CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

RV 1169190 bijlage Reactie Natuur en Recht zienswijzen omgevingsvergunning Sectoradvies houderijvoorschriften roofvogels en uilen

Commissie Ruimte 20 april 2022, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1169190 Verzoek verklaring van geen bedenkingen aanvraag omgevingsvergunning roofvogels Groeneweg 2419.253 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Invulling en achtergrond volièrevogels en vliegvogels: Een roofvogelhouder moet kunnen bewijzen dat hij/zij beschikt over de minimaal noodzakelijke kennis en vaardigheden voor de soort(en) die hij/zij houdt. Ook degene die de dieren verzorgt dient te beschikken over de voor de verzorging benodigde kennis en vaardigheden. De houder/verzorger moet in ieder geval in staat zijn de vogels lege artis te vangen en vast te houden. Op het moment dat de houder of de verzorger niet in staat is aan te tonen dat hij/zij beschikt over de benodigde kennis en vaardigheden, is hij/zij in overtreding en mag deze persoon de dieren niet houden of verzorgen.

Valkeniersakte en diploma dierverzorging: Iemand met een valkeniersakte als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Regeling natuurbescherming (61) heeft reeds aangetoond over de benodigde kennis en vaardigheden te beschikken roofvogels te houden, verzorgen en ermee te jagen. Dit betekent niet dat anderen niet over de juiste kennis en vaardigheden beschikken maar benadrukt dat het hebben van een valkeniers akte staat gelijk aan minimaal 2 jaar intensief stage en jagen met dieren eveneens het hanteren van dergelijke vogels. Hiervoor dienen 6 aspiranten dagen bijgewoond te worden, minimaal maar meestal meer dan 16 stage dagen, een theoretisch examen over de vogels en de volledige wet natuurbescherming en soorten in Nederland en afgesloten met een praktijk examen. Het hebben van een valkeniers akte is daarmee een degelijk bewijs van bekwaamheid. Het tonen van zijn of haar valkerij pasje (deze is 5 jaar geldig) is degelijk bewijs om aan te kunnen tonen dat hij/zij beschikt over de juiste kennis en vaardigheden. Ook een diploma dierverzorging kan aantonen dat de betrokken persoon over kennis en vaardigheden beschikt om roofvogels en uilen te houden en verzorgen, waarbij specialisatie vogels, na invoering hiervan, een extra indicatie is.

28

13. Gezondheid Wetgeving en vrijheden: Degene die een dier houdt moet er zorg voor dragen dat een dier dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd (art. 1.7 onder c). Door dit niet te doen kan de roofvogel niet gevrijwaard worden van fysiek en fysiologisch ongerief en van pijn, verwondingen en ziektes. Daaruit volgend kan het dier ook niet gevrijwaard worden van angst en chronische stress en van een beperking in het uitvoeren van het natuurlijke gedrag.

Invulling en achtergrond volièrevogels en vliegvogels: Verwondingen en beschadigingen van een vogel kunnen duiden op ontoereikende huisvesting of behandeling (12; 62). In tabel 2 staan een aantal belangrijke indicatoren opgesomd voor een gezonde roofvogel en afwijkingen in verenpak, ogen, snavel, washuid, poten, nagels, smeltsel, ademhaling en houding. Dit zijn uitsluitend indicatoren, het betreft geen volledige opsomming van alle elementen voor de beoordeling van de gezondheid van een roofvogel of uil. Tabel 2: Indicaties voor gezondheidsbeoordeling van een roofvogel (6) Indicator: Verenpak: Ogen: Snavel: Washuid:

Gezonde roofvogel: Afwijkingen: Schoon, strak en met afgeronde hoeken Vies, beschadigingen, breuken en verfrommeld, verkleuring, hongermerken Rond, helder, schoon en droog Dof, oogleden (deels) gesloten en uitvloeisel Normale lengte, leidend tot een scherpe Beschadiging en vergroeiing punt Goed van kleur, zie onderstaand. Beschadiging, Kleurveranderingen Sommige valken, blauw grijs, sommige andere roofvogels en valken diep oranje tot rood. Zelfs sommige uilen kunnen hiervan afwijken.

Poten:

Schoon en goed van kleur. er zijn echt Verkleuringen, ontbrekende schubben, veel soorten die niet “helder geel” zijn. zwellingen en zoolzweren (bumble foot)

Nagels:

Gelijkmatige kromming met scherpe punten

Smeltsel (ontlasting):

Zwarte punt met wit (vloeibaar) Afwijkende kleuren zoals geel, geel-groen of urinezuur (soms met roodachtig bloedvlekken pigment). Bij een vastende vogel is de zwarte punt heldergroen. Uilen hebben een darmledeging die een volledige bruine uitvloeiing veroorzaakt lijkend op diarree. Meestal 1 x per dag of bij acute stress (ontlading)

Ademhaling:

10-15 keer per minuut, de ademhaling Het meebewegen van de staart en/of vleugels moet nauwelijks zichtbaar zijn (NB dit is met elke ademhaling met bijgeluid of globaal, er is een groter verschil tussen vloeistoffen bijvoorbeeld een arend en pygmee valk)

Houding:

Rechtop, bijna verticaal

Vergroeiing, te lang en ontbrekende teennagels

In elkaar gedoken, vleugels laten hangen

29

14. Gebruik van roofvogels tijdens evenementen, vliegdemonstraties Wetgeving en vrijheden: De bewegingsvrijheid van een dier mag niet op zodanige wijze worden beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht (art. 1.6 lid 1) en een dier moet voldoende ruimte worden gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften (art. 1.6 lid 2). Degene die een dier houdt draagt, draagt er zorg voor dat een dier een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend (art. 1.7, onder e).

Invulling en achtergrond vliegvogels: Het gebruik van roofvogels tijdens evenementen en vliegdemonstraties is toegestaan, mits de situatie en daarmee eventueel gepaard gaande welzijnsaantasting tijdens een evenement of demonstratie tijdelijk van aard is en gecompenseerd moet worden door de welzijnsverbetering van het vliegen. Bij het kortstondig op de hand houden voor display mag alleen gebruik worden gemaakt van vogels die hiervoor getraind zijn om de fysiologische en ethologische behoeften te behouden en stress te verminderen. Zodra er stresssignalen worden gesignaleerd dient de vogel terug te gaan naar een prikkelarme omgeving. Roofvogels en uilen die gebruikt worden tijdens een evenement of vliegdemonstratie dienen te beschikken over een schuilmogelijkheid. Er bestaan hiervoor verschillende mogelijkheden waarbij de houder van de dieren met de kennis van zijn individuele dieren een keuze maakt tussen de wijze waarop hier in de praktijk invulling aan wordt gegeven. Eén mogelijkheid is het uit he zicht van het publiek aangebonden houden van de vogels waarbij zij beschikken over een schuilmogelijkheid, bijvoorbeeld mobiele tentjes, spitshuizen, waardoor de vogels zelf kunnen beslissen of ze in of uit het zicht zitten. Hierdoor heeft het dier dus een eigen keus, veilig voor prikkels van buitenaf.

De vogels worden tussendoor of na 2 – 3 uur gevlogen in de demonstratie of achteraf om te voorzien in beweging. Tussentijds kunnen de vogels max. 2 uur worden aangebonden. Een andere mogelijkheid is het gedurende de vliegdemonstratie de vogels waarmee niet direct wordt gevlogen veilig weg te plaatsen in hun transportkist ook omdat roofvogels visueel ingesteld zijn en het zeer zeker stress met zich mee geeft wanneer een vogel aangebonden zit en een andere vogel vrij aan het vliegen is terwijl met vlees geroepen wordt. Door de dieren te plaatsen in hun veilige transportkist ontneem je het visuele zicht. Dit kan overigens ook door het dier te huiven. Daarmee wordt deze stress voorkomen. Naast deze eisen moet bij demonstraties en evenementen aan de volgende eisen worden voldaan. 1. Obligaat nachtactieve roofvogels (dus roofvogels die niet het aanpassingsvermogen hebben om overdag actief te zijn) mogen niet overdag ingezet worden, omdat dit niet binnen het soorttypische gedrag van deze vogels valt. Let wel, niet alle uilen zijn uitgesproken nacht-actieve dieren: een deel van de uilen, zoals de steenuil, is ook overdag of in de schemering actief (8; 57). 2. Het doel moet zijn om alle meegenomen dieren in te zetten voor een vliegdemonstratie. 3. Dieren die niet gevlogen worden mogen maximaal twee uur aangebonden worden aan een sprenkel (zie bijlage 3). 4.

