CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

SM 1162278 bijlage P02403 BP Kronkels-Zuid

Commissie Ruimte 8 september 2021, gemeente BunschotenBij agendapunt: Mededelingen en rapportage samenwerkingsverbanden32.791 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan De Kronkels-Zuid Gemeente Bunschoten Voorontwerp

Bestemmingsplan De Kronkels-Zuid Gemeente Bunschoten Voorontwerp

Rapportnummer:

P02403

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.0313.KronkelsZuid2100-0101

Datum:

29 juni 2021

Opdrachtgever:

Gemeente Bunschoten

Projectteam BRO:

RFe, MOo, NvH, JvdA

Concept:

juni 2021

Voorontwerp:

juni 2021

BRO Vestiging Amsterdam Sarphati Plaza Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam T +31 (0)20 506 19 99 E info@bro.nl

Toelichting

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Projectgebied 1.3 Leeswijzer

3 3 3 5

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Onderzoek 2.3 Nieuwe situatie 2.4 Beeldkwaliteit

6 6 7 7 12

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

13 13

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal en regionaal beleid

13 14 14 18

3.2.1 Omgevingsvisie Provincie Utrecht 3.2.2 Ontwerp Omgevingsverordening provincie Utrecht 2022 3.2.3 Regionaal programma wonen en werken Regio Amersfoort 3.3 Gemeentelijk beleid

18 21 25 26

3.3.1 Toekomstvisie Bunschoten 2015 (gemeentelijke structuurvisie) 3.3.2 Groenbeleidsplan

26 27

4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren 4.2 Geluidhinder 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.5 Externe veiligheid 4.6 Ecologie en stikstof 4.7 Bodem 4.8 Archeologie 4.9 Cultuurhistorie 4.10 Kabels en leidingen 4.11 Duurzaamheid 4.12 Geurhinder veehouderijen 4.13 Geur industriële emissies 4.14 M.e.r.-beoordeling

Inhoudsopgave

28 28 31 33 34 36 38 44 46 49 50 50 56 58 58

1

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Plansystematiek 5.2 Opbouw regels 5.3 Toelichting bij de regels

60 60 60 60

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

63 63 63

6.2.1 Vooroverleg 6.2.3 Inspraak 6.2.4 Vaststellingsprocedure

63 63 64

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Stikstofberekening Bijlage 2: Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 3: Memo verkennend & nader bodem- en verkennend asbest in grond- en Puinonderzoek Bijlage 4: (Afval)waterstructuurplan Bijlage 5: Mobiliteitstoets Bijlage 6: Archeologisch onderzoek (PM) Bijlage 7: Memo akoestisch onderzoek Bijlage 8: Externe veiligheid Bijlage 9: Luchtkwaliteit Bijlage 10: Quickscan flora & fauna Bijlage 11: Ecologisch veldonderzoek Bijlage 12: M.e.r.-aanmeldnotitie Bijlage 13: Nota van uitgangspunten duurzaamheid

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Haarbrug-Zuid is het recentst ontwikkelde bedrijventerrein in de gemeente Bunschoten. Dit bedrijventerrein is volledig uitgegeven. De behoefte aan nieuwe bedrijfsgrond is zeer urgent en vormt de aanleiding voor de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein, De Kronkels-Zuid ten zuiden van bedrijventerrein De Kronkels en ten westen van bedrijventerrein Haarbrug-Zuid. Daarnaast wil de gemeente verplaatsing mogelijk maken van enkele grote bedrijven uit o.a "De Zuidwenk" naar de zuidelijke bedrijventerreinen. De ligging van de Zuidwenk is zodanig dat binnen de kern verkeershinder en milieuhinder ontstaat (onder andere op de Oostelijke Randweg). De Zuidwenk kan vervolgens worden heringericht als nieuw woongebied. Conform de opgave heeft de gemeente het voornemen in totaal ca. 14 hectare netto bedrijventerrein, verdeeld in 2 fasen van elk 7 hectare te ontwikkelen. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied’ staat deze ontwikkeling niet toe, gezien de gronden in dit bestemmingsplan (voornamelijk) bestemd zijn voor agrarische doeleinden. De gemeente Bunschoten wil de ontwikkeling van het bedrijventerrein mogelijk maken door middel van een herziening van het juridisch-planologisch kader.

In voorliggend bestemmingsplan wordt de nieuwe bestemming voor de gronden binnen het plangebied wettelijk geregeld, waardoor nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan, waarbinnen de beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt.

1.2 Projectgebied De ontwikkeling van De Kronkels-Zuid is geprojecteerd aan de zuidzijde van de gemeente Bunschoten. Specifieker aangeduid wordt de noordgrens van het gebied begrensd door de Bisschopsweg en bedrijventerrein De Kronkels. De westzijde van het gebied wordt begrensd door het open polder landschap en de Eemlandhoeve, gelegen aan de Bisschopsweg 7 te BunschotenSpakenburg. De zuidgrens van het gebied grenst aan het open polderlandschap. De oostgrens van het gebied grenst aan de bedrijfswoningen en de bedrijfsbebouwing gelegen langs de Amersfoortseweg te Bunschoten-Spakenburg. Op de onderstaande luchtfoto’s is de globale ligging van het besluitgebied en zijn directe omgeving te zien. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de planverbeelding.

Hoofdstuk 5

3

DE KRONKELS

HAARBRUG ZUID

Figuur 1.1: Ligging plangebied ten opzichte van De Kronkels en Haarbrug Zuid

Bestemmingsplan Buitengebied Binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied’, dat is vastgesteld op 20 april 2017, geldt voor de projectlocatie voornamelijk de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ (artikel 3). Ter plaatse van de Bisschopsweg 3-5 zijn de bestemmingen ‘Wonen’ (artikel 15) en ‘Tuin’ (artikel 12) opgenomen. Verder zijn er dubbelbestemmingen opgenomen ten behoeve van Archeologie en een gasleiding. Ook is er ter plaatse van het gehele plangebied de gebiedsaanduiding ‘overige zonecultuurhistorisch waardevol gebied’ opgenomen en voor de noordelijke helft van het plangebied de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’. De beoogde ontwikkeling van een bedrijventerrein De Kronkels-Zuid past niet binnen de gebruiks- en bouwregels van het vigerende bestemmingsplan. Om deze redenen is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Onderhavig bestemmingsplan maakt het mogelijk om de gewenste planontwikkeling te realiseren en geeft de nieuwe kaders aan het plangebied.

Hoofdstuk 5

4

Figuur 1.2: Uitsnede Bestemmingsplan Buitengebied (vastgesteld 20 april 2017)

1.3 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

Hoofdstuk 5

5

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gesitueerd aan de rand van de bebouwde kom van Bunschoten. Het plangebied is momenteel overwegend agrarisch gebied, met aan de Bisschopsweg enkele woningen. Het plangebied maakt deel uit van polder De Haar. Het terrein grenst aan het polderlandschap van Arkemheen-Eemland. Een nationaal landschap dat grote kwaliteiten kent, maar dat in het tussengebied van Amersfoort-Bunschoten al een groot deel van zijn authentieke karakter verloren heeft. Met name de openheid die kenmerkend is voor dit type landschap is grotendeels verloren door de nabijheid van de snelweg, hoge woongebouwen en dominante bedrijfsbebouwing. Daar staat echter tegenover dat de tussenzone wel betekenis heeft als buffer tussen de beide kernen en als een verbindende schakel tussen de groengebieden. Het landschap van Polder de Haar bestaat uit een slagenverkaveling, langgerekte diepe kavels omgeven door ontwateringssloten en weteringen met een geregeld waterpeil. Ter plaatse van het projectgebied zijn de kavels hoofdzakelijk noord-zuid gericht. Er is sprake van een zeer open polderlandschap nagenoeg zonder groenopstanden en met zeer grote vergezichten door het buitengebied in westelijke en zuidelijke richting. De gronden van het projectgebied zijn hoofdzakelijk agrarisch in gebruik en bestaan uit natte graslanden geschikt voor beweiding door rundvee en schapen.

