SM 1162278 bijlage P02403 BP Kronkels-Zuid
Tekst van het document
Deze waarden en verwachtingen zijn aangegeven op een voor de gemeente opgestelde Archeologische Verwachtings- en Beleidskaart, die op basis van archeologische waarnemingen en vondsten, landschappelijke en historische gegevens tot stand is gekomen. Onderzoek Voor het plangebied De Kronkels-Zuid (fase 1 en fase 2) is in 2020 een archeologisch bureauonderzoek opgesteld (Beumer 2020: ‘Archeologische inventarisatie (BO) Bedrijventerrein De Kronkels-Zuid Bunschoten’, CAR-rapport 98, Amersfoort). Op basis van dit bureauonderzoek werden binnen het plangebied archeologische resten verwacht uit de Vroege Prehistorie, de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd: Uit de Vroege Prehistorie kunnen sporen en vondsten van (jacht)kampjes op lokale ophogingen langs onder andere het voormalige veenstroompje bij de Bisschopsweg en op de verspoelde dekzandvlakte aan de oostkant van het plangebied liggen. Uit de Late Middeleeuwen gaat het om ontginningssporen en andere resten van de agrarische activiteiten die zich in het plangebied hebben afgespeeld. Bewoningssporen zijn te vinden op lokale ophogingen langs de Bisschopsweg en de Amersfoortseweg. De woonterp aan de noordkant van het plangebied is mogelijk in de Late Middeleeuwen en in ieder geval rond 1870 aangelegd. Op deze terp kunnen resten worden gevonden van een erf.
Hierop is geadviseerd voor fase 1 van het plangebied archeologisch vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Voor de periode Vroege Prehistorie diende dit te gebeuren middels een verkennend
Hoofdstuk 5
46
booronderzoek. Voor de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd middels een proefsleuvenonderzoek (zie figuur 4.4).
Figuur 4.4: Advieskaart uit het archeologisch bureauonderzoek (Beumer 2020).
Verkennend booronderzoek In mei en juni 2021 is een verkennend booronderzoek (De Rooze, 2021 i.v.) uitgevoerd ter hoogte van het gebied met een verwachting op vindplaatsen uit de Vroege Prehistorie. Archeologisch kansrijke zones Aan de hand van de bodemopbouw kan het onderzoeksgebied ter hoogte van fase 1 opgedeeld worden in archeologisch kansrijke en kansarme zones. De aanwezigheid van een podzolbodem (Een B-horizonten) is indicatief voor een onverstoorde grond en wordt daarom als kansrijke zone beschouwd. In totaal zijn vijf kansrijke zones aangewezen (zie afbeelding). De top van het dekzand ligt in deze zones tussen circa 0,85 en 1,20 m – NAP en ligt daarmee aanzienlijk hoger (0,55 tot 0,85 m) dan in het verspoelde dekzand. Archeologisch kansarme zones Buiten de vijf zones met een aanwezige podzol bestaat de bodem uit verspoeld dekzand. De aanwezigheid van verspoeld dekzand is indicatief voor een nat en verspoeld landschap. In het verleden waren dergelijke natte plekken niet geschikt voor bewoning en/of intensief gebruik. Deze zones worden als archeologisch kansarm beschouwd (zie figuur 4.5).
Hoofdstuk 5
47
Figuur 4.3: Advieskaart uit het archeologisch bureauonderzoek (Beumer 2020).
Figuur 4.5: Advieskaart op basis van het verkennend booronderzoek. De dieptes van de archeologisch kansrijke zones zijn met blauw weergegeven in m. – NAP.
Advies voor vervolg De uitvoering van het archeologisch proefsleuvenonderzoek ter hoogte van Bisschopsweg 3-5 kan plaatsvinden zodra de betreffende gronden vrij zijn gekomen. Uitvoering van het onderzoek dient te gebeuren op basis van het reeds opgestelde Programma van Eisen (Verhamme 2020: Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek middels Proefsleuven Bisschopsweg 3-5 Bunschoten). Dat proefsleuvenonderzoek kan leiden tot vrijgave van het terrein of tot vervolgonderzoek (opgraving). In de archeologisch kansrijke zone 1 van fase 1 wordt een vervolgonderzoek in de vorm van karterende boringen geadviseerd indien de geplande bodemingrepen dieper reiken dan 0,80 m. – NAP. Hiermee kan de aan/afwezigheid van vindplaatsen met vuursteenverspreidingen (uit de Steentijd) worden bepaald; Afhankelijk van de ouderdom van de nog te analyseren en dateren veenmonsters kan voor de kansrijke zones behalve een karterend booronderzoek ook een proefsleuven onderzoek worden geadviseerd. Met een proefsleuvenonderzoek kan de aan/afwezigheid van grondsporen (bijvoorbeeld resten van huisplattegronden) worden bepaald. Nadat de ouderdom van het veen is bepaald aan de hand van een analyse van vijf 14C monsters, kan bepaald worden of het nog zin heeft om hier proefsleuven te trekken; De kansrijke zones 2 en 3 horen vermoedelijk bij het dekzandkopje (of terp) ter hoogte van Bisschopsweg 3-5.
Deze percelen worden in een later stadium middels een proefsleufonderzoek onderzocht. Geadviseerd wordt om voor kansrijke zone 2 en 3 geen apart karterend booronderzoek uit te laten voeren; De archeologisch kansrijke zones 4 en 5 betreffen vermoedelijk relatief kleine dekzandkopjes. De beslissing om hier een karterend booronderzoek uit te voeren is afhankelijk van de resultaten van het karterend booronderzoek in zone 1; In de overige (de archeologisch kansarme) delen van fase 1 hoeft geen archeologisch vervolgonderzoek plaats te vinden;
Hoofdstuk 5
48
Voor fase 2 geldt dat lokaal – net als ter hoogte van fase 1 – (kleine) kansrijke zones kunnen voorkomen. De beslissing om hier een (verkennend) booronderzoek uit te voeren is afhankelijk van de resultaten van het karterend booronderzoek in zone 1 en de resultaten van de te analyseren veenmonsters.
Conclusie Het aspect ‘archeologie’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. Wel zal er nog nader onderzoek nodig zijn indien de geplande bodemingrepen dieper reiken dan 0,80 m. – NAP ter plaatse van de kansrijke zone 1.