Het kortstondig aanbinden vindt plaats op tenminste 2 meter afstand van roofvogels plaats en zonder direct contact met andere dieren (inclusief andere roofvogels), mensenmassa’s en/of flitslichten. Het is hierbij van belang dat er beschutting/schuilmogelijkheid is en het dier de keuze heeft om zich terug te trekken. 30

5. Ook tijdens de vliegdemonstratie moeten stressoren waaronder flitslicht op korte afstand van de dieren, direct contact met andere dieren en andere mensen worden voorkomen. Uitsluitend het onder toezicht van de houder op de handschoen houden van een roofvogel of uil die daaraan gewend is, is wel toegestaan. Daarbij moet er afstand blijven tussen de persoon die de roofvogel of uil op handschoen heeft en de rest van het publiek. Direct flitslicht op het oog van het dier gericht is nooit toegestaan. 6. Op het moment dat, ondanks het voldoen aan de gestelde randvoorwaarden, dieren toch tekenen vertonen van stress, dient het dier op een rustige, prikkelarme plek te worden geplaatst. 7. Kleine vogels worden uit de buurt van de grotere vogels gehouden om angst bij kleine vogels te voorkomen. 8. Er moet zijn voorzien in een fatsoenlijke, veilige en degelijke zitplek, bv correcte sprenkel, waaraan de vogel zich niet kan beschadigen. ( Raptors in Captivity, Lori R. Arent pag 97). 9. De vogels mogen niet worden gehouden op een zitblok vastgebonden op een tafel omdat de vogel zichzelf dan kan ophangen en/of verwonden. ( Raptors in Captivity, Lori R. Arent pag 97). 10. De zitplek moet op een zachte ondergrond (gras of zand) worden geplaatst, niet op cement, stenen of andere harde ondergrond om te voorkomen dat de vogels hierdoor hun poten, polsen en veren verwonden).

( Raptors in Captivity, Lori R. Arent pag 98). 11. Er dient te zijn voorzien in beschutting en schaduw. ( Raptors in Captivity, Lori R. Arent pag 97).

31

Bibliografie 1. Wet dieren, een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen, BWBR0030250. 2. Besluit houders van dieren, houdende regels met betrekking tot houders van dieren, BWBR0035217. 3. Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet dieren, Tweede Kamer, 2007-2008, 31 389, nr 3. 4. Hellebrekers, Ohl &. 2009, Tijdschrift voor Diergeneeskunde. 5. Hubert, J. Welzijn van roofvogels, onderzoek naar het welzijn van roofvogels in gevangenschap in Nederland. 2012. 6. Redig and Martinez. Chapter 9: Raptors. Handbook of Avian medicine. 2009. 7. Nicolai, J. Roofvogels en uilen. Baarn: Thieme, 1994. 8. van den Brink, H. Roofvogels en uilen in Europa. Lisse: Rebo Productions, 1999. 9. Verordening (EG) Nr. 1332/2005 van de Commissie van 9 augustus 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer. 10. Hackett, S.J., et al. A phylogenomic study of Birds reveals their evolutionary history. Science. 2008. Vols. 320(5884):1763-1768, doi: 10.1126/science.1157704, pp. 1763-1768. 11. LICG. Bijsluiter kerkuil. 2010. www.licg.nl/media/1496/kerkuil_bijsluiter6_0t.pdf. 12. Peeters, E. Het houden van roofvogels in gevangenschap bij particulieren. In opdracht van de Raad voor Dierenwelzijn Belgie. 2008.

Versie 3, https://environnement.brussels/sites/default/files/user_files/rapport_hethoudenvanroofvogelsd oorparticulieren.pdf. 13. Heidenreich, B. The ethics of Animal Training and Handling. The International Association of Avian Trainers and Educators Conference, 2008. 14. Parry-Jones, J. Training birds of prey. Newton Abbot: David & Charles publishers, 2001. 15. IAATE. Position statement: tethering birds. International Association of Avian Trainers and Educators. 2008. www.aazk.org/wp-content/uploads/IAATE-PositionStatement-Tethering.pdf. 16. Ford, S., Chitty, J. and Jones, M. Raprot medicine and case management. Annual conference Association of Avian Veterinarians, 2007. p. 135-150. 17. Department for Environment, Food & Rural Affairs. Secretary of state's standards of mordern zoo practice. 2004. Appendix 8 - specialist exhibits. http://archive.defra.gov.uk/wildlifepets/zoos/documents/zoo-standards/app8.pdf. 18. African Raptor Trust. Raptor exhibition guidelines. www.africanraptor.co.za/cms/uploads/docs/Raptor%20Exhibition%20Guidlines.pdf, 2008. 19. Verordnung der Bundesministerin für Gesundheit über die Haltung von Wirbeltieren, die nicht unter die 1. Tierhaltungsverordnung fallen, über Wildtiere, die besondere Anforderungen an die Haltung stellen und über Wildtierarten, deren Haltung aus Gründe. 20. Raad van Dierenwelzijn. Advies Roofvogels houden in gevangenschap. 2009.

www.lne.be/sites/default/files/atoms/files/Het%20houden%20van%20roofvogels%20door%20p articulieren%20-%20Advies%20%282009%29.pdf. 21. Brücher, H. Mindestanforderungen an die haltung von greifvögeln und eulen. 1995. www.bmel.de/SharedDocs/Downloads/Tier/Tierschutz/GutachtenLeitlinien/HaltungGreifvoegel. pdf?__blob=publicationFile. 22. Fox, N.C. and Chick, J. Falconry in the United Kingdom: an audit of the current position prepared by the Hawk board. Hawk Board Publications, 2007. 23. Park, F. Behavior and Behavioral Problems of Australian Raptors in Captivity. Seminars in Avian and Exotic Pet Medicine. 2003. Vols. 12(4):232-241, doi: 10.1053/S1055-937x(03)00038-0, pp. 232-241. 32

24. Berg, S. Der wildvogelpatient - Statistische untersuchungen zum medizinischen, organisatorischen und finanziellen aufwand für die versorgung von verletzten wildvögeln. 2009. 25. Working group on refinement. Laboratory birds: refinements in husbandry and procedures. Ch 18 Birds of prey (Falcinoformes and Strigiformes). Laboratory Animals. 2011. Vols. 35(1): 73-77, Fifth report of the BVAAWF/FRAME/RSPCA/UFAW joint working group on refinement. 26. Vanommeslaeghe, K. dit is valkerij, Roofvogels en mensen, theorie en praktijk. Kune, 2007. 27. EAZA Falconiformes and Strigiformes Taxon Advisory Group. Husbandry and Management Guidelines for Demonstration Birds. Version 1.9, February 2016. 28. Forbes, N.A. Captive raptor propagation. Veterinary Clinics of North America: Exotic Animal Practice. 2002. Vols. 5(3):649-676, doi: 10.1016/S1094-9194(02)00009-9. 29. Forbes, N.A. and Parry-Jones, J. Management and husbandry (raptors). Manual of Raptors, Pigeons and Waterfowl. Cheltenham, UK : BSAVA, 1996. pp. 116-128. 30. Hammer, W., et al. Empfehlungen zur tierschutzgerechten haltung von greifvögeln und eulen. Tieraerztliche Praxis. 1989. Vols. 17:59-70. 31. Rodriguez-Lainz, A.J., et al. Incidence and risk factors for bumblefoot (pododermatitis) in rehabilitated raptors. Preventative veterinary medicine, 1997. Vols. 31: 175-184. 32. Forbes, N.A. Bumblefoot surgery and management.

Great Western Exotic Vets, 2016. www.gwexotics.com/wp-content/uploads/2016/04/Bumblefoot-management-and-surgery.pdf. 33. Remple, J.D. A multifaceted approach to the treatment of bumblefoot in raptors.Journal of Exotic Pet Medicine, 2006. Vols. 15(1):49-55. 34. Forbes, N.A. and Flint, C. Raptor Nutrition. Campaign for falconry. gloustershire, UK : Landsdown Veterinary Surgeons, 2000. 35. Gibson, M.J. The ABC's of housing raptors. journal of Wildlife Rehabilitation. 1996. Vols. 19:2331. 36. Orosz, S.E. Overview of aspergillosis: pathogenesis and treatment options. Seminars in Avian and Exotic Pet Medicine. 2000. 9(2):66-74. 37. Joseph, V. Aspergillosis in raptors. Seminars in Avian and Exotic Pet Medicine. 2000. Vols. 9(2):5965. 38. Richter, T. Mindestandforderungen an die haltung von greifvögeln. Tierärztliche Vereinigung fur Tierschutz. Vol. 2006. 39. Miller, E.A. Minimum standards for wildlife rehabilitation. St. Cloud MN, USA: National Wildlife Rehabilitators Association, 2000. 3de editie. 40. Jones, M.P. Behavioral aspects of captive birds of prey. Veterinary Clinics of North America: Exotic Animal Practice. 2001. Vols. 4:613-632. 41. Huckabee, J.R. Raptor Therapeutics. Veterinary Clinics of North America. Veterinary Clinics of North America: Exotic Animal Practice, 2000. Vols. 3:91-116. 42. Mikula, F.