Langs de Bisschopsweg zijn halverwege het ontwikkelingsgebied enkele woningen gelegen. Het gebied direct ten oosten van het plangebied, ten westen van de Amersfoortseweg, bestaat uit een reeks percelen die bebouwd zijn met vrij diverse lintbebouwing. Tussen de bebouwing bevinden zich oude boerderijen, kleine oudere woongebouwen, een aantal villa's van recenter datum en bedrijfsbebouwing van uiteenlopende signatuur. De erven zijn naar de weg toe open, maar naar de achterzijde veelal dicht begroeid. Het doorzicht naar het achterliggende landschap is daardoor beperkt.

Figuur 2.1: Plangebied vanaf de Bisschopsweg (links) en vanaf de zuidoosthoek van het plangebied (rechts)

Hoofdstuk 5

6

2.2 Onderzoek Parallel aan de totstandkoming van het stedenbouwkundig plan zijn verschillende onderzoeken verricht. Deze onderzoeken zijn vroegtijdig aangevangen om daarmee mogelijke latere vertragingen te voorkomen. Daarnaast heeft de vroege start van de onderzoeken een positieve uitwerking gehad op het stedenbouwkundig plan, omdat sommige uitkomsten al konden worden meegenomen in de planopzet. Met name de contouren die volgden uit het onderzoek naar de milieuzonering en het onderzoek ten behoeve van de watertoets zijn voor de planvorming van belang geweest, evenals de conclusies uit het verkeersonderzoek. In hoofdstuk 4 is van alle onderzoeken een korte samenvatting opgenomen.

2.3 Nieuwe situatie De ontwikkeling van het bedrijventerrein wordt voor wat betreft de eerste fase aangezet vanaf de zijde van de Amersfoortseweg in westelijke richting. Hiermee krijgt de huidige bedrijfsbestemming langs de Amersfoortseweg op logische wijze in westelijke richting een vervolg. Conform de opgave is een stedenbouwkundige visie opgesteld voor in totaal ca. 14 hectare netto bedrijventerrein, verdeeld in 2 fasen van elk 7 hectare. De opgave is afgestemd met de provincie Utrecht. De Kronkels-Zuid fase 1 is opgenomen in de Kaders voor regionale programmering Wonen & Werken die op 30 september 2020 door provinciale staten zijn vastgesteld, hierbij wil de provincie groen licht geven voor de eerste fase van 7 hectare netto. Ter plaatse van de tweede 7 hectare wordt een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. De ontwikkeling van fase 2 is mogelijk nadat door middel van een onderbouwing van de Ladder van duurzame verstedelijking aangetoond is dat er sprake is van een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan het toe te voegen areaal met de bestemming 'Bedrijventerrein Structuur De structuur van de verkaveling is orthogonaal (rechthoekig) van opzet waarbij de richting van de huidige kavels en kavelsloten wordt gevolgd. Zowel wegen, openbaar groen als kavels zijn hierdoor voornamelijk noord-zuid georiënteerd.

Bepalend voor de ligging van de noord-zuid georiënteerde hoofdontsluitingsas is de ligging van een gasleiding van de Gasunie die vanaf de zijde van de Bisschopsweg in zuidelijke richting door het plangebied loopt. De ligging van deze leiding en die van de hoofdontsluitingsas markeert tegelijkertijd de grens van de eerste fase van 7 hectare netto bedrijfsterreinontwikkeling met die van de tweede fase. Daarnaast zijn secundaire ontsluitingswegen voorzien die zowel in noord-zuidrichting als oostwestrichting zijn gelegen. Deze zorgen voor de ontsluiting van percelen gelegen aan de Bisschopsweg en de Amersfoortseweg vanaf de achterzijde, maar vanzelfsprekend ook voor die van percelen gelegen midden op het bedrijventerrein. De mate waarin secundaire ontsluitingswegen worden aangelegd hangt daarnaast af van de behoefte naar en de verhouding van grotere en kleinere kavels. Een grote behoefte naar kleine kavels zal automatisch leiden tot een fijner raster aan secundaire wegen.

Hoofdstuk 5

7

Gekoppeld aan de ligging van de ontsluitingswegen wordt voorzien in de berging van hemelwater door middel van de aanleg van nieuwe weteringen die van noord naar zuid langs de ontsluitingsassen worden aangelegd. Aan de zijde van de Amersfoortseweg wordt gebruik gemaakt van een bestaande wetering met geregeld peil. Deze wetering watert af naar de ten zuiden van het ontwikkelingsgebied gelegen landschappelijke inpassingszones met voldoende ruimte voor waterberging. De landschappelijke inpassingszones zijn voorzien aan de zuid- en westrand van het bedrijventerrein. Deze randzone voorziet naast de inpassing in het landschap tevens in de berging van hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak van het bedrijventerrein en in de voortzetting van een recreatieve route vanaf Haarbrug-Zuid in westelijke richting rond het bedrijventerrein richting de Bisschopsweg. Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer Voor gemotoriseerd verkeer is het gehele bedrijventerrein ontsloten en na aanleg van fase 2 bereikbaar via de twee aansluitingen aan de Amersfoortseweg en Bisschopsweg. Aan de zijde van de Amersfoortseweg wordt gedurende fase 1 aangesloten op de bestaande rotonde met Haarbrug-Zuid (Neerduist) en een calamiteitenontsluiting op de kruising Bisschopsweg – De Kronkels.

Deze laatste is regulier afgesloten voor autoverkeer, maar kan worden open gesteld in geval van calamiteiten en wanneer de rotonde in de Amersfoortseweg hierdoor niet kan worden benut. Mobiliteitsonderzoek wijst uit dat de rotonde geschikt is voor het extra verkeer afkomstig van het toekomstig bedrijventerrein De Kronkels-Zuid tijdens de ontwikkeling van fase 1. Als gevolg van autonome groei van het verkeer in het algemeen zullen wel aanpassingen aan de rotonde nodig zijn wanneer fase 2 in beeld komt. Bij realisatie van fase 2 wordt eveneens voorzien in een volwaardige ontsluiting richting de kruising Bisschopsweg – De Kronkels. Langzaam verkeer Voor fiets en voetganger wordt ten dienste van de bereikbaarheid een uitgebreid netwerk aangelegd. Zo wordt de hoofdontsluitingsstructuur van het terrein voorzien van een eenzijdig twee-richtingen fietspad. Op de overige wegen mengt het fietsverkeer met het gemotoriseerd verkeer. Deze fietspadenstructuur volgt die van de hoofdontsluitingsstructuur en takt bij zowel de rotonde in de Amersfoortseweg als de kruising met de Kronkels aan op het omliggende fietsnetwerk. Voor fietsverkeer is de ontsluiting richting de Kronkels in fase 1 volledig operationeel. Voor de voetgangers worden langs alle wegen minimaal een eenzijdig voetpad aangelegd.