4.9 Cultuurhistorie Toetsingskader In het besluit ruimtelijke ordening is in artikel 3.1.6 sub 5 onder a opgenomen dat ten minste een beschrijving wordt neergelegd van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Onderzoek Ontwikkelingsgeschiedenis en historische structuren De westzijde van de gemeente wordt gekenmerkt door een grote veenvlakte met een dik veenpakket. Ten noorden van de as Dorpsstraat, Veenestraat en Amersfoortseweg wordt het veenpakket steeds dunner en komt de onderliggende zandgrond steeds verder omhoog. In de vroege middeleeuwen was het Eemland niet of nauwelijks bevolkt. Naarmate het veengebied droger werd, vond er in de twaalfde eeuw systematische veenontginning plaats vanaf de Eem richting de as van de Dorpsstraat die in eerste instantie de achterkade vormde (polder Bunschoten te Velde). Het verkavelingspatroon heeft zich dan ook in smalle stroken loodrecht hierop ontwikkeld. Alleen de polder de Haar, waarbinnen De Kronkels-Zuid voorzien is, vormt daar een uitzondering op. De verkaveling heeft zich hier juist vanaf 1250 evenwijdig aan de as ontwikkeld, mogelijk omdat de grond in leen werd gegeven aan Amersfoortse burgers die de richting van de ontginning op zichzelf hebben georiënteerd.
Ter plaatse van deze afwijkende verkavelingsstructuur is in het vigerende bestemmingsplan dan ook de aanduiding 'overige zone – cultuurhistorisch waardevol gebied' opgenomen. Binnen deze zone zijn de gronden in aanvulling op de hoofdbestemming, mede bestemd voor het behoud, de versterking en ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden in de vorm van een historische copeontginning met een kenmerkende noord-zuid verkaveling. In de stedenbouwkundige indeling van het plangebied is rekening gehouden met de structuur van het omliggende landschap. De langgerekte kavelstructuur in noord-zuidrichting is in twee groene stroken doorgezet in het stedenbouwkundige structuur. Met het doorzetten van de langgerekte noordzuidstructuur moet bereikt worden dat het bedrijventerrein aansluit op en een relatie aangaat met het slagenlandschap. Hiermee wordt een meer soepele overgang van het landschap naar het geplande stedelijk gebied wordt bereikt. Cultuurhistorische objecten De polders kenden nauwelijks bebouwing, waardoor er binnen het plangebied weinig historische bebouwing voorkomt. De enige historische bebouwing in de directe omgeving van De Kronkels-Zuid
Hoofdstuk 5
49
staat aan de Bisschopsweg 1, welke net buiten de plangrens van onderhavig bestemmingsplan ligt. Dit object vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan. Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.10 Kabels en leidingen In het plangebied of de directe omgeving is een planologisch relevante leiding gelegen. Het betreft een aardgastransportleiding die vanuit zuidelijke richting loopt richting een nutsvoorziening aan de zuidzijde van bedrijventerrein De Kronkels (zie paragraaf 4.5). Deze leiding is voorzien van een dubbelbestemming op de verbeelding met bijbehorende juridische regeling. Er bevinden zich geen hoogspanningsverbindingen in de omgeving van het plangebied. Conclusie Het aspect ‘kabels en leidingen’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.11 Duurzaamheid In het kader van de ontwikkeling van De Kronkels-Zuid is een zogenaamde ‘nota van uitgangspunten’ opgesteld om te komen tot een duurzame en klimaatbestendige ontwikkeling van de locatie (zie bijlage 13). Deels heeft dit betrekking op het bestemmingsplan, voor een groot deel is het onderzoek echter ook gericht op maatregelen die buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan liggen. Gedurende het ontwikkelingstraject van De Kronkels-Zuid is door de betrokken partijen besloten dat het aspect klimaat en duurzaamheid een nadere aandacht verdient. De opgestelde nota van uitgangspunten vormt de basis voor de verwerking van verschillende thema’s op het gebied van duurzaamheid in het ontwerp bestemmingsplan van bedrijventerrein Kronkels-Zuid in Bunschoten. In dit document wordt de visie vanuit de gemeente Bunschoten beschreven, wordt ingegaan op zaken die als planregels in het bestemmingsplan opgenomen zijn, en worden zaken die in het beeld- en kwaliteitsplan passen beschreven. Het betreft de volgende thema’s: energie, mobiliteit, circulariteit, klimaatadaptatie en gezondheid. Ook het thema bodemdaling wordt beschreven in deze nota, om de richtlijnen vanuit de ontwerp omgevingsvergunning te volgen. De gemeente Bunschoten stimuleert, als uitgangspunt vanuit regionale programmering, ook het uitgangspunt zorgvuldig en intensief ruimtegebruik op het bedrijventerrein.
Verschillende maatregelen gerelateerd aan duurzaamheid die hier ook aan bijdragen zijn in deze nota benoemd. De specifieke uitgangspunten en maatregelen met betrekking tot intensief ruimtegebruik worden komend jaar in regionaal overleg nog verder uitgewerkt en kunnen dan meegenomen worden in het uitgifteprotocol en de inrichting van het bedrijventerrein. Maatregelen als intensivering door verdichting, functiemenging, in de hoogte bouwen en gebruik in tijd, dragen bij aan een hogere Floor space index (fsi) en terreinquotiënt.
Hoofdstuk 5
50
Ten slotte begint verduurzaming op bedrijventerreinen vaak met goed georganiseerde ondernemerscollectieven (denk aan een ondernemersvereniging, industriële kring, bedrijfsinvesteringszone – BIZ, energiecollectief, ondernemersfonds, etc.). Daarom wordt in de ontwikkeling van het bedrijventerrein Kronkels-Zuid ook aandacht besteedt aan het oprichten van een collectieve organisatie. Hierbij is een aandachtspunt om bestaande bedrijven langs de Amersfoortseweg mee te nemen. Energie De gemeente Bunschoten heeft zich in het kader van de Regionale Energiestrategie (RES) geconformeerd aan de opgave van de energietransitie, met bijbehorende CO2 doelstellingen, die volgen vanuit het landelijke klimaatakkoord. Het verduurzamen van bedrijventerreinen speelt een belangrijke rol in de energietransitie. Van het energiegebruik en de bijbehorende CO2 uitstoot van de gemeente Bunschoten is een groot deel gerelateerd aan de sectoren industrie (38%), commerciële dienstverlening (12%) en gerelateerd vervoer (een deel van verkeer en vervoer 18%) 5. Het is de ambitie vanuit de gemeente Bunschoten, zoals in regionaal overleg afgesproken in het regionaal programma Regio Amersfoort, om Kronkels Zuid op een duurzame manier te ontwikkelen.