Free flight training for raptors for release: why don't they just fly away? Wombat Awareness Organisation. Adelaide: National Wildlife Rehabilitation Conference, 2010. www.awrc.org.au/uploads/5/8/6/6/5866843/mikula_raptors.pdf. 43. Hentz, P.S. Wildlife critical care manual: the first twenty-four hours. Red Creek Wildlife Center, 2004. http://redcreekwildlifecenter.com/wcc.pdf. 44. Bedrosian, B.E. and St. Pierre, A.M. Frequency of injuries in three raptor species wintering in Northeastern Arkansas. The Wilson journal of Ornithology. 2007. Vols. 119(2):296-298. 45. Daut, E.F. Raptor nutrition and emaciation management. Wildlife Center of Virginia, 2010. www.wildlifecenter.org/wp/wpcontent/uploads/2010/02/Raptor-Emaciation-Management-andNutrition.pdf. 46. Blair, S.K. Caring for raptors (birds of prey). Bird care & conservation society, 2000. Vol. www.birdcare.asn.au/pdf/raptors.pdf, 7de editie. 47. Bertram, C. Retrospektive Analyse von Datensätzen über Erkrankungen und Todesursachen von Greifvögeln in Zoologischen Gärten unter besonderer Berücksichtigung ihrer Haltung. Wettenberg: VVB Laufersweiler Verlag, 2003. 1e editie. 33

48. Forbes, N.A. Wing tip oedema and dry gangrene syndrome in raptors. Great Western Exotic Vets. 2016. www.gwexotics.com/wp-content/uploads/2016/04/Wing-tip-oedema-raptors.pdf . 49. Heatly, J.J., et al. Raptor emergency and critical care: therapy and techniques. Compenium. 2001. Vols. 23(6):561-570. 50. Harris, L. The Harris hawk: management, training and hunting. Swan Hill Press, 2002. 51. Degernes, L.A. Trauma medicine. Avian medicine: princples and application. Lake Worth: Wingers Publishing, 1995. Vols. p. 417-433. 52. Hudelson, S. and Hudelson, P. Dermatology of raptors: a review. Seminars in Avian and Exotic Pet Medicine. 1995. Vols. 4(4):184-194. 53. Tyler, E. Enrichment preferences of raptors. Journal of Zoo Biology, 2017. Vols. 01(01): 21-27. 54. Barn Owls Trust. Considering a captive barn owl? Barn Owls Trust, 2010. www.adlib.ac.uk/resources/000/102/643/No_30.pdf. 55. Mebs, T. and Scherzinger, W. Uilen van Europa. Baarn: Tirion natuur, 2000. 56. Ratcliffe, D. The peregrine falcon seconded. Londen: T. & A.D. Poyser, 1993. 2de editie. 57. Ferguson-Lees, J. and Christie, D.A. Raptors of the world. Londen: Christopher Helm, 2001. 58. del Hoyo, J., Elliott, A. and Sargatal, J. Handbook of the birds of the world. Volume 2: new world vultures to guineafowl. Barcelona: Lynx Edicions, 1994. 59.

Regeling natuurbescherming, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming, BWBR0038668. 60. Burke, H.E., Swaim, S.E. and Amalsadvala, T. Review of wound management in raptors. Journal of Avian Medicine and Surgery. 2002. Vols. 16(3):180-191. 61. Raad voor Dierenaangelegenheden. Zienswijze Zorgplicht Natuurlijk Gewogen. 2015. 62. Wet natuurbescherming, houdende regels ter bescherming van de natuur, BWBR0037552. 63. Vogelrichtlijn: richtlijn 2009 / 147 / EG inzake het behoud van de vogelstand. 64. Memorie van antwoord bij de Wet dieren, Eerste Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 31 389. 65. Besluit natuurbescherming, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuurbescherming, BWBR0038662. 66. Besluit van 11 oktober 2016, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuurbescherming (stb2016-383). Besluit Natuurbescherming. 67. x 68. Fobes, N.A. Practical raptor nutrition. Great Western Exotic Vets. www.afvpz.com/IMG/pdf/Practical_Raptor_Nutrition_Neil_Forbes.pdf. 69. Vlaamse Regering. Besluit betreffende het welzijn van in gevangenschap gehouden roofvogels. 2018. 70. Wet op de economische delicten. Artikel 28, regelen voor de opsporing, de vervolging en de berechting van economische delicten, BWBR0002063. 71. Tyler, E.T. Enrichment preferences of raptors at Elmwood park zoo. Journal of Zoo Biology. 2017. 1:21-27. 72. Arent, Lori R.

Raptors in Captivity 73. Belangenbehartiging Europese Cultuurvogels. Houderijadviezen Europese vogels 2016 74. Nationaal Overleg Valkerij Organisaties. Protocol met betrekking tot het welzijn van roofvogels die als jachtvogel gehouden worden. 75. Parry Jones, J. Understanding owls: Biology, Management, Breeding, Training 2001 76. Taylor, I Barn owls, predator-prey relationships and conservation, 1994 hoofdstuk 7

34

Bijlage 1. Standpunt Stichting Valkerij Nederland omtrent huisvestingseisen jachtvogels

23 November 2018

Samenvatting Voor u ligt het advies van De Stichting Valkerij Nederland (De Stichting) aangaande de private huisvesting van jachtvogels. De Stichting maakt voor wat betreft de jachtvogels waarop het advies betrekking heeft een onderverdeling in shortwings, longwings en broadwings. De Stichting stelt zich op het standpunt dat slechts houders van een valkeniersakte de kennis hebben die nodig is om jachtvogels (op valkerijtechnische wijze) te houden. De Stichting wijst geheel open volières voor shortwings en longwings van de hand. Broadwings kunnen naar de mening van De Stichting in geheel open volières gehouden worden. De Stichting geeft indicatieve minimummaten voor volieres. Zij wijst er met klem op dat om verschillende redenen voor de grootte van de volière niet geldt ‘hoe groter, hoe beter’. 1. Inleiding De Stichting Valkerij Nederland (De Stichting) is op 21 maart 2018 opgericht. De Stichting heeft ten doel de belangenbehartiging, het behouden en ontwikkelen van de Nederlandse praktische valkerij in al haar facetten. Onlangs heeft het Ministerie van Economische Zaken De Stichting verzocht een advies op te stellen aangaande de private huisvesting van jachtvogels. Met het onderliggende advies geeft De Stichting gehoor aan dat verzoek.

De Stichting spreekt de hoop uit dat haar advies een bijdrage zal leveren in de thans gevoerde discussie omtrent het welzijn van particulier gehouden roofvogels en uilen, meer in het bijzonder jachtvogels.

35

2. Opmerkingen vooraf (i)

(ii)

In het advies van De Stichting is uitsluitend aandacht besteed aan de private huisvesting van jachtvogels.5 De Stichting brengt geen advies uit over, wat hier bij gebrek aan een betere term genoemd wordt: ‘publieke’ huisvesting van jachtvogels. Bij publieke huisvesting van jachtvogels gaat het over het huisvesten van jachtvogels in voor het publiek toegankelijke ruimten (bijvoorbeeld: een dierentuin). Evenmin brengt De Stichting advies uit over de private huisvesting van uilen en andere roofvogels dan jachtvogels. De reden daarvoor is dat De Stichting niet de belangen behartigt van houders van uilen en andere roofvogels dan jachtvogels. Als het aankomt op het op juiste wijze houden van dieren, en dus ook jachtvogels, gaat het erom dat het dier enerzijds zijn behoeften weet te dekken (Bedarfsdeckung) en anderzijds schade weet te vermijden (Schadensvermeidung).6 Bij het advies van de Stichting staat dit steeds centraal.

3. Werkwijze totstandkoming advies De Stichting meent door middel van de volgende werkwijze een weloverwogen advies te hebben opgesteld. (i) De eerste aanzet voor het advies is gevormd in verschillende bestuursvergaderingen. Op basis van de bij de bestuursleden van De Stichting aanwezige kennis zijn de eerste grondtrekken voor het advies opgesteld. (ii) Deze grondtrekken zijn vervolgens naast de Duitse Gutachten über Mindestanforderungen an die Haltung von Greifvögeln und Eulen (hierna ook: Mindestanforderungen) gelegd. De reden dat is gekozen voor een vergelijking met deze Duitse leidraad voor de private huisvesting van roofvogels en uilen, komt hierna onder par. 4.1 aan de orde. In par. 4.2 – 4.6 worden de Duitse opvattingen omtrent private huisvesting van roofvogels en uilen uiteengezet. Op basis van de vergelijking met de Mindestanforderungen zijn de onder (i) bedoelde grondtrekken bijgeschaafd. Zo is het eerste conceptadvies tot stand gekomen. (iii) Op 28 oktober 2018 is het eerste conceptadvies in een vergadering voorgelegd aan de donateurs van De Stichting. Ook houders van een valkeniersakte, welke geen donateur van De Stichting zijn, is de gelegenheid geboden om in deze vergadering hun kennis en ervaring in te brengen. (iv) De in de vergadering verkregen input is door het bestuur van De Stichting besproken in een bestuursvergadering.