Daarbij wordt gestreefd naar aansluiting van de looproute zo dicht mogelijk bij de ov-halte aan de Amersfoortseweg zodat lange looplijnen worden voorkomen. Naast de formele structuur voor fiets en voetganger wordt langs de randen van het bedrijventerrein een informele recreatieve route aangelegd die zowel voor fiets als voetganger toegankelijk is. Dit onder andere ter bevordering van het pauzeommetje. Parkeren Op het bedrijventerrein zijn geen parkeerplaatsen opgenomen in het openbaar gebied. Alle parkeerplaatsen en opstelplekken voor vrachtverkeer dienen of op eigen terrein te worden gerealiseerd, of om parkeren op de openbare wegen tegen te gaan op een collectief beheerde opstelplek die onder het toezicht valt van het parkmanagement. In het stedenbouwkundig plan is ter indicatie een centraal gelegen collectieve parkeervoorziening opgenomen. De maatvoering (33 meter breed) daarvan is zodanig dat personenauto’s hier in twee volwaardige opstelstroken geparkeerd

Hoofdstuk 5

8

kunnen worden en de inrichting eveneens geschikt gemaakt kan worden voor de stalling van vrachtauto’s. Via de gronduitgifte krijgen bedrijven per elke 600 m2 perceeloppervlakte één parkeerplaats in deze koffers toebedeeld. De aanduiding van de parkeervoorzieningen op de kaart van het stedenbouwkundig plan is overigens indicatief. De exacte positie en omvang van de collectieve parkeervoorzieningen kan in een later stadium worden bepaald en afgestemd op de concrete behoefte. In het bestemmingsplan is de mogelijkheid opgenomen om collectieve parkeervoorzieningen te realiseren, de exacte locatie is niet aangegeven. Parkeren op eigen terrein is verplicht. Een beperkt deel kan worden gerealiseerd op het voorterrein. Deze kan met een maat van 13 meter ruimte bieden aan een erfontsluiting en een rij haakse parkeerplaatsen, bijvoorbeeld voor bezoekersparkeren. De overige benodigde parkeerplaatsen dienen elders op het eigen terrein gerealiseerd te worden. Een hoogwaardige parkeeroplossing is daarbij het uitgangspunt. Gedacht kan worden aan parkeren op het dak van de bedrijfsgebouwen, in een verdiepte of halfverdiepte parkeergarage of in een separaat aangelegde parkeervoorziening over meerdere lagen. Kleinere bedrijven kunnen aan dit uitgangspunt tegemoet komen door zich te verenigen en gezamenlijke parkeervoorzieningen te treffen.

In de planregels is een parkeernorm opgenomen voor diverse functies. Dit betreft een minimum aantal te realiseren parkeerplaatsen. Groenstructuur De groenstructuur van het bedrijventerrein bestaat hoofdzakelijk uit een brede landschappelijke zone langs de zuid- en westrand en laanbeplantingen langs ontsluitingswegen. Langs de buitenrand van het bedrijventerrein zijn waterpartijen vormgegeven in lijn met de sloten- en verkavelingsstructuur van de polder. De sloten worden benadrukt door losse bomen en boomgroepen die enerzijds het zicht op de bebouwing camoufleren en anderzijds de recreatieve route begeleiden. Door te werken met losse structuren blijft het open karakter hier bestaan. Langs de zuid- en westzijde zal enkel lage beplanting worden aangeplant in verband met omliggend weidevogelgebied. Dit is tevens geborgd in de planregels. Op het bedrijventerrein zelf zorgen bomenrijen voor structuur. Langs de hoofdontsluiting zorgt een profiel met groenstrook en watergang voor een duidelijke as. In het kader van bestaande vleermuisroutes (zie paragraaf 4.6) zal deze as tevens fungeren als vliegroute voor vleermuizen richting het open weidegebied. Door het toepassen van heestergroepen en enkele bomen ontstaat er een gevarieerde opbouw van beplantingen, wat de diversiteit ten goede komt.

Langs de secundaire wegen zorgt een laanbeplanting zonder onderbegroeiing voor een groene begeleiding. Op de bedrijfspercelen dient 10% van het oppervlak met groen te worden ingericht. Voor de berekening van deze maat van minimaal 10% mag al het buitenpandige groen op het perceel worden meegenomen, zoals beplanting op het dak en beplanting op de buitenwanden. Dit onderdeel is geborgd in de planregels van onderhavig bestemmingsplan. Watersysteem In het kader van de berging en afvoer van hemel- en afvalwater is gerekend aan de capaciteit van het bestaande persleidingsysteem dat rondom Bunschoten ligt. De capaciteit van deze persleiding is beperkt. Door RHDHV is in opdracht van de gemeente een onderzoek uitgevoerd naar de capaciteit en mogelijkheden van dit systeem. Dit rapport is opgenomen in de bijlagen van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5

9

Uit dit onderzoek is gebleken dat De Kronkels-Zuid met haar vuilwater kan worden aangesloten op deze persleiding mits elders in de kern Bunschoten versneld wordt afgekoppeld en de afvoer van hemelwater van verharde terreinen (privé en openbaar) en daken binnen het ontwikkelingsgebied wordt afgevoerd en geborgen. Op dit moment bestaat die noodzaak nog niet, maar op deze wijze ontstaat er op termijn voldoende capaciteit binnen het bestaande stelsel voor de opvang en afvoer van vuil water. Daarnaast speelt het waterschap nog met de optie om een nieuw inprikpunt te gaan maken richting het zuiden (Loodijk). De afvoer van hemelwater zal hoofdzakelijk plaatsvinden via de noord-zuid gesitueerde 5 meter brede nieuw aan te leggen weteringen. Deze weteringen staan, met uitzondering van de meest oostelijk gelegen bestaande wetering, rechtstreeks in verbinding met in de zuidelijke rand gelegen waterberging voor de opvang van stedelijk hemelwater. Op de meest oostelijk gelegen bestaande wetering is peilbeheer van het Waterschap aanwezig voor de houten paalfunderingen van enkele gebouwen aan de Amersfoortseweg. Onbekend is of peilbeheer in verband met recente ontwikkelingen nog immer noodzakelijk is. Deze wetering wordt omwille van capaciteitsvergroting eveneens verbreed tot 5 meter en wordt middels een V-stuw aangesloten op de zuidelijk gelegen stedelijke waterberging.

Samen met Waterschap Vallei en Veluwe is onderzocht hoe voor het nieuwe gebied een goede (afval)waterhuishouding kan worden gemaakt. Eerst is de bestaande situatie in kaart gebracht. Vervolgens is bepaald hoe kan worden voldaan aan de wettelijke zorgplicht rondom de thema’s afvalwater, hemelwater, grondwater, oppervlaktewater. Het resultaat is dat kaders voor de toekomstige waterstructuur zijn geschetst. Voor het thema afvalwater moet samen met waterschap nog nader onderzoek plaatsvinden om te bepalen welke variant voor het waterschap het beste kan worden gerealiseerd. De keuze heeft nog relatie met andere onderzoeken die spelen rondom de afvoer van afvalwater richting de rioolwaterzuivering Amersfoort. In het kader van klimaatadaptatie biedt klimaatadaptief bouwen kansen bij de aanleg van nieuwe infrastructuur, nieuwbouw en energievoorzieningen. Bedrijventerreinen zijn bij uitstek geschikt om klimaatadaptief in te richten. Groenblauwe bedrijventerreinen kunnen zo een geleidelijke overgang vormen tussen stedelijk gebied en landelijk gebied. Met kleine en betaalbare maatregelen kan al een verrassend groot effect waargemaakt worden. Volgens de keur en afvoernormenkaart van Waterschap Vallei en Veluwe mag niet meer dan 26 mm/24 uur afgevoerd worden naar het watersysteem.

