CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

SM 1162278 bijlage P02403 BP Kronkels-Zuid

Commissie Ruimte 8 september 2021, gemeente BunschotenBij agendapunt: Mededelingen en rapportage samenwerkingsverbanden32.791 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Regionaal programmeren is een cyclisch proces: dit programma zal periodiek (jaarlijks) worden geactualiseerd. Ook is sprake van een groeimodel: deze eerste cyclus is gefocust op reeds bestaande plannen en de korte (en middellange) termijn. De komende jaren kan het programma worden aangevuld, bijvoorbeeld naar aanleiding van besluitvorming in het kader van het Ontwikkelbeeld Regio Amersfoort 2030-2040 dat door de regio en provincie gezamenlijk wordt opgesteld. Samenwerking nodig voor aanpak van urgente maatschappelijke vraagstukken In de hele Provincie Utrecht spelen urgente vraagstukken op de woningmarkt en de markt voor bedrijventerreinen. Zo is er een grote behoefte aan extra woningen en ruimte voor bedrijfsvestigingen. De oplossing voor deze grote maatschappelijke vraagstukken kunnen niet door een enkele partij worden geboden. Samenwerking is noodzakelijk: tussen verschillende overheden, maar ook met andere partners. Daarbij zien we een duidelijke samenhang tussen voor wonen en werken. Het gaat steeds vaker om gezamenlijke vraagstukken en ontwikkelingen. Bijvoorbeeld het realiseren van gemengde woonwerkmilieus, of juist transformaties van werklocaties naar wonen. Dergelijke ontwikkelingen, en mogelijkheden tot daadwerkelijke realisatie hiervan, dienen dan ook in samenhang te worden bekeken.

Eén van de maatschappelijke vraagstukken die relevant zijn voor de programmering is dat er voldoende ruimte geboden wordt voor bedrijventerreinen die nodig zijn voor de gewenste economische ontwikkeling, in de gewenste kwaliteiten, uitgaande van zorgvuldig en intensief ruimtegebruik.

Hoofdstuk 5

25

Doorwerking plangebied In het regionaal programma wonen en werken Regio Amersfoort is de ontwikkeling van De KronkelsZuid opgenomen. Het rapport wordt ter vaststelling aangeboden aan de colleges van B&W van de regiogemeenten. Hiermee is voldaan aan de afspraak om de beoogde ontwikkeling regionaal af te stemmen. Hieronder wordt kort ingegaan op de resultaten van de regionale afstemming ten aanzien van de bedrijventerreinen in de gemeente Bunschoten. In het rapport is in regionaal verband het uitgeefbaar (plan)aanbod van nieuwe bedrijventerreinen inzichtelijk gemaakt. Verder is geïnventariseerd welke concrete en zachte plannen er in de regio zijn voor nieuw bedrijfsgebied. Naast het bestaande aanbod is sprake van niet terstond aanbod, waarover deels al besluitvorming heeft plaatsgevonden en waarover deels nog besluitvorming moet plaatsvinden. Het gaat hier met name om fase 1op De Kronkels-Zuid. Dit is het realisatiedeel van het regionaal programma. De regio kiest er voor om in dit eerste regionale programma werken geen andere locaties toe te voegen. Aanvullend hebben gemeenten een ambitie aangegeven om nieuw bedrijventerrein aan te leggen. Het gaat om plannen, waarover nog nadere besluitvorming moet plaatsvinden in het kader van het regionaal programma (met de regio en met de provincie). Dit zijn de pijplijn plannen. In dit overzicht is fase 2 van De Kronkels-Zuid opgenomen.

Zoals in paragraaf 3.1.3 is onderbouwd, bestaat op grond van concrete voornemens en aanvragen van bedrijven uit Bunschoten er op korte termijn een aanzienlijke actuele vraag naar bedrijventerrein van ruim 12 ha. ten behoeve van ondernemers gevestigd in Bunschoten. Op grond van historische uitgifte en concrete voornemens en aanvragen is een vraag tot en met 2028 van 14,5 à 15,5 hectare reëel, waarvan 12,5 à 15 hectare van bedrijven die reeds gevestigd zijn in Bunschoten.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Toekomstvisie Bunschoten 2015 (gemeentelijke structuurvisie) De Toekomstvisie Bunschoten 2015 dateert uit 2001. In 2009 is de Toekomstvisie hernieuwd vastgesteld door de gemeenteraad als structuurvisie, zoals bedoeld in artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Daarbij is geen aanleiding gevonden om de toekomstvisie inhoudelijk te actualiseren, aangezien er geen wezenlijke wijzigingen in het ruimtelijk beleid aan de orde waren. De Toekomstvisie omvat een integrale visie voor het grondgebied van de gemeente. In 1998 is de landschapsontwikkelingsvisie Bunschoten door de gemeenteraad vastgesteld. Daarop is in 1999 gestart met het uitvoeren van onderzoeken naar de gewenste ontwikkeling van werken, wonen, recreatie en voorzieningen. De bevindingen zijn samengevat in het rapport "Toekomstvisie Bunschoten 2015". Om de gemeente leefbaar te houden wordt een groei geambieerd tot ca. 23.000 inwoners in 2015 (1-1-2002: ca. 19.360). Dit om het huidige voorzieningenniveau in ieder geval in stand te houden. In de nota is berekend, dat er tot 2015 minstens 20 hectare bedrijventerrein bij moet komen, om zo de eigen bevolking binnen de gemeentegrenzen aan het werk te kunnen houden. Hierbij is uitgegaan van 12 ha. ten behoeve van de autonome ontwikkeling van de eigen bedrijven en nog eens 5 à 12 ha. voor nieuwe bedrijven.

Daarnaast wil de gemeente verplaatsing mogelijk maken van enkele grote bedrijven uit o.a "De Zuidwenk" naar de zuidelijke bedrijventerreinen. De ligging van de Zuidwenk is

Hoofdstuk 5

26

zodanig dat binnen de kern verkeershinder en milieuhinder ontstaat (onder andere op de Oostelijke Randweg). De Zuidwenk kan vervolgens worden heringericht als nieuw woongebied. Met betrekking tot het vestigingsbeleid is gesteld, dat bestaande bedrijven en bedrijven die bijdragen aan een hoogwaardige werkgelegenheid voorrang moeten krijgen. De gemeente voert een actief beleid om een grotere variatie in de bedrijvigheid te stimuleren, hierbij echter niet de traditionele bedrijfstakken (visserij en landbouw) uit het oog verliezend. Arbeidsintensieve bedrijven met een beperkte ruimtevraag genieten de voorkeur. Om dit te verwezenlijken moet gezorgd worden voor een goede bereikbaarheid van bedrijventerreinen, ook met het openbaar vervoer, en worden nieuwe uitbreidingen voornamelijk aan de zuidzijde van de bebouwde kom gerealiseerd (mede ter vervanging van het huidige "Zuidwenk").