Naar aanleiding van deze bestuursvergadering is input, waar het bestuur zich in kan vinden, integraal opgenomen in het advies. 4. De Duitse opvattingen 4.1. Inleiding

5

Onder ‘jachtvogels’ worden begrepen: de havik (Accipiter gentilis), de sperwer (Accipiter nisus), de slechtvalk (Falco peregrinus), de sakervalk (Falco cherrug), de giervalk (Falco rusticolus), de woestijnbuizerd (Parabuteo unicinctus), Steenarend ( Aquila chrysaetos) en de roodstaartbuizerd (Buteo jamaicensis). Hoewel in Nederland de sakervalk, giervalk, sperwer, steenarend en roodstaartbuizerd niet voor de jacht, noch ten behoeve van schadebestrijding mogen worden ingezet, strekt het advies van De Stichting zich wel uit tot de private huisvestingseisen van deze vogelsoorten. In par. 5.1 wordt hiervoor de reden gegeven. 6 Tschanz e.a.

36

In Duitsland geldt als leidraad voor de private huisvesting van roofvogels en uilen als gezegd das Gutachten über Mindestanforderungen an die Haltung von Greifvögeln und Eulen van 10 januari 1995 (hierna: Mindestanforderungen). Voor de huisvesting van roofvogels en uilen in de publieke ruimte (bijvoorbeeld dierentuinen) bevatten die Leitlinien für eine tierschutzgerechte Haltung von Wild in Gehegen (aanvullende) voorschriften.7 Hoewel de Mindestanforderungen uit 1995 stammen zijn deze in Duitsland nog steeds leidend. Er zijn in de tussentijd geen nieuwe inzichten ontstaan die aanpassing nodig maken.8 In het hiernavolgende wordt ingegaan op wat de Mindestanforderungen bepalen over de huisvesting van (i) de havik (Accipiter gentilis), (ii) de slechtvalk (Falco peregrinus) en (iii) de woestijnbuizerd (Parabuteo unicinctus). Ook wordt ingegaan op de huisvesting van de sakervalk (Falco cherrug), de giervalk (Falco rusticolus), de sperwer (Accipiter nisus), Steenarend,(Aquila chrysaetos) en de roodstaartbuizerd (Buteo jamaicensis). De reden dat slechts de huisvestingseisen ten aanzien van deze vogelsoorten besproken worden, is dat de havik, slechtvalk en woestijnbuizerd de vogelsoorten zijn die in Nederland ten behoeve van de valkerij (jacht dan wel schadebestrijding) mogen worden ingezet.

De rechtvaardiging voor de bespreking van de huisvestingseisen voor de sakervalk, giervalk, sperwer en roodstaartbuizerd is erin gelegen dat De Stichting meent dat de kweek van deze vogelsoorten van belang is om de valkerij op landsoverstijgend niveau te behouden. Indirect is de kweek van sakervalken, giervalken, sperwers, steenarenden en de roodstaartbuizerd daarmee tevens van belang voor het behoud van de valkerij in Nederland. In het buitenland wordt immers door Nederlandsers met deze vogels de valkerij bedreven. In het advies van De Stichting worden de genoemde vogelsoorten geherrubriceerd tot shortwings (de havik en de sperwer), longwings (de slechtvalk, sakervalk en giervalk) broadwings (de woestijnbuizerd en de roodstaartbuizerd) en broadwings arenden (steenarend). Zie voor de reden par. 4.4.1. Voordat de huisvestingseisen per categorie vogels de revue passeren, schetsen wij de algemene lijnen van de Mindestanforderungen (par. 4.2). In par. 4.6 gaan wij in op het valkerijtechnisch houden van jachtvogels. Op enkele punten geeft het bestuur van De Stichting een eigen (aanvullende) opvatting. Deze opvattingen zijn in de tekst met een kleiner en dikgedrukt lettertype weergegeven. 4.2. Algemene lijnen van de Mindestanforderungen De Mindestanforderungen stellen voorop dat het houden van roofvogels en uilen (hierna ook: vogels) expertise vergt (Sachkunde).

Vogels mogen slechts in volieres, of – onder voorwaarden – op valkerijtechnische wijze gehouden worden.9 Iedere huisvesting (tijdelijk of permanent) wordt zo vormgegeven dat schade aan de vogel voorkomen wordt. Voorts dient iedere huisvesting te voorzien in een schuilgelegenheid zodat de vogel zich kan onttrekken aan weersinvloeden. De vochthuishouding van roofvogels en uilen wordt via de voedselinname op peil gehouden. De Mindestanforderungen schrijven desalniettemin voor dat roofvogels en uilen altijd de beschikking moeten hebben over schoon drink- en badwater.10 Het bestuur van de SVN onderstreept dit voorschrift, om de volgende reden, niet zonder meer. Als gezegd nemen roofvogels en uilen het benodigde vocht grotendeels tot zich via de voeding. Een watervoorziening is om die reden niet noodzakelijk. Een watervoorziening is bovendien een potentiële bron van ziektekiemen, wanneer deze niet minimaal eenmaal dagelijks verschoond wordt. Minimaal dagelijkse (adequate) verschoning van de watervoorziening brengt met zich dat minimaal dagelijks één keer de huisvesting betreden moet worden. Het risico van onnodige blootstelling aan

7

https://www.bmel.de/DE/Tier/Tierschutz/Tierschutzgutachten/_texte/GutachtenDossier.html?docId=377444. Zie Lierz e.a., p. 323. 9 Mindestanforderungen 1995, p. 2. 10 Mindestanforderungen 1995, p. 4. 8

37

stress weegt volgens het bestuur van De Stichting dan ook niet altijd op tegen de voordelen (badgelegenheid) van een watervoorziening.

4.3. Volieretypen De Mindestanforderungen onderscheiden drie volieretypen: (i) Ganzdrahtvolieren (open volieres), (ii) Teilweise geschlossene Volieren (gedeeltelijk gesloten volieres), en Ganzseitig geschlossene Volieren (gesloten volieres). Een nadere toelichting: (i) (ii) (iii)

Dit type voliere bestaat volledig uit gaas. Zowel van de zijkanten als van de bovenkant kan de voliere in gekeken worden; Dit type voliere heeft naast gesloten zijwanden (van bijvoorbeeld hout of damwand) ook transparante zijwanden (van gaas); Dit type voliere heeft uitsluitend gesloten zijwanden. De bovenkant is gedeeltelijk transparant (van gaas);

Shortwings zijn volgens de Mindestanforderungen niet geschikt om in open volieres te houden.11 De Mindestanforderungen laten de mogelijkheid bestaan dat sommige longwings wel geschikt zijn om in open volieres te houden, en bepalen dat broadwings in open volieres gehouden kunnen worden. Het bestuur van De Stichting acht open volieres niet geschikt om shortwings en longwings in te houden.12 In geheel open volieres worden de jachtvogels gedurende de dag logischerwijs het meeste gestoord. Dit kan onnodig stress veroorzaken. Bovendien zullen sommige vogels bij verstoringen afvliegen. In een geheel open voliere zal een vogel dan vaak tegen het gaas vliegen. Het risico op schade bij shorten longwings is in geheel open volieres – gezien de snelheden die zij kunnen bereiken – dus te groot.13 Bij broadwings ziet De Stichting op dit punt geen probleem.

Volieres hoeven niet de natuurlijke leefomgeving van jachtvogels na te bootsen.14 4.4. Grootte van de voliere De voliere dient qua grootte tegelijkertijd groot genoeg te zijn om de vogel de ruimte te bieden toereikend te kunnen bewegen,15 maar klein genoeg om schade aan de vogel te voorkomen.16 Het is een misverstand dat een grotere voliere altijd beter is. Belangrijker dan de grootte van de voliere is de inrichting (waaronder ook begrepen wordt het materiaalgebruik voor de wanden, de bodem en het plafond). Zie hierna onder par. 4.5.17 Men dient zich steeds te bedenken dat jachtvogels weinig vliegen. Er zijn slechts drie redenen om te vliegen: (i) jagen om te voeden, (ii) het vermijden van vijanden en (iii) voortplanting. Bednarek stelt dat jachtvogels in de natuur doorgaans meer dan 95% van de dag

11

Mindestanforderungen 1995, p. 4. In gelijke zin Der Deutsche Tierschutzbund e.V in het Differenzprotokoll bij de Mindestanforderungen, p. 10 onder 2. 13 Zie ook Lierz e.a., p. 315. 14 Bednarek, p. 8; Lierz e.a., p. 314; Richter (i), p. 2. 15 Het is op dit punt van belang een onderscheid te maken tussen Bewegungsbedürfnis en Bewegungsbedarf. Het eerste betreft de intrinsieke motivatie voor een vogel om te vliegen, het tweede betreft de hoeveelheid beweging die nodig is om morphologische schade te voorkomen. Jachtvogels hebben nagenoeg geen Bewegungsbedürfnis. Ook het Bewegungsbedarf is zeer gering. Zij vliegen slechts als dit strikt noodzakelijk is. Zie Richter (i), p. 6. 16 Mindestanforderungen 1995, p. 5. 17 En ook Lierz e.a., p. 315. 12

38

stilzitten.18 Tenslotte verwijst De Stichting op dit punt ook naar de Hinweise für die Überwachung von Greifvogelhaltung, waarin staat: “Das Bewegungsbedürfnis von Greifvögeln wird häufig überschätzt.”19 4.4.1. Grootte voliere per soort De Mindestanforderungen bevatten richtlijnen over de grootte van de voliere per vogelsoort. De Mindestanforderungen hebben dan ook een ruimere reikwijdte dan het advies van De Stichting, nu de Mindestanforderungen adviezen behelsen ten aanzien van de private huisvesting van (bijna) alle roofvogels en uilen. De Stichting beperkt het advies tot jachtvogels. Daarbij kiest zij er als gezegd voor om bij het advies een onderverdeling te maken tussen shortwings (de havik en sperwer), longwings (de slechtvalk, sakervalk en giervalk) broadwings (de woestijnbuizerd en roodstaartbuizerd) en broadwings (arenden). Een verdere onderverdeling per soort jachtvogel acht De Stichting niet zinvol. Bij de grootte van de voliere is met name van belang hoe snel een vogel versnelt en vliegt. Daarbij geldt het volgende. Shortwings versnellen relatief snel en vliegen relatief snel. Longwings versnellen relatief langzaam, maar vliegen relatief snel.