Zo worden individuele bedrijventerreinen en bedrijfsruimtegebruikers gestimuleerd om mee te gaan in de energietransitie (energiebesparende maatregelen, de overstap naar aardgasvrij, opwekken van duurzame vormen van energie, etc.). Omdat verschillende maatregelen op het gebied van duurzame energie impact hebben op de ruimte en benodigde infrastructuur op het terrein is het belangrijk om deze mee te nemen in het bestemmingsplan. Organisatie Vanuit de toekomstige parkmanagementorganisatie kunnen maatregelen om energie te besparen, energiereststromen te gebruiken en duurzame energie op te wekken collectief worden opgepakt. Ook kunnen verschillende ontwikkelingen op het gebied van energie die er nog aankomen collectief worden onderzocht en aangepakt; denk aan energiemanagement op gebouw en terreinniveau, het gebruiken van restenergie, en eventueel het ontwikkelen van een smart grid, etc. Duurzame elektriciteit In lijn met het doel om intensief ruimtegebruik op het bedrijventerrein te realiseren moet bij het indelen en ontwerpen van de ruimte rekening worden gehouden met het opwekken van duurzame elektriciteit, zoals zonnepanelen en windturbines. Bij de indeling van de kavels en het ontwerpen van de gebouwen dient hier rekening mee gehouden te worden. Het bedrijventerrein wordt met een noordzuid oriëntatie ingedeeld, wat gunstig is voor opwek van zonne-energie.
Ook is het bestemmingsplan zo opgesteld dat de planregels de ontwikkeling van installaties op daken niet in de weg zitten. Ook is het de ambitie om alle gebouwen zo te ontwerpen dat de daken voldoende draagkracht hebben voor het plaatsen van zonnepanelen. De gemeente Bunschoten stelt in 2021 een ‘Toets- en afwegingskader voor het grootschalig opwekken van duurzame elektriciteit’ op, welke door de gemeenteraad vastgesteld zal worden. In het afwegingskader worden de ruimtelijke kaders voor de inpassing van grootschalige windturbines en zonnevelden binnen de gemeente vastgelegd. Dit kader wordt gebruikt om te beoordelen of nieuwe initiatieven voldoen aan de voorwaarden van de gemeente. Deze voorwaarden kunnen ruimtelijk, technisch of financieel zijn, maar ook gaan over wat de gemeente maatschappelijk acceptabel vindt. De ruimtelijke uitgangspunten zullen zowel algemeen als gebieds-specifiek geformuleerd worden.
5
Bron: klimaatmonitor, gegevens van het jaar 2019: https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard
Hoofdstuk 5
51
Wanneer windturbines langs de rand, op omliggende percelen buiten bedrijventerrein De KronkelsZuid gebouwd worden is het van belang om rekening te houden met externe veiligheid; een verplichte afstand tot beperkt kwetsbare objecten, waar de verwachte bebouwing op het bedrijventerrein onder valt (zoals loodsen en kleine kantoren). In een later stadium zal onderzocht worden wat de mogelijkheden zijn voor wat betreft het realiseren van windturbines rondom De Kronkels-Zuid. Duurzame warmte Op bedrijventerreinen zijn verschillende warmteoplossingen mogelijk. Welke warmteoplossing het meest geschikt is hangt af van de beschikbare warmtebronnen, zoals bodemwarmte, restwarmte en oppervlaktewarmte. Bij beschikbaarheid van de juiste warmtebronnen, kan de warmtevoorziening collectief worden georganiseerd. Wanneer blijkt dat dit de beste warmteoplossing is wordt in het uitgiftebeleid een verplichting opgenomen om warmte af te nemen bij de gekozen warmteleverancier voor het gebied. Ruimtelijk is het van belang dat voldoende ruimte langs de hoofdwegen en het nutstracé, en in de ondergrond, beschikbaar blijft voor het plaatsen van warmteleidingen voor collectieve warmte oplossingen. Daardoor zal het uitgeefbare oppervlak kleiner worden. Infrastructuur Voor zowel elektriciteit opwekken als de warmtevoorziening op het bedrijventerrein is de benodigde infrastructuur van belang.
Hiervoor is het belangrijk om tijdig met de netbeheerder af te stemmen. Er geldt geen aansluitplicht voor bedrijven voor zowel elektriciteit als gas. In overleg met de netbeheerder wordt gekeken of een basisvoorziening aangelegd kan worden, hierbij is het van belang beoogde duurzaamheidsmaatregelen mee te nemen. Stikstofproblematiek De Kronkels-Zuid is gelegen op ongeveer 17 km ten westen van stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebied Veluwe en ongeveer 17 km ten oosten van stikstofgevoelige natuur in Natura 2000gebieden Naardermeer en Oostelijke Vechtplassen. Om binnen de geldende normen van stikstofdepositie op deze locaties te kunnen blijven stuurt de gemeente Bunschoten bij de ontwikkeling van het terrein op maatregelen die niet, of zo min mogelijk, bijdragen aan stikstofdepositie. De stikstofdepositiebijdrage mag niet hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarboven kunnen potentieel significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet worden uitgesloten. Om te kunnen borgen dat de staat van instandhouding van de Natura 2000-gebieden niet wordt aangetast wordt de voornoemde depositiebijdrage in de regels van het bestemmingsplan vastgelegd. Aangezien het bedrijventerrein Kronkels-Zuid in twee fasen van ieder 7 hectare wordt ontwikkeld wordt de maximale uitstoot vanwege het bedrijventerrein verdeeld over deze twee fases, in een zogenaamde ‘stikstofbank’.
Deze stikstofbank wordt voorzien van een verdeelsleutel waarbij de rechten kunnen worden overgeheveld van de eerste naar de tweede fase als deze niet in eerste fase maximaal wordt benut. Uitgangspunt en ambitie vanuit gemeente Bunschoten is dat de ontwikkeling van het terrein gasloos is, tenzij een bedrijf of ontwikkelaar met goede argumenten kan aantonen dat gas benodigd is voor bedrijfsprocessen. Deze ontwikkelingen moet bovendien passend zijn binnen de maximum uitstoot per fase. Een ontwikkelaar zal bij de vergunningaanvraag moeten aangeven hoeveel zijn/haar activiteiten tijdens de verbruiksfase bijdragen aan stikstofdepositie. De gemeente Bunschoten zal deze normen handhaven en monitoren.
Hoofdstuk 5
52
Voor de bouwfase geldt volgens de gewijzigde Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) een vrijstelling voor depositie van stikstof. Uitgangspunt vanuit de gemeente Bunschoten is desondanks om stikstofdepositie in deze fase waar mogelijk te voorkomen. Mobiliteit Mobiliteit speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling en het functioneren van een bedrijventerrein. Een nieuw te ontwikkelen terrein zoals Kronkels-Zuid biedt kansen om mobiliteit slim en duurzaam te organiseren. Dit is in lijn met het coalitieakkoord van het college van B&W 2018-2022, waarin is opgenomen dat bedrijventerreinen goed bereikbaar, schoon en goed onderhouden moeten zijn. Voor mobiliteit in de Kronkels-Zuid wordt uitgegaan van de uitgangspunten van de ThAMES sequentie. Conform deze methodiek focust deze nota op maatregelen om mobiliteit te voorkomen, veranderen of verduurzamen. Het is namelijk van belang om: eerst mobiliteit te voorkomen (Thuiswerken en voorzieningen), vervolgens mobiliteit te veranderen (Actieve mobiliteit en Mobility as a Service) en ten slotte mobiliteit te verduurzamen (Elektrische mobiliteit en duurzame Stadslogistiek). Vanuit de mobiliteitstoets voor De Kronkels-Zuid is er inzicht in de toekomstige vervoersstromen en de mogelijkheden voor verschillende modaliteiten.