3.3.2 Groenbeleidsplan Het groenbeleidsplan 2015 - 2025 bevat een samenhangende visie op de instandhouding, ontwikkeling, inrichting en beheer van de groene leefomgeving: 'Het vergroten van de identiteit en natuurwaarde met ruimte voor de groene leefomgeving waarbij het groen en onderhoud is afgestemd op de functie.' Aan de visie zijn een zevental doelstellingen gekoppeld:  Ruimte voor groen in de leefomgeving: instandhouding en versterking van het groen;  Beplanting omvormen: efficiënter beheer;  Onderhoud op peil: vastgesteld onderhoudsniveau en -kwaliteit;  Vergroten van de identiteit: versterken van cultuurhistorische structuren;  Burgerparticipatie: het betrekken van burgers bij vraagstukken in de groene leefomgeving;  Natuurwaarde vergroten: het toepassen van zo veel mogelijk inheemse en gebiedseigen beplanting en alternatieve onkruidbestrijding;  Groen afstemmen op de functie beschreven. Het openbaar groen op de bedrijventerreinen staat onder grote ruimtedruk. Parkeerdruk, bedrijfsuitbreiding en inritten leggen steeds meer een claim op het openbaar groen. Doorwerking plangebied De groenstructuur van het bedrijventerrein De Kronkels-Zuid zal hoofdzakelijk bestaan uit een brede landschappelijke zone langs de zuid- en westrand en laanbeplantingen.

Langs de buitenrand van het bedrijventerrein zijn waterpartijen vormgegeven in lijn met de sloten- en verkavelingsstructuur van de polder. De sloten zijn benadrukt door losse bomen en boomgroepen die enerzijds het zicht op de bebouwing camoufleren en anderzijds de recreatieve route begeleiden. Door te werken met losse structuren blijft het open karakter hier bestaan. Op het bedrijventerrein zelf zorgen bomenrijen voor structuur. Langs de hoofdontsluiting zorgt een profiel met groenstrook en watergang voor een duidelijke as. Door het toepassen van heestergroepen en enkele bomen ontstaat er een gevarieerde opbouw van beplantingen, wat de diversiteit ten goede komt. Langs de secundaire wegen zorgt een laanbeplanting zonder onderbegroeiing voor een groene begeleiding. Het plan sluit daarmee aan op het gemeentelijke groenbeleidsplan en streeft een groene inpassing van het bedrijventerrein na.

Hoofdstuk 5

27

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Verkeer en parkeren Parkeren Op het bedrijventerrein zijn geen parkeerplaatsen opgenomen in het openbaar gebied. Er zal geen langsparkeren mogelijk gemaakt worden langs de rijbaan. Dit heeft als voordeel dat er geen conflicten zijn tussen parkerende voertuigen en rijdende voertuigen of fietsers. De verkeersveiligheid is hierbij gebaat. Bovendien wordt een rommelige aanblik op de straat voorkomen door de toepassing van geconcentreerd parkeren. Alle parkeerplaatsen en opstelplekken voor vrachtverkeer dienen of op eigen terrein te worden gerealiseerd, of op een collectief beheerde opstelplek die onder het toezicht valt van het parkmanagement. Collectieve parkeervoorziening/ parkeerkoffers Bij de ontwikkeling van Haarbrug-Zuid, het naastgelegen recentelijk ontwikkelde bedrijventerrein, geldt dat er per 600 m2 uitgeefbare grond één parkeerplaats in een parkeerkoffer beschikbaar is. Bij het toepassen van het uitgangspunt van Haarbrug-Zuid op de ontwikkeling Kronkels-Zuid zouden 238 parkeerplaatsen nodig zijn in de parkeerkoffers voor fase 1 en 2 samen (ca. 142.787 m2 uitgeefbare grond). Voor fase 1 (ca. 75.024 m2 uitgeefbare grond) zijn er 126 parkeerplaatsen nodig in de parkeerkoffers. Dit aantal zal evenredig over het totaal aantal m2 uitgeefbaar bedrijventerrein worden verdeeld.

Afhankelijk van de omvang van een bedrijfskavel kan hierdoor het aantal openbare parkeerplaatsen in mindering worden gebracht op het op eigen terrein op grond van de parkeernorm te realiseren aantal parkeerplaatsen. De parkeerterreinen zullen echter openbaar blijven en géén eigendom van bedrijven worden, noch kunnen zij een claim leggen op een aantal (vaste) parkeerplaatsen op deze terreinen. Doordat bedrijven gebruik kunnen maken van deze parkeergelegenheid, hebben zij op eigen terrein meer ruimte voor hun bedrijfsactiviteiten en kunnen de kavels efficiënter worden ingedeeld. De parkeerterreinen worden uitgevoerd in een open bestrating/waterdoorlatende verharding. De collectieve parkeervoorziening is opgenomen in het stedenbouwkundig plan. De aanduiding van de parkeervoorzieningen op de kaart is overigens indicatief. De exacte positie en omvang van de collectieve parkeervoorzieningen kan in een later stadium worden bepaald. Parkeervraag op eigen terrein Omdat de bedrijven grotendeels op hun eigen kavel in hun parkeerbehoefte dienen te voorzien, dienen arbeidsintensieve bedrijven (met relatief veel personeel per m2 bvo) in verhouding op hun kavel een groter aantal parkeerplaatsen te realiseren dan arbeidsextensieve bedrijven (met relatief weinig personeel per m2 bvo).

Het benodigd aantal parkeerplaatsen voor een bepaald type bedrijf leidt tot een bepaalde ruimtevraag op de kavel, die dus niet bebouwd kan worden met bedrijfsgebouwen. De parkeerbehoefte van een bedrijf legt hiermee een beperking op aan de oppervlakte aan bebouwing dat een bedrijf kan realiseren op zijn kavel. Per bedrijf zal hierin een

Hoofdstuk 5

28

balans worden gezocht, zodat het bedrijf zijn kavel optimaal kan bebouwen en tegelijkertijd op eigen terrein in zijn parkeerbehoefte kan voorzien. Om te waarborgen dat bedrijven voornamelijk op eigen terrein in hun parkeerbehoefte zullen voorzien zijn in het voorliggende bestemmingsplan parkeerregels opgenomen. Op basis van deze parkeerregels dient bij de oprichting, wijziging of uitbreiding van gebouwen, en bij de gebruikswijziging van gronden of gebouwen, te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Tevens dient, voor zover van toepassing, te worden voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen. Daarnaast is gebruik van bestaande parkeerplaatsen, anders dan voor parkeren, aangemerkt als strijdig gebruik. Middels deze parkeerregeling is ook in de toekomst voldoende gewaarborgd dat er geen parkeerproblemen ontstaan op het bedrijventerrein. In de planregels is een parkeernorm opgenomen voor diverse functies. Dit betreft een minimum aantal te realiseren parkeerplaatsen. Verkeer Door middel van een mobiliteitstoets is door Mobycon onderzocht wat de gevolgen zijn van de ontwikkeling van De Kronkels-Zuid op het omliggende wegennet en wat voor voorzieningen aanwezig moeten zijn op het bedrijventerrein. Deze mobiliteitstoets is opgenomen in de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies van deze toets.

Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige adviesrapport. Verkeersgeneratie De Kronkels-Zuid wordt een gemengd bedrijventerrein met verschillende type bedrijven, maar met de nadruk op de vestiging van bedrijven die actief zijn in onder andere ambulante handel, maar ook grootschalige industriële bedrijven. Het bedrijventerrein heeft een netto oppervlakte van 14 hectare. Om te bepalen wat de verkeersgeneratie van het nieuwe bedrijventerrein is, zijn de richtlijnen van het CROW toegepast. Het berekenen van verkeersgeneratie kan op twee manieren; op basis van de specifieke functies en de daarbij behorende bruto vloeroppervlaktes of op basis van netto oppervlakte in hectare voor een bepaald type bedrijventerrein. Het CROW geeft aan dat als er geen specifieke informatie over de verschillende functies aanwezig zijn, er toch een globale berekening van de verkeersgeneratie op etmaalniveau gemaakt kan worden. Wel is belangrijk dat het type werkgebied bekend is. Het type werkgebied van De Kronkels-Zuid is een gemengd terrein. Dit is een terrein bestemd voor reguliere bedrijvigheid en niet behorend tot de categorieën ‘hoogwaardig bedrijvenpark’ of ‘distributiepark’. Gemengde terreinen kennen een gevarieerd aanbod aan bedrijvigheid, voornamelijk bestaande uit licht moderne industrie en overige (‘modale’) industrie.

Het CROW geeft aan dat een weekdag intensiteit omgerekend kan worden naar werkdagintensiteiten. Daartoe moeten de weekdagcijfers vermenigvuldigd worden met 1,33. Dit komt neer op een verkeersgeneratie van ca. 2.998 verkeersbewegingen per etmaal voor de gehele De Kronkels-Zuid (zie figuur 4.1).

Hoofdstuk 5

29

Figuur 4.1: Berekening verkeersgeneratie (Bron: Mobiliteitstoets, Mobycon, oktober 2020)

Kruispunt Bisschopsweg (N414) – De Kronkels De huidige kruispuntinrichting van het kruispunt Bisschopsweg (N414) – De Kronkels is niet voldoende voor een goede doorstroming en een verkeersveilige afwikkeling van het verkeer. Onafhankelijk van de ontwikkeling van De Kronkels-Zuid is het nodig om het kruispunt aan te passen. Er is verder onderzoek nodig naar de mogelijke inpassing waarbij geanticipeerd moet worden op de toekomstige aansluiting van fase 2 van De Kronkels-Zuid op dit kruispunt. Voor fase 1 is aanpassing van dit kruispunt nog niet noodzakelijk. Kruispunt Bisschopsweg (N414) – Amersfoortseweg (N199) In de scenario’s 2020 en 2020 incl. De Kronkels-Zuid fase 1 biedt het huidige kruispunt voldoende capaciteit. De ontwikkeling van de eerste fase zorgt er dus niet voor dat de VRI niet goed kan afwikkelen. Door de autonome groei kan het kruispunt in de huidige configuratie het verkeer niet meer goed afwikkelen. Dit verergert in het scenario 2030 met het verkeer van de gehele ontwikkeling De Kronkels-Zuid erbij. Het aandeel van de Kronkels-Zuid is hierin beperkt. Rotonde Amersfoortseweg (N199) – Neerduist (bedrijventerrein Haarbrug-Zuid) In de scenario’s 2020 en 2020 incl. De Kronkels-Zuid fase 1 biedt de huidige enkelstrooksrotonde voldoende capaciteit. Door de ontwikkeling van de eerste fase van De Kronkels-Zuid zijn er geen aanpassingen nodig aan de huidige rotonde.

Als gevolg van de autonome groei in scenario 2030 en 2030 incl. De Kronkels-Zuid fase 1 en 2 kan de enkelstrooksrotonde het verkeer niet meer goed afwikkelen. Er zal moeten worden nagegaan welke kruispuntoplossing hier de meest veilige oplossing biedt en die wel voldoende capaciteit biedt in 2030. Rotonde Amersfoortseweg (N199) – Noordelijke af-/toerit A1 De kruising met de op- en afrit van de A1 is op dit moment een rotonde. Vanwege de mogelijke ontsluiting van Vathorst-Bovenduist naar dit punt zal de kruising worden aangepast. Er is in de mobiliteitstoets daarom een indicatie gegeven wat de effecten van De Kronkels-Zuid op deze kruising zijn. De hoeveelheid verkeer op de kruispunttakken groeit tussen de 2,3% en 5,4% bij het vergelijken van de scenario’s 2020 en 2020 incl. De Kronkels-Zuid (fase 1 & 2). Bij het vergelijken van de scenario’s 2030 en 2030 incl. De Kronkels-Zuid is dit 2,4% en 4,9%. De ontwikkeling De KronkelsZuid heeft dus niet of nauwelijks invloed op de hoeveelheid autoverkeer op deze kruising. Fietsverkeer op parallelweg Amersfoortseweg (N199) De Amersfoortseweg (N199) heeft een parallelweg met gemengd verkeer waar veel fietsverkeer gebruik van maakt. In de toekomstige situatie komen deze fietsers mogelijk in conflict met bestemmingsverkeer van en naar De Kronkels-Zuid.

Hoofdstuk 5

30

De gemeente participeert in een project snelfietsroute met de provincie Utrecht en de gemeente Amersfoort. Het is de bedoeling dat de fietsroute langs de Amersfoortseweg medio 2022/2023 wordt opgewaardeerd tot snelfietsroute waarbij vanuit verkeerskundige optiek de voorkeur bestaat voor een gelijkvloerse kruising met de ontsluiting van de Kronkels-Zuid. Er wordt nader onderzoek verricht naar de wijze waarop deze gelijkvloerse kruising kan worden vormgegeven via fietsers in de voorrang of een met verkeerslichten geregelde overgang. Voetgangersontsluiting naar bushalte Bij de aanleg van fase 1 wordt gestreefd naar een zo optimaal mogelijk route voor voetgangers naar de bushaltes ten noorden van het kruispunt Bisschopsweg – Amersfoortseweg. Vooralsnog wordt hiervoor een fiets/voetpad aangelegd via de zuidzijde van het perceel van het bedrijf Boetech aan de Amersfoortseweg. Dit bedrijf heeft hiervoor haar medewerking toegezegd. Evenwel blijft het streven om dit fiets/voetpad nog noordelijker aangelegd te krijgen. De opties hiertoe worden nader onderzocht. Conclusie In het verkeerskundig advies is uitgegaan van een verkeersgeneratie van circa 2.998 verkeersbewegingen per etmaal voor de gehele De Kronkels-Zuid. In het advies is aangetoond dat deze verkeersaantrekkende werking niet significant van invloed is op de ontsluitingswegen van het bedrijventerrein en de omliggende wegen.