Broadwings versnellen en vliegen relatief langzaam.20 Snelle versnellers (en vliegers) kunnen in een grote ruimte meer snelheid krijgen, waardoor het risico op verwondingen toeneemt.21 De Stichting komt op basis van het voorgaande tot de volgende minimumafmetingen voor een voliere waarin één vogel is gehuisvest: Shortwings Longwings Broadwings Broadwings (Steenarend)

6,25 m2 (lengte 2,5m, breedte 2,5m, hoogte 2,2m) 6,25 m2 (lengte 2,5m, breedte 2,5m, hoogte 2,2m) 6,25 m2 (lengte 2,5m, breedte 2,5m, hoogte 2,2m) 10 m2 (breedte 3m hoogte 3m)

De Stichting komt op basis van het voorgaande tot de volgende minimumafmetingen voor een voliere waarin een koppel is gehuisvest: Shortwings Longwings Broadwings Broadwings (Steenarend)

12 m2 (lengte 4m, breedte 3m, hoogte 2,5 m) 12 m2 (lengte 4m, breedte 3m, hoogte 2,5 m) 10,5 m2 (lengte 4m, breedte 2,5m, hoogte 2,5 m) 24m2 (breedte 3m, hoogte 3m)

De minimum breedtematen hebben als doel te verzekeren dat de breedte van de voliere ruim de spanwijdte van de vogel behelst. Voor als koppel gehuisveste vogels houdt de minimum breedtemaat voorts in dat de vogels gemakkelijk langs elkaar in de voliere kunnen vliegen. Het bestuur van de Stichting maakt bij de bovenstaande schema’s, die gebaseerd zijn op de Mindestanforderungen,22 de volgende kanttekening.

18

Bednarek, p. 3, met verdere verwijzingen. Hinweise, p. 5. 20 Mindestanforderungen 1995, p. 4. 21 Hinweise, p. 8. 22 Opgemerkt zij dat voor de broadwings is aangesloten bij de roodstaartbuizerd (Buteo jamaicensis), nu de Mindestanforderungen voor de woestijnbuizerd geen voorschriften bevatten. 19

39

Een voliere van 6x2x2,5 meter voor één havik, voldoet aan de Mindestanforderungen. Toch adviseert De Stichting om bij voorkeur de voliere bijvoorbeeld 2,5x2,5x2,2 meter te maken. Dit omdat een voliere van 6x2x2,5 een soort tunnel is. Het gevolg daarvan is dat een shortwing een hogere snelheid kan behalen in een voliere van 6x2x2,5 meter dan in een voliere van 2,5x2,5x2,2 meter. Het risico op beschadigingen is dan mogelijk groter. Bij een gesloten voliere doet dit probleem zich minder snel voor.23 Het bestuur van De Stichting citeert ook Lierz e.a.: “Kleinere Volieren, Sichtschutz an den Volierenseiten und eine bessere Innenstrukturierung helfen Schäden zu vermeiden.”24 Het is ook om deze reden dat het bestuur van De Stichting kleinere minimummaten aanhoudt dan de Mindestanforderungen. Zie ook de tekst onder 4.4 hierboven.

4.5. Inrichting Bij de inrichting van de voliere moet op het volgende acht worden geslagen: -

Vliegactiviteiten mogen niet door voorwerpen gehinderd worden; Zitgelegenheden dienen aanwezig te zijn en zo geplaatst te worden dat excrementen niet in een (eventueel aanwezige) watervoorziening kunnen belanden; Als de voliere niet gesloten is moet de vogel zich aan het zicht kunnen onttrekken.

Het bovenstaande brengt bijvoorbeeld met zich mee dat zitaangelegenheden aan de rand van de voliere aangebracht dienen te worden. Zo wordt de vlucht niet belemmerd. 4.6. Het houden van jachtvogels op valkerijtechnische wijze Met het houden van jachtvogels op valkerijtechnische wijze wordt bedoeld het aanbinden van de jachtvogel. De jachtvogel is dan aangebonden aan een blok, sprenkel of hoogrek. De Mindestanforderungen bepalen in de eerste plaats dat uitsluitend houders van een valkeniersakte een vogel op valkerijtechnische wijze mogen houden. De Stichting schaart zich achter dit standpunt. Personen die een valkeniersakte hebben, beschikken over de kennis die nodig is om vogels op valkerijtechnische wijze te houden.25 Een voorwaarde voor de verkrijging van een valkeniersakte is dat de aspirant-valkenier twee jaar stage loopt bij een erkende mentor. Daarnaast bevat het opleidingstraject een theoretische component. De aspirant-valkenier leert zodoende zowel de theorie achter het valkerijtechnisch houden van jachtvogels als de uitvoering daarvan (inclusief het maken van de benodigde materialen). Ten aanzien van het houden van een vogel op het hoogrek schrijven de Mindestanforderungen voor dat dit uitsluitend is toegestaan in (i) de eerste periode van de training van de vogel, en (ii) buiten die periode uitsluitend voor korte duur (enkele uren).

De reden is dat op het hoogrek de bewegingsvrijheid van de vogel ernstig is ingeperkt.26

23

Zie ook Lierz e.a., p. 315. Lierz e.a., p. 315. 25 Er zijn vanuit de media casus bekend van roofvogelhouders zonder valkeniersakte die roofvogels op valkerijtechnische wijze houden. Door gebrek aan kennis en kunde leidt dit tot misstanden. Navraag bij het ministerie leert dat misstanden (nagenoeg) niet bij houders van een valkeniersakte worden aangetroffen. Dit bevestigt naar de mening van De Stichting dat de opleiding ter verkrijging van een valkeniersakte een grote waarborg is voor wat betreft deskundigheid ten aanzien van het (op valkerijtechnische wijze) houden van roofvogels. 26 Mindestanforderungen 1995, p. 7. 24

40

De Stichting kan zich hier ten dele in vinden, maar merkt op dat er in de loop der jaren andere, vergelijkbare methoden ontwikkeld zijn die de vogel minder in zijn bewegingsvrijheid beperken en het risico op schade aanmerkelijk verkleinen. Nader onderzoek lijkt op dit punt gewenst.

5. Vragen en opmerkingen Vragen en opmerkingen aangaande het advies van de Stichting kunt u richten aan info@stichtingvalkerijnederland.nl.

Bronnen Artikelen Bednarek W. Bednarek, ‘Falknerische Greifvogelhaltung aus etho-ökologischer sicht’, te raadplegen via: https://d-f-o.de/tl_files/downloads/Falknerische-Greifvogelhaltung.pdf. Hartmann S. Hartmann, ‘Anforderungen an die Greifvogelhaltung, die unterschiedlichen Haltungsverfahren’, te raadplegen via: https://falknerbund.com/images/stories/berichte_ab_01012011/vet_med_tagung_2011/hartmann. pdf. Lierz M. Lierz e.a., ‘Empfehlungen für die tierärztliche Bestandsbetreuung und die Beurteilung von Greifvogelhaltungen’, Tierärztliche Praxis Kleintiere 2010/5, p. 313 – 324. Richter e.a. T. Richter e.a., ‘Wildtiere in Menschenhand: Überlegungen zum moralisch-rechtlichen und biologischen Status von Wildtieren, Deutsches Tierärzteblatt 2012/11, p. 1550 – 1553, te raadplegen via: https://iaf.org/download/GermanAnimalWelfare.pdf. Richter (i) T. Richter, ‘Biologische insbesondere ethologische Grundlagen der Haltung und des Trainings von Greifvögeln, te raadplegen via: https://falknerbund.com/images/stories/berichte_ab_01012011/vet_med_tagung_2011/richter.pdf. Richter (ii) T. Richter, ‘Überlegungen zur Tierschutzrelevanz der Beizjagd’, te raadplegen via: https://d-fo.de/tl_files/downloads/Ueberlegungen_zur_Tierschutzrelevanz.pdf. Tschanz e.a. 41

B. Tschanz e.a., ‘Bedarfsdeckung und Schadensvermeidungs’, Deutsche Veterinärmedizinische Gesellschaft, Fachgruppe Verhaltensforschung, Gießen 1987. Overige documenten Mindestanforderungen Sachverständigengruppe Gutachten über die tierschutzgerechte Haltung von Vögeln, Mindestanforderungen an die Haltung von Greifvögeln und Eulen, 1995, te raadplegen via: https://www.bmel.de/SharedDocs/Downloads/Tier/Tierschutz/GutachtenLeitlinien/HaltungGreifvoe gel.pdf?__blob=publicationFile. Hinweise Tierärztliche Vereinigung für Tierschutz e. V., Hinweise für die Überwachung von Greifvogelhaltung, Merkblatt nr. 107, te raadplegen via: https://www.tierschutztvt.de/index.php?id=50&no_cache=1&download=TVTMB_107_Greifvogelhaltung__2006_.pdf&did=144.