Verschillende aanbevelingen vanuit dit document zijn meegenomen in de nota van uitgangspunten. OV, fiets en voetgangers Naar verwachting zal, gezien de verwachte doelgroep op het bedrijventerrein, met name veranderen en verduurzamen van vervoer kansrijk zijn. Dat begint met actieve mobiliteit. Lokale bedrijven en werknemers die in de buurt wonen worden aangemoedigd om met een combinatie van OV, fiets en te voet naar het bedrijventerrein te komen. We voorzien dat verschillende zaken die mobiliteit kunnen verduurzamen collectief opgepakt kunnen worden door de toekomstige parkmanagementorganisatie. Denk hierbij aan het opzetten van een werkgeversaanpak om mobiliteitsgedrag van werknemers te veranderen, in te zetten op het delen van auto’s, het gebruik van elektrische fietsen voor ritten op de middellange afstand en meer gebruik te maken van het openbaar vervoer. Ook het vervoer van afvalstromen kan goed collectief georganiseerd worden. Wanneer deze ontwikkelingen concreet worden wordt overwogen om de juiste faciliteiten te organiseren en mogelijk een parkeernorm voor deelauto’s en deelfietsen in te voeren. Momenteel zijn er bushaltes op 500 tot 700 meter loopafstand. Dit wordt verbeterd door een directe doorgang naar een van de bushaltes (via Boetech of nog korter via de noordoostelijke hoek van het bedrijventerrein), of door bushaltes toe te voegen aan huidige buslijnen.
Hier moet in het ontwerp van voet- en fietspaden rekening mee gehouden worden, zodat een goede aansluiting met de OV haltes wordt gerealiseerd. Parkeren en laadinfrastructuur Vanuit de mobiliteitstoets is er een inschatting van de vervoersstromen en verwachte aantallen parkeerplaatsen. Dit is een belangrijk onderwerp in samenhang met het stimuleren en faciliteren van elektrisch vervoer door aanleg van de benodigde laadinfrastructuur. Hierbij zijn nationale ontwikkelingen en regelgeving ook relevant. Het aantal elektrische voertuigen neemt toe, om deze
Hoofdstuk 5
53
ontwikkeling te faciliteren is door de gemeente Bunschoten een laadvisie opgesteld, waarin het beleid rondom het ontwikkelen van een publiek laadnetwerk is opgenomen. Er zullen naar verwachting bij de ontwikkeling De Kronkels-Zuid (o.b.v. uitgangspunten HaarbrugZuid) 238 publieke parkeerplaatsen nodig zijn in de parkeerkoffers, en uitgaande van het aantal parkeerplaatsen in de parkeerkoffers dient er ruimte gereserveerd te worden voor 985 tot 1405 parkeerplaatsen op eigen terrein. Dit in samenhang met de verwachte vervoersstromen (1492 auto’s en 462 vrachtwagens per etmaal (weekdag), en de parkeernota van de gemeente Bunschoten. Om te voldoen aan de parkeernormen kunnen eisen worden gesteld om een parkeergarage, parkeren binnen of op het dak te realiseren. Om elektrisch vervoer voor bezoekers te faciliteren moet een deel van de gemeenschappelijke publieke parkeerkoffers met laadinfrastructuur voorzien worden. De aanwezigheid van publieke laadinfrastructuur bevordert het gebruik daarvan namelijk. Voor bedrijven met eigen parkeerterrein is de verwachting dat zij zelf in laadinfrastructuur op privaat terrein investeren.
Onder bepaalde voorwaarden is dit ook een verplichting: in het geval van nieuwbouw zijn bedrijven onder regelgeving vanuit EPBD III sinds 10 maart 2020 verplicht om op parkeerterreinen met meer dan 10 parkeerplaatsen minimaal 1 oplaadpunt te realiseren, en er moet leidinginfrastructuur (loze leidingen) worden aangelegd voor 1 op de 5 parkeervakken om uitbreiding mogelijk te maken. In overleg met de netbeheerder wordt met deze ontwikkeling rekening gehouden met het oog op de investering in het elektriciteitsnet van het bedrijventerrein. Duurzame logistiek In het kader van duurzame logistiek is het uitgangspunt om zo min mogelijk logistieke bewegingen te maken en als die gemaakt worden het duurzame logistieke bewegingen te laten zijn. Zo zal naar verwachting op het bedrijventerrein veel ambulante handel plaatsvinden. Transport op het terrein zelf zal deels met heftrucks plaatsvinden. Om deze zoveel mogelijk met elektrische vorkheftrucks te voorzien wordt dit in een milieuvergunning opgenomen. De gemeente en het parkmanagement spelen een belangrijke rol in het ondersteunen van de transitie naar elektrische voertuigen zoals bestelbusjes en trucks. Hierbij is kennis over de mogelijkheden in de transitie en de ontwikkeling van de benodigde infrastructuur namelijk een belangrijke voorwaarde.
Een maatregel om duurzamer of volledig zero-emissie vervoer te realiseren is het instellen van een milieuzone met een inrijverbod voor vervuilend (vracht)verkeer. Wanneer de stikstof problematiek minder vervuilend, of zero emissie vervoer vereist wordt verplicht, dan wordt een dergelijk beleid ingesteld. Ten slotte zijn er ook mogelijkheden om tijdens de realisatiefase van het bedrijventerrein CO2 emissies en stikstofdepositie gerelateerd aan bouwverkeer te beperken. Het is de ambitie om waar mogelijk elektrisch aangedreven bouwmaterieel in te zetten. Hier wordt in het uitgiftebeleid aandacht aan besteed. Circulair Het aspect circulair heeft vooral betrekking op het gebruik van bepaalde materialen. In het bestemmingsplan kan dat niet geregeld worden. In de toekomst kan dat wel in het omgevingsplan onder de omgevingswet. Ook de scheiding van afvalstoffen is niet via het bestemmingsplan te regelen. De gemeente kan dit wel stimuleren via door middel van afvalstoffenheffingen.
