het thema zorgcontinuïteit en risicobeheersing zoals de implementatie van de zorgrisicoprofielen. De Coronacrisis heeft aangetoond dat het belangrijk is voor het openbaar bestuur om goed zicht te hebben op de effecten van ernstige verstoringen in continuïteit van de zorgketen. Dit moet worden verankerd in de reguliere organisatie van de GHOR door onder andere te focussen op netwerkmanagement en informatievoorziening. Deze taakuitbreiding zal in een later stadium voor besluitvorming worden voorgelegd aan het bestuur. Geopolitieke ontwikkelingen en een Weerbare samenleving De afgelopen jaren zijn de geopolitieke verhoudingen in de wereld verschoven wat aanzienlijke gevolgen heeft voor Nederland. Dit vraagt om aanpassingen op internationaal, nationaal, regionaal en lokaal niveau. Tijdens de thematische bijeenkomst van het Algemeen Bestuur op 16 oktober 2024 stonden de thema’s geopolitieke dreigingen en een weerbare samenleving centraal.
Hierbij werd benadrukt dat de Veiligheidsregio’s zich moeten voorbereiden op verschillende scenario’s. Het is duidelijk dat de Veiligheidsregio’s een cruciale rol spelen in het vergroten van de weerbaarheid van de samenleving, zowel in de uitvoering als in de coördinatie tussen alle betrokken partijen. Verwacht wordt dat in de komende jaren hier een opdracht voor de VRR uit voortkomt die aanzienlijk capaciteit, tijd en middelen zal vergen. Daarnaast is tijdens de bijeenkomst de wens uitgesproken om intensief met elkaar te oefenen op dit onderwerp, wat eveneens extra capaciteit zal vereisen.
VRR Kadernota 2026 18
7. Procedure De kadernota is de eerste stap bij het opstellen van de begroting 2026. Hierin worden de financiële en beleidsmatige kaders vastgelegd voor de begroting 2026. Na de behandeling van de kadernota in het Algemeen Bestuur wordt deze ter informatie aan de gemeenten gezonden. Op basis van de kadernota wordt de programmabegroting 2026 opgesteld. De programmabegroting zal op 23 april 2025 in het Dagelijks Bestuur behandeld worden en daarna aan de gemeenten gezonden worden voor de zienswijzeprocedure. De zienswijzeprocedure loopt van 25 april 2025 tot en met 18 juli 2025. Op 12 mei 2025 wordt een informatiebijeenkomst voor gemeenten georganiseerd, waarin vragen gesteld kunnen worden over de begroting 2026. Na de zomer zal op 10 september 2025 de begroting in het Algemeen Bestuur ter vaststelling worden voorgelegd.
VRR Kadernota 2026 19
Pilot machtigingsbesluit i28 en overige zorgmeldingen jeugd (niet acuut)
Evaluatie en aanbevelingen | Maart 2025
Inleiding Eind 2021, begin 2022 zijn de politie basisteam IJsselland en de gemeenten Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel de Pilot Machtigingsbesluit gestart. De pilot liep vooruit op de wens van de minister van Veiligheid en Justitie om de politie niet-acute zorgmeldingen (binnen de politie ook wel i28-meldingen genoemd) direct aan de gemeente te kunnen laten sturen1. De pilot beoogde het bewaken van de kwaliteit van de afhandeling en terugkoppeling van de meldingen en beoordelen of de meldingen tot (veel) meer werk zouden leiden bij de politie of gemeente.
Naast 18+ ontstond ook behoefte om 18- meldingen te delen
Om te bewaken dat deze meldstroom goed gaat is de pilot uitgebreid met een aantal (jeugd)partners. Aan de pilot deden zes organisaties mee: politie, gemeente Krimpen aan den IJssel, gemeente Capelle aan den IJssel, Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond (VTRR), Enver (Pak je Kans) en het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG).
In mei 2023 kreeg de politie de mogelijkheid om de zorgmeldingen 18+ geautomatiseerd naar de gemeenten te verzenden. De overige zorgmeldingen over jeugdigen (18-) bleken tevens zeer waardevol voor de gemeente. Ze boden een unieke mogelijkheid tot vroegsignalering. In 2024 is besloten de pilot voort te zetten op 18- meldingen. Alom wordt vroegsignalering genoemd als belangrijk instrument om jeugdcriminaliteit tegen te gaan. Veel jeugdcriminaliteit of slachtofferschap, begint met kleine signalen, zorgen en vergrijpen. Vroeg ingrijpen, een integraal beeld met afgestemde interventies kan erger voorkomen. Niet alleen voor jongeren met zorgelijk gedrag, maar ook voor jongeren die in kwetsbare posities zitten.