Het bestuur van de Stichting valkerij Nederland info@stichtingvalkerijnederland.nl www.stichtingvalkerijnederland.nl

42

Bijlage 2: Maten document voor roofvogels en uilen. Onderstaande maten zijn voor jachtvogels die door valkeniers worden gehouden ten behoeve van jacht, beheer en schadebestrijding en/of fok van vogels voor jacht en/of beheer en schadebestrijding: Code:

Langdurig Oppervlakte aangebonden koppel (buiten vliegseizoen)

J1 J2 J3

Toegestaan Toegestaan toegestaan

10.5 m2 12 m2 24 m2

Oppervlakte enkel dier (buiten vliegseizoen) 6,25 m2 6,25 m2 10 m2

Breedte:

Hoogte:

2,5 m 3m 3m

2,5 m 2.5 3m

Onderstaande maten zijn voor roofvogels en uilen die permanent in een volière worden gehouden: De classificering en daaraan verbonden maten voor koppels volièrevogels zijn vastgesteld door de vereniging Belangenbehartiging Europese Cultuurvogel. Tabel 1: Codes aangaande vogels en hun maten volière vogels* Code: Oppervlakte Oppervlakte enkel Breedte: Hoogte: koppel dier 2 C1 3m 2 m2 1m 2m 2 C2 7m 5m2 2m 2m 2 2 C3 10m 7,5m 2m 2,5m 2 2 C4 18m 12m 2m 2,5m 2 2 C5 24m 18m 3m 2,5m 2 2 C6 34m 24m 3m 3m * Wanneer roofvogels en uilen in groepen worden gehuisvest moet de oppervlakte van het verblijf met 50% van de maat van een individueel dier worden vergroot. Zoals reeds aangegeven is er fysiologisch gezien een behoorlijk verschil in activiteit tussen de verschillende soorten roofvogels en uilen. Met de activiteit van volièrevogels wordt rekening houden bij de in de tabel opgenomen maten. Het betreft hier het uitgangspunt van een langwerpige volière. Een andere benaderingswijze is te voorzien in een vierkante of meerhoekige of ronde volière waarbij een vogel een volledige rondvlucht kan maken. Onderstaande maten gelden voor verblijven van vliegvogels die tenminste 3x per week worden gevlogen m.u.v.

broedseizoen en tijdens de muit: Tabel 2: Codes aangaande vogels en hun maten vliegvogels* Code: Oppervlakte: Breedte: Hoogte: 2 V1 1m 1m 1,5m 2 V2 1m 1m 2m 2 V3 3m 1,50m 2m V4 4m2 2m 2m 2 V5 5m 2,50m 2m 2 V6 10m 3m 3m * Voor ieder extra dier moet de oppervlakte van het verblijf met 50% worden vergroot. 43

Voorschriften vogels in vrije vlucht: Een eis voor het mogen houden op deze maat is: minimaal 3 keer in de week tot elke dag vliegen met de vogel. Dit moet aantoonbaar zijn in een logboek. In dit logboek moeten de volgende dingen zijn omschreven: Soort vogel, Identificatie vogel(ring), gewicht vogel, en of hij die dag gevlogen heeft. Om te controleren of een aangebonden vogel vrije vlucht krijgt, kan de eigenaar gevraagd worden om de vogel vrij te laten, waarbij de vogel vlot door de verzorger op de hand moet kunnen worden genomen. Daarbij kan ook het aantonen van een logboek worden gehandhaafd. Logboek kan bevatten: Naam, soortnaam, ringnummer, dagen, gewicht, gezondheidsafwijkingen en daglog (vrij gevlogen of niet), voortgang. Wanneer de eigenaar al heeft aangegeven dat de vogel heeft gevlogen en gegeten dient er gevraagd te worden een andere dag terug te komen op kort termijn. Een roofvogel of uil welke al heeft gegeten zal niet vliegen De vogels mogen in hun vliegverblijf verblijven zolang de vogels worden gevlogen. Er geldt een periode van Rui en kweek en gezondheidsredenen waarin de vogel mag stilzitten en niet hoeven gevlogen, dit zij te maken hebben met muiten / ziekte.

Wanneer een valk regelmatig wordt gevlogen en in het verblijf dermate wild gedrag vertoont dat het dier zichzelf (dreigt) te beschadigen, kan het in een kleiner verblijf worden geplaatst of worden aangebonden aan rails.

44

Tabel 3: Acciptridae Europees: Acciptridae (Europees): Code volière koppels: Visarend: C4 Lammergier: C6 Vale gier: C6 Monniksgier: C6 Aasgier: C4 Oorgier: C6 Zeearend: C6 Steenarend: C6 Keizerarend: C6 Spaanse keizerarend: C6 Schreeuwarend : C4 Bastaardarend: C4 Steppearend: C5 Slangenarend: C4 Dwergarend: C3 Havikarend: C4 Rode wouw: C4 Zwarte Wouw: C4 Grijze wouw: C3 Bruine kiekendief: C4 Blauwe kiekendief: C4 Grauwe kiekendief: C4 Steppekiekendief: C4 Ruigpootbuizerd: C4 Buizerd: C4 Arendbuizerd: C4 Wespendief: C4 Sperwer: C3 Balkansperwer: C3

Tabel 4: Acciptridae Niet Europees Acciptridae (Niet Europees): Code voliere koppels: Brahmaanse wouw: C4 Amerikaanse Zeearend: C6 Witbuikzeearend: C6 Witbandzeearend: C5 Stellers zeearend: C6 Ruppelsgier: C6 Savannearend: C5 Roodstaartbuizerd*: C4 Woestijnbuizerd*: C4 Jakhalsbuizerd: C4

Spanwijdte(m):

Code volière Vliegvogels:

1,70 2,80 2,80 2,90 1,70 2,80 2,50 2,20 2,00 2,00 1,65 1,80 1,90 1,75 1,35 1,65 1,60 1,55 0,85 1,15 1,15 1,10 1,15 1,45 1,35 1,55 1,35 0,75 0,80

V4 V6 V6 V6 V4 V6 V6 V6 V6 V6 V4 V4 V5 V4 V3 V4 V4 V4 V3 V4 V4 V4 V4 V4 V4 V4 V4 V3 V3

spanwijdte(m):

Code voliere vliegvogels:

1,15 2,50 2,40 2,05 2,50 2,55 1,80 1,60 1,60 1,65

V4 V6 V6 V5 V6 V6 V5 V4 V4 V4 45

Koningsbuizerd: C4 1,65 V4 Chili arend: C5 1,80 V5 Kapgier: C4 1,35 V4 Palmgier: C5 1,75 V5 Andescondor: C6 2,75 V6 Kalkoengier: C4 1,80 V4 Zwarte gier: C4 1,40 V4 Bateleur: C6 1,90 V6 Verraux Arend: C6 2,20 V6 Koningsgier: C6 2,40 V6 * vanwege de hoge snelheid die deze vogels kunnen bereiken kunnen zij in bepaalde gevallen in C3 ingedeeld in afwijking van andere systemen, om te voorkomen dat ze zich kapot vliegen Tabel 5: Falconidae Europees Falconidae (Europees): Code volière koppels: Torenvalk: C2 Kleine torenvalk: C2 Boomvalk: C3 Slechtvalk: C4 Smelleken: C3 Roodpootvalk: C2 Eleonora’s valk: C3 Giervalk: C4 Sakervalk: C4 Lannervalk: C4 Kuifcaracara: C4

spanwijdte(m):

Code volière vliegvogels:

0,80 0,70 0,80 1,10 0,60 0,75 1,00 1,35 1,25 1,10 1,60

V2 V2 V3 J1 V3 V2 V3 J1 J1 V4 V4

Tabel 6: Falconidae Niet Europees Falconidae (Niet Europees): Code volière koppels: spanwijdte(m): Amerikaanse Torenvalk: C2 0,60 Prairie valk: C4 1,00 Aplamado valk: C4 0,90 Pygmee valk: C2 0,50