Door autonome groei van het verkeer in totaal (onafhankelijk van de ontwikkeling van De Kronkels-Zuid) zullen er op termijn wel knelpunten gaan opspelen en zal een aantal kruispunten aangepast moeten worden. Voor wat betreft de haalbaarheid voor De Kronkels-Zuid worden er geen problemen verwacht met de afwikkeling van het verkeer. Het aspect ‘verkeer en parkeren’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. De gemeente Bunschoten is in gesprek met de provincie Utrecht en heeft het voornemen een onderzoek laten uitvoeren naar alle verkeerskundige aspecten rond N199 en haar zijwegen.

4.2 Geluidhinder Toetsingskader Bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan is het conform de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie. Als een geluidszone geheel of gedeeltelijk binnen het plangebied valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen die geluidszone (artikel 77 Wgh). Toekomstige ontwikkelingen die niet binnen voorliggend bestemmingsplan worden geregeld (bijvoorbeeld via een omgevingsvergunning) moeten ten aanzien van geluid getoetst worden. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 48 dB. Indien de geluidbelasting lager is dan worden door de Wet geluidhinder geen aanvullende eisen gesteld. Wanneer deze waarde wordt overschreden dan zal moeten worden nagegaan welke geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om deze overschrijding terug te brengen tot, bij voorkeur, 48 dB. Na afweging van de geluidbeperkende maatregelen kan het college van burgemeester en wethouders hogere geluidbelastingen toestaan. In deze situatie bedraagt de maximale grenswaarde 63 dB.

Hoofdstuk 5

31

In de Wet geluidhinder is verder bepaald, dat rond industrieterreinen, waarop inrichtingen volgens het Besluit omgevingsrecht, bijlage 1, onderdeel D (de zogenaamde grote lawaaimakers) zijn gevestigd of zich mogen vestigen, een geluidzone moet zijn vastgesteld. Bij nieuwe ontwikkelingen op het industrieterrein en in de zone (omgevingsvergunningverlening aan bedrijven (milieu, bouw, sloop) en verkoop van percelen op die industrieterreinen), dient deze geluidzone in acht te worden genomen. Tot slot worden in artikel 2.17a, lid 2 van het Activiteitenbesluit geluid grenswaarden gegeven geldend voor inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein. Het systeem van zoneringen van industrieterreinen betekent dat in principe geen nieuwbouw van geluidsgevoelige bestemmingen binnen de geluidszone gewenst is. Dit betekent dat de geluidbelasting ter plaatse van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen de zone niet meer mag bedragen dan 50 dB(A). Wanneer de waarde van 50 dB(A) wordt overschreden, kan eventueel onder voorwaarden een ontheffing voor een hogere grenswaarde door het college van burgemeester en wethouders worden verleend. Deze ontheffing is tot maximaal 55 dB(A) mogelijk. Voor vergunningsplichtige inrichtingen worden de geluidsvoorschriften in de vergunning gebaseerd op de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening.

Onderzoek Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen geluidgevoelige objecten mogelijk zoals bedoeld in de Wgh. Door de ontwikkeling van De Kronkels-Zuid zullen de verkeersintensiteiten van de bestaande omliggende wegen wijzigen. Voor de wijziging van de verkeersintensiteiten op de bestaande wegen en de gevolgen voor de geluidbelasting op bestaande woningen langs deze wegen, geldt geen toetsing in het kader van de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt door middel van een akoestisch onderzoek de geluidbelasting op de bestaande omliggende woningen als gevolg van de voorliggende ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. De eerste resultaten van dit onderzoek zijn tijd hieronder opgenomen. Ten behoeve van het ontwerpbestemmingsplan zal het gehele akoestische onderzoek worden opgenomen. De normstelling uit de Wet geluidhinder is niet van toepassing voor geluidgevoelige objecten (bv. bedrijfswoningen) op het industrieterrein zélf. De woningen aan de Bisschopsweg 3, 4 en 5 worden geamoveerd, en zijn daarmee irrelevant geworden. Langs de Amersfoortseweg ten oosten van de uitbreiding zijn een aantal bedrijfswoningen gesitueerd. De geprognosticeerde geluidbelasting bedraagt daar ten hoogste 62 dB(A), waarmee aan de maximale streefwaarde van 65 dB(A) zal worden voldaan.

In het uit te breiden deel van de geluidzone bevinden zich twee woningen waarvoor de normstelling uit de Wet geluidhinder van toepassing is. De geprognosticeerde geluidbelasting van de Amersfoortseweg 40 bedraagt 56 dB(A) en voldoet daarmee aan de maximaal vast te stellen hogere waarde. Bij de 2e woning, gelegen aan de Bisschopsweg 7 bedraagt de geprognosticeerde geluidbelasting 52 dB(A), en voldoet daarmee eveneens aan de maximaal te verlenen hogere waarde. Bij de vaststelling van een hogere waarde dienen evenwel geluidmaatregelen in overweging te worden genomen. De afstemming hierover heeft nog niet plaatsgevonden, en zal de komende periode nader worden uitgewerkt.

Hoofdstuk 5

32

Conclusie Uit de concept onderzoeksresultaten blijkt dat bij alle woningen kan worden voldaan aan de van toepassing zijnde maximale streefwaarde (op het industrieterrein) of maximaal vast te stellen hogere waarde (in de geluidzone). De uitbreiding lijkt daarmee vanuit akoestisch oogpunt gezien haalbaar. Afgaande op deze concept onderzoeksresultaten zal er voor 2 woningen een zogenaamde hogere waarde moeten worden vastgesteld.

4.3 Luchtkwaliteit Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.

Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). Onderzoek Door middel van een onderzoek luchtkwaliteit zijn de effecten van het voorliggende plan op de luchtkwaliteit onderzocht. Op basis van dit luchtkwaliteitsonderzoek kan worden geconcludeerd dat op alle in het onderzoek opgenomen beoordelingspunten wordt voldaan aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Voor meer informatie en details wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in de bijlagen. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven.

De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.

Hoofdstuk 5

33

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. De achtergrondwaarden van stikstof en fijnstof in de lucht, kunnen worden achterhaald middels de NSL-monitoringstool. In figuur 4.2 zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de waarden ruim onder de norm liggen. Om deze reden kan geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit.

1 2

3

Figuur 4.2: Achtergrondwaarden luchtkwaliteit (bron: NSL-monitoringstool)

Meetpunt

Id

NO2 μg/m3

PM10 μg/m3

1 2 3 Norm

197559 15639601 198259

11,5 12,0 12,5 40

18,0 15,6 15,7 40

PM10 overschrijdingsdagen 6,3 6,0 6,0 35

PM2.5 μg/m3 11,1 8,7 8,8 25

Conclusie Het aspect ‘luchtkwaliteit’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.