Doel van de pilot De pilot had meerdere doelen: • •
•
Deelnemende partijen
Evaluatie
In tegenstelling tot de 18+ meldingen is er voor 18een tweeledige meldstroom: 1. Zorgen over minderjarigen met betrekking tot geweld in een afhankelijkheidsrelatie. 2. Overige zorgen jeugd (denk aan zorgen over gedrag of omstandigheden buitenshuis, slachtofferschap of daderschap in conflicten, andere zorgelijke situaties rondom jeugdigen).
De pilot heeft in de afgelopen periode waardevolle inzichten opgeleverd. De betrokken professionals hebben een enquête ingevuld om te reflecteren op de samenwerking, de effectiviteit en de meerwaarde van de gezamenlijke aanpak. Dit document bevat de uitkomsten van deze enquête, conclusie en de aanbevelingen omtrent de voortzetting en borging van deze samenwerking in een vaste werkwijze.
Acute meldingen 18- (zowel m.b.t. geweld in afhankelijkheidsrelaties als overige zorgen) worden door politie altijd direct gemeld bij Veilig Thuis of Crisisinterventieteam.
1
2
Zie bijlage 1 3
Evaluatie van de samenwerking
De resultaten van de enquête onder de betrokken professionals wijzen op een breed gedragen positieve evaluatie van de samenwerking. De belangrijkste bevindingen zijn: 1. Algemene indruk van de pilot
4. Logica en helderheid van werkwijzen De werkwijzen werden doorgaans als logisch en makkelijk te volgen ervaren. Eventuele onduidelijkheden in het proces werden tijdens evaluatiemomenten besproken en de werkwijze gezamenlijk werd aangepast. Zoals een respondent het verwoordde: “Door de evaluatiemomenten werden de procedures en werkwijzen steeds scherper weggezet. Bij de aanvang was nog veel onduidelijk, maar door de pilot is er een goed ‘product’ ontstaan.”
De algemene indruk van de pilot was zeer positief. Respondenten gaven aan dat de pilot zorgvuldig, prettig en verbindend was. Een van de betrokkenen beschreef de pilot als: “Vanaf het begin was bij de betrokken organisaties duidelijk dat deze pilot een aanvulling is in de samenwerking en tot vroegtijdige interventies kan leiden. Door de evaluatiemomenten werden de knelpunten en successen besproken, wat de pilot goed heeft laten verlopen.” Veel respondenten benadrukten ook het belang van vroegtijdige interventies, zoals blijkt uit deze quote: “Veel meer aan de voorkant van de problematiek zitten en dus vroegtijdige interventie, voorkomt dat personen in de strafketen terechtkomen.” Dit geldt niet alleen voor complexe problematiek bij jongeren en gezinnen, maar ook voor de vroegtijdige signalering van jongeren die dreigen af te glijden richting jeugdcriminaliteit.
5. Snellere hulpverlening door meldingen via de gemeenten Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel
Er werd duidelijk aangegeven dat meldingen via de gemeenten Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel in veel gevallen sneller tot hulpverlening leidden. Eén van de reacties benadrukte de snellere inzet van interventies: “Ja, inzet van de intensieve jongerenwerker kan gelijk na beoordeling. In de oude werkwijze zat hier vaak een langere periode tussen, wat ten nadele was van de inwoner.” Dit wordt bevestigd door een andere reactie: “Door verstrekking aan de gemeenten Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel zijn op meerdere jongeren sneller vroegtijdige interventies ingezet.”
2. Duur van de pilot De duur van de pilot werd door de meeste respondenten als voldoende ervaren om een goed beeld van de werkwijze en samenwerking te krijgen. Zoals één van de betrokkenen aangaf: “De pilot was lang genoeg om zaken goed in kaart te brengen en over te gaan op een vaste werkwijze.” Er was echter ook feedback over het aanhaken bij de integrale aanpak: wat wordt wel of niet teruggekoppeld aan aanmelders en in hoeverre reik je uit als professional naar de ander ten behoeve van het ophalen van signalen? Dit werd als een aandachts-punt gezien voor toekomstige verbeteringen.
6. Verbeterde samenwerking tussen hulpverleners Respondenten merkten op dat door de pilot de samenwerking tussen verschillende organisaties is versterkt. Door gezamenlijk te werken binnen de pilot is er meer inzicht in en begrip voor elkaars werkwijze, mogelijkheden en onmogelijkheden ontstaan. Zo werd er aangegeven dat de samenwerking meer zicht gaf op elkaars verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld: “Ja, in mijn ogen hebben we een duidelijkere scope waar ieders taken en verantwoordelijkheden liggen.”