Code volière vliegvogels: V2 V4 V4 V2

Tabel 7: Strigidae Europees Strigidae (Europees): Bosuil Laplanduil Oeraluil Europese oehoe Siberische oehoe Ruigpootuil Ransuil Velduil Steenuil

Code volière vliegvogels: V3 V5 V4 V5 V5 V2 V3 V3 V2

Code volière koppels: spanwijdte(m): C3 0,95 C5 1,40 C4 1,30 C5 1,85 C5 1,85 C2 0,60 C3 0,95 C3 1,00 C2 0,55

46

Dwergooruil Sneeuwuil Sperweruil Dwerguil Kerkuil

C1 C5 C4 C1 C2

0,50 1,60 0,85 0,35 0,70

Tabel 8: Strigidae Niet Europees Strigidae (Niet Europees): Code volière koppels: Canadese oehoe: C4 Turkmeense oehoe: C5 Kaapse oehoe: C4 Afrikaanse oehoe: C3 Konijnuil: C2 Indische dwergooruil: C2 Tropische schreeuwuil: C2 Westerse schreeuwuil: C2 Brasiliaanse dwerguil: C1 Witwangdwergooruil: C2 Roodpootbosuil: C3 Boeboekuil: C2 Bonte bosuil: C3 Bengaalse oehoe: C4 Bruine bosuil: C4 Briluil: C4 Melkoehoe: C5 Gestreepte ransuil: C3 Pareluil: C1 Bruine uil: C2 Amerikaanse oehoe: C4

spanwijdte(m): 1,50 1,85 1,45 1,10 0,45 0,50 0,50 0,55 0,35 0,65 0,60 0,50 0,65 1,30 1,20 1,00 1,90 0,95 0,40 0,60 1,40

V1 V5 V4 V1 V2

Code volière vliegvogels: V4 V5 V4 V3 V2 V2 V2 V2 V1 V2 V3 V2 V3 V4 V4 V4 V5 V3 V1 V2 V4

47

BIjlage 3: Temperatuurvoorschriften voor roofvogels (20) Tabel 8: Temperatuurvoorschriften voor roofvogels en uilen Cat. Temperatuurvoorschrift: I Volledig winterhard, alleen bescherming tegen regen en wind zijn nodig. II Kan tegen zeer sterke vorst, een onverwarmde schuilplek of nestblok is voldoende. III Niet volledig vorstongevoelig, een vorst- en tochtvrije binnenruimte is nodig. IV Vorstgevoelig, verwarmde binnenruimte met temperatuur boven +10˚C is nodig. Familie / geslacht: Catharthidae

Pandionidae Sagittariidae Elanus Milvus

Ichthyophaga Haliaeetus

Gypaetus Aegypius Gypohierax Neophron Necrosyrtes Sarcogyps Torgos Trigonoceps Gyps

Pseugogyps Circaetus Terathopius Spilornis Circus

Soort (wetenschappelijke naam): Cathartes atratus Cathartes aura Sarcoramphus papa Vultur gryphus Pandion haliaetus Sagittarius serpentarius Elanus caeruleus Milvus milvus Milvus milvus Haliastur indus Icthyophaga Ichthyaetus Haliaeetus albicilla Haliaeetus leucocephalus Haliaeetus leucogaster Haliaeetus leucoryphus Haliaeetus pelagicus Haliaeetus vocifer Gypaetus barbatus Aegypius monachus Gypohierax angolensis Neophron percnopterus Necrosyrtes monachus Sarcogyps calvus Torgos tracheliotus Trigonoceps occipitalis Gyps fulvus Gyps himalayensis Gyps rueppellii Pseudogyps bengalensis Pseugogyps africanus Circaetus cinereus Circaetus gallicus Terathopius ecaudatus Spilornis cheela Circus aeruginosus

NL naam:

Cat. I – IV:

Zwarte Gier Kalkoengier Koningsgier Andescondor Visarend Secretarisvogel Grijze wouw Zwarte wouw Rode wouw Brahmaanse wouw Grote rivierarend Zeearend Amerikaanse Zeearend Witbuikzeearend Witbandzeearend Stellers zeearend Afrikaanse zeearend Lammergier Monniksgier Palmgier Aasgier Kapgier Indische oorgier Oorgier Witkopgier Vale gier Sneeuwgier Rüppels gier Bengaalse gier Witruggier Bruine slangenarend Slangenarend Bateleur Indische slangenarend Bruine slangenarend

III IV IV I II III IV I-II I IV IV I I III I I III I I IV I-II II IV II II I I II III II IV IV III IV IV 48

Melierax Accipiter Geranoaetus Buteo

Pemis Harpia Pithecophaga Stephanoaetus Lophaetus Hieraaetus Aquila

Phalcoboenus Polemaetus Polyborus Microhierax Falco

Tyto Phodilus Asio

Circus cyaneus Melierax canorus

Blauwe kiekendief Zanghavik

I IV

Accipiter gentilis Accipiter nisus Geranoaetus melanoleucus Buteo buteo Parabuteo unicinctus Buteo jamaicensis Buteo lagopus Buteo polyosoma Buteo rufinus Pernis apivorus Harpia harpyja Pithecophaga jefferyi Stephanoaetus coronatus Lophaetus occipitalis Hieraaetus fasciatus Aquila clanga Aquila chrysaetos Aquila heliacea Aquila pomarina Aquila rapax Aquila verreauxii Phalcoboenus australis Phalcoboenus megalopterus Polemaetus bellicosus Polyborus plancus Microhierax caerulescens Falco biarmicus Falco cherrug Falco columbarius Falco eleonorae Falco jugger Falco mexicanus Falco peregrinus Falco rusticolus Falco sparverius Falco subbuteo Falco tinnunculus Falco vespertinus Tyto alba Tyto capensis Phodilus badius Asio capensis Asio flammeus Asio otus

Havik Sperwer Grijze arendbuizerd Buizerd Woestijnbuizerd Roodstaartbuizerd Ruigpootbuizerd Roodrugbuizerd Arendbuizerd Wespendief Harpij Apenarend Kroonarend Afrikaanse zwarte kuifarend Havikarend Bastaardarend Steenarend Keizerarend Schreeuwarend Savannearend Zwarte arend Falklandcaracara Andescaracara Vechtarend Kuifcaracara Indische dwergvalk Lannervalk Sakervalk Smelleken Eleonora’s valk Indische lannervalk Prairievalk Slechtvalk Giervalk Amerikaanse torenvalk Boomvalk Torenvalk Roodpootvalk Kerkuil Kaapse grasuil Bruine uil Afrikaanse velduil Velduil Ransuil

I I II I 1 I-II I II I III III IV III III I-II II I I II I-II III I II III II >15oC I-II I-II I II II I I I I-II III I III I-II IV IV III I I 49

Aegolius Athene

Bubo

Glaucidium

Nyctea Otus Strix

Surnia

Aegolius acadicus Aegolius funereus Athene brama Athene noctua Athene cunicularia

Zaaguil Ruigpootuil Brahmaanse steenuil Steenuil Holenuil

I I IV I II

Bubo africanus Bubo. Bubo ssp. Bubo capensis Bubo lacteus Bubo virginianus Glaucidium brasilianum Glaucidium passerinum Glaucidium perlatum Nyctea scandiaca Otus scops Strix aluco Strix nebulosa Pulsatrix perspicillata Strix uralensis Surnia ulula

Afrikaanse oehoe Oehoe Kaapse oehoe Verreaux’ oehoe Amerikaanse oehoe Brazeliaanse dwerguil Dwerguil Geparelde dwerguil Sneeuwuil Dwergooruil Bosuil Laplanduil Briluil Oeraluil Sperweruil

II I II-III III I-II IV I III-IV I III I I III I I

50

Bijlage 4: Sprenkelverklaring A.A. Oranje, DVM Ik heb van u de vraag ontvangen om als deskundige op het gebied van diergedrag en dierenwelzijn met betrekking tot roofvogels een verklaring op te stellen met betrekking tot het gebruik van langveters en sprenkels. Allereerst zal ik het begrip dierenwelzijn nader definiëren en vervolgens vanuit dit frame het huisvesten van roofvogels daar waar het vastbinden aan een zitstok betreft en de hieruit voortvloeiende consequenties voor dierenwelzijn, bespreken. Achtergrond Sommige roofvogels worden in hun natuurlijke bewegingen ernstig belemmerd doordat zij vastgebonden zitten aan een zitstok via zogenaamde sprenkels. Dit vastgebonden zitten kan voorkomen in de gehouden thuissituatie en tijdens het geven van demonstraties. Om er zorg voor te dragen dat voldaan wordt aan de in het Besluit houders van dieren opgenomen eis dat de bewegingsvrijheid van de vogel niet op zodanige wijze wordt beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht, wordt hieronder beschreven aan welke randvoorwaarden de zitstok en de sprenkels minimaal moeten voldoen om aan deze eis tegemoet te kunnen komen. Het zou mijn inziens alleen toegepast moeten en kunnen worden door personen die hiervoor een gedegen en door het ministerie erkend examen hebben afgelegd, het zogenoemde valkeniersexamen.