4.4 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige bestemmingen/ gebieden, zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), editie 2009. De inhoud van de milieuzonering wordt bepaald aan de hand van drie bouwstenen, te weten de milieucategorie, omgevingstype en functiemenging. In de richtafstandenlijst zijn bedrijven opgenomen,

Hoofdstuk 5

34

ingedeeld in milieucategorieën, waarbij op basis van deze categorie-indeling per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een milieugevoelige bestemming dient te zijn. In onderstaande tabel zijn de voor dit bestemmingsplan relevante richtafstanden weergegeven: Milieucategorie

Richtafstand (m) tot rustige

Richtafstand (m) tot gemengd

woonwijk en buitengebied

gebied

1

10

0

2

30

10

3.1

50

30

3.2

100

50

4.1

200

100

4.2

300

200

Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan, afhankelijk van het omgevingstype, worden afgeweken van deze richtafstanden. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ kunnen de afstanden uit de richtafstandenlijst bijvoorbeeld met één afstandsstap worden verminderd (dit geldt niet voor externe veiligheid). Tenslotte geeft de specifieke Staat van Bedrijfsactiviteiten voor functiemenging een overzicht van bedrijfsactiviteiten die vanuit oogpunt van hinder en gevaar goed inpasbaar zijn in gebieden met functiemenging, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. De indeling van de bedrijven wordt vastgelegd in een afstandentabel, waarin de diverse aspecten van de bedrijven in normatief opzicht zijn weergegeven. Op grond van deze afstandentabel kan men een beleidsmatige selectie maken van de toe te laten bedrijfsactiviteiten. Bij deze selectie dienen milieuoverwegingen een belangrijke rol te spelen. Onderzoek Het plangebied wordt bestempeld tot gemengd gebied. In dit bestemmingsplan wordt bedrijvigheid toegestaan bestemd voor ambachtelijke, industriële, groothandels-, transport- en distributiebedrijven in de milieucategorieën 1 t/m 3.2.

Alleen het type bedrijven dat ook in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' (zie bijlagen bij de regels) is opgenomen, mag zich in het plangebied vestigen. Voor bedrijvigheid in de milieucategorie 3.2 geldt in een gemengd gebied een richtafstand van 50 meter ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen. Aan de westzijde van de Amersfoortseweg bevindt zich een aantal bedrijfswoningen. Ook aan de Bisschopsweg 7 en de Amersfoortseweg 40 bevinden zich woningen die door de beoogde ontwikkeling akoestisch belast zullen worden. Uit de concept onderzoeksresultaten van het akoestisch onderzoek dat wordt uitgevoerd door Antea (zie bijlage) blijkt dat bij alle woningen kan worden voldaan aan de van toepassing zijnde maximale streefwaarde (op het industrieterrein) of maximaal vast te stellen hogere waarde (in de geluidzone). De uitbreiding lijkt daarmee vanuit akoestisch oogpunt gezien haalbaar. Afgaande op deze concept onderzoeksresultaten zal er voor 2 woningen een zogenaamde hogere waarde moeten worden vastgesteld. Voor de aspecten externe veiligheid en geur wordt verwezen naar respectievelijk paragraaf 4.5 en 4.13.

Hoofdstuk 5

35

Conclusie Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.5 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven), installaties of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Onderzoek Om inzicht te krijgen in eventuele risicobronnen in de omgeving kan gebruik worden gemaakt van de Risicokaart. In figuur 4.3 is een uitsnede van deze kaart weergegeven. Inrichtingen GOS Bisschopsweg, De Kronkels 31A Het gasontvangststation (GOS) valt onder het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) en is daarin aangewezen als type B inrichting. Artikel 3.12 van het Activiteitenbesluit stelt regels aan de werking van een gasontvangststation en geeft de veiligheidsafstanden die aangehouden moeten worden rond gasontvangststations.

Het gasontvangststation is een categorie C station conform NEN 1059, met een jaardoorzet van maximaal 40.000 m³.

Hoofdstuk 5

36

Voor categorie C stations met een doorzet lager dan 40.000 m³ gelden de volgende veiligheidsafstanden: - 15 m tot kwetsbare objecten; - 4 m tot beperkt kwetsbare objecten. Binnen genoemde afstanden zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten voorzien. Er zijn zodoende geen belemmeringen voor het plangebied vanwege de aanwezigheid van de GOS. Transport over de weg Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt plaats langs én naar de bedrijventerreinen via de N199, die is aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen. De N199 bij Bunschoten is de toevoerweg voor transporten voor gevaarlijke stoffen die naar de bedrijventerreinen Haarbrug-Noord en de Kronkels leidt. Uit eerdere berekeningen is gebleken dat het groepsrisico langs deze transportroute binnen de bebouwde kom erg laag is. Zo is een berekening in Amersfoort gemaakt voor de Amsterdamseweg waarbij een groepsrisico van maximaal 0,051 maal de oriënterende waarde is bepaald. De bevolkingsdichtheid binnen het plangebied is lager dan bij de Amsterdamseweg in Amersfoort zodat het groepsrisico lager is dan 0,051 maal de oriënterende waarde. Vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen nabij het plangebied blijkt uit de beoordeling dat er geen PR 10-6 contour aanwezig is. Het groepsrisico ligt ruim beneden 0,1 maal de oriënterende waarde, en deze neemt niet verder toe vanwege het bestemmingsplan.

Verdere verantwoording is zodoende niet noodzakelijk. Buisleiding Binnen en in de omgeving van het plangebied is één hogedruk aardgasleiding gelegen, namelijk aardgasleiding W-500-05. Het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen brengt risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een leidingbreuk gas kan vrijkomen. Het risico voor mensen in de omgeving wordt gevat onder het begrip externe veiligheid. Voor de externe veiligheidsrisico’s van aardgastransportleidingen is de relevante wetgeving vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) die sinds 1 januari 2011 van kracht is. Hierin zijn het Plaatsgebonden Risico (PR) en het Groepsrisico (GR) vastgelegd als toetsingscriteria. Het PR en GR zijn in een separate rapportage berekend met behulp van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA). Deze rapportage is opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. Gezien de leiding dwars door het plangebied loopt, dient rekening gehouden te worden met de belemmeringenstrook. De gemeente dient een ruimtelijke reservering op te nemen voor de belemmeringenstrook. De voor onderhoud gereserveerde belemmeringenstrook bedraagt ten minste vijf meter aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Deze strook is op de planverbeelding weergegeven.

Uit de resultaten van de risicoberekeningen blijkt dat voor deze gasleiding het PR-contour 10-6 zich op de leiding bevindt. Aangezien bouwen op de leiding niet is toegestaan, levert deze contour geen extra beperkingen op in vergelijking met de beperkingen die er al zijn door de aanwezigheid van de leiding. Eveneens wijzigt het PR niet met de nieuwe situatie ten opzichte van de bestaande situatie. Doordat er geen (geprojecteerde) kwetsbare objecten zijn bepaald wordt er voldaan aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het berekende PR brengt geen beperking met

Hoofdstuk 5

37

zich mee met betrekking tot de beoogde plaatsing van gebouwen. Het plangebied ligt binnen de 100 % letaliteitsgrens, waardoor het groepsrisico dient te worden verantwoord. Ook deze verantwoording is opgenomen in de onderzoeksrapportage. Er kan geconcludeerd worden dat het groepsrisico niet toeneemt ten opzichte van de oude situatie.

Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (bron: Risicokaart.nl)

Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.6 Ecologie en stikstof Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.

Hoofdstuk 5

38

Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Soortenbescherming De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Onderzoek Om te kunnen beoordelen of de voorliggende uitbreiding van het bedrijventerrein De Kronkels-Zuid in overeenstemming met de natuurwetgeving en het natuurbeleid kan worden uitgevoerd is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, welke is opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in of nabij het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Ook andere beleidskaders uit het Natuurbeheerplan (NBP) zijn niet van toepassing. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn er in het kader van het NNN en het NBP dan ook geen consequenties te verwachten. Het plangebied is gelegen binnen provinciaal Weidevogelkerngebied Eemland. Dit is een provinciaal beleidskader vanuit de PRS (Structuurvisie) en het Natuurbeheerplan zonder consequenties bij ruimtelijke ingrepen.

De Kronkels-Zuid is gelegen op ongeveer 17 km ten westen van stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebied Veluwe, en tevens op ongeveer 17 km ten oosten van stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden Naardermeer en Oostelijke Vechtplassen. Onder de huidige wet- en regelgeving wordt er in beginsel vanuit gegaan dat een plan dat meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op een overbelast stikstofgevoelig habitattype of leefgebied in potentie een significant negatief effect kan hebben. Om inzicht te krijgen in de bijdrage aan de stikstofdepositie van De Kronkels-Zuid van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is door Tauw een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd, welke als separate bijlage bij onderhavige bestemmingsplantoelichting is gevoegd. Voor de gebruiksfase zijn verschillende

Hoofdstuk 5

39

scenario’s doorgerekend. Ook is het effect van salderen met weidegrond inzichtelijk gemaakt. De resultaten staan hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Aangezien nog niet bekend is welke bedrijven zich op De Konkels-Zuid fase 1 zullen vestigen is uitgegaan van algemene emissiekentallen en kentallen voor de verkeersgeneratie. De conclusies voor de realisatiefase en de gebruiksfase worden hieronder gegeven. Realisatiefase Op basis van worstcase uitgangspunten voor de realisatiefase kan gesteld worden dat per jaar minimaal 16.000 m2 BVO aan bedrijfspanden gerealiseerd kan worden alvorens een stikstofdepositiebijdrage van meer dan 0,00 mol/ha/jaar wordt berekend, waarboven potentieel significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten. Met de inwerkingtreding van de nieuwe stikstofwet (naar verwachting medio 2021) worden deze bouwwerkzaamheden waarschijnlijk vrijgesteld van natuurvergunningsplicht voor het aspect stikstofdepositie. Gebruiksfase Om potentieel significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand uit te kunnen sluiten is vereist dat niet meer 5,4 hectare3 van de 7,1 hectare aan uitgeefbaar terrein 4 van het beoogde bedrijventerrein De Kronkels-Zuid fase 1 op het gasnet wordt aangesloten.

In dat geval worden de stikstofemissies van het bedrijventerrein volledig gecompenseerd door het wegvallen van stikstofdepositie door bemesting; waarbij dus wordt aangenomen dat bemesting daadwerkelijk plaatsvindt in de huidige situatie. Wanneer het gewenst is om een groter deel van het bedrijventerrein op het gasnet aan te sluiten, kan in een ecologische of passende beoordeling kan onderzocht worden of de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden, waarop een depositiebijdrage wordt berekend, daadwerkelijk aangetast worden. Wanneer het bedrijventerrein geheel gasloos wordt aangelegd kunnen potentieel significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten (de depositiebijdrage is dan 0,00 mol/ha/jaar), ook zonder saldering met weidegrond (bemesting). Fase 2 Voor fase 2 van bedrijventerrein De Kronkels-Zuid zal een vergelijkbare conclusie gelden aangezien de oppervlaktes aan uitgeefbaar terrein (6,52 voor fase 2 versus 7,08 hectare voor fase 1) en de oppervlakte aan weidegrond dat uit productie wordt gehaald (11,4 voor fase 2 versus 11,2 hectare voor fase 1) vergelijkbaar zijn met die oppervlaktes voor fase 1. Wel zal bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid een nieuw stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd moeten worden.

Soortenbescherming Voor een aantal mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomende nationaal beschermde soorten zoals egel, konijn, vos, kleine marterachtigen, spitsmuizen en muizen geldt een provinciale vrijstelling voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen. 3

Geldt wanneer op het bedrijventerrein uitsluitend gebruik wordt gemaakt van elektrische mobiele werktuigen. Indien op het bedrijventerrein uitsluitend gebruik wordt gemaakt van diesel- en benzine aangedreven mobiele werktuigen is dit oppervlak 5,1 hectare 4 Dit is hetzelfde als het netto oppervlak. Het bijbehorend bruto oppervlak doet niet ter zake

Hoofdstuk 5

40

Een aantal van de mogelijk voorkomende soorten zijn niet-vrijgestelde nationale of Europees beschermde soorten (Habitat- en Vogelrichtlijn), waarvoor bij aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen een ontheffingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming geldt. Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van individuele diersoorten zijn verblijfplaatsen van beschermde gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis) niet uit te sluiten binnen het plangebied. Tevens wordt het voorkomen van gierzwaluw, steenmarter, kerkuil, steenuil, grote modderkruiper, heikikker, poelkikker er rugstreeppad niet uitgesloten binnen het plangebied. Door het uitvoeren van werkzaamheden worden mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van bovenstaande soorten aangetast. Er is daarom een aanvullend ecologisch veldonderzoek uitgevoerd, om vast te stellen of bovengenoemde soorten in het plangebied aanwezig zijn. Dit onderzoek is als separate bijlage opgenomen bij onderhavige bestemmingsplantoelichting. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. Vogels Huismus Bij gericht onderzoek naar de huismus zijn meerdere nestplaatsen aangetroffen onder de dakpannen van de woning aan de Bisschopsweg 5 te Bunschoten.