Hoofdstuk 5
54
Klimaatadaptatie Het klimaat verandert en dat merken we vandaag de dag al. In het klimaatakkoord staan afspraken over het terugdringen van de broeikasgassenuitstoot per sector, maar daarnaast moeten we rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering. Nederland heeft daarom de ambitie uitgesproken om in 2050 water robuust en klimaatbestendig te zijn ingericht. Dit staat vastgelegd in de Nationale adaptatiestrategie en het Deltaplan ruimtelijke adaptatie. Waar moeten we rekening mee houden voor De Kronkels-Zuid? Hevige neerslag wordt tweemaal zo waarschijnlijk, middelgrote kans (1x per 50 jaar) op >20cm water op straat. Bij hevige buien blijft er nu al water in het gebied De Kronkels-Zuid staan (510mm), verdere verharding doet dit toenemen; Er is een kleine tot aannemelijk toename in de kans op grondwateroverlast; Een standaard (niet-adaptief) bedrijventerrein leidt tot 1-1,5 graad extra lokale opwarming gemiddeld. Klimaatadaptief bouwen biedt kansen bij de aanleg van nieuwe infrastructuur, nieuwbouw en energievoorzieningen. Bedrijventerreinen zijn bij uitstek geschikt om klimaatadaptief in te richten. Groenblauwe bedrijventerreinen kunnen zo een geleidelijke overgang vormen tussen stedelijk gebied en landelijk gebied. Met kleine en betaalbare maatregelen kan al een verrassend groot effect waargemaakt worden.
Door een terrein klimaatadaptief in te richten worden de volgende kansen benut: Toekomstige schadeposten voor ondernemers, of claims aan gemeente of waterschap ten gevolge van (extreem) weer kunnen hiermee drastisch verlaagd worden. Levensduur van duurzame panden is langer: een gebouw met een levensduur van minimaal 50 jaar, moet dus bestand kunnen zijn tegen het klimaat van 2075 en ook dan nog een prettige werkplek bieden. Adaptieve maatregelen kunnen leiden tot toename van vastgoedwaarde tot wel 16%. Groenbedekking verlengt de levensduur van het dak. Een zogenaamd “ groenblauw” bedrijventerrein dat droogte-, hitte- en waterbestendig is, vormt een mooie, groene en gezonde omgeving voor mensen om te werken en recreëren. Dit resulteert in stijgende werknemers-tevredenheid en dalend ziekteverzuim. Klimaatadaptatie en versterking van de biodiversiteit gaan over het algemeen vaak samen. Door slimme aanleg van groen en waterstructuren ontstaat een grotere variatie in flora dan voorheen, wordt ruimte gecreëerd voor beleefgroen en is er extra verkoeling (het tegengaan van hittestress). Overige kansen die ontstaan als het terrein toekomstbestendig wordt ingericht: geluidsreductie, energiebesparing, afvangen van fijnstof, verbeterde luchtkwaliteit, etc.
Volgens de keur en afvoernormenkaart van Waterschap Vallei en Veluwe mag niet meer dan 26 mm/24 uur afgevoerd worden naar het watersysteem. Bij hevige neerslag (1/100 jaar, 86 mm in 24 uur) is er daarom bergingscapaciteit van minimaal 60 mm in het plangebied nodig 6. Bovendien stelt de keur van het waterschap dat er door de nieuwe functie van het terrein geen negatieve effecten op grondwaterstand ontstaan (verdroging of vernatting). De Kronkels-Zuid wordt kwalitatief hoogwaardig en toekomstbestendig ingericht, met voldoende ruimte voor groenvoorzieningen en waterberging. In het stedenbouwkundig plan voor het bedrijventerrein zijn uitgangspunten opgenomen voor de omgang met hemelwater, op basis van de bovengenoemde opgave van waterberging. Hierbij is een aantal voorzieningen opgenomen waarin hemelwater geborgen en/of geïnfiltreerd kan worden. De benodigde waterbergingsopgave wordt collectief voor het gehele plangebied aangelegd, alvorens het terrein in gebruik wordt genomen. 6
Rapport waterstructuur de Kronkels Zuid, Royal Haskoning DHV, 2018
Hoofdstuk 5
55
Gezondheid Een gezond bedrijventerrein schept alle voorwaarden om optimaal te werken. Daarom gaan we uit van de wettelijke milieueisen. Dat is in het belang van zowel de werkgever als werknemer. Het kan bijdragen aan werkgeluk, arbeidsproductiviteit en verzuim voorkomen. Er wordt een Keurmerk Veilig Ondernemen Bedrijventerrein (KVO-B) opgesteld. In het KVO-B maken de ondernemers samen met de gemeente, politie en brandweer en eventuele andere partijen afspraken om overlast, criminaliteit en onderhoud en beheer op het bedrijventerrein aan te pakken. Op het gebied van gezondheid zijn veel koppelkansen met klimaatadaptatie en verhogen van de biodiversiteit. Door groene, parkachtige aanleg wordt recreatie en beweging op het bedrijventerrein gestimuleerd. Een groene werkomgeving resulteert in stijgende werknemers-tevredenheid en dalend ziekteverzuim. Daarnaast treden andere positieve aspecten op zoals het afvangen van fijnstof en een verbeterde luchtkwaliteit. De ambitie is daarom om ruimte voor groen te realiseren. Er is in de planregels van onderhavig bestemmingsplan een regeling opgenomen om een minimale hoeveelheid groen te realiseren.
4.12 Geurhinder veehouderijen Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden en vormt het toetsingskader voor de omgevingsvergunning milieu voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen overmatige geurhinder. Een geurgevoelig object is een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. De locatie moet in het bestemmingsplan de functie wonen of verblijf hebben. In beginsel mag binnen de bebouwde kom op nieuwe geurgevoelige objecten de geurbelasting maximaal 3 ouE/m³ bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze waarde maximaal 14 ouE/m³. Het beoordelingskader uit de Wgv moet worden toegepast bij het verlenen van de omgevingsvergunning. lndirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de 'omgekeerde werking' genoemd. Afstanden tot geurgevoelige objecten worden gemeten vanaf de grens van het bouwvlak van het agrarisch perceel en niet tot het emissiepunt van het dierenverblijf dat in het milieuspoor bepalend is.
Onderzoek Het te ontwikkelen bedrijventerrein wordt hier met betrekking tot de geurbelasting beschouwd als liggend binnen de bebouwde kom. Agrarische bedrijven in de omgeving van het plan zijn: Bisschopsweg 6, 7 en 10 (melkrundveehouderijen), Bisschopsweg 22 (paardenhouderij), Zevenhuizerstraat 283 en 287 (melkrundveehouderijen), Gasthuisweg 3 en 4 (melkrundveehouderijen), Amersfoortseweg 40 (melkrundveehouderij),
Hoofdstuk 5
56
Amersfoortseweg 23 (varkenshouderij).
Het bedrijf aan de Bisschopsweg 1 is bij de RUD geregistreerd als een melkrundveehouderi. Echter is dit adres in het bestemmingsplan “Bedrijventerreinen Zuid” een bedrijfsbestemming toegewezen gekregen. Hier zal dan ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder. Milieuafstanden met betrekking tot geur De genoemde melkrundveehouderijen en paardenhouderij hebben een vaste milieuafstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. Voor de varkenshouderij aan de Amersfoortseweg 23 gelden geen vaste afstanden maar geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units/m3 voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. Hieronder zijn de geurcontouren (in odour units/m3) aangegeven van de varkenshouderij aan de Amersfoortseweg 23 in Bunschoten-Spakenburg. Hierin is te zien dat deze contouren niet reiken tot het plangebied. Daarmee vormde het aspect geur geen belemmering voor de realisatie van bedrijventerrein De Kronkels-Zuid en dus ook niet voor dit bestemmingsplan.