Bij hevige neerslag (1/100 jaar, 86 mm in 24 uur) is er daarom bergingscapaciteit van minimaal 60 mm in het plangebied nodig1. Bovendien stelt de keur van het waterschap dat er door de nieuwe functie van het terrein geen negatieve effecten op grondwaterstand ontstaan (verdroging of vernatting). Het gemeentelijk rioleringsplan van de gemeente Bunschoten (i.s.m. gemeente Amersfoort) 2 stelt dat in bestaand en nieuw stedelijk gebied van bedrijven wordt verwacht dat zij bijdragen aan het afkoppelen van hemelwater door het gescheiden aanleveren van afval- en hemelwater . Bij nieuwe ontwikkeling van grote bedrijfspercelen wordt zo veel mogelijk hemelwater op eigen terrein vastgehouden, door infiltratie, regenwaterbuffers en beperking van ondoorlatende verharding, om zo de piekafvoer tijdens hevige neerslag zo veel mogelijk te beperken.

1 2

Rapport waterstructuur de Kronkels Zuid, Royal Haskoning DHV, 2018 Gemeentelijk Rioleringsplan 2012 – 2021 – Amersfoort

Hoofdstuk 5

10

Kavelmaten Het stedenbouwkundig plan (zie afbeelding) laat een indicatieve verkaveling zien met een grote differentiatie aan kavelmaten. Bij de uitgifte zal zoveel mogelijk worden ingespeeld op de behoeften uit de markt op dat moment. Het is daarbij de bedoeling dat langs met name de zuid en westrand van het terrein de grotere kavels met grotere gebouwvolumes zullen worden gepositioneerd en dat de kleine kavels en bedrijfsverzamelgebouwen zoveel mogelijk op het binnengebied tussen de buitenste zones (zuid- en westrand en zones Bisschopsweg en Amersfoortseweg) een plek zullen krijgen. Hiermee wordt voorkomen dat langs de buitenranden een te gedifferentieerd en rommelig beeld van verschillende gebouwvolumes ontstaat. Bouwhoogte De hiervoor beschreven zonering van kavelmaten, groot aan de buitenrand en klein op het midden van het bedrijventerrein resulteert in een situatie waarbij de hogere gebouwen zich langs de randen van het terrein bevinden en de lagere op het midden van het terrein. Evenwel zal op het gehele bedrijventerrein een constante bouwhoogte van 15 meter zijn toegestaan met een afwijkingsmogelijkheid naar 20 meter. Het stedenbouwkundig plan is opgenomen in figuur 2.2.

Figuur 2.2: Stedenbouwkundig plan

Hoofdstuk 5

11

2.4 Beeldkwaliteit Voor het planvoornemen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan, dat als bijlage bij de regels van voorliggend bestemmingsplan geldt, voorziet in specifieke uitgangspunten voor de inrichting en voor de welstandtoetsing.

Hoofdstuk 5

12

3.

BELEIDSKADER Op bestuurlijk niveau zijn beleidsuitspraken geformuleerd welke onder meer betrekking hebben op het plangebied. Dit hoofdstuk bevat een korte samenvatting van de voor het bestemmingsplan van belang zijnde nota's en studies. Het milieubeleid, dat is vastgelegd in diverse wetten en waarvoor specifiek onderzoek is uitgevoerd, is opgenomen in hoofdstuk 4.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Deze is vastgesteld op 9 september 2020. De NOVI is vastgesteld op grond van de huidige regelgeving (dus als structuurvisie) en zal bij inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden als Nationale omgevingsvisie in de zin van de Omgevingswet. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die met uitzondering van paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone is komen te vervallen. Daarnaast vervangt de NOVI delen van het Nationaal Waterplan, de Natuurvisie en het Nationaal Milieubeleidsplan. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving.

Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio’s;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen.

Hoofdstuk 5

13

Doorwerking plangebied Onderhavige ontwikkeling treft geen nationaal belang. Geconcludeerd kan worden dat de NOVI geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de NOVI die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Doorwerking plangebied Zoals reeds in paragraaf 3.1.1 is geconcludeerd treft onderhavige ontwikkeling geen nationale belangen. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.

Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zee-haventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Voor de voorgenomen ontwikkeling van De Kronkels-Zuid is onderzocht of en op welke manier de toevoeging van ca. 14 ha bedrijventerrein in de gemeente Bunschoten te verantwoorden is vanuit de methodiek van de Ladder.

De volledige ladderonderbouwing is opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. De ontwikkeling van 14 ha bedrijventerrein De Kronkels-Zuid in de gemeente Bunschoten betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit blijkt uit de volgende gegevens:  Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. De Kronkels-Zuid kan onder deze definitie worden geschaard,

Hoofdstuk 5

14

 

aangezien er meer bebouwing mogelijk wordt gemaakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Het plangebied heeft in de vigerende bestemmingsplannen een agrarische bestemming. Er is sprake van een stedelijke ontwikkeling indien het plan voor bedrijventerreinen voorziet in de toevoeging van een gebouw, waarbij de ondergrens van de toevoeging ‘in beginsel’ 500 m² bvo is. Aangezien het om de toevoeging van ca. 14 ha uitgeefbaar bedrijventerrein gaat met een bebouwingspercentage van minimaal 60% kan het initiatief worden gekwalificeerd als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’.

Passend binnen behoefte van het ruimtelijke verzorgingsgebied De behoefte aan bedrijfskavels dient te worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van het betreffende bedrijventerrein. Hierbij zijn de aard en omvang van de ontwikkeling leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. De Kronkels-Zuid wordt gerekend tot het verzorgingsgebied van de Regio Amersfoort, bestaande uit de gemeenten Amersfoort, Baarn, Bunschoten, Eemnes, Leusden, Soest, Woudenberg en de Gelderse gemeenten Barneveld en Nijkerk. In het ‘Concept Regionaal Programma’ heeft de gemeente Bunschoten en daarmee ook De Kronkels-Zuid een lokale opvangfunctie, dat wil zeggen voor bedrijven, die nu reeds gevestigd zijn in Bunschoten. De Economische en Toeristische Visie 2021-2024 van de gemeente sluit aan op het Concept Regionaal Programma. In de Visie kiest de gemeente voor het versterken en stimuleren van de lokale bedrijvigheid en werkgelegenheid in de regionale en provinciale context. In de ‘Economische en toeristische visie 2021-2024’ is de ontwikkeling van de locatie De Kronkels Zuid opgenomen. De ontwikkeling van De Kronkels-Zuid past binnen de Ladder, omdat er wordt voorzien in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte binnen het ruimtelijke verzorgingsgebied.

Het feitelijke verzorgingsgebied van De Kronkels-Zuid beperkt zich vrijwel geheel tot bedrijven die thans reeds gevestigd zijn in Bunschoten. De door de gemeente geregistreerde belangstelling voor vestiging op De Kronkels-Zuid of elders in Bunschoten is vrijwel uitsluitend afkomstig van bedrijven die reeds in Bunschoten zijn gevestigd. De bedrijven hebben een gemotiveerde voorkeur voor verplaatsing of uitbreiding binnen Bunschoten en geven aan bij voorkeur niet naar een andere gemeente te verplaatsen. Kwantitatieve behoefte Er is sprake van een kwantitatieve behoefte aan bedrijventerrein op De Kronkels-Zuid. Bij de gemeente zijn aanvragen van ondernemingen bekend die sommeren tot meer dan 12 ha. (exclusief transformatie De Zuidwenk). De verwachte regionale ruimtevraag (in ha) is in 2030 naar verwachting groter dan het huidige harde planaanbod (in ha). Binnen de gemeente Bunschoten is thans geen bedrijventerrein meer uitgeefbaar. Hierbij is het volgende van belang:  De kwantitatieve ruimtevraag in de regio is in de ‘Prognose bedrijventerreinen provincie Utrecht’, 2019 berekend op 84 ha (WLO-hoog scenario) tot en met 2030.  Het beschikbaar aanbod in de regio is berekend op 28 ha. Dit is onvoldoende om te kunnen voorzien in de verwachte ruimtevraag t/m 2030. Dit is een indicatie voor een aanvullende behoefte aan voldoende bedrijfskavels.