Deze personen hebben een twee jarige opleiding genoten, met een theorie als wel een praktijkexamen. Na het positief afsluiten van de stage en het behalen van de beide examens komen zij in het bezit van een door het ministerie afgegeven valkeniersakte. Deze personen kunnen middels deze akte aantonen over de vereiste kennis en vaardigheden te beschikken. Een kennis en vaardigheid die ver uitstijgt boven de kennis en vaardigheid noodzakelijk voor het houden van bijvoorbeeld een zangvogel of een duif. Zij hebben geleerd hoe om te gaan met deze vogels en op welke wijze stress situaties kunnen worden vermeden. Ook beschikken zij over kennis over het gebruik van de juiste hulpmiddelen waaronder het gebruik van sprenkels en zitstokken. Zij hebben geleerd om de juiste professionele materialen te gebruiken, waardoor beschadigingen aan hun vogels kunnen worden voorkomen. Daarnaast komen ook andere essentiële welzijns- en gezondheidsaspecten aan bod zoals huisvesting, voeding, gezondheid en soortspecifiek fysiologisch en ethologisch gedrag. Samenvattend kan de ondergetekende concluderen dat alleen erkende valkeniers gebruik mogen maken van langveters en sprenkels vanwege de aantoonbare aanwezige en wettelijk vereiste kennis en vaardigheden. Dit laat onverlet dat ook houders met een valkeniersdiploma zich moeten houden aan de in deze verklaring vermelde randvoorwaarden.

Dierenwelzijn Dierenwelzijn is een veelomvattend begrip dat zowel het fysieke als het geestelijke welzijn van een dier omvat. De Raad voor Dierenaangelegenheden hanteert het begrip als volgt: Dierenwelzijn is het resultaat van het dynamische samenspel tussen een dier en zijn omgeving. Daarin is de welzijnsstatus van dat dier gerelateerd aan de mate waarin hij zich kan aanpassen aan de uitdagingen die de heersende omgevingsomstandigheden bieden en de vrijheid die hij heeft om normale, soortspecifieke gedragspatronen te vertonen, teneinde een staat te bereiken die hij als positief ervaart. De kennis over welzijn kan worden ontleend aan fysieke parameters, maar ook aan het gedrag. Reeds in 1965 zijn door de Brambell Committee (EU), de vijf vrijheden genoemd als algemene richtlijnen om in de praktijk meer eenduidig het welzijn van dieren te kunnen nastreven. Zij worden tot de dag van vandaag algemeen gehanteerd en geïnterpreteerd conform de beschikbare en voortschrijdende wetenschappelijk kennis en zijn op advies van de Europese commissie verwerkt in het Welfare Quality project® (2009), en recentelijk ingebed in de Wet Dieren. Ik noem u deze vrijheden hieronder, met daarbij een korte, en overigens niet volledige interpretatie over hoe het welzijn in de praktijk kan worden nagestreefd dan wel geoptimaliseerd: 51

(1) Vrij zijn van dorst, honger en ondervoeding. (door de beschikbaarheid van vers water en voer kan een optimale gezondheid en energiehuishouding worden gegarandeerd). (2) Vrij zijn van fysiek en fysiologisch ongerief. (door een geschikte en veilige huisvesting te bieden, inclusief een comfortabele rust- en schuilplaats). (3) Vrij zijn van pijn, verwondingen en ziektes. (door deze te voorkomen en wanneer deze toch optreden, door ze snel en adequaat te diagnosticeren en te behandelen). (4) Vrij zijn om het normale gedrag te kunnen uitvoeren. (door voldoende bewegingsvrijheid te geven, in een daartoe geschikte [stal]ruimte, het aanbieden van een prikkelrijke omgeving, die uitnodigt tot het vertonen van normaal soorteigen gedrag, en door sociale huisvesting met soortgenoten. NB. in ieder geval bij sociale dieren). (5) Vrij zijn van angst en chronische stress. (door huisvesting en management te hanteren die angst en stress zullen voorkomen; door een goede socialisatie om angst voor mensen, andere dieren en stimuli in de toekomst te voorkomen). Normaal gebruik van de sprenkels en langveters en de beperkingen Zowel de individuele vogel als de soort moet geschikt zijn om vastgebonden te zijn waarbij het vastbinden onder optimale condities moet gebeuren op een voor de soort en individu geschikte zitstok of zitblok.

Het dier moet zonder problemen rustig kunnen zitten en zichzelf zonder extra arbeid op dezelfde plaats zittend kunnen houden. De lijn waarmee de vogels aangebonden worden moet vrij beweegbaar zijn en mag nergens vast kunnen komen te zitten waardoor een vogel vast kan komen te zitten. Sprenkels Bij de grotere roofvogels en uilen, zoals de oehoe, moet men op bedacht zijn dat deze vogels zeer gevoelig zijn voor pododermatitis (bumblefoot). Dit is een infectie aan de onderkant van de poot. Bij pododermatitis kunnen zich ernstige pootproblemen /voetzoolproblemen ontwikkelen. De aandoening is zeer berucht in de valkerij maar ook bij roofvogels/uilen in dierentuinen. Foutieve zitgelegenheid (te eenzijdig aanbod aan zitstokken, vooral perfect gladde zitstok) zijn de voornaamste boosdoeners. Zowel de zitstok als het zitblok moet een geschikt oppervlakte hebben om pododermatitis te voorkomen, bijvoorbeeld astroturf als bekleding op de zitstokken. Verder heeft een podermatitis ook te maken met een juiste huisvesting. De oppervlakte mag niet te hard zijn, niet te vlak en te ongestructureerd, moet vrij zijn van scherpe randen, uitstekende nagels, schroeven en andere oorzaken die beschadigingen tot gevolg kunnen hebben. Het oppervlakte moet ook regelmatig veranderd worden.

Er moeten verschillende soorten zitplaatsen worden aangeboden, zoals grote stenen op de grond en takken en stokken hoog in het verblijf. Hierdoor kan het dier zijn klauwen gezond houden. Essentieel daarbij is dat er bij de grotere vogels wordt voorkomen dat deze vogels overgewicht krijgen.

52

Langveters Sommige roofvogelsoorten kunnen vastgebonden worden aan specifieke voor de soort geschikte zitstokken tijdens training of tijdens een demonstratie of evenement. Hiertoe behoren de havik, valk en arend vanwege hun natuurlijk gedrag om als zij niet jagen of zichzelf willen laten gelden, stil te zitten. Het dier moet zonder problemen rustig kunnen zitten en zichzelf zonder extra arbeid op dezelfde plaats zittend kunnen houden. De lijn waarmee de vogels aangebonden worden moet vrij beweegbaar zijn en mag nergens vast kunnen komen te zitten waardoor een vogel vast kan komen te zitten. Zowel de individuele vogel als de soort moet geschikt zijn om vastgebonden te zijn waarbij het vastbinden onder optimale condities moet gebeuren op een voor de soort en individu geschikte zitstok (havik) of zitblok (Valk). De uitrusting die gebruikt wordt voor het vastbinden moet zowel geschikt zijn voor de individuele vogel als qua materiaal. Het vastbinden mag de vogel op geen enkele manier beschadigen. Beperkingen Elk optreden gaat per definitie gepaard met veel stress voor het dier. Indien dit dier ook nog eens (noodgedwongen) ergens aangebonden zit zal dit extra stress met zich mee brengen. Indien dit optreden beperkt blijft tot het demonstreren van het natuurlijk gedrag van het dier wordt het dier geen onnodig lijden of letsel toegebracht.

Het kortstondig vastgebonden zitten van die vogels die even niet deelnemen aan de demonstraties is om die reden dan ook acceptabel waarbij er wel een maximum verbonden moet zijn van 2 uur voor de aanbindperiode. Om er zorg voor te dragen dat er tijdens de aanbindperiode de dieren geen onnodig lijden of letsel wordt toegebracht moet elk direct of indirect contact met mens of dier worden vermeden en moeten zij uit het zicht worden geplaatst. Uiteraard geldt dit ook voor die situaties waar het dier in een andere situatie noodgedwongen moet worden aangebonden. Elk ander soort optreden waarbij het doel is om de dieren niet hun natuurlijke (vlieg)bewegingen te laten demonstreren en waarbij het dier continu vastgebonden zit (op een sprenkel of anderszins) en slechts dient als zittend object ter vermaak van het publiek dient niet toegestaan te worden. Het dier wordt hierdoor namelijk ernstig in zijn natuurlijke bewegingen belemmerd en onnodig lijden of letsel toegebracht. Hierdoor wordt niet voldaan aan het gestelde in het Besluit houders van dieren Een gebrek aan ruimte in de thuissituatie mag nooit de reden zijn om een vogel vastgebonden te houden. Huisvesting vastgebonden vogel Minimaal één kant van de plaats waar het dier zit, moet bestaan uit een solide wand of vegetatie om een veilige achtergrond voor de vogel te bewerkstelligen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11378800/1