Figuur 4.6: Geurcontouren varkenshouderij Amersfoortseweg 23
Hoofdstuk 5
57
4.13 Geur industriële emissies Toetsingskader Voor industriële bedrijven is het toetsingskader opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit, in de BBT-conclusies voor IPPC-bedrijven, in de “Handleiding geur”7 en in eventueel lokaal geurbeleid. De Provincie Utrecht heeft echter geen geurbeleid vastgesteld. Onderzoek Bestaande situatie De dichtstbij gelegen woningen bij het plangebied zijn bedrijfswoningen aan de Bisschopsweg 1, Amersfoortseweg 32-34, 36a en 38 In de huidige situatie is geen sprake van geurbronnen in of nabij het plangebied. Uit de geurbeschouwing vanwege veehouderijen is gebleken dat de geurimmissie ter plaatse van woningen nabij het plangebied minder dan 3 ouE/m3 als 98-percentiel bedraagt, waarmee voldaan wordt aan de maximale geurimmissie vanwege veehouderijen voor woningen binnen de bebouwde kom. Woningen in de directe omgeving van het plangebied ondervinden daardoor geen significante geurimmissie vanwege bestaande veehouderijen. Daarmee zal ook geen sprake zijn van eventuele cumulatie van industriële geuremissies met geuremissies van veehouderijen. Vermijden van geurhinderlijke situaties Door het toepassen van milieuzonering wordt reeds rekening gehouden met de hindercontouren van verschillende bedrijfsactiviteiten vanuit het plangebied op de omgeving.
Van het plangebied zal 7 ha worden bestemd voor ambachtelijke, industriële, groothandels-, transport- en distributiebedrijven in de milieucategorieën 1 t/m 3.2. Dit zullen onder meer karakteristiek in de omgeving passende bedrijven zijn, waaronder visbedrijven en brood-, koek- en banketbedrijven. Door het mogelijk maken van onder meer dit soort bedrijven is een bepaalde geurimmissie in de omgeving niet op voorhand uit te sluiten. De geuremissie van deze bedrijven wordt in eerste instantie reeds zoveel mogelijk beperkt door toepassing van technische maatregelen op grond van het wettelijke BBT-principe (best beschikbare technieken). Daarnaast wordt in het milieuspoor een aanvaardbaar hinderniveau per bedrijf gewaarborgd. Daarmee is echter nog geen rekening gehouden met cumulatie. Aangezien, zoals hierboven aangegeven, mogelijk meerdere geurrelevante bedrijven zich op het plangebied kunnen vestigen, zal cumulatie van geur wel een aandachtspunt zijn. Het effect hiervan is echter niet op voorhand te berekenen omdat zowel het type bedrijf, type geur, de mogelijke maatregelen als de omvang en de exacte locaties onbekend zijn. In een in het kader van het ontwerpbestemmingsplan uit te voeren geurbeschouwing zal hierop nader worden ingegaan.
4.14 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) nodig. 7
Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen), https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/lucht/geur/handleiding-geur/
Hoofdstuk 5
58
Onderzoek Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een bedrijventerrein mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd.
D.11.2
Activiteiten De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
Gevallen In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1: een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Besluit De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening --> het bestemmingsplan
Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Hiertoe is een aanmeldingsnotitie opgesteld. De aanmeldingsnotitie8 met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage. De gemeente dient, voorafgaand aan de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan, een separaat besluit te nemen omtrent het al dan niet doorlopen van een m.e.r.-procedure. Conclusie Gezien de bevindingen als beschreven in de aanmeldingsnotitie, en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r., kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een relatief klein schaalniveau met bijbehorende minimale effecten. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat deze geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg hebben die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
In de aanmeldingsnotitie wordt daarom aanbevolen om een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van het bestemmingsplan “De KronkelsZuid” geen milieueffectrapportage wordt vereist. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit zullen tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd.
8
BRO, Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling bestemmingsplan De Kronkels-Zuid, juni 2021
Hoofdstuk 5
59
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1 Plansystematiek De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Daarom stelt onder andere de Wro eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP2012 kent hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
5.2 Opbouw regels De regels zijn onderverdeeld in inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De Inleidende regels bevatten de begrippen en de wijze van meten. In de Bestemmingsregels zijn de in het plan voorkomende bestemmingen opgenomen. Onder Algemene regels zijn regels geformuleerd die niet beperkt zijn tot een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele plangebied, zoals de anti-dubbeltelregel en algemene afwijkingsregels. Tot slot zijn in de Overgangsen slotregels de overgangsbepalingen en de slotregel opgenomen.
5.3 Toelichting bij de regels Begrippen In de SVBP2012 is een aantal begrippen voorgeschreven. Voor zover relevant zijn deze begrippen overgenomen uit de SVBP2012. De lijst is verder aangevuld met een aantal voor dit plan relevante begrippen, waarbij zoveel mogelijk is aangesloten bij het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Zuid". Wijze van meten De wijze van meten is overgenomen uit het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Zuid " en sluit voor de omschrijvingswijze aan op de SVBP2012. Bestemming ‘Agrarisch met waarden’ De tweede fase van de ontwikkeling (7 hectare) is met een wijzigingsbevoegdheid mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling is pas mogelijk als de ontwikkeling past binnen de regionaal gemaakte afspraken. Ook zijn enkele andere ruimtelijke voorwaarden gesteld. Ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven wijzigingsbevoegdheid blijft tot die tijd de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ vigerend. Deze bestemming is overgenomen uit het huidige bestemmingsplan.
Hoofdstuk 5
60
Bestemming ‘Bedrijventerrein’ Het grootste gedeelte van het plangebied van de eerste fase van de ontwikkeling is bestemd als ‘Bedrijventerrein’. Dit betreft in totaal 7 hectare. Deze gronden zijn bestemd voor ambachtelijke, industriële, groothandels-, transport- en distributiebedrijven in de milieucategorieën 1 t/m 3.2. Daarnaast zijn onder meer onzelfstandige kantoren, ondergeschikte detailhandel, verkeersdoeleinden, parkeervoorzieningen, voorzieningen voor duurzame energie, groen en water toegestaan. Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan. De bedrijven moeten voldoen aan de in de regels opgenomen parkeernormen. Deze parkeerplaatsen kunnen deels worden gerealiseerd in collectieve parkeervoorzieningen. Daarvoor is een specifieke regeling opgenomen. Bedrijfsgebouwen moeten binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd, waar de maximale bouwhoogte is aangegeven. Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om onder voorwaarden een hogere bouwhoogte (20 m) te kunnen toestaan. Daarnaast mag de maximale bouwhoogte worden overschreden door bouwwerken ten behoeve van duurzame energievoorziening, zoals zonnepanelen. Daarvoor is een aanvullende specifieke regeling opgenomen. Het bebouwingspercentage per bouwperceel is maximaal 60%. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn afzonderlijke bouwregels opgenomen.