Hoofdstuk 5

15

 

De ‘bandbreedte nieuw terrein’ is berekend op 7 – 22 ha. Voor De Kronkels-Zuid is 7 ha (fase 1) opgenomen (‘realisatie deel regionaal programma’) en de resterende 7 ha (fase 2) als ‘pijplijn regionaal programma’, waarvoor nog afstemming binnen de regio en met provincie nodig is. Fase 1 van De Kronkels-Zuid is reeds programmatisch voorzien en leidt daarmee niet tot een overschot aan harde plancapaciteit. Voor fase 2 van De Kronkels-Zuid is een wijzigingsbevoegdheid in het Concept-voorontwerp bestemmingsplan voorzien. Fase 2 leidt daarmee niet tot een overschot, aangezien fase 2 pas ontwikkeld wordt nadat er een acute behoefte is gebleken en in de jaarlijkse herijking van het bedrijventerreinenprogramma van de provincie en regiogemeenten overeenstemming is bereikt over het in ontwikkeling nemen van fase 2. Daarmee is er in kwantitatieve zin voldoende ruimte voor de ontwikkeling van De Kronkels-Zuid en is geborgd, dat de ontwikkeling van de tweede fase van De Kronkels-Zuid niet tot overcapaciteit zal leiden.

Kwalitatieve behoefte Ten aanzien van de kwalitatieve behoefte zijn de volgende factoren voor De Kronkels-Zuid van belang:  De bedrijventerreinen in Bunschoten hebben op de eerste plaats een lokale functie, dat wil zeggen zijn gericht op de lokale, reeds in Bunschoten gevestigde of in Bunschoten opgerichte of nog op te richten bedrijven.  Deze oriëntering is in het lokale ondernemerschap herkenbaar, wordt door de gemeente onderschreven in de ‘Economische en Toeristische Visie 2021-2024’ en is in het regionale en provinciale beleid conform verankerd.  De bij de gemeente bekende behoefte aan bedrijventerrein en zoals deze ook uit het Behoefteonderzoek van 2018 en voorliggende actualisatie is gebleken betreft de vraag naar bedrijfslocaties van uitsluitend Bunschotense bedrijven, een enkele uitzondering daargelaten.  Er is tot op heden bij de gemeente Bunschoten weinig tot geen belangstelling bekend van bedrijven van buiten Bunschoten voor vestiging op De Kronkels-Zuid of elders in Bunschoten op bestaand vastgoed. Dit ondanks de goede ligging en ontsluiting van de bedrijventerreinen en van De Kronkels-Zuid ten opzichte van de autosnelweg A1, Amsterdam-Enschede-Duits achterland.

 De ligging van De Kronkels-Zuid direct aan de autosnelweg is voor veel Bunschotense bedrijven van belang, met name vanuit bijvoorbeeld de ambulante en groothandelsbedrijven, maar ook vanuit de (metaal-)industrie.  De lokale economie kenmerkt zich door een sterk industrieel en handelskarakter, met accenten in de metaal, de vishandel en –industrie, food (brood) en ambulante handel. Deze sectoren stellen specifieke eisen aan de inrichting van de bedrijfspanden, de onbebouwde- en buitenruimte, zoals bijvoorbeeld koel/vries en opslagfaciliteiten en voldoende manoeuvreer en parkeerruimte. Daarbij kan de gewenste kavelgrootte variëren van slechts enkele honderden meters tot een hectare. De indeling van De Kronkels-Zuid voorziet in de optimalisering en intensivering van het gebruik van het terrein door deze (en andere) sectoren in de vorm van: o Individuele kavels met of zonder zichtlocatie; o Kavels tussen de 0,3 ha en 1 ha ten behoeve van de Bunschotense metaal- en assemblage industrie; o Minimaal bebouwingspercentage (in het concept voorontwerp bestemmingsplan) van 60%; o Mogelijkheid voor de bouw van gecombineerde bedrijfspanden (bedrijfsverzamelgebouwen of complex geschakelde hallen);

Hoofdstuk 5

16

De aanleg van zogeheten parkeerkoffers in de openbare ruimte voor optimaal ruimtegebruik door bijvoorbeeld de ambulante handel en groothandel. De vraag naar kavels in Bunschoten komt voort uit het maximaal benutten van de huidige kavel en het bedrijfspand, waardoor er op de huidige vestigingsplaats geen mogelijkheden zijn voor verdere groei. De leegstand aan bestaand bedrijfsvastgoed in Bunschoten is beperkt en bevindt zich in voor de onderzochte periode 2018-2021 op of onder frictieniveau. Het merendeel van de beschikbare objecten wordt te huur aangeboden. Verplaatsing van bedrijven naar De KronkelsZuid zal er naar verwachting toe leiden, dat het vrijkomen bedrijfsvastgoed weer spoedig heringevuld zal worden. Aangezien verdere uitbreidingsruimte binnen het stedelijk gebied ontbreekt, is een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied te motiveren. o

Aanvaardbare ruimtelijk-functionele effecten bedrijventerrein De lokale economie van Bunschoten is sterk en wordt gekenmerkt door een grote mate van ‘zelfredzaamheid’. Het aantal mkb-familiebedrijven is hoog, terwijl het aantal bedrijfsfaillissementen, maar ook de geregistreerde werkloosheid aanzienlijk lager ligt dan in regionale of landelijke vergelijking. Kenmerkende Bunschotense sectoren, zoals brood- en bakproducten, visverwerking en handel en metaal- en assemblage-industrie hebben sterke wortels in de gemeente. Deze sterke binding aan de gemeente heeft meerdere (positieve) effecten:  De Kronkels-Zuid kan optimaal worden ingericht naar de specifieke behoefte van de ondernemingen en er kan clustering toegepast worden, waardoor maximaal intensief gebruik gemaakt kan worden van de beschikbare oppervlakte, zowel in de private als in de publieke ruimte;  Clustering van bedrijven op De Kronkels-Zuid biedt de mogelijkheid het netwerk tussen ondernemers verder te maximaliseren, waarmee ook de feitelijke en het gevoel van lokale binding nog verder wordt versterkt. Bij het arbeidsaanbod in Bunschoten is ruime kennis, ervaring en oriëntering aanwezig op de kenmerkende branches binnen de gemeente. Dit leidt zowel tot een versterking van de concurrentie- en productiekracht van de bedrijven, maar ook aan de economische binding van de bedrijven aan Bunschoten.