Ook worden deze plaatsen in de winter gebruikt als rustplaats en wordt de omliggende tuin gebruikt om te foerageren. De nest- en rustplaatsen en het foerageergebied, en daarmee de volledige functionaliteit, zullen verloren gaan door de voorgenomen ingreep. Er dient voor deze aantasting een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd en er dienen mitigerende maatregelen genomen te worden. Deze dienen uitgewerkt te worden in een projectplan wat bij de ontheffingsaanvraag gevoegd kan worden. Er zijn verschillende mitigerende maatregelen die toegepast kunnen worden, bijvoorbeeld:  Het uitvoeren van de activiteiten buiten de kwetsbare perioden van de huismus.  Voor elke nest dat zijn functie niet meer kan vervullen, wordt gezorgd dat er meerdere nieuwe alternatieve nestplaatsen aanwezig zijn.  Het verbeteren van de kwaliteit van bestaand of het realiseren van nieuw geschikt habitat voor huismussen. Dit moet tijdig gerealiseerd zijn en moet buiten de invloedsfeer van de activiteiten plaatsvinden.  Door activiteiten gefaseerd in de ruimte en tijd uit te voeren, kan er voor worden gezorgd dat er op elk moment voldoende functionerende nesten, rustplaatsen en leefgebied aanwezig blijven.  Nestplaatsen worden tijdens het uitvoeren van de activiteiten toegankelijk gehouden voor de huismus.

 Nestplaatsen worden tijdig voorafgaand aan de eigenlijke activiteiten ongeschikt gemaakt.  Opstellen van een ecologisch werkprotocol door een deskundige. Dit ecologische werkprotocol moet op de locatie aanwezig zijn en de inhoud moet bij de betrokken werknemers bekend zijn. De activiteiten moeten aantoonbaar volgens dit protocol worden uitgevoerd. Gierzwaluw Tijdens het onderzoek naar gierzwaluwen zijn enkel een aantal, maximaal vier tijdens één onderzoeksronde, waarnemingen gedaan van hoog overvliegende dieren. In het onderzoeksgebied zijn geen nestplaatsen van gierzwaluwen aangetroffen en daarmee is aanwezigheid van jaarrond beschermde nestplaatsen van deze soort uitgesloten.

Hoofdstuk 5

41

Steenuil De steenuil heeft geen verblijfplaats binnen het plangebied, maar maakt wel gebruik van het plangebied om te foerageren. Met de voorgenomen ingreep blijft er voldoende foerageergebied buiten het plangebied over voor deze soort. Het is aan te raden om voorafgaand aan de ingreep maatregelen te treffen, waarmee kan worden voorkomen dat deze soort zich alsnog vestigt in de bestaande bebouwing. Kerkuil De kerkuil is niet waargenomen of gehoord binnen het plangebied. Ook zijn er geen verblijfplaatsen en sporen aangetroffen van kerkuil. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nestplaatsen van deze soort is uitgesloten. Weidevogels In het gerichte onderzoek naar weidevogels is vastgesteld dat momenteel geen territoria van weidevogels aanwezig zijn in het plangebied. Omdat het plangebied momenteel geen territoria van weidevogels omvat en het plangebied in het Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie niet langer wordt gezien als ‘weidevogelkerngebied’, zijn er geen consequenties voor weidevogelpopulaties. Bij realisatie van de ingreep dient altijd rekening te worden gehouden met het broedseizoen van verschillende vogelsoorten. Vleermuizen In het kraam- en paarseizoen zijn de soorten gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis waargenomen binnen het plangebied. Het plangebied is foerageergebied voor deze soorten.

Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld binnen het plangebied. Bij gericht onderzoek naar vleermuizen is een essentiële vliegroute aangetroffen aan de oostzijde van de bebouwing binnen het plangebied. De groenstrook wordt door de gewone dwergvleermuis gebruikt als essentiële vliegroute tussen verblijfplaats en foerageergebied en maakt onderdeel uit van het functioneel leefgebied voor deze soort. Met de voorgenomen ingreep gaat deze huidige essentiële vliegroute verloren en daarom dient een alternatieve vliegroute te worden gerealiseerd. Men is voornemens om bij de ingreep ook verschillende groenstructuren te realiseren. Deze groenstructuren dienen zodanig ingericht te worden dat deze geschikt is voor vleermuizen om te gebruiken als vervanging van de bestaande essentiële vliegroute en dient bij voorkeur te worden gecreëerd nabij of parallel aan de originele vliegroute, zodanig dat energieverlies door omvliegen wordt beperkt. In het stedenbouwkundig plan, komt de huidige vliegroute te vervallen, echter worden verschillende nieuwe groenstructuren gerealiseerd. Dit wordt tevens geborgd in het bestemmingsplan, door de noord-zuid corridor langs de hoofdverbinding te bestemmen als ‘groen’. Bij de aanleg van beplanting moet onder andere rekening gehouden worden met de tijd die de beplanting nodig heeft om te kunnen functioneren.

Hierbij geldt dat de lijn voldoende dichtheid aan bomen moet hebben met ondergroei van struiken en een boomhoogte van minimaal 6 meter. Verder geldt dat er geen tijdelijke en permanente (bouw)licht op de vliegroute gericht mag worden. De vliegroute dient in elk geval geschikt te zijn voor vleermuizen in de periode april tot en met oktober. Wanneer dat niet mogelijk is dient alsnog een ontheffing op de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden voor vleermuizen.

Hoofdstuk 5

42

Grondgebonden zoogdieren Steenmarter Om de aanwezigheid van steenmarter te onderzoek is een gerichte schuurinspectie naar steenmarter uitgevoerd. Er zijn geen waarnemingen of sporen van steenmarter gevonden. Aanwezigheid van verblijfplaatsen van de steenmarter binnen het plangebied is uitgesloten. Amfibieën Heikikker en poelkikker Tijdens gericht onderzoek naar heikikker of poelkikker zijn er zijn geen individuen of eiklompen van deze soorten aangetroffen. Aanwezigheid van heikikker en poelkikker binnen het plangebied is daarmee uitgesloten. Vissen Grote modderkruiper Door middel van eDNA-bemonstering en vissen met een schepnet is gericht onderzoek gedaan naar grote modderkruiper. Er zijn geen DNA-materiaal of individuen aangetroffen. Aanwezigheid van grote modderkruiper binnen het plangebied is dan ook uitgesloten. Overige waarnemingen De spreeuw heeft nestplaatsen in de bebouwing (Bisschopsweg 4 te Bunschoten) binnen het plangebied. Met de voorgenomen ingreep gaan deze nestplaatsen verloren. De spreeuw is in principe voldoende flexibel om een nieuwe nestplaats te vinden en de omgeving biedt hiervoor voldoende mogelijkheid. Daarnaast is het nest van deze soort buiten het broedseizoen niet beschermd.

De buizerd heeft een nestplaats net buiten het plangebied, in een hoge populier aan de Amersfoortseweg 38 te Bunschoten, die niet direct wordt aangetast met de voorgenomen ingreep. De boom valt buiten het plangebied, maar tijdens de aanleg en het gebruik van het bedrijventerrein wel rekening mee gehouden moeten worden met het nest. Dit kan door aantasting met directe verlichting te voorkomen en door geluidsverstoring anders dan de autonome situatie te voorkomen. Als dit niet mogelijk is, dan zal een ontheffing voor verstoring aangevraagd moeten worden bij de Provincie Utrecht. De bastaardkikker en bruine kikker zijn binnen het plangebied gehoord en gezien. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling voor verstoring van het leefgebied, waardoor een ontheffing niet noodzakelijk is. Er zijn ten aanzien van overige soorten geen consequenties voor de geplande ingreep binnen of direct naast het plangebied. Wel dienen de voorwaarden ten aanzien van het broedseizoen (kwetsbare periode) en de zorgplicht in acht te worden genomen. Conclusie ecologie en stikstof De nest- en rustplaatsen en het foerageergebied van de huismus, en daarmee de volledige functionaliteit, zullen verloren gaan door de voorgenomen ingreep. Er is voor deze aantasting een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd en er dienen mitigerende maatregelen genomen te worden.