Deze mogen ook buiten de bouwvlakken worden opgericht. Onder meer is het mogelijk om bouwwerken voor duurzame energievoorziening boven de collectieve parkeervoorzieningen te realiseren. Bestemming ‘Groen’ Deze bestemming is opgenomen voor een aantal plekken aan de randen van het bedrijventerrein, waar een groene inrichting gewaarborgd wordt. Op deze gronden zijn diverse soorten groenvoorzieningen, toegestaan, alsmede paden en uitritten, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. De bouwhoogten hiervan zijn in de bouwregels aangegeven. Bestemming ‘Verkeer’ De hoofdinfrastructuur op het bedrijventerrein is bestemd als ‘Verkeer’. Deze gronden zijn bestemd voor verblijfsgebied met een functie voor wegen en paden, groenvoorzieningen en water. Binnen de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Dubbelbestemmingen In het plangebied zijn enkele archeologische dubbelbestemmingen opgenomen ter waarborging van het belang van eventuele archeologische waarden. De drempelwaarden voor een omgevingsvergunning- en onderzoeksplicht komen overeen met de vigerende bestemmingsplannen. Daarnaast is de bestemming ‘Leiding – Gas’ centraal in het plangebied overgenomen ter plaatse van de bestaande gasleiding, inclusief de bijbehorende belemmeringenstrook.
Binnen deze bestemming gelden restricties voor het bouwen en het uitvoeren van werkzaamheden. Algemene regels In de algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, de algemene aanduidingsregels (geluidzone – industrie), de algemene afwijkings- en wijzigingsregels opgenomen. Deze regels gelden voor de gronden in het gehele plangebied, aanvullend op de bestemmingen. Overgangs- en slotregels Het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik is verplicht voorgeschreven in artikel 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. Met het overgangsrecht wordt beoogd dat bouwwerken en
Hoofdstuk 5
61
gebruik, die wel in overeenstemming zijn met het oude bestemmingsplan, maar niet met het nieuwe, kunnen voortduren. Volledige herbouw van een dergelijk bouwwerk is niet toegestaan, tenzij het teniet gaat als gevolg van een calamiteit. Voor het strijdige gebruik geldt dat als dit langer dan een jaar is onderbroken, niet meer hervat mag worden. In de slotregel is de aanhalingstitel van de regels vastgelegd.
Hoofdstuk 5
62
6.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid Op 10-12-2020 heeft de gemeenteraad van Bunschoten een voorbereidingskrediet beschikbaar gesteld ten behoeve van het realiseren van fase 1 van De Kronkels-Zuid. Aan dat besluit ligt een grondexploitatie ten grondslag. Bij het besluit is de economische haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond en geborgd.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het voorontwerpbestemmingsplan “De Kronkels-Zuid” zal in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening met o.a. provincie en waterschap worden gedeeld. Mochten eventuele reacties aanleiding geven tot het doorvoeren van aanpassingen in het bestemmingsplan, zal dit in een separate Nota Inspraak en Overleg worden aangegeven. Deze nota zal als bijlage bij voorliggend bestemmingsplan worden gevoegd.
6.2.3 Inspraak Gelijk met het vooroverleg zal zoals in de gemeentelijke inspraak verordening is bepaald, over het voorontwerpbestemmingsplan “De Kronkels-Zuid” inspraak worden gehouden. Het plan zal voor een periode van zes weken ter inzage worden gelegd. Belanghebbenden en belangstellenden kunnen in die periode een reactie op het plan geven. De inspraakreacties worden te zijner tijd in een afzonderlijke 'Nota Inspraak en overleg inspraakreacties' samengevat en voorzien van een gemeentelijk antwoord. Daarbij zal ook worden aangegeven of en op welke wijze het plan naar aanleiding van de reacties is aangepast.
Hoofdstuk 5
63
6.2.4 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen.
Hoofdstuk 5
64
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Stikstofberekening Bijlage 2: Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 3: Memo verkennend & nader bodem- en verkennend asbest in grond- en puinonderzoek Bijlage 4: (Afval)waterstructuurplan Bijlage 5: Mobiliteitstoets Bijlage 6: Archeologisch onderzoek (PM) Bijlage 7: Memo akoestisch onderzoek Bijlage 8: Externe veiligheid Bijlage 9: Luchtkwaliteit Bijlage 10: Quickscan flora & fauna Bijlage 11: Ecologisch veldonderzoek Bijlage 12: M.e.r.-aanmeldnotitie Bijlage 13: Nota van uitgangspunten duurzaamheid
Hoofdstuk 5
65
De Kronkels-Zuid
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
4 10
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
11
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Agrarisch met waarden Bedrijventerrein Groen Leiding - Gas Waarde - Archeologie Waarde - Archeologie 2 Waarde - Archeologie 3 Waarde - Archeologie 4 Waarde - Archeologie 5
11 13 19 20 22 24 26 28 30
Hoofdstuk 3
Algemene regels
32
Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16 Artikel 17
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels
32 33 34 35 37 38
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
39
Artikel 18 Artikel 19
Overgangsrecht Slotregel
39 40
2
Bestemmingsplan "De Kronkels-Zuid" (voorontwerp)
Regels
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
plan:
het bestemmingsplan De Kronkels-Zuid met identificatienummer NL.IMRO.0313.KronkelsZuid2100-0101 van de gemeente Bunschoten; 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5
afhaalpunt:
een locatie waar de consument uitsluitend via internet bestelde goederen kan afhalen en/of retourneren, waar uitsluitend logistiek en opslag van bestelde goederen gedurende een korte periode plaatsvindt en waarbij geen sprake is van uitstalling ten verkoop en/of overige activiteiten; 1.6
agrarisch bedrijf:
een bedrijf dat is ingericht voor zowel de grondgebonden als niet-grondgebonden activiteiten: het telen van gewassen of het houden van dieren, één en ander ten behoeve van het voortbrengen van producten; 1.7
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.8
bebouwingspercentage:
een in de regels aangegeven percentage dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd; 1.9
bedrijfsverzamelgebouw:
een gebouw waarin het uitoefenen van bedrijvigheid (waaronder industriële, ambachtelijke, dienstverlenende, consumentverzorgende, therapeutische, sportfuncties en kantoren) wisselend kan worden uitgeoefend, waarbij de ruimtelijke uitstraling in overeenstemming is met die van één bedrijf;
4
Bestemmingsplan "De Kronkels-Zuid" (voorontwerp)
1.10
bestaand:
a. bij bouwwerken: aanwezig op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan; b. bij gebruik: aanwezig op het moment van het van kracht worden van dit plan; 1.11
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak; 1.12
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.13
boogkas:
een in hoofdzaak uit plastic of andere transparante materialen bestaand bouwwerk van lichte constructie, ten behoeve van het kweken en telen van gewassen; 1.14