Clustervorming in combinatie met het lokaal sociaal netwerk zorgt voor een sterke koppeling tussen kennis en ervaring en verjonging, innovatie en vernieuwing.  De Kronkels-Zuid voorkomt dat de Bunschotense bedrijven met specifieke vestigingseisen zich gedwongen zien ‘uit te waaieren’ over meerdere locaties in de regio of zelfs daarbuiten. Deze verplaatsingen kunnen een ongewenst effect hebben op bijvoorbeeld: o De binding met de lokale arbeidsmarkt en daar aanwezige waardevolle kennis- en ervaring; o Suboptimale ruimte-intensieve invulling van de bedrijfskavel op het betreffende bedrijventerrein in de regio; o Onvoldoende aansluiting op of mogelijk verstoring van het specifieke functionele concept van het betreffende bedrijventerrein in de regio. De regionale programmering van provincie en regiogemeenten beoogt het vergroten van de uitvoeringssnelheid van het beleid en de vaardigheid snel in te kunnen spelen op de veranderingen in de economie en op wensen van ondernemingen. De ontwikkeling van De Kronkels-Zuid fase 2 versterkt dit, door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid voor het deel fase 2 in het concept voorontwerp bestemmingsplan. Hiermee wordt voorkomen dat onnodig overcapaciteit aan bedrijventerrein in de regio ontstaat met een negatief effect op de markt voor bedrijfskavels, en

Hoofdstuk 5

17

tegelijkertijd dat bij aangetoonde behoefte snel in aanbod kan worden voorzien (voorkomen ondercapaciteit). Gesitueerd buiten bestaand stedelijk gebied Wanneer de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied is gepland, moet volgens artikel 3.1.6 lid 2 Bro worden gemotiveerd waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Daarbij spelen de beschikbaarheid en geschiktheid van locaties binnen bestaand stedelijk gebied een rol. Binnen het stedelijk gebied van de gemeente Bunschoten is geen ruimte beschikbaar voor de beoogde extra oppervlakte aan bedrijventerrein. De provincie Utrecht en de regiogemeenten hechten grote waarde aan het ruimte-intensief benutten van de bedrijventerreinen en, waar mogelijk komen tot het creëren van ruimtewinst op de bestaande terreinen. In het ‘Concept Regionaal Programma’ is voor Bunschoten 2 ha transformatie opgenomen op Zuidwenk met een vervangingsvraag van 1,6 ha. Er is geen pilot-terrein uit Bunschoten opgenomen voor de verkenning van de ambitie voor intensivering van het ruimtegebruik. De bedrijventerreinen in Bunschoten worden reeds intensief benut. Uitbreidingsvragen van bedrijven zijn derhalve aangewezen op nieuw bedrijventerrein. De effecten van de ontwikkeling De Kronkels-Zuid zijn ruimtelijk aanvaardbaar:  De Kronkels-Zuid sluiten aan op het bestaande bedrijventerrein De Kronkels en Haarbrug Zuid.

 De aard en schaal van De Kronkels-Zuid zijn een passende aanvulling op het bestaande productiemilieu.  Het huidige harde planaanbod, alsmede de leegstand van bestaand vastgoed, is onvoldoende om te voorzien in de ruimtevraag t/m 2030.  Op de ontwikkeling van De Kronkels-Zuid is een wijzigingsbevoegdheid van toepassing. In combinatie met de jaarlijkse herijking van het regionale werkprogramma is het bevorderen van intensief ruimtegebruik en het voorkomen van een overschot aan bedrijventerrein geborgd. Derhalve treden er naar verwachting geen ruimtelijk onaanvaardbare leegstandseffecten op bij uitbreiding van het aanbod en voldoet de beoogde ontwikkeling aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Provincie Utrecht Op 10 maart 2021 is de nieuwe Omgevingsvisie Provincie Utrecht vastgesteld. In de visie staan de onderstaande zeven beleidsthema’s als zijnde beleidskeuzen en ambities. Zoals in de afbeelding hierboven te zien is loopt het onderwerp ‘Gezonde en veilige leefomgeving’ door de zeven thema’s heen, dit onderwerp vormt dan ook de rode draad die alle verschillende thema’s verbindt. Hieronder worden de diverse thema’s toegelicht gericht op wat relevant is voor planologische ontwikkelingen.

Hoofdstuk 5

18

Stad en land gezond:  “2050: wij streven naar een gezonde en veilige leefomgeving: de milieukwaliteit is goed, de veiligheid is gewaarborgd, bewegen wordt gestimuleerd, er zijn voldoende ontspannings- en ontmoetingsmogelijkheden en iedereen doet mee.  2040: voor bestaande woningen en andere geluidgevoelige gebouwen streven we naar het niet verder toenemen van de geluidhinder; een geluidsbelasting van maximaal 60 dB is, gegeven de huidige infrastructuur, acceptabel.  2040: wij hebben voldoende stiltegebieden.  2040: wij streven er naar de toename van risico’s van opslag en transport van gevaarlijke stoffen en van straling door hoogspanningslijnen te beperken, evenals geur- en geluidhinder door industriële bedrijven en lichthinder.” Klimaatbestendig en waterrobuust:  “2050: het bodem- en watersysteem (zowel grondwater als oppervlaktewater) is blijvend robuust en kan veerkrachtiger omgaan met grote hoeveelheden neerslag en droogte. Hier werken wij continu aan.  2050: de ondergrond en het bodem- en watersysteem worden duurzaam gebruikt, waarbij gebruik en functies van de ondergrond en het bodem- en watersysteem in samenhang met de bovengrondse opgaven worden bekeken, zodat de juiste functie op de juiste plek ligt.  2050: wij hebben op een veilige en verantwoorde manier de duurzame energie die het bodem- en watersysteem levert zo optimaal mogelijk benut.

 2050: nieuwe opkomende stoffen, zoals medicijnresten, microplastics en PFAS, in het grond- en oppervlaktewater zijn integraal onderdeel van het waterkwaliteitsbeleid.  2040: wij zorgen dat er altijd voldoende en schoon drinkwater is, zelfs wanneer zich een extreme groei van de drinkwatervraag zou voordoen. Besparen van drinkwater en voorkomen van verspilling van grondwater zijn daarbij essentiële randvoorwaarden.  2027: wij voldoen aan de doelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW-doelen)” Duurzame energie:  “2050: de provincie Utrecht is zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2050 CO2-neutraal.  2030: minimaal 55% van het elektriciteitsgebruik in de provincie Utrecht wordt hernieuwbaar opgewekt. De energievoorziening is afkomstig uit duurzame bronnen op het eigen grondgebied.

Hoofdstuk 5

19

 

Daarbij zijn de duurzame energiebronnen met oog voor de Utrechtse kwaliteiten gerealiseerd en draagt de inpassing ervan zo veel mogelijk bij aan andere doelen. 2030: de provincie Utrecht heeft samen met partners haar bijdrage geleverd in onder andere de Regionale Energiestrategieën om aan de afspraken in het nationale Klimaatakkoord te voldoen. 2030: geschikte daken worden zoveel als mogelijk benut voor energie opwekken en/of klimaatadaptatie.”

Vitale steden en dorpen:  “2050: Het realiseren van circulaire woningen of woonwijken.  2040: een sterke provincie met een duurzaam, gezond en divers woon- en leefklimaat.  2040: behoud en versterking van de inclusiviteit van de Utrechtse samenleving, zodat alle inwoners kunnen wonen, werken of ontmoeten waar en wanneer zij dat wensen.  2040: iedereen die in de provincie Utrecht wil wonen kan beschikken over passende woonruimte. Dit betekent onder andere een voldoende aanbod aan woningen in het sociale en middeldure segment.  2040: behoud en versterking kwaliteit van de woonomgeving; gevarieerd en met aandacht voor de openbare ruimte met groen en blauw en ruimte om te bewegen en laagdrempelige en goed bereikbare voorzieningen.  2040: het realiseren van energieneutrale woningen of woonwijken.  2030: alle nieuwbouw in de provincie Utrecht gebruikt 50% minder primaire abiotische grondstoffen” Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar:  “2040: de provincie Utrecht is goed bereikbaar per fiets, openbaar vervoer en auto in een gezonde en verkeersveilige omgeving. Dit is essentieel voor een vitale Utrechtse regio.