Deze zijn uitgewerkt in een projectplan welke bij de ontheffingsaanvraag is gevoegd.

Hoofdstuk 5

43

Verder zal, met inachtneming van bovenstaande maatregelen, het aspect ‘ecologie en stikstof’ geen belemmering vormen voor onderhavig initiatief.

4.7 Bodem Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming is met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Onderzoek In het plangebied wordt een verkennend en nader bodem- en verkennend asbest in grond- en puinonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is momenteel nog in uitvoering. Echter wordt onderstaand de stand van zaken van dit onderzoek uiteengezet. Het volledige onderzoek zal opgenomen worden in het ontwerpbestemmingsplan. Vooronderzoek Op basis van het vooronderzoek blijkt dat 1 verontreiniging binnen het plangebied aanwezig is, te weten ter plaatse van de Bisschopsweg 5. Het betreft een asbestverontreiniging met een omvang tussen 45 en 75 m³. Uit het vooronderzoek en de proefboringen volgen verder de volgende deellocaties: A. Verkennend bodemonderzoek, grootschalig onverdacht terrein; B. Voormalige druplijnen en asbestverdacht materiaal op het maaiveld; C. Voormalige tank nummer 5, de locatie is niet achterhaald; D. Waterbodems; E. Dam en rijpad; F. Dam; G. Puinverharding/fundering en dam; H. Dam met rijspoort; I. Dam; J. Ophoging; K. Dam; L. Ophoging; M. Slootopvulling; N.

Dam. De asbestverdachte deellocaties zijn weergegeven op de tekening in de memo, welke is opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting. Het is tevens niet geheel uitgesloten dan van nature verhoogde gehalten arseen voorkomen in het grondwater. Onderstaand worden de resultaten per deellocatie besproken. Deellocatie A en C verkennend bodemonderzoek Er zijn geen olie-water-reacties waargenomen die helderheid over de voormalige ligging van de tank kunnen geven. In boring 36 (binnen deellocatie E) is een sterk verhoogd gehalte PAK aangetoond. In

Hoofdstuk 5

44

boring 73 ter plaatse van een vuurton is sterk verhoogd gehalte nikkel aangetoond en zijn matig verhoogde gehalten zink en koper aangetoond. De verhoogde gehalten dienen als nieuw geval van verontreiniging te worden beschouwd. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. Deellocatie D De waterbodems vallen, behoudens vak 4, in de klasse ‘altijd toepasbaar’. Vak 4 is niet verspreidbaar over een aangrenzend perceel en zal dus separaat als klasse ‘industrie’ moeten worden afgevoerd. Deellocatie B Het maaiveld en 1 sleuf (2126) zijn verontreinigd met asbest boven de interventiewaarde. Binnen het plangebied is de verontreiniging afgeperkt. De spoedeisendheid van de sanering is nog in onderzoek. Deellocatie E Er is een puinverharding van volledig baksteen aangetroffen. Tot nu toe is er geen asbest boven de norm aangetoond. De PAK-verontreiniging (boring 36) is nog niet volledig in beeld. Deellocatie F Asbest is niet aangetroffen of aangetoond boven de grenswaarde voor nader onderzoek. In het mengmonster van de grond zijn sterk verhoogde gehalten minerale olie en PAK aangetoond (ten gevolge van de aanwezigheid van asfaltdeeltjes). Nader onderzoek naar de omvang is noodzakelijk. Deellocatie H, J, K, L, M en N Asbest is niet aangetroffen of aangetoond boven de grenswaarde voor nader onderzoek. Deellocatie G Er zijn twee funderingslagen aangetroffen.

De eerste aan het maaiveld en de tweede na een laag bodem tussen de 10 en 40 centimeter. Deze tweede laag van metselpuin is niet herbruikbaar op het gehalte PAK en/of minerale olie. Asbest is niet aangetroffen of aangetoond boven de grenswaarde voor nader onderzoek. Deellocatie I In 1 sleuf (2501) wordt de interventiewaarde voor asbest en PAK overschreden. Nader onderzoek naar de omvang is noodzakelijk. De spoedeisendheid van de asbestsanering is nog in onderzoek. Verontreinigingen Ondanks dat de omvang en/of spoedeisendheid nog niet (op alle deellocaties) volledig in beeld is, is wel duidelijk dat de volgende gevallen van verontreiniging aanwezig zijn: 1. Bisschopsweg 5, asbestverontreiniging; 2. Nieuw geval Bisschopsweg 3, zware metalen ten gevolge van brandton; 3. Deellocatie B, asbestverontreiniging; 4. Deellocatie E, PAK-verontreiniging; 5. Deellocatie F, minerale olie en PAK-verontreiniging; 6. Deellocatie I, asbest- en PAK-verontreiniging. Op deellocatie G is een verhardingslaag aanwezig, welke indicatief een niet-herbruikbare bouwstof betreft.

Hoofdstuk 5

45

Conclusie Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek een aantal deellocaties die aanvullend onderzoek vereisten (deellocatie hierboven beschreven). Ondanks dat de exacte omvang en ernst van deze bodemverontreiniging nog niet bekend is, kan gesteld worden dat (na de uitvoering van eventuele deelsaneringen) de bodemkwaliteit geschikt is voor het oprichten en in werking hebben van een bedrijventerrein.

4.8 Archeologie Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De wet is in de plaats van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) uit 2007 en de Monumentenwet uit 1988 gekomen. De Wamz was een wijzigingswet en regelde globaal genomen drie aspecten van de archeologische monumentenzorg: de financiering, de bestuurlijke besluitvorming en de archeologische uitvoering. Samen met de op 1 januari 2022 in te voeren Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het Nederlandse cultureel erfgoed mogelijk. In de Omgevingswet worden alle onderdelen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving samen gebracht. Tot de invoering van deze wet zullen alle over te nemen delen van de Monumentenwet uit 1988 van kracht blijven. Ze zijn opgenomen in het overgangsrecht in de Erfgoedwet. Met de inwerkingtreding van de Wamz zijn de belangrijkste bevoegdheden aangaande de archeologie bij de gemeente neergelegd. De gemeenteraad is op grond van de Monumentenwet verplicht bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Om dit te kunnen onderbouwen dient de gemeente er voor te zorgen dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen het gemeentelijk grondgebied bekend zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10391386/1