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.15
bouwgrens:
de grens van het bouwvlak; 1.16
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan; 1.17
bouwvlak:
een op de verbeelding door bouwgrenzen omsloten vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegestaan; 1.18
bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.19
bouwwerken, geen gebouw zijnde:
alle bouwwerken die geen voor mensen toegankelijk geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimten vormen; 1.20
dak:
iedere bovenbeëindiging van een bouwwerk;
Bestemmingsplan "De Kronkels-Zuid" (voorontwerp)
5
1.21
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, (waaronder de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.22
detailhandel in volumineuze goederen:
detailhandel in auto's, boten, motoren, dierbenodigdheden, caravans, landbouwwerktuigen, (grove) bouwmaterialen, keukens, badkamers en woninginrichting waaronder meubels, alsmede tuincentra en bouwmarkten, waarvoor vanwege de omvang en de aard van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig is voor de uitstalling; 1.23
dienstverlenende bedrijven:
het uitvoeren van werkzaamheden bestaande uit het bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, niet zijnde een garagebedrijf, een seksinrichting en/of een afhaalpunt; 1.24
duurzame energievoorzieningen:
voorzieningen voor opwekking en transport van duurzame energie, waaronder in ieder geval zonne- en windenergie worden begrepen; 1.25
erf:
onbebouwd gedeelte van een bouwperceel; 1.26
erfafscheiding:
de fysieke begrenzing van een erf of perceel van een ernaast gelegen erf of van de openbare ruimte; 1.27
erotisch getinte vermaaksfunctie:
een vermaaksfunctie, die is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal; 1.28
evenement:
elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Onder een evenement wordt mede verstaan: 1. een herdenkingsplechtigheid; 2. een braderie; 6
Bestemmingsplan "De Kronkels-Zuid" (voorontwerp)
3. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van de Algemene plaatselijke verordening, op de weg; 4. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; 5. een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement). 1.29
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.30
geluidsgevoelige gebouwen:
gebouwen die dienen ter bewoning of een ander als geluidsgevoelig aangewezen gebouw zoals opgenomen in het Besluit geluidhinder; 1.31
geluidszone industrieterrein:
een geluidzone zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, waarbuiten de geluidbelasting vanwege het gezoneerd industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan; 1.32
grondgebonden agrarisch bedrijf:
agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Het betreft akkerbouw, vollegrondstuinbouw, fruitteelt en boomteelt en rundvee-, paarden-, schapen- of geitenhouderij voor zover bij deze veebedrijven het benodigde ruwvoer (gras, snijmaïs) geheel of vrijwel geheel afkomstig is van structureel bij het bedrijf behorende gronden; 1.33
hobbymatig agrarisch gebruik:
het telen van gewassen en/of het weiden van dieren, anders dan in het kader van de uitoefening van een agrarisch bedrijf of een bedrijfsmatige agrarische nevenfunctie, niet zijnde een volkstuin; 1.34
horecavoorziening:
een onderdeel van een bedrijf, dat tot doel heeft het verstrekken van kleine etenswaren en/of maaltijden, al dan niet voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholhoudende en alcoholvrije dranken, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie; 1.35
kantoorruimte:
een ruimte, als onderdeel van een bedrijf, die door haar aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard; 1.36
kantoor:
een zelfstandig bedrijf waarvan de werkzaamheden uitsluitend of in hoofdzaak van administratieve en/ of wetenschappelijke aard zijn;
Bestemmingsplan "De Kronkels-Zuid" (voorontwerp)
7
1.37
niet-grondgebonden agrarisch bedrijf:
agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden veehouderij; 1.38
ondergronds bouwwerk:
een gebouw, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen beneden peil; 1.39
peil:
a. de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang, dan wel; b. de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein, indien deze hoogte meer dan 1,0 m boven of meer dan 1,0 m beneden de onder a. genoemde hoogte is gelegen; 1.40
seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. a. onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: b. een erotisch massagesalon; c. een seksbioscoop of sekstheater; d. een seksautomatenhal; e. een seks- of parenclub. Al dan niet in combinatie met elkaar; Onder een seksinrichting wordt niet verstaan: 1. een escortbedrijf; 2. een sekswinkel; 1.41
staat van bedrijfsactiviteiten:
de Staat van Bedrijfsactiviteiten die van deze regels onderdeel uitmaakt; 1.42
steiger:
een constructie langs een oever die tot aanlegplaats dient voor vaartuigen; 1.43
vlonder:
een houten terras op, of grenzend aan, het water; 1.44
windturbine:
een bouwwerk ten behoeve van de opwekking van windenergie;
8
Bestemmingsplan "De Kronkels-Zuid" (voorontwerp)
1.45
zakelijke dienstverlening:
het verlenen van diensten die bestaan uit het verlenen van economische of commerciële diensten aan derden, waarvan de uitoefening geschiedt in een rechtstreeks contact met het publiek, zoals banken, reisbureaus.
Bestemmingsplan "De Kronkels-Zuid" (voorontwerp)
9
Artikel 2
Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten c.q. gerekend: 2.1
Algemeen
afstand tot de perceelsgrens: de kortste afstand van enig punt van een gebouw tot een grens van het perceel; bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de buitenwerks gemeten oppervlakte van het op één bouwperceel staande c.q. op te richten gebouw of gebouwencomplex, gemeten op 1,0 m boven de gemiddelde grondslag van het aansluitende afgewerkte terrein, inclusief overkappingen; bedrijfsvloeroppervlak: het binnenwerkse vloeroppervlak van de ruimtes die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten; bouwhoogte van een bouwwerk: de hoogte in meters van het hoogste punt van een bouwwerk, gemeten vanaf het aan het bouwwerk aansluitende afgewerkte terrein, met dien verstande dat bij de berekening van de bouwhoogte schoorstenen, liftschachten, lichtkoepels, technische ruimtes en andere dergelijke aan een gebouw ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing blijven, antennes worden niet begrepen onder deze ondergeschikte bouwdelen; goothoogte van een gebouw: de hoogte in meters van de druiplijn, de bovenkant van de goot, het boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel, gemeten vanaf het aan het gebouw aansluitende afgewerkte terrein; inhoud van een bouwwerk: de buitenwerks gemeten inhoud van een gebouw boven de afgewerkte begane grondvloer; zulks met inbegrip van erkers en dakkapellen; lengte, breedte en diepte van gebouwen: tussen de buitenzijde van de gevel en/of de