 2040: alle belangrijke nieuwe en bestaande woon- en werklocaties en sociaal-recreatieve voorzieningen binnen de provincie Utrecht zijn op een ruimte-efficiënte, duurzame, gezonde en veilige manier bereikbaar.” Levend landschap, erfgoed en cultuur  “2050: bij ontwikkelingen is voortgebouwd op de kernkwaliteiten van onze karakteristieke landschappen. Aardkundige waarden zijn zichtbaar in het landschap.  2030: bestaande en nieuwe aardkundige monumenten vertellen het verhaal van het aardkundig erfgoed en dragen bij aan de recreatieve beleving van het landschap.  2030: alle gemeenten hebben initiatieven ontplooid die ten goede komen aan de kernrandzone.” Toekomstbestendige natuur en landbouw  “2050: de provincie Utrecht heeft een robuust klimaatbestendig natuurnetwerk van hoge kwaliteit.  2050: binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN), in zowel het landelijk als het stedelijk gebied, is er in 2050 een gunstige staat van instandhouding van beschermde en bedreigde flora en fauna, en is de biodiversiteit ten opzichte van 1990 toegenomen.  2050: de natuur heeft een hoge belevingswaarde en er is een grote maatschappelijke betrokkenheid bij natuur.  2040: in totaal is 3.000 ha natuur in de Groene contour gerealiseerd en toegevoegd aan het NNN.  2040: houtopstanden dragen bij aan schone lucht, landschappelijke kwaliteit, hogere biodiversiteit en CO2-vastlegging.

 2028: alle nieuwe natuur die nog nodig is voor het Natuurnetwerk Nederland heeft de functie natuur en is met hoogwaardige natuur ingericht.”

Hoofdstuk 5

20

Doorwerking plangebied Het voorliggende plan heeft raakvlakken met de volgende beleidsthema uit de Omgevingsvisie:  Stad en land gezond: in hoofdstuk 4 wordt beschreven dat de geur- en geluidhinder door industriële bedrijven beperkt blijft en omliggende milieugevoelige functies niet nadelig beïnvloedt.  Klimaatbestendig en waterrobuust: in paragraaf 2.3 is reeds toegelicht dat in het voorliggende plan sprake is van een robuust watersysteem.  Duurzame energie: In het plan zal aan de geldende wet en regelgeving ten aanzien van duurzaamheidsmaatregelen worden voldaan. In het plan is veel aandacht besteed aan het aspect duurzaamheid (zie paragraaf 4.10).  Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar: de nieuw te realiseren werklocatie wordt goed ontsloten voor langzaam verkeer en is daarmee uitstekend –op een veilige manier- per fiets te bereiken. 3.2.2 Ontwerp Omgevingsverordening provincie Utrecht 2022 Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet moet de provincie beschikken over een omgevingsverordening voor de fysieke leefomgeving. Gedeputeerde Staten van Utrecht hebben daarom op 18 mei 2021 de Ontwerp Omgevingsverordening provincie Utrecht 2022 vastgesteld. Hiervoor is de Interim Omgevingsverordening op basis van de huidige wetgeving, die Provinciale Staten op 10 maart 2021 hebben vastgesteld, omgezet naar de Ontwerp Omgevingsverordening provincie Utrecht 2022.

De Verordening stelt regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen. Niet alle onderwerpen zijn geschikt voor opname in een verordening. In het algemeen lenen vooral onderwerpen met heldere criteria en/of spelregels en een zwaarwegend provinciaal belang zich hiervoor. De provincie heeft in de Verordening daarom onder meer regels opgenomen over:  Watersystemen  Ondergrond en bodem  Bereikbaarheid  Energie  Natuur  Cultuurhistorie en landschap  Landbouw  Wonen, werken en recreëren Doorwerking plangebied Om te bepalen welke artikelen relevant zijn voor het pan is de webviewer van de interim omgevingsverordening van de provincie geraadpleegd. Er zijn diverse artikelen die gelden op de locatie met verboden die gelden. De onderstaande artikelen zijn relevant voor voorliggend plan. Hoofdstuk 2 Watersysteem Het plangebied is gelegen in een gebied waar regels gelden ten aanzien van waterkeringen, overstromingsgebied etc. In hoofdstuk 2 is gemotiveerd hoe rekening gehouden wordt met het vigerende beleid ten aanzien van water. Artikel 4.65 Instructieregel Buffer luchtvaartterrein Het plangebied is gelegen in een gebied waar regels gelden ten aanzien van luchtvaartterreinen. Onderhavig bestemmingsplan voorziet niet in niewvestiging van een luchtvaartterrein voor gemotoriseerde luchtvaartuigen. Deze regel is daarom niet van belang voor dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5

21

Artikel 7.11 Instructieregel landschap De kernkwaliteiten van het Landschap Eemland zijn volgens de verordening: 1. extreme openheid; 2. slagenverkaveling; 3. veenweidekarakter; 4. historie van de Zuiderzee; 5. Grebbelinie; 6. overgangsgebieden (bij Eemnes, Soest en Amersfoort). Deze kernkwaliteiten hebben in de verschillende deelgebieden van Eemland verschillende accenten. Bij ontwikkelingen in het landschap van Eemland vindt de provincie het vooral van belang dat de open ruimte behouden wordt. Dit betekent behoud van een continue open ruimte langs de Eem, van Randmeer tot Amersfoort. Bij ontwikkelingen kan de openheid versterkt worden door verplaatsing van bebouwing, begroeiing of andere opgaande elementen. Nieuwe bebouwing vestigt zich bij voorkeur in randzones of in bestaande linten, waarbij deze laatste wel transparant blijven. In de stedenbouwkundige indeling van het plangebied is rekening gehouden met de structuur van het omliggende landschap. De langgerekte kavelstructuur in noord-zuidrichting is in twee groene stroken doorgezet in het stedenbouwkundige structuur. Met het doorzetten van de langgerekte noordzuidstructuur moet bereikt worden dat het bedrijventerrein aansluit op en een relatie aangaat met het slagenlandschap. Hiermee wordt een meer soepele overgang van het landschap naar het geplande stedelijk gebied wordt bereikt.

Beplantingsstructuren worden ook zoveel mogelijk noord—zuid georiënteerd in lijn met de verkavelingsstructuur. Langs de zuidrand is het behouden van openheid de belangrijkste waarde. Door met losse beplantingsstructuren en waterpartijen te werken wordt deze waarde benadrukt. Artikel 9.10 Instructieregel kernrandzone 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Kernrandzone kan ten behoeve van het versterken van de ruimtelijke kwaliteit bestemmingen en regels bevatten die verstedelijking toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a) de verstedelijking gaat gepaard met versterking van de ruimtelijke kwaliteit die in een redelijke verhouding staat tot de aard en de omvang van de verstedelijking, tenzij de verstedelijking betrekking heeft op kernrandactiviteiten; b) de verstedelijking is ruimtelijk en landschappelijk goed inpasbaar en wordt, met uitzondering van windenergie en zonnevelden, in aansluiting op stedelijk gebied gerealiseerd, of in samenhang met overige verstedelijkte structuur; c) tijdige en duurzame realisatie van de verhoging van de ruimtelijke kwaliteit is geborgd; d) omliggende functies worden niet onevenredig geschaad. 2.