3. Communicatie en samenwerking De communicatie voor en tijdens de pilot werd als helder en goed ervaren. Respondenten gaven aan dat er duidelijke lijnen waren en dat casuïstiek snel werd besproken. De korte lijnen werden gewaardeerd. Een van de respondenten merkte op: “Lijnen waren al kort, maar nu komen aangemelde personen nog eerder op de kaart te staan.”
4
5
Grip op zorg- en veiligheidscasuïstiek
en online rondom de kwetsbare jongere onmiskenbaar gebleken. Door vanuit de verschillende professionals die werkzaam zijn op deze domeinen de signalen te bundelen en daarop een integrale aanpak af te spreken, is in vele gevallen escalatie voorkomen. Dit heeft geleid tot scherpe, vroegtijdige interventies die de situatie van kwetsbare jongeren hebben kunnen stabiliseren en verbeteren.
De gemeenten hebben het idee dat zij meer grip hebben op hun zorg- en veiligheidscasuïstiek. Er is meer overzicht over wat er gebeurt in de gemeente doordat alles op een centrale plek komt.
Kortere lijnen tussen de partijen De lijnen tussen de betrokken partijen zijn korter geworden, waardoor ze elkaar beter weten te vinden bij vragen of als er onvoldoende informatie is om te handelen.
Alle partijen hebben de wens om de werkwijze voort te zetten
Door de inrichting als pilot en het regelmatige overleg over de werkwijze is de samenwerking ook buiten de formele overlegmomenten beter geworden.
De betrokken professionals zijn enthousiast over de samenwerking en de meerwaarde van deze integrale aanpak. Het is dan ook de gezamenlijke wens van alle betrokkenen om deze werkwijze te borgen en uit te breiden.
Rechtstreekse melding bij de gemeenten heeft meerwaarde
Op grote schaal kunnen we verschil maken in het afglijden richting jeugdcriminaliteit
De pilot heeft duidelijk aangetoond dat een geïntegreerde samenwerking tussen politie, Veilig Thuis, CJG, Pak je Kans en de gemeenten Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel significant bijdraagt aan de effectiviteit van de hulpverlening aan jongeren en gezinnen met complexe problematiek, alsook de vroegtijdige signalen van afglijden richting jeugdcriminaliteit.
Alleen door samenwerking en gezamenlijke inzet kunnen we de complexe problematiek van jongeren en gezinnen, inclusief de vroegtijdige signalen van afglijden richting jeugdcriminaliteit, in heel Nederland effectief blijven aanpakken. Wij doen dan ook een dringend beroep op de directeuren, bestuurders en andere landelijke stakeholders om zich in te zetten voor de structurele borging en landelijke verspreiding van deze aanpak.
Betere samenwerking door overleg
De juiste partijen hebben regie of kunnen tijdig in stelling worden gebracht Door met diverse professionals op de diverse domeinen werkzaam te zijn ontstaat er een 360° view op de jongeren en hun beschermende en risicofactoren. Hierop integraal samenwerken op diverse domeinen heeft gezorgd voor een tijdige de-escalatie van de problematiek.
Effectiviteit van de werkwijze neemt toe bij domeinoverstijgende samenwerking
Conclusie
6
De successen van de pilot laten zien hoe essentieel het is om verschillende domeinen te verbinden en de krachten te bundelen bij de aanpak van de complexe problematiek van jongeren. Daarbij is het belang van samenwerking op de domeinen straat, school, thuis
7
“Het is zeer waardevol de zorgmeldingen rondom jeugd direct vanuit de politie te mogen ontvangen.”
Aanbevelingen voor borging Op basis van de positieve evaluatie is er unanieme steun voor de voortzetting van de samenwerking in een vaste werkwijze. De algemene aanbevelingen die uit de evaluatie naar voren komen, zijn: 1. Formaliseren van de samenwerking
Procesregisseur Jeugd en Veiligheid: “Het is zeer waardevol de zorgmeldingen rondom jeugd direct vanuit de politie te mogen ontvangen. Als procesregisseur Jeugd en Veiligheid kan ik dan meteen de juiste begeleiding of hulp inzetten op de jongere. Daarmee winnen we tijd en zitten kort op het proces. We helpen daarmee de jongere vrijwel direct nadat een incident of zorgelijke situatie heeft plaatsgevonden.”