De motivering van een omgevingsplan bevat: a) een onderbouwing waaruit blijkt op welk gebied deze toepassing betrekking heeft en dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; b) een beschrijving van de in het plangebied voorkomende ruimtelijke kwaliteit en de wijze waarop met het versterken daarvan is omgegaan. Hierbij wordt aangegeven hoe de verstedelijking aansluit op de ruimtelijke en landschappelijke structuur; c) een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing. Voor het planvoornemen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan, dat als bijlage bij de regels van voorliggend bestemmingsplan geldt, voorziet in specifieke uitgangspunten voor de

Hoofdstuk 5

22

inrichting en voor de welstandtoetsing. Dit beeldkwaliteitsplan is gebaseerd op het belang om de noord-zuid georiënteerde verkavelingsstructuur binnen het nieuwe terrein door te trekken en te versterken. De structuur van de verkaveling is orthogonaal (rechthoekig) van opzet waarbij de richting van de huidige kavels en kavelsloten wordt gevolgd. Zowel wegen, openbaar groen als kavels zijn hierdoor voornamelijk noord-zuid georiënteerd. Daarnaast dient het open karakter zoveel mogelijk te worden gewaarborgd. Langs de buitenrand van het bedrijventerrein zijn waterpartijen in lijn met de sloten- en verkavelingsstructuur van de polder. De sloten zijn benadrukt door losse bomen en boomgroepen die enerzijds het zicht op de bebouwing camoufleren en anderzijds de recreatieve route begeleiden. Door te werken met losse structuren blijft het open karakter hier bestaan. Op het bedrijventerrein zelf zorgen bomenrijen voor structuur. Langs de hoofdontsluiting zorgt een profiel met groenstrook en watergang voor een duidelijke as. Door het toepassen van heestergroepen en enkele bomen ontstaat er een gevarieerde opbouw van beplantingen, wat de diversiteit ten goede komt. Langs de secundaire wegen zorgt een laanbeplanting zonder onderbegroeiing voor een groene begeleiding. De landschappelijke inpassingszones van het bedrijventerrein zijn voorzien aan de zuid- en westrand van het bedrijventerrein.

In het beeldkwaliteitsplan is de gewenste beeldkwaliteit per deelgebied uitgewerkt in een beschrijving met referentiebeelden. Voor ieder onderdeel zijn de toetsingscriteria in een tabel opgenomen. Dit schema bevat de feitelijke criteria waaraan de welstandscommissie zal toetsen. Dit alles is samengevat in de zogenaamde ‘aandachtspunten kaart’ (zie figuur 3.1).

Figuur 3.1: “Aandachtspunten kaart”

Hoofdstuk 5

23

Artikel 9.16 Instructieregel uitbreiding bedrijventerrein onder voorwaarden mogelijk 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen “Uitbreiding bedrijventerrein onder voorwaarden mogelijk” kan regels bevatten voor uitbreiding bedrijventerreinen mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a) de uitbreiding bedrijventerrein past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken of is opgenomen in de Bijlage XIX Wonen en werken; b) de uitbreiding bedrijventerrein leidt niet tot extra bodemdaling; c) de revitalisering, herstructurering en efficiënter gebruik van bestaande bedrijventerreinen zijn verzekerd; en d) de uitbreiding bedrijventerreinen vindt plaats in aansluiting op een bestaand bedrijventerrein, of, wanneer dat niet mogelijk is, in aansluiting op het stedelijk gebied. 2. Een motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing. In het Regionaal Programma wonen en werken Regio Amersfoort is de ontwikkeling van De KronkelsZuid opgenomen. Voor de regio Amersfoort is t/m 2030 een maximale vraag geconstateerd van 84 hectare. Het huidige harde aanbod (waaronder De Kronkels-Zuid fase 1) is onvoldoende om deze vraag op te vangen.

Derhalve wordt in het concept Regionaal Programma uitgegaan van uitbreiding vanuit de zachte plancapaciteit in de regio, waaronder De Kronkels-Zuid fase 2. Zoals reeds in paragraaf 3.1.3 is onderbouwd, bestaat op grond van concrete voornemens en aanvragen van bedrijven uit Bunschoten er op korte termijn een aanzienlijke actuele vraag naar bedrijventerrein van ruim 12 ha. ten behoeve van ondernemers gevestigd in Bunschoten. Op grond van historische uitgifte en concrete voornemens en aanvragen is een vraag tot en met 2028 van 14,5 à 15,5 hectare reëel, waarvan 12,5 à 15 hectare van bedrijven die reeds gevestigd zijn in Bunschoten. Daarmee is het bestemmingsplan in lijn met onderdeel a van artikel 9.14 van de provinciale omgevingsverordening. In het Regionaal Programma Regio Amersfoort wordt er van uit gegaan, dat de ontwikkeling van nieuw bedrijventerrein pas plaats vindt, indien verdere intensivering op de bestaande bedrijventerrein van het ruimtegebruik niet meer mogelijk blijkt te zijn. Zoals aangegeven in de opgestelde ladderonderbouwing (zie paragraaf 3.1.3), worden de bedrijventerreinen in Bunschoten reeds intensief benut. Uitbreidingsvragen van bedrijven zijn derhalve aangewezen op nieuw bedrijventerrein. Binnen het stedelijk gebied van de gemeente Bunschoten is geen ruimte beschikbaar voor de beoogde extra oppervlakte aan bedrijventerrein.

De Kronkels-Zuid sluiten aan op het bestaande bedrijventerrein De Kronkels en Haarbrug Zuid. Hiermee is het bestemmingsplan in lijn met onderdelen c en d van artikel 9.14 van de provinciale omgevingsverordening. De ontwerp omgevingsvergunning schrijft tevens voor dat de gemeente Bunschoten een bestemmingsplan voor de uitbreiding van een bedrijventerrein alleen mag vaststellen wanneer die uitbreiding niet leidt tot extra bodemdaling. In lijn met deze regeling is het uitgangspunt vanuit de gemeente Bunschoten voor Kronkels-Zuid als volgt. De bewijslast om aan te tonen dat activiteiten niet geleid hebben tot bodemdaling ligt bij de ondernemer of initiatiefnemer die op het bedrijventerrein activiteiten uitvoert. Indien bodemingrepen worden verricht, moet de ondernemer aantonen dat dit geen gevolgen heeft. Om middels het bestemmingsplan activiteiten die leiden tot extra bodemdaling uit te sluiten is er een regeling opgenomen die grondroerende activiteiten die leiden tot extra bodemdaling moet voorkomen (zie bijlage 13 en planregels). Voor het planvoornemen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan, dat als bijlage bij de regels van voorliggend bestemmingsplan geldt, voorziet in specifieke uitgangspunten voor de inrichting en voor de welstandtoetsing.

Hoofdstuk 5

24

Artikel 9.19 Instructieregel kantoren 1. Een omgevingsplan laat uitsluitend nieuwvestiging van zelfstandige kantoren toe, voor zover het betrekking heeft op: a) zelfstandige kantoren met een lokaal vestigingsgebied, voor zover deze niet gevestigd kunnen worden in gerealiseerde gebouwen of binnen plancapaciteit op basis van het vigerende bestemmingsplan; b) een eenmalige uitbreiding van gerealiseerde kantoren met ten hoogste 10% van het bestaande bvo van het gebouw, voor zover deze niet gerealiseerd kan worden op basis van het bestemmingsplan; of c) transformatie naar zelfstandige kantoren tot een maximum bvo van 1.500 m2 per gebouw. In het bestemmingsplan De Kronkels-Zuid wordt zelfstandige kantoorruimte niet toegestaan. Er wordt daarmee voldaan aan artikel 9.17 van de omgevingsverordening. 3.2.3 Regionaal programma wonen en werken Regio Amersfoort In samenwerking met de overige zes regiogemeenten in de regio Amersfoort en de provincie Utrecht is door de gemeente Bunschoten een regionaal programma wonen en werken opgesteld. Het bevat afspraken voor de voortgang van de woningbouw en de ontwikkeling van bedrijventerreinen voor de komende jaren, zowel kwantitatief als kwalitatief. Via dit programma kunnen gemeenten en provincie, ieder vanuit z’n eigen rol en verantwoordelijkheden, samen sturen op de woningbouw- en bedrijventerreinontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10391386/1