Het wordt aanbevolen de samenwerking tussen de betrokken partijen vast te leggen in een structurele werkwijze. Dit kan door middel van formele afspraken en een gedeeld werkprotocol dat de verantwoordelijkheden, communicatiekanalen en besluitvormingsprocessen duidelijk maakt.
2. Continue monitoring en evaluatie Het blijft belangrijk om de voortgang en effectiviteit van de samenwerking regelmatig te monitoren. Een jaarlijkse evaluatie kan helpen om de aanpak waar nodig bij te stellen en te zorgen voor blijvende kwaliteit.
Jeugdagent Basisteam IJsselland: “Sinds we de pilot op vroegsignalering doen, hebben we als politie beter zicht op onze jeugd. Voorheen meldden wij onze zorgen bij Veilig Thuis en wisten we niet goed wat er met onze signalen gebeurde. Nu zien wij dat de meldingen worden opgepakt door onze partners, maar kunnen wij ook zelf meedenken of een onderdeel zijn van de interventie. Zo heb ik een jongen aangemeld die signaalgedrag liet zien op de basisschool. Uit een gesprek dat ik had met zijn moeder, bleek dat er op verschillende
3. Landelijke en gemeentelijke ondersteuning Om de aanpak succesvol te kunnen continueren, is het van belang dat zowel gemeentelijke als landelijke stakeholders hun commitment tonen. Dit betekent dat er ondersteuning moet komen op het gebied van financiering, beleidsontwikkeling en kennisdeling, zodat de werkwijze breed kan worden toegepast.
8
“We kijken niet alleen naar de situatie van de jongere zelf, maar ook naar de context waarin hij of zij zich bevindt: school, straat, online en thuis.”
domeinen hulp gewenst was. Dit heb ik via de pilot kunnen regelen, maar ik heb ook zelf actief bij kunnen dragen. In het gesprek met moeder kwam ik er namelijk achter dat zij op één belangrijk onderdeel van het leven van haar zoon, geen zicht had; online. Ik heb moeder uitgelegd hoe belangrijk het is om te weten wat hij online doet. Samen hebben we in de telefoon van haar zoon gekeken en heb ik uitgelegd hoe zij dit zelf, met regelmaat kan checken. Moeder kreeg hierdoor een veel beter beeld van waar haar zoon mee bezig was. We hebben hier met z’n drieën uiteindelijk een goed gesprek over gevoerd en duidelijke afspraken gemaakt. Ik vind het voordeel van de pilot vroegsignalering dat we ook echt ‘vroeg’ interventies kunnen doen. We hebben nu signalen vanaf groep 6 van de basisschool. Dat geeft voor mij echt het gevoel dat we er op tijd bij zijn en kunnen voorkomen dat kinderen afglijden door hier op een laagdrempelige manier op te investeren. Hierdoor haal ik nog meer voldoening uit mijn werk.”
Deze samenwerking zorgt voor meer continuïteit en effectiviteit in de zorg en begeleiding. Het is ontzettend krachtig als alle betrokkenen zich kunnen verenigen rondom een gezamenlijk plan voor de jongere. Het proces van afstemming is niet altijd makkelijk, maar het eindresultaat is fantastisch. De jeugdigen (en of het gezin) krijgen niet alleen de juiste zorg, maar ook de juiste begeleiding op verschillende fronten. Het feit dat professionals uit verschillende domeinen elkaar vinden, signalen delen en samen een oplossing bieden, is echt de kracht van deze aanpak. Het geeft me ontzettend veel voldoening te zien hoe we jongeren op deze manier daadwerkelijk kunnen ondersteunen en verder afglijden naar ellende kunnen voorkomen.”
Stadsmarinier Jeugd & Criminaliteit: “De aanpak Vroegsignalering heeft ons veel gebracht in het delen van expertise gericht op de jongere en het gezin. Naast dat je er vroeg bij bent naar aanleiding van eerste zorgen van de politie, heb je als gemeente ook de mogelijkheid om op het snijvlak van zorg & veiligheid nauwe samenwerking te regisseren. We kijken niet alleen naar de situatie van de jongere zelf, maar ook naar de context waarin hij of zij zich bevindt: school, straat, online en thuis. Deze benadering zorgt ervoor dat de jongere altijd wordt omringd door samen- werkende professionals die hem of haar ondersteunen en signaleren, ongeacht waar hij of zij zich bevindt.
9
Randvoorwaarden voor voortzetting en uitbreiding van de pilot